<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR49139_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bomenverordening Diemen 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-11-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemer Nieuws, 30-09-2010, 25-11-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bomenverordening Diemen 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-12</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10-64</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt De Bomenverordening 2009</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bomenverordening Diemen 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Opmerkingen m.b.t. de regeling</vet></al><al/><al>Deze regeling vervangt De Bomenverordening 2009</al><al/><al/><al><vet>Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is
                            gebaseerd</vet></al><al/><al>1.Gemeentewet, artikel 149</al><al><vet>Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde
                            regelgeving)</vet></al><al/><al/><al><vet>Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</vet></al><al/><al/><al>Datum</al><al>inwerkingtreding</al><al>01-10-2010</al><al/><al>Terugwerkende kracht t/m</al><al/><al>Betreft</al><al>nieuwe regeling</al><al/><al>Datum ondertekening</al><al>Bron bekendmaking</al><al>30-09-2010</al><al>Diemer Courant</al><al>d.d. 30-09-2010,</al><al>en 25-11-2010</al><al/><al>Kenmerk voorstel</al><al>nr. 10-64</al><al/><al/><al><vet>Bomenverordening Diemen 2010 </vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Diemen;</al><al>gelezen het voorstel van het college d.d. 12 augustus 2010</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen:</al><al><vet>de</vet><vet>Bomenverord</vet><vet>e</vet><vet>ning</vet><vet>Diemen</vet><vet>
                            2010</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>boom: een houtachtig, levend of afgestorven, overblijvend gewas met
                                een dwars-doorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1.30
                                meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt
                                de dwarsdoorsnede van de dikste stam;</al></li><li nr="b."><al>houtopstand: één of meer bomen, boomvormer, hakhout,
                                (lint)begroeiing, struweel, klimplant, bosplantsoen, sierplantsoen,
                                houtwal of heg;</al></li><li nr="c."><al>vellen: het rooien, het dunnen, het kappen, het verplanten, het
                                snoeien, het kandelaberen daaronder begrepen, van meer dan 30% van
                                de kroon of het wortelgestel van een boom alsmede het verrichten van
                                handelingen die de dood, ernstige beschadiging of ernstige
                                ontsiering van die houtopstand ten gevolge kunnen hebben;</al></li><li nr="d."><al>bevoegd gezag: als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet
                                algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="f."><al>Mor: (Ministeriële) Regeling omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Velverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand
                            te vellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid is geen vergunning vereist voor het
                            vellen van:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor de in artikel 15, tweede en derde lid, van de Boswet
                                    bedoelde houtopstanden noch voor een houtopstand die moet worden
                                    geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een
                                    aanschrijving van het college.</al></li><li nr="b."><al>een houtopstand in een achtertuin van een woning waarvan deze
                                    tuin niet groter is dan 100 m2.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid is eveneens geen vergunning vereist voor
                            het vellen van:</al><lijst><li nr="a."><al>een boom met een omtrek van minder dan 63 cm gemeten vanaf 1.30
                                    meter boven het maaiveld met dien verstande dat wanneer de
                                    eigenaar of zakelijk gerechtigde van de boom een
                                    publiekrechtelijk lichaam is, een omtrek van minder dan 32 cm
                                    geldt;</al></li><li nr="b."><al>een houtwal met een lengte van minder dan 25 meter of met een
                                    aaneengesloten oppervlakte van minder dan 100 m2;</al></li><li nr="c."><al>struweel waarbij sprake is van een aangesloten oppervlakte van
                                    minder dan</al><al> 100 m2;</al></li><li nr="d."><al>een heg met een lengte van minder dan 25 meter;</al></li><li nr="e."><al>het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het
                                    reguliere onderhoud;</al></li><li nr="f."><al>het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke
                                    beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen
                                    ter uitvoering van het reguliere onderhoud;</al></li><li nr="g."><al>een houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld met
                                    een maximum van 30% van de houtopstand;</al></li><li nr="h."><al>klimplant minder dan 5.00 meter hoog;</al></li><li nr="i."><al>(lint)begroeiing waarbij sprake is van een aaneengesloten
                                    oppervlakte van minder dan 100 m<sup>2</sup>;</al></li><li nr="j."><al>bosplantsoen waarbij sprake is van een aaneengesloten
                                    oppervlakte van minder dan 100 m<sup>2</sup>;</al></li><li nr="k."><al>sierplantsoen bestaande uit hoofdzakelijk niet inheemse heesters
