<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR49487_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening gemeente Landgraaf 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landgraaf</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landgraaf</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Landgraaf Aktueel 14-07-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening gemeente Landgraaf 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet, art. 12, 15 en 38</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.1 en 2.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-02-10</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening gemeente Landgraaf 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente landgraaf;</al><al>gezien het voorstel van het College van 11 mei 2010;</al><al>gehoord het advies van de commissie Grondzaken d.d. 16 juni 2010;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 15 en 38 van de
                        Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht;</al><al>besluit vast te stellen de volgende <vet>Erfgoedverordening gemeente
                            Landgraaf 2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1. begripsbepalingen</label></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                                    1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="d"><al>Welstands- /Monumentencommissie: de op basis van art.15
                                    Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het College
                                    op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing
                                    van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht, de verordening en het monumentenbeleid;</al></li><li nr="e."><al>gemeentelijke archeologische verwachtings- en cultuurhistorische
                                    advieskaart: topografische kaart van het gemeentelijke
                                    grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische
                                    monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn
                                    aangegeven, waarbij onderscheid wordt gemaakt in hoge,
                                    middelhoge en lage archeologische verwachting;</al></li><li nr="f."><al>landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden:
                                    landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van
                                    geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid
                                    van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt
                                    gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;</al></li><li nr="g."><al>provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart
                                    van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop
                                    archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn
                                    aangegeven;</al></li><li nr="h."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    archeologische waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in
                                    bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                    zijn;</al></li><li nr="i."><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="j."><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="k."><al>lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="l."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="m."><al>programma van eisen: programma dat door het College wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek.</al></li><li nr="n."><al>gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de
                                    archeologische paragraaf van het bestemmingsplan.</al></li><li nr="o."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="p."><al>het College: het College van burgemeester en Wethouders van de
                                    gemeente landgraaf.</al></li><li nr="q."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></li><li nr="r."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 2. AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2. Het gebruik van het monument</label></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het College over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                College advies aan de Welstands- /Monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat het College een monument met een religieuze bestemming dat
                                uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening
                                van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij
                                overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4. Voorbescherming</label></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in
                            artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Welstands- /Monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen
                                acht weken na ontvangst van het verzoek van het College.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies
                                van de Welstands- /Monumentencommissie, maar in ieder geval binnen
                                twintig weken na de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</label></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7. Registratie op de gemeente monumentenlijst</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8. Wijzing van de aanwijzing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het College van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het College de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 3. INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10. Instandhoudingbepaling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
                                        enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het College nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een
                                monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld
                                in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en
                                voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen
                                van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</label></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in twee voud ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12. Termijnen advies</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de Welstands- /Monumenten-commissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen zes weken na de datum van verzending van het afschrift brengt
                                de Welstands- /Monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                College.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13. Weigeringsgronden</label></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Intrekken van de vergunning</label></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 4. BESCHERMDE (RIJKS)MONUMENTEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 15. Vergunning voor beschermd (rijks)monument</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de Welstands- /Monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Welstands- /Monumentencommissie adviseert schriftelijk over de
                                aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het
                                afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 5. INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 16. Instandhoudingbepaling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel
                                1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld
                                in artikel 1, onder h, de bodem dieper dan 40 cm onder de
                                oppervlakte te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is <onderstreept>niet</onderstreept> van
                                toepassing indien;</al><lijst><li nr=" a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch monument of
                                        archeologisch verwachtingsgebied met een lage
                                        verwachtingswaarde als aangegeven op de gemeentelijke
                                        archeologische verwachtings- en cultuurhistorische
                                        advieskaart en:</al><al>-waarbij binnen een straal van 50 m geen archeologische
                                        vindplaats is en;</al><al>-geen bijzondere dataset voorkomt;</al></li><li nr="b."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch monument of
