<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50157_2</dcterms:identifier><dcterms:title>WMO</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Veere</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Veere</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Faam,23-12-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Geen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2026-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Gewijzigde regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09b.02816</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Besluit WMO gemeente Veere 2011 is op 30 november 2010 door het college B&amp;W vastgesteld en is als bijlage toegevoegd.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>WMO</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Veere;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 december 2009,
                        registratienummer 09b.02892;</al><al>gelet op artikel 4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning en artikel 149
                        van de Gemeentewet;</al><al>b e s l u i t</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere 2010
                    </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><al>a. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al><al>b. Compensatiebeginsel: de algemene verplichting aan het gemeentebestuur
                            om personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                            door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te
                            verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke
                            participatie;</al><al>c. Beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het uitvoeren
                            van activiteiten;</al><al>d. Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte of
                            gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen,
                            aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op
                            het gebied van het voeren van het huishouden, bij het normale gebruik
                            van de woning; bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich
                            lokaal verplaatsen per vervoermiddel of bij het ontmoeten van medemensen
                            en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden;</al><al>e. Mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld in
                            artikel 1, lid 1, onder b. van de wet;</al><al>f. Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk en
                            financiële vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan het
                            normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken;</al><al>g. Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                            maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een huishouden, het
                            normale gebruik van de woning, het zich in en om de woning verplaatsen,
                            het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij
                            regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen; het ontmoeten
                            van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om
                            op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al><al>h. Algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op basis van
                            directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een
                            snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die
                            een persoon ondervindt;</al><al>i. Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt
                            aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate oplossing
                            biedt;</al><al>j. Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een door het college
                            vast te stellen bijdrage, die bij respectievelijk de verstrekking van
                            een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget (een eigen
                            bijdrage) of een financiële tegemoetkoming (een eigen aandeel) betaald
                            moet worden en waarop de regels van het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning van toepassing zijn;</al><al>k. Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen,
                            in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt
                            verstrekt;</al><al>l. Persoonsgebonden budget: een geldbedrag, zoals bedoeld in artikel 6
                            en 6 a van de wet, waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen
                            voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening en het
                            Besluit maatschappelijke ondersteuning te stellen regels van toepassing
                            zijn;</al><al>m. Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van een
                            voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                            aanvrager;</al><al>n. Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het
                            gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de
                            aanvrager behorend;</al><al>o. Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen
                            voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat boven voor die
                            persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een
                            dergelijke voorziening;</al><al>p. Besparingsbijdrage: een door de aanvrager te betalen bijdrage, gelijk
                            aan het bedrag dat ten gevolge van de verstrekking van een voorziening
                            door de aanvrager wordt bespaard omdat deze verstrekte voorziening een
                            algemeen gebruikelijke voorziening vervangt of kan vervangen;</al><al>q. Huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam
                            gemeenschappelijk een woning bewoont;</al><al>r. Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een
                            persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college
                            verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget
                            verschuldigd is.</al><al>s. College: college van burgemeester en wethouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Toekenning en weigering van voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een voorziening kan worden toegekend indien:a. deze langdurig
                                noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van
                                het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal
                                verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en
                                op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te
                                verminderen;b. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de
                                goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;c. deze in
                                overwegende mate op het individu is gericht. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een voorziening wordt niet toegekend:a. indien uit het onderzoek
                                blijkt dat er geen noodzaak bestaat tot het verstrekken van de
                                gevraagde voorziening(en).b. indien de voorziening voor een persoon
                                als de aanvrager algemeen gebruikelijk is;c. indien de aanvrager
                                niet woonachtig is in de gemeente Veere; d. voor zover aan de zijde
                                van de aanvrager geen sprake is van aantoonbare meerkosten in
                                vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de
                                beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;e. voor zover
                                de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand
                                aan het moment van beschikken heeft gemaakt;f. indien de voorziening
                                waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder krachtens deze, of
                                voorafgaande versie van deze verordening is verstrekt en de normale
                                afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken,
                                tenzij de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is
                                gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn
                                toe te rekenen. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget. Het college
                            stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een
                            voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden
                            aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Veere neergelegde criteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt, is de
                            bruikleenovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst tussen leverancier
                            of aanbieder en de ontvanger van de voorziening van toepassing, dan wel
                            de bruikleenovereenkomst tussen gemeente en de ontvanger van de
                            voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming zijn de voorwaarden
                            uit het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op het persoonsgebonden budget, zoals genoemd in de artikelen 6 lid
                                1 en 6 a van de wet, zijn de volgende voorwaarden van
                                toepassing:</al><al>a. een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien
                                van individuele voorzieningen;b. de omvang van het persoonsgebonden
                                budget wordt, met uitzondering van het persoonsgebonden budget voor
                                vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld artikel 5 lid 2 van
                                de Wet op de loonbelasting 1964, afgeleid van de tegenwaarde van de
                                in de betreffende situatie te verstrekken voorziening in natura;c.
                                het persoonsgebonden budget wordt, indien noodzakelijk, aangevuld
                                met een vergoeding voor aanvullende kosten, zoals vastgelegd in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere;d. de wijze
                                waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld wordt door het
                                college vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Veere;e. Vervallen </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toekenning, de omvang en de looptijd van het te verstrekken
                                persoonsgebonden budget worden in de beschikking opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt waarin is
                                aangegeven aan welke vereisten de voorziening moet voldoen waarvoor
                                het persoonsgebonden budget is verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Na afgifte van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget
                                overgemaakt op een door de aanvrager opgegeven rekeningnummer,
                                tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte
                                persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het
                                verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke
                                stukken, zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Veere, op verzoek van het college te verstrekken.
                                Vervolgens wordt door het college beoordeeld of aanleiding bestaat
                                om het persoonsgebonden budget geheel of ten dele terug te vorderen
                                of te verrekenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen of op grond van de wet
                            kan het college bepalen dat de aanvrager een eigen bijdrage is
                            verschuldigd of dat de financiële tegemoetkoming kan worden afgestemd op
                            het inkomen. Het college legt in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Veere de omvang van de eigen bijdrage en het
                            eigen aandeel vast.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Hulp bij het huishouden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><al>a. een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                            huishouden;b. hulp bij het huishouden in natura;c. een persoonsgebonden
                            budget, te besteden aan hulp bij het huishouden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Primaat van de algemene hulp bij het huishouden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8 onder a vermelde
                                voorziening in aanmerking komen,indien het voor deze persoon
                                onmogelijk is om zelf een of meer huishoudelijke taken uit te voeren
                                en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat kan
                                oplossen, aangezien deze persoon:</al><al>a. aantoonbare beperkingen heeft op grond van ziekte of gebrek; ofb.
                                problemen ondervindt bij de uitvoering van mantelzorg. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>2. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8 onder b en c
                                vermelde voorzieningen in aanmerking komen indien</al><al>a. de in artikel 8, onder a genoemde voorziening onvoldoende tot een
                                oplossing leidt; ofb. de in artikel 8, onder a genoemde voorziening
                                niet beschikbaar is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Gebruikelijke zorg</titel></kop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 9 komt een persoon als bedoeld
                            in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de wet niet
                            in aanmerking voor hulp bij het huishouden indien deze persoon deel
                            uitmaakt van een leefeenheid waarin een of meer huisgenoten wel in staat
                            zijn het huishoudelijk werk te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden in natura</titel></kop><al>De omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden zoals bedoeld in
                            artikel 8 onder b wordt uitgedrukt in klassen, waarbij de volgende
                            klassen met de daarbij behorende uren kunnen worden toegekend:</al><al>Klasse 1, 0 tot en met 1,9 uur per week;Klasse 2, 2 tot en met 3,9 uur
                            per week;Klasse 3, 4 tot en met 6,9 uur per week;Klasse 4, 7 tot en met
                            9,9 uur per week;Klasse 5, 10 tot en met 12,9 uur per week;Klasse 6, 13
                            tot en met 15,9 uur per week. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden zoals bedoeld
                                in artikel 8 onder c wordt uitgedrukt in uren per week.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bedrag per uur dat in de vorm van een persoonsgebonden budget
                                wordt verstrekt, wordt door het college vastgesteld en vastgelegd in
                                het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>Ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden kan
                            het college, de volgende woonvoorzieningen verstrekken:</al><al>a. een algemene woonvoorziening;b. een woonvoorziening in natura;c. een
                            persoonsgebonden budget te besteden aan een woonvoorziening;d. een
                            financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Primaat algemene woonvoorzieningen en aanspraak op individuele
                                woonvoorzieningen.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 13, onder a vermelde
                                voorziening in aanmerking komen indien aantoonbare beperkingen op
                                grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de woning noodzakelijk
                                maken en de algemene woonvoorziening dit snel en adequaat kan
                                oplossen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 13, onder b, c en d
                                vermelde voorziening in aanmerking komen indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de
                                woning noodzakelijk maken en de voorziening als bedoeld in het
                                eerste lid:</al><al>a. onvoldoende tot een oplossing leidt; ofb. niet beschikbaar is.
                            </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in lid 1 en 2 genoemde beperkingen staan in een direct
                                oorzakelijk verband met de bouwkundige of woontechnische staat van
                                de woning zelf, waaronder begrepen de toegankelijkheid van de
                                woning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Soorten individuele woonvoorzieningen</titel></kop><al>De in artikel 13 onder b, c en d genoemde voorzieningen kunnen bestaan
                            uit:</al><al>a. een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;b. een
                            bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;c. een niet bouwkundige of
                            niet woontechnische woonvoorziening;d. een uitraasruimte. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Primaat van de verhuizing en de uitraasruimte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15
                                onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare
                                beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van
                                de woning belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15
                                onder b. en c. in aanmerking worden gebracht wanneer de in het
                                eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de
                                goedkoopst adequate voorziening is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                15, onder d. in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van een
                                op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg,
                                waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een
                                situatie waarin deze persoon tot rust kan komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Primaat van de losse woonunit</titel></kop><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van
                            een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter
                            beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
                            beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
                            dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit
                            verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard
                            bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op:</al><al>a. het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions,
                            trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen,
                            recreatiewoningen en bij kamerverhuur; b. het treffen van voorzieningen
                            in woongebouwen, die specifiek gericht zijn op mensen met beperkingen en
                            waarvan verwacht mag worden dat reeds voorzieningen zijn getroffen in de
                            gemeenschappelijke ruimten of dat voorzieningen bij nieuwbouw of
                            renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen.c.
                            het treffen van voorzieningen in specifiek op mensen met beperkingen
                            gerichte woongebouwen waarvoor het bouwplan in of na 2006 is ingediend
                            of waarvoor een bouwplan wordt ingediend. De uitsluiting betreft de
                            gemeenschappelijke ruimten en de tot deze woongebouwen behorende
                            woningen voor wat betreft het toe- en doorgankelijk maken, het
                            verplaatsen van bedieningselementen, het vervangen van ligbaden door
                            douches, en het aanpassen of bouwen van bij deze woningen behorende
                            stallingen voor scootermobielen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Hoofdverblijf</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                                voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één
                                woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een op
                                grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen erkende
                                instelling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere vastgesteld
                                maximumbedrag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het middels een
                                woonvoorziening bewerkstelligen dat de aanvrager de woonruimte, de
                                woonkamer en een toilet kan bereiken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Aanvullende begrenzing recht op woonvoorzieningen</titel></kop><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
                            geweigerd indien:</al><al>a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van
                            een verhuizing waartoe, op grond van belemmeringen bij het normale
                            gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek, geen aanleiding
                            bestond en geen andere belangrijke reden aanwezig was;</al><al>b. de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen
                            op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor
                            tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;</al><al>c. deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten
                            anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra
                            trapleuningen;</al><al>d. de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat, op basis van
                            leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie, te voorzien was dat deze
                            voorziening noodzakelijk zou zijn en daarmee geen sprake is van een
                            onverwacht intredende noodzaak;</al><al>e. de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, uitsluitend voor
                            zover de aanvraag een verhuiskostenvergoeding betreft;</al><al>f. de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet
                            geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden;</al><al>g. de aanvrager verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
                            instelling gericht op het verstrekken van zorg;</al><al>h. in de verlaten woonruimte geen problemen bestonden met het normale
                            gebruik van de woning;</al><al>i. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning
                            voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen.</al><al>j. Voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een
                            hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening
                            heeft ontvangen bestaande uit een aanbouw die leidt tot waardestijging
                            van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van
                            10 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning
                            onverwijld aan het college te melden. De meerwaarde van de woning dient
                            volgens het in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere
                            door het college vastgelegde afschrijvingsschema te worden
                            terugbetaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><al>a. een algemene voorziening waaronder een collectieve
                            vervoersvoorziening;b. een vervoersvoorziening in natura;c. een
                            persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Het recht op een algemene voorziening</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 22, onder a vermelde voorziening
                            in aanmerking komen indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte
                            of gebrek het onmogelijk maken om:</al><al>a. gebruik te maken van het openbaar vervoer;b. het openbaar vervoer te
                            kunnen bereiken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Het primaat van het collectief vervoer</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 22, onder b en c vermelde
                            voorziening in aanmerking komen indien:</al><al>a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van
                            een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder a, onmogelijk
                            maken;b. een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder a, niet
                            aanwezig is.c. de beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen niet in
                            voldoende mate met het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in
                            artikel 22, onder a, kunnen worden opgeheven of verminderd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen
                            van gehuwde personen meer bedraagt dan het in het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere voor de diverse
                            categorieën genoemde inkomensgrenzen, wordt het bezit van een
                            personenauto algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een
                            auto vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende gebruiks- en
                            onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking of
                            vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Omvang in gebied en in kilometers</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                                vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                                uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe
                                woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking op het gestelde in het eerste lid wordt rekening
                                gehouden met de vervoersbehoefte buiten de directe woon- of
                                leefomgeving in een situatie waarin een bovenregionaal contact
                                alleen door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek
                                voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te
                                voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een
                                omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot 2000
                                kilometer mogelijk maken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><al>a. een algemene voorziening waaronder een algemene
                            rolstoelvoorziening;b. een rolstoelvoorziening in natura;c. een
                            persoonsgebonden budget te besteden aan een rolstoelvoorziening;d. een
                            persoonsgebonden budget te besteden aan een sportrolstoel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel en dagelijks
                                rolstoelgebruik en sportrolstoel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 27, onder a vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel zittend
                                verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen
                                die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere
                                Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen adequate
                                oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 27, onder b en c vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek dagelijks zittend
                                verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen
                                die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere
                                Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen adequate
                                oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 27, onder d vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek sportbeoefening zonder
                                sportrolstoel onmogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners</titel></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 28, lid 1 en lid 2 komt een
                            persoon die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op
                            grond van de AWBZ.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Aanvraag en gebruik aanvraagformulier</titel></kop><al>Een aanvraag van een voorziening kan schriftelijk of elektronisch worden
                            ingediend. Voor de aanvraag van een voorziening stelt het college een
                            formulier ter beschikking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</titel></kop><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij (naam plaats of naam loket),
                            in welk loket / op welke plaats zowel aanvragen voor voorzieningen
                            inzake de wet alsook aanvragen zorg inzake de Algemene Wet Bijzondere
                            Ziektekosten kunnen worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                                aanvraag is ingediend:</al><al>a. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te
                                bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen;b. op een door het
                                college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe
                                aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of onderzoeken. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om
                                advies vragen indien:</al><al>a. de aanvrager die nog niet eerder een aanvraag in het kader van
                                deze verordening heeft ingediend en het een voorziening betreft
                                waarvan de kosten naar verwachting het bedrag als genoemd in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere te boven zal
                                gaan;b. de aanvraag wegens de mate van complexiteit niet door de
                                gemeentelijke indicatiestellers kan worden beoordeeld en
                                afgehandeld; c. de gevraagde voorziening om medische redenen zal
                                worden afgewezen;d. het college dat voor het overige gewenst vindt.
