<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR49214_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemer Nieuws, d.d. 01-10-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren gemeente Diemen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 12, 41</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-09-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Opmerkingen m.b.t. de regeling</vet></al><al/><al/><al><vet>Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is
                            gebaseerd</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Gemeentewet, art. 147</al></li><li nr="2."><al>Wet investeren in jongeren, art. 12, 41</al></li></lijst><al><vet>Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde
                            regelgeving)</vet></al><al/><al/><al><vet>Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</vet></al><al/><al/><al>Datum</al><al>inwerkingtreding</al><al>01-10-2009</al><al/><al>Terugwerkende kracht t/m</al><al/><al>Betreft</al><al>nieuwe regeling</al><al/><al>Datum ondertekening</al><al>Bron bekendmaking</al><al>24-09-2009</al><al>Diemer Nieuws </al><al>d.d. 01-10-2009,</al><al>e jaargang, editie ,</al><al>nr. , pagina .</al><al/><al>Kenmerk voorstel</al><al>onbekend</al><al/><al/><al><vet>Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren </vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Diemen; </al><al>Gelezen het voorstel van Burgemeester en wethouders van Diemen, d.d. 25
                        augustus 2009; </al><al>gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, en de artikelen 12, eerste
                        lid, onderdeel b en 41, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren; </al><al>overwegende dat het noodzakelijk is bij verordening regels te stellen
                        aangaande het opleggen van maatregelen in het kader van de Wet investeren in
                        jongeren; </al><al>BESLUIT </al><al>vast te stellen de volgende <vet>Maatregelenverordening Wet investeren in
                            jongeren. </vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ);</al></li><li nr="b."><al>WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de
                                        jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of
                                        verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door het
                                        college vastgestelde verhoging of verlaging;</al></li><li nr="c."><al>maatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening op grond
                                        van artikel 41, eerste lid WIJ;</al></li><li nr="d."><al>benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het
                                        niet of niet behoorlijk nakomen van een
                                        inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als
                                        inkomensvoorziening of werkleeraanbod op grond van de
                                        wet;</al></li><li nr="e."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Diemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder benadelingsbedrag: de
                                kosten van het werkleeraanbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Afstemming</titel></kop><al>1.Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college,
                            overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de</al><al>aan de jongere toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar
                            het oordeel van het college de op hem</al><al>rustende verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet, of de uit
                            artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de </al><al>Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende
                            verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, </al><al>dan wel zich jegens het college zeer ernstig misdraagt.</al><al>2.Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                            van verwijtbaarheid en de</al><al>omstandigheden van de jongere en kan daarom afwijken van de in deze
                            verordening genormeerde maatregelen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing zijnde
                            WIJ-norm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het bedrag
                            waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd en, indien van toepassing,
                            de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>1.Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de
                            gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren</al><al>te brengen. </al><lijst><li nr="2."><al>Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                            zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien
                                            geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                            college of van een derde aan wie het college met
                                            toepassing van artikel 11, vierde lid, van de wet,
                                            werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed,
                                            om binnen een gestelde termijn inlichtingen te
                                            verstrekken als bedoeld in artikel 44 van de wet;
                                            of</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 41, tweede lid, van de wet, ziet het
                                    college af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gedraging meer dan <cursief>één jaar </cursief>vóór
                                            constatering van die gedraging door het college heeft
                                            plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                                            inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
                                            gedraging ten onrechte inkomensvoorziening is verleend.
                                            Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht
                                            wordt niet opgelegd na verloop van <cursief>vijf jaren
                                            </cursief>nadat de betreffende gedraging heeft
                                            plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>het college dringende redenen aanwezig acht.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                    grond van dringende redenen, wordt de</al><al>jongere daarvan schriftelijk mededeling gedaan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><al>1.De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend op
                            de datum waarop het besluit tot</al><al>het opleggen van de maatregel aan de jongere is bekendgemaakt. </al><al>2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                            kracht worden opgelegd, voorzover de</al><al>ingangsdatum daardoor niet voor de datum van de gesanctioneerde
                            gedraging komt te liggen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al> Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                            één of meerdere in de wet genoemde </al><al>verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel
                            opgelegd. Deze maatregelen worden</al><al> gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op artikel 2, tweede lid, niet
                            verantwoord is. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN BEDOELD IN ARTIKEL 45 VAN DE
                            WET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>De hoogte van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een gedraging inhoudende schending van een verplichting als
                                bedoeld in artikel 45 van de wet wordt de maatregel vastgesteld op
                                20 procent van de WIJ-norm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan van het opleggen van een
                                maatregel worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van één
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De duur van de maatregel wordt vastgesteld op een maand.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de duur van de maatregel
                                    worden verdubbeld, indien de jongere binnen</al></li></lijst><al>twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                            opgelegd, opnieuw één van de </al><al>verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet schendt. Met een besluit
                            waarmee een maatregel is opgelegd</al><al> wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                            dringende redenen, bedoeld in artikel 6, </al><al>tweede lid. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel></kop><al>1.Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                            inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid,</al><al>van de wet, niet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of
                            uitvoeren van het werkleeraanbod of tot het ten </al><al>onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening,
                            wordt een maatregel opgelegd van 5 </al><al>procent van de WIJ-norm, </al><al>2.In afwijking van het eerste lid kan van het opleggen van een maatregel
                            worden afgezien en worden volstaan</al><al>met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of
                            niet behoorlijk nakomen van de verplichting </al><al>plaatsvindt binnen een periode van een jaar te rekenen vanaf de datum
