<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR5041_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2004, 27</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1b, art. 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-11-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2004/127</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenwijkerland;</al><al/><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet;</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, en artikel 18 van de Wet werk
                        en bijstand;</al><al/><al>overwegende dat,bij verordening regels dienen te worden gesteld ter
                        verlaging van de bijstand,</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="c."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    b, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    d, van de wet;</al></li><li nr="e."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    c, van de wet, inclusief de bijzondere bijstand bedoeld in
                                    artikel 12 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand als bedoeld in artikel
                                    18, tweede lid van de wet; </al></li><li nr="g."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Steenwijkerland;</al></li><li nr="h."><al>belanghebbende: degene als genoemd in artikel 1:2 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht, waaronder mede begrepen het
                                    gezin;</al></li><li nr="i."><al>benadelingsbedrag: de als gevolg van het niet of niet behoorlijk
                                    nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een
                                    te hoog bedrag betaalde bijstand, verhoogd met de loonbelasting
                                    en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente krachtens
                                    de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede
                                    met de ziekenfondspremie, voor zover deze belasting en premies
                                    niet verrekend kunnen worden met de Belastingdienst en het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;</al></li><li nr="j."><al>traject: een reïntegratietraject als bedoeld in artikel 1, lid
                                    2, sub g van de reïntegratieverordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28,
                                tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                                verordening een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien aan belanghebbende
                                bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van
                                de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid</al><al>gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de
                                        wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
                                        wet; of</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht in voor het
                                        vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al> elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al> de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt
                                        waardoor ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel
                                        wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                        opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende
                                        gedraging heeft plaatsgevonden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd en het bedrag waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij anders in de verordening is bepaald, wordt de maatregel
                                opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de
                                datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor
                                die maand geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel alsnog worden
                                opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen als genoemd in artikel 18, tweede lid van de
                            wet wordt de maatregel behorende bij de gedraging van de hoogste
                            categorie opgelegd. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen plichten tot arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Eerste</vet><vet>categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al> het zich niet of niet tijdig laten registreren als
                                            werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen
                                            of het niet of niet tijdig laten verlengen van de
                                            registratie; </al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate verstrekken van
                                            inlichtingen aan het college die nodig zijn voor het
                                            bepalen van een geschikt reïntegratietraject en/of
                                            geschikte voorzieningen. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al><vet>Tweede categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om in
                                            verband met de inschakeling in de arbeid op een
                                            aangegeven plaats en tijd te verschijnen;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                            als bedoeld in artikel 5 van de
                                            reïntegratieverordening;</al></li><li nr="d."><al>het zich niet laten inschrijven bij uitzendbureaus.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><vet>Derde categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het niet of niet naar vermogen gebruikmaken van een door
                                            het college aangeboden voorziening of het niet of niet
                                            naar vermogen deelnemen aan de verschillende onderdelen
                                            van het reïntegratietraject.</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de
                                            specifieke verplichtingen die het college aan een
                                            aangeboden voorziening verbindt.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al><vet>Vierde categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                een hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op
                                grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit
                                waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid,
                                belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging uit dezelfde of een hogere categorie, dan wordt door het
                                college aan belanghebbende een maatregel opgelegd van maximaal
                                honderd procent van de bijstand gedurende maximaal drie maanden. Met
                                een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld
                                het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen,
                                bedoeld in artikel 5, tweede lid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17
                                van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor
                                de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de