                            </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Vervallen</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Zowel bij de advisering zoals genoemd in het tweede lid, als door
                                gemeentelijk indicatiestellers wordt gebruik gemaakt van de
                                systematiek zoals neergelegd in de International Classification of
                                Functions, Disabilities and Impairments, de ICF classificatie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De beschikking vermeldt op welke wijze in dat individuele geval
                                wordt bijgedragen aan het behouden en bevorderen van de
                                zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van
                                mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een
                                psychosociaal probleem.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te
                            stemmen op de situatie van de aanvrager laat het college onderzoek
                            verrichten naar de situatie van de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>De verkrijger van een toegewezen voorziening is verplicht aan het
                            college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan
                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op
                            het recht op een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening,
                                geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><al>a. niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze
                                verordening;</al><al>b. op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens
                                zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest,
                                een andere beslissing zou zijn genomen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                                persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                                tegemoetkoming of het budget binnen twaalf maanden na uitbetaling
                                niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan een cliënt wegens misdragingen tijdelijk uitsluiten
                                van deelname aan het collectief systeem als bedoeld in artikel 22,
                                onder a, onder nadere, in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Veere bepaalde voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan besluiten een in bruikleen verstrekte
                                woonvoorziening in natura in te nemen indien blijkt dat deze
                                voorziening niet of in onvoldoende mate bijdraagt aan het opheffen
                                of het verminderen van de beperkingen van de cliënt bij het normaal
                                gebruik van de woning dan wel indien blijkt dat deze voorziening
                                (vrijwel) niet wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze is
                                verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan besluiten een verstrekte vervoersvoorziening in
                                natura in te nemen indien blijkt dat deze voorziening niet of in
                                onvoldoende mate bijdraagt aan het opheffen of het verminderen van
                                de beperkingen van de cliënt bij het zich lokaal verplaatsen dan wel
                                indien blijkt dat deze voorziening (vrijwel) niet wordt gebruikt
                                voor de doeleinden waarvoor deze is verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college kan besluiten een verstrekte algemene
                                rolstoelvoorziening of een rolstoelvoorziening in natura in te nemen
                                indien blijkt dat deze voorziening niet of in onvoldoende mate
                                bijdraagt aan het opheffen of het verminderen van de beperkingen van
                                de cliënt bij het verplaatsen in en om de woning dan wel indien
                                blijkt dat deze voorziening (vrijwel) niet wordt gebruikt voor de
                                doeleinden waarvoor deze is verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ingeval de aanspraak op een voorziening is ingetrokken kan op basis
                                daarvan reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of
                                persoonsgebonden budget worden teruggevorderd</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In geval de aanspraak op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                                voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere geldende bedragen verhogen
                            of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het
                            Centraal Bureau voor de Statistiek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt jaarlijks
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                            verordening aangepast. Het college zendt hiertoe telkens na één jaar na
                            de inwerkingtreding van de verordening aan de raad een verslag over de
                            doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2010;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Veere 2007 wordt met ingang van 1 januari 2010 ingetrokken;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Beschikkingen, genomen op basis van de in het tweede lid genoemde
                                verordening en met een looptijd tot na 31 december 2009 dan wel van
                                onbepaalde duur, behouden hun geldigheid tot de in de beschikking
                                genoemde vervaldatum dan wel tot het moment waarop een eventuele
                                herindicatie heeft plaatsgevonden</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de raad in zijn openbare vergadering van 17 december
                        2009.</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label/><nr>1</nr><titel>Besluit Wet maatschappelijke ondersteuning Gemeente Veere 2011</titel></kop><al>Hoofdstuk 1. Bijzondere regels over het persoonsgebonden budget.</al><al>Artikel 1. Regels rond verstrekking en verantwoording. 1.1.Verstrekking van een
                    toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget
                    vindt plaats op verzoek van de aanvrager.</al><al>1.2.Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien:a. de
                    PGB-houder in gebreke blijft bij de verantwoording, ofb. het budget niet inzet
                    voor het inkopen van de voorziening waarvoor de beschikking is afgegeven.</al><al>De gemeente zal dan gebruik maken van artikel 6 in de wet, dat stelt dat
                    gemeenten de vorm van financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget kan
                    weigeren als daartegen overwegende bezwaren zijn.</al><al>1.3.Een aantal woonvoorzieningen wordt bij voorkeur in natura en in bruikleen
                    verstrekt, deze zijn: mobiele tilliften, bad-, douche- en toiletvoorzieningen en
                    trapliften. Andere woonvoorzieningen zoals opgenomen in de Beleidsregels, kunnen
                    in de vorm van in natura, PGB of financiële tegemoetkoming verstrekt
                    worden.</al><al>1.4.Een sportrolstoel wordt uitsluitend verstrekt als financiële tegemoetkoming.
                    Het bedrag van deze financiële tegemoetkoming bedraagt € 3.403,- welk bedrag
                    bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel
                    voor een periode van drie jaar.</al><al>1.5De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de budgethouder aan
                    het college vindt plaats na afloop van de verstrekking dan wel zes maanden na
                    afloop van het kalenderjaar conform door B&amp;W ter beschikking te stellen
                    procedure en formulier. De verantwoording van het persoonsgebonden budget voor
                    aanschaf van een vervoermiddel of een rolstoel komt te vervallen indien de
                    persoon die in aanmerking komt voor het persoonsgebonden budget, de gemeente
                    machtigt de aanschafprijs rechtstreeks over te maken aan de door de aanvrager
                    gekozen leverancier. De aanvrager overlegt daartoe de factuur aan de gemeente.
                    Na het betalen van de leverancier maakt de gemeente het eventueel resterend deel
                    van het persoonsgebonden budget over aan de aanvrager.</al><al>1.5. a.De verantwoording van het persoonsgebonden budget voor een alfahulp
                    (PGB-A) vindt namens de werkgever van de alfahulp plaats door het door deze
                    werkgever gekozen servicebureau. Het servicebureau betaalt het loon aan de
                    alfahulp in opdracht en voor rekening van de werkgever van de alfahulp. Het
                    servicebureau maakt voor de werkgever van de alfahulp een jaaroverzicht met de
                    daadwerkelijk door de alfahulp gewerkte uren en de daarvoor voor rekening van de
                    werkgever aan de alfahulp betaalde vergoeding. Het servicebureau zendt dit
                    jaaroverzicht tevens aan de gemeente.1.6. a. Bij bedragen tot € 10.000,- per
                    jaar zal het College van B&amp;W de besteding van het PGB steekproefsgewijs
                    controleren, aan de hand van de verantwoording zoals vermeld in artikel 1.5.b.
                    Bij bedragen boven € 10.000,- per jaar zal het College van B&amp;W de besteding
                    van het PGB altijd controleren, aan de hand van de verantwoording zoals vermeld
                    in artikel 1.5.</al><al>1.7. De verantwoording over het persoonsgebonden budget wordt afgelegd over het
                    aantal uren ingekochte hulp en/of op de controle van het aangeschafte
                    hulpmiddel.</al><al>1.8.De gemeente heeft een overeenkomst afgesloten met de Sociale
                    Verzekeringsbank ter ondersteuning van de budgethouders. De budgethouders zijn
                    hierdoor verzekerd voor wettelijke aansprakelijkheid en rechtsbijstand.</al><al>Hoofdstuk 2. Eigen bijdragen, eigen aandeel en besparingsbijdrage.</al><al>Artikel 2. Omvang van eigen bijdragen en eigen aandeel.</al><al>2.1.Het bedrag dat ongehuwde personen jonger dan 65 dienen te betalen bedraagt €
                    17,80 per vier weken, terwijl het percentage van het verzamelinkomen boven €
                    22,636- dat boven dit bedrag per vier weken betaald moet worden 15% per
                    kalenderjaar bedraagt.</al><al>2.2.Het bedrag dat ongehuwde personen van 65 jaar of ouder dienen te betalen
                    bedraagt € 17,80 per vier weken, terwijl het percentage van het verzamelinkomen
                    boven € 15.838 dat boven dit bedrag per vier weken betaald moet worden 15% per
                    kalenderjaar bedraagt.</al><al>2.3.Het bedrag per vier weken dat gehuwde personen indien een van beiden jonger
                    is dan 65 jaar dienen te betalen bedraagt € 25,40 per vier weken, terwijl het
                    percentage van het verzamelinkomen boven € 27.902,- dat boven dit bedrag per
                    vier weken betaald moet worden 15% per kalenderjaar bedraagt.</al><al>2.4.Het bedrag per vier weken dat gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder
                    zijn dienen te betalen bedraagt € 25,40 per vier weken, terwijl het percentage
                    van het verzamelinkomen boven € 22.100 dat boven dit bedrag per vier weken
                    betaald moet worden 15% per kalenderjaar bedraagt.</al><al>Hoofdstuk 3. Hulp bij het huishouden.</al><al>Artikel 3. Persoongebonden budget Hulp bij het Huishouden3.1. De vaststelling
                    van het bruto persoonsgebonden budget ten aanzien van hulp in de huishouding
                    vindt als volgt plaats:</al><al>Het aantal geïndiceerde uren hulp per week maal het uurtarief volgens
                    onderstaand tabel gedeeld door 7 dagen maal aantal kalenderdagen in een jaar. </al><al/><al/><table summary=""><title>Uurtarieven persoonsgebonden budget</title><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al>Categoroe hulp bij het huishouden</al></entry><entry><al>Uurtarieven persoonsgebonden budget</al></entry></row><row><entry><al>PGB - HH 1</al></entry><entry><al>€ 14,95</al></entry></row><row><entry><al>PGB - HH 2</al></entry><entry><al>€ 18,02</al></entry></row><row><entry><al>PGB - Alfahulp</al></entry><entry><al>€ 16,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3.2.Het PGB budget wordt bruto uitgekeerd.</al><al>Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen.</al><al>Artikel 4. Woonvoorzieningen</al><al>4.1.De financiële tegemoetkoming minus het eigen aandeel of het persoonsgebonden
                    budget minus de eigen bijdrage voor woonvoorzieningen wordt vastgesteld als
                    tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de offerte, voor zover deze door het
                    college is geaccepteerd.</al><al>4.2.Het bedrag voor de verhuiskostenvergoeding als genoemd in artikel 15 onder a
                    van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning bedraagt €
                    2.722,-.</al><al>4.3.Het bedrag dat als maximum verstrekt wordt bij het bezoekbaar maken als
                    genoemd in artikel 19 lid 2 tot en met 5 van de Verordening voorzieningen
                    maatschappelijke ondersteuning bedraagt € 6.806,-.</al><al>4.4. Terugbetaling bij verkoop1. Een eigenaar-bewoner die zijn woning verkoopt
                    binnen 10 jaar na gereedmelding van een woningaanpassing waarvoor een financiële
                    tegemoetkoming is verleend als bedoeld in artikel 15, onder b (bouwkundige of
                    woontechnische woonvoorziening) van de verordening is gehouden om binnen een
                    week na het passeren van de akte het college hiervan schriftelijk op de hoogte
                    te stellen. De eigenaar bewoner is verplicht tot terugbetaling van de
                    aanpassingskosten indien de aanpassing heeft geleid tot waardestijging van de
                    woning die meer bedraagt dan € 10.000.2. Het college geeft opdracht tot het
                    verrichten van een waardebepaling van de woning direct voorafgaand aan de
                    verstrekking van de financiële tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid en
                    direct na gereedmelding van de aanpassing. De hieraan verbonden kosten komen
                    voor rekening van de gemeente. Het positieve verschil in waarde tussen beide
                    waardebepalingen wordt beschouwd als waardestijging als gevolg van de aanpassing
                    van de woning.3. Het bedrag van de waardestijging tot een maximum van het als
                    financiële tegemoetkoming verstrekte bedrag, dient als volgt te worden
                    terugbetaald bij verkoop van de woning:a. in het eerste en tweede jaar na
                    gereedmelding 100% van de waardestijging;b. in het derde en vierde jaar na
                    gereedmelding 80% van de waardestijging;c. in het vijfde en zesde jaar na
                    gereedmelding 60 % van de waardestijging;d. in het zevende en achtste jaar na
                    gereedmelding 40% van de waardestijging;e. in het negende en tiende jaar na
                    gereedmelding 20% van de waardestijging.4. In alle gevallen wordt het eigen
                    aandeel, dat voor rekening van de woningeigenaar is gekomen bij de toekenning
                    van de woonvoorziening(en), in mindering gebracht op de waardestijging.</al><al>Hoofdstuk 5. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</al><al>Collectief vervoer is enkel verkrijgbaar in natura (artikel 24 van de
                    Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning). Overige
                    vervoersvoorzieningen zijn verkrijgbaar in natura en bruikleen, of als PGB dan
                    wel een financiële tegemoetkoming. In geval van een PGB of een financiële
                    tegemoetkoming zijn de artikelen 5 tot en met 7 van toepassing.</al><al>Artikel 5. Persoonsgebonden budget vervoermiddel.</al><al>Het persoonsgebonden budget voor een vervoermiddel wordt op basis van de
                    volgende criteria bepaald:a. de aanschafprijs van het voor de aanvrager
                    goedkoopst-adequate vervoermiddel inclusief 6% BTW. De medisch/ergonomisch
                    adviseur bepaalt wat het voor de aanvrager goedkoopst-adequate vervoermiddel is.
                    De aanschafprijzen zijn als bijlage bij dit besluit gevoegd en vormen de basis
                    voor het persoonsgebonden budget.b. indien van toepassing: de aanschafprijs
                    inclusief 6% BTW van de voor de aanvrager noodzakelijke aanpassing(en) van het
                    vervoermiddel. De medisch/ergonomisch adviseur bepaalt welke aanpassing(en)
                    eventueel voor de aanvrager noodzakelijk is (zijn).c. de tegemoetkoming in de
                    kosten van onderhoud, reparatie en verzekering van het vervoermiddel gedurende
                    de totale gebruiksduur met een minimum van zeven jaar bedraagt 28% van de
                    aanschafprijs van het vervoermiddel exclusief BTW.</al><al>Artikel 6. Inkomensgrens gebruik eigen auto.</al><al>De inkomensgrens waarboven een auto, met een auto vergelijkbare voorzieningen en
                    de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten niet voor verstrekking of
                    vergoeding in aanmerking komen, zoals genoemd in artikel 25 van de Verordening
                    maatschappelijke ondersteuning, bedraagt 1,5 maal de bijstandsnorm volgens de
                    bijlage. De bedragen worden aangepast conform wijziging van de
                    bijstandsnorm.</al><al>Artikel 7. Bedrag gebruik eigen auto.</al><al>Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (eigen) auto
                    bedraagt € 1.294,-.Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een
                    taxi bedraagt € 1.294,-Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van
                    een rolstoeltaxi bedraagt€ 1.942,-</al><al>Hoofdstuk 6. Verplaatsen in en rond de woning.</al><al>Artikel 8. Persoonsgebonden budget rolstoel.</al><al>Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt op basis van de volgende
                    criteria bepaald:a. de aanschafprijs van de voor de aanvrager
                    goedkoopst-adequate rolstoel inclusief 6% BTW. De medisch/ergonomisch adviseur
                    bepaalt wat de voor de aanvrager goedkoopst-adequate rolstoel is. De
                    aanschafprijzen zijn als bijlage bij dit besluit gevoegd en vormen de basis voor
                    het persoonsgebonden budget.b. indien van toepassing: de aanschafprijs inclusief
                    6% BTW van de voor de aanvrager noodzakelijke aanpassing(en) van de rolstoel. De
                    medisch/ergonomisch adviseur bepaalt welke aanpassing(en) eventueel voor
                    deaanvrager noodzakelijk is (zijn).c. de tegemoetkoming in de kosten van
                    onderhoud, reparatie en verzekering van de rolstoel gedurende de totale
                    gebruiksduur met een minimum van zeven jaar bedraagt 28% van de aanschafprijs
                    van de rolstoel exclusief BTW.</al><al>Hoofdstuk 7. Advisering en samenhangende afstemming.</al><al>Artikel 9. Verplicht medisch advies.</al><al>Het bedrag waarboven ingevolge artikel 32 lid 2 onder a van de Verordening
                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning advies gevraagd wordt bedraagt €
                    5.000 per aanvraag.</al><al>Artikel 10. Samenhangende afstemming.</al><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te stemmen op de
                    situatie van de aanvrager wordt bij het onderzoek inzake het advies zoals
                    bedoeld in artikel 32 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning indien
                    van toepassing aandacht besteed aan:a. de algemene gezondheidstoestand van de
                    aanvrager;b. de beperkingen die de aanvrager in zijn functioneren ondervindt als
                    gevolg van ziekte of gebrek;c. de woning en de woonomgeving van de aanvrager;d.