                            waarop eerder aan de jongere</al><al> een schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al><lijst><li nr="3."><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt
                                    vastgesteld op een maand.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het derde lid kan de hoogte van de maatregel
                                    worden verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden
                                    na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt
                                    opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan
                                    te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                    opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien
                                    op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede
                                    lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de
                                    wet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van
                                    het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog
                                    bedrag verlenen van de inkomensvoorziening, wordt de maatregel
                                    afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>De maatregel bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende
                                    wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10 procent van
                                            de WIJ-norm;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20
                                            procent van de WIJ-norm;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40
                                            procent van de WIJ-norm;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100
                                            procent van de WIJ-norm.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                    vastgesteld op een maand.</al></li><li nr="4."><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al><lijst><li nr="a."><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is
                                            ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een </al></li></lijst></li></lijst><al>aanvang heeft genomen; </al><al>b.zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het Openbaar
                            Ministerie een schikking met </al><al>belanghebbende heeft getroffen. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN</titel></kop><structuurtekst><al>1.Indien de jongere zich tegenover het college of zijn ambtenaren zeer
                            ernstig misdraagt als bedoeld in artikel</al><al>41, eerste lid van de wet, wordt een maatregel opgelegd van 40% van de
                            WIJ-norm. </al><lijst><li nr="2."><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                    vastgesteld op een maand.</al></li><li nr="3."><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan,
                                    indien sprake is van verbaal geweld, worden</al></li></lijst><al>afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke
                            waarschuwing, tenzij het verbale geweld </al><al>plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
                            waarop eerder aan de jongere een </al><al>schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is
                            gegeven. </al><al>4.In afwijking van het eerste lid kan een maatregel worden opgelegd van
                            100 procent van de WIJ-norm, indien</al><al>binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een
                            maatregel als bedoeld in het eerste lid, is</al><al>opgelegd, sprake is van eenzelfde als verwijtbaar aan te merken
                            gedraging. Met een besluit waarmee een </al><al>maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om af te zien van
                            het opleggen van een maatregel op grond </al><al>van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober 2009. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening Wet
                            investeren in jongeren gemeente Diemen</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>in zijn openbare vergadering van 24 september 2009 </ondertekening><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting maatregelenverordening WIJ De Wet investeren in jongeren en
                    de inkomensvoorziening </tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op de uitgangspunt
                    dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken
                    gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun
                    levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle
                    jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten
                    gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen
                    of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, als het
                    werkleeraanbod onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan
                    worden gedaan. De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de
                    inkomensvoorziening anderzijds is een bepalend element in de WIJ. </al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de plicht tot
                    arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het
                    uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en
                    geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’. </al><al>Aanvaardt de jongere het werkleeraanbod en is het inkomen ontoereikend, dan
                    bestaat in beginsel recht op een inkomensvoorziening. Deze inkomensvoorziening
                    volgt in grote lijnen de WWB voor wat betreft de voorwaarden die aan het recht
                    zijn verbonden en de normering die geldt voor de hoogte van deze voorziening. </al><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten. De
                    gemeente is verplicht een werkleeraanbod en eventueel een inkomensvoorziening
                    aan te bieden, de jongere is daartegenover verplicht zich te houden aan diverse
                    verplichtingen. Worden deze verplichtingen geschonden, dan dient de
                    inkomensvoorziening verlaagd te worden (artikel 41, eerste lid, WIJ). Die
                    verlaging geschiedt conform de regels die in een gemeentelijke verordening
                    moeten zijn vastgelegd (artikel 12, eerste lid, onderdeel b, WIJ). Dat is de
                    Maatregelverordening. </al><tussenkop>Reikwijdte Maatregelverordening WIJ </tussenkop><al>In afwijking van het uitgangspunt van de wetgever om de WIJ zoveel mogelijk
                    WWB-conform in te richten, is de in de WIJ vastgelegde reikwijdte van de
                    gemeentelijke Maatregelverordening beperkter van aard dan die in de WWB. Aan het
                    werkleeraanbod en de inkomensvoorziening kunnen minder uiteenlopende
                    verplichtingen verbonden worden dan aan de bijstand. Het scala is beperkter van
                    aard. De verplichtingen die op grond van artikel 41 WIJ kunnen worden
                    gesanctioneerd betreffen de inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht
                    (artikel 44 WIJ), alsmede een aantal concreet benoemde verplichtingen m.b.t. de
                    arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van een
                    werkleeraanbod (artikel 45 WIJ).</al><al>Een ander verschil tussen de WIJ en de WWB is dat de inkomensvoorziening niet
                    verlaagd kan worden als de jongere zich schuldig maakt aan tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid in de voorziening in het bestaan, anders dan in de vorm
                    van schending van één van de in artikel 41 WIJ genoemde verplichtingen. Dat
                    heeft tot gevolg dat de inkomensvoorziening niet verlaagd kan worden in geval
                    van het onverantwoord interen van vermogen en bij verwijtbare werkloosheid, als
                    deze gedragingen leiden tot het indienen van een aanvraag voor een
                    werkleeraanbod. Het belang van duurzame arbeidsparticipatie van de jongere heeft
                    in deze geprevaleerd boven het als maatregelwaardig aanmerken van de
                    bovengenoemde gedragingen. </al><al>De Maatregelverordening WIJ heeft al met al dus een beperkter strekking en
                    reikwijdte dan de Maatregelverordening WWB en wijkt daarom af waar het de
                    omschreven maatregelwaardige gedragingen betreft. </al><tussenkop>Verlagen is maatwerk </tussenkop><al>Hoewel de gemeenteraad de regels stelt over het verlagen van de
                    inkomensvoorziening, is het verlagen van de inkomensvoorziening een vorm van
                    maatwerk, waarmee het college is belast (zie ook Kamerstukken II 2008-2009, 31
                    775, nr. 7, p. 27). Evenals dat binnen de kaders van de WWB het geval is, dient
                    de maatregel afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere. Het uitgangspunt wordt
                    gevormd door de regels die ter zake door de gemeenteraad zijn gesteld. In de
                    Maatregelverordening zijn de gedragingen die een schending van de verplichtingen
                    opleveren genormeerd. Die normering is echter niet absoluut. Zowel in de ernst
                    van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de
                    jongere kan aanleiding worden gevonden om van de standaardmaatregel af te
                    wijken. Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het college echter
                    zonder meer verplicht om van verlaging af te zien (artikel 41, tweede lid, WIJ).
