<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR49447_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet Kinderopvang gemeente Diemen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemer Nieuws, d.d. 15-12-2005 en 25-11-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet kinderopvang (WVk) gemeente Diemen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Kinderopvang, artikel 25.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>04-62</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Beleidsregels kwaliteit kinderopvang.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet Kinderopvang gemeente Diemen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Opmerkingen m.b.t. de regeling</vet></al><al/><al>Geen.</al><al/><al/><al><vet>Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is
                            gebaseerd</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Gemeentewet, artikel 149;</al></li><li nr="2."><al>Wet Kinderopvang, artikel 25.</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde
                            regelgeving)</vet></al><al/><al>1.Beleidsregels kwaliteit kinderopvang.</al><al/><al/><al><vet>Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</vet></al><al/><al/><al><vet>Datum</vet></al><al><vet>inwerkingtreding</vet></al><al>01-01-2005</al><al/><al><vet>Terugwerkende kracht t/m</vet></al><al/><al><vet>Betreft</vet></al><al>nieuwe regeling</al><al/><al><vet>Datum ondertekening</vet></al><al><vet>Bron bekendmaking</vet></al><al>16-12-2004</al><al>Diemer Courant</al><al>d.d. 15-12-2004 en 25-11-2010,</al><al>62<sup>e</sup> jaargang, editie 7, nr. 47, pagina 2.</al><al/><al><vet>Kenmerk voorstel</vet></al><al>nr. 04-62</al><al/><al><vet>Verordening Wet Kinderopvang gemeente Diemen</vet></al><al/><al>Nr.: 04-62</al><al>De raad der gemeente Diemen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 20 oktober en 23
                        november 2004;</al><al>gelet op het advies van de Raadscommissie Sociale Infrastructuur.</al><al>B E S L U I T</al><al>vast te stellen de hierna volgende:</al><al>Verordening Wet Kinderopvang gemeente Diemen 2005</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college : het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b."><al>de wet : de Wet kinderopvang.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.</nr><titel>VASTSTELLING NOODZAAK VAN KINDEROPVANG OP GROND VAN SOCIAAL-MEDISCHE
                            INDICATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op
                                grond van een sociaal-medische indicatie als bedoeld in artikel 23
                                van de wet bevat in ieder geval de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam van de partner en, indien dit
                                        een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van
                                        de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                        aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen zes weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste zes weken verdagen. Het
                                college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond
                            van een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de geldigheidsduur van de indicatie;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt
                                    geacht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                            sociaal-medische indicatie vast te stellen indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang ontvangt of kan ontvangen; of</al></li><li nr="b."><al>de ouder of de partner niet behoort tot de personen als bedoeld
                                    in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of l van de wet.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.</nr><titel>AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de partner
                                        en, indien dit een ander adres is dan het adres van de
                                        ouder: het adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de
                                        kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking
                                        heeft;</al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                        gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in
                                        ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang
                                        per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de
                                        opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat
                                        de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in
                                        artikel 22 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4.</nr><titel>VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen zes weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste zes weken verdagen. Het
                                stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot
                            de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de
                                aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                kinderopvang zal plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                tegemoetkomingsjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming
                                voor een andere periode verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een ouder
                                als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid,
                                onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is
                                voor de combinatie van arbeid en zorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                            kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de
                                    ouder behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                    tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar
                                    de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor
                                    de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald
                                    en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g."><al>de verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse
                                termijnen uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                bevoorschotting.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5.</nr><titel>VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst
                                van het overzicht van de kosten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken
                            betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>6.</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend
                                worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van
                                inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van
                                een lagere tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen
                                een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en
                                inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                                hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>7.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bijzondere gevallen</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van het gestelde in deze
                            verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet
                                treedt deze verordening in werking 3 dagen na haar
                                bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid treedt paragraaf 2 van deze
                                verordening in werking op het moment dat artikel 23 van de Wet
                                kinderopvang in werking treedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: “Verordening Wet kinderopvang (VWk)
                            gemeente Diemen”.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad voornoemd in zijn openbare vergadering van 16
                        december 2004.</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Inleiding </titel></kop><al>Op 1 januari 2005 treedt de Wet kinderopvang in werking. De Wet kinderopvang
                        beoogt het ouders of verzorgers gemakkelijker te maken werk en zorg te
                        combineren. Niet alleen werkenden kunnen een beroep doen op de Wet
                        kinderopvang. Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen
                        op de gemeente voor het betalen van een deel van de kosten die zij maken
                        voor kinderopvang. De vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten
                        voor kinderopvang wordt aangeduid met de term ‘tegemoetkoming kosten
                        kinderopvang gemeente Diemen’.</al><al>Artikel 25 Wet kinderopvang bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening
                        regels vaststelt omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels
                        hebben betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling
                        van de tegemoetkoming. Deze verordening geeft uitvoering aan deze wettelijke
                        opdracht.</al><al>De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artikel 4:21 van de Algemene
                        wet bestuursrecht (Awb), te weten: een aanspraak op financiële middelen door
                        een bestuursorgaan verstrekt met het oog op een bepaalde activiteit van de
                        aanvrager. Titel 4.2 van de Awb die regels stelt over subsidies is van
                        toepassing op de tegemoetkomingen. Dit betekent dat op de verstrekking van
                        tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang door gemeenten drie
                        regelingen van toepassing zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de gemeentelijke verordening Wet kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>de Wet kinderopvang;</al></li><li nr="3."><al>de subsidieregels in titel 4.2 van de Awb.</al></li></lijst><al>De meeste gemeenten beschikken over een algemene subsidieverordening. De
                        vraag is aan de orde wat de verhouding is tussen de verordening kinderopvang
                        en de algemene subsidieverordening, en meer in het bijzonder of de algemene
                        subsidieverordening ook van toepassing is op tegemoetkomingen in de kosten
                        van kinderopvang. Deze verordening is zo opgezet dat deze geheel los staat
                        van de algemene subsidieverordening. In dat geval is de algemene
                        subsidieverordening niet van toepassing op de verstrekking van
                        tegemoetkomingen. Het principe geldt dan dat de meest specifieke regeling
                        voorrang krijgt boven de algemene regeling.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                            tegemoetkomingen</titel></kop><al>In deze verordening worden de hoofdlijnen van het proces van verstrekking
                        van de tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd. Daarbij zijn twee
                        uitgangspunten gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de
                        uitvoeringslasten voor zowel de gemeente als de aanvragers van de
                        tegemoetkoming zo beperkt mogelijk moeten zijn. Het tweede uitgangspunt is
                        dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn met de verstrekking van de
                        tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar zijn.</al><al><cursief>Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke uitgaven te
                            bevorderen</cursief></al><al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een
                        zogeheten ‘open-einde regeling’. Dit betekent dat iedereen die op grond van
                        de wet behoort tot de gemeentelijke doelgroep aanspraak heeft op een
                        tegemoetkoming van de gemeente.</al><al>Om gemeenten in staat te stellen de kosten die gepaard gaan met de
                        verstrekking van de tegemoetkomingen beheersbaar te houden, zijn in de
                        verordening de volgende bepalingen opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>De omvang van de aanspraak op een tegemoetkoming van ouders die geen
                                eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang hoeven te betalen,
                                wordt aan beperkingen gebonden. In de verordening wordt bepaald dat
                                bij deze groep ouders de tegemoetkoming wordt verstrekt voor het
                                aantal uren kinderopvang per week dat naar het oordeel van het
                                college voor de ouder redelijkerwijs noodzakelijk is om de
                                combinatie van arbeid en zorg mogelijk te maken;</al></li><li nr="-"><al>Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht verstrekt.
                                Een gemeentelijke tegemoetkoming wordt verstrekt met ingang van het
                                tijdstip waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente
                                in ontvangst is genomen;</al></li><li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er daadwerkelijk
                                kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt uitbetaald in maandelijkse voorschotten.