                                        archeologisch verwachtingsgebied met een middelhoge of hoge
                                        verwachtingswaarde als aangegeven op de gemeentelijke
                                        archeologische verwachtings- en cultuurhistorische
                                        advieskaart en:</al><al>-waarbij binnen een straal van 50 m geen archeologische
                                        vindplaats is en;</al><al>-bij historische kernen het te verstoren gebied kleiner is
                                        dan 250 m2; dan wel bij overige (bebouwde en onbebouwde)
                                        gebieden het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500
                                        m2;</al></li><li nr="c."><al>in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="d."><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12,
                                        eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="e."><al>het College nadere regels stelt met betrekking tot de
                                        uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
                                        van een archeologisch monument of archeologisch
                                        verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke
                                        archeologische verwachtings- en cultuurhistorische
                                        advieskaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart;</al></li><li nr="f."><al>een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde
                                        van het te verstoren terrein naar het oordeel van het
                                        bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
                                        blijkt dat:</al><al>-het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate
                                        kan worden geborgd; of</al><al>-de archeologische waarden door de verstoring niet
                                        onevenredig worden geschaad; of</al><al>-in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
                                        zijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17. Opgravingen en begeleiding</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Landgraaf onderzoek
                                wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin
                                van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de
                                overige bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het College een programma van eisen vast te stellen als
                                        bedoeld in artikel 1 onder m, waarbij nadere regels worden
                                        gesteld ten aanzien van het onderzoek.</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                        aanpak als bedoeld in artikel 1 onder l van deze verordening
                                        ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de nadere regels, als bedoeld onder lid 1, sub a, neemt het
                                College bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de
                                feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek
                                dienen aanwijzingen van het College in acht te worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag
                                advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de
                                Archeologische monumentenzorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18. Procedure</label></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 16, tweede lid, onder f, en
                            artikel 17, eerste lid, onder b.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 6. OVERIGE BEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 19.</label></kop><al><vet>Tegemoetkoming in schade</vet></al><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het College nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het College nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 16, tweede lid, onder e;</al></li><li nr="e."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede
                                    volzin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20. Strafbepaling</label></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en
                            artikel 16 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder f
                            van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21. Toezichthouders</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al><lijst><li nr="a."><al>Met betrekking tot zakelijke monumenten als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 1; de buitengewone
                                        opsporingsambtenaren (Boa's) van de gemeente Landgraaf.</al></li><li nr="b."><al>Met betrekking tot monumentale terreinen als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 2; de buitengewone
                                        opsporingsambtenaren (Boa's) van de gemeente Landgraaf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het College van
                                Burgemeester en Wethouders aan gewezen personen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 22. Intrekken oude regeling</label></kop><al>De Monumentenverordening gemeente Landgraaf 1995, vastgesteld door de
                            raad op 22 juni 1995, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23. Overgangsrecht</label></kop><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van
                            deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel
                            22 ingetrokken verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24. Inwerkingtreding</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2010 of indien de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht later in werking treedt, op het
                            latere tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen in werking
                            treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 25. Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening gemeente
                            Landgraaf 2010.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 1 juli
                        2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Nota-toelichting</titel></kop><al/><al>A. ALGEMENE TOELICHTING</al><al>Gelet op de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet op de archeologische
                    monumentenzorg van september 2007, alsmede de feitelijke samenhang tussen
                    monumenten en archeologie, wordt de bestaande monumentenverordening Gemeente
                    Landgraaf 1995 ingetrokken. De Erfgoedverordening gemeente Landgraaf 2010
                    betreft monumenten en archeologie en wordt thans aangehaald als
                    Erfgoedverordening gemeente Landgraaf 2010.</al><al>De instandhoudingbepaling met betrekking tot archeologische terreinen vloeit
                    voort uit de Wet op de archeologische monumentenzorg (tot stand gekomen op grond
                    van het Verdrag van Malta) en komt neer op het feit dat gemeenten hun
                    bestemmingsplannen moeten actualiseren met een archeologische paragraaf, zodat
                    voldoende rekening kan worden gehouden (wat betreft de bescherming) met
                    archeologische waarden en het behoud daarvan. Omdat nog niet alle
                    bestemmingsplannen geactualiseerd zijn, voorziet deze verordening in een
                    overgangssituatie door het College de bevoegdheid te geven nadere regels te
                    stellen voor verstorende activiteiten in een archeologisch monument of
                    verwachtingsgebied. Deze nadere regels kunnen dezelfde regels zijn die gelden
                    indien een aanlegvergunning zou worden aangevraagd op grond van een aangepast
                    bestemmingsplan, waarin wel een archeologische paragraaf is opgenomen.</al><al>De huidige wijziging van de Erfgoedverordening houdt ook verband met de
                    inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor)
                    en de Regeling omgevingsrecht (hierna te noemen: Mor).</al><al/><al><vet>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</vet></al><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                    vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                    project. De meest bekende daarvan zijn:</al><al>de bouwvergunning;</al><al>de aanlegvergunning;</al><al>de sloopvergunning;</al><al>de monumentenvergunning;</al><al>de milieuvergunning;</al><al>de kapvergunning.</al><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening.
