<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR49188_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Subsidieverordening Diemen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemer Nieuws, d.d. 30-09-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Subsidieverordening Diemen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet artikel 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene Wet Bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-03-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-04-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de "subsidieverordening Diemen 2002"</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Subsidieverordening Diemen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Opmerkingen m.b.t. de regeling</vet></al><al/><al>Deze regeling vervangt de "subsidieverordening Diemen 2002"</al><al/><al/><al><vet>Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is
                            gebaseerd</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Gemeentewet artikel 149</al></li><li nr="2."><al>Algemene Wet Bestuursrecht</al></li></lijst><al><vet>Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde
                            regelgeving)</vet></al><al/><al><vet>Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</vet></al><al/><al/><al>Datum</al><al>inwerkingtreding</al><al>01-10-2010</al><al/><al>Terugwerkende kracht t/m</al><al>01-03-2010</al><al/><al>Betreft</al><al/><al/><al>Datum ondertekening</al><al>Bron bekendmaking</al><al>11-02-2010</al><al>Diemer Courant</al><al>d.d. 30-09-2010,</al><al>e jaargang, editie ,</al><al>nr. , pagina .</al><al/><al>Kenmerk voorstel</al><al>onbekend</al><al/><al/><al><vet>Algemene Subsidieverordening Diemen </vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Diemen; </al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht; </al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 januari 2010; </al><al>b e s l u i t:</al><al>I In te trekken de Subsidieverordening Diemen 2002;</al><al>II gelijktijdig vast te stellen de hierna volgende :</al><al><vet>Algemene Subsidieverordening </vet><vet>Diemen</vet><vet>.</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Diemen;</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Diemen; </al></li><li nr="c."><al>Awb: de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="d."><al>subsidie: de aanspraak op financiële middelen, door het college
                                    verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager,
                                    anders dan als betaling voor aan het college geleverde goederen
                                    of diensten;</al></li><li nr="e."><al>bedrag: het bedrag als bedoeld in artikel 4:31, eerste lid, van
                                    de Awb;</al></li><li nr="f."><al>incidentele subsidie: subsidie voor activiteiten met een
                                    eenmalig karakter of die minder dan eenmaal per jaar
                                    plaatsvinden;</al></li><li nr="g."><al>structurele subsidie: subsidie voor activiteiten die van jaar
                                    tot jaar plaatsvinden of zich uitstrekken over meerdere jaren
                                    met een structureel karakter;</al></li><li nr="h."><al>subsidieplafond: een bedrag als bedoeld in artikel 4:25 van de
                                    Awb;</al></li><li nr="i."><al>subsidietijdvak: de periode waarvoor subsidie wordt
                                    verstrekt;</al></li><li nr="j."><al>subsidieverlening: een beschikking die een omschrijving bevat
                                    van de te verrichten activiteiten waarvoor subsidie wordt
                                    verleend, het bedrag van de subsidie, dan wel het bedrag waarop
                                    de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, de wijze waarop
                                    dit bedrag wordt betaald, en eventuele verplichtingen en
                                    voorwaarden;</al></li><li nr="k."><al>subsidievaststelling: een beschikking waarbij het bedrag van de
                                    subsidie wordt vastgesteld en die aanspraak geeft op betaling
                                    van het vastgestelde bedrag;</al></li><li nr="l."><al>subsidieverstrekking: subsidieverlening dan wel
                                    subsidievaststelling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is van toepassing op subsidies voor activiteiten op
                                de beleidsterreinen die vallen onder de door de raad in de
                                programmabegroting vastgestelde programma’s.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bij of krachtens deze verordening bepaalde is niet van
                                toepassing indien en voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>bij of krachtens een bijzondere subsidieregeling van het
                                        eerste lid wordt afgeweken,</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van een rijks- of provinciale subsidie, waarbij
                                        het rijk of de provincie een regeling en/of een eigen
                                        verordening heeft vastgesteld.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen de kaders die de raad door middel van de programmabegroting
                                of beleidsnota’s heeft vastgesteld, is het college bevoegd om met
                                betrekking tot de in artikel 2 eerste lid bedoelde beleidsterreinen
                                nadere regels vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde nadere regels kunnen betrekking hebben
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt en de
                                        personen of rechtspersonen die daarvoor in aanmerking
                                        komen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvraag van een subsidie, de indieningstermijn en de
                                        besluitvorming over de aanvraag;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt
                                        bepaald;</al></li><li nr="d."><al>de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>de verplichtingen van de subsidieontvanger;</al></li><li nr="f."><al>de vaststelling van de subsidie;</al></li><li nr="g."><al>de intrekking en wijziging van de subsidieverlening of
                                        -vaststelling;</al></li><li nr="h."><al>de betaling van de subsidie en het verlenen van
                                        voorschotten;</al></li><li nr="i."><al>andere criteria voor de verstrekking van subsidie;</al></li><li nr="j."><al>de vergoeding bij vermogensvorming en de vorming van
                                        reserves en voorzieningen;</al></li><li nr="k."><al>de terugvordering van verleende of vastgestelde
                                        subsidie;</al></li><li nr="l."><al>het opnemen van een bepaling als bedoeld in artikel 6 van de
                                        Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
                                        bestuur.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Bevoegd orgaan</titel></kop><al>Het college is belast met de uitvoering van deze verordening en voor
                            zover van toepassing titel 4.2 van de Awb. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ontvanger subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidie wordt in beginsel slechts verstrekt aan een rechtspersoon
                                met volledige rechtsbevoegdheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In bijzondere omstandigheden kan het college in afwijking van het
                                gestelde in het eerste lid, subsidie verstrekken aan natuurlijke
                                personen indien de activiteit verstrekking van subsidie aan
                                natuurlijke personen bijzonder aangewezen maakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Subsidieplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt jaarlijks per beleidsterrein een subsidieplafond vast
                                door middel van de vaststelling van de begroting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij de raad een andere verdelingsmaatstaf vaststelt, wordt bij de
                                verdeling van de beschikbare middelen voorrang gegeven aan aanvragen
                                van ontvangers van structurele subsidie boven aanvragen van
                                aanvragers die nog niet eerder subsidie ontvingen en worden
                                aanvragen gerangschikt naar de mate waarin zij op doeltreffende en
                                doelmatige wijze bijdragen aan het realiseren van de gemeentelijke
                                beleidsdoelen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aanvraag en verlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een aanvraag om subsidieverlening worden de volgende bescheiden
                                overgelegd, tenzij bij nadere regels anders is bepaald of het
                                college schriftelijk heeft aangegeven dat één of meer van deze
                                bescheiden voor een goede beoordeling van de aanvraag niet nodig
                                zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>een activiteitenplan zoals bedoeld in artikel 4:62 van de
