<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50413_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening advisering planschade De Wolden 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-05-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Wolder Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening advisering planschade De Wolden 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0020449/geldigheidsdatum_17-09-2010#Hoofdstuk6_Afdeling61_Artikel67">Artikel 6.7 Wet ruimtelijke ordening</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0023798/geldigheidsdatum_17-09-2010#Hoofdstuk6_Afdeling61_613_Artikel6133">Artikel 6.1.3.3 Besluit ruimtelijke ordening</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-12-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2008-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-04-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2008 - XIX/10</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening advisering planschade De Wolden 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente DE WOLDEN;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november
                        2008;</al><al>gelet op artikel 6.7 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.1.3.3. van
                        het Besluit ruimtelijke ordening;</al><al>besluit vast te stellen de:</al><al><vet>‘Verordening advisering planschade De Wolden 2008’. </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Naam</titel></kop><structuurtekst><al> Verordening advisering planschade De Wolden 2008</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de
                                    schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening
                                    indient;</al></li><li nr="b."><al>adviseur: de door het college van burgemeester en wethouders aan
                                    te wijzen persoon als bedoeld in artikel 6.1.1.1, onder c,
                                    Besluit ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="c."><al>adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in
                                    artikel 3, vijfde lid, van deze verordening;</al></li><li nr="d."><al>besluit: Besluit ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="e."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="f."><al>gemeente: gemeente De Wolden;</al></li><li nr="g."><al>planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1,
                                    tweede lid, Wet ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="h."><al>planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet
                                    ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="i."><al>wet: Wet ruimtelijke ordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdrachtverstrekking</titel></kop><al>Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in
                            artikel 6.1.3.1 van het besluit verstrekt het college aan één of
                            meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag
                            advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel
                            6.1.3.1 van het besluit of aan artikel 4:5 van de Algemene wet
                            bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking
                                    wordt door het college een adviseur aangewezen die beschikt over
                                    voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van
                                    planschade;</al></li><li nr="2."><al>Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het
                                    eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag
                                    betrekking heeft op planschade vanwege inkomensderving en er,
                                    gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte
                                    bestaat aan extra deskundigheid wordt door het college een
                                    tweede adviseur aangewezen die deskundig is op het gebied van
                                    accountancy of van financieel economische bedrijfsvoering.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het
                                    eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag
                                    betrekking heeft op planschade vanwege waardevermindering van
                                    een onroerende zaak en er, gezien de complexiteit, aard en
                                    omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid
                                    wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die
                                    deskundig is ter zake van de waardering van onroerende zaken en
                                    van waardevermindering daarvan als gevolg van een planologische
                                    verslechtering;</al></li><li nr="4."><al>Indien naar het oordeel van het college het tweede en het derde
                                    lid van toepassing zijn, worden zowel de in het tweede als het
                                    derde lid bedoelde adviseurs aangewezen;</al></li><li nr="5."><al>Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een
                                    adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur
                                    voorzitter is;</al></li><li nr="6."><al>De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur
                                    aan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Deskundigheid en onafhankelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het
                                    college verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en
                                    ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 3,
                                    eerste, tweede of derde lid, bedoelde aspecten waarop deze
                                    persoon de aanvraag moet beoordelen;</al></li><li nr="2."><al>Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijk van
                                    de raad. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn bij de
                                    planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking
                                    heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij
                                aanwijzing</titel></kop><al>1.Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in
                            artikel 2 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere
                            betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in
                            artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet schriftelijk op de hoogte
                            van de aanwijzing van:</al><lijst><li nr="a."><al>een adviseur als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of</al></li><li nr="b."><al>meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 3, vijfde lid.</al></li></lijst><al>2. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de
                            belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de
                            wet kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste
                            lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van
                            één of meerdere adviseurs bij het college indienen;3. Het college
                            beslist binnen zes weken na het verstrijken van de in het tweede lid
                            bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of
                            meerdere adviseurs.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Werkwijze adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op
                                    de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de
                                    beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de
                                    adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking;</al></li><li nr="2."><al>Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer
                                    personen aan die de adviseur of de adviescommissie bij de
                                    uitvoering van de adviesopdracht bijstaat;</al></li><li nr="3."><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert
                                    één of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het