                                Hierdoor blijft de omvang van eventuele onverschuldigde betalingen
                                die de gemeente van de ouders moet terugvorderen, beperkt.</al></li></lijst><al><cursief>Tegemoetkomingen voor de duur van een kalenderjaar</cursief></al><al>Een tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de duur één
                        kalenderjaar. Daarmee wordt aangesloten bij wijze waarop de betalingen door
                        de Belastingsdienst worden verstrekt. Dit betekent dat een tegemoetkoming
                        elk jaar opnieuw moet worden aangevraagd. Uitzondering wordt gemaakt voor de
                        gevallen waarin bij de aanvraag reeds duidelijk is dat de aanspraak op de
                        tegemoetkoming beperkt is tot een bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van
                        een reïntegratietraject die in het trajectplan is vastgelegd of de datum
                        waarop het kind naar de basisschool gaat of de basisschool verlaat).</al><al><cursief>Verstrekking van de tegemoetkoming in twee stappen</cursief></al><al>De verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen. Hiermee
                        wordt aangesloten bij de Awb. De eerste stap is de beschikking tot het
                        verlenen van de tegemoetkoming. Deze beschikking geeft de ontvanger van de
                        tegemoetkoming een voorwaardelijke aanspraak op de tegemoetkoming tot een
                        bepaald bedrag. De aanspraak is voorwaardelijk omdat op het moment dat de
                        beschikking wordt gegeven nog niet zeker is dat de aanvrager daadwerkelijk
                        gebruik zal maken van kinderopvang en zich aan de opgelegde verplichtingen
                        houdt. Ondanks het voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening wel
                        een rechtens afdwingbare aanspraak.</al><al>De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming.
                        In deze beschikking wordt vastgesteld in hoeverre de ontvanger aan de
                        gestelde voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het uiteindelijke bedrag van
                        de tegemoetkoming is. Met het vaststellen van de tegemoetkoming wordt de
                        tegemoetkoming definitief. Voordat de tegemoetkoming wordt vastgesteld kan
                        de gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door
                        gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de
                        houders van een kindcentrum of gastouderbureau op te vragen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Aanwijzen van eigen doelgroepen</titel></kop><al>De verordening bevat geen inhoudelijke criteria over de definities van
                        gemeentelijke doelgroepen en de hoogte van de tegemoetkomingen. Deze
                        criteria zijn allemaal rechtstreeks in de Wet kinderopvang opgenomen.
                        Gemeenten hebben bij de bepaling van deze doelgroepen en de hoogte van de
                        tegemoetkoming dus geen beleidsvrijheid. Over de wijze waarop de aanspraak
                        op- en de hoogte van de tegemoetkoming moet worden vastgesteld worden
                        gemeenten in een later stadium apart geïnformeerd zodra alle relevante
                        uitvoeringsregelingen bekend zijn.</al><al>De gemeente kan er voor kiezen om naast de doelgroepen die in de wet zijn
                        benoemd eigen doelgroepen aan te wijzen die aanspraak kunnen maken op een
                        tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De gemeente heeft hier
                        vooralsnog niet voor gekozen. Omdat het hier een zogenaamde ´open einde
                        regeling´ betreft kan op dit moment niet worden voorzien of het voor
                        kinderopvang beschikbare budget afdoende is. In dit verband heeft het
                        college besloten om er niet toe over te gaan om in deze Verordening eigen
                        doelgroepen aan te wijzen.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>De begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang zijn ook van
                        toepassing op deze verordening. Alleen de in deze artikelen niet
                        gedefinieerde begrippen zijn aangevuld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>Een aanvraag voor de toekenning van een sociaal-medische indicatie moet
                        worden ingediend bij het college. In de procedure gaat de aanvraag voor de
                        toekenning van een sociaal-medische indicatie vooraf aan de aanvraag voor
                        een tegemoetkoming, maar in de praktijk zullen de aanvragen vaak
                        gelijktijdig worden ingediend. Ook de besluiten over de toekenning van een
                        sociaal-medische indicatie en de verlening van een tegemoetkoming in de
                        kosten van kinderopvang kunnen in één beschikking worden opgenomen. Wel moet
                        de juiste volgorde in acht worden genomen: eerst het besluit over de
                        aanwezigheid van een sociaal-medische indicatie en vervolgens het besluit
                        over de verstrekking van een tegemoetkoming. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Bij het bepalen van de beslistermijn dient rekening te worden gehouden met
                        de tijd die gemoeid is met het uitbrengen van advies door een
                        ‘onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate deskundigheid’
                        (artikel 23, derde lid, Wet kinderopvang). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit is een beschikking in de zin van artikel 4.1 van de Awb. Dit
                        betekent dat tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan
                        worden ingesteld. Als de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                        sociaal-medische indicatie wordt vastgesteld, wordt in de beschikking
                        aangegeven hoeveel uren kinderopvang noodzakelijk wordt geacht. Het besluit
                        over de noodzakelijke omvang van de kinderopvang vormt de grondslag voor de
                        aanvraag voor een tegemoetkoming van de gemeente. Bovendien moet in het
                        besluit de geldigheidsduur van de indicatie worden vermeld. Deze
                        verplichting staat in het vierde lid van artikel 23 Wet kinderopvang. Het
                        kan gaan om een geldigheidsduur voor een beperkte termijn, maar ook om een
                        geldigheidsduur voor onbepaalde tijd. In het indicatieadvies zal hierover
                        ook een uitspraak moeten worden gedaan. </al><al>Het college neemt het besluit op basis van het uitgebrachte indicatieadvies.