                                        Awb;</al></li><li nr="b."><al>een begroting zoals bedoeld in artikel 4:63 van de Awb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 4:64 van de Awb is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Termijn aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om verlening van structurele subsidie wordt ingediend
                                voor 1 april van het jaar voorafgaand aan het subsidietijdvak
                                waarvoor subsidie wordt gevraagd, tenzij bij nadere regels anders is
                                bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om verlening van incidentele subsidie wordt uiterlijk
                                acht weken voor het begin van de activiteit ingediend, tenzij bij
                                nadere regels anders is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Beslistermijn subsidieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de aanvraag voor structurele subsidie beslist het college
                                uiterlijk op 31 december van het jaar voorafgaand aan het
                                subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de aanvraag om incidentele subsidie beslist het college binnen
                                acht weken na de indieningsdatum.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Vaststelling zonder voorafgaande verlening</titel></kop><al>Bij een subsidiebedrag tot € 10.000 dat voor ten hoogste één
                            kalenderjaar wordt verstrekt, stelt het college de subsidie vast zonder
                            dat daar een subsidieverlening aan vooraf gaat. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Meerjarige subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij structurele subsidies kan het college subsidie verlenen voor een
                                tijdvak van langer dan een jaar, maar niet langer dan vier jaar.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Subsidies voor een tijdvak van langer dan een jaar worden verleend
                                door middel van een beschikking tot subsidieverlening, waarbij voor
                                het tweede jaar en volgende een begrotingsvoorbehoud wordt gemaakt
                                als bedoeld in artikel 4:34 van de Awb.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 4:67 tweede lid is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De subsidieverstrekking kan naast de in artikel 4:25 en artikel 4:35 van
                            de Awb genoemde gevallen worden geweigerd indien gegronde redenen
                            bestaan om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen zijn op de
                                    gemeente of niet aanwijsbaar ten goede komen aan ingezetenen van
                                    de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>niet wordt voldaan aan in nadere regels vastgestelde criteria om
                                    voor subsidie in aanmerking te komen;</al></li><li nr="c."><al>de activiteiten niet of niet in voldoende mate bijdragen aan
                                    gemeentelijke beleidsdoelstellingen dan wel op een wijze die
                                    onvoldoende doelmatig is;</al></li><li nr="d."><al>de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over voldoende
                                    middelen, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van
                                    derden, kan beschikken om de kosten van de activiteiten te
                                    dekken;</al></li><li nr="e."><al>de subsidie niet of in onvoldoende mate besteed zal worden voor
                                    de activiteiten of het doel waarvoor de subsidie beschikbaar
                                    wordt gesteld;</al></li><li nr="f."><al>de financiële continuïteit of de continuïteit van de
                                    bedrijfsvoering van de aanvrager niet in voldoende mate is
                                    gegarandeerd;</al></li><li nr="g."><al>de doelstellingen, activiteiten, statuten of reglementen van de
                                    aanvrager dan wel het beoogde gebruik van de subsidie in strijd
                                    zijn met de wet, waaronder begrepen het wettelijk
                                    discriminatieverbod, het algemeen belang of de openbare
                                    orde.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Indexering subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de verlening van structurele subsidies voor dezelfde of in
                                hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten houdt het college
                                rekening met loon- en prijsontwikkelingen (indexering).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde indexering voor aanvragers die meer
                                dan € 10.000 subsidie per jaar ontvangen, geschiedt op de volgende
                                wijze: </al><lijst><li nr="a."><al>de subsidie wordt gesplitst in een loongevoelig deel en een
                                        niet-loongevoelig deel;</al></li><li nr="b."><al>de hoogte van het loongevoelige deel wordt bepaald aan de
                                        hand van het advies dat de Vereniging van Nederlandse
                                        Gemeenten voor het betreffende kalenderjaar uitbrengt;</al></li><li nr="c."><al>de hoogte van het niet-loongevoelige deel wordt bepaald door
                                        de hoogte van het niet-loongevoelige deel van de subsidie
                                        van het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar
                                        waarvoor subsidie wordt gevraagd, te verhogen met het
                                        algemene percentage waarmee de gemeentebegroting voor het
                                        kalenderjaar waarvoor subsidie wordt gevraagd wordt
                                        aangepast.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde indexering vindt voor aanvragers die
                                minder dan € 10.000 subsidie per jaar ontvangen, geschiedt op de
                                volgende wijze: de subsidie van het kalenderjaar voorafgaande aan
                                het kalenderjaar waarvoor subsidie wordt gevraagd, wordt verhoogd
                                met het algemene percentage waarmee de gemeentebegroting voor het
                                kalenderjaar waarvoor subsidie wordt gevraagd wordt aangepast.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen van de aanvrager</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Verplichtingen subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de subsidieontvanger verplichtingen opleggen
                                die: </al><lijst><li nr="a."><al>strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie,
                                        of </al></li><li nr="b."><al>betrekking hebben op de wijze waarop en de middelen waarmee
                                        de gesubsidieerde activiteiten worden verricht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verplichtingen genoemd in artikelen 4:68, 4:69 en 4:72 van de Awb
                                zijn van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij nadere regels of subsidieverlening kan het college bepalen dat
                                de subsidieontvanger de toestemming van het college nodig heeft voor
                                de rechtshandelingen als genoemd in artikel 4:71 van de Awb. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Zorgvuldig beheer en verzekeringsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger beheert de tot zijn beschikking staande
                                subsidiemiddelen zorgvuldig en treft maatregelen ter voorkoming van
                                vermogensschade.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidieontvanger is verplicht het bij hem in dienst zijnde
                                personeel en de voor hem werkzame vrijwilligers gedurende de tijd
                                dat deze voor hem werkzaam zijn, te verzekeren tegen de gevolgen van
                                wettelijke aansprakelijkheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Informatieplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger doet terstond schriftelijk opgave aan het
                                college van:</al><lijst><li nr="a."><al>een wezenlijke wijziging van de gegevens die bij de
                                        subsidieaanvraag of bij de aanvraag tot vaststelling van de
                                        subsidie zijn overgelegd, zoals wijziging van de aard en
                                        omvang van de activiteiten, het niet kunnen verrichten van
                                        de activiteiten, wijziging van de doelgroep of wijziging van
                                        de inkomsten en uitgaven;</al></li><li nr="b."><al>alle besluiten, feiten en/of omstandigheden die gericht
                                        (kunnen) zijn op beëindiging van de activiteiten van de
                                        subsidieontvanger, dan wel op ontbinding van de
                                        rechtspersoon;</al></li><li nr="c."><al>ontwikkelingen die ertoe (kunnen) leiden dat gemaakte
                                        afspraken voortvloeiende uit een tussen gemeente en
                                        subsidieontvanger gesloten uitvoeringsovereenkomst niet
