<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR49614_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Verbinding, 21-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, onderdeel c, en art. 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-10-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Toeslagenverordening Gemeente Heumen</vet></al><al/><al>De Raad van de gemeente Heumen,</al><al>gezien het advies van de Commissie Welzijn,</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van de gemeente
                        Heumen</al><al>gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c en 30 van de Wet werk
                        en bijstand,</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden van 21 jaar of ouder
                        doch jonger dan 65 jaar bij verordening te regelen;</al><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al>vast te stellen de “Toeslagenverordening Wet werk en bijstand
                        2004”</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: a. de wet: de Wet werk en
                                bijstand; b. gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21,
                                onderdeel c, van de wet; c. zorgbehoevende: degene die is aangewezen
                                op verzorging ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                                verzorgingshuis. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In
                                geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen
                                indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing artikel 18,
                                eerste lid, van de wet onverlet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                heeft;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun
                                hoofdverblijf hebben; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft: a. kinderen van 18 tot en met 20 jaar;</al><lijst><li nr="b."><al>kinderen met aanspraak op WSF2000 en Wtos;</al></li><li nr="c."><al>zorgbehoevende die door belanghebbende worden verzorgd;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder die zorgbehoeftig is en de zorg ontvangt van een
                                ander die - evenals de zorgbehoevende - zijn hoofdverblijf heeft in
                                de woning;</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor gehuwden in wier woning één of meer
                                anderen hun hoofdverblijf hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het derde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet blijft achterwege
                                indien één der gehuwden zorgbehoeftig is en de zorg ontvangt van een
                                ander, niet zijnde de echtgeno(o)t(e), die - evenals de
                                zorgbehoevende - zijn hoofdverblijf heeft in de woning;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>1. De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>18 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor belanghebbende geen kosten van huur of
                                    hypotheeklasten verbonden zijn;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond
                                    wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging als bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van
                                    21 jaar betreft;</al></li><li nr="b."><al>5 procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van
                                    22 jaar betreft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de
                                    hoogte van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien
                                    deze toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing
                                    van lid 1 zou leiden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>1. De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 geschiedt zodanig, dat
                            de toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende tenminste
                            bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>35 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande,</al></li><li nr="b."><al>55 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder,</al></li><li nr="c."><al>65 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Indien door toepassing van deze verordening belanghebbende in een
                            slechtere situatie komt te verkeren, dan zal de wijziging van de toeslag
                            of verlaging pas plaatsvinden een half jaar na inwerkingtreding van de
                            verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Toeslagenverordening Wet
                            werk en bijstand 2004”</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel> Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking per 1 januari 2005. Dit
                                        besluit is referendabel op grond van de Tijdelijke
                                        referendumwet. </al></li><li nr="2."><al>De Verordening toeslagen en verlagingen Algemene
                                        bijstandswet wordt ingetrokken per de datum dat de
                                        Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004 in werking
                                        treedt.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004</nr><titel/></kop><al/><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of Awb niet
                    afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook de Verordening moet
                    worden gewijzigd. </al><al>Voor het hanteren van de gehuwdennorm is gekozen, omdat de hoogte van deze norm
                    in de WWB zelf wordt gegeven in artikel 21 onder c WWB. Dit bedrag is feitelijk
                    gelijk aan het netto minimumloon.</al><al>Om een persoon als zorgbehoevende in de zin van de Toeslagenverordening aan te
                    kunnen merken, moet aannemelijk worden gemaakt dat de zorgbehoevende, bij het
                    ontbreken van de verzorging, zou zijn aangewezen op een verpleeg- of
                    verzorgingshuis. Er moet een duidelijke indicatie zijn op grond waarvan de
                    zorgbehoeftigheid kan worden aangenomen, bij voorkeur een verklaring van deze
                    strekking die is afgegeven door een arts. </al><al>Het feit dat een belanghebbende als verzorger van een zorgbehoevende is aan te
                    merken is overigens geen reden om hem te ontheffen van de verplichting om
                    algemeen geaccepteerde arbeid</al><al>te zoeken en te aanvaarden.</al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Hoewel de tekst van de artikelen 26, 27 en 28 WWB ook categoriale verlagingen
                    mogelijk maakt voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar, moet dit niet
                    opportuun geacht worden. De normen van artikel 20 WWB zijn laag vastgesteld,