                    Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.</al><al><vet>De Wabo en de Erfgoedverordening</vet></al><al>De monumentenvergunning integreert volledig in de omgevingsvergunning, omdat het
                    om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is in artikel 2.2 van de Wabo
                    bepaald dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een krachtens een
                    verordening aangewezen monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in
                    enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op
                    een wijze waarop het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Een extra
                    overweging voor het volledig integreren van de monumentenvergunning in de
                    omgevingsvergunning is dat de verlening van de monumentenvergunning in de
                    praktijk vaak samenliep met de verlening van de bouwvergunning of de
                    aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de instandhoudingsvergunning van
                    archeologische terreinen op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo aan te haken
                    bij de omgevingsvergunning (facultatieve integratie). Zolang gemeentelijke
                    bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’ zijn, kan op deze wijze in de
                    omgevingsvergunning bescherming aan archeologische waarden in de bodem worden
                    geboden bij de realisatie van een fysiek project. </al><al>De erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen. De Wabo
                    ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het College
                    blijft hiervoor het bevoegd gezag. </al><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                    gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald. </al><al/><al/><al><vet>B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al><vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN</vet></al><al><vet>Artikel 1.</vet></al><al><vet>Begripsbepalingen</vet></al><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van
                    Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het
                    beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                    van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime omschrijving
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk monument
                    te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, al op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                    vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard roerend
                    zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van
                    de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het
                    echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te
                    wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van aanvullende
                    regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk
                    monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en
                    handhaving van deze </al><al> regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op
                    de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en
                    artikel 7<cursief>.</cursief></al><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar de
                    Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend
                    monument die is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld
                    register. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit
                    de Wabo van toepassing. </al><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Sinds de komst vande Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk
                    bevoegd orgaan in de gemeente (raad, College en Burgemeester) zelf zijn
                    commissies instellen. De Welstands-/ Monumentencommissie is een commissie die
                    adviseert aan het bevoegd gezag. In de Erfgoedverordening wordt door de raad
                    bepaald dat de Welstands-/ Monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het
                    bevoegd gezag. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van
                    deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een
                    commissie moet regelen die adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen om een
                    omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                    onder f van de Wabo. De wetgever geeft hier dus aan dat het College in dit geval
                    geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het
                    instellen van de monumentencommissie door het College moet door middel van een
                    apart Collegebesluit. De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over
                    de Erfgoedverordening de Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de
                    monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de
                    toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan het
                    vereiste, genoemd in artikel 15 van de Monumentenwet 1988. In de gemeente
                    Landgraaf is de monumentencommissie gecombineerd met de welstandscommissie en
                    heeft als naam; de Welstands-/ Monumentencommissie.</al><al>S<cursief>ub n</cursief></al><al>De gemeentelijke beleidsadvieskaart kan een praktische oplossing bieden in het
                    geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In dat geval
                    kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien
                    blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk
                    archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen.</al><al><cursief>Sub o</cursief></al><al>De hoofdregel op grond van de Wabo is dat het College van Burgemeester en
                    Wethouders van de gemeente waar het project zich in hoofdzaak afspeelt het
                    bevoegd gezag is. </al><al><vet>HOOFDSTUK 2. AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</vet></al><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het College
                    van Burgemeester en Wethouders bevoegd gezag betreffende de aanwijzing van
                    gemeentelijke monumenten.</al><al><vet>Artikel 2.</vet></al><al><vet>Het gebruik van een monument</vet></al><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker zelf
                    aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de
                    ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object zelf. </al><al><vet>Artikel 3.</vet></al><al><vet>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het College. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument. Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden
                    wat betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de
                    monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10,
                    tweede lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid)
                    worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen
                    vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist.
                    Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken, dient bij de
                    aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel
                    en wat niet van het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt
                    aangewezen en voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven.
                    Mogelijke afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare
                    bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor
                    wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen
                    omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het College moet het advies inwinnen van de Welstands- / Monumentencommissie als
                    bedoeld onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan
                    bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en
                    werkwijze van de Welstands- Monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de
                    aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het College over een
                    aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op een
                    monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><al><vet>Artikel 4.</vet></al><al><vet>Voorbescherming</vet></al><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten,
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het College om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument niet mag
                    worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning
                    voor monumenten of anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik
                    van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motivatieplicht, aangezien
                    hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties zijn verbonden.