                                        kunnen worden verwezenlijkt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wijzigingen in de statuten en in de samenstelling van het bestuur
                                van de subsidieontvanger worden aan het college gemeld bij de
                                verantwoording en in elk geval binnen 8 weken na de effectuering van
                                de bedoelde wijzigingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Medewerkingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd controle uit te oefenen op de getrouwheid van
                                door de subsidieontvanger overgelegde gegevens en kan bepalen
                                aanvullend onderzoek te (laten) verrichten om een oordeel te krijgen
                                over de rechtmatigheid en doelmatigheid van besteding van de
                                toegekende subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidieontvanger is verplicht medewerking te verlenen aan de
                                controle en het onderzoek zoals bedoeld in het eerste lid van dit
                                artikel en verschaft daartoe de toezichthouders als bedoeld in het
                                derde lid van dit artikel toegang tot de betreffende accommodatie en
                                verleent hen inzage in de boekhouding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan één of meer personen als toezichthouders als bedoeld
                                in artikel 5:11 van de Awb aanwijzen die zijn belast met het
                                toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens titel 4.2
                                van de Awb en deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vergoedingsplicht vermogensvorming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, lid 2 van de Awb, is de
                                subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie mede
                                heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding
                                verschuldigd aan de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt de hoogte van de vergoeding bedoeld in het
                                vorige lid. De vergoeding is minimaal nihil en is maximaal gelijk
                                aan de vermogenstoename.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Verantwoording en vaststelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Verantwoording bij subsidie tot en met € 10.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen vijf maanden na afloop van de gesubsidieerde activiteit of
                                het subsidietijdvak waarvoor subsidie is verstrekt, dient de
                                ontvanger van subsidie van ten hoogste € 10.000 een verantwoording
                                in waarin hij aangeeft of het doel is gerealiseerd, of de
                                activiteiten conform de vaststelling zijn uitgevoerd, wat de hieraan
                                verbonden totale inkomsten en uitgaven waren en welke verschillen
                                ten opzichte van de vaststelling zijn opgetreden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verantwoording bedoeld in het eerste lid die ingediend wordt door
                                een ontvanger van een meerjarige subsidie zoals bedoeld in artikel
                                11 wordt beschouwd als een aanvraag tot vaststelling. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Verantwoording bij subsidie van meer dan € 10.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij in de subsidiebeschikking een andere termijn is genoemd,
                                dient de ontvanger van subsidie van meer dan € 10.000 binnen vijf
                                maanden in het jaar na afloop van het subsidietijdvak waarvoor de
                                subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling in. Deze aanvraag
                                omvat tenminste:</al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag waaruit blijkt of het doel is
                                        gerealiseerd en de activiteiten zijn uitgevoerd;</al></li><li nr="b."><al>een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden
                                        uitgaven en inkomsten (financieel verslag of
                                        jaarrekening);</al></li><li nr="c."><al>een balans naar de toestand aan het einde van het afgelopen
                                        subsidietijdvak met een toelichting daarop;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij subsidies van € 50.000 of meer is de subsidieontvanger verplicht
                                een controleopdracht te verstrekken aan een accountant als bedoeld
                                in artikel 393, eerste lid, boek 2 van het Burgerlijk Wetboek,
                                resulterend in een accountantsverklaring. De controle richt zich op
                                de getrouwheid en rechtmatigheid van de financiële
                                verantwoordingsinformatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidie van € 100.000 of meer is de accountantscontrole bedoeld
                                in het vorige lid bovendien gericht op de getrouwheid van het
                                inhoudelijk verslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt de subsidie vast binnen acht weken na ontvangst
                                van de in artikel 19, tweede lid en de in artikel 20 bedoelde
                                verantwoording. Het college kan deze termijn eenmaal met maximaal
                                acht weken verlengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de vaststelling van het in artikel 20 bedoelde subsidiebedrag
                                worden de navolgende uitgangspunten gehanteerd, tenzij in de
                                beschikking tot subsidieverlening hierover anders is bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de subsidieontvanger de in het besluit tot
                                        subsidieverlening opgenomen activiteiten realiseert tegen
                                        een lager bedrag dan is verleend, wordt bij de vaststelling
                                        van de subsidie uitgegaan van het verleende bedrag;</al></li><li nr="b."><al>indien de subsidieontvanger de in het besluit tot
                                        subsidieverlening opgenomen activiteiten realiseert tegen
                                        een hoger bedrag dan is verleend, zijn de extra kosten
                                        geheel voor rekening van de subsidieontvanger. </al></li><li nr="c."><al>indien de subsidieontvanger meer activiteiten realiseert dan
                                        in het besluit tot subsidieverlening is opgenomen, dient de
                                        subsidieontvanger de kosten daarvan uit eigen middelen te
                                        dekken; </al></li><li nr="d."><al>indien de subsidieontvanger minder activiteiten realiseert
                                        dan in het besluit tot subsidieverlening is opgenomen of de
                                        kwaliteit van de gerealiseerde activiteiten niet voldoet aan
                                        de daarin gestelde kwaliteitseisen, wordt bij de
                                        vaststelling van de subsidie uitgegaan van het gebleken
                                        lagere niveau. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van het bepaalde
                                bij of krachtens deze verordening, indien de toepassing van deze
                                verordening, gelet op doel en strekking van deze verordening, leidt
                                tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op grond van het eerste lid niet afwijken van het
                                bepaalde bij of krachtens de artikelen 1 tot en met 6 van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op grond van het eerste lid niet afwijken van het
                                bepaalde bij of krachtens deze verordening, indien dat voor een
                                andere aanvrager of ontvanger nadelige gevolgen heeft of zou kunnen
                                hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Inwerkingtreding, intrekking en overgangsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2010, met inachtneming
                                van het bepaalde in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met ingang van de in lid 1 genoemde datum wordt de
                                “Subsidieverordening Diemen 2002” ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn
                                verleend, zijn de bepalingen van de “Subsidieverordening Diemen
                                2002” van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Algemene Subsidieverordening
                            Diemen.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting op Algemene Subsidieverordening Diemen</tussenkop><tussenkop>ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><al>Deze nieuwe verordening komt in de plaats van de “Subsidieverordening Diemen
                    2002”. Om de volgende redenen is een nieuwe verordening wenselijk:</al><al>a.Vermindering van administratieve lasten voor subsidieontvangers en gemeente.