                    de psychisch en sociaal functioneren van de aanvrager;e. de sociale
                    omstandigheden van de aanvrager.Het College betrekt deze bevindingen in de
                    besluitvorming en de motivering van het besluit.</al><al>Domburg, 1 januari 2011Burgemeester en wethouders van Veere,De secretaris, de
                    burgemeester,</al><al>Toelichting Besluit maatschappelijke ondersteuning Veere 2011</al><al>Inleiding</al><al>Naast een Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere is er ook
                    een Besluit maatschappelijke ondersteuning Veere. In dit besluit zijn bij elkaar
                    gebracht alle bedragen, die op basis van de verordening moeten worden
                    vastgesteld. Daarnaast zijn alle regels waarvoor de verordening een
                    delegatiebepaling voor het college bevat in het besluit ingevuld.Het voordeel
                    van het opnemen van alle bedragen in een besluit is dat bij wijziging van de
                    bedragen (bijvoorbeeld omdat er aan de hand van de prijsindex een bijstelling
                    van bedragen plaatsvindt) niet de verordening gewijzigd moet worden en dus in de
                    Raad besproken en opnieuw vastgesteld moet worden. Bijstelling van het Besluit
                    door het college kan aanzienlijk sneller plaatsvinden.Het eerste onderwerp dat
                    in het besluit aan de orde komt is het persoonsgebonden budget. Van alle soorten
                    voorzieningen waarvoor een persoonsgebonden budget mogelijk is wordt in het
                    Besluit uitgewerkt hoe het bedrag van het persoonsgebonden budget wordt
                    samengesteld.Per hoofdstuk worden alle vastgestelde bedragen opgenomen, zodat
                    het Besluit spoort met de verordening.In hoofdstuk 7 tot slot wordt geregeld
                    boven welk bedrag in bepaalde omstandigheden advies gevraagd moet worden en hoe
                    de samenhangende afstemming bij de toekenning, zoals genoemd in artikel 5 van de
                    wet, wordt geregeld.</al><al>Hoofdstuk 1. Bijzondere regels over het persoonsgebonden budget.</al><al>Algemeen.</al><al>De systematiek van de Verordening is dat steeds algemene voorzieningen,
                    waaronder collectief vervoer, het primaat hebben. Bij algemene voorzieningen is
                    geen persoonsgebonden budget mogelijk, waar tegenover staat dat de algemene
                    voorziening een snel te realiseren oplossing biedt en er bij algemene
                    voorzieningen een eenvoudige en lichte toelatingstoets geldt en er bij de
                    verstrekking daarvan nooit een eigen bijdrage wordt gevraagd. Voor alle andere
                    voorzieningen geldt dat er een persoonsgebonden budget kan worden gevraagd.</al><al>Artikel 1. Regels rond verstrekking.</al><al>1.1.Verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de
                    aanvrager. Dit kan bij voorkeur tegelijk met de aanvraag, indien op dat moment
                    al duidelijk is dat de aanvrager dit wenst.</al><al>1.2.Artikel 6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning biedt de gemeente de
                    mogelijkheid om een individuele voorziening niet in de vorm van een pgb te
                    verstrekken, als daartegen overwegende bezwaren bestaan. De gemeente moet zelf
                    definiëren of zij van deze mogelijkheid gebruik wil maken en in welke situatie
                    er sprake is van dergelijke overwegende bezwaren.Artikel 1.2 van het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning vermeldt dat de gemeente een pgb zal omzetten
                    naar levering in natura, als de cliënt geen verantwoording over de besteding van
                    een pgb indient of het pgb niet inzet voor het inkopen van huishoudelijke
                    verzorging.</al><al>1.3.Dit artikellid bepaalt dat bepaalde roerende woonvoorzieningen bij voorkeur
                    in natura en in bruikleen worden aangeboden, om te voorkomen dat er sprake zal
                    zijn van kapitaalvernietiging.Deze verstrekking en het niet bieden van een keuze
                    voor een persoongebonden budget hangt samen met het vormen van een depot en de
                    daarmee samenhangende herverstrekking.</al><al>1.4.De sportrolstoel is een voorziening die meegenomen wordt vanuit de Wvg
                    zonder dat deze sportrolstoel in de Wvg of in de Wmo wordt genoemd. De
                    sportrolstoel is een bovenwettelijke voorziening, in de Wvg opgenomen naar
                    aanleiding van een verzoek van de Tweede Kamer. Daarom wordt de
                    verstrekkingwijze, zoals toegepast bij de Wvg, voortgezet, hetgeen betekent dat
                    een sportrolstoel alleen verstrekt wordt als een financiële tegemoetkoming. Dit
                    bedrag is niet kostendekkend en dient beschouwd te worden als tegemoetkoming in
                    de kosten van aanschaf en onderhoud voor een periode van drie jaar. Na drie jaar
                    kan opnieuw een financiële tegemoetkoming worden toegekend.</al><al>1.5 en 1.6Artikel 1.5 stelt dat de pgb-houder verantwoording zal
                    afleggen.Artikel 1.5 A stelt dat het servicebureau verantwoording zal
                    afleggen.Artikel 1.6 stelt dat bij pgb’s tot 10.000 euro per jaar, het college
                    steekproefgewijs zal controleren of de pgb-houder inderdaad verantwoording heeft
                    afgelegd (het daarvoor bedoelde formulier heeft teruggestuurd volgens de
                    voorgeschreven procedure) en het pgb ook op de juiste wijze heeft ingezet. Bij
                    pgb’s die hoger zijn dan 10.000 euro per jaar zal het college altijd
                    controleren.</al><al>1.7Artikel 1.7 bepaalt dat de budgethouder over het aantal ingekochte uren
                    verantwoording dient af te leggen. De budgethouder ontvangt jaarlijks bij
                    aanvang een budget welke gebaseerd is op het aantal geïndiceerde uren
                    huishoudelijke hulp. Bij de verantwoording wordt het aantal ingekochte uren
                    huishoudelijke hulp verantwoord.</al><al>Hoofdstuk 2. Eigen bijdragen, eigen aandeel en besparingsbijdrage.</al><al>Artikel 2. Omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel.</al><al>De gemeente heeft besloten een eigen bijdrage te gaan heffen over de hulp in de
                    huishouding. De gemeente houdt zich daarbij aan de kaders en de grenzen die het
                    Rijk heeft gesteld met de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB).</al><al>De AMvB onderscheidt vier groepen:• ongehuwde personen, jonger dan 65 jaar•
                    ongehuwde personen van 65 jaar en ouder• gehuwde personen indien één van beiden
                    jonger is dan 65 jaar• gehuwde personen die beide 65 jaar of ouder zijn</al><al>Artikel 2 van het besluit maatschappelijke ondersteuning noemt, in navolging van
                    de AMvB, voor deze groepen een verschillende nominale eigen bijdrage. Vanaf 120%
                    van het sociaal minimum per groep, wordt een inkomensafhankelijke eigen bijdrage
                    geheven van maximaal 15% van het verschil tussen het inkomen en het sociaal
                    minimum per groep van 120%. Het inkomen dat hier bedoeld wordt is het
                    verzamelinkomen.</al><al>Het sociaal minimum per groep is verschillend. De minima zijn gebaseerd op de
                    belastbare inkomens van de verschillende groepen. Het sociaal minimum van de
                    groep die 65 jaar of ouder is, ligt bijvoorbeeld lager dan de groep die jonger
                    is dan 65 jaar. Dit komt omdat de groep die 65 jaar of ouder is in een gunstiger
                    belasting regime valt en dus netto meer overhoudt dan de groep die jonger is dan
                    65 jaar.</al><al>De hoogte van de bedragen en de percentages zijn overgenomen van de AMvB.</al><al>Hoofdstuk 3. Hulp bij het huishouden.</al><al>Artikel 3. Persoonsgebonden budget Hulp bij het Huishouden</al><al>In artikel 3.1 wordt aangegeven hoe het persoonsgebonden budget voor de hulp bij
                    het huishouden wordt vastgesteld. Er is een pgb mogelijk voor zowel niveau 1 als
                    voor niveau 2.</al><al>Het uurbedrag PGB bedraagt voor HH1 € 14,95 en voor HH2 € 18,02Het uurbedrag
                    PGB-A zoals bedoeld in 1.5 A bedraagt € 16,00</al><al>Een PGB wordt gebaseerd op het aantal geïndiceerde uren. Het budget wordt als
                    volgt bepaald: Het aantal uur per week maal het uurtarief, behorende bij de
                    indicatie, gedeeld door 7 dagen maal het aantal kalenderdagen in een jaar.</al><al>Er zijn twee categorieën van hulp bij het huishouden gedefinieerd:Categorie 1.
                    Huishoudelijke werkzaamheden Veel cliënten hebben hulp nodig in de huishouding
                    voor het schoonmaken van het huis. Voor deze categorie cliënten gelden de
                    volgende functies: • lichte en zware schoonmaakwerkzaamheden;• verzorging
                    kleding en linnengoed;• boodschappen doen voor dagelijks leven;•
                    maaltijdverzorging.Categorie 2. Huishoudelijke werkzaamheden, aangevuld met
                    organisatie van het huishouden en hulp bij een ontregeld huishouden.Een deel van
                    de cliënten heeft additionele hulp nodig bij het organiseren van het huishouden.
                    Deze wordt vastgesteld op basis van de indicatiestelling en kunnen onder meer
                    (tijdelijk) bestaan uit de volgende functies:• opvang en/of verzorging van
                    kinderen/volwassen huisgenoten• helpen met zelfverzorging• helpen met
                    maaltijdbereiding• dagelijkse organisatie van het huishouden• instructie, advies
                    en voorlichting gericht op het huishouden• eenvoudige psychosociale hulp en
                    observatie</al><al>Om te bepalen in welke categorie de cliënt valt, wordt gebruik gemaakt van de
                    Richtlijn normering Hulp bij het Huishouden, welke is opgenomen in de
                    beleidsregels.</al><al>3.2De klant ontvangt een pgb waar de eigen bijdrage niet is afgetrokken.</al><al>Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen</al><al>Artikel 4. Berekening financiële tegemoetkoming.</al><al>In artikel 4, lid 1 is geregeld hoe de financiële tegemoetkoming minus het eigen
                    aandeel of het persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening wordt
                    vastgesteld.Het gaat daarbij om de in de offerte opgenomen kosten, voor zover
                    deze door het college zijn geaccepteerd. De offerte moet inzicht geven in de
                    opbouw van de daarin vermelde kosten. Te denken valt hierbij aan de kosten van
                    bouw, maar ook aan eventuele kosten architect, kosten van vergunningen en kosten
                    van toezicht.</al><al>Artikel 4.2 en 4.3 (verhuiskostenvergoeding en maximumbedrag bij bezoekbaar
                    maken woning) behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Artikel 4.4 bepaald wanneer en welk deel van de waardestijging moet worden
                    terugbetaald, voor zover deze waardestijging een rechtreeks effect is van de
                    gesubsidieerde woningaanpassingen</al><al>Hoofdstuk 5. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</al><al>Artikel 5. Bedrag Persoonsgebonden budget vervoermiddel.</al><al>Dit artikel legt de hoogte van een PGB vast voor een vervoermiddel. De betaling
                    van het PGB verloopt als volgt:a. het bedrag als bedoeld in artikel 5 lid a
                    wordt voor 60% bij voorschot verstrekt. Het overige wordt uitgekeerd na
                    ontvangst van de factuur. b. het bedrag als bedoeld in artikel 5 lid c wordt
                    gedeeld door 7 jaar, namelijk de minimale gebruiksduur van de voorziening, en
                    per jaar gedurende het gebruik van de voorziening met een maximum van 7 jaar,
                    uitgekeerd.</al><al>Artikel 6. Auto; algemeen gebruikelijk.</al><al>Dit artikel legt vast vanaf welke grens de auto algemeen gebruikelijk wordt
                    geacht.</al><al>Artikel 7. Auto: taxikostenvergoeding.</al><al>Dit artikel legt de bedragen vast voor de autokostenvergoeding, de
                    taxikostenvergoeding en de vergoeding van de rolstoeltaxi. Onder welke
                    voorwaarden deze bedragen worden toegekend, volgt uit de Verordening
                    maatschappelijke ondersteuninggemeente Veere en wordt in de beleidsregels verder
                    uitgewerkt.</al><al>Hoofdstuk 6. Verplaatsen in en rond de woning.</al><al>Artikel 8. Persoonsgebonden budget Rolstoel</al><al>Dit artikel legt de hoogte van een PGB vast voor een rolstoel.De betaling van
                    het PGB verloopt als volgt:c. het bedrag als bedoeld in artikel 5 lid a wordt
                    voor 60% bij voorschot verstrekt. Het overige wordt uitgekeerd na ontvangst van
                    de factuur. d. het bedrag als bedoeld in artikel 5 lid c wordt gedeeld door 7
                    jaar, namelijk de minimale gebruiksduur van de voorziening, en per jaar
                    gedurende het gebruik van de voorziening met een maximum van 7 jaar,
                    uitgekeerd.</al><al>Hoofdstuk 7. Advisering en samenhangende afstemming.</al><al>Artikel 9. Verplicht medisch advies.</al><al>De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere bepaalt in artikel
                    32 lid 2 in welke gevallen extern advies gevraagd kan worden. Wanneer het een
                    aanvrager betreft die nog niet eerder een aanvraag in het kader van de
                    verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere heeft ingediend en het
                    een voorziening betreft waarvan de kosten naar verwachting hoger zijn dan €
                    5.000 dan zal er advies worden gevraagd. Dit geldt niet voor hulp bij het
                    huishouden.</al><al>In de volgende gevallen zal doorgaans om extern advies worden gevraagd: a.
                    collectief vervoer met een bijzondere vervoerswijze;b. eerste aanvraag voor
                    financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten;c. eerste aanvraag van een
                    elektrische rolstoel;d. technische vervangingsaanvraag van een niet geveerde
                    scootermobiel, waarbij gevraagd wordt een geveerde scootermobiel te
                    verstrekken;e. een niet algemeen gebruikelijk vervoermiddel met hulpmotor;f.
                    technische vervangingsaanvraag van een driewielfiets, waarbij gevraagd wordt een
                    driewielfiets met hulpmotor te verstrekken;g. begeleidersbediening [zowel de
                    aanvrager als de persoon die zich niet in staat acht de rolstoel te duwen,
                    worden door de arts beoordeeld];h. een eerste aanvraag van een tillift;i. een
                    eerste aanvraag van een complexe bad-, douche- of toiletvoorziening; j. medisch
                    moeilijk opjectiveerbare aandoeningen (MMOA’s: fibromyalgie, ME/CVS, Whiplash,
                    RSI, bekkeninstabiliteit, dystrofie);k. bij discrepantie tussen de door de
                    aanvrager aangevoerde en de door de indicatiesteller geobjectiveerde
                    beperkingen;l. bij voorgenomen afwijzing op medische gronden.</al><al>Artikel 10. Samenhangende afstemming.</al><al>De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning bepaalt in artikel
                    33 dat in dit Besluit bepaald moet worden op welke wijze de verkrijging van
                    individuele voorzieningen samenhangend wordt afgestemd op de situatie van de
                    aanvrager. Bij deze eisen is aangesloten bij de eisen die het
                    Zorgindicatiebesluit stelt ten aanzien van het onderzoek inzake de AWBZ.