                    Immers, gedurende de voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden
                    opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het
                    inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6
                    van deze verordening.</al><al><vet>Artikel 5.</vet></al><al><vet>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de Welstands-
                    /Monumentencommissie moet adviseren (lid 1) en het College een beslissing moet
                    nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle
                    belanghebbenden waar ze aan toe zijn.</al><al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de Welstands-
                    /Monumentencommissie niet tijdig adviseert, het College de volgende keuze kan
                    maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te laat
                    uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun overwegingen te
                    betrekken. Als het College niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake
                    van een fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de
                    mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een reëel
                    besluit open zou staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><al><vet>Artikel 6.</vet></al><al><vet>Mededeling aanwijzingsbesluit</vet></al><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving) van het College is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en
                    derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><al><vet>Artikel 7.</vet></al><al><vet>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</vet></al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).</al><al><vet>Artikel 8.</vet></al><al><vet>Wijziging van de aanwijzing</vet></al><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al><vet>Artikel 9.</vet></al><al><vet>Intrekken van de aanwijzing</vet></al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    Welstands- /Monumentencommissie nodig. Monumenten op de gemeentelijke
                    monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of
                    anderszins volledig teloor gegaan), worden door het College van de
                    monumentenlij</al><al>st gehaald. </al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al><vet>HOOFDSTUK 3. INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN</vet></al><al><vet>Artikel 10.</vet></al><al><vet>Instandhoudingbepaling</vet></al><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de beschermde
                    monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het alleen over
                    gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor
                    gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en
                    ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                    4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs
                    elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend
                    met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier. </al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten voor
                    de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn
                    specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot
                    monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen welke
                    indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van
                    deze indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van
                    administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de indieningsvereisten
                    bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te worden. In lid 3 van
                    artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het College om nadere regels te
                    stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod uit het eerste lid
                    en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet alleen op vergunningen
                    en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van nadere regels valt daarom
                    buiten de Wabo. Het College blijft hiervoor het bevoegde gezag. Het zal hierbij
                    over het algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van
                    ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde
                    regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen
                    (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke
                    materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere
                    regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen
                    vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het
                    toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan
                    ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog
                    minder met administratieve lasten worden geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                    uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                    monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van
                    (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd.
                    Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie
                    en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk
                    zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het
                    object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst. Is
                    er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen de
                    eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen de
                    wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat
                    betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling
                    dan ook niet geldt. </al><al><vet>Artikel 11.</vet></al><al><vet>De schriftelijke aanvraag</vet></al><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze </al><al> tussen het digitaal dan we schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning.
                    Voor ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen.
                    Aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde
                    voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met
                    diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee
                    jaren in werking te laten treden. In Landgraaf is er voor gekozen om de aanvraag
                    en de stukken in tweevoud op te vragen.</al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                    aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><al><vet>Artikel 12.</vet></al><al><vet>Termijnen advies en vergunningverlening</vet></al><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. Echter indien er meerdere activiteiten
                    voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten
                    de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg moet
                    worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één
                    procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure geldt de
                    zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure). </al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om
                    deze hieronder nader toe te lichten. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de
                    Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel
                    4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging
                    van het indienen v</al><al>an een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat het de aanvraag
                    heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke
                    procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de beschikbare
                    rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd vermeldt het
                    bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven, indien niet
                    tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en bescheiden
                    onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het bevoegd gezag de
                    aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem gestelde termijn aan
                    te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de
                    ontvangstdatum kennis in een of meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op
                    een andere geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo
                    binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het
                    bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om zienswijzen in
                    te brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond </al><al>van artikel 2.26, derde lid, Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de
                    gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht
                    worden aan de Welstands- /Monumentencommissie.</al><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat de
                    adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is
                    echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil
                    maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit niet in de
                    weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het
                    bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn
                    van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes
                    weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier
                    mededeling te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van
                    6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het
                    uitbrengen van een advies. </al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                    stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                    voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur
                    zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het
                    uitbrengen van het advies door de Welstands- /Monumentencommissie parallel te
                    lopen aan de beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag. Dit parallel
                    lopen van het advies en de beoordeling gebeurt ook al in het kader van de
                    verlening van de evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is
                    vereist. Landgraaf heeft gekozen voor een adviestermijn van 6 weken. </al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                    waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt
                    in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat
                    de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
                    zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en
                    4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van
                    de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het
                    indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op
                    dit bezwaar is beslist. </al><al><vet>Artikel 13.</vet></al><al><vet>Weigeringsgronden</vet></al><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch
                    belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de
                    monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor
                    wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit
                    artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang
                    van de monumentenzorg. </al><al><vet>Artikel 14.</vet></al><al><vet>Intrekken van de vergunning</vet></al><al>Dit artikel bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder lid b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al><vet>HOOFDSTUK 4. BESCHERMDE (RIJKS)MONUMENTEN</vet></al><al><vet>Artikel 15.</vet></al><al><vet> Vergunning voor beschermd (rijks)monumenet</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    beschermde (rijks)monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4
                    van de Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing.