                                door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt met
                                toepassing van artikel 54 van de wet een maatregel opgelegd van vijf
                                procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van een
                                besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt
                                aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het
                                eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet tijdig nakomen van de
                                verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
                                vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke
                                waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte
                                of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de maatregel
                                afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al> bij een benadelingsbedrag tot € 500,-: 5% van de
                                        bijstandsnorm gedurende één maand.</al></li><li nr="b."><al> bij een benadelingsbedrag van € 500,- tot € 1000,-: 10% van
                                        de bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="c."><al> bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20%
                                        van de bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40% van
                                        de bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="e."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de
                                        bijstandsnorm gedurende één maand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van het
                                besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd, opnieuw schuldig maakt
                                aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het
                                eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Nieuwe aanvraag</titel></kop><al>Indien verlaging van de bijstandsnorm overeenkomstig artikel 12 niet
                            mogelijk is, wordt de bijstandsnorm verlaagd gedurende de eerstvolgende
                            maand(en) nadat aan belanghebbende binnen twee jaar nadat de betreffende
                            gedraging heeft plaats gevonden, opnieuw een uitkering is
                            toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het tot
                                onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, bedraagt
                                de maatregel vijf procent van de bijstand gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van een
                                besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt
                                aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het
                                eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
                                een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, en anders
                                dan genoemd in de hoofdstukken 2 en 3 wordt een maatregel opgelegd
                                die wordt afgestemd op artikel 2, tweede lid van deze verordening
                                dan wel op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn
                                gedraging eerder of langer een beroep doet op bijstand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt in nadere beleidsregels vast welke gedragingen
                                kunnen worden aangemerkt als het betonen van tekortschietend besef
                                van verantwoordelijkheid als genoemd in het eerste lid. Het college
                                stelt tevens nadere beleidsregels vast met betrekking tot de hoogte
                                van de op te leggen maatregel als genoemd in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                                verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel
                                18, tweede lid van de wet, wordt een maatregel opgelegd van vijftig
                                procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. Het college stelt
                                in nadere beleidsregels vast welke gedragingen kunnen worden
                                aangemerkt als zich zeer ernstig misdragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van een
                                besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt
                                aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het
                                eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Het handhavingsbeleid</titel></kop><al>Het college biedt een handhavingsplan aan de gemeenteraad aan met daarin
                            het te voeren beleid op het gebied van handhaving, bestrijding van
                            misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en de te verwachten
                            resultaten en het rapporteert hierover jaarlijks aan de
                            gemeenteraad.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de
                                verordening niet voorziet.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslissen
                                burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter uitvoering van deze verordening kan, onverminderd artikel 9 en
                                artikel 12, tweede lid, het college nadere beleidsregels
                                vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening Wet werk
                            en bijstand.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><tussenkop>De regeling in de Wet werk en bijstand</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de WWB per 1 januari 2004 vervalt het systeem van
                    boeten en maatregelen van de Algemene bijstandswet (de artikelen 14 tot en met
                    14f, nader uitgewerkt in het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (Stb.1996/360
                    en Stb.1996/662), hierna te noemen: Maatregelenbesluit en het Boetebesluit
                    socialezekerheidswetten (Stb. 2000, 462), hierna te noemen: Boetebesluit. In
                    plaats daarvan moeten gemeenten zelf hun maatregelenbeleid vormgeven. De WWB
                    kent slechts één soort sanctie: het verlagen van de uitkering. De boete als
                    sanctie voor uitkeringsgerechtigden die hun inlichtingenplicht hebben geschonden
                    verdwijnt.</al><al>Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid in een
                    verordening vast te leggen. Dit artikel luidt: </al><lijst><li nr="1."><al>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af
                            op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                            belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                            voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen
                            28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur
                            uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                            niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                            college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig de
                            verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand.