                                    tweede lid bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(s) in de
                                    gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten,
                                    onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag
                                    relevante informatie te verschaffen, dan wel een standpunt van
                                    de gemeente over de aanvraag aan de adviseur of de
                                    adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken
                                    bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in
                                    artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden eveneens in
                                    de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken;</al></li><li nr="4."><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het
                                    tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie
                                    ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de
                                    plaatsopneming uit;</al></li><li nr="5."><al>Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken
                                    onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de
                                    adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt;</al></li><li nr="6."><al>Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het
                                    vierde lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder
                                    verantwoordelijkheid van, de adviseur of de voorzitter van de
                                    adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het
                                    uit te brengen advies;</al></li><li nr="7."><al>Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de
                                    adviescommissie binnen zestien weken na de dagtekening van de
                                    opdracht tot advisering een concept daarvan aan de gemeente, aan
                                    de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en
                                    aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en
                                    derde lid, van de wet. De adviseur of de voorzitter van de
                                    adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met
                                    een daarbij aan te geven termijn met ten hoogste vier weken
                                    verlengen;</al></li><li nr="8."><al>De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede
                                    de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde
                                    lid, van de wet worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier
                                    weken na de toezending van het concept advies schriftelijk
                                    hierop te reageren;</al></li><li nr="9."><al>In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur
                                    of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van
                                    de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het
                                    college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken;</al></li><li nr="10."><al>In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt
                                    de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het
                                    verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een
                                    advies uit aan het college;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt (met terugwerkende kracht) in werking op
                                    1 juli 2008.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening advisering
                                    planschade De Wolden 2008’.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Zuidwolde, 11 december 2008</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>griffier, voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>(mw. drs. I.J. Gehrke) (P.H. Snijders)</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>‘Verordening advisering planschade De Wolden 2008’.</titel></kop><al><vet>Algemene toelichting </vet>Krachtens artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke
                    ordening (Wro) kan degene die in de vorm van inkomensderving of vermindering van
                    de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een
                    planologische maatregel, op aanvraag een tegemoetkoming in planschade worden
                    toegekend, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de
                    aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming in planschade niet
                    voldoende anderszins verzekerd is. Afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) van
                    de Wro bevat bepalingen over het tijdstip waarbinnen aanvragen moeten worden
                    ingediend (artikel 6.1, vierde en vijfde lid, Wro), is uitgewerkt welke schade
                    in ieder geval voor rekening van de aanvrager dient te blijven (artikel 6.2 Wro)
                    en wordt ingegaan op zaken die het bestuursorgaan bij het nemen van een
                    beslissing op het aanvragen om een tegemoetkoming in planschade dient te
                    betrekken (artikel 6.3 Wro). Artikel 6.1, derde lid, Wro stelt eisen aan de
                    aanvraag om een tegemoetkoming, die op grond van artikel 6.7 Wro in het Bro zijn
                    uitgewerkt. De regels in het Bro leiden tot een uniformering en standaardisering
                    van regels omtrent de inrichting en behandeling en de wijze van beoordeling van
                    een aanvraag om tegemoetkoming in schade. Onder de Wet op de Ruimtelijke
                    Ordening (WRO) en het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) bestond
                    de noodzaak dat iedere gemeente een regeling voor de behandeling van de
                    planschadeverzoeken moest opstellen. De regeling met betrekking tot de
                    behandeling van de aanvragen is nu terug te vinden in het Bro. In het Bro zijn
                    in afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) de vereisten voor het indienen van
                    een aanvraag, alsmede een aantal procedurevoorschriften en de regels voor het
                    aanwijzen van een adviseur opgenomen. Artikel 6.1.3.2 Bro verplicht het college
                    een adviseur aan te wijzen die advies uitbrengt over de op de aanvraag te nemen
                    beslissing. In artikel 6.1.3.3, eerste lid, Bro wordt voorgeschreven dat de
                    gemeente een verordening moet vaststellen over de wijze waarop een adviseur
                    wordt aangewezen en de wijze waarop deze tot een advies komt. In artikel
                    6.1.3.3, tweede lid, Bro wordt bepaald dat de verordening in ieder geval
                    betrekking moet hebben op:</al><lijst><li nr="a."><al>de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur;</al></li><li nr="b."><al>de gevallen waarin een adviescommissie wordt ingeschakeld;</al></li><li nr="c."><al>het tijdstip waarop de adviseur wordt ingeschakeld;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen
                            en de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid,
                            van de Wro vooraf in de aanwijzing van de adviseur worden gekend, dan
                            wel na deze aanwijzing kunnen wraken;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen
                            en de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid,
                            van de Wro onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van
                            het advies worden betrokken, en de hierbij geldende termijnen.</al></li></lijst><al>De ‘Verordening advisering planschade De Wolden’ in verhouding tot de
                    ‘Procedureregeling planschadevergoeding 2005’. Met de inwerkingtreding van de
                    ‘Verordening advisering planschade De Wolden 2008’ kan de oude
                    planschaderegeling nog niet in zijn geheel door het college worden ingetrokken.