                        Dit advies is niet bindend. Dit betekent dat het college van dat advies kan
                        afwijken. Als het college een beschikking geeft die afwijkt van het
                        uitgebrachte advies, zal het college de redenen voor de afwijking in de
                        beschikking moeten motiveren (artikel 4:20 Awb). De motiveringverplichting
                        geldt vooral voor het geval waarin een positief advies wordt gegeven en het
                        college een afwijzend besluit neemt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Dit artikel bevat twee weigeringsgronden. De weigeringsgrond onder a geeft
                        aan dat een gemeentelijke tegemoetkoming op grond van een sociaal-medische
                        indicatie een vangnetvoorziening is.</al><al>Alleen ouders die niet op grond van een andere bepaling in de Wet
                        kinderopvang aanspraak kunnen doen op een tegemoetkoming in de kosten van
                        kinderopvang, kunnen aanspraak doen op een tegemoetkoming in de kosten van
                        kinderopvang wegens een sociaal-medische noodzaak. </al><al>De weigeringsgrond onder b spreekt voor zich. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel
                        26 Wet kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar
                        de ouder woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang). De aanvraag moet
                        schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Awb).</al><al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een tegemoetkomingsjaar wordt
                        verstrekt (artikel 4.4) moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd. Om de
                        lasten voor de aanvragers zo beperkt mogelijk te houden, verdient het
                        aanbeveling dat de gemeente het aanvraagformulier voor een vervolgaanvraag
                        aan de ouders toestuurt, waarbij het formulier reeds is ingevuld met de
                        gegevens die bij de gemeente bekend zijn. De ouders hoeven dan alleen de
                        mutaties op het aanvraagformulier aan te geven. </al><al>Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het
                        aantal uren of dagdelen kinderopvang, zal ook moeten worden aangevraagd. Een
                        verlaging van de tegemoetkoming in verband een vermindering van de omvang
                        van de kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan
                        wel onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel 28, derde lid, Wet
                        kinderopvang en artikel 16, eerste lid). </al><al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of
                        contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat
                        verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor een
                        tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder over
                        een offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract
                        kan de gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen. Het
                        kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet
                        ingeschreven staan in een gemeentelijk register (artikel 5, eerst lid, Wet
                        kinderopvang).</al><al>Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of een
                        verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort
                        tot een gemeentelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan de ouder
                        volstaan met een verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente over de
                        gegevens beschikt: </al><lijst><li nr="-"><al>de ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van de WWB,
                                IOAW/IOAZ of Anw én maakt gebruik van een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als
                                werkzoekende geregistreerd bij het CWI maakt én maakt gebruik van
                                een voorziening gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een nieuwkomer die een inburgeringsprogramma volgt;</al></li><li nr="-"><al>het college heeft sociaal-medische indicatie vastgesteld.</al></li></lijst><al>In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente moeten
                        verstrekken:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>De ouder of partner ontvangt een uitkering op grond van
                                            de Wet inkomensvoorziening kunstenaars</al><al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt,
                                            volgt scholing of een opleiding en ontvangt algemene
                                            bijstand op grond van de WWB of kan zo’n uitkering
                                            ontvangen</al><al>De ouder of diens partner zijn ingeschreven bij een
                                            school of instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4
                                            van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen of in de
                                            artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet
                                            Studiefinanciering 2000</al><al>De ouder of diens partner ontvangt een WW-uitkering en
                                            maakt gebruik van een voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling</al><al>De ouder of diens partner is arbeidsgehandicapte en
                                            maakt gebruik van een voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling</al></entry><entry colname="col2"><al>Indien de uitkering wordt verkregen in een andere
                                            gemeente: naam van deze gemeente</al><al>Bewijs van inschrijving school of
                                            opleidingsinstituut</al><al>Bewijs van inschrijving school of
                                            opleidingsinstituut</al><al>Trajectplan van het UWV</al><al>Trajectplan van het UWV</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft,
                        deze partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is
                        volledigheidshalve in de verordening opgenomen. De verplichting is reeds
                        neergelegd in artikel 26, derde lid, Wet kinderopvang. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag
                        van een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming.
