<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR504_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zandvoortse Courant, 15 juni 2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primaire onderwijs, art. 102, lid 5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76m, lid 5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra, art. 100, lid 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-05-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>02052006, nr. 2006/5179</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>onderwijs, cultuur en sport</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt [Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente Zandvoort, vastgesteld bij raadsbesluit van 30 juni 1998].</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid 2006</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zandvoort:</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 2
                        mei 2006, nr. 2006/5179;</al><al>gelet op de overwegingen van de commissie Planning en Control van 17 mei
                        2006;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is een regeling vast te stellen voor het
                        overleg tussen de gemeente en de schoolbesturen over het lokaal
                        onderwijsbeleid;</al><al>gelet op artikel 102, lid 5 van de Wet op het primair onderwijs, artikel
                        100, lid 5 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76m, lid 5 van de Wet
                        op het voortgezet onderwijs;</al><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te
                        stellen:</al><al>Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid 2006.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>1.1</nr><titel>BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>schoolbestuur:</vet> het bevoegd gezag van een volgens de
                                    Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de
                                    Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of
                                    bijzondere school voor basisonderwijs, speciale school voor
                                    basisonderwijs, school voor speciaal voortgezet onderwijs, voor
                                    speciaal onderwijs/ voor voortgezet speciaal onderwijs/ voor
                                    speciaal en voorgezet speciaal onderwijs/ voor voorbereidend
                                    wetenschappelijk onderwijs/voor algemeen voortgezet onderwijs/
                                    voor voorbereidend beroepsonderwijs, die gelegen is op het
                                    grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al><vet>advies:</vet> het advies van de Onderwijsraad als bedoeld
                                    in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra
                                    en de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="c."><al><vet>het college:</vet> het college van Burgemeester en
                                    Wethouders van de gemeente Zandvoort.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>1.2</nr><titel>OVERLEG</titel></kop><paragraaf><kop><titel>PARAGRAAF 1.2.1 OVERLEGORGAAN LOKAAL ONDERWIJSBELEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Functie overlegorgaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid waarin het
                                    college met de vertegenwoordigers van alle schoolbesturen
                                    overleg voert over de voorbereiding en uitvoering van het lokaal
                                    onderwijsbeleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het overlegorgaan komen aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>de onderwerpen waarop het op overeenstemming gericht
                                            overleg van toepassing is als bedoeld in de Wet op het
                                            primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de
                                            Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>overige onderwerpen van overleg aangaande het lokaal
                                            onderwijsbeleid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de onderwerpen, als genoemd in het tweede lid onder b, is
                                    artikel 9 niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling overlegorgaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De schoolbesturen kunnen zich laten vertegenwoordigen in het
                                    overlegorgaan. Elk schoolbestuur bepaalt zelf de samenstelling
                                    van zijn vertegenwoordiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Schoolbesturen kunnen zich gezamenlijk laten vertegenwoordigen
                                    in het overlegorgaan. De schoolbesturen bepalen zelf de
                                    samenstelling van hun gemeenschappelijke
                                    vertegenwoordiging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De portefeuillehouder onderwijs vertegenwoordigt het college in
                                    het overlegorgaan. De portefeuillehouder onderwijs kan als
                                    voorzitter fungeren van het overlegorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Derden</titel></kop><al>Derden kunnen, indien de voorzitter van het overlegorgaan dit wenst
                                of de vertegenwoordigers van twee schoolbesturen, genoemd in artikel
                                3, dit wensen, deelnemen aan een overleg.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>1.2.2</nr><titel>VOORBEREIDING OVERLEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Uitnodiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens het college een voorstel aan de raad doet over een
                                    onderwerp, zendt zij de voorgenomen inhoud van dit voorstel met
                                    een toelichting daarop en de inventarisatie, als bedoeld in
                                    artikel 7, toe aan alle schoolbesturen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toezending geschiedt onder bekendmaking van de plaats, de
                                    datum en het tijdstip waarop het overleg hierover zal aanvangen.