                    Vanwege het karakter van de inkomensvoorziening als minimuminkomen is tevens
                    bepaald dat binnen drie maanden heroverweging van de verlaging plaatsvindt.
                    Daarmee wordt gewaarborgd dat de verlaging ook afgestemd blijft op de
                    omstandigheden van de jongere en deze niet onaanvaardbaar lang over een te laag
                    inkomen blijft beschikken. </al><tussenkop>Berekeningsgrondslag en duur van de maatregel </tussenkop><al>De maatregel wordt in deze verordening toegepast op de toepasselijke WIJ-norm.
                    Ingegeven door overwegingen van uitvoerbaarheid, zou de gedachte kunnen rijzen
                    dat het noemen van vaste bedragen in de verordening wellicht handiger zou zijn.
                    Daar tegenover staat echter dat dit spoedig tot vormen van rechtsongelijkheid en
                    disproportionaliteit kan leiden. Een maatregel van € 250,- betekent voor een
                    20-jarige een verlies van vrijwel de volledige inkomensvoorziening, terwijl dit
                    voor een 21-jarige verhoudingsgewijs een veel minder groot aandeel betreft.
                    Bovendien roept het verlagen van de inkomensvoorziening met een vast bedrag ook
                    het beeld op van een boete. Mede om die redenen is de maatregel in deze
                    verordening gerelateerd aan de toepasselijke WIJ-norm. </al><al>In deze modelverordening wordt gekozen voor een maand als de reguliere duur van
                    de maatregel. Dit is echter bij de verschillende sanctioneerbare gedragingen in
                    een afzonderlijke bepaling benoemd, zodat ter zake ook andere keuzes gemaakt
                    kunnen worden. Bij recidive geldt als regel dat deze duur verdubbeld wordt. Voor
                    schending van de inlichtingenplicht is dit expliciet opengelaten, zodat ook
                    eenvoudig gekozen kan worden voor verdubbeling van het percentage. </al><tussenkop>De term 'maatregel' </tussenkop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van het feit dat de
                    belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen,
                    wordt in de WIJ aangeduid als het verlagen van de inkomensvoorziening.
                    Gebruikelijk onder gemeenten is echter de term ‘maatregel’. Daarmee wordt niet
                    alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat ook binnen de bijstandspraktijk
                    gangbaar is, maar wordt ook het corrigerende karakter ervan benadrukt. Om die
                    reden is in de verordening de term ‘maatregel’ gebruikt om een verlaging aan te
                    duiden. </al><tussenkop>Een waarschuwing in plaats van een maatregel? </tussenkop><al>In de verordening is geregeld dat in beginsel eerst altijd een waarschuwing
                    wordt gegeven voordat een maatregel wordt opgelegd. </al><tussenkop>Verlaging of intrekking inkomensvoorziening? </tussenkop><al>Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening zijn voor de jongere
                    verplichtingen verbonden. Tegenover het recht op een werkleeraanbod en evt.
                    inkomensvoorziening staat de verplichting van de jongere om mee te werken aan de
                    totstandkoming daarvan, bijv. door mee te werken aan een onderzoek naar de
                    arbeidsmogelijkheden. Ook dient de jongere naar beste vermogen mee te werken aan
                    het werkleeraanbod zodra dat vastgesteld is. Daarnaast geldt een inlichtingen-,
                    medewerkings- en identificatieplicht. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in
                    artikel 44, respectievelijk 45 van de WIJ. Komt de jongere een aan het
                    werkleeraanbod verbonden verplichting verwijtbaar niet na, dan staat de gemeente
                    diverse instrumenten ter beschikking. Onderscheid kan worden gemaakt tussen de
                    verschillende fasen waarop de verplichtingen betrekking hebben. </al><tussenkop>Aanvraagfase </tussenkop><al>Betreft het een schending van verplichtingen die betrekking hebben op de
                    aanvraagbehandeling, dan geldt het volgende: als de jongere in het geheel niet
                    meewerkt aan het opstellen van een plan voor zijn arbeidsinschakeling en zo zijn
                    arbeidsinschakeling belemmert, dan doet het college de jongere geen
                    werkleeraanbod (artikel 17, vijfde lid, WIJ). Bijgevolg heeft de jongere, zolang
                    hij niet wenst te voldoen aan die verplichting, geen recht op
                    inkomensvoorziening. Uit artikel 42, eerste lid, onderdeel c, WIJ vloeit immers
                    voort dat voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig
                    blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 niet wil nakomen, geen
                    recht op inkomensvoorziening bestaat (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3,
                    p. 39 en 40). Dit geldt in bredere zin ook voor andere gedragingen van de
                    jongere waaruit kan worden afgeleid dat deze de aan het werkleeraanbod verbonden
                    verplichtingen in het geheel niet wil nakomen. Is sprake van een minder ernstige
                    schending van de verplichtingen m.b.t. de totstandkoming van het werkleeraanbod,
                    dan kan na toekenning van een werkleeraanbod de eventuele inkomensvoorziening
                    verlaagd worden conform de gemeentelijke Maatregelverordening (artikel 41,
                    eerste lid, WIJ). Zo is het denkbaar dat de jongere wel wil meewerken, maar dat
                    de medewerking onvoldoende is. In dat geval zou een maatregel aan de orde kunnen
                    komen. </al><tussenkop>Van toekenning tot tenuitvoerlegging </tussenkop><al>Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een werkleeraanbod maar
                    weigert hij dit aanbod na ontvangst van de toekenningsbeschikking, dan kan het
                    werkleeraanbod worden ingetrokken (art. 21, onderdeel b WIJ). Door de weigering
                    bestaat geen recht op een inkomensvoorziening (art. 42, eerste lid, onderdeel a
                    WIJ). Zoals reeds aangegeven bestaat dat recht evenmin als uit houding en gedrag
                    van de jongere ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat hij de verplichtingen die
                    verbonden zijn aan het werkleeraanbod in het geheel niet wil nakomen (artikel