                            Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
                            ontbreekt.</al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
                            binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                            bedraagt.</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede
                            verstaan het gezin.</al></li></lijst><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen van de
                        bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                        mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt
                        benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                        verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij
                        recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                        omstandigheden van uitkeringsgerechtigden. </al><al>In het tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten en
                        verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is
                        altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van
                        de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van
                        de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke bijstandsnorm en de
                        beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de
                        opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college tot het
                        oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in
                        onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake
                        van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm
                        van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van zo’n verlaging.</al><al>Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de
                        gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de Maatregelenverordening
                        Wet werk en bijstand. </al><tussenkop>Verplichtingen van belanghebbende</tussenkop><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het betonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit
                            twee soorten verplichtingen:</al><lijst><li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en de plicht om deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="-"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
                                    Deze verplichtingen moeten nader worden uitgewerkt in specifieke
                                    verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en
                                    mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De
                                    reïntegratieverordening vormt de juridische basis voor het
                                    opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen
                                    worden in het besluit tot het verlenen van bijstand
                                    neergelegd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                            uitkeringsgerechtigde rust de verplichting om aan het college op verzoek
                            of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
                            omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                            bijstand.</al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                            uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                            medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                            zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="-"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van
                    de medewerkingsplicht inhoudt: ‘<cursief>het zich jegens het college zeer
                        ernstig misdragen’. </cursief></al><al/><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft
                    de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale
                    organisatie werk en inkomen (CWI) te verstrekken die nodig zijn voor de
                    beslissing door het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en de verplichting
                    om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee
                    te delen aan het CWI, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                    invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op
                    bijstand of de hoogte of de duur van de bijstand.</al><tussenkop>De term ‘maatregel’</tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                    terminologie van de WWB aangeduid als het <cursief>afstemmen</cursief> van de
                    uitkering op de mate waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen
                    nakomt. Met het begrip ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt
                    dat rechten en plichten twee kanten van dezelfde medaille vormen. </al><al/><al>Het verlagen van de bijstand vanwege het niet of onvoldoende nakomen van
                        verplichtingen wordt in deze verordening aangeduid als het opleggen van een
                        maatregel. Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat
                        sinds de Wet Boeten en Maatregelen gangbaar is, maar wordt ook het
                        sanctionerende karakter ervan benadrukt. </al><al/><al>Het opleggen van een maatregel is géén punitieve sanctie, waarbij het
                        leedtoevoegend karakter voorop staat, maar een reparatoire sanctie, gericht
                        op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand met
                        de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden
                        verplichtingen nakomt. </al><tussenkop>De relatie met de reïntegratieverordening</tussenkop><al>De gemeente moet gelijktijdig met de maatregelenverordening ook een
                    reïntegratieverordening vaststellen. In deze verordening is vastgelegd hoe de
                    gemeente de klanten gaat ondersteunen bij de arbeidsinschakeling en hoe zij
                    omgaat met het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.
                    Voorbeelden van voorzieningen zijn: scholing, loonkostensubsidies, werkstages,
                    werkervaringsbanen, sociale activering en trajectplannen. </al><al/><al>In beginsel wordt aan iedere klant de arbeidsverplichting opgelegd. De
                        algemene verplichting staat in artikel 9 van de wet. De gemeente kan deze
                        verplichting nader specificeren en de specificaties in de beschikking
                        vastleggen. </al><al>Indien een klant de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in beginsel tot
                        een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de
                        maatregelenverordening.</al><tussenkop>Regelen in de verordening of in beleidsregels</tussenkop><al>Het vastleggen van gedragingen die een schending van een verplichting van de
                        wet betekenen, kan in beginsel op twee manieren. </al><al>De eerste mogelijkheid is dat de gemeente alle denkbare gedragingen die een
                        schending van een verplichting inhouden in de verordening vastlegt. Dit
                        heeft als voordeel dat bijstandsgerechtigden weten waar ze aan toe zijn.
                        Alleen die gedragingen die in de verordening worden genoemd, kunnen leiden
                        tot het opleggen van een maatregel. Het nadeel is de gebrekkige
                        flexibiliteit. De verordening moet worden aangepast als blijkt dat een
                        bepaalde gedraging die in principe wel een schending van een verplichting
                        betekent, niet in de verordening is opgenomen. </al><al>De tweede mogelijkheid is dat de gedragingen in hoofdlijnen in de
                        verordening worden opgenomen en dat het college deze nader uitwerkt in
                        beleidsregels. Het voordeel van beleidsregels is dat deze gemakkelijker
                        kunnen worden gewijzigd en dat afwijken van beleidsregels onder bepaalde
                        voorwaarden mogelijk is. Beleidsregels bieden dus meer mogelijkheden voor
                        flexibiliteit. In deze verordening is gekozen voor de tweede
                        mogelijkheid.</al><tussenkop>De verordening op grond van artikel 8a WWB</tussenkop><al>Artikel 8a houdt in dat de gemeenteraad in een verordening regels stelt voor de
                    bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik van de wet. Het doel van dit artikel is de handhaving van de
                    WWB en het fraudebeleid op de agenda van de gemeenteraden te zetten. De
                    gemeenteraad kan een aparte fraudeverordening vaststellen, maar kan ook
                    aansluiten bij de verordening maatregelen en hoeft in dat geval geen aparte