                    De ‘Planschaderegeling planschadevergoeding 2005’ is nog van toepassing op de
                    volgende situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>op een aanvraag ingediend vóór 1 september 2005 in het geval dat de
                            planologische maatregel onherroepelijk is geworden vóór 1 september 2005
                            is de WRO van vóór 1 september 2005 van toepassing;</al></li><li nr="b."><al>op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli
                            2008 in het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden
                            vóór 1 september 2005 is de WRO nog van toepassing (maar is geen
                            verjaringstermijn van toepassing);</al></li><li nr="c."><al>op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli
                            2008 in het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden
                            op of na 1 september 2005 en vóór 1 juli 2008 van kracht is geworden, is
                            de WRO van toepassing (met inbegrip van de verjaringstermijn);</al></li><li nr="d."><al>op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september
                            2010 in het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden
                            vóór 1 september 2005 is de WRO nog van toepassing (maar is geen
                            verjaringstermijn van toepassing).</al></li></lijst><al>De ‘Verordening advisering planschade De Wolden 2008’ is van toepassing in de
                    volgende situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september
                            2010 in het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden
                            op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli 2008 van kracht is geworden,
                            is de Wro van toepassing (met inbegrip van de verjaringstermijn, maar er
                            is geen sprake van het forfait normaal maatschappelijk risico);</al></li><li nr="b."><al>op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september
                            2010 in het geval de planologische maatregel van kracht is geworden op
                            of na 1 juli 2008, is de Wro onverkort van toepassing;</al></li><li nr="c."><al>op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2010 is de Wro in alle
                            gevallen onverkort van toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet><vet>Artikel 1.
                    Begripsbepalingen</vet></al><al>Bij de definiëring van de begrippen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij
                    de Wro en het Bro en voor zover dit noodzakelijk werd geacht is een aanvulling
                    gegeven. Voor een juiste interpretatie van de verordening is naast raadpleging
                    van artikel 1 kennisneming van de algemene bepalingen in artikel 6.1.1.1 Bro van
                    belang. Ten behoeve van de duidelijkheid van de begrippen adviseur en
                    adviescommissie is in deze verordening een van het Bro afwijkende omschrijving
                    van het begrip adviseur opgenomen. Het begrip gemeente is afzonderlijk
                    gedefinieerd om te verduidelijken dat indien de verordening het woord gemeente
                    gebruikt, het de gemeente betreft waar de aanvraag om tegemoetkoming in
                    planschade is ingediend. <vet>Artikel 2. Opdrachtverstrekking </vet></al><al>Het college dient binnen twaalf weken een opdracht te verstrekken aan één of
                    meerdere adviseurs gezamenlijk, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel
                    6.1.3.1 Bro of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel
                    6.1.3.1, eerste lid, Bro geeft het college de bevoegdheid een aanvraag binnen
                    vier, dan wel acht weken indien de aanvrager eerst nog een termijn krijgt de
                    aanvraag aan te vullen, als kennelijk ongegrond af te wijzen. Artikel 6.1.3.1,
                    tweede lid, Bro heeft betrekking op de bevoegdheid van artikel 4:5 Algemene wet
                    bestuursrecht waarbij een onvolledige aanvraag verder buiten behandeling moet
                    worden gelaten. Volgens artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro moet het besluit tot
                    het niet in behandeling nemen binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag aan
                    de aanvrager worden medegedeeld. Voor zover de aanvrager in de gelegenheid is
                    gesteld zijn aanvraag aan te vullen, krijgt het college acht weken de tijd na
                    het tijdstip waarop de termijn om de aanvraag aan te vullen is verstreken, om
                    het besluit tot niet verdere behandeling van de aanvraag bekend te maken. De
                    laatstgenoemde beslistermijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd.