                    42, eerste lid, onderdeel c ,WIJ). Het werkleeraanbod kan <cursief>daarnaast
                    </cursief>ook worden herzien of ingetrokken als de jongere één of meerdere
                    verplichtingen schendt die specifiek betrekking hebben op de voorbereiding op en
                    uitvoering van het werkleeraanbod (artikel 21, onderdeel b, WIJ). Het kan dan
                    bijvoorbeeld gaan om het nalaten een behandeling van medische aard te ondergaan,
                    of het stellen van onredelijke eisen m.b.t. de te verrichten werkzaamheden. Met
                    de intrekking van het werkleeraanbod vervalt automatisch het recht op
                    inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel f, WIJ). Bij een
                    herziening blijft de inkomensvoorziening in stand. </al><al>Een andere sanctie op dergelijk gedrag is dat het werkleeraanbod wel in stand
                    blijft maar de inkomensvoorziening verlaagd wordt, conform de gemeentelijke
                    Maatregelverordening (artikel 41, eerste lid, WIJ). Het college dient te kiezen
                    welke weg bewandeld wordt, hetzij de intrekking van werkleeraanbod en
                    inkomensvoorziening, hetzij het handhaven van het werkleeraanbod en verlaging
                    van die voorziening. Het past evenwel in het systeem van de WIJ om bij minder
                    ernstige gedragingen tot verlaging van de inkomensvoorziening te besluiten en
                    bij ernstiger gedrag, bijvoorbeeld waar sprake is van schending van meerdere
                    verplichtingen of van herhaald gedrag, het werkleeraanbod in te trekken. Het is
                    immers in de geest van de regeling om, met het oog op duurzame
                    arbeidsparticipatie, een werkleeraanbod niet te snel in te trekken. Dit is in de
                    wetgeving tot uitdrukking gebracht doordat verlaging van de inkomensvoorziening
                    bij schending van de verplichtingen <cursief>imperatief </cursief>is
                    voorgeschreven, waar intrekking van het werkleeraanbod (artikel 21 WIJ) een
                        <cursief>bevoegdheid </cursief>is, juist vanwege de verstrekkende gevolgen
                    daarvan. Bedacht moet daarbij immers worden dat intrekking van het
                    werkleeraanbod tevens intrekking van de inkomensvoorziening tot gevolg heeft
                    (indien toegekend) en dus het effect van ‘dubbele’ bestraffing kan hebben. Het
                    is daarom raadzaam om niet lichtvaardig tot intrekking van het werkleeraanbod
                    over te gaan. Een beleid waarbij slechts in uitzonderingsgevallen tot intrekking
                    van het werkleeraanbod wordt overgegaan, mag daarom in lijn met de bedoelingen
                    van de wetgever worden geacht. Een dergelijke uitzonderingssituatie zal zich in
                    de aanloop naar de feitelijke tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod niet
                    spoedig voordoen. Daarvan kan sprake zijn als van de gemeente niet meer gevergd
                    kan worden dat uitvoering wordt gegeven aan het werkleeraanbod</al><tussenkop>Vanaf de tenuitvoerlegging </tussenkop><al>Werkt de jongere onvoldoende mee aan de feitelijke uitvoering van het
                    werkleeraanbod, dan kan de inkomensvoorziening worden verlaagd, conform de
                    Maatregelverordening (art. 41, eerste lid WIJ). Daarnaast vervalt het recht op
                    inkomensvoorziening als uit de houding en gedragingen van de jongere
                    ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat deze de verplichtingen die aan het
                    werkleeraanbod zijn verbonden in het geheel niet wil nakomen (artikel 42, eerste
                    lid, onderdeel c, WIJ). Voorts kan het werkleeraanbod worden herzien of
                    ingetrokken als de jongere één van die verplichtingen niet nakomt (artikel 21,
                    onderdeel b, WIJ). Vindt intrekking plaats dan vervalt daarmee, zoals gezegd,
                    tevens het recht op inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel f,
                    WIJ). Hetgeen hierboven over de keuze tussen verlaging van de
                    inkomensvoorziening en intrekking van het werkleeraanbod is gezegd geldt mutatis
                    mutandis ook voor deze fase. </al><al>Factoren die betrokken kunnen worden bij het formuleren van beleid m.b.t. de
                    keus tussen intrekken van het werkleeraanbod of verlagen van de
                    inkomensvoorziening zouden kunnen zijn: </al><al>• is er sprake van herhaald gedrag? </al><al>• wat is de kans op herhaling? </al><al>• wat is het belang voor de jongere bij dit werkleeraanbod? </al><al>• wat zijn de kansen op arbeidsinschakeling bij voortzetting van het
                    werkleeraanbod? </al><al>• heeft het gedrag de belangen van derden geschaad? </al><al>• kan van de instelling/bedrijf waar het werkleeraanbod feitelijk wordt
                    uitgevoerd nog worden gevergd dat </al><al>de jongere het werkleeraanbod daar voortzet? </al><al>Het valt buiten het bestek van deze verordening om daarover concretere
                    aanbevelingen te doen. </al><tussenkop>Relatie met Verordening Werkleeraanbod </tussenkop><al>De verordening Werkleeraanbod en de Maatregelverordening vormen twee kanten van
                    dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college plicht op om jongeren een
                    werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt door de verordening
                    Werkleeraanbod gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel tegenover dat de jongere
                    verplicht is het aanbod te aanvaarden en de verplichtingen die aan het
                    werkleeraanbod zijn gekoppeld na te leven. Komt de jongere die verplichtingen
                    niet na, dan vormt de Maatregelverordening het kader voor verlaging van de
                    inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten dus op elkaar aan. In de
                    verordening Werkleeraanbod kan ook worden vastgelegd onder welke voorwaarden en
                    omstandigheden tot intrekking van het werkleeraanbod (en daarmee de
                    inkomensvoorziening) kan worden overgegaan. Dit is in de verordening
                    Werkleeraanbod vastgelegd in artikel 11. Daarmee wordt dan tevens de grens
                    afgebakend met het verlagen van de inkomensvoorziening bij wijze van maatregel.