                    fraudeverordening op te stellen. In deze verordening is een bepaling opgenomen
                    inzake het handhavingsbeleid en daarmee is voldaan aan artikel 8a van de
                    wet.</al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving </tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                        betekenis als de begrippen in de WWB.</al><al>Het begrip ‘benadelingsbedrag’ is in deze verordening opgenomen. Dit begrip
                        komt niet voor in de wet, maar is van belang omdat in artikel 12 de
                        maatregel wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. Bij de omschrijving van
                        het begrip is uitgegaan van de omschrijving van het begrip kosten van
                        bijstand als genoemd in artikel 90 van de Abw zoals dat gold tot </al><al>1 januari 2004.</al><al>Ook het begrip ‘traject’ is in de verordening opgenomen. Bij de omschrijving
                        van dit begrip is aansluiting gezocht bij de reïntegratieverordening.</al><al>In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip
                        wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als
                        ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. In
                        navolging van artikel 18, vierde lid van de wet is gesteld dat hieronder
                        mede verstaan wordt het gezin.</al><tussenkop>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                        verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). </al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat
                                uit twee soorten verplichtingen: </al><lijst><li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                        verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="-"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college
                                        aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                                        arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zullen nader moeten
                                        worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn
                                        toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
                                        bijstandsgerechtigde. De reïntegratieverordening die elke
                                        gemeente moet opstellen, vormt de juridische basis voor
                                        opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze
                                        verplichtingen zullen in het besluit tot het verlenen van
                                        bijstand moeten worden neergelegd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                                uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op
                                verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle
                                feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet
                                zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of
                                het recht op bijstand. </al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                                uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                                verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.
                                De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen
                                bestaan, zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="-"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek. </al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending
                        van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘<cursief>het zich jegens het college
                            zeer ernstig misdragen’. </cursief></al><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft
                    de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale
                    organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing
                    door het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en de verplichting om op
                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te
                    delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand,
                    het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur van de
                    bijstand. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                    leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee
                    dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van
                    de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.
                    Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging
                    betekenen. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="-"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="-"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                            uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                        waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate
                        van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5. </al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                        bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                                bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                                bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                                is;</al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                    inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>De 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk
                    wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm ad € 199,01
                    (peildatum 01-07-2004) wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten
                    opzichte van de 21-jarigen. </al><tussenkop>Artikel 4. Horen van belanghebbende </tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                        hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                        betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb). </al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel
                        wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                        onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Awb. In
                        onderdeel c is, conform artikel 4:8, tweede lid van de Abw, geregeld dat een
                        belanghebbende ook niet gehoord hoeft te worden als hij niet heeft voldaan
                        aan een wettelijke verplichting om inlichtingen te vestrekken. Dit betreft
                        het in de hersteltermijn verstrekken van inlichtingen aan het college of aan
                        derden als bedoeld in artikel 7, vierde lid van de wet, aan wie het college
                        werkzaamheden heeft uitbesteed.</al><tussenkop>Artikel 5. Afzien van het opleggen van een
                    maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden. Omwille van de effectiviteit
                        (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging
                        heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat
                        het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar
                        geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden als
                        gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                        bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                        jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die staat in artikel
                        14e van de Algemene bijstandswet in verband met het opleggen van een boete
                        wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt
                        voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het
                        feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude
                        (het benadelingsbedrag) vast te stellen. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                    maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                    voorhand worden vastgelegd. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>De beslissing om af te zien van het opleggen van een maatregel wegens dringende
                    redenen moet worden meegedeeld door middel van een besluit. Dit is van belang in
                    verband met eventuele recidive.</al><tussenkop>Artikel 6. Het besluit tot opleggen van een maatregel </tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats
                    door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit
                    in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name uit het motiveringsbeginsel.