                                    Tussen de datum van de toezending van het voorstel en de datum
                                    van het overleg liggen ten minste drie weken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De schoolbesturen die niet deelnemen aan het overleg kunnen voor
                                    de datum van dit overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar
                                    maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan dit
                                    overleg hiervan in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Secretariaat</titel></kop><al>Het college voert het secretariaat van het overlegorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Agendaoverleg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een agendaoverleg instellen. Hierin wordt
                                    nagegaan welke onderwerpen op welk tijdstip in het overlegorgaan
                                    aan de orde kunnen komen. Op grond hiervan stelt het college de
                                    agenda op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het agendaoverleg nemen de portefeuillehouder onderwijs en
                                    twee vertegenwoordigers van de schoolbesturen deel.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>1.2.3</nr><titel>UITVOERING OVERLEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een of meer schoolbesturen of het college een advies
                                    wensen over een onderwerp waarop het op overeenstemming gericht
                                    overleg van toepassing is, maken ze dit uiterlijk kenbaar in het
                                    overleg waarin het onderwerp in finale zin aan de orde is. Dit
                                    gebeurt aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde
                                    omschrijving van het onderwerp waarover het advies wordt
                                    verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen het
                                    onderwerp en de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                    inrichting van het onderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle vertegenwoordigers krijgen in het overleg de gelegenheid
                                    hun zienswijzen naar voren te brengen over het verzoek om
                                    advies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om
                                    advies. Zij doen dit uiterlijk drie weken na afloop van het
                                    overleg. Daarbij informeren zij tevens de Onderwijsraad over de
                                    in het tweede lid bedoelde zienswijzen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De wettelijke termijn voor het uitbrengen van het advies wordt
                                    opgeschort met ingang van de dag waarop de Onderwijsraad het
                                    college uitnodigt het verzoek voor het uitbrengen van het advies
                                    aan te vullen met de gegevens die hij nodig heeft voor een goede
                                    vervulling van zijn taak, tot de dag waarop het verzoek is
                                    aangevuld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De raad neemt gedurende de termijn voor het uitbrengen van het
                                    advies geen besluit over het onderwerp waarover advies is
                                    gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college zendt zo spoedig mogelijk een afschrift van het
                                    uitgebrachte advies toe aan alle schoolbesturen. Indien het
                                    geheel of gedeeltelijk opvolgen van het advies zou leiden tot
                                    een of meer inhoudelijke bijstellingen van het voorstel over een
                                    onderwerp waarover advies is gevraagd, worden de schoolbesturen
                                    bij de toezending van het afschrift van het advies uitgenodigd
                                    voor nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het
                                    college of nader overleg over het advies wenselijk is. Zij geeft
                                    dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het overleg, als bedoeld in het vorige lid, vindt binnen twee
                                    weken plaats nadat het advies is uitgebracht. Het college
                                    informeert de raad over dit overleg in de vorm van een
                                    aanvulling op het verslag als bedoeld in artikel 10.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verslaglegging; informeren raad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college maakt een verslag van het overleg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag bevat een overzicht van de besproken onderwerpen,
                                    waarbij per onderwerp wordt aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>of het bepaalde in artikel 2, tweede lid, onder a of b
                                            van toepassing is;</al></li><li nr="b."><al>of volledige, geen volledige of geen overeenstemming is
                                            bereikt;</al></li><li nr="c."><al>de in het overleg door de deelnemers naar voren
                                            gebrachte zienswijzen en - indien van toepassing - de
                                            zienswijzen als bedoeld in artikel 5, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door de portefeuillehouder onderwijs in het overleg
                                            toegezegde wijzigingen in het oorspronkelijke
                                            voorstel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het overlegorgaan stelt het verslag vast. In afwijking hiervan
                                    kan het college spoedheidshalve het verslag ter commentaar
                                    toezenden aan de schoolbesturen. Binnen 14 dagen na de dag
                                    waarop het conceptverslag is toegezonden, maken de
                                    schoolbesturen die deel hebben genomen aan het overleg
                                    schriftelijk hun opmerkingen over het concept van het verslag
                                    kenbaar. Het college stellen het verslag vast met inachtneming
                                    van de opmerkingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college brengt het verslag gelijktijdig met het voorstel
                                    over het onderwerp ter kennis van de raad. Voor zover het
                                    college afwijkt van de tijdens het overleg naar voren gebrachte
                                    zienswijzen, wordt dit gemeld in het voorstel aan de raad.