                    Hierdoor is enerzijds de samenhang met de AWBZ gewaarborgd, maar wordt
                    anderzijds ook een ruime hoeveelheid informatie vergaard waarmee het college een
                    zorgvuldig, op de individuele situatie af te stemmen besluit kan nemen. </al><al/><al>Bijlage bij artikel 6Wmo inkomensgrenzen o.b.v WWBPeildatum 01-07-2010</al><al>De Wmo inkomensgrenzen bepalen vanaf welk bedrag een auto of met een auto
                    vergelijkbare voorzieningenals algemeen gebruikelijk beschouwd wordt. </al><table summary=""><title/><tgroup cols="5"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><colspec colname="col4"/><colspec colname="col5"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Netto bijstand incl max toeslag</al></entry><entry><al>Inkomensgrens Wmo* netto per maand</al></entry><entry><al>bruto bijstand per jaar</al></entry><entry><al>Inkomensgrens Wmo* verzamleinkomen per jaar</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>alleenstaand</al></entry><entry><al>€ 867,47</al></entry><entry><al>€ 1.301,12</al></entry><entry><al>€ 14.890,00</al></entry><entry><al>€ 22.335,00</al></entry></row><row><entry><al>een ouder</al></entry><entry><al>€ 1.115,24</al></entry><entry><al>€ 1.672,86</al></entry><entry><al>€ 18.510,00</al></entry><entry><al>€ 27.765,00</al></entry></row><row><entry><al>echtpaar</al></entry><entry><al>€ 1.239,15</al></entry><entry><al>€ 1.858,73</al></entry><entry><al>€ 19.380,00</al></entry><entry><al>€ 29.070,00</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>alleenstaand</al></entry><entry><al>€ 953,48</al></entry><entry><al>€ 1.430,22</al></entry><entry><al>€ 13.290,00</al></entry><entry><al>€ 19.935,00</al></entry></row><row><entry><al>een ouder</al></entry><entry><al>€ 1.197,89</al></entry><entry><al>€ 1.796,84</al></entry><entry><al>€ 16.740,00</al></entry><entry><al>€ 25.110,00</al></entry></row><row><entry><al>gehuwd beide 65+</al></entry><entry><al>€ 1.310,68</al></entry><entry><al>€ 1.966,02</al></entry><entry><al>€ 18.160,00</al></entry><entry><al>€ 27.240,00</al></entry></row><row><entry><al>gehuwd een 65+</al></entry><entry><al>€ 1.310,68</al></entry><entry><al>€ 1.966,02</al></entry><entry><al>€ 18.160,00</al></entry><entry><al>€ 27.240,00</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>alleenstaand</al></entry><entry><al>€ 317,73</al></entry><entry><al>€ 476,60</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>gehuwd</al></entry><entry><al> € 506,12</al></entry><entry><al> € 759,18</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al> * De inkomensgrens ligt op 1,5 maal het norminkomen</al><al>De netto inkomensgrens per maand kan enkel gebruikt worden bij een vast inkomen
                    per maand, zoals wanneer iemand in de bijstand zit of AOW, WAO en pensioen. Door
                    middel van bankafschriften (of loonstrook WWB) kan het netto maandinkomen worden
                    vastgesteld. Bij personen jonger dan 65 jaar zal er normaliter gekeken worden
                    naar het verzamelinkomen per jaar volgens opgave van de belastingdienst
                    (t-2).</al></bijlage><nota-toelichting><kop><label/><nr>1</nr><titel>Toelichting op de Verordening voorzieningen maatschappelijke
                        ondersteuning gemeente Veere 2010</titel></kop><al>InleidingAan de invoering van de Wmo per 1 januari 2007 is een behandeling
                    voorafgegaan die door de vele amendementen de wet een ander aanzicht heeft
                    gegeven. De consequenties hiervan zijn niet direct te overzien: ook de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning is een wet die verdere invulling behoeft en
                    uiteindelijk door jurisprudentie een duidelijke vorm zal krijgen. Bij de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning is dan bovendien nog sprake van het gegeven dat
                    het kernbegrip van de wet, het zogenaamde compensatiebeginsel, bij amendement
                    aan de wet is toegevoegd, waardoor een begripsomschrijving van dit cruciale
                    begrip ontbreekt, met het gevolg dat de toelichting op het amendement
                    uitgangspunt is voor de vormgeving van dit compensatiebeginsel.De verordening
                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning geeft invulling aan de in de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning gegeven opdracht regels te stellen bij
                    verordening. In deze verordening is vorm gegeven aan het compensatiebeginsel
                    zonder de regels van de Wet voorzieningen gehandicapten en de regels rond de
                    functie huishoudelijke verzorging uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                    (AWBZ) geheel los te laten. Dit is van belang om niet een vacuüm te laten
                    ontstaan. In 2008 is een ontwikkeling op gang gekomen om naar een invulling van
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning te gaan die meer recht doet aan de
                    bedoeling van de wetgever.</al><al>In de verordening is met name uitwerking gegeven aan de artikelen 4, 5, 6, 15,
                    19 en 26 Wmo.In de Wmo komen voorzieningen uit de Welzijnswet en voorzieningen
                    uit de AWBZ en de Wvg bij elkaar. Voorzieningen die tot 1 januari 2007 onder de
                    Welzijnswet vallen en na die datum onder de Wmo, worden als voorliggende
                    voorzieningen aangeboden en worden daarom niet in deze verordening opgenomen. De
                    in deze verordening opgenomen algemene voorzieningen zijn in principe ook als
                    voorliggende voorzieningen te beschouwen, maar omdat de meeste algemene
                    voorzieningen voor het eerst een plaats vinden in deze verordening, zijn zij nog
                    wel benoemd en van een primaat voorzien. Het is niet ondenkbaar dat deze
                    algemene voorzieningen op termijn terug te vinden zullen zijn bij de onbenoemde
                    voorliggende voorzieningen zoals maaltijdvoorziening en personenalarmering.Alle
                    bedragen en bijbehorende regelgeving worden opgenomen in een Besluit.</al><al>Wetswijzigingen Wmo per 1 januari 2010</al><al>Met ingang van 1 januari 2010 wordt de Wmo aangepast. De wetswijziging is
                    beperkt van omvang en bevat de volgende elementen:</al><al>1. De voorheen bestaande keuzemogelijkheid tussen de voorziening in natura en
                    het persoonsgebonden budget wordt aangepast in een keuze tussen het ontvangen
                    van een voorziening in natura, of een vergelijkbaar en toereikend
                    persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een alfahulp; 2. Een
                    geïnformeerde toestemming voor de burger;3. Een overlegbepaling, gericht op
                    overname van personeel van oud-gegunde aanbieders door nieuw-gegunde
                    aanbieders.</al><al>Als de burger ondersteuning in natura wenst, regelt de gemeente de voorziening
                    voor de burger door het sluiten van contracten met een zorgaanbieder. De burger
                    is hiermee uitsluitend de ontvanger van de voorziening en mag op geen enkele
                    wijze worden geconfronteerd met enige verantwoordelijkheid als werkgever of
                    opdrachtgever. Met ingang van de wetswijziging is het uitgesloten dat een
                    zorgaanbieder de voorziening in natura via een alfahulp of een zelfstandige
                    levert als de burger daardoor ongewild werkgever of opdrachtgever wordt.</al><al>Het is belangrijk dat de burger daadwerkelijk weet waarvoor hij kiest. Daarom
                    regelt de wet per 1 januari 2010 expliciet de geïnformeerde toestemming.
                    Gemeenten worden hierdoor verplicht om hun burgers in duidelijke en
                    begrijpelijke bewoordingen te informeren over de consequenties van de keuze die
                    de burger maakt.</al><al>De gevolgen van de wetswijziging voor de verordening zijn beperkt tot de
                    hierboven, onder 1. genoemde keuzemogelijkheid. De onder 2. en 3. genoemde
                    wijzigingen hebben geen invloed op de verordening.</al><al>Algemene toelichtingDe kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt
                    gevormd door het begrip “compensatiebeginsel“. Dit begrip is bij amendement 65
                    in de Wmo opgenomen.Het begrip compensatiebeginsel is afkomstig van de Raad voor
                    de Volksgezondheid en Zorg. In hun briefadvies over de Wmo staat het
                    volgende:</al><al>“Het verdient volgens de Raad aanbeveling om de wettelijke aanspraak op
                    maatschappelijke ondersteuning te relateren aan aard en ernst van de
                    beperking(en) van burgers, door gemeenten te verplichten zorg te dragen voor
                    compensatie van deze beperking(en). En wel zodanig dat de burger met een
                    beperking in een gelijkwaardige uitgangspositie wordt gebracht ten opzichte van
                    de burger zonder beperking(en). De gemeente heeft hierin een
                    resultaatsverplichting. Dit brengt met zich mee dat de gemeente zelf mag bepalen
                    welke voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde doel/resultaat te
                    bereiken. Teneinde tevens recht te doen aan het uitgangspunt dat daar waar
                    mogelijk beroep gedaan wordt op de eigen verantwoordelijkheid van burgers moet
                    het mogelijk zijn om aan de aanspraak op ondersteuning een inkomenstoets te
                    koppelen. Omdat het om maatschappelijke participatie gaat, is dit te
                    rechtvaardigen. Daartoe dienen op centraal niveau regels gesteld te worden.In
                    het licht van de voorgestelde ‘compensatieplicht’ heeft het de voorkeur van
                    deRaad om alleen individuele voorzieningen over te hevelen naar de WMO, zodat
                    dewet een eenduidig karakter kan krijgen. In deze visie blijft naast de WMO een
                    Welzijnswetbestaan, waarin de collectieve (gemeenschapsgerichte) voorzieningen
                    worden ondergebracht. Deze voorzieningen zijn immers algemeen van aard en
                    bedoeld voor iedere ingezetene van de gemeente, ongeacht diens eventuele
                    beperkingen. Voor deze voorzieningen acht de Raad het niet gewenst een
                    wettelijke aanspraak in het leven te roepen. Deze aanbeveling heeft betrekking
                    op het niveau van de aanspraak (c.q. voorziening), niet op het niveau van de
                    uitvoering. Op het tweede niveau kan immers, ook bij een individuele aanspraak
                    (bijvoorbeeld vervoer) een ‘collectieve’ voorziening worden aangewend
                    (bijvoorbeeld openbaar vervoer).Door de aanspraak op ondersteuning niet te
                    verankeren in een verplichting om bepaalde met name te noemen voorzieningen te
                    verstrekken (zorgplicht), maar te omschrijven in termen van het te bereiken
                    resultaat (compensatieplicht), kan onzekerheid ontstaan over wat nu precies als
                    recht geldt. Om die reden is het volgens de Raad noodzakelijk om in de wet zelf
                    op te nemen wanneer sprake is van een gelijkwaardige uitgangspositie van
                    burgers. Dat is immers het resultaat waarop de gemeente, ook in rechte, kan
                    worden aangesproken. Dit betekent dat geoperationaliseerd moet worden wat de
                    termen ‘zelfredzaamheid’ en ‘maatschappelijke participatie’ betekenen: welke
                    activiteiten moet iemand daarvoor tenminste kunnen uitvoeren?Door het te
                    bereiken resultaat (de compensatie) als aangrijpingspunt te nemen is het volgens
                    de Raad niet noodzakelijk in de wet zelf criteria op te nemen voor de
                    indicatiestelling.”Dit begrip is “vertaald” bij amendement en in de wet
                    opgenomen. Het is met name de toelichting op het amendement dat informatie geeft
                    over de bedoeling van de wetgever met het begrip compensatieplicht. De
                    toelichting stelt:“Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te
                    voorzien in met name genoemde producten en diensten strekt het nieuw
                    geformuleerde artikel ertoe de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen
                    om beperkingen in de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een
                    huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per
                    vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in dit
                    verband verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële
                    vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale
                    maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Onder normale deelname aan het
                    maatschappelijke verkeer wordt in ieder geval verstaan het kunnen voeren van een
                    huishouden; het normale gebruik van een woning; het zich in en om de woning
                    kunnen verplaatsen; het zich zodanig kunnen verplaatsen dat aansluiting kan
                    worden gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoerssystemen;
                    het kunnen ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale
                    verbanden om op die manier te kunnen deelnemen aan het lokale
                    sociaal-maatschappelijk leven. Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt
                    de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF
                    classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de
                    behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.De opdracht
                    om compenserende voorzieningen te treffen wordt met dit artikel bij wet gegeven.
                    De normering ervan wordt overeenkomstig de bestuurlijke structuur van de wet op
                    het lokale niveau bepaald met inachtneming van alle bepalingen over de
                    totstandkoming van het lokale beleid en de betrokkenheid van burgers en cliënten
                    daarbij.”Omdat er geen begripsomschrijving van het begrip compensatiebeginsel in
                    het amendement is opgenomen, is in de verordening een begripsomschrijving
                    opgenomen, in artikel 1.1. aanhef en onder b.Het compensatiebeginsel geldt, zo
                    geeft de tekst van artikel 4, lid 1 van de wet aan, voor de onderdelen: a. een
                    huishouden te voeren, b. zich te verplaatsen in en om de woning, c. zich lokaal
                    te verplaatsen per vervoermiddel en d. medemensen te ontmoeten en op basis
                    daarvan sociale verbanden aan te gaan. Uitgaande van een overgang van de drie
                    Wvg-terreinen woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de
                    functie huishoudelijke verzorging uit de AWBZ naar de Wmo worden de onderdelen
                    uit artikel 4 van de wet in deze verordening als volgt uitgewerkt:a. onder het
                    voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen, met name de
                    woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke verzorging, in deze
                    verordening hulp bij het huishouden genoemd;b. zich verplaatsen in en om de
                    woning: de rolstoel inclusief (uitsluitend) de sportrolstoel;c. zich lokaal
                    verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen uit de Wvg;d. het
                    ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale verbanden
                    wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie
                    verstrekkingenterreinen.Deze indeling is in deze verordening terug te vinden in
                    de hoofdstukindeling.</al><al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen ten behoeve van de
                    compensatie "voorzieningen te treffen". De wet stelt dus niet dat het steeds om
                    individuele voorzieningen moet gaan. Om te voorzien in het snel en regelarm
                    treffen van veel voorkomende eenvoudige voorzieningen is in deze verordening het
                    begrip "algemene voorzieningen" opgenomen. Dit type voorziening komt in de Wvg
                    voor onder de noemer “collectief vervoer”. In deze verordening wordt het begrip
                    algemene voorziening geïntroduceerd voor alle onderdelen van het
                    compensatiebeginsel. De mogelijkheid wordt geschapen voor algemene
                    woonvoorzieningen, algemene hulp bij het huishouden, algemene
                    vervoersvoorzieningen en algemene rolstoelvoorzieningen. Wat houden deze
                    algemene voorzieningen in concreto in? Het kan gaan om scootermobielpools,
                    rolstoelen voor incidenteel gebruik (rolstoelpools), collectief vervoer,
                    klussen- en boodschappendiensten, etcetera. Deze opsomming is uitdrukkelijk niet
                    limitatief, aangezien het een nieuw type voorziening betreft, waarvoor de
                    komende jaren nieuwe invullingen zullen ontstaan. Met name op het terrein van
                    hulp bij het huishouden is het een nieuw begrip.Kenmerkend voor algemene
                    voorzieningen is dat de gemeente deze voorzieningen organiseert, inkoopt en ter
                    beschikking stelt, los van of vooruitlopend op individuele aanvragen terzake.
                    Het zal in de regel gaan om steunpunten, depots, pools, waar de betreffende
                    voorzieningen op voorraad worden gehouden, al of niet op wijkniveau. Algemene
                    voorzieningen zullen in de regel met een minimum aan procedures kunnen worden
                    aangeboden: met geen of slechts een lichte toegangstoets en zonder eigen
                    bijdragen.De voordelen van deze algemene voorzieningen zijn een snelle en
                    simpele oplossing van de problemen, zonder bureaucratie en zonder eigen
                    bijdragen. In plaats van de soms complexe advisering wordt in dit kader van het
                    veel lichtere begrip toegangsbeoordeling gebruik gemaakt. Het is uitdrukkelijk
                    niet de bedoeling van deze algemene voorzieningen om daarmee de mogelijkheid van
                    de aanvrager tot het kiezen voor een PGB in te perken.</al><al>De verschillende verstrekkingenterreinen worden in de volgende hoofdstukken
                    behandeld. De laatste hoofdstukken zijn gereserveerd voor procedurele
                    aspecten.Artikelsgewijze toelichting.</al><al>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen.</al><al>Artikel 1. BegripsbepalingenAd a.</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.</al><al>Ad b.</al><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Van Miltenburg c.s. (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2005-2006, 30 131, nr. 65) aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het
                    amendement is geen begripsomschrijving van dit begrip opgenomen. Ook in de wet
                    is daarom geen begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatiebeginsel
                    opgenomen. Daarom staat de begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in de
                    verordening. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies
                    van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’ van het
                    compensatiebeginsel. Voor wat betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is
                    gebruik gemaakt van de toelichting op het amendement, evenals voor wat betreft
                    de termen zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Het onderdeel
                    “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” is afkomstig uit artikel
                    1, lid 1, onder a. van de Wvg.</al><al>Ad c.</al><al>De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International Classification of
                    Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld
                    Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde
                    Naties). Het onder de toelichting op onderdeel 1.2 van dit artikel genoemde
                    amendement-Van Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke
                    uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                    Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                    gevallen vast te stellen.”</al><al>Ad d.</al><al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van
                    de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen
                    waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is
                    vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten het onderdeel “aantoonbare beperkingen
                    ten gevolge van ziekte of gebrek” toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing
                    van de doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft
                    jurisprudentie op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten ten aanzien van
                    dit onderdeel op dit begrip van toepassing.Aan deze formulering is de nieuwe
                    doelgroep “personen met een chronisch psychisch of psychosociaal probleem”
                    toegevoegd. Deze doelgroep is afkomstig uit de AWBZ-regelgeving (Besluit
                    zorgaanspraken).</al><al>Ad. e.</al><al>De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de
                    begripsomschrijving van “mantelzorg” in de wet (artikel 1, lid 1 onder b, van de
                    Wmo).</al><al>Ad f.</al><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder reeds onder a.
                    genoemde amendement-Van Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet
                    heeft toegevoegd.</al><al>Ad g.</al><al>Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f. genoemde, ontleend aan de
                    toelichting op het amendement-Van Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel
                    aan de wet heeft toegevoegd.</al><al>Ad h.</al><al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een
                    minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een
                    scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief
                    vervoer, scootermobielpools, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en
                    voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. De
                    verstrekkingsprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een
                    beperkte toegangsbeoordeling, geen formele beslissing (beschikking) en geen
                    eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende
                    voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk
                    van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt
                    worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op
                    verzoek zal er aan de aanvrager wel een beschikking kunnen worden afgegeven,
                    zodat rechtsbescherming gewaarborgd is.</al><al>Ad i.</al><al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op
                    individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening
                    worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt.
