<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50424_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ De Wolden 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-09-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Wolder Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ De Wolden 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel147/geldigheidsdatum_17-09-2010">Artikel 147, lid 1 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukVIII/1/Artikel108/geldigheidsdatum_17-09-2010">Artikel 108, lid 2 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004044/geldigheidsdatum_17-09-2010#HoofdstukIII_Artikel35">Artikel 35, lid 1, sub b IOAW</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004044/geldigheidsdatum_17-09-2010#HoofdstukII_3_Artikel20">Artikel 20, lid 2 IOAW</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004163/geldigheidsdatum_17-09-2010#HoofdstukIII_Artikel35">Artikel 35, lid 1, sub b IOAZ</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004163/geldigheidsdatum_17-09-2010#HoofdstukII_3_Artikel20">Artikel 20, lid 1 IOAZ</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-02-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013 - I / 11</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ De Wolden 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad van de gemeente De Wolden;</al><al> Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van gemeente De Wolden
                        van 8 januari 2013 inzake vaststelling van de Maatregelenverordening IOAW en
                        IOAZ gemeente De Wolden 2013</al><al> gelet op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid Gemeentewet,
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid IOAW, alsmede
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, eerste lid IOAZ;</al><al> overwegende dat het noodzakelijk is de Maatregelenverordening in het kader
                        van de IOAW en IOAZ in overeenstemming te brengen met de Wet aanscherping
                        handhaving- en sanctiebeleid SZW-wetgeving;</al><al> besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al> Maatregelenverordening IOAW en IOAZ De Wolden 2013</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel/></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al> In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al> a. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al><al> b. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al> c. De IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij op
                                belanghebbende van toepassing zijn;</al><al> d. Uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid
                                IOAW/IOAZ;</al><al> e. Uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde netto
                                grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde lid IOAW/IOAZ;</al><al> f. Maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van
                                artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ alsmede
                                het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering
                                op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid
                                IOAZ;</al><al> g. Inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ;</al><al> h. Belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op grond
                                van de IOAW, voor zover hij is aangewezen op arbeid in
                                dienstbetrekking, alsmede hij die recht heeft op een uitkering op
                                grond van de IOAZ;</al><al> i. het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                gemeente De Wolden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al> 1. Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een
                                verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid
                                IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de
                                uitkering verbonden verplichting – anders dan de verplichting,
                                bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAZ - schendt, wordt
                                overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. Daarnaast
                                wordt tevens een maatregel opgelegd indien belanghebbende onder
                                omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van
                                de IOAW/IOAZ zich jegens het college zeer ernstig misdraagt.</al><al> 2. Het eerste lid is gelijkelijk van toepassing op de
                                belanghebbende die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW,
                                wanneer hij de op basis van artikel 30c, tweede en derde lid van de
                                Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen op hem rustende
                                verplichtingen schendt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al> De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al> 1. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al><al> 2. Tenzij in de verordening anders is bepaald bedraagt de duur van
                                de maatregel een maand.</al><al> 3. De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al> In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                                vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                                percentage waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd,
                                het bedrag waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd en,
                                indien van toepassing, de reden om af te wijken van een</al><al> standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al> 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al><al> 2. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><al> a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al><al> b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
                                feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of</al><al> c. de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                college of een door haar ingeschakelde derde, om binnen een gestelde
                                termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 13 van
                                IOAW/IOAZ.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al> 1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel
                                indien:</al><al> a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al><al> b. de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging
                                een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van
                                die gedraging ten onrechte een uitkering is verleend.</al><al> c. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt
                                niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende
                                gedraging heeft plaatsgevonden.</al><al> 2. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien
                                het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al><al> 3. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al> 1. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                kalendermaand, volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                uitkeringsnorm.</al><al> 2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met
                                terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog
                                niet is uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al> 1. Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één
                                maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen
                                maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                maatregel opgelegd.</al><al> 2. Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending
                                opleveren van één of meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde
                                verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke
                                maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd,
                                tenzij dit gelet op artikel 4, eerste lid, niet verantwoord is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het
                                verkrijgen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al> Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op
                                grond van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting,
                                bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAW/IOAZ, niet of
                                onvoldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                                categorieën:</al><al> 1. Eerste categorie:</al><al> het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig
                                laten verlengen van de registratie.</al><al> 2. Tweede categorie:</al><al> a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                verkrijgen of te aanvaarden;</al><al> b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al><al> 3. Derde categorie:</al><al> a. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;</al><al> b. het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het college
                                aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder
                                begrepen sociale activering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al> 1. Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel
                                vastgesteld op:</al><al> a. vijf procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de eerste
                                categorie;</al><al> b. twintig procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                tweede categorie;</al><al> c. veertig procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                derde categorie.</al><al> 2. In afwijking van het eerste lid, onder c, legt het college,
                                indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de IOAW en
                                de belemmerende gedragingen, bedoeld in artikel 10, derde lid, onder
                                a, dusdanige vormen aannemen dat gesproken moet worden van het door
                                eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                                blijvend een maatregel op ter hoogte van het door eigen toedoen niet
                                verkregen netto inkomen uit deze arbeid. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                                arbeid te aanvaarden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid</titel></kop><al> 1. Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college, met in
                                achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, blijvend een
                                maatregel op indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen
                                uit of in verband met arbeid is verloren en:</al><al> a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden
                                ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het
                                Burgerlijk Wetboek; dan wel</al><al> b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet
                                van hem zou kunnen worden gevergd.</al><al> 2. De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door dit gedrag
                                verloren netto inkomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><al> 1. Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college blijvend
                                een maatregel</al><al> op indien de belanghebbende een uitkering ontvangt op basis van de
                                IOAW en hij weigert hem aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te
                                aanvaarden.</al><al> 2. De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door eigen toedoen
                                niet verkregen netto inkomen uit deze arbeid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al> 1. Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een
                                maatregel op van veertig procent van de uitkeringsnorm, indien
                                belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of
                                zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                                houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ.</al><al> 2. Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan,
                                indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij
                                het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te
                                rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de</al><al> jongere een schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige
                                misdragingen is gegeven.</al><al> 3. In afwijking van artikel 4, derde lid bedraagt de maatregel 100%
                                van de uitkeringsnorm, indien binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij een maatregel als bedoeld in het eerste lid,
                                is opgelegd,</al><al> sprake is van eenzelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging.
                                Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om af te zien van het opleggen van een
                                maatregel op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6,
                                tweede lid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al> 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 15 februari
                                2013 en is van toepassing op gedragingen die plaatsvinden na 15
                                februari 2013.</al><al> 2. De Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2010 wordt ingetrokken
                                met ingang van 15 februari 2013 maar blijft van toepassing op
                                gedragingen die een schending van de inlichtingenplicht inhouden