                                    Daarbij geeft zij de redenen aan van het niet of niet geheel
                                    overnemen van deze zienswijzen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Heropening overleg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien uit het oordeel van de betrokken raadscommissie over het
                                    voorgenomen voorstel aan de raad over een onderwerp blijkt dat
                                    de meerderheid van de raadscommissie of een deel van de
                                    raadscommissie dat volgens het college geacht wordt een
                                    meerderheid in de raad te vertegenwoordigen, van oordeel is dat
                                    het voorstel inhoudelijk bijstelling behoeft, dan kan een
                                    heropening van het overleg plaatsvinden. Het college beslist
                                    daarover. Zij heropenen het overleg in ieder geval indien de
                                    inhoudelijke bijstelling betrekking heeft op een onderwerp als
                                    bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, waarover
                                    overeenstemming in het overlegorgaan was bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college het overleg heropent, dan roept zij het
                                    overlegorgaan zo spoedig mogelijk bijeen, doch uiterlijk vóór
                                    het moment waarop de raad een definitief besluit neemt over het
                                    onderwerp. In dit overleg hebben de vertegenwoordigers de
                                    gelegenheid om hun zienswijze te geven op het oordeel van de
                                    raadscommissie. Het college informeert de raad over het
                                    resultaat van dit overleg in de vorm van een aanvulling op het
                                    verslag als bedoeld in artikel 10. De raad betrekt de in dit
                                    aanvullend verslag neergelegde zienswijzen bij zijn definitieve
                                    besluitvorming over het onderwerp.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>1.3</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Beslissing het college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college,
                            gehoord de vertegenwoordigers van de schoolbesturen in het overleg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr=""><al>De “Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente
                                    Zandvoort” vastgesteld bij raadsbesluit van 30 juni 1998 wordt
                                    ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde
                                    datum.</al></li><li nr=""><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2006.</al></li><li nr=""><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening overleg
                                    lokaal onderwijsbeleid 2006”.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 30 mei 2006.</al></slotformulering><ondertekening>De griffier</ondertekening><ondertekening>De voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE VERORDENING</titel></kop><tussenkop>TITEL 2.1 ALGEMEEN</tussenkop><tussenkop>PARAGRAAF 2.1.1 GOED OVERLEG: BELANGRIJK INSTRUMENT</tussenkop><al-groep><al>Door de decentralisatie van een aantal rijkstaken op onderwijsgebied naar de
                        gemeenten zullen op lokaal niveau gemeenten en schoolbesturen in toenemende
                        mate met elkaar in overleg treden. Ze zijn de centrale partners in het
                        lokaal onderwijsbeleid. Daarnaast zijn andere hierbij betrokken, zoals de
                        schoolbegeleidingsdienst, welzijnsinstellingen en de jeugdhulpverlening.
                        Afhankelijk van de onderwerpen zullen ook zij bij het lokale overleg
                        betrokken worden. Overleg is het belangrijkste instrument van het lokaal
                        onderwijsbeleid. Overleg maakt het mogelijk om van de beleidsontwikkeling
                        een interactief proces te maken. Een proces waarin de concrete vraagstukken
                        die zich in de gemeente voordoen, worden opgepakt. De gezamenlijke analyse
                        en aanpak, dicht bij de onderwijspraktijk, maken maatwerk in de vorm van op
                        de lokale situatie toegesneden oplossingen mogelijk. Uiteraard binnen het
                        kader van de wet- en regelgeving. Daarin zit de meerwaarde van lokaal
