<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR49559_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WIJ 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Grootegast</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-11-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Westerkwartier</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Streekkrant, 02-11-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WIJ 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 12, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 35, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-11-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Toeslagenverordening WIJ 2010</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-18814</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WIJ 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Grootegast,</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester wethouders van 5 oktober 2010;</al><al/><al>gelet op de artikelen 12, eerste lid onderdeel e, en 35, eerste lid van de
                        Wet investeren in jongeren;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van jongeren van 21 jaar of ouder doch jonger dan
                        27 jaar bij verordening te regelen;</al><al>besluit vast te stellen de:</al><al/><al><vet>Toeslagenverordening WIJ 2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet investeren in jongeren en de Algemene wet
                                    bestuursrecht.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>de wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ);</al></li><li nr="b"><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 28, eerste
                                            lid onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="c"><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van de gemeente Grootegast;</al></li><li nr="d"><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel
                                            j, Wet op de huurtoeslag, als mede een woonwagen of
                                            woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, Wet werk
                                            en bijstand; </al></li><li nr="e"><al>woonkosten: </al><lijst><li nr="1)"><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per
                                                  maand geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1,
                                                  onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag; </al></li><li nr="2)"><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot
                                                  een bedrag per maand omgerekende som van de
                                                  verschuldigde hypotheekrente en de in verband met
                                                  het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                                  zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast
                                                  te stellen bedrag voor onderhoud;</al><al/></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar
                            of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Criteria voor het verhogen en verlagen van de norm en toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Alleenstaanden en alleenstaande ouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                    alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                                    hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="2."><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de de alleenstaande
                                    en alleenstaande ouder in wiens woning één ander zijn of haar
                                    hoofdverblijf heeft</al></li><li nr="3."><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 5 procent van de gehuwdennorm voor de de alleenstaande
                                    en alleenstaande ouder in wiens woning twee of meer anderen hun
                                    hoofdverblijf hebben</al></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen
                                    niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning
                                    zijn hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a"><al>kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 23 jaar
                                            met een inkomen;</al></li><li nr="b"><al>meederjarige kinderen met studiefinanciering op grond
                                            van de Wet studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="c"><al>c\meerderjarige kinderen met een tegemoetkoming op grond
                                            van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                            schoolkosten;</al></li><li nr="d"><al>verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden
                                            verzorgd</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging als bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt 10
                                    procent van de gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer
                                    anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning;</al></li><li nr="2."><al>Het vierde lid van artikel 3 is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Geen woonkosten</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor belanghebbende geen woonkosten verbonden zijn;</al></li><li nr="b"><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond
                                    wordt.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Schoolverlaters</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 33 van de wet bedraagt 25% van de
                            gehuwdennorm.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>21 en 22 jarigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging bedoeld in artikel 34 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al>20 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere
                                            van 21 jaar betreft;</al></li><li nr="b"><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere
                                            van 22 jaar betreft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de
                                    hoogte van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien
                                    deze toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing
                                    van lid 1 zou leiden.</al></li><li nr="3."><al>De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een
                                    jongere op wie artikel 6 van toepassing is.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Anti-cumulatiebeding</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende tenminste bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al>35 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b"><al>65 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder;</al></li><li nr="c"><al>75 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 november 2010</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Naamgeving</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening WIJ
                            2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 oktober 2010,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>Artikelsgewijze Toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WIJ of Awb niet
                        afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                        wijziging van betreffende definities in de WIJ of Awb ook de Verordening
                        moet worden gewijzigd.</al><al>Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat de hoogte van
                        deze norm in de WIJ zelf wordt gegeven in artikel 28, eerste lid onder d
                        WIJ. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto minimumloon.</al><al>Evenmin als in de WWB wordt het begrip ‘woning’ in de WIJ omschreven. Gelet
                        op de analogie met de WWB mag aangenomen worden dat daarmee hetzelfde begrip
                        is bedoeld als in de WWB, te weten het begrip ‘woning’, bedoeld in de Wet op
                        de huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als
                        zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige
                        woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden”. </al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor
                        de toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten is bij de
                        begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de Algemene
                        Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was opgenomen. </al><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens verwezen
                        naar artikel 3, zesde lid WWB, waarin deze woonruimtes met een woning worden
                        gelijkgesteld. </al><al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn
                        omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Artikel 2, eerste lid, van de wet omschrijft een jongere als: een hier te
                        lande woonachtige Nederlander (of daarmee gelijkgestelde vreemdeling) van 16
                        jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. Voor de toepassing van deze
                        verordening wordt onder jongeren echter verstaan de jongeren in de leeftijd
                        van 21 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Criteria voor het verhogen en verlagen van de norm en toeslag</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Alleenstaanden en alleenstaande ouders</titel></kop><al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is de gemeenteraad verplicht
                        om te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de
                        alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                        hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm of
                        toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in lid 1.</al><al/><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld
                        dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden
                        (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een
                        gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat niet alle
                        kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats.</al><al/><al>Evenals in de toeslagenverordening WWB is in deze verordening als
                        uitgangspunt gekozen voor de zgn. forfaitaire variant voor het vaststellen
                        van de hoogte van de toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke
                        bestaanskosten en de mate waarin deze in concreto gedeeld worden bepalend
                        zijn voor de hoogte van de toeslag maar de enkele veronderstelling dat het
                        delen van kosten mogelijk is. In de jurisprudentie is de forfaitaire variant
                        algemeen aanvaard (zie bijvoorbeeld CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gehuwden</titel></kop><al>In de gehuwdennorm is al rekening gehouden met het feit dat beide
                        echtgenoten de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar.