                                    en struiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ingeval een boom meer stammen heeft, geldt voor de toepassing van
                            onderdeel ‘a’ van het derde lid de dikste stam.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden
                            buiten de bebouwde komgrens, zoals die in het kader van de Boswet is
                            bepaald, tenzij het houtopstanden in tuinen of erven betreft.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester kan een noodvelvergunning verlenen voor het direct
                            vellen van een houtopstand, indien sprake is van acuut gevaar of
                            vergelijkbaar spoedeisend belang.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Een vergunning wordt onder verwijzing naar de “Beleidsnotitie
                        Bomenverordening Diemen 2010”, geweigerd indien het belang van degene die de
                        kapvergunning vraagt niet opweegt tegen het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>natuur- en milieuwaarden;</al></li><li nr="b."><al>landschappelijke waarden;</al></li><li nr="c."><al>cultuurhistorische waarden;</al></li><li nr="d."><al>waarden van stads- en dorpsschoon;</al></li><li nr="e."><al>waarden voor recreatie en leefbaarheid;</al></li><li nr="f."><al>leeftijd;</al></li><li nr="g."><al>toekomstverwachting;</al></li><li nr="h."><al>ruimtelijke structuur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>De procedure</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Vervaltermijn vergunning</titel></kop><al>Een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, vervalt van rechtswege
                        indien daarvan geen gebruik is gemaakt binnen een termijn van twee jaar na
                        het onherroepelijk worden van de vergunning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan aan de vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste
                            lid, het voorschrift verbinden dat, binnen een bepaalde termijn en
                            overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen, moet worden
                            herplant.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan aan de vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste
                            lid, het voorschrift verbinden dat niet eerder van de vergunning gebruik
                            gemaakt mag worden, dan nadat:</al><lijst><li nr="a."><al>daarmee samenhangende bepaalde andere vergunningen of besluiten
                                    zijn verleend en niet door de voorzieningenrechter zijn
                                    geschorst of;</al></li><li nr="b."><al>de feitelijke en financiële voortgang van de werken en
                                    werkzaamheden, waarvoor de vergunning nodig is, voldoende is
                                    gewaarborgd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan aan de vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste
                            lid, beperkingen en andere voorschriften verbinden, voor zover deze
                            strekken tot bescherming van de belangen in verband waarmee de
                            vergunning is vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Herplant en instandhoudingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is,
                            zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere
                            wijze teniet is gegaan, kan aan de overtreder, de verplichting opgelegd
                            worden, te herplanten overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven
                            aanwijzingen binnen een door het college te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien na herplant blijkt dat deze of een deel daarvan niet aanslaat,
                            kan het bevoegd gezag de rechthebbende verplichten deze herplant of het
                            niet aangeslagen deel daarvan te vervangen binnen een door het college
                            te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een houtopstand, waarop het verbod tot vellen van toepassing is,
                            in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag de
                            rechthebbende of degene die anderszins bevoegd is tot het treffen van
                            voorzieningen, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het
                            bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te
                            stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt
                            weggenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien een belanghebbende door de weigering van de vergunning schade lijdt
                        die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen,
                        kent het college hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen
                        schadevergoeding toe.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Afstand van de erfgrenslijn</titel></kop><al>Voor niet openbare grond of niet openbaar erf wordt de afstand als bedoeld
                        in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek vastgesteld op 2 meter voor bomen
                        en op nihil voor heesters en heggen. Voor bomen in openbare grond of
                        openbaar erf wordt de afstand gesteld op nihil.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Bestrijding van iepenziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>iepenziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma
                                    ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C.