                        onderwijs.</al><al>Uitgangspunten bij de opzet van deze verordening zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Samenhang; Er is gekozen voor de instelling van een overlegorgaan
                                lokaal onderwijsbeleid waarin de hoofdlijnen van het lokaal beleid
                                als geheel besproken kunnen worden. Verkokering door opsplitsing in
                                een afzonderlijk bestuurlijk overleg voor bijvoorbeeld huisvesting,
                                achterstandenbeleid en schoolbegeleiding is hiermee voorkomen. </al></li><li nr="-"><al>Representativiteit: Gezocht is naar een overlegvorm waarbij
                                gesproken wordt met representatieve vertegenwoordigingen van alle
                                schoolbesturen.</al></li><li nr="-"><al> Helderheid gemeentelijke rol: De rollen van schoolbestuur en lokale
                                overheid zijn m.i.v. 1 januari 2005 gescheiden. </al></li><li nr="-"><al>Raamwerk: De verordening biedt een raamwerk voor het overleg. Alleen
                                datgene wordt geregeld wat noodzakelijk is voor een goede
                                procedurele gang van zaken van het overleg. Dit is om op lokaal
                                niveau ook ruimte te laten voor de nodige flexibiliteit.</al></li></lijst></al-groep><tussenkop>PARAGRAAF 2.1.2 WETTELIJK KADER EN REIKWIJDTE VERORDENING</tussenkop><al>Evenals bij de decentralisatie van de onderwijshuisvesting het geval was, dient
                    de gemeente een regeling vast te stellen voor het 'op overeenstemming gericht
                    overleg' met schoolbesturen over het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
                    en de schoolbegeleiding. </al><tussenkop>PARAGRAAF 2.1.3 ÉÉN VERORDENING VOOR HET ONDERWIJSOVERLEG</tussenkop><al>De gemeente heeft ervoor gekozen om niet per onderdeel van het lokaal
                    onderwijsbeleid een aparte verordening voor het overleg vast te stellen; een
                    overlegverordening voor de onderwijshuisvesting, het
                    onderwijsachterstandenbeleid, schoolbegeleiding etc. Dit is omslachtig en
                    miskent het gegeven dat deze zaken onderling grote samenhang vertonen en tezamen
                    het lokaal onderwijsbeleid vormen. Vandaar dat gekozen is voor een
                    procedureverordening voor het overleg dat ziet op alle facetten van het lokaal
                    onderwijsbeleid. In deze verordening is daarvan uitgegaan. </al><tussenkop>PARAGRAAF 2.1.4 DELEGATIE RAAD AAN HET COLLEGE</tussenkop><al>De verordening heeft als uitgangspunt dat het college alle uitvoerende aspecten
                    van het overleg over het lokaal onderwijsbeleid afhandelt. Zo voert zij het
                    overleg met de schoolbesturen van alle scholen in de gemeente, voert het
                    secretariaat en is belast met de indiening van het verzoek om advies van de
                    Onderwijsraad. Tevens is er in deze verordening voor gekozen de wettelijke
                    bevoegdheid van de raad om uit eigen beweging een advies te vragen van de
                    Onderwijsraad te delegeren aan het college. Dit advies wordt immers volgens de
                    wet tijdens het op overeenstemming gericht overleg gevraagd. Het college voert
                    dit overleg. Met deze vormen van delegatie wordt een betere aansluiting bereikt
                    op de gangbare gemeentelijke bestuurspraktijk. Hiermee wordt ook bereikt dat de
                    in de wettelijke bepalingen over het overleg gekozen term 'gemeentebestuur' een
                    eenduidige invulling krijgt. Impliciet betekent dit dat bij vaststelling van de
                    verordening de raad een aantal zaken delegeert aan het college. De basis voor
                    deze delegatie is neergelegd in artikel 156 Gemeentewet. Met de vaststelling van
                    de overlegverordening bepaalt de raad dus wat hij aan bevoegdheden aan zich wil
                    houden en op welke onderdelen de uitoefening van bevoegdheden wordt gedelegeerd
                    aan het college.</al><tussenkop>PARAGRAAF 2.1.5 GEEN NADERE REGELING VOOR STEMVERHOUDINGEN</tussenkop><al>In de verordening is ervan afgezien om een regeling te treffen voor het stemmen
                    in het overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid. Het gaat immers om een op
                    overeenstemming gericht overleg over (voorgenomen) gemeentelijke besluitvorming.
                    Partijen moeten zich tot het uiterste inspannen om tot overeenstemming te komen.