                    Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt
                    uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de aanvrager. Door het
                    college vast te stellen beleidsregels zullen afwegingscriteria geven, verder zal
                    een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang
                    zijn. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een primaat,
                    kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit deze
                    verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen
                    worden tot de groep voorzieningen als maaltijdvoorzieningen en
                    personenalarmering.</al><al>Ad j.</al><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                    kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet. Deze
                    eigen bijdrage kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op
                    basis van artikel 15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere
                    regels kunnen worden gesteld. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt door
                    middel van het vaststellen van het Besluit maatschappelijke ondersteuning. In
                    deze AMvB is bepaald wat de ruimte is die gemeenten hebben voor het vaststellen
                    van een eigen bijdrage en een eigen aandeel, als ze daartoe willen
                    overgaan.</al><al>Ad k.</al><al>Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei
                    financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                    verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                    dienstverlening.</al><al>Ad l.</al><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager onder door het college
                    bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar zijn
                    keuze, waaronder de vergoeding voor dienstverlening aan huis als bedoeld in de
                    zogenaamde “Regeling dienstverlening aan huis.” Nadere uitwerking omtrent de
                    relatie tussen diverse compenserende voorzieningen en daarbij behorende
                    persoonsgebonden budgetten vindt plaats in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Veere.</al><al>Ad m.</al><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Het is niet per se een kostendekkende vergoeding, maar
                    een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten.</al><al>Ad n.</al><al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke
                    overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele
                    situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze
                    voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete
                    situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende
                    maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen
                    gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden
                    aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed
                    worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is
                    de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het
                    gaat daarbij om voorzieningen:- die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;-
                    die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;- die niet aanzienlijk duurder
                    zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel.</al><al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                    “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                    geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning terug, zie hieronder, onder q.</al><al>Ad o.</al><al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”;
                    deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die
                    in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                    beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1,
                    lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de aanvrager
                    vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft
                    deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen
                    noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor
                    een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet
                    gericht.</al><al>Ad p.</al><al>Wanneer een voorziening wordt verstrekt waar een algemeen gebruikelijk deel
                    onderdeel van uitmaakt (er wordt een driewielfiets verstrekt, de fiets is
                    algemeen gebruikelijk en maakt daar onderdeel van uit: men hoeft zelf geen fiets
                    meer te kopen) zou sprake kunnen zijn van besparing: er hoeft immers geen
                    algemeen gebruikelijke voorziening meer aangeschaft te worden. Aangezien
                    verstrekking binnen de wet zich beperkt tot de meerkosten ten gevolge van de
                    handicap, kan in die situatie van de aanvrager het bedrag dat bespaard wordt,
                    gevraagd worden als besparingsbijdrage. Dit is geen vorm van eigen bijdrage of
                    eigen aandeel, zodat de regels daaromtrent niet van toepassing zijn.</al><al>Ad q.</al><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol Gebruikelijke
                    zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling
                    Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de AWBZ-indicatiestelling
                    voor huishoudelijke zorg. De definïëring van het begrip huisgenoot is op enkele
                    punten aangepast om te voorkomen dat problemen die in de AWBZ met dit begrip
                    speelden ook naar de wet overgaan. Zo is in plaats van ‘volwassenen’ de term
                    ‘meerderjarigen’ opgenomen en is het begrip ‘gemeenschappelijke huishouding
                    voeren’ vervangen door het begrip ‘gemeenschappelijk een woning bewonen’.</al><al>Ad r.</al><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip
                    “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking
                    krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient
                    te leggen.</al><al>Artikel 2. Toekenning en weigering van voorzieningenArtikel 2. lid 1.</al><al>Ad a.</al><al>Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de verordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk is, is
                    afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan om twee
                    maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren.
                    Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld
                    aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde situaties dat
                    de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment
                    van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te
                    verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader zal de prognose van
                    groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd zonder de
                    benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van
                    kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de
                    toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een
                    langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of
                    er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende
                    voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat
                    wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast
                    staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in
                    het kader van deze verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep
                    doen op hulpmiddelendepots in het kader van de AWBZ. Uit deze depots kan men
                    twee maal drie maanden een hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden
                    verlengd, zij het dat dan huur is verschuldigd. Waar precies de grens ligt
                    tussen kortdurend en langdurig ligt zal van situatie tot situatie
                    verschillen.</al><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden.</al><al>Ad b.</al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld
                    wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de
                    aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van het
                    adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn,
                    de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling
                    van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening. Het gaat immers om
                    gemeenschapsgeld. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de
                    voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in
                    aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een
                    voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt.
                    Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar
                    product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het
                    kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij
                    een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten.
                    Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die
                    duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is
                    het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat
                    geeft het college sturingsmogelijkheden binnen het beleid.</al><al>Ad c.</al><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd.
                    Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de
                    aanvraag voor een voorziening op grond van de wet.</al><al>Artikel 2. lid 2.</al><al>Ad a.</al><al>De verhoudingsgewijs meest voorkomende reden om een aanvraag af te wijzen, is
                    ‘het ontbreken van een noodzaak om de gevraagde voorziening(en) toe te kennen’.
                    Een dergelijk besluit is altijd gebaseerd op onderzoek deugdelijk
                    onderzoek.</al><al>Ad b.</al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de
                    aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen
                    beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel
                    wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving (de voormalige
                    AAW/WAO, Wet-Rea en Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die
                    is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen in artikel
                    1, onder n. van deze verordening. Wat in een concreet geval algemeen
                    gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de gevraagde
                    voorziening. Daarnaast speelt de -financiële- situatie van de aanvrager een rol,
                    bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag.
                    Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een
                    uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen
                    worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een
                    dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager – mede
                    ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het in
                    diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere
                    uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten
                    vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap
                    immers ook niet gebeuren.</al><al>Ad c.</al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen
                    gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de
                    compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen, hoewel
                    artikel 11 van de wet spreekt over “ingezetenen van de gemeente”. Dit artikel
                    moet opgenomen worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten
                    waar de aanvrager niet feitelijk woont.</al><al>Ad d.In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij
                    na het optreden van een beperking voorzieningen aan. In dergelijke gevallen kan
                    dat leiden tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met
                    zich meebrengt. Voor dergelijke situaties is deze onder e. genoemde bepaling
                    bedoeld.</al><al>Ad e. en f.</al><al>In artikel 2 lid 2, onder e. en f. geeft de verordening een tweetal gronden voor
                    weigering aan. Onder e. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een
                    voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of
                    aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de
                    voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins
                    invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de
                    voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing over
                    de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden
                    gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de
                    aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit
                    genomen over de te treffen voorziening.Door deze regeling wordt voorkomen dat
                    een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt
                    met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Het
                    college kan bijvoorbeeld ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte
                    van de aanvrager gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan
                    te passen woning elders, of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing
                    wellicht niet noodzakelijk is.Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep blijkt dat dit artikel niet zonder meer kan worden toegepast. Wanneer ook
                    na aanschaf c.q. realisering van de voorziening beoordeeld kan worden of deze
                    noodzakelijk is, en zo ja,wat de goedkoopst-adequate voorziening is, en zal zo
                    nodig tot vergoeding moeten worden overgegaan. Pas nadat het college een
                    positieve beschikking voor een verhuiskostenvergoeding heeft gegeven, komt een
                    aanvrager hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en de gemeente
                    een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest adequaat is kan de
                    aanvrager tot verhuizen overgaan. Met deze voorwaarde wordt tevens voorkomen dat
                    de gemeente achteraf, nadat de aanvrager reeds is verhuisd, met een claim voor
                    een verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde gevallen kan het
                    echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de woning anders
                    aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere urgente
                    gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook voldoende. Maar
                    in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk
                    toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het hoeft hier uiteraard niet
                    te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin men bepaalde
                    onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan een verhuizing,
                    zoals het sluiten van een koop- huur- of erfpachtovereenkomst inzake de te
                    betrekken woning.</al><al>Onder f. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden
                    als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                    plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is
                    gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet
                    indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor
                    het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de
                    aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                    verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al><al>Hoofdstuk 2. Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen.</al><al>Artikel 3. Keuzevrijheid.De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij
                    een aanspraak op een individuele voorziening de keuze te bieden tussen een
                    persoonsgebonden budget en een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen
                    overwegende bezwaren bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van een
                    persoonsgebonden budget. Het college kan regels stellen om af te wegen in welke
                    gevallen er sprake is van bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen
                    persoonsgebonden budget te verstrekken.Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog
                    een tweede vorm van keuzevrijheid: namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in
                    natura te kiezen uit meerdere aanbieders. Deze keuzevrijheid wordt niet in deze
                    verordening, maar in het beleidsplan maatschappelijke ondersteuning gemeente
                    Veere uitgewerkt.</al><al>Artikel 4. Voorziening in naturaHet doel van deze bepaling is het vastleggen van
                    de rechten en plichten van het college en de aanvrager. Deze bepaling ziet op de
                    situatie waarin het college eigenaar blijft van de verstrekte naturavoorziening
                    of het college de zorg in natura zelf geregeld heeft. Artikel 10 van de wet
                    stelt weliswaar dat het verlenen van maatschappelijke ondersteuning zo veel
                    mogelijk aan derden moet worden overgelaten, maar als dat redelijkerwijs niet
                    mogelijk is, kan gekozen worden voor het door de gemeente zelf verlenen van de
                    maatschappelijke ondersteuning.Als een voorziening in eigendom wordt verstrekt
                    is een overeenkomst als bedoeld in artikel 4 uiteraard niet nodig.Een
                    alternatieve situatie zou kunnen zijn de situatie waarin het college een derde
                    inschakelt voor verstrekking van naturavoorzieningen en deze derde eigenaar
                    blijft van de te verstrekken voorziening of wanneer het college een derde
                    inschakelt voor het verlenen van zorg. In die situatie dient artikel 4 en de
                    toelichting hierop aangepast te worden.</al><al>Artikel 5. Financiële tegemoetkoming.Om te waarborgen dat de verstrekte
                    financiële tegemoetkoming wordt besteed aan een noodzakelijke voorziening, en
                    niet aan zaken die los staan van de doelen die met de wet worden beoogd, kunnen
                    bij beschikking voorwaarden worden verbonden aan de verstrekking van een
                    tegemoetkoming op grond van de wet. Deze bepaling, die moet worden bezien in
                    relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk 7 van deze verordening, biedt daartoe de
                    mogelijkheid.</al><al>Artikel 6. Persoonsgebonden budget.Het persoonsgebonden budget dient gezien te
                    worden als een manier waarop een toegekende voorziening wordt verstrekt. De
                    onder lid 1, onder a., van dit artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor
                    zich en sluit aan op de bepalingen in artikel 6 en 6a van de wet. Hierin is
                    vastgelegd dat alleen bij toekenning van individuele voorzieningen in beginsel
                    de keuze voor een toereikend en (met een naturavoorziening) vergelijkbaar
                    persoonsgebonden budget moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen niet
                    onder deze eis.Onder b. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget
                    is afgeleid van de tegenwaarde van de te verstrekken naturavoorziening. Er moet
                    immers een referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan worden
                    gebaseerd. Uitzondering op laatstgenoemde regel is het persoonsgebonden budget
                    voor de vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld artikel 5 lid 2 van de
                    Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat per 1 januari 2010 wordt opgenomen in de
                    wet. Deze vergoeding kan immers naar zijn aard niet worden gerelateerd aan de
                    kosten van een naturavoorziening.</al><al>Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de
                    instandhoudingskosten (onderhoud en reparatie) van de voorziening. Maar het kan
                    ook gaan om een aanvulling voor servicekosten en verzekering bij een vergoeding
                    voor een arbeidsverhouding als bedoeld artikel 5 lid 2 van de Wet op de
                    loonbelasting 1964 voor dienstverlening aan huis. Voor de diverse soorten
                    voorzieningen zal een nadere regeling moeten worden gegeven in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere, dat door het college moet worden
                    vastgesteld. Lid 1, onder c. bepaalt dat het college de omvang van een
                    persoonsgebonden budget bepaalt. Het zal immers gaan om een veelheid van
                    verschillende persoonsgebonden budgetten voor verschillende voorzieningen.
                    Daarbij zullen, ter bevordering van de rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen
                    noodzakelijk zijn. Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere en de beleidsregels.</al><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                    persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om de
                    periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke
                    beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd. De gemeente houdt rekening
                    met de financiële omstandigheden van de aanvrager bij het vaststellen van het
                    moment van overmaken van het budget.</al><al>In lid 3 is neergelegd de algemene eis dat er een program van eisen wordt
                    vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden
                    budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het program van eisen is dus een
                    belangrijk document; als niet aan het program van eisen wordt voldaan kan dat
                    gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende budget.</al><al>Lid 4 van artikel 6 regelt tenslotte de feitelijke betaling van het
                    persoonsgebonden budget. Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen
                    door het college nadere regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan betaling
                    in termijnen, bijvoorbeeld bij hulp bij het huishouden of in situaties waarin er
                    twijfels zijn over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële risico’s voor de
                    gemeente worden beperkt en worden aanvragers minder snel geconfronteerd met hoge
                    terugvorderingbedragen.</al><al>Indien de aanvrager het persoonsgebonden budget wenst te laten overmaken op het
                    de rekening van een derde, bijvoorbeeld op die van een servicebureau voor beheer
                    van persoonsgebonden budgetten, kunnen er tegen deze derde overwegende bezwaren
                    zijn. In een dergelijk geval kunnen burgemeester en wethouders op basis van dit
                    artikellid weigeren het persoonsgebonden budget op het opgegeven rekeningnummer
                    te storten.</al><al>Lid 5. De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige
                    besteding van gelden op grond van de wet, en heeft ook zelf de bevoegdheid om
                    vast te stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers hun
                    persoonsgebonden budgets besteden conform de toekenningsvoorwaarden. Het is dus
                    aan de raad en het college om te bepalen hoe die controle plaatsvindt en daarbij
                    de afweging te maken tussen volledige controle en steekproefsgewijze controle.In
                    dit lid is de steekproefsgewijze controle opgenomen, waarbij een bepaald
                    gedeelte van de toegekende persoongebonden budgetten wordt gecontroleerd via het
                    opvragen van gegevens bij de budgethouders. Mocht uit de controle blijken dat er
                    aanleiding is het toegekende persoonsgebonden budget van de budgethouder terug
                    te vorderen, dan dient de in hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden
                    gevolgd.</al><al>Ook zou door gemeenten gekozen kunnen worden voor de volledige
                    controlemogelijkheid. Afhankelijk van de vraag waarvoor het persoonsgebonden
                    budget is bedoeld en de wijze waarop de noodzakelijke voorziening is verkregen,
                    worden bepaalde bewijsstukken opgevraagd bij de budgethouder. Een factuur is
                    nodig in situaties waarin voorzieningen zijn aangeschaft bij een leverancier,
                    bijvoorbeeld een rolstoel of een scootermobiel. Een betalingsbewijs kan van
                    belang kan zijn in situaties waarin er geen nota is, bijvoorbeeld bij een
                    tweedehands aankoop bij een particulier of uitbetaling aan een dienstverlener,
                    bijvoorbeeld iemand die hulp bij het huishouden heeft verleend. Een
                    salarisadministratie kan noodzakelijk zijn in situaties waarin men iemand in
                    dienst heeft genomen voor het verrichten van hulp bij het huishouden.Ook bij
                    deze keuze geldt: mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het
                    toegekende persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan
                    dient de in hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd.</al><al>Artikel 7. Eigen bijdragen en eigen aandeel. Artikel 15 van de wet biedt de
                    mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen in natura of een
                    persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19 van de wet biedt
                    de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te stemmen op het
                    inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het
                    zogeheten eigen aandeel. In dit artikel stelt de raad vast van deze mogelijkheid
                    gebruik te maken, zoals opgedragen in artikel 15 lid 1 van de wet. Bovendien
                    wordt bepaald dat de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het college in het
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning wordt vastgelegd. De Raad heeft hierbij
                    ingevolge de Algemene Maatregel van Bestuur de mogelijkheid binnen de grenzen
                    die de Algemene Maatregel van Bestuur stelt de verschillende bedragen vast te
                    stellen. Deze afwijkende bedragen kunnen in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Veere worden opgenomen.Het is de bedoeling van de
                    wetgever geweest dat bij aanvragen door of ten behoeve van personen jonger dan
                    18 jaar geen eigen bijdragen, maar ook geen eigen aandeel verschuldigd is.