                    Zoals gezegd is het in lijn met de wetgever als slechts in bijzondere
                    omstandigheden tot intrekking van het werkleeraanbod wordt overgegaan. </al><tussenkop>DE VERPLICHTINGEN DIE TOT EEN MAATREGEL KUNNEN LEIDEN </tussenkop><al>De verplichtingen die aan het werkleerrecht en de inkomensvoorziening jegens het
                    college zijn verbonden zijn de volgende: </al><al>• de inlichtingenplicht (artikel 44, eerste lid, WIJ) </al><al>• de medewerkingsplicht (artikel 44, tweede lid, WIJ) </al><al>• de identificatieplicht (artikel 44, derde lid, WIJ) </al><al>• verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod </al><al>Daarnaast heeft de jongere bij zijn aanvraag om een werkleeraanbod ook een
                    inlichtingenplicht jegens UWV WERKbedrijf, die bij schending ook tot het
                    opleggen van een maatregel kan leiden (artikel 41, eerste lid, WIJ). </al><tussenkop>Schending inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht </tussenkop><al>Schending van de verplichtingen genoemd in artikel 44 WIJ verplicht in beginsel
                    tot verlaging van de inkomensvoorziening. De hier genoemde verplichtingen
                    betreffen de inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht. Voor de twee
                    laatstgenoemde verplichtingen geldt dat schending van deze verplichtingen er in
                    beginsel toe leidt dat het recht op werkleeraanbod en op inkomensvoorziening
                    niet kan worden vastgesteld en daarom afgewezen, beëindigd of ingetrokken kan
                    worden, conform de WWB. Om die reden zijn ze in het kader van deze verordening
                    niet als ‘maatregelwaardige’ gedragingen aangemerkt, naar analogie van het
                    VNG-model van de Maatregelenverordening WWB. In de praktijk blijkt dat dit niet
                    als een gemis wordt ervaren. </al><al>Schending van de inlichtingenplicht heeft zowel betrekking op de
                    inkomensvoorziening als het werkleeraanbod en ziet niet alleen op de
                    informatieplicht van de jongere jegens het college maar ook UWV WERKbedrijf. In
                    dit model is ervoor gekozen om de hoogte van de maatregel te relateren aan de
                    mate van benadeling van de gemeente. Hoe hoger de benadeling, hoe zwaarder de
                    maatregel. </al><tussenkop>Schending van de verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het
                    werkleeraanbod </tussenkop><al>In artikel 45 WIJ zijn tamelijk gedetailleerd de verplichtingen omschreven die
                    betrekking hebben op de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en de
                    tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod. Deze verplichtingen gelden van
                    rechtswege vanaf het moment dat de aanvraag voor een werkleeraanbod wordt
                    ingediend. Schending van één van deze verplichtingen dient in beginsel te leiden
                    tot verlaging van de eventuele inkomensvoorziening. </al><al>Ter wille van de eenvoud en eenduidigheid gelden voor alle schendingen van in
                    artikel 45 genoemde verplichtingen eenzelfde maatregelpercentage. Het aanbrengen
                    van een rangorde in de genoemde verplichtingen is wel mogelijk maar niet altijd
                    zinvol. Een succesvol arbeidstoeleidingstraject zal veelal immers nakoming van
                    alle verplichtingen vergen. Schending van één van de genoemde verplichtingen,
                    welke het ook is, leidt er al toe dat de arbeidsinschakeling belemmerd wordt. Om
                    die reden worden alle gedragingen die een schending van één der verplichtingen
                    oplevert aangemerkt als ‘gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                    belemmeren’. </al><tussenkop>Zeer ernstige misdragingen </tussenkop><al>Afzonderlijke aandacht verdient de verplichting om de inkomensvoorziening te
                    verlagen als de jongere zich zeer ernstig misdraagt (artikel 41, eerste lid,
                    WIJ). Het betreft gedragingen die in het maatschappelijk verkeer in alle
                    gevallen als onacceptabel worden beschouwd (conform artikel 18, tweede lid,
                    WWB). De redactie van artikel 41, eerste lid, WIJ wijkt af van die van artikel
                    18, tweede lid, WWB en laat ruimte open voor de gedachte dat een zeer ernstige
                    misdraging niet afhankelijk zou zijn van de context waarin deze zich afspeelt,
                    zolang deze zich maar tot het college of diens ambtenaren richt. Hiermee is
                    echter niet beoogd is afstand te nemen van de jurisprudentie van de Centrale
                    Raad van Beroep inzake zeer ernstige misdragingen in het kader van
                    bijstandverlening (zie ook Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 46).
                    Zoals de CRvB onder meer in zijn uitspraak van 29 juli 2008, LJN BD7970, heeft
                    overwogen, is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 18, tweede lid, WWB
                    voldaan indien sprake is van het niet of onvoldoende nakomen van een of meer van
                    de in dat artikellid bedoelde verplichtingen <cursief>met als verzwarende
                        omstandigheid </cursief>dat sprake is van agressief, aan de belanghebbende
                    toe te rekenen gedrag jegens het college en bij de uitvoering van de WWB
                    betrokken personen dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als
                    onacceptabel kan worden beschouwd. Een wegens dergelijk gedrag opgelegde
                    verlaging van de bijstand c.q. inkomensvoorziening dient te worden aangemerkt
                    als punitieve (bestraffende) sanctie en op het college rust de bewijslast om
                    voldoende aannemelijk te maken dat van agressie in de zin van de genoemde
                    bepaling sprake is geweest (zie ook de uitspraak van 31 december 2007, LJN
                    BC1811). </al><al>Bezondigt de jongere zich herhaaldelijk een zeer ernstige misdragingen, dan kan
                    het college de jongere tijdelijk uitsluiten van het recht op een werkleeraanbod
                    (artikel 22, eerste lid, WIJ). Een dergelijk besluit moet uiterlijk binnen een
                    maand heroverwogen worden. Anders dan de memorie van toelichting suggereert,
                    betekent dit niet per definitie uitsluiting van het recht op een
                    inkomensvoorziening (zie Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 46/47 voor
                    het standpunt van de regering ter zake). Artikel 42 WIJ, dat daarvoor de
                    grondslag zou moeten bieden, kent ‘ (tijdelijke) uitsluiting van het recht op
                    een werkleeraanbod bij zeer ernstige misdragingen’ niet als afzonderlijke
                    uitsluitingsgrond voor de inkomensvoorziening. Het is wel denkbaar dat het bij
                    herhaling zeer ernstig misdragen kan worden aangemerkt als houding en
                    gedragingen van de jongere waaruit ondubbelzinnig blijkt dat deze de
                    verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen. Om onzekerheid op dit
                    punt uit te sluiten, wordt in deze verordening gekozen voor het (verder)
                    verlagen van de inkomensvoorziening op grond van artikel 41, eerste lid, WIJ,
                    zodat feitelijk een tijdelijke uitsluiting ontstaat.</al><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING </tussenkop><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING </tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving </tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als in de WIJ. De term ‘WIJ-norm’ wordt in deze verordening gebruikt.