                    Er vindt echter geen (finale) besluitvorming plaats in het overlegorgaan. De
                    competentie voor de finale besluitvorming heeft de wetgever gelegd bij de
                    gemeenteraad, indachtig het principe van territoriale decentralisatie. Indien in
                    het bestuurlijk onderwijsoverleg volledige overeenstemming wordt bereikt, zal de
                    raad alleen goed gemotiveerd van dit standpunt kunnen afwijken. Dit volgens de
                    procedure die in artikel 11 van de verordening opgenomen is. Is er geen of geen
                    volledige overeenstemming in het overlegorgaan over een onderwerp, dan wordt in
                    de verslaglegging van het overleg aangegeven hoe de meningsvorming in het
                    overleg is verlopen en welke schoolbesturen bezwaren hebben aangetekend dan wel
                    een afwijkende zienswijze huldigen. Naast de inhoudelijke argumentatie van deze
                    bezwaren is het daarbij ook relevant voor de raad om te beschikken over
                    informatie aangaande het draagvlak binnen het onderwijs voor dergelijke
                    bezwaren. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van het aantal
                    scholen/leerlingen dat wordt gerepresenteerd door de vertegenwoordigers die een
                    afwijkend standpunt innemen. Deze beide aspecten - de kracht van de argumenten
                    en het draagvlak dat daarvoor bestaat binnen het onderwijsveld - zal de raad in
                    onderlinge samenhang dienen te betrekken bij zijn uiteindelijke besluitvorming
                    over een van de onderwerpen in het kader van het lokaal onderwijsbeleid.</al><tussenkop>TITEL 2.2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>De schoolbesturen die worden uitgenodigd voor het bestuurlijk overleg, zijn de
                    bevoegde gezagsorganen van alle scholen die zijn gesitueerd op het grondgebied
                    van de gemeente, en vallen onder de reikwijdte van een onderwerp van lokaal
                    onderwijsbeleid waarop het overleg van toepassing is. De verordening gaat uit
                    van de territoriale werking van de regelgeving, dat wil zeggen dat alle
                    rijksbekostigde scholen en nevenvestigingen die gelegen zijn op het grondgebied
                    van de gemeente onder de werking van de verordening vallen. Deze benadering
                    maakt het noodzakelijk dat de gemeente goed nagaat welke schoolbesturen in
                    aanmerking komen voor deelname aan het overleg. Tijdens het op overeenstemming
                    gericht overleg kan de gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken om een advies uit
                    te brengen over een onderwerp waarop het op overeenstemming gericht overleg van
                    toepassing is. De gemeenteraad moet dit verzoek doen indien een schoolbestuur
                    dit wenst (zie verder toelichting op artikel 2 en 9).</al><tussenkop>Artikel 2 Functie overlegorgaan</tussenkop><al>In het overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid wordt tussen de gemeente en alle
                    schoolbesturen overleg gevoerd over de verschillende facetten van het lokaal
                    onderwijsbeleid. Met de instelling van het overlegorgaan wordt beoogd het
                    wettelijk voorgeschreven overleg te institutionaliseren. Dit is gezien het feit
                    dat dit overleg qua intensiteit en reikwijdte toeneemt door de decentralisatie
                    van bepaalde onderwijstaken naar de gemeente. Er is voor gekozen om de
                    verordening overleg over lokaal onderwijsbeleid niet alleen te richten op de
                    onderwerpen waarvoor wettelijk het op overeenstemming gericht overleg is
                    voorgeschreven, maar te kiezen voor een brede opzet. Gezien de samenhang tussen
                    de verschillende wetten en tevens uit oogpunt van harmonisatie en effectiviteit
                    heeft een brede overlegprocedure de voorkeur. Zo kan de eventuele vaststelling
                    van een verordening voor de materiële financiële gelijkstelling een onderwerp
                    van overleg zijn, hoewel hierbij het voeren van op overeenstemming gericht
                    overleg niet door de wetgever is voorgeschreven. Daarnaast is ervoor gekozen om
                    het overleg niet op te splitsen naar onderwerp of schoolsoort: zo blijft de
                    integraliteit van het beleid het best gewaarborgd. Dit laat onverlet dat gegeven
                    de lokale behoefte de voorbereiding van het finale overleg plaats kan vinden in
                    werkgroepen dan wel deeloverleggen. Ze kunnen ingericht zijn naar onderwerp
                    (bijvoorbeeld onderwijshuisvesting of achterstandenbeleid) of schoolsoort
                    (bijvoorbeeld basisonderwijs of voortgezet onderwijs). Het voorgeschreven op
                    overeenstemming gericht overleg moet voldoen aan de wettelijke eisen. Ze hebben
                    betrekking op het advies van de Onderwijsraad (artikel 9). Op de onderwerpen
                    waarvoor het op overeenstemming gericht overleg in de wet is voorgeschreven, is
                    dit artikel exclusief van toepassing. De wetgever heeft met het op
                    overeenstemming gericht overleg een 'zwaarder' type van overleg willen creëren
                    om tot consensus te komen. Het karakter van het finale brede overleg is te allen
                    tijde bestuurlijk. Dit is ter onderscheiding van het technisch getinte
                    voorbereidend overleg (artikel 7) en het agendaoverleg (artikel 8). Het betreft
                    immers een overleg tussen het gemeentebestuur en de schoolbesturen.</al><tussenkop>Artikel 3 Samenstelling overlegorgaan</tussenkop><al>Een schoolbestuur is uiteraard vrij om al of niet deel te nemen in het
                    overlegorgaan. Indien een bestuur daarin plaatsneemt, wijst het hiervoor een of
                    meer vertegenwoordigers aan. Uiteraard dient de mogelijkheid te worden geboden
                    dat de vertegenwoordigers, net zo goed als dat het geval zal zijn bij
                    vertegenwoordigers van het gemeentebestuur, zich laten bijstaan door een of meer
                    adviseurs. Het schoolbestuur bepaalt door wie het zich laat vertegenwoordigen.