                    Het subsidieproces kent standaard een aantal juridische momenten. Standaard is
                    dat een subsidie voor het begin van het kalenderjaar of een incidentele
                    activiteit op basis van een aanvraag wordt `verleend´. De ontvanger krijgt een
                    voorschot en voert de activiteit uit. Na afloop dient de ontvanger een
                    verantwoording in, ofwel een aanvraag om de subsidie vast te stellen. Als de
                    ontvanger aan alle verplichtingen heeft voldaan, wordt de subsidie
                    ´vastgesteld´. Dit gebeurt elk jaar, ook als er weinig verandering is in de
                    activiteiten of de hoogte van het subsidiebedrag. De nieuwe verordening zorgt
                    voor minder administratieve lasten:</al><lijst><li nr="-"><al>Bij subsidies tot € 10.000 voor ten hoogste één jaar, vindt vaststelling
                            plaats zonder voorafgaande verlening. Achteraf moet nog wel een
                            verantwoording worden ingediend, maar er wordt volstaan met een lichte
                            verantwoordingssystematiek. Overigens kunnen aanvragen voor incidentele
                            activiteiten uiterlijk 8 weken voor aanvang van de activiteit worden
                            ingediend (dit was 12 weken). </al></li><li nr="-"><al>Bij structurele subsidies kan subsidie worden verleend voor een periode
                            van maximaal vier jaar. De subsidie hoeft dan niet ieder jaar te worden
                            aangevraagd en verleend. Dit bespaart de aanvrager en de gemeente werk.
                        </al></li></lijst><al>De vermindering van administratieve lasten kan bij de uitvoering van de
                    verordening verder gestalte krijgen, bijvoorbeeld door te werken met
                    standaardformulieren en het digitaal aanleveren van stukken. </al><lijst><li nr="b."><al>Vermindering van regelgeving (deregulering). De nieuwe verordening kent
                            minder bepalingen dan de verordening uit 2002. Zo zijn de artikelen
                            geschrapt die ook in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan. De Awb
                            kent ook een aantal bepalingen die facultatief van toepassing kunnen
                            worden verklaard, bijvoorbeeld over de bescheiden die moeten worden
                            ingediend bij een aanvraag of over verplichtingen. Waar mogelijk en
                            zinvol, zijn dergelijke artikelen van toepassing verklaard. In de
                            artikelgewijze toelichting wordt ingegaan op de inhoud van de
                            betreffende bepalingen.</al></li><li nr="c."><al>De gemeente beschikte niet over een algemene verordening die als
                            juridisch kader kon dienen voor alle subsidies. De verordening uit 2002
                            had betrekking op het terrein van welzijn. Onder de ´paraplu´ van de
                            nieuwe verordening kunnen eventueel op deelterreinen bijzondere
                            subsidieverordeningen of nadere regels worden vastgesteld. </al></li><li nr="d."><al>Betere afstemming op de Awb en Gemeentewet. De nieuwe verordening is,
                            zoals de Awb deze bedoeld heeft, namelijk een invulling van de
                            subsidietitel van de Awb. Ook de gehanteerde begrippen zijn in lijn met
                            de Awb. De rolverdeling tussen raad en college is in de verordening in
                            overeenstemming gebracht met de dualisering van het gemeentebestuur.
                        </al></li></lijst><al>Vanwege de geschetste gewijzigde opzet van de verordening en het grote aantal
                    wijzigingen is gekozen voor een geheel nieuwe verordening. </al><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In dit artikel zijn de begripsomschrijvingen opgenomen die van toepassing zijn
                    in deze verordening. Dit om interpretatieverschillen te voorkomen. </al><tussenkop>Artikel 2 Reikwijdte</tussenkop><al>Artikel 4:23 van de Awb geeft aan dat subsidiëring in beginsel slechts mogelijk
                    is op grond van een wettelijk voorschrift. Door de aanwezigheid van een
                    wettelijke grondslag wordt de rechtszekerheid van de subsidieaanvrager en de
                    subsidieontvanger gewaarborgd. Dit betekent voor de gemeentelijke praktijk dat
                    subsidies op een verordening gebaseerd dienen te zijn. In dit artikel wordt
                    aangegeven dat de verordening geldt voor alle gemeentelijke subsidies, tenzij
                    andere verordeningen van toepassing zijn (tweede lid onder a). Soms fungeert de
                    gemeente als doorgeefluik voor rijks- of provinciale subsidie. De gemeentelijke
                    verordening is in die gevallen niet van toepassing voor zover op de subsidie
                    hogere regelgeving van toepassing is (tweede lid onder b). </al><tussenkop>Artikel 3 Nadere regels</tussenkop><al>In dit artikel is bepaald dat het college bevoegd is om ter uitvoering van deze
                    verordening nadere regels te stellen ten behoeve van de subsidieverstrekking.
                    ´Nadere regels´ zijn niet hetzelfde als ´beleidsregels´. Een beleidsregel is
                    volgens de Awb “een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een
                    algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de
                    vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het
                    gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan”. Het voordeel van een
                    beleidsregel is dat het een vaste gedragslijn van het bestuursorgaan betreft en
                    dat het bestuursorgaan voor motivering van een besluit kan volstaan met
                    verwijzing naar de beleidsregel. Beleidsregels kunnen niet rechtstreeks
                    verplichtingen opleggen aan burgers, bijvoorbeeld over de stukken die bij de
                    aanvraag moeten worden ingediend. Dat kan wel bij nadere regels. Daarom geeft de
                    verordening de bevoegdheid aan het college om´nadere regels´ vast te stellen. Ze
                    moeten wel in overeenstemming zijn met de kaders die de raad heeft vastgesteld
                    door middel van de programmabegroting. In elk programma van de begroting wordt
                    verwezen naar relevante kaderstellende beleidsnota’s. Lopende het jaar kunnen
                    nieuwe kaderstellende nota’s worden vastgesteld. Het college neemt ook deze in
                    acht bij de uitvoering van de verordening. </al><tussenkop>Artikel 4 Bevoegd orgaan</tussenkop><al>Dit artikel wijst het college aan als het voor de subsidiëring relevante
                    bestuursorgaan. Uiteraard is het college daarbij gehouden aan de financiële en
                    inhoudelijke grenzen die de raad heeft vastgesteld. </al><tussenkop>Artikel 5 Ontvanger subsidie</tussenkop><al>Een subsidieontvanger dient rechtspersoonlijkheid te bezitten. De inrichting en
                    het functioneren van dergelijke organisaties is wettelijk geregeld. In
                    uitzonderingssituaties kan subsidie aan natuurlijke personen worden verstrekt,
                    bijvoorbeeld in het kader van een subsidieregeling die bewonersinitiatieven
                    financieel mogelijk maakt. Het zal dan in de regel om kleinschalige initiatieven
                    gaan waarvoor relatief lage subsidiebedragen worden toegekend.</al><tussenkop>Artikel 6 Subsidieplafond</tussenkop><al>Om open-einde subsidiëring te voorkomen, geeft de Awb de mogelijkheid een
                    zogenaamd subsidieplafond in te stellen (afdeling 4.2.2 van de Awb). Het
                    subsidieplafond is een vast budget dat beschikbaar is voor bepaalde
                    activiteiten. Het voordeel van een plafond is dat als het door subsidieverlening
                    het plafond dreigt te worden overschreden, een aanvraag moet worden afgewezen.