                    vanwege de onderhoudsplicht van de ouders van</al><al>belanghebbenden. Betreffende ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun
                    onderhoudsplicht door hun kind bij hen in te laten wonen of de huur voor hen te
                    betalen. In dergelijke gevallen zou als het ware 'dubbel gekort' worden als
                    hierdoor ook nog krachtens de Toeslagenverordening de uitkering verlaagd zou
                    worden. Bovendien zou de toepassing van de categoriale verlagingen op
                    belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar de uitvoering van de Toeslagenverordening
                    nodeloos ingewikkeld maken.</al><al>Mocht evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van
                    artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om
                    op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager vast te stellen. In de
                    praktijk zal dit zich gezien de geringe hoogte van de</al><al>jongerennorm niet veelvuldig voordoen, maar te denken valt aan de situatie
                    waarin gehuwden met een kind in een kraakpand wonen. De gehuwdennorm van artikel
                    21 onder c WWB minus de verlaging van 5 onder a van de Toeslagenverordening
                    leidt tot een lager bedrag aan bijstand dan</al><al>de norm van artikel 20 lid 2 onder c WWB. In dergelijke uitzonderlijke situaties
                    moet het college gebruik maken van zijn bevoegdheid tot individualiseren. </al><al>De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college om - zo nodig in
                    afwijking van de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van de
                    bijstand - de bijstand anders vast stellen, als dat gelet op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van belanghebbende opportuun is, volgt uit artikel 30
                    lid 4 WWB. De individualiseringsplicht geldt evenzeer in situaties waarin de
                    Toeslagenverordening niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van de
                    Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan is er voor gekozen om
                    deze plicht expliciet in de</al><al>Toeslagenverordening op te nemen.</al><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30 lid 2 onder a WWB. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                    worden niet van belang. Dat is een</al><al>verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf.</al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van
                    worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft
                    op zijn plaats. In de toeslagen verordening is daarom gekozen voor een toeslag
                    van 10 procent van de gehuwdennorm in het</al><al>geval één of meer anderen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf hebben. </al><al>Het derde lid sluit bepaalde personen uit als degene die in dezelfde woning zijn
                    hoofdverblijf heeft. Inwonende kinderen die niet (meer) in de norm begrepen
                    zijn, maar waarvan niet kan worden verwacht dat ze bijdragen in de kosten vallen
                    onder deze bepaling. </al><al>Aangezien betreffende kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is het aan de
                    alleenstaande (ouder) om zodanige inlichtingen te verstrekken dat kan worden
                    vastgesteld of het onderdeel a en/of b van toepassing is.</al><al>In onderdeel c van het derde lid wordt geregeld dat zorgbehoevenden eveneens
                    niet worden meegeteld als personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf
                    hebben. Uitgangspunt is dat het niet wenselijk is om belanghebbende vanwege deze
                    zorgtaken te confronteren met een lagere toeslag. De achterliggende gedachte
                    hierbij is dat de gemeente het mogelijk wil maken dat iemand die zorgbe-hoeftig
                    is zolang mogelijk zelfstandig kan blijven wonen, waarmee intramurale opname
                    wordt voorkomen. </al><al>In het vierde lid wordt tot uitdrukking gebracht dat ook als belanghébbende
                    zorgbehoeftig is er geen lagere toeslag wordt verstrekt in de situatie dat de
                    zorg wordt verleend door een ander, niet zijnde de echtgenoot, die in dezelfde
                    woning zijn hoofdverblijf heeft. </al><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten
                    de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de
                    woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan nog verder gedeeld</al><al>worden. Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden
                    niet van belang.</al><al>Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf. </al><al>Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm, ongeacht het
                    aantal anderen dat in de woning zijn hoofdverblijf heeft. Evenals bij
                    alleenstaanden wordt vanaf de vierde persoon die in de woning zijn hoofdverblijf
                    heeft geen noemenswaardige vermindering van de algemeen noodzakelijke kosten van
                    het bestaan aanwezig geacht. Daarbij moet ook bedacht worden dat in de praktijk
                    bij meer bewoners van een woning, het ook vaak om een grotere en duurdere woning
                    gaat,</al><al>zodat de feitelijke kosten van het bestaan doorgaans niet lager uitvallen dan in
                    gevallen waarin maar één ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. </al><al>Middels het tweede lid worden bepaalde personen uitgesloten als degene die in de
                    zelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Inwonende kinderen die niet (meer) in de
                    norm begrepen zijn, maar waarvan niet kan worden verwacht dat ze bijdragen in de
                    kosten vallen onder deze bepaling. Zolang kinderen een inkomen hebben dat lager
                    is dan 50% van de gehuwdennorm is een bijdrage in de kosten van het huishouden
                    niet te verwachten.</al><al>Aangezien betreffende kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is het aan de
                    alleenstaande ouder om zodanige inlichtingen te verstrekken dat kan worden
                    vastgesteld of de onderdeel a van toepassing is.</al><al>Ook wordt geregeld dat zorgbehoevenden eveneens niet worden meegeteld als
                    personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt is dat
                    het niet wenselijk is om belanghebbende vanwege deze zorgtaken te confronteren
                    met een lagere toeslag. De achterliggende gedachte hierbij is dat de gemeente
                    het mogelijk wil maken dat iemand die zorgbehoeftig is zolang mogelijk
                    zelfstandig kan blijven wonen, waarmee intramurale opname wordt voorkomen.</al><al>In het derde lid wordt tot uitdrukking gebracht dat ook als belanghébbende
                    zorgbehoeftig is er geen lagere toeslag wordt verstrekt in de situatie dat de