                    Dit kan door een of meer leden van het schoolbestuur zijn en/of door een of meer
                    door het schoolbestuur gemandateerde leden van het management. De
                    vertegenwoordiging hoeft overigens niet persoonsgebonden te zijn. Per onderwerp,
                    bijvoorbeeld gelet op de portefeuilleverdeling of de affiniteit met het
                    desbetreffende onderwerp, kan iemand anders worden afgevaardigd. Voor een
                    effectief overleg is het belangrijk dat de besturen hun vertegenwoordigers
                    voldoende mandaat geven voor het voeren van het overleg (innemen
                    standpunten/maken van afspraken). De gekozen formulering dat de
                    vertegenwoordiger namens zijn bestuur of een aantal besturen deelneemt aan het
                    overleg, is daarvan een uitdrukking. De vertegenwoordigers dienen zich te
                    vergewissen van voldoende mandaat door middel van gestructureerd vooroverleg met
                    de schoolbesturen die zij vertegenwoordigen. Het mandaat zal inhoudelijk
                    doorgaans betrekking hebben op de standpuntbepaling over voorstellen die langs
                    de reguliere weg zijn ingebracht in het overleg. Wanneer zich tijdens of vlak
                    voor het overleg nieuwe omstandigheden aandienen, dan dient er uiteraard
                    voldoende ruimte te zijn voor de vertegenwoordigers om tussentijds terug te
                    kunnen koppelen naar de respectievelijke schoolbesturen of het college.</al><tussenkop>Artikel 4 Derden</tussenkop><al>Afhankelijk van het onderwerp van het overleg kunnen derden, niet te verwarren
                    met de adviseurs van de gemeente of de schoolbesturen (zie de toelichting bij
                    artikel 3), als deelnemer worden toegelaten tot het overleg. Denk bijvoorbeeld
                    aan de schoolbegeleidingsdienst of welzijnsinstellingen. Kenmerkend verschil
                    tussen de positie van de schoolbesturen en deze derden is dat voor de laatsten
                    de formule van het op overeenstemming gericht overleg in relatie tot het advies
                    van de Onderwijsraad niet opgaat. Wel dienen de zienswijzen van de derden tot
                    uiting te komen in het verslag van het overleg. Hierdoor kan de raad ook deze
                    zienswijzen betrekken bij zijn definitieve besluitvorming over het betrokken
                    onderwerp.</al><tussenkop>Artikel 5 Uitnodiging</tussenkop><al-groep><al>De strekking van dit artikel is dat in procedurele zin wordt gewaarborgd dat
                        de schoolbesturen tijdig worden ingeschakeld in het traject dat moet leiden
                        tot een besluit over een onderwerp waarop het overleg van toepassing is.