                    Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde (rijks)monumenten van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als
                    bedoeld in artikel 10 (gemeentelijke monumenten) dient namelijk de reguliere
                    procedure gevolgd te worden. Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen
                    wijziging in de voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor
                    beschermde (rijks)monumenten plaats. Door dit onderscheid in procedures is de
                    beslistermijn voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg
                    dat de adviestermijn voor beschermde (rijks)monumenten ook langer zal zijn. Door
                    de komst van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de
                    termijn van ter inzage legging kan een ieder een zi</al><al>enswijze indienen. Voorheen konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen. </al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                    Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                    verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet binnen
                    zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het definitieve
                    besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden ingesteld.</al><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                    invulling te geven. De ingevoerde voorgenomen beperking adviesplicht van de
                    rijksdienst in 2009 is op bovenstaande van invloed. Daarom is de verplichte
                    advisering in verband met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht
                    bij aanvragen om een omgevingsvergunning voor monumenten los gelaten. Alleen
                    wanneer er sprake is van reconstructie, sloop en herbestemming van een beschermd
                    monument is de adviesplicht van toepassing. Ter compensatie van het wegvallen
                    van het advies van de rijksdienst moesten alle gemeenten vanaf 2009 een
                    monumentencommissie aanstellen, die onafhankelijk en deskundig is. Indien het
                    beschermd (rijks)monument buiten de bebouwde kom ligt, is het College van
                    B&amp;W verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen
                    de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan niet tot
                    advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is gewenst dat
                    GS al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet adviseren, zodat de
                    beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden gehaald.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de Welstands- /Monumentencommissie bij
                    de aanvragen om een omgevingsvergunning voor beschermde (rijks)monumenten wordt
                    ingeschakeld.</al><al><vet>HOOFDSTUK 5. INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</vet></al><al><vet>Artikel 16.</vet></al><al><vet>Instandhoudingbepaling</vet></al><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de
                    raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1
                    van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige
                    dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend
                    uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening, is daarom
                    primair dat in het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke
                    archeologische </al><al> waardenkaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in de bodem
                    kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een overgangsperiode
                    tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt deze verordening bij wijze van artikel 16 de nodige bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 16 biedt
                    bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 40 cm de bodem te verstoren. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 16 worden een zestal uitzonderingsmogelijkheden
                    gegeven op het eerste lid. Onderdeel a en b zijn van toepassing, indien de
                    verstoring plaats vindt in een archeologisch monument of verwachtingsgebied als
                    aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en
                    cultuurhistorische advieskaart. Deze waardenkaarten hanteert een driedeling wat
                    betreft de mate waarin archeologische waarden in de bodem kunnen worden
                    aangetroffen. </al><al>Onderdeel c ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als
                    bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                    bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische waardenkaart,
                    voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te verwachten
                    archeologische waarden.</al><al>In onderdeel d worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de Wet
                    ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. Het gaat hier
                    om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse ontheffing, de oude tijdelijke
                    ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing (voorheen de artikelen 3.10, 3.22
                    en 3.23 Wro) Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet Wabo komen te vervallen. </al><al>Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat bij
                    de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot
                    archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de aanvraag
                    kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt overlegd waarin
                    de archeologische waarden van het te verstoren terrein in voldoende mate is
                    vastgesteld. </al><al>Onderdeel f ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel d. Het
                    gaat hier in de eerste plaats om een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van
                    het realiseren van een fysiek project. Er is voor gekozen om deze bepaling dan
                    ook onder de Wabo te laten vallen. Op grond van artikel 18 zijn de bepalingen
                    uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing verklaard op de beoordeling van
                    het rapport door het bevoegd gezag.</al><al>Dit rapport kan ook in de nadere regels onder e worden gevraagd en komt overeen
                    met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988 in geval van
                    een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Malta.</al><al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel e toegelicht. Op grond van dit
                    artikel kan het College nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de
                    uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologisch monument
                    of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’ bestemmingsplan´
                    kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie dat (in een
                    bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende
                    werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning, waarin
                    vereisten betreffende de </al><al> bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen, een en ander conform de
                    handreiking van de VNG ‘Verder met Valletta’.</al><al><vet>Artikel 17.</vet></al><al><vet>Opgraving en begeleiding</vet></al><al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                    functioneren, indien een gemeente hierover actief de archeologische onderzoekers
                    informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in haar verordening
                    opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide regiefunctie bij archeologische
                    opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. Indien een dergelijk regierol
                    niet uitdrukkelijk gewenst, dient deze bepaling niet overgenomen te worden. In
                    dat geval bestaat nog steeds voldoende bescherming bij opgravingen, aangezien al
                    in de Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend is geregeld. Zo bestaat een
                    vergunningvereiste voor het doen van opgravingen; dient een rechthebbende van
                    een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn terrein betreedt en
                    eventueel opgravingen verricht; en is ook de eigendomskwestie van de
                    archeologische vondsten uitputtend geregeld.</al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het College een
                    programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het
                    ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a).