                    Normaal gesproken is onvoldoende budget – als dat de enige weigeringsgrond zou
                    zijn – onvoldoende om een aanvraag af te wijzen. </al><al>De raad is in dit artikel aangewezen als het bevoegde orgaan om een
                    subsidieplafond vast te stellen en de wijze van verdeling te bepalen. Dat
                    gebeurt door middel van het vaststellen van de gemeentebegroting. Wil een
                    subsidieplafond het daaraan in de Awb toegekende gevolg hebben, dan dient dat
                    tevoren – dat wil zeggen vóór het tijdvak waarvoor de subsidie is bestemd –
                    bekend te worden gemaakt. Bij die bekendmaking behoort tevens, zoals de Awb wet
                    bepaalt, de wijze van verdeling van de subsidies te worden aangegeven. Daarin
                    voorziet het tweede lid. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Aanvraag en verlening</tussenkop><al>De gangbare subsidiesystematiek is dat een organisatie subsidie aanvraagt
                    voorafgaande aan het betreffende tijdvak of de activiteit. Op basis van de
                    aanvraag verleent het college al dan niet subsidie. Als subsidie wordt verleend,
                    worden meestal ook voorschotten verleend. Deze bevoegdheid is vastgelegd in de
                    Awb (art. 4:54) en wordt daarom niet in de verordening vermeld. In de regel
                    wordt de voorschotverlening gecombineerd met de subsidieverlening. Na afloop van
                    het tijdvak of van de activiteit dient de subsidieontvanger een verantwoording
                    in op basis waarvan het college de subsidie vaststelt en de financiële aanspraak
                    van de subsidieontvanger definitief wordt. Afhankelijk van de betaalde
                    voorschotten en de hoogte van het vastgestelde bedrag vindt eventueel nog een
                    betaling of terugvordering plaats. Ook dat is geregeld in de Awb.</al><tussenkop>Artikel 7 Aanvraag</tussenkop><al>De Awb stelt in artikel 4:2 algemene eisen aan aanvragen. Een aanvraag moet
                    worden ondertekend en moet ten minste bevatten: de naam en het adres van de
                    aanvrager; de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt
                    gevraagd. Verder moet de aanvrager alle zaken verschaffen die nodig zijn om een
                    beslissing te kunnen nemen. </al><al>In het eerste lid van artikel 7 worden de bescheiden vermeld waarover het
                    college bij de aanvraag dient te beschikken. Hierbij wordt voor een omschrijving
                    van het activiteitenplan en de begroting verwezen naar de Awb. Artikel 4:62 van
                    de Awb omschrijft het activiteitenplan als een overzicht van de activiteiten
                    waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen, met
                    per activiteit een vermelding van de daarvoor benodigde personele en materiële
                    middelen. Over de begroting staat in artikel 4:63 van de Awb staat dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de begroting een overzicht behelst van de voor het boekjaar geraamde
                            inkomsten en uitgaven van de aanvrager, voor zover deze betrekking
                            hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd;</al></li><li nr="b."><al>de begrotingsposten ieder afzonderlijk van een toelichting worden
                            voorzien;</al></li><li nr="c."><al>tenzij voor de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft nog niet
                            eerder subsidie werd verstrekt, de begroting ook een vergelijking
                            behelst met de begroting van het lopende boekjaar en de gerealiseerde
                            inkomsten en uitgaven van het jaar, voorafgaand aan het lopende
                            boekjaar. </al></li></lijst><al>Het tweede lid verklaart artikel 4:64 van de Awb van toepassing. Dat artikel
                    heeft betrekking op de situatie dat recentelijk geen subsidie werd gevraagd. In
                    dat geval moeten ook de geldende statuten en de laatste jaarrekening (in
                    principe voorzien van een accountantsverklaring, tenzij het college deze niet
                    nodig acht) worden overgelegd. </al><al>Het college kan voor het indienen van een aanvraag van een subsidie en het
                    verstrekken van gegevens standaardformulieren en modellen vaststellen op grond
                    van artikel 4:4 van de Awb. Eventueel kan in nadere regels worden opgenomen dat
                    de aanvrager verplicht is een formulier te gebruiken. </al><al>Als het college van oordeel is dat voor de beoordeling van de aanvraag
                    aanvullende gegevens en bescheiden nodig zijn, kan hij deze vragen op grond van
                    artikel 4:4, tweede lid, van de Awb. De aanvrager is verplicht de informatie te
                    verschaffen. Indien de aanvraag niet volledig is kan de aanvraag op grond van
                    artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling worden gelaten, mits de aanvrager de
                    gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen binnen een door het college te
                    stellen termijn. </al><tussenkop>Artikel 8 Termijn aanvraag</tussenkop><al>Structurele subsidies moeten voor 1 april worden ingediend. Dat geeft het
                    college tijd om desgewenst met aanvraag rekening te houden bij de
                    begrotingsvoorbereiding. Voor incidentele subsidies is ervoor gekozen om voor de
                    aanvraag een termijn van acht weken vóór aanvang van de activiteiten te stellen. </al><tussenkop>Artikel 9 Beslistermijn subsidieverlening</tussenkop><al>De vraag of een subsidieaanvraag kan worden gehonoreerd, is mede afhankelijk van
                    de vraag of de desbetreffende begrotingspost door de gemeenteraad wordt
                    gehonoreerd. Daarom wordt de beschikking tot subsidieverlening gegeven na
                    vaststelling van de begroting (uiterlijk 15 november) en vóór het begin van het
                    kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Op incidentele verzoeken
                    beslist het college binnen acht weken na de in artikel 8 genoemde
                    indieningsdatum. De beslistermijn wordt opgeschort als het college op grond van
                    artikel 4:5 van de Awb de aanvrager heeft verzocht de aanvraag aan te vullen
                    (art. 4:15 Awb). In de verleningsbeschikking dienen op de grond van de Awb in
                    ieder geval de activiteiten, het bedrag (dan wel de wijze waarop dit wordt
                    bepaald) en het subsidietijdvak te worden opgenomen. In verband met de Wet
                    dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen wordt de beslistermijn goed
                    bewaakt. De beslistermijnen is zodanig dat het college doorgaans op tijd een
                    beslissing kan nemen. Uitstel wordt vaak veroorzaakt omdat de aanvraag niet
                    compleet is. </al><tussenkop>Artikel 10 Vaststelling zonder voorafgaande verlening</tussenkop><al>In beginsel bestaat het subsidieproces uit een verlening vooraf en een
                    vaststelling achteraf. Om de administratieve lasten te verlagen en het