                        Hierbij is gekozen voor een termijn van minimaal drie weken om ook de
                        schoolbesturen voldoende tijd te geven voor de voorbereiding van het
                        overleg. </al><al>De gemeente is gehouden om een 'aangekleed' voorstel toe te zenden. In de
                        vorm van een toelichting wordt de overlegpartners inzicht gegeven in de
                        achtergronden van het voorstel. Tevens dient te worden aangegeven of het
                        overleg over het voorstel moet worden aangemerkt als een op overeenstemming
                        gericht overleg. De vertegenwoordigers van de schoolbesturen hebben
                        uiteraard de mogelijkheid om ook zelf stukken in te brengen voor het
                        overleg.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 6 Secretariaat</tussenkop><al>In formele zin is het college belast met het voeren van het secretariaat van het
                    overlegorgaan. De praktijk is dat het secretariaat - onder verantwoordelijkheid
                    van het college - wordt verzorgd door een of meer gemeenteambtenaren. Het gaat
                    daarbij om ambtenaren van de afdeling Maatschappelijke Dienstverlening,
                    werkeenheid welzijn en onderwijs, belast met aangelegenheden inzake het lokaal
                    onderwijsbeleid.</al><tussenkop>Artikel 7 Agendaoverleg</tussenkop><al>In het agendaoverleg kan onderzocht worden welke onderwerpen op welk tijdstip in
                    het op overeenstemming gericht overleg aan de orde kunnen komen en welke
                    onderwerpen op welk tijdstip in andere vormen van overleg. De ratio is om te
                    komen tot een vroegtijdige afstemming op bestuurlijk niveau van welke zaken er
                    in de tijd bezien aan de orde zullen komen. Alle partners kunnen dan in de
                    planning van hun werkzaamheden hiermee rekening houden. </al><tussenkop>Artikel 8 Advies Onderwijsraad</tussenkop><al>Dit artikel betreft de rol van de Onderwijsraad. Daar waar het lokaal
                    onderwijsbeleid de grondwettelijke vrijheid van richting en vrijheid van
                    inrichting van het onderwijs raakt, kan de Onderwijsraad in beeld komen. Niet
                    als geschillenbeslechter, maar als adviseur van de lokale overheid. Maar wel,
                    wanneer een schoolbestuur zich beroept op strijdigheid met deze grondwettelijke
                    aspecten van onderwijsvrijheid, in de vorm van een verplichting voor de gemeente
                    om advies te vragen. </al><tussenkop>Artikel 9 Verslaglegging; informeren raad</tussenkop><al>De raad zal bij zijn besluitvorming over het onderwerp waarop het overleg van
                    toepassing is de argumenten en zienswijzen moeten wegen die in het overleg naar
                    voren zijn gebracht. Hiertoe is het van belang dat de raad zich een duidelijk
                    beeld kan vormen van de inhoud en strekking van hetgeen tijdens en voor het
                    overleg is aangevoerd. De raad wordt hierover op de hoogte gebracht via
                    toezending van het verslag van het overleg. In het verslag wordt per onderwerp
                    aangegeven of het op overeenstemming gericht overleg van toepassing is.
                    Daarnaast wordt per onderwerp aangegeven in hoeverre er in het overlegorgaan
                    overeenstemming over het onderwerp is bereikt. Het verslag bevat uiteraard de
                    zienswijzen die door de verschillende deelnemers (vertegenwoordigers van
                    schoolbesturen, derden en de gemeente) zijn ingebracht. Voorzover deze
                    zienswijzen niet of niet geheel zijn overgenomen in het voorstel dat aan de raad
                    is voorgelegd, wordt hiervan in het betrokken raadsvoorstel melding gemaakt door
                    het college. Daarbij wordt ook aangegeven op welke gronden het college tot het
                    desbetreffende oordeel is gekomen.</al><tussenkop>Artikel 10 Heropening overleg</tussenkop><al-groep><al>De uitkomst van het overleg vormt een belangrijk gegeven in de verdere
                        besluitvormingsprocedure (raadscommissie en raad) over een onderwerp waarop
                        het overleg van toepassing is. In het voorstel van het college is aangegeven
                        op welke wijze is omgegaan met de ingebrachte zienswijzen. Indien er in het
                        verdere besluitvormingsproces signalen komen dat vermoedelijk wordt
                        afgeweken van het voorstel van het college en dat daarmee de uitkomst van
                        het overleg in een ander licht komt te staan, komt de vraag aan de orde of
                        de mogelijkheid moet worden geboden om over de gewijzigde situatie het
                        overleg te heropenen. Een eventueel hernieuwd overleg is in dit artikel
                        gekoppeld aan het resultaat van de bespreking van het voorstel van het