                    zorg wordt verleend door een ander, niet zijnde de echtgenoot, die in dezelfde
                    woning zijn hoofdverblijf heeft. </al><al/><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te
                    verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB is aanvullend
                    bedoeld op de artikelen 25 en 26 WWB.</al><al>Ten opzichte van artikel 35 lid 1 Abw is artikel 27 WWB ruimer. Artikel 35 lid 1
                    Abw voorzag enkel in een verlaging in het geval aan de door belanghebbende
                    bewoonde woning geen woonkosten</al><al>verbonden waren. Blijkens de toelichting op 27 WWB is de verruiming bedoeld om
                    ook ingeval er helemaal geen woning wordt bewoond, een verlaging te kunnen te
                    kunnen toepassen. </al><al>In dit artikel is onder a een verlaging opgenomen voor de situatie dat aan de
                    woning voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het gekozen
                    percentage van 18 procent is het percentage dat algemeen geacht wordt te gelden
                    als de component voor wonen in de bijstandsnorm. Het wordt nodeloos ingewikkeld
                    geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar de mate waarin woonkosten
                    ontbreken. Indien een belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten heeft, kan
                    dat uiteraard wel aanleiding zijn om met toepassing van artikel 18 lid 1 WWB de
                    bijstand lager vast te stellen. In de verordening wordt overigens niet het
                    begrip 'woonkosten' gehanteerd, maar 'kosten van huur of hypotheeklasten'.</al><al>Daarmee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en
                    dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging krachtens dit
                    artikel te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de Centrale
                    Raad van Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip woonkosten in de
                    zin van artikel 35 lid 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW en
                    CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.) </al><al>In onderdeel b wordt de verlaging ingeval er door belanghebbende in het geheel
                    geen woning bewoond vastgesteld op 10 procent van de gehuwdennorm. Dit is in
                    overeenstemming met de toelichting op artikel 27 WWB. Een belanghebbende die
                    geen woning bewoond wordt geacht lagere</al><al>algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben vanwege het ontbreken
                    van woonkosten. Niettemin zijn de kosten van het bestaan niet zoveel lager als
                    voor een belanghebbende die kosteloos woont in een woning. Een dakloze wordt
                    immers geconfronteerd met de hogere kosten van het op straat leven, zoals
                    bijvoorbeeld de kosten van nachtopvang.</al><al>De hoogte van een verlaging krachtens dit artikel heeft geen invloed op de wijze
                    waarop de bijstand verleend moet worden. Indien bijstand verleend wordt aan
                    daklozen, kan het college gebruik maken van zijn bevoegdheid om een
                    budgetteringsplicht op te leggen of de bijstand in natura (in de vorm</al><al>van opvang) te verlenen.</al><al>Overigens geschiedt de verlening van bijstand aan belanghebbenden zonder adres
                    als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie
                    persoonsgegevens op grond van artikel 40 lid 1 en 2 WWB door bij amvb
                    (Bijstandsbesluit adreslozen) aan te wijzen centrumgemeenten. Maar</al><al>niet elke belanghebbende zonder woning is een adresloze in de zin van
                    aangehaalde wet.</al><al>Belanghebbende kan immers ook de beschikking hebben over een postadres bij
                    familie of eeninstantie.</al><al/><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Artikel 29 WWB geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te passen
                    indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een
                    drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon
                    voor een 21-jarige lager is dan dat voor</al><al>een 22-jarige ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere verlaging
                    toe te passen dan voor een 22-jarige.</al><al>In het tweede lid wordt geregeld, dat - overeenkomstig het bepaalde in artikel
                    29 WWB - de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan plaatsvinden op de
                    toeslag van artikel 25 WWB.</al><al/><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                    omstandigheden bij belanghebbende en kunnen elk afzonderlijk als redelijk in
                    betreffende omstandigheden worden</al><al>beschouwd. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen betekenen, dat het college
                    de bijstand vanwege een samenloop van verlagingen dermate laag zou moeten
                    vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van adequate
                    bijstandsverlening. In voorkomende gevallen zou het college op grond van artikel
                    18 lid 1 WWB de bijstand hoger moeten vaststellen. Daarom is er voor gekozen om
                    reeds in de Toeslagenverordening een minimum bedrag vast te leggen, waarop het
                    college de bijstand (inclusief eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet
                    vaststellen.</al><al>Aan de verplichting van artikel 30 lid 2 onder b WWB, dat in de
                    Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlatersverlaging (artikel
                    28 WB) en de leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB) niet gelijktijdig mogen worden
                    toegepast, wordt reeds voldaan door de formulering van</al><al>artikel 7 lid 3 van de Toeslagenverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de Toeslagenverordening
                    bij het college.</al><al/><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>Conform jurisprudentie dienaangaande is in dit artikel een overgangsperiode
                    opgenomen om belanghebbende te laten wennen aan een lagere uitkering.</al><al/><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>Voor de te gebruiken citeertitel is aansluiting gezocht bij de terminologie van
                    de wetgever, als gebruikt in de toelichting bij artikel 3 Invoeringswet WWB (zie
                    TK 2002-2003, 28 960, nr. 3, p. 8).</al><al/><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>De toeslagenverordening is op grond van artikel 8 Tijdelijke referendumwet
                    referendabel. De datum van de inwerkingtreding van de Toeslagenverordening moet
                    daarom, met inachtneming van artikel</al><al>22 Tijdelijke referendumwet, op tenminste 6 weken na datum publicatie gesteld
                    worden.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>