                    subsidieproces efficiënt te laten verlopen, vindt bij incidentele of structurele
                    subsidiebedragen tot € 10.000 die op maximaal één kalenderjaar betrekking hebben
                    geen verlening vooraf plaats en wordt de subsidie direct vastgesteld. De
                    subsidieontvanger is wel verplicht tot een (lichte) verantwoording. In bepaalde
                    situaties kan subsidie worden teruggevorderd, bijvoorbeeld als hij niet heeft
                    voldaan aan de verplichtingen (art. 4:51 Awb).</al><tussenkop>Artikel 11 Meerjarige subsidies</tussenkop><al>Structurele subsidies kunnen voor een tijdvak van maximaal vier jaar worden
                    verleend. Dit betekent praktisch gezien dat de aanvrager gedurende het
                    subsidietijdvak niet jaarlijks een aanvraag hoeft in te dienen en het college
                    ook maar één verleningsbeschikking afgeeft voor het gehele subsidietijdvak. Het
                    college beoordeelt per subsidieontvanger of het verlenen van een meerjarige
                    subsidie een geschikt middel is. In het kader van verlichting van de
                    administratieve lasten wordt ernaar gestreefd structurele subsidies zo veel
                    mogelijk in de vorm van meerjarige subsidies te verlenen. Er kunnen echter
                    redenen zijn om bij een bepaalde instelling geen meerjarige subsidie te
                    verlenen. Bijvoorbeeld omdat de activiteiten van de subsidieontvanger van jaar
                    tot jaar wisselend zijn, er twijfel bestaat over de continuïteit van de
                    organisatie of de subsidieontvanger bezig is met een fusieproces. De meerjarige
                    subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat op de gemeentebegroting
                    voldoende geld beschikbaar wordt gesteld. Zodoende blijft het budgetrecht van de
                    gemeenteraad gewaarborgd. In artikel 4:67 tweede lid van de Awb staat dat indien
                    de subsidie voor twee of meer boekjaren wordt verleend, aan de subsidie de
                    verplichting wordt verbonden tot het periodiek aan het bestuursorgaan
                    verstrekken van de gegevens die voor de vaststelling van de subsidie van belang
                    zijn. Vaststelling vindt plaats na afloop van het subsidietijdvak. </al><tussenkop>Artikel 12 Weigeringsgronden</tussenkop><al>Activiteiten worden onder meer niet gesubsidieerd als zij niet of niet in
                    voldoende mate bijdragen aan gemeentelijke beleidsdoelstellingen dan wel als dan
                    niet op voldoende doelmatige wijze gebeurt. Deze weigeringsgrond ten eerste
                    worden toegepast als subsidie inhoudelijk gezien niet past in het gemeentelijk
                    beleid. Ten tweede kan deze grond worden toegepast als de activiteit op zichzelf
                    wel past in het beleid, maar niet doelmatig is. Bijvoorbeeld omdat: </al><lijst><li nr="·"><al>het college het gevraagde subsidiebedrag te hoog vindt in relatie tot de
                            beoogde resultaten van de activiteit;</al></li><li nr="·"><al>de aanvrager naar verwachting van het college onvoldoende zal
                            samenwerken met andere organisaties, of</al></li><li nr="·"><al>de gemeente reeds op andere wijze is voorzien in het beoogde doel of de
                            voorgenomen activiteit.</al></li></lijst><al>Het toepassen van een weigeringsgrond is maatwerk. De aanwezigheid van voldoende
                    middelen om de kosten van activiteiten te dekken kan blijken uit de current
                    ratio. Deze wordt weergegeven in een kengetal waarmee de liquiditeit van een
                    organisatie wordt uitgedrukt. Een gezonde waarde ligt boven de 1. Ook bij
                    bijvoorbeeld de weigeringsgrond ten aanzien van de financiële continuïteit kan
                    geen harde maatstaf worden gegeven. De garantie voor de financiële continuïteit
                    kan blijken uit het weerstandsvermogen. Deze wordt weergegeven in een kengetal
                    waarmee het vermogen wordt uitgedrukt van een organisatie om ook in ongunstige
                    tijden haar activiteiten te kunnen voortzetten. Ter illustratie van de noodzaak
                    van maatwerk: het ministerie van OCW werkt met een ondergrens van 10%, terwijl
                    bij pensioenfondsen bijvoorbeeld de grens op 105% ligt. </al><al>De weigeringsgronden in dit artikel zijn aanvullend op de weigeringsgronden die
                    in de Awb worden genoemd. Op grond van art. 4:25 Awb moet de aanvraag worden
                    geweigerd als door honorering het eventuele subsidieplafond zou worden
                    overschreden. Op grond van art. 4:35 Awb kan subsidieverlening worden geweigerd
                    als er gegronde reden is om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording
                            zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de
                            subsidie van belang zijn;</al></li></lijst><al>of als de aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                            verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                            beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of
                            ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
                            toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is
                            ingediend.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 13 Indexering subsidies</tussenkop><al>Organisaties die structurele subsidie ontvangen, krijgen veelal te maken met
                    prijs- en loonstijging. Het is daarom wenselijk dat het college subsidies
                    aanpast of indexeert. Het gaat hierbij om de structurele activiteiten die
                    jaarlijks geheel of nagenoeg ongewijzigd worden voortgezet. Dit artikel over
                    indexering verhindert dus bijvoorbeeld niet dat de subsidie voor activiteiten
                    wordt stopgezet. De wijze van indexering is beschreven in het tweede lid. Er
                    wordt een onderscheid gemaakt tussen organisaties die per jaar € 10.000 of meer
                    ontvangen en organisaties die minder subsidie ontvangen. </al><al>Voor organisaties die € 10.000 of meer per jaar ontvangen is het belangrijk dat
                    de CAO-ontwikkeling wordt gevolgd. Het niet volledig compenseren van de
                    CAO-ontwikkeling zou een structureel negatief effect hebben. Het college volgt
                    het advies van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten over de personeelskosten.
                    Is dit niet bekend voordat de subsidie wordt verleend, dan wordt bij de
                    verlening het percentage toegepast dat in de gemeentebegroting wordt gehanteerd.
                    Nadat het advies bekend geworden is, wordt de verlening herzien. Voor
                    organisaties met minder dan € 10.000 per jaar wordt volstaan met het algemene
                    percentage waarmee de gemeentebegroting wordt aangepast.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Verplichtingen van de aanvrager</tussenkop><al>De Awb biedt de mogelijkheid om subsidieontvangers verplichtingen op te leggen.