                        Indien in de woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de
                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. In
                        de toeslagenverordening is gekozen voor een verlaging van de norm met 5,10
                        of 20 procent van de gehuwdennorm afhankelijk van hoeveel anderen in
                        dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Geen woonkosten</titel></kop><al>Als aan een woning geen woonkosten verbonden zijn, is sprake van lagere
                        bestaanskosten dan in andere gevallen. </al><al/><al>Artikel 32 WIJ opent om die reden de mogelijkheid om de norm of de toeslag
                        te verlagen. Dat is in artikel 5 gerealiseerd. Het bepaalde onder a leidt
                        ertoe dat de norm of toeslag met 20% wordt verlaagd als de jongere geen
                        woonkosten betaalt. Dat kan zich voordoen bij krakers, of als de woonkosten
                        worden betaald door een derde, bijv. de ouders of de ex-partner. </al><al/><al>Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de jongere
                        een eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en de aan het
                        eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar omstandigheden vast te
                        stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en 99/29
                        NABW). </al><al/><al>Wordt de norm of toeslag verlaagd omdat de jongere geen woonkosten heeft en
                        is hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die grond
                        verlaagd wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van verlaging
                        van de uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect van de
                        dubbele verlaging (zie CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698). Op grond van het
                        individualiseringsbeginsel zal de verlaging dan beperkt moeten worden. </al><al> Onder b is bepaald dat als de jongere geen woning bewoont, de norm of
                        toeslag met 10% wordt verlaagd. Deze bepaling ziet op de mogelijkheid om de
                        uitkering van dak- en thuislozen te verlagen, omdat deze lagere
                        bestaanskosten hebben dan jongeren die een woning bewonen. Overigens
                        geschiedt de verlening van bijstand aan jongeren zonder adres als bedoeld in
                        artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op
                        grond van artikel 40 lid 1 en 2 WWB door de gemeente Groningen. Maar niet
                        elke jongere zonder woning is een adresloze in de zin aangehaalde wet. De
                        jongere kan immers ook de beschikking hebben over een postadres bij familie
                        of een instantie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Schoolverlaters</titel></kop><al>Uit de toelichting van artikel 33 WIJ blijkt dat de schoolverlaterkorting
                        bedoeld is om de schoolverlater gedurende het eerste halfjaar niet in een
                        veel betere financiële positie te brengen als toen hij nog aangewezen was op
                        studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens Wtos. Er wordt daarbij
                        geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit-of thuiswonende student.
                        De korting mag alleen plaatsvinden gedurende het eerste halfjaar vanaf de
                        beëindiging van de studie. Dit houdt in dat wanneer de schoolverlater pas na
                        3 maanden van de beëindiging van de studie een uitkering aanvraagt, de
                        korting nog gedurende 3 maanden op de uitkering mag plaatsvinden. De
                        verlaging is dan ook bedoeld als prikkel om de schoolverlater te stimuleren
                        zo snel mogelijk aan het werk te gaan. Als de schoolverlater al een
                        uitkering toegekend krijgt dan moet dat voor een zo’n kort mogelijke periode
                        zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>21 en 22 jarigen</titel></kop><al>Artikel 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te
                        passing indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum
                        jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien
                        het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige
                        ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te
                        passen dan voor een 22-jarige. In het tweede lid wordt geregeld, dat,
                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 34 WIJ, de verlaging voor een 21- of
                        22-jarige alleen kan plaatsvinden op de toeslag van artikel 33 WIJ.</al><al/><al>In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel
                        35, tweede lid, sub b, WIJ om in de verordening vast te stellen dat de
                        schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast met de
                        verlaging voor 21- en 22- jarigen. Voor het met voorrang toepassen van de
                        schoolverlatersverlaging is gekozen, omdat een 21- of 22-jarige
                        schoolverlater niet beter af is op grond van dit artikel dan een 23-jarige
                        schoolverlater op grond van artikel 6 van de toeslagenverordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Anti-cumulatiebeding</titel></kop><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op
                        verschillende omstandigheden bij de jongere en kunnen elk afzonderlijk als
                        redelijk worden aangemerkt. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen
                        betekenen dat het college de inkomensvoorziening vanwege deze samenloop
                        dermate laag zou moeten vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou
                        zijn van een toereikende uitkering. In voorkomende gevallen zou het college
                        op de grond van artikel 35, vierde lid, WIJ de inkomensvoorziening hoger
                        moeten vaststellen. Daarom is er voor gekozen om reeds in de
                        Toeslagenverordening een absoluut minimumbedrag vast te leggen, waarop het
                        college de norm (inclusief eventuele toeslag en verlagingen) ten minste moet
                        vaststellen. Dat laat onverlet dat in concrete omstandigheden het bij
                        samenloop ook denkbaar is dat de norm hoger moet worden vastgesteld. Het
                        individualiseringsbeginsel kan dus met zich meebrengen dat bij samenloop ook
                        bij een een resterende norm die boven de in dit artikel genoemde percentages
                        ligt, al aanleiding is om tot verhoging daarvan over te gaan, gelet op alle
                        omstandigheden van de jongere.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>Dit artikel spreek voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Naamgeving</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Grootegast/i11376.pdf">02-11-10scan raadsbesluit.PDF</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>