                                zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid van de IOAW en IOAZ
                                die:</al><al> a. hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2013 en niet na 1 januari
                                2013 voortduren;</al><al> b. hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2013 en na 1 januari 2013
                                voortduren maar vóór 15 februari 2013 zijn opgehouden of
                                geconstateerd, waarbij de maatregel wordt afgestemd op de gedraging
                                of het benadelingsbedrag over de periode tot uiterlijk 15 februari
                                2013; en:</al><al> c. hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2013 en na 1 januari 2013
                                voortduren maar niet vóór 15 februari 2013 zijn opgehouden of
                                geconstateerd, waarbij de maatregel wordt afgestemd op de gedraging
                                of het benadelingsbedrag over de periode tot uiterlijk 15 februari
                                2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al> Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening
                                IOAW en IOAZ De Wolden 2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Zuidwolde, 31 januari 2013</ondertekening><ondertekening> De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening> griffier, voorzitter,</ondertekening><ondertekening> (mw. drs. I.J. Gehrke) (R.T. de Groot)</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel/></kop><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al> Per 1 januari 2013 treedt de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving in werking. Met deze wet krijgt het college de plicht om een boete
                    op te leggen indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht. De
                    eerdere bevoegdheid om in deze situatie een maatregel op te leggen verdwijnt. De
                    wijziging ingaande 1 januari 2013 betreft het wegvallen van de maatregel bij het
                    schenden van de inlichtingenplicht (de voormalige artikelen 14, 15 en 16 van
                    deze verordening).</al><al> In deze verordening is er net als voorheen voor gekozen om met betrekking tot
                    de IOAW en IOAZ te komen tot een zo veel mogelijk analoog aan het WWB-regime toe
                    te passen afstemmingsbeleid. Daarbij zij opgemerkt dat in afwijking van de WWB,
                    de IOAW en IOAZ in een aantal situaties de mogelijkheid creëren om de uitkering
                    (gedeeltelijk) blijvend te weigeren.</al><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al> Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                    omschrijvingen verdient enige extra aandacht.</al><al><cursief>Onder c. de IOAW/IOAZ</cursief></al><al> Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten verwijst nu
                    een groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is qua nummering en
                    inhoud en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek naar elke afzonderlijke wet
                    verwezen moet worden.</al><al><cursief>Onder e. uitkeringsnorm</cursief></al><al> De WWB werkt met verlagingen op de netto bijstand. Om een identiek systeem in
                    de IOAW en IOAZ te creëren is het wenselijk om een begrip te introduceren dat
                    verwijst naar een netto norm.</al><al><cursief>Onder f. maatregel</cursief></al><al> In afwijking van de WWB wordt ook het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk)
                    weigeren van de uitkering binnen deze verordening als maatregel aangemerkt. Dit
                    houdt verband met de extra mogelijkheden binnen de IOAW en IOAZ op dit
                    vlak.</al><al><cursief>Onder g. inkomen</cursief></al><al> Qua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de IOAW en
                    IOAZ. Dit wijkt af van het binnen de WWB gehanteerde inkomensbegrip.</al><al><cursief>Onder h. belanghebbende</cursief></al><al> Daar de in artikel 20, tweede lid IOAW opgenomen bevoegdheden tot het opleggen
                    van een maatregel, blijkens dat artikel,daar enkel gelden voor de persoon die is
                    aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, is ook het begrip belanghebbende in
                    die zin ingeperkt.</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al> Dit artikel bundelt het bepaalde in artikel 20, eerste lid IOAZ en artikel 20,
                    tweede lid IOAW.</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al> Zoals reeds aangegeven wordt de maatregel toegepast op de netto norm.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al> Dit artikel bepaalt de algemene duur van een maatregel op 1 maand. Door de duur
                    van de maatregel in de algemene bepalingen op te nemen, wordt voorkomen dat
                    overal waar een maatregel wordt genoemd steeds weer moet worden aangegeven dat
                    deze voor 1 maand wordt opgelegd. Het derde lid maakt hier een algemene
                    uitzondering op, door bij recidive de duur te verdubbelen.</al><al><vet>Artikel 5 tot en met 9</vet></al><al> Spreken voor zich.</al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al> Ten opzichte van de WWB-afstemmingsverordening zijn in deze bepaling geen
                    gedragingen opgenomen die verband houden met het niet aanvaarden dan wel het
                    door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid. Dit houdt
                    verband met het feit dat juist bij deze gedragingen de IOAW en IOAZ de
                    mogelijkheid biedt tot tijdelijke of blijvende (gedeeltelijke) weigering van de
                    uitkering. De sanctie bij deze vorm van gedragingen is daarom in een apart
                    hoofdstuk opgenomen.</al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al> In het tweede lid is uitwerking gegeven aan de binnen de IOAW geboden
                    mogelijkheid om ook bij het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid de uitkering (gedeeltelijk) te weigeren.</al><al> Indien gekozen wordt voor volledige weigering, kan de belanghebbende in wezen
                    per direct aankloppen voor een aanvulling in het kader van de WWB. Binnen het
                    kader van de WWB zal dan moeten worden beoordeeld of belanghebbende recht heeft
                    op WWB (in afwijking van de IOAW en IOAZ kent de WWB een beperkte
                    vermogensvrijlating en een ruimer inkomensbegrip) en in hoeverre het
                    maatregelwaardige gedrag ook binnen de</al><al> WWB tot een verlaging zou hebben geleid.</al><al><vet>Artikel 12 en 13</vet></al><al> In deze bepalingen zijn de mogelijkheden die de IOAW en IOAZ biedt om de
                    uitkering (tijdelijk en/of blijvend geheel of gedeeltelijk) te weigeren volledig
                    uitgewerkt.</al><al><vet>Artikel 14 tot en met 16 oud (vervallen)</vet></al><al> Met de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving komen de
                    maatregelen in verband met de schending van de inlichtingenplicht te vervallen.