                        Deze termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor
                        aanvragen die betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming
                        en voor aanvragen voor een hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding
                        van de omvang van de kinderopvang. In de verordening is gekozen voor een
                        beslistermijn van ten hoogste zes weken die eventueel met zes weken kan
                        worden verlengd.</al><al>De beslistermijn van zes weken heeft ook gevolgen voor de datum waarbinnen
                        aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten worden aangevraagd. Om
                        er zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari kan worden
                        voortgezet, zullen ouders hun aanvraag minimaal zes weken vóór 1 januari bij
                        de gemeente moeten indienen.</al><al>Het feit dat het college een termijn van zes weken heeft om te beslissen
                        over een aanvraag voor een tegemoetkoming, wil uiteraard niet zeggen dat het
                        college deze termijn ook in alle gevallen moet benutten. De gemeente zal er
                        naar moeten streven de behandelingstermijn van aanvragen zo kort mogelijk te
                        houden en met name aanvragen waar spoed mee geboden is direct af te
                        handelen. Door middel van mandatering van de beslissingsbevoegdheid kan de
                        besluitvorming worden versneld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal gronden
                        om de subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van
                        toepassing. Artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening kan worden
                        geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                                verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en
                                verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de
                                daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de
                                vaststelling van de subsidie van belang zijn.</al></li></lijst><al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening voorts in
                        ieder geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                                beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend
                                of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke
                                personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe
                                bij de rechtbank is ingediend.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming.
                        Er zijn twee ingangsdata mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente
                                in ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder
                                op het moment dat hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang
                                hebben.</al></li><li nr="2."><al>De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid
                                bepaalt dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er
                                kinderopvang plaatsvindt.</al></li></lijst><al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de
                        kosten van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een
                        tegemoetkoming bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de
                        gemeente in ontvangst genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten van
                        artikel 4.1 en 4.2 Awb. Dit betekent dat een aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>schriftelijk moet worden ingediend;</al></li><li nr="-"><al>moet zijn ondertekend;</al></li><li nr="-"><al>de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten;</al></li><li nr="-"><al>een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt
                                gevraagd.</al></li></lijst><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop
                        de aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de
                        tegemoetkoming vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot
                        verlening van de tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met
                        terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is
                        genomen.</al><al>De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van toepassing
                        op aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. De verhoogde
                        tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het moment dat de aanvraag daarvoor
                        door het college in ontvangst is genomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend.