                        college in de raadscommissie waarin onderwijsaangelegenheden aan de orde
                        komen. Indien de raadscommissie of een deel daarvan dat een meerderheid
                        vertegenwoordigt in de raad aanleiding ziet voor een standpunt om te komen
                        tot inhoudelijke bijstellingen in het voorstel van het college, dan kan dit
                        aanleiding zijn om het overleg bijeen te roepen. In één geval moeten het
                        college het overleg heropenen, namelijk indien dit oordeel betrekking heeft
                        op inhoudelijke onderdelen van het voorstel waarover in het op
                        overeenstemming gericht overleg overeenstemming was bereikt. Hiermee wordt
                        tot uitdrukking gebracht dat deze consensus een zwaarder gewicht kan hebben
                        dan een bereikte overeenstemming over een onderwerp waarover de wetgever
                        geen op overeenstemming gericht overleg heeft voorgeschreven.</al><al>Er kunnen zich in dit laatste geval naar aanleiding van de behandeling in de
                        raadscommissie verschillende situaties voordoen:</al><lijst><li nr="1."><al>Over (onderdelen van) het voorstel dat het college heeft ingebracht
                                bestond in het overleg volledige overeenstemming. Het afwijkende
                                meerderheidsstandpunt van de raadscommissie daarover betekent dus
                                ook een afwijking van de bereikte consensus in het overleg. In een
                                dergelijke situatie heropent het college het overleg. Het spreekt
                                voor zich dat het daarbij dient te gaan om aspecten met een zekere
                                importantie. Vandaar dat gekozen is voor de formulering dat het moet
                                gaan om een 'inhoudelijke' bijstelling. Het zou bijvoorbeeld
                                overdreven zijn om voor kleine technische bijstellingen een
                                bestuurlijk overleg bijeen te roepen.</al></li><li nr="2."><al>De afwijkende visie van de raadscommissie strookt met de afwijkende
                                zienswijzen zoals die gezamenlijk door de vertegenwoordigers van de
                                schoolbesturen zijn ingebracht in het overleg. In een dergelijke
                                situatie lijkt het opnieuw bijeenroepen van het overleg niet
                                noodzakelijk, tenzij het college dit dienstig vindt voor haar
                                standpuntbepaling over het meerderheidsstandpunt van de
                                raadscommissie.</al></li><li nr="3."><al>De afwijkende visie van de raadscommissie strookt met de zienswijze
                                zoals die door een deel van de schoolbesturen in het overleg naar
                                voren is gebracht. In deze situatie kan het bijeenroepen van het
                                overleg gewenst zijn in verband met de positie van de schoolbesturen
                                die hun zienswijze niet gehonoreerd zien. Het college beziet de
                                noodzaak daartoe.</al></li></lijst><al>Het voordeel van de in artikel 11 neergelegde procedure is dat het
                        gemeentelijk besluitvormingsproces voortgang kan vinden zonder het gewicht
                        van het overleg geweld aan te doen. Het voorstel van het college, al dan
                        niet bijgesteld naar aanleiding van de behandeling in de raadscommissie, kan
                        namelijk doorgaan naar de raad. Het resultaat van het heropende overleg kan
                        vervolgens ter kennis worden gebracht van de raad. Dit resultaat wordt door
                        de raad betrokken bij de uiteindelijke besluitvorming. Dit positioneert de
                        raad ook als hoogste bestuursorgaan in de gemeente, die alles afwegend een
                        finale beslissing neemt.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 11 Beslissing door college in gevallen waarin de verordening niet
                    voorziet</tussenkop><al-groep><al>Wanneer de verordening voor het overleg in bepaalde zaken niet voorziet, dan
                        neemt het college een beslissing. Aangezien dergelijke beslissingen (de
                        inrichting van) het overleg raken, is erin voorzien dat het college hierover
                        de andere partijen uit het overleg hoort. Daaruit zou bijvoorbeeld kunnen
                        blijken dat het wenselijk wordt geacht om:</al><lijst><li nr="-"><al>bepaalde zaken nader te regelen (reglement van orde, huishoudelijk
                                reglement of iets dergelijks);</al></li><li nr="-"><al>bepaalde zaken via een aan de raad voor te leggen wijziging vast te
                                leggen in de verordening op het overleg.</al></li></lijst></al-groep><tussenkop>Artikel 12 Citeertitel; inwerkingtreding</tussenkop></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>