                    Daarmee wordt bedoeld de van toepassing zijnde norm, inclusief
                    toeslag/verlaging. Het equivalent in de WWB, de bijstandsnorm (artikel 5,
                    onderdeel c, WWB) is in de WIJ zelf niet opgenomen en gedefinieerd. Wel wordt in
                    de memorie van toelichting tweemaal gesproken van ‘inkomensvoorzieningsnorm’,
                    waarmee kennelijk hetzelfde begrip wordt bedoeld. In artikel 41 WIJ is opgenomen
                    dat het <cursief>bedrag </cursief>van de inkomensvoorziening wordt verlaagd;
                    bedoeld is echter de norm. Omdat hantering van het begrip
                    ‘inkomensvoorzieningsnorm’ of ‘bedrag van de inkomensvoorziening’ de
                    leesbaarheid niet ten goede komt, is het begrip ‘WIJ-norm’ geïntroduceerd. </al><al>Er is een omschrijving van het begrip ‘benadelingsbedrag’ gegeven, omdat dit
                    begrip uitgangspunt is bij het bepalen van de hoogte van de maatregel die
                    verbonden is aan schending van de inlichtingenplicht (zie artikel 12).
                    Aangesloten is bij de omschrijving van dit begrip in het Boetebesluit
                    socialezekerheidswetten. In artikel 1, onderdeel s van dit Besluit is het begrip
                    ‘benadelingsbedrag’ gedefinieerd voor het opleggen van boetes op grond van een
                    vijftiental socialezekerheidswetten, waaronder de IOAW en IOAZ, in verband met
                    schending van de inlichtingenplicht. Gegeven de toelichting op dit artikel wordt
                    onder <cursief>bruto </cursief>benadelingsbedrag tevens verstaan de (inmiddels)
                    afgedragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en de vergoeding bedoeld in
                    de Zorgverzekeringswet, als bedoeld in artikel 54, vierde lid WIJ. Voor zover er
                    ten tijde van het maatregelbesluit nog geen sprake is geweest van afdracht aan
                    belastingen etc. , bijvoorbeeld omdat de teveel verstrekte inkomensvoorziening
                    reeds is terugbetaald in hetzelfde kalenderjaar als waarin de
                    inkomensvoorziening ten onrechte is verstrekt, blijft het benadelingsbedrag
                    uiteraard beperkt tot een netto bedrag. </al><al>Onder benadelingsbedrag wordt niet slechts verstaan de ten onrechte verstrekte
                    uitkering (inkomensvoorziening) maar ook het werkleeraanbod, eveneens conform
                    artikel 1, onderdeel s van het Boetebesluit. Analoog aan het Boetebesluit is
                    daarnaast in het tweede lid nog expliciet bepaald dat onder benadelingsbedrag in
                    deze verordening mede wordt verstaan de kosten die de gemeente maakt voor het
                    ten onrechte toegekende en/of uitgevoerde werkleeraanbod. Die kosten zullen niet
                    altijd eenvoudig zijn vast te stellen, maar als het een voorziening betreft die
                    de jongere ten onrechte heeft benut, is het meestal wel mogelijk om een raming
                    te maken van de daaraan verbonden kosten. Deze kosten tellen mee voor het
                    bepalen van de hoogte van de maatregel bij schending inlichtingenplicht. Dit </al><tussenkop>Artikel 2. Afstemming </tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een maatregel (artikel
                    41, eerste lid, WIJ). In de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving wordt
                    dit afgeraden, niettemin is deze grondslag omwille van de leesbaarheid,
                    duidelijkheid en consistentie, evenals in de het VNG-model van de
                    Maatregelverordening WWB, hier herhaald. Verwezen wordt naar artikel 42 WIJ om
                    aan te geven dat de imperatief voorgeschreven verlaging middels een maatregel
                    niets afdoet aan intrekking van de inkomensvoorziening vanwege intrekking van
                    het werkleeraanbod. Als daartoe wordt besloten, dan komt verlaging veelal niet
                    meer aan de orde. </al><al><onderstreept>Tweede lid </onderstreept>In het tweede lid is de hoofdregel
                    neergelegd: het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de
                    individuele omstandigheden van de jongere en de mate van verwijtbaarheid. Deze
                    bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal
                    moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken jongere
                    afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel
                    geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een
                    matiging betekenen en kan zowel zijn gebaseerd op de ernst van de gedraging als
                    de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere afzonderlijk.
                    Waar verderop in de verordening gedragingen worden genormeerd, kan daarvan dus
                    worden afgeweken op de genoemde gronden. Dat is om redactionele redenen
                    expliciet verwoord, zodat bij de normering van de maatregelen in het vervolg van
                    de verordening niet steeds hoeft te worden gesteld dat de maatregel een
                    x-percentage bedraagt ‘onverminderd artikel 2, tweede lid’, m.a.w. met de
                    mogelijkheid af te wijken. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen: </al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. </al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid. </al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de jongere. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de
                    mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.