                    Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van
                    een deugdelijke motivering wordt voorzien. </al><tussenkop>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering vindt plaats door middel van verlaging van het
                    uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en). Er wordt hierbij uitgegaan van
                    de voor die maand geldende bijstandsnorm.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is
                    uitbetaald, dan kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering met
                    terugwerkende kracht te laten plaatsvinden met ingang van de voorafgaande
                    kalendermaand(en). </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een
                        maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de
                        uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij
                        aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de maatregel
                        is getroffen opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel weer een
                        apart besluit nodig. </al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal
                        het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is
                        geregeld in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>Er mag zelf worden bepaald wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat
                        maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo’n
                        herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij
                        alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden
                        gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of
                        het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan
                        worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar
                        bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen
                        voldoet.</al><tussenkop>Artikel 8. Samenloop van gedragingen </tussenkop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die
                    verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt. </al><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging,
                    dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de
                    gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Niet nakomen verplichtingen tot
                    arbeidsinschakeling</tussenkop><tussenkop>Artikel 9. Indeling in categorieën</tussenkop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging
                    het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid. </al><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet omschreven
                    dan in het Maatregelenbesluit. De reden hiervoor is dat de WWB, in tegenstelling
                    tot de Abw, volstaat met een algemene omschrijving van de plicht tot
                    arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen dient zoveel
                    mogelijk te worden afgestemd op de mogelijkheden van de individuele
                    bijstandsgerechtigde. </al><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als
                    werkzoekende in te schrijven bij het CWI en ingeschreven te doen blijven.
                    Onderdeel b betreft het verstrekken van inlichtingen aan het college die nodig
                    zijn voor het bepalen van een geschikt reïntegratietraject en/of geschikte
                    voorzieningen.</al><al>De tweede categorie, onderdeel a, betreft de verplichting tot een actieve
                    opstelling op de arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de
                    belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren. Onderdeel b betreft
                    het voldoen aan oproepen. Daarnaast dient de belanghebbende mee te werken aan
                    een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in
                    artikel 5 van de reïntegratieverordening (onderdeel c). Op grond van
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dient er een maatregel uit de
                    tweede categorie te worden opgelegd wanneer een belanghebbende niet aan de
                    verplichting voldoet om zich bij uitzendbureaus in te laten schrijven (onderdeel
                    d). </al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die (in-)direct een aanleiding
                    vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren van
                    de bijstand. Dergelijke gedragingen betreffen het niet of niet naar vermogen
                    gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening of het niet of niet
                    naar vermogen deelnemen aan de verschillende onderdelen van het
                    reïntegratietraject (onderdelen a en b), alsmede het niet voldoen aan de hieraan
                    verbonden verplichtingen (onderdeel c). </al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid alsmede door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag algemeen
                    geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de bijstand algemeen
                    geaccepteerde deeltijdarbeid niet behouden. </al><tussenkop>Artikel 10. De hoogte en duur van de
                    maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. De percentages
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd wijken enigszins af van het
                    Maatregelenbesluit. Bij het vaststellen van de percentages waarmee de bijstand
                    wordt verlaagd is invulling gegeven aan de eisen van proportionaliteit en
                    evenredigheid. Ook is gekeken naar de effectiviteit van de maatregel in de zin
                    dat de maatregel de beoogde gedragsverandering zal bewerkstelligen.</al><al>Omdat uit de praktijk gebleken is dat de huidige maatregelen voor met name de
                    categorieën 2 en 3 niet effectief zijn, zijn in de verordening de percentages