                    Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak
                    weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het
                    programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook hier is sprake
                    van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van een fysiek
                    project. Net als bij onderdeel e, van het tweede lid van artikel 16 is ervoor
                    gekozen om deze bepaling onder de werking van de Wabo te laten vallen. Op grond
                    van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met
                    betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de
                    beoordeling van het plan van aanpak.</al><al><vet>Artikel 18.</vet></al><al><vet>Procedure</vet></al><al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 16, tweede lid, onder e en
                    artikel 17, eerste lid, onder b sprake van een verkapt vergunningstelsel en de
                    uitvoering van een fysiek project. Om deze reden is de Wabo van </al><al> toepassing verklaard. De bepalingen uit de artikelen 11, 12, 13 en 14, welke
                    zien op de verlening van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten,
                    kunnen derhalve van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Voor de
                    toelichting wordt verwezen naar de artikelgewijze toelichting bij deze
                    artikelen. </al><al><vet>HOOFDSTUK 6. OVERIGE BEPALINGEN</vet></al><al><vet>Artikel 19.</vet></al><al><vet>Tegemoetkoming in de schade</vet></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                    rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                    toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van
                    toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat
                    bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle
                    genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat
                    ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening is gekozen voor een
                    schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond
                    waarvan het bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende
                    dient toe te kennen.</al><al>Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de tegemoetkoming. De
                    procedure op grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Bro kan worden
                    toegepast, echter alvorens daartoe te besluiten is het zinvol een inschatting te
                    maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang van deze procedure. </al><al><vet>Artikel 20.</vet></al><al><vet>Strafbepaling</vet></al><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het College kan stellen op grond van artikel 10, derde
                    lid en artikel 16, met uitzondering van het tweede lid, onder f. De
                    strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is
                    geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste
                    omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt
                    als economisch delict.</al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van
                    de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van
                    verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met
                    openbaarmaking </al><al> van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht
                    zijn de geldboetecategorieën opgenomen. </al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om enige
                    preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede
                    categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere
                    regels voor de hand liggend.</al><al><vet>Artikel 21.</vet></al><al><vet>Toezichthouders</vet></al><al>Het aanwijzen van toezichthouders kan door het College geschieden. Deze
                    aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening en valt derhalve
                    buiten het bereik van de Wabo. </al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de
                    Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                    voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde
                    personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden
                    van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                    voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de
                    Erfgoedverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). </al><al><vet>HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN</vet></al><al><vet>Artikel 22.</vet></al><al><vet>Intrekken oude regeling</vet></al><al>Dit artikel regelt de intrekking van de "Monumentenverordening gemeente
                    landgraaf 1995", zodat niet twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde
                    onderwerp regelen. Het uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet
                    achterwege worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere
                    regeling ter zijde wordt gesteld door een latere regeling.</al><al><vet>Artikel 23.</vet></al><al><vet>Overgangsrecht</vet></al><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. Er is
                    geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten,
                    die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden
                    afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode
                    zullen er dus twee procedures gelden. Indien de verordening niet tijdig aan de
                    Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel in werking is getreden zet de Wabo de
                    bepalingen uit de verordening aan de kant. De Wabo gaat namelijk voor op lagere
                    regelgeving. De bepalingen uit de verordening zijn van rechtswege onverbindend.
                    Bij een nieuwe aanvraag voor een vergunning gelden dan de bepalingen uit de
                    Wabo. </al><al><vet>Artikel 24.</vet></al><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><al>De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude
                    verordening is gekoppeld aan de datum van inwerkingtreding van de Wabo.</al><al><vet>Artikel 25.</vet></al><al><vet>Citeerartikel</vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>