                    Mocht een subsidieontvanger niet voldoen aan de verplichtingen, dan kan de
                    subsidie lager worden vastgesteld (als er een verlening aan vooraf is gegaan,
                    artikel 4:46 van de Awb) of kan de subsidievaststelling worden gewijzigd (als er
                    geen verlening aan vooraf is gegaan, artikel 4:49 van de Awb). </al><tussenkop>Artikel 14 Verplichtingen subsidieontvanger</tussenkop><al>In artikel 4:37 van de Awb is een aantal standaard verplichtingen opgenomen die
                    een bestuursorgaan in ieder geval kan opleggen aan subsidieontvangers: </al><lijst><li nr="a."><al>aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt
                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en
                            inkomsten;</al></li><li nr="c."><al>het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden
                            die nodig zijn voor een beslissing omtrent de subsidie;</al></li><li nr="d."><al>de te verzekeren risico’s;</al></li><li nr="e."><al>het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten;</al></li><li nr="f."><al>het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte
                            activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover
                            deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;</al></li><li nr="g."><al>het beperken of wegnemen van de nadelige gevolgen van de subsidie voor
                            derden;</al></li><li nr="h."><al>het uitoefenen van controle door een accountant als bedoeld in artikel
                            393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op het door het
                            bestuursorgaan gevoerde financiële beheer en de financiële
                            verantwoording daarover.</al></li></lijst><al>Een aantal van deze verplichtingen is al (uitgewerkt) in de verordening
                    opgenomen, zodat deze voor alle subsidieontvangers gelden en niet meer in nadere
                    regels of in afzonderlijke beschikkingen hoeven te worden opgenomen. </al><al>Artikel 14, eerste lid, van de verordening legt de basis om bij de
                    subsidieverstrekking verplichtingen als bedoeld in artikel 4:38 en 4:39 van de
                    Awb op te leggen. Artikel 4:38 van de Awb biedt de mogelijkheid om ook andere
                    verplichtingen op te leggen die strekken tot realisatie van het doel van de
                    subsidie dan de verplichtingen die in artikel 4:37 van de Awb worden bedoeld.
                    Volgens artikel 4:38, tweede lid, de Awb moet in een verordening de basis worden
                    gelegd voor het in voorkomende gevallen kunnen opleggen van dergelijke
                    verplichtingen aan de ontvanger van een subsidie. Artikel 4:39 van de Awb geeft
                    de mogelijkheid verplichtingen op te leggen die niet strekken tot realisatie van
                    het doel van de subsidie. Dit vereist wel een basis in de verordening.
                    Dergelijke verplichtingen kunnen alleen betrekking hebben op de wijze waarop of
                    de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteiten wordt verricht en moeten wel
                    enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Hieruit volgt dat
                    bijvoorbeeld van een gesubsidieerde welzijnsinstelling nog wel kan worden geëist
                    dat de eigen activiteiten waar mogelijk op milieuvriendelijke wijze worden
                    verricht, maar niet dat wordt meegewerkt aan het verspreiden van folders over
                    het milieubeleid van het college. Als het college dat laatste wil, moet hij voor
                    dat doel subsidie verlenen.</al><al>Het tweede lid van artikel 14 verklaart een aantal facultatieve
                    standaardbepalingen van de Awb van toepassing. Artikel 4:68 verplicht de
                    subsidieontvanger om het boekjaar gelijk te stellen aan het kalenderjaar, tenzij
                    bij subsidieverlening anders is bepaald. Artikel 4:69 stelt eisen aan de
                    administratie van de subsidieontvanger. Artikel 4:72 van de Awb verplicht de
                    subsidieontvanger een egalisatiereserve te vormen. De egalisatiereserve is
                    primair bedoeld om schommelingen in de inkomsten en uitgaven op te vangen. De
                    egalisatiereserve is het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de
                    werkelijke kosten van de activiteiten. </al><al>Het derde lid verwijst naar artikel 4:71 van de Awb. Hierin wordt een reeks van
                    handelingen genoemd waarvoor een subsidieontvanger voorafgaande toestemming van
                    het subsidieverlenende bestuursorgaan behoeft als dit artikel van toepassing is
                    verklaard: </al><lijst><li nr="a."><al>het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon;</al></li><li nr="b."><al>het wijzigen van de statuten;</al></li><li nr="c."><al>het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van
                            registergoederen, indien zij mede zijn verworven door middel van de
                            subsidiegelden, dan wel de lasten daarvoor mede worden bekostigd uit de
                            subsidiegelden;</al></li><li nr="d."><al>het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging,
                            vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of
                            pacht daarvan, indien deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn
                            verworven door middel van de subsidie dan wel de uitgaven daarvoor mede
                            zijn bekostigd uit de subsidie;</al></li><li nr="e."><al>het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van
                            geldlening; </al></li><li nr="f."><al>het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidieontvanger zich
                            verbindt tot zekerheidsstelling met inbegrip van zekerheidsstelling voor
                            schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk
                            medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt;</al></li><li nr="g."><al>het vormen van fondsen en reserveringen;</al></li><li nr="h."><al>het vaststellen of wijzigen van tarieven voor door de subsidieontvanger
                            in de gewone uitoefening van zijn gesubsidieerde activiteiten te
                            verrichten prestaties;</al></li><li nr="i."><al>het ontbinden van de rechtspersoon; </al></li><li nr="j."><al>het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn
                            surséance van betaling.</al></li></lijst><al>Met het oog op beperking van administratieve lasten, verklaart het derde lid van
                    artikel 13 artikel 4:71 van de Awb niet rechtstreeks van toepassing op alle
                    subsidieontvangers, maar laat het ruimte voor maatwerk. Overigens bevat artikel
                    4:71 van de Awb een garantie voor de subsidieontvanger: de toestemming wordt
                    geacht te zijn verleend als het college niet op tijd beslist (binnen uiterlijk
                    vier weken, eenmaal met maximaal vier weken te verlengen).</al><tussenkop>Artikel 15 Zorgvuldig beheer en verzekeringsplicht</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 16 Informatieplicht</tussenkop><al>In het eerste lid wordt een aantal gebeurtenissen genoemd die terstond moeten
                    worden gemeld bij het college. Ze kunnen gevolgen hebben voor de subsidiëring.
                    De wijzigingen genoemd in het tweede lid zijn minder spoedeisend, maar wel van
                    belang.</al><tussenkop>Artikel 17 Medewerkingsplicht</tussenkop><al>In dit artikel is de medewerkingsplicht van de subsidieontvanger geregeld.