                    Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn: </al><al>• bijzondere financiële omstandigheden van de jongere, zoals bijvoorbeeld hoge
                    woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen
                    financiële tegemoetkoming mogelijk is; </al><al>• sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld; </al><al>• bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                    maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van
                    verwijtbaarheid. </al><tussenkop>Artikel 3. De berekeningsgrondslag </tussenkop><al>In dit artikel is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel
                    wordt opgelegd over de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 voor een
                    begripsomschrijving. </al><tussenkop>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel </tussenkop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt opgelegd,
                    vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in
                    het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks
                    voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het
                    motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een
                    besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk </al><al>is gemotiveerd (afdeling 3.7 Awb ). </al><tussenkop>Artikel 5. Horen van belanghebbende </tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12), behalve bij
                    subsidies. </al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt
                    opgelegd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid bevat een aantal
                    uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a en b. staan ook genoemd in
                    artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht. </al><al>Voor de goede orde: het opnemen van een regeling voor het horen van
                    belanghebbenden in deze verordening is facultatief. Gemeenten kunnen zo'n
                    regeling ook achterwege laten. </al><tussenkop>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel </tussenkop><al>Naast de redenen genoemd in dit artikel waarin afgezien kan worden van het
                    opleggen van een maatregel wordt verwezen naar artikel 41, tweede lid, WIJ
                    waarin is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt. Daarnaast is het denkbaar dat in plaats van het
                    opleggen van een maatregel eerst een waarschuwing wordt gegeven. Dit is in deze
                    verordening worden ingeregeld. </al><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging
                    te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit
                    is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad,
                    wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen
                    maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                    plaatsgevonden. Gemeenten kunnen uiteraard voor een kortere of langere periode
                    kiezen. Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en
                    als gevolg waarvan ten onrechte inkomensvoorziening is verleend of een te hoog
                    bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt in de verordening een
                    verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de
                    termijn die gelet op artikel 14e van de Algemene bijstandswet gold in verband
                    met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een
                    termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging
                    (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de
                    omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen. Ten slotte kan in
                    individuele omstandigheden wegens dringende redenen worden afgezien van het
                    opleggen van een maatregel. Van dringende redenen is sprake als de gevolgen van
                    het opleggen van een maatregel onaanvaardbaar zijn. Dat vergt een beoordeling
                    van de situatie van de jongere maar daarvan zal niet spoedig sprake zijn. </al><al><onderstreept>Tweede lid </onderstreept>Het doen van een schriftelijke
                    mededeling dat het college afziet van het opleggen van een maatregel wegens
                    dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive. </al><tussenkop>Artikel 7. Ingangsdatum </tussenkop><al><onderstreept>Eerste lid </onderstreept>Het opleggen van een maatregel vindt
                    plaats door het verlagen van de WIJ-norm. Verlaging van de WIJ-norm kan in
                    beginsel op twee manieren: </al><al>1.met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                    inkomensvoorziening; of 2. door middel van verlaging van de WIJ-norm in de
                    eerstvolgende maand(en).</al><al>Het verlagen van de WIJ-norm die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot
                    herziening van de inkomensvoorziening en het te veel betaalde bedrag aan
                    inkomensvoorziening terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat
                    een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand,
                    waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende WIJ-norm. </al><al><onderstreept>Tweede lid </onderstreept>Is toepassing van lid 1 niet aan de
                    orde, omdat de inkomensvoorziening reeds beëindigd is, dan biedt het tweede lid
                    de mogelijkheid dat met terugwerkende kracht een maatregel worden opgelegd.
                    Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de jongere is uitbetaald,
                    is het praktisch om de verlaging van de uitkering te verrekenen met het bedrag
                    dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de inkomensvoorziening wel
                    worden herzien en teruggevorderd. Dat is ook nog mogelijk indien de
                    inkomensvoorziening reeds is uitbetaald. Uit de jurisprudentie van de Raad
                    blijkt dat de uiterste begrenzing ligt op het moment waarop de gedraging
                    plaatsgevonden heeft. Wordt een dergelijke maatregel opgelegd, dan moet een
                    tevens besluit tot herziening van de inkomensvoorziening op grond van artikel
                    40, derde lid, WIJ worden genomen. </al><tussenkop>Artikel 8. Samenloop </tussenkop><al>Is sprake van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop) dan dient voor
                    iedere gedraging afzonderlijk het maatregelpercentage te worden berekend en
                    gelijktijdig te worden opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is. Als beleid
                    wordt gehanteerd dat de jongere moet kunnen blijven beschikken over 60% van de
                    WIJ-norm. In dat geval kan de maatregel over meerdere maanden worden
                    uitgesmeerd. Daarnaast dient altijd de individuele toets aan artikel 2, tweede
                    lid te worden toegepast. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 45
                    van de wet </tussenkop><tussenkop>Artikel 9. De hoogte van de maatregel </tussenkop><al>In aansluiting op het meest gangbare percentage in het VNG-model van de
                    Maatregelverordening WWB is gekozen voor 20%. Dit kan uiteraard zowel naar boven
                    als naar beneden worden bijgesteld. </al><tussenkop>Artikel 10. De duur van de maatregel </tussenkop><al>Indien binnen één jaar na bekendmaking van het besluit waarmee een eerdere
                    maatregel is opgelegd sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de duur van de maatregel. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                    toegepast. Indien de jongere na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                    hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel
                    individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de jongere. Een zwaardere maatregel dan in geval van recidive
                    is dan doorgaans verdedigbaar. </al><tussenkop>Artikel 11. Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente </tussenkop><al>Indien een jongere de voor het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening van
                    belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan
                    het college het recht op inkomensvoorziening opschorten (artikel 40, eerste lid,