                        Voor aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat de
                        tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende jaar. Dit
                        betekent dat een ouder elk jaar vóór 1 januari opnieuw een aanvraag voor een
                        tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten indienen. </al><al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Dit
                        is bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht
                        heeft op de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een reïntegratietraject
                        voor een bepaalde periode volgt. Door de periode van verstrekking van de
                        tegemoetkoming te koppelen aan de duur van het reïntegratietraject (of een
                        andere vorm van arbeid), hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de
                        verstrekking van de tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen
                        eventueel ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te vorderen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><al>De Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een
                        tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de
                        omvang van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria die de
                        wet geeft tot een gemeentelijke doelgroep behoort heeft deze recht op een
                        gemeentelijke tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal
                        uren kinderopvang waarvoor de tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in
                        het systeem van de wet waarin de ouder zélf bepaalt hoeveel kinderopvang hij
                        nodig heeft in verband met de combinatie van arbeid en zorg. </al><al>Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is de eigen bijdrage in de kosten
                        van kinderopvang nihil. Voor deze groepen wordt de inkomensafhankelijke
                        eigen bijdrage door de gemeente gecompenseerd (het zogeheten ’Koa-kopje’,
                        zie artikel 24, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, Wet
                        kinderopvang). Bij deze ouders zet de hoogte van de eigen bijdrage geen rem
                        op de vraag naar kinderopvang. Dat in tegenstelling tot ouders die wél een
                        (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang moeten
                        betalen en de hoogte van die bijdrage zullen laten meewegen in hun vraag
                        naar kinderopvang. </al><al>Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling in de
                        verordening opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming enigszins
                        beperkt. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij de groep ouders
                        die geen eigen bijdrage betalen, per geval te beoordelen hoeveel
                        kinderopvang de ouder redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid die hij
                        verricht te kunnen combineren met zorgtaken.</al><al>Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs nodig
                        is om arbeid en zorg te combineren, zal ook rekening moeten worden gehouden
                        met omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de ouder(s) of
                        een beperking die de huiselijke situatie meebrengt voor de goede en gezonde
                        ontwikkeling van het kind. In tegenstelling tot kinderopvang op grond van
                        sociaal-medische indicatie op grond van artikel 23 Wet kinderopvang, hoeft
                        voor deze beoordeling geen advies te worden aangevraagd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking wordt aangeven hoe het bedrag van
                        de tegemoetkoming wordt vastgesteld. In de beschikking moet onder andere de
                        wijze van uitbetaling van de tegemoetkoming worden vermeld (onderdeel f).
                        Artikel 13 bepaalt dat de uitbetaling plaatsvindt in de vorm van
                        maandelijkse voorschotten. Onderdeel g schrijft voor dat in de beschikking
                        de verplichtingen van de ouder worden opgenomen. Daarbij moet aan de
                        volgende verplichtingen worden gedacht:</al><lijst><li nr="-"><al>de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                te verstrekken van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                                periode;</al></li><li nr="-"><al>de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot en
                                met derde lid, Wet kinderopvang.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse
                        voorschotten. Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming
                        waarop de aanvrager recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen
                        (indien de aanvraag het gehele tegemoetkomingsjaar betreft). </al><al>De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de ouder. De ouder kan, al dan
                        niet op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de gemeente
                        machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum of
                        gastouderbureau te doen. Deze machtiging verandert juridisch gezien niets
                        aan de verhouding tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag
                        gestort op de rekening van het kindercentrum of gastouderbureau, er blijft
                        sprake van een betaling van de tegemoetkoming van gemeente aan de ouder. </al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                        stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Zo kan het
                        college bepalen dat er alleen een voorschot wordt betaald op basis van een
                        factuur van het kindercentrum of gastouderbureau. Het college zou zo’n
                        voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels bestaan of een ouder
                        daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie
                        (dus ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen
                        houdt in dat het college op eigen initiatief de tegemoetkomingen vaststelt.
                        De ouders hoeven geen aanvraag tot het vaststellen van de tegemoetkoming bij
                        het college in te dienen. </al><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode
                        waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de
                        feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Als een
                        tegemoetkoming voor een kalenderjaar is verleend, dient het overzicht van de
                        kosten uiterlijk vier weken na 31 december bij het college te worden
                        ingediend. Het overzicht van de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht
                        zijn dat door het kindercentrum of gastouderbureau wordt opgesteld of een
                        verzameling van maandoverzichten. Het college heeft vervolgens acht weken de