                    Hiermee is verzekerd, dat tegen niet-medewerking kan worden opgetreden door de
                    subsidie lager vast te stellen (art. 4:48 van de Awb). </al><tussenkop>Artikel 18 Vergoedingsplicht vermogensvorming </tussenkop><al>Dit artikel heeft betrekking op de situatie dat de subsidieontvanger mede met
                    subsidie vermogen heeft gevormd. In artikel 4:41, tweede lid van de Awb is
                    limitatief een aantal situaties genoemd op grond waarvan de subsidieontvanger
                    een vergoeding verschuldigd is indien subsidie bij de subsidieontvanger tot
                    vermogensvorming heeft geleid en indien de vergoedingsplicht in de verordening
                    is opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al>de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of
                            bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan
                            wijzigt;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of
                            beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of
                            bestemde goederen;</al></li><li nr="c."><al>de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden
                            beëindigd;</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de
                            subsidie wordt beëindigd, of</al></li><li nr="e."><al>de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.</al></li></lijst><al>Het moet vaststaan dat de vermogenstoename niet zou hebben plaatsgevonden als de
                    subsidie niet zou zijn verleend. Het maximum van de vergoeding is gelijk aan de
                    vermogenstoename zelf (tweede lid).</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Verantwoording en vaststelling</tussenkop><al>De verordening maakt ten aanzien van de verantwoordingsplicht onderscheid tussen
                    ontvangers van subsidies tot en met € 10.000, subsidies van € 10.000 tot €
                    49.999, subsidies van € 50.000 tot € 99.999 en subsidies vanaf € 100.000. De
                    zwaarte van de verantwoording neemt toe met het subsidiebedrag. Hiermee wordt
                    beoogd dat de administratieve lasten voor de subsidieontvanger niet onnodig
                    zwaar worden en tegelijkertijd het college de nodige waarborgen heeft met
                    betrekking tot de recht- en doelmatigheid.</al><tussenkop>Artikel 19 Verantwoording bij subsidie tot en met € 10.000</tussenkop><al>Subsidies tot en met € 10.000 worden in de regel direct vastgesteld zonder
                    verlening vooraf (artikel 10), tenzij ze voor een meerjarig tijdvak worden
                    verleend. Ontvangers van een reeds vastgestelde subsidie moeten een eenvoudige
                    verantwoording indienen (eerste lid). Het ligt in de rede hiervoor een eenvoudig
                    formulier vast te stellen dat de ontvanger kan invullen en kan ondertekenen. Het
                    college houdt de bevoegdheid om de verantwoording te controleren. Dit kan als
                    hij daar in een concreet geval aanleiding toe ziet of steekproefsgewijs. Bij
                    meerjarige subsidies tot en met kan met dezelfde eenvoudige verantwoording
                    worden volstaan, maar heeft deze juridisch het karakter van een aanvraag tot
                    vaststelling (tweede lid).</al><tussenkop>Artikel 20 Verantwoording bij subsidie van meer dan € 10.000 </tussenkop><al>Indien een verleningsbeschikking is gegeven dient na afloop van de
                    subsidieperiode een aanvraag tot subsidievaststelling te worden gedaan. Dit
                    gebeurt in de vorm van een verantwoording. Bij subsidies van meer dan € 10.000
                    is de subsidieontvanger verplicht een inhoudelijk verslag, financieel verslag en
                    balans in te dienen. Bij subsidies tussen € 50.000 en € 100.000 moeten de
                    financiële stukken vergezeld gaan van een accountantsverklaring. Bij subsidies
                    boven € 100.000 dient de accountant ook te verklaren of de gegevens in het
                    inhoudelijke verslag juist zijn. Dat is met name van belang bij budgetsubsidie
                    waarbij de hoogte van de subsidie afhankelijk is van de prestaties van de
                    subsidieontvanger.</al><tussenkop>Artikel 21 Subsidievaststelling</tussenkop><al>Op basis van de verantwoording wordt de subsidie vastgesteld. Dit gebeurt binnen
                    acht weken na ontvangst van de (complete) verantwoording (eerste lid). Het
                    tweede lid bevat richtlijnen om de hoogte van het vast te stellen bedrag te
                    bepalen. Deze zijn gebaseerd op de zogeheten budgetsubsidiesystematiek. Als de
                    subsidieontvanger de prestaties realiseert tegen lagere kosten, kan hij het
                    financiële voordeel behouden. Vallen de kosten hoger uit, dan is het nadeel voor
                    rekening van de subsidieontvanger. De enige uitzondering hierop is als de
                    subsidie nog moet worden bijgesteld in verband met de CAO-ontwikkeling (zie de
                    toelichting op artikel 12). Ook als de subsidieontvanger meer activiteiten
                    realiseert, draagt hij hiervan zelf de kosten. Blijven de prestaties achter, dan
                    wordt de subsidie lager vastgesteld. In de verleningsbeschikking kan van deze
                    richtlijnen worden afgeweken. Bijvoorbeeld door de subsidie wel afhankelijk te
                    maken van de werkelijke kosten.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 22 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen af
                    te wijken van het gestelde in de verordening. Deze mogelijkheid bestaat, wanneer
                    toepassing van de verordening , gelet op het doel en de strekking van de
                    verordening, in een bepaalde tot overwegende onbillijkheden zou leiden.</al><tussenkop>Eerste lid. </tussenkop><al>Uit de woorden “uitzonderlijke gevallen” volgt, dat het moet gaan om a) een zeer
                    beperkt aantal gevallen, en b) gevallen die evident niet voorzien zijn bij
                    vaststelling van de verordening.</al><al>Uit de woorden “overwegende onbillijkheden”, gelezen in samenhang met de woorden
                    “gelet op doel en strekking van deze verordening” blijkt, dat het college bij de
                    beslissing om al dan niet van de verordening af te wijken, dient na te gaan in
                    welke mate:</al><lijst><li nr="-"><al>de beleidsdoelen ter realisatie waarvan de verordening in het leven is
                            geroepen, geschaad zouden worden door handelen overeenkomstig de
                            verordening; en,</al></li><li nr="-"><al>het toepassen van de hardheidsclausule andere door de verordening
                            beschermde belangen (zoals het belang bestaande uit het zorgvuldig en
                            controleerbaar besteden van door de gemeente verstrekte gelden) schaadt.
                        </al></li></lijst><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Een aantal bepalingen lenen zich niet goed voor toepassing van de
                    hardheidsclausule. Deze bepalingen worden dan ook van de toepassing
                    uitgesloten.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In verband met de rechtszekerheid van andere aanvragers of ontvangers zou het
                    onbillijk zijn dat de toepassing van de hardheidsclausule leidt tot hun
                    benadeling. Het derde lid beoogt een dergelijke benadeling te voorkomen.</al><tussenkop>Artikel 23 Inwerkingtreding, intrekking en overgangsregeling</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 24 Citeerartikel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>