                    Indien de aanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard of buiten behandeling
                    wordt gelaten, is de verordening niet toepasselijk, tenzij de termijnen bedoeld
                    in artikel 6.1.3.1 Bro worden overschreden. In het laatste geval dienen
                    niettemin één of meerdere adviseurs te worden aangewezen en dient een opdracht
                    te worden verstrekt. De opdracht wordt niet eerder verstrekt dan nadat de
                    termijn om te wraken is verstreken en er geen verzoeken tot wraking zijn
                    ingediend, dan wel door het college afwijzend is beslist over een ingediend
                    verzoek tot wraking. <vet>Artikel 3. Adviseur of adviescommissie </vet></al><al>Het college schakelt één of meerdere adviseurs gezamenlijk in voor de advisering
                    over de op de aanvraag te nemen beschikking. In dit artikel is bepaald in welke
                    gevallen een adviseur of een adviescommissie dient te worden ingeschakeld en
                    over welke deskundigheid een adviseur dient te beschikken. Een adviseur kan een
                    natuurlijke persoon of een rechtspersoon zijn. De keuze tussen een natuurlijke
                    persoon of een rechtspersoon wordt aan de gemeente overgelaten (zie de Nota van
                    Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 63). Een adviesbureau
                    gespecialiseerd in planschade kan derhalve worden aangewezen als adviseur
                    bedoeld in het eerste lid, of als één van de adviseurs (tweede of derde lid) in
                    een adviescommissie. Hoewel voor iedere aanvraag een aanwijzing van één of
                    meerdere adviseurs noodzakelijk is, staat de verordening er niet aan in de weg
                    om telkens dezelfde adviseur(s) aan te wijzen (vaste adviseur/vaste
                    adviescommissie). In het eerste lid is bepaald dat een eerste adviseur wordt
                    aangewezen die over voldoende deskundigheid op het gebied van
                    planschadeadvisering dient te beschikken. Afhankelijk van de kennelijke oorzaak
                    van de planschade kan een tweede en/of derde adviseur worden aangewezen, die
                    over specifieke deskundigheid op het gebied van planschade wegens
                    inkomensderving onderscheidenlijk wegens waardevermindering van een onroerende
                    zaak als gevolg van een planologische verslechtering beschikt. Het is aan het
                    college om, na advies te hebben ingewonnen bij de (eerste) adviseur, te
                    beoordelen of deze (eerste) adviseur zelfstandig kan adviseren, of dat er gezien
                    de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag behoefte is een tweede en/of
                    derde adviseur bij de opdracht te betrekken die beschikt over specifieke
                    deskundigheid. Het college zal de tweede en/of derde adviseur dan vervolgens
                    moeten aanwijzen; bij de aanwijzing van twee of meer adviseurs is er sprake van
                    een adviescommissie (artikel 3, vijfde lid). De adviseurs dienen de in artikel
                    6.1.3.4 Bro genoemde zaken te betrekken.Artikel 6.1.3.5, eerste lid, Bro bepaalt
                    dat de adviseur of de adviescommissie zich door derden kan laten adviseren en
                    bijstaan. Indien hiermee kosten zijn gemoeid is instemming van het college
                    vereist.</al><al><vet>Artikel 4. Deskundigheid en onafhankelijkheid </vet></al><al>Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder a, Bro schrijft voor dat de verordening regels
                    moet bevatten over de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur. Om
                    de deskundigheid van de adviseurs te waarborgen is in het eerste lid bepaald dat
                    het college alvorens zij tot aanwijzing van een persoon als adviseur overgaat,
                    kan verlangen dat deze persoon aantoont op grond van opleiding en ervaring
                    deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 3, tweede of derde lid,
                    genoemde aspecten waarop hij of zij de aanvraag dient te beoordelen. In
                    aansluiting op artikel 3:5, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht juncto
                    artikel 6.1.1.1 onder c, Bro waaruit voortvloeit dat een adviseur niet werkzaam
                    mag zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt
                    geadviseerd, wordt in artikel 4, tweede lid, bepaald dat die adviseur eveneens
                    niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van de raad. Voorts bepaalt
                    artikel 4, tweede lid, dat een adviseur niet betrokken mag zijn bij de
                    planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit betreft
                    deskundigen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de in het geding zijnde
                    planologische maatregel. In het bijzonder kan worden gedacht aan personen
                    behorende tot de risicoanalysecommissie die optreedt in het kader van