                        tijd om de tegemoetkoming vast te stellen. In deze periode kan de gemeente
                        een onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door
                        gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de
                        houders van een kindcentrum of gastouderbureau op te vragen.</al><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald wat
                        precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft aangevraagd
                        recht op heeft. De berekeningswijze die is opgenomen in de beschikking tot
                        verlening van de tegemoetkoming geldt als het uitgangspunt voor het
                        vaststellen van de tegemoetkoming. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt
                        vastgesteld op basis van het aantal uren kinderopvang dat in de beschikking
                        tot verlening van de tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het maximum aantal
                        uren. In de beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming kan wel
                        worden uitgegaan van een lager aantal uren, maar niet van een hoger aantal. </al><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de
                        tegemoetkoming op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook
                        betekenen op nul vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond
                        van artikel 4:46, tweede en derde lid, Awb. Op grond van het tweede lid kan
                        de subsidie lager worden vastgesteld indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel
                                hebben plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
                                verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                                een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou
                                hebben geleid, of</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger
                                dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>Het derde lid van artikel 4:46 Awb luidt: ‘Voor zover het bedrag van de
                        subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten
                        waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als
                        noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie
                        niet in aanmerking genomen’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen
                        deel van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft
                        uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde
                        bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 38 Wet
                        kinderopvang (zie ook de toelichting bij artikel 16).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel
                        28, eerste tot en met derde lid Wet kinderopvang. Volledigheidshalve wordt
                        deze verplichting hier herhaald.</al><al>Het vierde lid van artikel 28 bevat de inlichtingenplicht voor houders van
                        een kindercentrum of gastouderbureau. Deze bepaling luidt: ‘De houder
                        verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders alle
                        gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op de
                        tegemoetkoming van belang zijn’.</al><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                        onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft
                                geen recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot gemeentelijke
                                doelgroep).</al></li></lijst><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten
                        onrechte een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het
                        college de beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de
                        tegemoetkoming intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag
                        terugvorderen. Ook is mogelijk om in aanvulling hierop een bestuurlijke
                        boete aan de betreffende ouder op te leggen. Hieronder wordt op de twee
                        maatregelen nader ingegaan.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de
                        tegemoetkoming</titel></kop><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een tegemoetkoming in de
                    terminologie van de Wet kinderopvang) kan worden ingetrokken en teruggevorderd.
                    Daarbij moeten twee situaties worden onderscheiden: a. de situatie waarin de
                    tegemoetkoming nog niet is vastgesteld en b. de situatie waarin de
                    tegemoetkoming wel is vastgesteld.</al><al><cursief>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of wijzigen
                        van de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming (artikel 4:48
                        Awb)</cursief></al><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de beschikking
                    tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele van de ontvanger van
                    de tegemoetkoming wijzigen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet
                            geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens
                            heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                            een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de
                            tegemoetkoming zou hebben geleid;</al></li><li nr="d."><al>de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de
                            ontvanger dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                    subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                    bepaald.</al><al><cursief>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56 Awb)</cursief></al><al>Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel tot dat het
                    besluit tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken of gewijzigd. Het
                    college kan al eerder besluiten de betaling van de tegemoetkoming op te
                    schorten. Op grond van artikel 4:56 Awb kan het college de verplichting tot
                    betaling van een voorschot opschorten met ingang van de dag waarop het college
                    aan de ouder schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond
                    bestaat om de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming in te trekken of
                    te wijzigen. Deze opschorting duurt tot en met de dag waarop de beschikking
                    omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de
                    kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.</al><al><cursief>Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of wijzigen van
                        de beschikking tot subsidievaststelling (artikel 4:49 Abw)</cursief></al><al>Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde gevallen
                    bevoegd de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming in te trekken
                    of ten nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming te wijzigen. Het gaat om de