                    Hoewel dit ten aanzien van het eigen aandeel niet als zodanig is geformuleerd,
                    ligt het voor de hand hierin één lijn te trekken.</al><al>Hoofdstuk 3. Hulp bij het huishouden.</al><al>Artikel 8. Vormen van hulp bij het huishouden. In artikel 4 lid 1 van de wet
                    wordt het college opgedragen om voorzieningen aan te bieden ter ondersteuning
                    van het voeren van een huishouden. In deze verordening wordt dit onderdeel
                    opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3 van deze verordening gaat het om
                    de voorziening “hulp bij het huishouden”, in hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen”
                    . Bij het interpreteren van het begrip “voeren van een huishouden” is er van
                    uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan hebben aan hulp bij het huishouden
                    indien dat huishouden in een voor hem geschikte woning is gesitueerd. Vandaar
                    dat de onder de Wet voorzieningen gehandicapten bestaande woonvoorzieningen
                    onder dit begrip zijn gebracht. Onder de AWBZ werd gesproken van de functie
                    huishoudelijke verzorging. Om aan te geven dat onder de Wmo sprake is van een
                    eigen begrip wordt in deze verordening het begrip ‘hulp bij het huishouden’
                    geïntroduceerd.Hulp bij het huishouden kan in drie vormen als voorziening worden
                    aangeboden. Onder a. wordt genoemd de algemene voorziening; een snelle en
                    eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor
                    gemeente en aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare
                    hulp bij het huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt, met name voor
                    eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte.
                    Het is aan een gemeente om te bezien of zij deze vorm van hulp bij het
                    huishouden in hun verstrekkingenpakket wil opnemen. Onder b. wordt genoemd de
                    hulp bij het huishouden in natura. Ook hier gaat het om een vorm van
                    persoonlijke dienstverlening, net als bij de onder a. genoemde vorm. Het
                    verschil zit echter in de toekenningsprocedure, die meer op de persoon is
                    afgestemd, en in de regel meer geschikt zal zijn voor de wat grotere en
                    langduriger behoefte aan hulp.Onder c. is genoemd het persoonsgebonden budget
                    (pgb) voor hulp bij het huishouden. Met dit pgb moet de aanvrager zelf hulp
                    inhuren.</al><al>Artikel 9. Primaat van de algemene hulp bij het huishouden.In artikel 9 lid 1
                    wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men gebruik kan maken van een
                    algemene voorziening voor hulp bij het huishouden, indien deze in de gemeente
                    voorhanden is. In aanmerking komen in eerste instantie personen met een
                    aantoonbare beperking ten gevolge van ziekte of gebrek. Verder komen in
                    aanmerking mantelzorgers in het kader van de zogenaamde ‘respijtzorg’, dat wil
                    zeggen dat de noodzaak aanwezig is om mantelzorgers te ontlasten. Nota bene: het
                    is daarbij niet de bedoeling van de wetgever dat het huishouden van de
                    mantelzorger wordt overgenomen, maar overname van het huishouden van degene die
                    de mantelzorg ontvangt is wel degelijk mogelijk.Algemeen aangeboden hulp bij het
                    huishouden is in de vorm van een primaat in deze verordening neergelegd. Dat
                    houdt in dat in eerste instantie wordt bezien of deze vorm van hulp bij het
                    huishouden het probleem op adequate wijze kan oplossen.</al><al>Als de in het vorige lid genoemde algemene voorziening onvoldoende adequaat is
                    of niet aanwezig is, komt de individuele voorziening voor hulp bij het
                    huishouden aan de orde. Lid 2 moet dus in samenhang met lid 1 worden gelezen. De
                    individuele voorziening kan bestaan uit een voorziening in natura of uit een
                    persoongebonden budget. Het college bepaalt wanneer iemand voor een
                    persoonsgebonden budget in aanmerking kan komen. Deze criteria zijn vastgelegd
                    in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere.</al><al>Artikel 10. Gebruikelijke zorg.Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij
                    het huishouden wordt allereerst bezien of en in hoeverre eventueel andere
                    personen binnen de leefeenheid zelf de problemen kunnen oplossen. Deze
                    ontwikkeling is al onder de AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het
                    midden van de jaren ’90 van de vorige eeuw. Voorzover de ondervonden problemen
                    door middel van dergelijke gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen
                    aanspraak op hulp bij het huishouden. In de door het college vast te stellen
                    beleidsregels wordt bepaald hoe er rekening wordt gehouden met gebruikelijke
                    zorg bij het vaststellen van een aanspraak op een voorziening voor hulp bij het
                    huishouden.Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat een
                    beroep op gebruikelijke zorg hoge eisen stelt aan het onderzoek dat aan een
                    besluit voorafgaat. Indien het verstrekkingenbeleid dit bepaalt zullen
                    bijvoorbeeld de betreffende huisgenoten gehoord moeten worden. Ook de zogenaamde
                    dreigende overbelasting zal nauwkeurig onderzocht dienen te worden, waarbij het
                    oordeel van een adviserend arts vaak niet zal kunnen ontbreken.</al><al>Artikel 11. Omvang van de hulp bij het huishouden.Omdat hulp bij het huishouden
                    uiteindelijk altijd in de vorm van dienstverlening zal worden verstrekt, moet de
                    omvang in uren worden vastgesteld.</al><al>Er kan ook een andere keuze gemaakt worden. In de AWBZ werd tot de invoering van
                    de wet geïndiceerd in klassen. Klassen zijn te vergelijken met standaardporties.
                    Elke klasse is gekoppeld aan minimaal en een maximaal aantal uren per week
                    binnen een vaste bandbreedte. Indien men bijvoorbeeld een indicatie heeft voor
                    1,5 uur hulp, wordt men ingedeeld in klasse 1. Mocht de behoefte aan hulp van de
                    aanvrager enigszins stijgen of dalen binnen de bandbreedte van de toegekende
                    klasse, dan hoeft daarvoor niet opnieuw geïndiceerd en beschikt te worden. Voor
                    de gemeente is dat een administratief voordeel, voor aanvragers ook. Materieel
                    kan het voor aanvragers binnen de speelruimte van de klasse echter enigszins
                    negatief of positief uitpakken, afhankelijk van de daadwerkelijk noodzakelijke
                    uren zorg. Als die zorgbehoefte, uitgedrukt in uren, zich onderaan de
                    bandbreedte bevindt, is men voordelig uit; is de behoefte aan uren gelegen vlak
                    onder het plafond van de klasse, is het voordeel minder. Zolang de objectief
                    vastgestelde behoefte echter binnen de bandbreedte blijft, is er sprake van een
                    toereikende voorziening. Voor zover hulp bij het huishouden nodig is die klasse
                    6 overstijgt, is het mogelijk additionele uren aan deze hoogste klasse toe te
                    voegen.</al><al>In het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere wordt door het
                    college jaarlijks het uurbedrag vastgelegd.</al><al>Artikel 12. Omvang van het persoonsgebonden budget.Deze bepaling spreekt voor
                    zich en sluit nauw aan op de keuze voor het werken met uren, genoemd in artikel
                    11. Jaarlijkse vastlegging houdt verband met prijsindexering, zoals genoemd in
                    artikel 38. Wanneer in klassen wordt geïndiceerd moet de tekst hierop worden
                    aangepast.</al><al>Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen.</al><al>Artikel 13. Woonvoorzieningen.De woonvoorziening kan worden verstrekt in vier
                    hoofdvormen:Ad a. de algemene woonvoorziening. Hierbij moet worden gedacht aan
                    een mogelijkheid om snel oplossingen voor vaak minder complexe woonproblemen te
                    krijgen. Te denken valt aan klussendiensten, snel beschikbare voorzieningen uit
                    depot en mogelijk andere, nog te ontwikkelen voorzieningen;Ad b. een
                    woonvoorziening in natura. Dergelijke woonvoorzieningen worden niet in de vorm
                    van een financiële tegemoetkoming -op individuele basis- verstrekt, bijvoorbeeld
                    de losse tillift of een douchestoel;Ad c. het persoonsgebonden budget,
                    bijvoorbeeld een verhuiskostenvergoeding;Ad d. de financiële tegemoetkoming voor
                    woningeigenaren die niet zelf huren en soms ookrechtspersoon zijn. Deze
                    financiële tegemoetkoming wordt genoemd in artikel 7 lid 2 en artikel 19 van de
                    wet.</al><al>Artikel 14. Primaat collectieve woonvoorzieningen en recht op
                    individuelewoonvoorzieningen.</al><al>In eerste instantie zal worden bezien of een probleem bij het normale gebruik
                    van de woning (de zogenaamde “elementaire woonfuncties”) kan worden opgelost met
                    een algemene voorziening. Deze voorziening heeft voorrang bij het zoeken naar
                    een oplossing voor een voor de wet relevant woonprobleem, dus een probleem bij
                    het normale gebruik van de woning, zie de toelichting op het amendement dat
                    leidde tot artikel 4 van de wet (amendement-Van Miltenburg c.s., Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2005-2006, 30 131, nr. 65).</al><al>Als een algemene voorziening niet volstaat als oplossing ofwel niet aanwezig is
                    in de gemeente, moet het probleem middels een individuele voorziening worden
                    opgelost; dat kan zijn een woonvoorziening in natura of een persoonsgebonden
                    budget.</al><al>Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding is, volgens de
                    Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, alleen bedoeld voor
                    situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband staan
                    met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten woning zelf.
                    Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast et cetera
                    zijn dus niet van belang. Deze algemene eis uit de Wvg-jurisprudentie is daarom
                    opgenomen in lid 3 van dit artikel</al><al>Artikel 15. Soorten woonvoorzieningen.Ad a.</al><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en
                    inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper
                    aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning . Het college maakt de
                    afweging tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en een
                    woningaanpassing. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed
                    mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de
                    gemeente.</al><al>Ad b en c.</al><al>Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing van de
                    woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                    aanzien van de bewoner met een beperking. Onder een woonvoorziening waarbij geen
                    sprake is van een ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de praktijk
                    met name een persoonsgebonden budget voor woningsanering i.v.m. COPD/CARA
                    verstaan worden. Ook kan onder deze categorie worden begrepen hulpmiddelen voor
                    baden, wassen en douchen welke niet nagelvast aan de woning zijn bevestigd,
                    alsmede mobiele patiëntenliften. Deze laatste twee categorieën roerende
                    woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een voorziening in natura worden
                    verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur, zodat hergebruik mogelijk is.</al><al>Ad d.</al><al>De uitraasruimte werd in de Wet voorzieningen gehandicapten expliciet genoemd
                    als woonvoorziening, in de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt deze
                    voorziening niet genoemd. Omdat met de Wet maatschappelijke ondersteuning echter
                    niet wordt beoogd om het beleidsterrein ten opzichte van de vervallen Wet
                    voorzieningen inhoudelijk te verbreden, noch om dat te versmallen, is de
                    uitraasruimte als woonvoorziening opgenomen. Een uitraasruimte is een ruimte die
                    op basis van het vervallen artikel 1, lid 1, onder e. van de Wet voorzieningen
                    gehandicapten kan worden gedefinieerd als een verblijfsruimte, waarin een
                    persoon die tengevolge van een beperking in de vorm van een ernstige
                    gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust
                    kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die alleen op basis van een
                    specifieke noodzaak en op basis van een specifieke beperking kan worden
                    verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en prikkelarme
                    ruimte.</al><al>Artikel 16. Primaat van de verhuizing en uitraasruimte.Al onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een aanvraag voor een
                    woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning een
                    oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. Dit
                    primaat van de verhuizing blijkt uit de samenhang tussen de leden a. en b. van
                    artikel 16.</al><al>In feite gaat het bij het primaat van de verhuizing om een specifieke toepassing
                    van de algemene regel dat in beginsel wordt gekozen voor de goedkoopst adequate
                    voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van het primaat van de verhuizing
                    is onder de Wet voorzieningen gehandicapten in de jurisprudentie erkend, zij het
                    dat wel enkele duidelijke voorwaarden zijn gesteld. In de eerste plaats moeten
                    de financiële gevolgen van de verhuizing voor de woonlasten binnen aanvaardbare
                    financiële grenzen vallen, een eis die ook onder de wet gesteld kan worden.
                    Verder moet duidelijk zijn dat de oplossing in de vorm van een verhuizing kan
                    worden gerealiseerd binnen een uit het advies blijkende medisch verantwoorde
                    termijn. Dat houdt dus in dat het college zicht moet hebben op de woningvoorraad
                    om een indicatie te kunnen geven van de mogelijkheden om binnen die medisch
                    verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een geschikte aangepaste of
                    goedkoper aan te passen woning. Ook diverse andere relevante aspecten, nader uit
                    te werken in de gemeentelijke beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de situatie
                    een rol spelen bij de afweging omtrent het toepassen van het primaat van de
                    verhuizing in een concreet geval.</al><al>De in lid 3 genoemde uitraasruimte was onder de Wvg in de wet genoemd, in de Wmo
                    is niet dat meer het geval. Omdat de Wmo de Wvg opvolgt is het nodig de
                    uitraasruimte elders, namelijk in de verordening te regelen. In artikel 16 lid 3
                    is geregeld dat de uitraasruimte bedoeld is voor een specifieke groep
                    gehandicapten, met specifieke problemen. Het gaat bij de uitraasruimte, bij
                    wijze van uitzondering, niet om het compenseren van problemen bij het normale
                    gebruik van de woning, maar om het tot rust komen. De uitraasruimte is dus geen
                    zogenaamde snoezelkamer. De uitraaskamer is evenmin bedoeld om overlast voor
                    huisgenoten te beperken.Artikel 17. Primaat van de losse woonunit.</al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten konden gemeenten woningaanpassingen
                    duurder dan € 20.420,-- onder bepaalde voorwaarden declareren bij het Ministerie
                    van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning vervalt deze mogelijkheid en zullen de kosten voor eigen rekening
                    van de gemeente komen. Als het gaat om grote aanpassingen aan huurwoningen die
                    opnieuw kunnen worden verhuurd voor de huisvesting van mensen met beperkingen,
                    kan de investering over een langere periode afgeschreven worden. In gevallen
                    waarin dat niet speelt, wordt in principe uitgegaan van het primaat van losse
                    woonunits. In situaties waarin de mogelijkheid in de concrete situaties bestaat,
                    wordt aan gebruik van een dergelijke unit voorrang gegeven middels deze
                    bepaling.</al><al>Artikel 18. Uitsluitingen.Een persoonsgebonden budget of een financiële
                    tegemoetkoming voor het treffen van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het
                    woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op
                    de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Een uitzondering zijn
                    aanpassingen aan woonschepen en binnenschepen; deze komen weinig voor en worden
                    apart geregeld in het verstrekkingenbeleid. Verder worden geen woonvoorzieningen
                    verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen voor ouderen of
                    gehandicapten. Hetzelfde geldt indien voorzieningen in dergelijke gebouwen (ook
                    in de wooneenheden) bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten
                    kunnen worden meegenomen. Het gaat daarbij om het (ook voor rolstoelgebonden
                    personen) toe- en doorgankelijk maken van de gemeenschappelijke ruimten en de
                    woningen, het op een laag niveau aangebracht zijn van de bedieningselementen, de
                    aanwezigheid van een douche (in plaats van een ligbad) en een stallingsruimte
                    voor scootermobielen als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Er is daarom
                    geen gemeentelijke verantwoordelijkheid aanwezig voor het doen aanbrengen of
                    aanpassen van deze voorzieningen. Wel is er een mogelijkheid voor het
                    verstrekken van douchestoelen, tilliften, opdrukbeugels, hoekbeugels en lange
                    handgrepen vanaf 100 cm (dus beugels die niet algemeen gebruikelijk zijn), e.d.
                    aan (toekomstige) bewoners van deze voor ouderen en gehandicapten bestemde
                    woongebouwen.</al><al>Artikel 19. Hoofdverblijf.In tegenstelling tot de Wet voorzieningen
                    gehandicapten wordt in de wet niet expliciet vermeld dat de gemeentelijke
                    compensatieplicht alleen geldt voor de inwoners van de gemeente. Artikel 11 van
                    de wet geeft echter wel een aanwijzing in die richting door vermelding van
                    “ingezetenen van de gemeente”. Een ander aanknopingspunt voor de regel dat
                    alleen inwoners van een bepaalde gemeente in aanmerking komen voor (individuele)
                    Wmo-voorzieningen is het feit dat er met de wet geen inhoudelijke uitbreiding
                    van de werking van de Wet voorzieningen gehandicapten is beoogd.</al><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie (Gba) uitsluitsel.