                    voor genoemde categorieën naar boven bijgesteld.</al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                    een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan
                    die aanleiding is geweest voor het opleggen van een maatregel, ook indien de
                    maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van
                    de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het
                    besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging zich wederom schuldig
                    maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie binnen
                    de termijn van twaalf maanden, kan een maatregel worden opgelegd van honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende maximaal drie maanden. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de
                    inlichtingenplicht</tussenkop><tussenkop>Artikel 11. Te laat verstrekken van gegevens</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Indien een belanghebbende de voor de verlening van de bijstand van belang
                        zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het
                        college het recht op bijstand opschorten (artikel 54, eerste lid, WWB). Het
                        college geeft de belanghebbende vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn
                        verzuim kan herstellen (de hersteltermijn).</al><al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de
                        gemeente verstrekt, dan kan het college het besluit tot toekenning van de
                        bijstand intrekken. Intrekken is uitsluitend aan de orde wanneer het recht
                        op bijstand niet meer kan worden vastgesteld. Worden de gevraagde gegevens
                        wél binnen de hersteltermijn verstrekt, dan wordt de bijstand voortgezet,
                        maar wordt tevens een maatregel opgelegd. Dit lid regelt de hoogte van de
                        maatregel.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Indien binnen twee jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan
                    die aanleiding is geweest voor het opleggen van een maatregel, ook indien de
                    maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van
                    de aanvang van de termijn van 24 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit
                    waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                    toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                    hetzelfde verwijtbare gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel
                    individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Het te laat verstrekken van informatie heeft geen gevolgen voor de hoogte
                        van de bijstand. Daarom kan volstaan worden met een schriftelijke
                        waarschuwing. De gemeente kende onder het oude regime ook al de
                        schriftelijke waarschuwing en deze blijkt in de praktijk goed te
                        werken.</al><al>Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij
                        herhaling van de gedraging in principe een maatregel wordt opgelegd zonder
                        toepassing van de recidivemaatregel. </al><tussenkop>Artikel 12. Verstrekken van onjuiste of onvolledige
                    inlichtingen met gevolgen voor de bijstand</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek of
                        onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en
                        omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                        invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
                        Onder onverwijld moet worden verstaan uiterlijk binnen 30 dagen.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                        benadelingsbedrag.</al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk gesteld
                    van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat als gevolg van de schending van
                    die verplichting ten onrechte of te veel aan de belanghebbende is betaald. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Indien binnen twee jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan
                    die aanleiding is geweest voor het opleggen een maatregel, ook indien de
                    maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van
                    de aanvang van de termijn van 24 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit
                    waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                    toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                    hetzelfde verwijtbare gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel
                    individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende. </al><tussenkop>De relatie met de strafrechtelijke sanctie</tussenkop><al>Onder het huidige boeteregime bestaat de verplichting voor gemeenten om
                        proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie
                        indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan €
                        6.000,- (de aangifterichtlijn sociale zekerheid). Het is de bedoeling dat
                        deze taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft bestaan, ook al kent de
                        WWB de bestuurlijke boete niet en zullen gemeenten bij fraude (in casu het
                        niet nakomen van de inlichtingenplicht) een maatregel moeten opleggen. </al><al>Het doen van aangifte wegens fraude sluit overigens het opleggen van een
                        maatregel niet uit. Beide sancties kunnen samen gaan. </al><al>Uitgangspunt is dat het OM bij de straftoemeting rekening houdt met de
                        maatregel die is opgelegd door het bestuursorgaan. Dit is het principe van
                        ‘anrechnung’. Anderzijds ligt het niet voor de hand om over te gaan tot het
                        opleggen van een maatregel, als het OM inmiddels een sanctie heeft opgelegd.