                    Wordt schending van de inlichtingenplicht geconstateerd dan levert dit een
                    beboetbare gedraging op.</al><al><vet>Artikel 14 </vet></al><al> Een bijzondere situatie waarin sprake is van het niet nakomen van aan de
                    uitkering verbonden verplichtingen, is die waarin een klant zich zeer ernstig
                    misdraagt jegens het college of een van zijn ambtenaren. Hieronder worden
                    verschillende vormen van agressie begrepen, zij het dat steeds sprake moet zijn
                    van gedrag dat in het normale menselijke verkeer als onacceptabel kan worden
                    beschouwd.</al><al> Verder geldt steeds dat er enig verband moet bestaan tussen het wangedrag en
                    mogelijke belemmeringen voor het college om het recht op uitkering vast te
                    stellen. Wanneer die relatie volledig ontbreekt is het niet mogelijk om een
                    maatregel wegens agressie op te leggen.</al><al> Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om een maatregel op te leggen als een
                    uitkeringsgerechtigde zich zeer ernstig misdraagt bij het maken van een afspraak
                    op eigen initiatief of bij een aanvraag voor het Sociaal Participatiefonds. Het
                    recht op bijstand staat op dat moment niet ter discussie. Zo is het ook niet
                    mogelijk om een maatregel op te leggen als een uitkeringsgerechtigde zich zeer
                    ernstig misdraagt bij een ander onderdeel van de gemeente dan de afdeling
                    sociale zaken. Wordt in dit soort situaties toch een maatregel opgelegd, dan is
                    de kans groot dat de rechter dit besluit vernietigt, omdat de maatregel dan
                    feitelijk een strafrechtelijke sanctie wordt, zonder deugdelijke wettelijke
                    grondslag.</al><al> Hoewel in deze situatie maatwerk is geboden is, onder meer uit oogpunt van
                    kenbaarheid, rechtszekerheid en de voorkoming van willekeur, in de verordening
                    toch een standaardmaatregel opgenomen. Overigens wordt de aanvraag afgewezen of
                    het recht op bijstand ingetrokken als het recht door het gedrag van de klant
                    niet is vast te stellen.</al><al><vet>Artikel 15</vet></al><al> Omdat er sprake is van een belastende verordening kan deze niet met
                    terugwerkende kracht in werking treden. Bekendmaking en publicatie na de
                    vaststelling door de Raad kan eerst op 13 februari 2013 plaatsvinden, daarom is
                    gekozen voor de inwerkingtreding per 15 februari 2013. Dit betekent dat tot 15
                    februari 2013 de oude maatregelverordening nog van toepassing.</al><al> Indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht die begint voor 15
                    februari 2013 en eindigt na 15 februari 2013 dan is de oude
                    maatregelenverordening van toepassing op de periode tot 15 februari 2013 en de
                    nieuwe maatregelenverordening vanaf 15 februari 2013.</al><al> Het overgangsrecht zoals vastgelegd in de Wet aanscherping handhaving en
                    sanctiebeleid gaat uit van inwerkingtreding van lokale regelgeving ingaande 1
                    januari 2013. Dit is gelet op het late beschikbaar komen van de
                    modelverordeningen echter niet haalbaar gebleken.</al><al><vet>Artikel 16</vet></al><al> Deze bepaling spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>