                    WIJ). Het college geeft de jongere vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn
                    verzuim kan herstellen (de hersteltermijn). Wordt de gevraagde informatie niet
                    binnen de gestelde termijn aan de gemeente verstrekt, dan kan het college de het
                    besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening intrekken (artikel 40,
                    vierde lid, tweede volzin, WIJ). Worden de gevraagde gegevens wél binnen de
                    hersteltermijn verstrekt, wordt de inkomensvoorziening voortgezet, maar wordt
                    tevens een maatregel opgelegd. </al><al>Dit lid regelt de hoogte van de maatregel. Tevens wordt daarin de zogeheten
                    'nulfraude' geregeld: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen,
                    zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor het werkleeraanbod of de
                    inkomensvoorziening. Een voorbeeld van nulfraude kan zijn het niet melden van
                    een niet-rechthebbende partner. </al><tussenkop>Artikel 12. Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente </tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al> In artikel 44, eerste lid, WIJ is bepaald dat de jongere op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op zijn werkleeraanbod of het recht op inkomensvoorziening. Het college zal
                    moeten vaststellen wat het onder 'onverwijld' verstaat. De ernst van de
                    gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is
                    het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan inkomensvoorziening alsmede de
                    kosten van het werkleeraanbod. Het is ook denkbaar dat een jongere wel gebruik
                    heeft gemaakt van een werkleeraanbod, maar geen inkomensvoorziening heeft
                    ontvangen, omdat het aanbod voldoende inkomsten genereert. In dat geval kan het
                    gewenst zijn om bij schending van de inlichtingenplicht toch een maatregel te
                    kunnen opleggen, die wordt afgestemd op de kosten van het werkleeraanbod. </al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept> De maatregel wegens het niet of niet
                    behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de
                    hoogte van het bedrag aan inkomensvoorziening dat als gevolg van de schending
                    van die verplichting ten onrechte of te veel aan de jongere is betaald. De
                    maatregel wordt in de regel toegepast op de toekomstige inkomensvoorziening van
                    de jongere maar kan ook met terugwerkende kracht worden opgelegd, zie artikel 7,
                    tweede lid. </al><al>Het opleggen van een sanctie in reactie op schending van de inlichtingenplicht
                    is in beginsel een </al><al>verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. In de Aanwijzing sociale
                    zekerheidsfraude hebben de Procureurs- </al><al>generaal echter richtlijnen gegeven onder welke omstandigheden ter zake van de
                    aan de schending klevende </al><al>strafrechtelijke delicten (veelal oplichting en valsheid in geschrifte)
                    vervolging door het OM moet plaatsvinden. </al><al>Per 1 januari 2009 is de bestaande Aanwijzing sociale zekerheidsfraude gewijzigd
                    (zie Stcrt. 2008/187). </al><al>Uitgangspunt is het zogenaamde ‘una via’-beginsel. De jongere wordt hetzij door
                    de gemeente, hetzij door de </al><al>strafrechter gesanctioneerd. Niet door beide. In grote lijnen komt het erop neer
                    dat als er een redelijk vermoeden bestaat dat het benadelingsbedrag (bruto) €
                    10.000 of hoger is, er aangifte en vervolging door het OM dient plaats te
                    vinden. Is er echter sprake van ‘witte’ fraude (door koppeling van bestanden
                    etc. aan het licht gebracht), dan is de gemeente primair verantwoordelijk tot
                    een benadelingsbedrag van € 35.000. Is de benadeling groter dan is altijd het OM
                    aan zet. Dat geldt ook voor gevallen waarin er met de jongere geen
                    uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen maatregel meer kan worden toegepast. </al><al>In het vierde lid is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als
                    inmiddels vervolging is ingesteld door het OM of als een schikking is getroffen.
                    In dergelijke situaties is een maatregel niet meer opportuun. </al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Zeer ernstige misdragingen </tussenkop><tussenkop>Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen </tussenkop><al>Zie ook de Algemene Toelichting op dit onderdeel. </al><al>Eerste lid </al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een
                    verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor
                    de gemeente bij het vaststellen van het recht op een werkleeraanbod en/of
                    inkomensvoorziening. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer
                    ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die
                    rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WIJ (zie ook de Algemene
                    toelichting op dit onderdeel). In artikel 41, eerste lid, WIJ wordt gesproken
                    over 'het zich jegens het college zeer ernstig misdragen'. Dit betekent dat
                    alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren
                    aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Of dit ook ‘a contrario’
                    betekent dat geen maatregel kan worden opgelegd als er sprake is van zeer
                    ernstige misdragingen jegens externe uitvoerders van de WIJ, zoals het
                    UWV-WERKbedrijf, re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is niet
                    duidelijk. De Centrale Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver niet over
                    uitgelaten. Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een jongere
                    zich ernstig heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden naar de ernst
                    van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden
                    van de jongere. Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging,
                    kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                    ernstiger) worden onderscheiden: a. verbaal geweld (schelden); b. discriminatie;
                    c. intimidatie (uitoefenen van psychische druk); d. zaakgericht fysiek geweld
                    (vernielingen); e. mensgericht fysiek geweld; f. combinatie van agressievormen. </al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband
                    is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen
                    van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                    verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                    ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. </al><al>Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld
                    in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. Het opleggen van een maatregel
                    staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie. Het college legt een
                    maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de agressie zich richtte
                    aangifte kan doen bij de politie. </al><al>Derde lid </al><al>In lid 3 is vastgelegd dat evenals bij andere vormen van verwijtbaar gedrag soms
                    een waarschuwing op zijn plaats kan zijn en gegeven kan worden. </al><al>Vierde lid </al><al>In het vierde lid komt evenals bij andere gedragingen tot uitdrukking dat
                    recidive een reden kan zijn de maatregelduur te verlengen. Vergelijk ook hetgeen
                    in de Algemene toelichting is gesteld over de mogelijkheid om bij herhaald
                    wangedrag de jongere wel tijdelijk uit te sluiten van het recht op
                    werkleeraanbod maar niet van de inkomensvoorziening. Gelet op de wens van de
                    wetgever om bij herhaald zeer ernstige misdragingen de jongere (tijdelijk) uit
                    te sluiten van een inkomensvoorziening, is bij recidive in beginsel een
                    percentage van 100% van toepassing, gedurende de periode van uitsluiting van het
                    werkleeraanbod. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>