                        Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van sancties op dezelfde
                        onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van één enkele overheidsorgaan)
                        kan zich daar tegen verzetten. De Centrale Raad voor Beroep heeft zich in
                        het (recente) verleden geregeld uitgesproken tegen ‘dubbele
                        bestraffing’.</al><tussenkop>Artikel 13. Nieuwe aanvraag</tussenkop><al>Wanneer de uitkering niet kan worden verlaagd overeenkomstig de situatie zoals
                    beschreven in artikel 12, omdat de uitkering reeds is beëindigd, volgt een
                    verlaging gedurende de eerstvolgende maand(en) indien binnen twee jaar na de
                    verwijtbare gedraging opnieuw een uitkering wordt toegekend, om op deze wijze
                    alsnog een maatregel te kunnen toepassen.</al><tussenkop>Artikel 14. Verstrekken van onjuiste of onvolledige
                    inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand </tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                    voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude zijn het niet opgeven
                    van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van
                    vrijwilligerswerk. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Indien binnen twee jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan
                    die aanleiding is geweest voor het opleggen van een maatregel, ook indien de
                    maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van
                    de aanvang van de termijn van 24 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit
                    waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                    toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                    hetzelfde verwijtbare gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel
                    individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Bij nulfraude kan er worden volstaan met het geven van een schriftelijke
                        waarschuwing. </al><al>De gemeente kende onder het oude regime ook al de schriftelijke waarschuwing
                        wanneer de gemeente niet financieel was benadeeld en deze blijkt in de
                        praktijk goed te werken. </al><al>Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij
                        herhaling van de gedraging in principe een maatregel wordt opgelegd zonder
                        toepassing van de recidivemaatregel.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een
                    maatregel</tussenkop><tussenkop>Artikel 15. Tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te betonen voor
                        de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering
                        wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand
                        aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                        heeft betoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de
                        kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een
                        bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand
                        hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel. </al><al>De maatregel dient afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de mate
                        van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende,
                        dan wel op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging
                        eerder of langer een beroep doet op bijstand.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het college stelt in nadere beleidsregels vast welke gedragingen aangemerkt
                    worden als het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als
                    genoemd in het eerste lid en wat de hoogte van de op te leggen maatregel is. </al><al>Het is moeilijk deze gedragingen samen te vatten in de verordening, daarom wordt
                    er verwezen naar beleidsregels, zodat er meer mogelijkheden zijn tot
                    flexibiliteit en meer mogelijkheden zijn om de gedragingen te omschrijven.</al><al/><al><cursief>Artikel 16. Zeer ernstige misdragingen</cursief></al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. </al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                        tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente
                        bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit
                        artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                        plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                        uitvoering van WWB. </al><al>In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het zich jegens het college
                        zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                        tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het
                        opleggen van een maatregel. </al><al>Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief heeft
                        gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is
                        met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een reïntegratiebedrijf). </al><al>Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een maatregel op te leggen
                        wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op
                        arbeidsinschakeling (artikel 9, derde lid, van deze verordening). </al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                        uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                        worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                        persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, worden in de
                        beleidsregels verschillende vormen van agressief gedrag onderscheiden.</al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten
                        worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                            <cursief>instrumenteel</cursief> geweld en
                            <cursief>frustratiegeweld</cursief>. Van instrumenteel geweld is sprake
                        als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te
                        bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die
                        ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan
                        worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate
                        van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                        frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><al>De gemeente beschikt over een agressieprotocol waarin is aangegeven hoe wordt
                    omgegaan met lastige en agressieve klanten. In dit artikel wordt daarbij
                    aangesloten. </al><tussenkop>Artikel 17 Het handhavingsbeleid</tussenkop><al>In artikel 8a van de wet is bepaald dat de gemeenteraad in het kader van het
                    financiële beheer bij verordening regels stelt ter bestrijding van het ten
                    onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van
                    de wet. In onderhavig artikel is dit geregeld.</al><tussenkop>Artikel 18 Beslissing burgemeester en wethouders in
                    gevallen waarin de verordening niet voorziet</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Deze restclausule biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid in alle niet
                    voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken. Omdat ook deze
                    beslissingen onderworpen zijn aan de voorgeschreven bezwaar- en
                    beroepsprocedures, dient ook in deze gevallen de beslissing gemotiveerd genomen
                    te worden.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het college heeft de bevoegdheid om in beleidsregels nadere regels te stellen
                    ter uitvoering van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 19 De inwerkingtreding</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening vervallen de artikelen 14 tot en
                    met 14f van de Abw en het Boete- en Maatregelenbesluit en zal de gemeente het
                    opleggen van een maatregel moeten baseren op deze verordening.</al><al>De Maatregelenverordening heeft onmiddellijke werking. Dat betekent dat alle
                    maatregelen die zijn opgelegd op grond van de Abw gelden als maatregelen die
                    zijn opgelegd op grond van de WWB en de Maatregelenverordening.</al><tussenkop>Artikel 20 Citeertitel</tussenkop><al>In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de WWB wordt steeds gesproken
                    over de ‘afstemmingsverordening’. Om te onderstrepen dat de verordening de
                    juridische grondslag vormt voor de gemeente om maatregelen op te leggen wanneer
                    een uitkeringsgerechtigde niet aan een verplichting voldoet, duiden wij de
                    verordening aan als ‘maatregelenverordening’. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>