                    planologische maatregelen. <vet>Artikel 5. Betrokkenheid aanvrager en andere
                        belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie</vet>Dit artikel
                    bepaalt dat de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en andere
                    belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro
                    schriftelijk op de hoogte moeten worden gebracht van de aanwijzing van een
                    adviseur of adviescommissie. De aanwijzing van een adviseur dient schriftelijk
                    bekend te worden gemaakt. In het geval meerdere adviseurs worden aangewezen,
                    worden deze aanwijzingen gezamenlijk schriftelijk bekend gemaakt. Indien de
                    aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden
                    als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro zich niet kunnen
                    verenigen met de aanwijzing van één of meerdere adviseurs is er de mogelijkheid
                    om één of meerdere adviseurs te wraken. Op verzoek van de aanvrager, eventuele
                    andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld in
                    artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro kunnen één of meerdere adviseurs
                    worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de vereiste
                    deskundigheid en onafhankelijkheid schade zou kunnen lijden. Genoemde partijen
                    worden gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld een verzoek tot wraking
                    van één of meerdere adviseurs bij het college kenbaar te maken. Het college moet
                    binnen zes weken na het verstrijken van de termijn tot het indienen van een
                    verzoek tot wraking beslissen.</al><al><vet>Artikel 6. Werkwijze adviseur of adviescommissie </vet></al><al>Dit artikel geeft de wijze weer waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken
                    bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en
                    derde lid, van de Wro onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling
                    van het advies worden betrokken. Tevens worden de hiervoor geldende termijnen
                    vastgelegd. In het tweede en derde lid is bepaald dat vanuit de gemeente
                    bijstand wordt verleend aan de adviseur of adviescommissie, door alle voorhanden
                    zijnde informatie met betrekking tot de aanvraag om tegemoetkoming in planschade
                    ter beschikking te stellen. Daarnaast worden alle bescheiden die naar het
                    oordeel van de adviseur of van de adviescommissie nodig zijn voor de beoordeling
                    van de aanvraag aan hen ter beschikking gesteld. Het derde, vierde en vijfde lid
                    bevatten regels over achtereenvolgens de hoorzitting, de bezichtiging en de
                    taxatie. Deze onderdelen behoeven niet afzonderlijk te worden georganiseerd. Het
                    is mogelijk om de hoorzitting te combineren met de bezichtiging en/of taxatie.
                    Volgens artikel 6.1.3.5, tweede lid, Bro mag van de bezichtiging worden
                    afgezien, indien uit de inhoud van de aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort
                    te worden afgewezen. Het concept advies dient binnen zestien weken na
                    dagtekening van de opdracht aan de gemeente, aanvrager, eventueel andere
                    betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a,
                    tweede en derde lid, van de Wro te worden toegezonden. Deze termijn kan met ten
                    hoogste vier weken worden verlengd (zevende lid). Artikel 6.1.3.3, tweede lid
                    onder e, Bro bepaalt dat de verordening aandacht moet schenken aan de wijze
                    waarop de aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere
                    belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro bij
                    de opstelling van het advies moeten worden betrokken. De Nota van Toelichting
                    bij het Bro noemt als voorbeeld dat de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld
                    om binnen een bepaalde periode op het concept advies te reageren (zie de Nota
                    van Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 66). In dit kader bepaalt het
                    achtste lid dat de gemeente, de aanvrager, eventuele andere bestuursorganen en
                    andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de
                    Wro in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier weken schriftelijk op het
                    concept advies te reageren. Het negende en het tiende lid bepalen de termijnen
                    voor het uitbrengen van het advies aan het college. <vet>Artikel 7.
                        Slotbepalingen </vet></al><al>In de citeertitel is een jaartal opgenomen om de betrokken verordening te
                    onderscheiden van eventuele gelijkluidende opvolgende verordeningen. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>