                    volgende gevallen: </al><lijst><li nr="a."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                            vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte kon
                            zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan overeenkomstig de
                            verlening van de tegemoetkoming zou zijn vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger van de
                            tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te weten;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de
                            tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen.</al></li></lijst><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de
                    ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag
                    waarop zij is bekendgemaakt. </al><al><cursief>Terugvordering (artikel 38 Wet kinderopvang)</cursief></al><al>Indien de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de tegemoetkoming
                    is ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd, kan de gemeente het
                    reeds betaalde bedrag van de ouder terugvorderen. </al><al>In artikel 38 Wet kinderopvang worden de bepalingen in de Wet werk en bijstand
                    (WWB) over de terugvordering van bijstand van overeenkomstige toepassing
                    verklaard op het terugvorderen van een tegemoetkoming. Dit betekent bijvoorbeeld
                    dat het bedrag dat wordt teruggevorderd kan worden verrekend met de
                    tegemoetkoming die aan de ouder wordt verstrekt. In het besluit tot
                    terugvordering moet de wijze waarop zal worden teruggevorderd worden vermeld
                    (artikel 60, eerste lid WWB). </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan het college in
                    bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De bestuurlijke boete is
                    geregeld in hoofdstuk 5 van de Wet kinderopvang. Een bestuurlijke boete is een
                    bestuurlijke sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling
                    van een geldsom, die gericht is op bestraffing van de overtreder (artikel 1,
                    eerste lid, onderdeel t, Wet kinderopvang). Het betreffende bedrag komt toe aan
                    de gemeente (artikel 72, vierde lid Wet kinderopvang). </al><al>Het college kan een bestuurlijke boete opleggen indien een ouder zijn
                    inlichtingenplicht niet nakomt. Het gaat daarbij om het schenden van de volgende
                    verplichtingen: </al><lijst><li nr="-"><al>het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en
                            inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                            hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn (artikel
                            28, eerste lid, Wet kinderopvang);</al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door het
                            college te stellen redelijke termijn (artikel 28, tweede lid, Wet
                            kinderopvang);</al></li><li nr="-"><al>het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan het
                            college van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                            vaststelling van een lagere tegemoetkoming (artikel 28, derde lid, Wet
                            kinderopvang).</al></li></lijst><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 2269 (artikel 72, eerste
                    lid, onderdeel c, Wet kinderopvang). Bij het vaststellen van de hoogte van de
                    bestuurlijke boete zal het college maatwerk moeten leveren. Artikel 72, tweede
                    lid, Wet kinderopvang bepaalt dat de hoogte van de boete wordt afgestemd op de
                    ernst van de overtreding, de mate waarin de overtreding de ouder verweten kan
                    worden en de omstandigheden waarin die persoon verkeert. Van het opleggen van
                    een bestuurlijke boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt. </al><al>In de Wet kinderopvang is geregeld in welke gevallen het college géén
                    bestuurlijke boete mag opleggen. Dit is het geval in de volgende situaties:</al><lijst><li nr="-"><al>de overtreder is overleden;</al></li><li nr="-"><al>de overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een bestuurlijke
                            boete of er is hem een kennisgeving gedaan dat een bestuurlijke boete
                            zal worden opgelegd. In deze gevallen kan het college aangifte doen bij
                            het Openbaar Ministerie;</al></li><li nr="-"><al>er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft
                            plaatsgevonden.</al></li></lijst><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in de
                    artikelen 77 tot en met 84 van de Wet kinderopvang. </al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bijzondere gevallen</titel></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Bij brief van 18 augustus 2004 aan de Tweede Kamer heeft de minister van
                        Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangekondigd dat artikel 6, eerste lid
                        onder k en l, en artikel 23 van de Wet Kinderopvang in 2005 nog niet in
                        werking zullen treden. In de Wet kinderopvang heeft de minister namelijk de
                        bevoegdheid gekregen om de inwerkingtreding van deze wet bij Koninklijk
                        Besluit te regelen, waarbij hij al dan niet onderdelen op verschillende
                        tijdstippen kan vaststellen.</al><al>Dit besluit van de minister heeft tot gevolg dat de in de wet gedefinieerde
                        sociaal-medische doelgroep in 2005 geen aanspraak heeft op tegemoetkomingen
                        op grond van de Wet kinderopvang. Tevens kan de gemeente niet op basis van
                        (artikel 23 van) de wet Kinderopvang besluiten afgeven waarin ouders tot
                        deze doelgroep worden gerekend.</al><al>Voor het aanvragen van laatstgenoemde besluiten is in paragraaf 2 een
                        aanvraagprocedure vastgesteld.</al><al>De wettelijke grondslag voor deze besluiten kan vooralsnog niet worden
                        gevonden in de Wet kinderopvang maar slechts in het in de aanhef van deze
                        verordening genoemde artikel 149 van de Gemeentewet. Dit kan tot gevolg
                        hebben dat als een burger een aanvraag indient op grond van paragraaf 2, het
                        college verplicht is om daarop te besluiten zonder inhoudelijk wettelijk
                        kader. Daarom is het noodzakelijk om de inwerkingtreding van paragraaf 2
                        afhankelijk te maken van de inwerkingtreding van artikel 23 van de Wet
                        kinderopvang.</al><al>Het inwerkingtredingsartikel wordt daarom aangevuld met een tweede lid,
                        waarin de inwerkingtreding van paragraaf 2 wordt bepaald op het moment dat
                        artikel 23 van de Wet kinderopvang in werking treedt. Op deze wijze is het
                        ook niet meer noodzakelijk om de Verordening Wet kinderopvang nogmaals te
                        wijzigen wanneer artikel 23 daadwerkelijk in werking zal treden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>