                    Voor bepaalde zorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders
                    kunnen aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de voorziening daadwerkelijk
                    verblijft heeft de verplichting tot compensatie van beperkingen. In het geval
                    van AWBZ-bewoners heeft deze verplichting geen betrekking op de
                    woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de zinsnede 'of zal hebben' op te nemen
                    voor situaties waarin de aanvrager naar een andere gemeente wil verhuizen en in
                    die gemeente een woning wil laten bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk
                    wordt betrokken, zie ook artikel 20, onder b.</al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren AWBZ-bewoners uitgesloten van het
                    recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke uitzondering hierop werd door
                    gemeenten gemaakt voor het zogenaamde bezoekbaar maken van een woonruimte voor
                    bezoek aan ouders of andere familieleden. Deze bovenwettelijke uitzondering was
                    alleen gebaseerd op de gemeentelijke verordening. Omdat met de wet niet wordt
                    beoogd om de omvang van de onder de Wet voorzieningen gehandicapten geregelde
                    zorgplicht in te krimpen of uit te breiden, is de optie van het bezoekbaar maken
                    ook weer in de verordening opgenomen in artikel 19. Verdere verplichtingen dan
                    hier genoemd in de verordening heeft de gemeente derhalve niet. “Bezoekbaar
                    maken” wordt in de verordening daarom gelimiteerd tot het bereikbaar maken van
                    de woonruimte zelf en enkele essentiële ruimten daarin, en kan bovendien in
                    financiële zin worden gemaximeerd, zie lid 4. Onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten werd hiervoor vaak wordt een bedrag gehanteerd dat gelijk was aan
                    het bedrag voor een verhuiskostenvergoeding.</al><al>Artikel 20. Beperkingen.Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er
                    een duidelijke samenhang zijn tussen de in de eigen woonruimte (en de toegang
                    daartoe) ondervonden woonproblemen en de beperking die men heeft. Aanvragen voor
                    woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere factoren dan die beperking,
                    kunnen worden geweigerd op grond van artikel 20.</al><al>Ad a.</al><al>Onder a. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                    weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de
                    verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de
                    ondervonden woonproblemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op
                    situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat
                    men daar zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten
                    “belangrijke reden”. Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege
                    samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders.</al><al>Ad. b.</al><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                    beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de
                    bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening
                    voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens
                    niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare
                    handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het
                    tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie ook artikel 19, lid 1,
                    waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in de betreffende
                    woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben”. Voor de toepassing van deze
                    weigeringsgrond geldt dat ook de gemeente ervoor zal moeten zorgen zicht te
                    hebben op de aangepaste of makkelijk aan te passen woningvoorraad, niet alleen
                    sociale huurwoningen, maar ook in de vrije sector en zonodig het
                    koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente haar burgers goed moeten
                    informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan
                    worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is verhuisd naar de voor zijn situatie
                    meest geschikte woning.</al><al>Ad c.</al><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in hoofdzaak zijn
                    gericht op het individu en op diens eigen woonruimte, worden in beginsel geen
                    voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Evenals
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold, zijn er uitzonderingen gemaakt
                    voor de in de verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten.
                    De opsomming is limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden
                    verstrekt dan er in de verordening is genoemd. Toegankelijkheidsproblemen zullen
                    dan in de regel wel op andere wijze gecompenseerd moeten worden, mogelijk door
                    toepassing van het primaat van de verhuizing.</al><al>Ad d.</al><al>Onder d. wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen. Veel verhuizingen
                    zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de beperking die men
                    heeft. Te denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk huis naar een
                    zelfstandige woonruimte, verhuizing van senioren naar een kleinere woning, omdat
                    de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en kinderen reeds zelfstandig
                    wonen.</al><al>Mogelijk kunnen in bepaalde situaties ook andere voorzieningen dan
                    verhuiskostenvergoedingen geweigerd worden op basis van deze bepaling. Daarbij
                    moet worden gedacht aan situaties waarin gemeenten ouderen tijdig wijzen op de
                    eigen verantwoordelijkheid en naar de mogelijkheid om een woning te zoeken die
                    bij de leeftijd past. Als men dan, ondanks het feit dat men ondubbelzinnig is
                    gewezen op de eigen verantwoordelijkheid en de mogelijkheden er zijn, desondanks
                    geen maatregelen neemt en men komt in een ongeschikte woning voor voorzienbare
                    woonproblemen te staan, dan kunnen ook andere woonvoorzieningen dan
                    verhuiskostenvergoedingen worden geweigerd. De grondslag voor deze bepaling is
                    gelegen in artikel 4 lid 2 Wmo, waarin wordt gesteld dat geen recht op
                    maatschappelijke ondersteuning bestaat voorzover men zelf in staat is om
                    oplossingen te realiseren. In dit geval gaat het om preventieve oplossingen voor
                    voorzienbare problemen. Deze verordeningsbepaling is uiteraard alleen toepasbaar
                    als gemeenten ook een beleid hebben ontwikkeld en toepassen om de Wmo-doelgroep
                    intensief en gericht te informeren en als er daadwerkelijk alternatieven
                    aanwezig zijn om woonproblemen te voorkomen.</al><al>Jurisprudentie zal zich uiteraard op dit punt nog moeten ontwikkelen.</al><al>Ad e.</al><al>In feite gaat het bij verhuizing vanuit het ouderlijk huis of vanuit een
                    vergelijkbare situatie naar een zelfstandige woonruimte om een algemeen
                    gebruikelijke verhuizing. Een dergelijke verhuizing staat dus op zichzelf los
                    van de beperkingen die men heeft. Ook zal verhuisd moeten worden naar een zo
                    adequaat mogelijke woning. Voorzieningen aan de woning waarheen vanuit het
                    ouderlijk huis wordt verhuisd zijn uiteraard wel mogelijk, mits verhuisd is naar
                    de op dat moment beschikbare meest geschikte woning.</al><al>Ad f.</al><al>Woningen die niet geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen kunnen ook niet –
                    als hoofdverblijf – adequaat gemaakt worden. Daarvoor zal dus per definitie geen
                    woonvoorziening worden verstrekt; aanpassen leidt niet tot een adequate situatie
                    en verhuizen vanuit een dergelijke woning naar een woning die wel geschikt is om
                    het gehele jaar te bewonen kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Ook
                    zonder handicap zal men immers moeten verhuizen naar een woning de wel het
                    gehele jaar bewoonbaar is.</al><al>Ad g.</al><al>De Wmo is onder meer gericht op het behoud c.q. het bevorderen van de
                    zelfstandigheid en is als opvolger van de Wvg ook bedoeld voor mensen die nog
                    zelfstandig kunnen blijven wonen. Op het moment dat men verhuist naar een
                    AWBZ-instelling, valt men feitelijk buiten de Wmo-doelgroep, omdat het, ook met
                    ondersteuning, niet meer mogelijk is zelfstandig een huishouden te voeren.</al><al>Ad h.</al><al>Werden in de verlaten woonruimte geen problemen ondervonden met het normale
                    gebruik van de woning dan was er geen in de handicap, in relatie tot de
                    bouwkundige staat van de woning, gelegen oorzaak voor de verhuizing en is er
                    geen ruimte voor een verhuiskostenvergoeding.</al><al>Ad i.</al><al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de verordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor
                    problemen zorgen. Het is daarbij zaak onderscheid te maken tussen de
                    constructie, waarbij een bepaald materiaal is toegepast, en de aard van het
                    gebruikte materiaal zelf.</al><al>Ad j.</al><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit.
                    Het gaat daarbij om minimumeisen. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau
                    worden verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere grotere of
                    andere voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing
                    derhalve. Garages bijvoorbeeld vallen daarom niet onder dit niveau. Alleen in
                    die gevallen dat bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden
                    gesteld, kan het college hierop een uitzondering maken. Over de hiermee gepaard
                    gaande kosten moeten in een concrete situatie afspraken gemaakt worden.</al><al>Artikel 21. Terugbetaling bij verkoop.</al><al>De verordening Wet voorzieningen gehandicapten bevatte een zogenaamde
                    anti-speculatiebepaling. Deze bepaling komt in deze verordening terug en heeft
                    als doel het door de eigenaar laten terugbetalen van een deel van de
                    waardestijging, die het gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op grond
                    van de wet. De datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum
                    reeds vaststaat wat de verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde ten
                    gevolge van de aanpassing is. Het is aan het college om te bepalen of en in
                    hoeverre in een concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt,
                    aangezien er een afweging dient plaats te vinden tussen de kosten van het
                    effectueren van deze bepaling (taxatie, administratieve lasten) in relatie tot
                    de te verwachten baten.</al><al>Hoofdstuk 5. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</al><al>Artikel 22. Vormen van te verstrekken voorzieningen.Ad a.</al><al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten heeft ontwikkeld. Naast het collectief vervoer kan ook worden
                    gedacht aan de mogelijkheden voor het opzetten van scootermobielpools, zoals in
                    sommige verzorgingshuizen al op basis van de Wet voorzieningen gehandicapten
                    gebeurde.</al><al>Ad b.</al><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                    vervoermiddelen, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten. In de
                    beleidsregels c.q. het verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke
                    voorwaarden men voor een bepaald soort voorziening in aanmerking komt.</al><al>Ad c.</al><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten is
                    het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het
                    persoonsgebonden budget door het college wordt in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Veere uitgewerkt.</al><al>Artikel 23. Het recht op een algemene voorziening.Door deze formulering is
                    bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van de persoon in relatie tot de
                    beperkingen van de bestaande vervoerssystemen bepalend zijn voor de vraag of, en
                    zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor een voorziening
                    terzake.</al><al>Algemene criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel zijn
                    het ten gevolge van een beperking niet kunnen bereiken of kunnen gebruiken van
                    het openbaar vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen
                    gehandicapten voorafgaande AAW en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken
                    naar de loopafstand van een aanvrager (de bekende 800-metergrens).Doordat de
                    streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking niet
                    toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische
                    problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn
                    daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet een
                    adequate voorziening getroffen worden. Deze kan wellicht beter gevonden worden
                    buiten de wet, door middel van een therapie waardoor de blokkade opgeheven kan
                    worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan was de
                    problematiek tijdelijk en viel deze derhalve terecht niet onder de wet, bij
                    gebrek aan een langdurige noodzaak. Anders wordt het als blijkt dat het probleem
                    niet therapeutisch opgelost kan worden. Dan is wel een langdurige noodzaak
                    aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden.</al><al>Artikel 24. Het primaat van de collectieve vervoersvoorziening.</al><al>Artikel 24 geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan boven de
                    individuele verstrekkingen zoals genoemd onder b. en c. van artikel 22. Men kan
                    voor individuele verstrekkingen in aanmerking komen: a indien men door de aard
                    van de beperking geen gebruik kan maken van een collectieve vervoersvoorziening
                    of; b indien er geen algemene voorziening aanwezig is.Individuele voorzieningen
                    kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van een collectief systeem
                    verstrekt kunnen worden. Dit is het geval wanneer het collectief systeem de
                    vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak heeft niet volledig dekt.
                    Dit is volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten van bijzonder belang bij mensen die slechts zeer
                    beperkt mobiel zijn (mensen met een loopafstand van maximaal circa 100 meter).
                    Alleen collectief vervoer is voor deze categorie mensen geen adequate
                    voorziening.</al><al>Artikel 25. Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen.Onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten is in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep
                    bepaald dat het stellen van een inkomensgrens voor een forfaitaire
                    tegemoetkoming in vervoerskosten bij een inkomen van 1,5 x de bijstandsnorm niet
                    in strijd was met de geldende zorgplicht. Iemand met een dergelijk inkomen wordt
                    geacht de kosten van het lokaal vervoer of bezit en gebruik van een auto zelf te
                    kunnen dragen. Er is een duidelijke relatie met het begrip “algemeen
                    gebruikelijk”; indirect worden de kosten van vervoer in relatie tot het inkomen
                    algemeen gebruikelijk geacht.</al><al>Middels dit artikel kunnen gemeenten een keuze maken voor het bepalen van de
                    hoogte van het inkomen waarbij een auto en de daarmee samenhangende kosten als
                    algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd.</al><al>Artikel 26. Omvang in gebied en in kilometers.Onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten is de zorgplicht voor vervoer beperkt tot verplaatsingen in het
                    kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving; de wet
                    spreekt nu in artikel 4 lid 1, onder c. over “het zich lokaal verplaatsen per
                    vervoermiddel”. Dit lijkt beperkter te zijn dan de zorgplicht onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten, maar aangezien met de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning niet is beoogd de reikwijdte van de Wet voorzieningen
                    gehandicapten te beperken of uit te breiden, is er geen reden om aan te nemen
                    dat alleen de letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen vallen.
                    Vandaar dat in artikel 26, conform de onder de Wet voorzieningen gehandicapten
                    gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan van de eigen woon- of leefomgeving, met
                    als uitzondering de bovenregionale zorgplicht, zoals die ook in de
                    Wvg-jurisprudentie is omschreven.</al><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten in dat een vervoersvoorziening of een
                    combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis
                    minimaal 1.500-2.000 kilometer af te leggen. Deze jurisprudentie wordt hier
                    vastgelegd, aangezien met de wet niet wordt beoogd de werkingssfeer van de Wet
                    voorzieningen gehandicapten uit te breiden.</al><al>Hoofdstuk 6. Verplaatsen in en rond de woning.</al><al>Artikel 27. Diverse typen rolstoelvoorzieningen.Onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als aparte categorie voorzieningen
                    opgenomen. In de Wet maatschappelijke ondersteuning is dat niet het geval, maar
                    aangezien met deze wet niet wordt beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de
                    voorafgaande Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden of te versmallen,
                    wordt de rolstoel gehandhaafd als de enige voorziening waarmee beperkingen bij
                    het verplaatsen in en rond de woning in het kader van de wet gecompenseerd
                    kunnen worden. Een definitie van een rolstoel is niet te geven, daarom wordt
                    hier onder het begrip “rolstoel” een rolstoel begrepen te worden de rolstoel
                    zoals iedereen die kent. Deze rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch
                    aangedreven zijn. Een (elektrische) trippelstoel wordt niet als rolstoel
                    beschouwd en wordt niet op grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt
                    onder de door de Regeling Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. Een
                    rolstoel kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als
                    voor buiten. Primair doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat
                    lopend verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te verstrekken
                    voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken en krukken niet of
                    onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel
                    vallen eveneens onder de wet.</al><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                    verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                    therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Hierbij
                    valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van zuurstofapparatuur en
                    andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch
                    noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.</al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                    rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel, meestal
                    verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een
                    bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de verordening werd
                    verstrekt.</al><al>Bij artikel 27 is gekozen voor de mogelijkheden een rolstoel in de vorm van een
                    algemene voorziening te verstrekken als het gaat om een rolstoel voor
                    incidenteel gebruik. Deze rolstoelen voor incidenteel gebruik hoefden onder de
                    Wet voorzieningen gehandicapten formeel niet te worden verstrekt, hoewel dat in
                    de praktijk wel vaak gebeurde. Deze mogelijkheid geeft een regeling waarbij wel
                    incidenteel noodzakelijke rolstoelen worden verstrekt, maar dan via een algemene
                    rolstoelvoorziening. Dit is geregeld onder a. Het betreft dan situaties waarbij
                    soms een rolstoel nodig is, terwijl het dagelijks verplaatsen in en om de woning
                    zonder rolstoel plaatsvindt. Het recht op een dergelijke rolstoel kan in die
                    situaties ingevuld worden via een rolstoelpool waarop de betrokkene een beroep
                    op kan doen. Hierdoor wordt voorkomen dat een groot aantal rolstoelen weinig
                    frequent wordt gebruikt. De rolstoelen uit de rolstoelpool worden daarentegen
                    wel frequent gebruikt. Uiteraard moet het daadwerkelijk mogelijk zijn een
                    rolstoel uit de pool te lenen. De pool moet dan ook voldoende geschikte
                    rolstoelen op voorraad hebben. Onder b. en c. betreft het de individuele
                    rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, terwijl onder d. de sportrolstoel wordt
                    genoemd.</al><al>Artikel 28. Incidenteel, dan wel dagelijks rolstoelgebruik en sportrolstoel.In
                    dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel uit een rolstoelpool
                    in aanmerking kan komen als het gaat om incidenteel gebruik van de rolstoel,
                    terwijl een rolstoel in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget
                    verstrekt zal worden als de rolstoel voor het dagelijks zittend verplaatsen in
                    en om de woning langdurig medisch noodzakelijk is. Geen rolstoel wordt verstrekt
                    als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of andere hulpmiddelen een voldoende
                    oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk
                    is, een rolstoel verstrekt worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen,
                    mits het gebruik dagelijks noodzakelijk is. De nadere verstrekkingscriteria
                    worden vastgelegd in de beleidsregels.Indien de rolstoel niet noodzakelijk is
                    voor incidenteel gebruik, maar voor dagelijks zittend verplaatsen in en om de
                    woning kan de rolstoel verstrekt worden als voorziening in natura of als
                    persoonsgebonden budget. Een rolstoel uit de rolstoelpool is dan immers geen
                    adequate voorziening. Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als
                    een persoonsgebonden budget, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel
                    sportbeoefening niet mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip
                    sportrolstoel uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere
                    sportvoorzieningen worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een
                    sportrolstoel zoals een handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet voor
                    het lokaal verplaatsen nodig is.</al><al>Artikel 29. Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners.Recht op een
                    op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat alleen – zo
                    stelt artikel 15 Besluit zorgaanspraken - indien de AWBZ-bewoner zowel de
                    AWBZ-functie “verblijf”, als de functie “behandeling” geniet in één en dezelfde
                    erkende AWBZ-instelling. Als een AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet,
                    is er ook geen recht op een AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een
                    rolstoel moeten worden verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning.</al><al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor
                    de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie
                    “behandeling”als het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende
                    instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende
                    situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden
                    “genoten”, maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor beide
                    AWBZ-functies, maar alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen
                    recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide
                    functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende
                    AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende AWBZ-instellingen,
                    waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning van de andere
                    instelling.</al><al>Hoofdstuk 7. Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                    besluiten.</al><al>Artikel 30. Gebruik aanvraagformulier.In artikel 4:1 van de Algemene wet
                    bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot het geven van een beschikking
                    schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
                    bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling van de kant van de
                    aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden ingediend. Een
                    persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat vanuit de
                    gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt ondernomen. In
                    dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op een daartoe
                    beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De aanvraag in het kader van de wet die
                    niet op het beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend, kan echter niet
                    zonder meer buiten behandeling worden gelaten. De Algemene wet bestuursrecht
                    bepaalt immers dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van de aanvrager en
                    een aanduiding van de beschikking die gevraagd wordt, dient te bevatten en
                    verder ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat een ondertekend
                    formulier, dat overigens niet is ingevuld, geaccepteerd dient te worden als de
                    overige benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor de hand in een
                    dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling van de gegevens.Als de gemeente
                    daar de mogelijkheid toe kent kan een aanvraag ook elektronisch worden
                    ingediend.</al><al>Over het algemeen zal een aanvraag ingediend worden bij de gemeente waar de
                    aanvrager zijn hoofdverblijf heeft. Een uitzondering hierop is geregeld in
                    artikel 19. Voor groepen personen die geen vaste woonplaats hebben (zoals
                    schippers van binnenvaartschepen en kermisexploitanten) geldt dat zij hun
                    aanvraag indienen bij de gemeente waar zij staan ingeschreven of een briefadres
                    hebben.</al><al>Artikel 31. Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.Op basis van het
                    amendement-Mosterd c.s. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006 , nr. 30 131-54)
                    is in artikel 5, lid 2, onder a. van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot
                    individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen
                    en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld.
                    Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2, onder a.
                    ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang van
                    toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot zorgvoorzieningen
                    krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het gebied van wonen is
                    geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde één-loketgedachte. Wetsbepaling en
                    toelichting lopen echter enigszins uit elkaar, omdat in de wetsbepaling
                    “voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten” gebundeld (als vallend onder de AWBZ) worden genoemd,
                    terwijl in de toelichting op het amendement waarop de wetsbepaling is gebaseerd
                    onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ
                    en toegang tot voorzieningen op het gebied van het wonen. Verder wordt er, zoals
                    hierboven al geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt tussen
                    raad en college, slechts “de gemeente” wordt genoemd. Praktisch gezien zal de
                    concrete uitvoering van activiteiten in het zorgloket en de werking ervan een
                    typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus naar zijn aard vallen onder de
                    verantwoordelijkheid van het college. De door de raad vast te stellen
                    verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een loket,waarbij de
                    nadere uitwerking daarvan via het college geregeld moeten worden.</al><al>Artikel 32. Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking.Lid 1 onder a. en b.
                    van dit artikel in de Verordening bepaalt dat het college bevoegd is de
                    aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen op een door
                    het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of
                    ondervragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de
                    beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag.</al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen
                    enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene
                    wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt:
                    een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam
                    onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In tegenstelling tot hetgeen
                    er was bepaald in de Wet voorzieningen gehandicapten is in de wet niet geregeld
                    dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de
                    uitvoering van de wet echter onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer
                    adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de
                    verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer
                    adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, hetgeen een
                    eenduidige vermelding onmogelijk maakt.</al><al>Advies wordt in ieder geval gevraagd wanneer het een eerste aanvraag door de
                    betrokkene betreft. Dit bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of het wellicht om
                    een progressief ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit proces reeds
                    eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan op het moment van
                    de aanvraag nodig lijkt. Doorslaggevend is echter dat vanaf het begin duidelijk
                    geobjectiveerd wordt wat er medisch gezien speelt bij de betrokken aanvrager.
                    Het spreekt voor zich dat bij overgang van AWBZ en Wvg naar deze wet voor
                    diegenen die al een voorziening hadden niet gesproken wordt van eerste aanvraag.
                    Van eerste aanvraag wordt gesproken als een aanvrager in zijn geheel niet bekend
                    is bij deze wet.Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder b., kan
                    uiteraard alleen maar op basis van een medisch advies. Met name wanneer de aard
                    van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies onontbeerlijk; soms kan een
                    op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom van verdere aanvragen,
                    zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij verstrekking van
                    voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de aanvrager en onnodige
                    kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het bijzonder bij een
                    aantal zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare aandoeningen: (m)moa’s.Tot
                    slot vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst wordt geacht. Het
                    zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren valt. Door
                    deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het is
                    verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het
                    oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen
                    spelen.</al><al>Lid 4 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                    zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze bepaling
                    is in de verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement
                    65, waarin staat “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de
                    International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF
                    classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de
                    behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”Mede omdat
                    bij de indicatiestelling van de diverse functies in de Algemene Wet Bijzondere
                    Ziektekosten eveneens van deze classificatie gebruik wordt gemaakt kan het
                    gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen de Algemene Wet Bijzondere
                    Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.</al><al>Lid 5 vertaalt de opdracht van artikel 26 lid 1 van de wet naar de verordening
                    en bepaalt dat de beschikking dient te vermelden op welke wijze de genomen
                    beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en
                    de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een
                    chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.</al><al>Artikel 33. Samenhangende afstemming. In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet
                    is vastgelegd dat de raad in de verordening bepaalt op welke wijze de
                    verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend afgestemd wordt op de
                    situatie van de aanvrager. Deze bepaling is bedoeld om, naast de toepassing van
                    algemene bestuursrechtelijke zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de
                    voorzieningen zelf, vanuit cliëntperspectief, in samenhang te bezien. Evenals
                    het genoemde in de toelichting op artikel 31 van deze verordening, gaat het hier
                    naar zijn aard om uitvoeringsbeleid, vandaar de specifieke
                    onderzoeksverplichting aan het college opgelegd.</al><al>Artikel 34. Wijzigingen in de situatie.Het spreekt voor zich dat wijzigingen in
                    de situatie gemeld dienen te worden in al die gevallen dat zij van invloed zijn
                    op de verstrekte of te verstrekken voorzieningen.</al><al>Artikel 35. Intrekking van een voorzieningDuidelijk is, dat verstrekking van
                    voorzieningen gebonden is aan voorwaarden. Het is in verband met het
                    kenbaarheidvereiste, verwoord in de passage “waarvan redelijkerwijs duidelijk
                    moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op een voorziening”, van groot
                    belang om de beschikkingsvoorwaarden duidelijk te vermelden in een beschikking.
                    Het is daarom raadzaam om een belanghebbende te wijzen op de voorwaarden die het
                    recht op de voorziening met zich meebrengen. Daarnaast is het belangrijk in de
                    beschikking ook expliciet te wijzen op de verplichting om wijzigingen in de
                    situatie aan het college door te geven. Mocht er sprake zijn van een, om wat
                    voor reden dan ook, ten onrechte toegekende voorziening, dan vergemakkelijkt een
                    duidelijke formulering in de beschikking een eventuele beëindiging of
                    terugvordering van (het recht op) een voorziening , omdat de betrokkene zich dan
                    niet kan beroepen op onbekendheid met de feiten.Intrekking kan met terugwerkende
                    kracht, bijvoorbeeld bij het opzettelijk verstrekken van onjuiste gegevens.
                    Beëindiging van het recht op een voorziening is ook aan de orde bij verhuizing
                    naar een andere gemeente en bij overlijden, en gaat in het algemeen in op het
                    moment van of na de beschikking.</al><al>Lid 3 bepaalt dat het college een cliënt wegens misdragingen tijdelijk kan
                    uitsluiten van deelname aan het collectief systeem als bedoeld in artikel 22,
                    onder a, onder nadere, in de Werkafspraken maatschappelijke ondersteuning
                    gemeente Veere bepaalde voorwaarden.</al><al>Lid 4 bepaalt dat het college kan besluiten een in bruikleen verstrekte
                    woonvoorziening in natura in te nemen indien blijkt dat deze voorziening niet of
                    in onvoldoende mate bijdraagt aan het opheffen of het verminderen van de
                    beperkingen van de cliënt bij het normaal gebruik van de woning dan wel indien
                    blijkt dat deze voorziening (vrijwel) niet wordt gebruikt voor de doeleinden
                    waarvoor deze is verstrekt.</al><al>Lid 5 bepaalt dat het college kan besluiten een verstrekte vervoersvoorziening
                    in natura in te nemen indien blijkt dat deze voorziening niet of in onvoldoende
                    mate bijdraagt aan het opheffen of het verminderen van de beperkingen van de
                    cliënt bij het zich lokaal verplaatsen dan wel indien blijkt dat deze
                    voorziening (vrijwel) niet wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze is
                    verstrekt.</al><al>Lid 6 bepaalt dat het college kan besluiten een verstrekte algemene
                    rolstoelvoorziening of een rolstoelvoorziening in natura in te nemen indien
                    blijkt dat deze voorziening niet of in onvoldoende mate bijdraagt aan het
                    opheffen of het verminderen van de beperkingen van de cliënt bij het verplaatsen
                    in en om de woning dan wel indien blijkt dat deze voorziening (vrijwel) niet
                    wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze is verstrekt.</al><al>Artikel 36. TerugvorderingDe wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering
                    van voorzieningen, wat reden is om deze mogelijkheid op te nemen in de
                    verordening, omdat er anders geen juridische basis is om voorzieningen terug te
                    vorderen. Indien er, naar later blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd
                    (voorziening in natura) is, kan het college de voorziening geheel of
                    gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot herziening van het recht op de
                    voorziening en de daaraan gekoppelde terugvordering biedt echter geen
                    executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de Wet werk en bijstand het geval is
                    bij terugvordering. Er is wel sprake van een civielrechtelijke vordering op
                    grond van onverschuldigde betaling waarvoor het Burgerlijk Wetboek, boek 6
                    artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Wanneer deze zaken gaan om een
                    bedrag van € 5.000,- of minder worden ze behandeld door de kantonrechter. Bij de
                    kantonrechter kan in persoon zonder advocaat of zonder andere gemachtigde worden
                    geprocedeerd. Bij een bedrag boven de € 5.000, - komt de zaak voor bij de gewone
                    civiele rechter van de rechtbank. Dan moet men een advocaat inschakelen, en zijn
                    er kosten verbonden.Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid
                    in ieder geval gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de aanvrager
                    sprake is van verwijtbaarheid. Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft
                    verstrekt, bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een
                    voorziening in natura aan de orde zijn wanneer de aanvrager in gebreke blijft
                    zijn eigen bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het
                    is raadzaam vooraf een inschatting te maken van de kosten en te verwachten
                    baten, gezien de mogelijke kosten van een civielrechtelijke procedure. Daarbij
                    moet niet alleen gekeken worden naar de kosten van inschakeling van een
                    procureur, maar ook naar mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten van
                    inschakeling van een deurwaarder.Wanneer blijkt dat een financiële
                    tegemoetkoming of een gemaximeerde vergoeding binnen zes maanden na de
                    uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor
                    deze is verleend, kan deze betaling ook worden teruggevorderd. Het gaat hierbij
                    om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de tegemoetkoming of de vergoeding
                    aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat. Bij woningaanpassingen zal dit in
                    de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling pas dan plaatsvindt nadat de
                    woningaanpassing is uitgevoerd. Artikel 36 is dus niet van toepassing op
                    woningaanpassingen.</al><al>Hoofdstuk 8. Slotbepalingen.</al><al>Artikel 37. Hardheidsclausule.Artikel 37 bepaalt dat het college in bijzondere
                    gevallen ten gunste van de aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze
                    verordening, en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig
                    wordt hierbij advies ingewonnen. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en
                    nooit ten nadele van de betrokken persoon met beperkingen of de eigenaar van de
                    woonruimte. Bij de woningeigenaar, bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht
                    worden aan een situatie waar het van belang is dat een woonruimte ook langer dan
                    zes maanden leeg staat, omdat bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met
                    beperkingen voor wie de aangepaste woning uitermate geschikt is, op het punt
                    staat om uit een revalidatiecentrum te worden ontslagen. In die gevallen kan het
                    doelmatiger zijn om een langere periode een tegemoetkoming in de huurderving te
                    verstrekken. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik
                    maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en
                    niet als een regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook
                    duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt
                    afgeweken.</al><al>Artikel 38. Indexering.Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd
                    in het op de verordening gebaseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning
                    gemeente Veere, te indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze
                    verordening gebaseerde normbedragen vindt plaats volgens het
                    CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. De Algemene Maatregel van Bestuur
                    zoals op 22 mei 2006 naar de Tweede Kamer gezonden bepaalt in artikel 4.5. lid 1
                    dat ook de bedragen van de eigen bijdragen jaarlijks aan de hand van de
                    prijsindex voor de gezinsconsumptie worden gewijzigd bij ministeriële
                    regeling.</al><al>Artikel 39. Evaluatie.Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid
                    periodiek geëvalueerd te worden. Datbeleid omvat zowel het algemene beleid,
                    zoals door de gemeenteraad neergelegd in deverordening, als het
                    uitvoeringsbeleid, dat onder de bevoegdheid van het college isneergelegd in
                    beleidsregels. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld
                    omdathet voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, dient de
                    evaluatie te leiden totaanpassing van de verordening of van de
                    beleidsregels.</al><al>Artikelen 40. en 41 Inwerkingtreding en citeertitel.In artikel 40 zijn opgenomen
                    de datum van inwerkingtreding, de daarmee samenhangende intrekking van een
                    eventuele voorafgaande verordening, alsmede een bepaling waarin, indien van
                    toepassing, overgangsregels kunnen worden opgenomen.</al><al>Artikel 41 bevat de citeertitel, waaronder de verordening kan worden aangehaald.
                    Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>