                                    Moreau);</al></li><li nr="b."><al>iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium,
                                    behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus
                                    multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het
                            oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van de
                            iepenziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de
                            zakelijk gerechtigde, indien hij daartoe door het college is
                            aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen
                            termijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen ter plaatse te ontbasten en de bast te
                                    vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of
                                    zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepenziekte wordt
                                    voorkomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van
                            geheel ontbast iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4
                            centimeter, voorhanden te hebben of te vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het college kan ontheffing verlenen van het in het derde lid genoemde
                            verbod, onder het verbinden van voorschriften of beperkingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het niet-voldoen aan de in het tweede lid bedoelde aanschrijving biedt
                            een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke
                            werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of
                            namens de gemeente kunnen worden verricht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van de artikelen 8, en 11, derde lid, of de niet-naleving van de
                        aan de verplichting of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen
                        wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening
                        bepaalde zijn belast de door het college aangewezen ambtenaren, of personen,
                        ieder voor zover het betreft de in de aanwijzing vermelde bepalingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking één dag na bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Bomenverordening Diemen 2009 wordt ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 14, tweede lid, genoemde verordening blijft van toepassing
                            op aanvragen voor kapvergunningen die voor het in werking treden van
                            deze verordening zijn ingediend en waarop op het moment van in werking
                            treden van deze verordening nog niet is beschikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 14, tweede lid,
                            heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening
                            genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en
                            voor zover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd
                            ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn
                            vervallen of ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Bomenverordening Diemen 2010”.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van Diemen op [datum]</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>De toelichting is opgenomen na de bijlage Beleidsnotitie</vet></al></bijlage><bijlage><tussenkop><vet>Bijlage</vet></tussenkop><al>Onderwerp: Beleidsnotitie met betrekking tot advisering omtrent aanvragen op
                    grond van de Bomenverordening Diemen 2010 (Beleidsnotitie Bomenverordening
                    Diemen 2010).</al><al>Vellen: het rooien, het dunnen, het kappen, het verplanten, het snoeien, het
                    kandelaberen daaronder begrepen, van meer dan 30% van de kroon of het
                    wortelgestel van een boom alsmede het verrichten van handelingen die de dood,
                    ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van die houtopstand ten gevolge
                    kunnen hebben.</al><tussenkop>Inleiding/samenvatting</tussenkop><al>Voor het tot stand komen van een goede onderbouwing om op een aanvraag om een
                    velvergunning op grond van de Bomenverordening Diemen 2010 te kunnen beslissen,
                    is een goed, helder en duidelijk advies vereist. Dit advies dient aan te geven
                    of en zo ja, in welke mate, zich weigeringsgronden, zoals genoemd in artikel 4
                    van de Bomenverordening Diemen 2010, voordoen en of andere belangen bij de
                    afweging een rol spelen. De objectiveerbare uitwerking van de weigeringsgronden
                    worden in dit beleidsstuk omgezet in criteria waaraan een wegingsfactor is
                    gekoppeld. Deze wegingsfactoren zijn gebaseerd op de wegingsfactoren, die de
                    Bomenstichting hanteert en zijn aangepast aan de lokale omstandigheden, die zich
                    in de gemeente Diemen voordoen.</al><al>Deze notitie gaat, gelet hierop, dan ook nader in op de criteria en de
                    wegingsfactoren die bepalen of een omgevingsvergunning voor het vellen of doen
                    vellen van een houtopstand wel of niet verleend kan worden. Ook wordt nader
                    ingegaan op de herplant- en instandhoudingsplicht.</al><tussenkop>Puntentoekenning</tussenkop><al>Per criterium wordt een wegingsfactor gegeven. Indien aan het criterium wordt
                    voldaan, worden de punten die achter het criterium staan vermeld, gegeven. Alle
                    punten worden uiteindelijk bij elkaar opgeteld.</al><al>Bij een totaalscore van minder dan 50 punten is het advies positief voor het
                    verlenen van een vergunning. Voor publiekrechtelijke bomen kan een nader advies
                    gegeven worden om een vergunning, ondanks een totaalscore onder de 50 punten,
                    alsnog te weigeren.</al><al>Bij een totaalscore van 50 punten of meer, volgt een advies tot weigering van de
                    aanvraag. Bij het toekennen van meer dan 50 punten is het niet onmogelijk een
                    vergunning af te geven. Er kunnen zich redenen voordoen om alsnog een vergunning
                    te verlenen. Deze redenen worden in deze beleidsnotitie nader omschreven en
                    dienen deel uit te maken van een nadere belangenafweging.</al><al>Daar waar strijd is met het bepaalde genoemd in de Flora- en faunawet, wordt
                    altijd een score van 50 punten toegekend. Dit doet zich voor als het
                    voortbestaan van een diersoort in gevaar komt. Te allen tijde moet de zorgplicht
                    uit de Flora- en faunawet in acht genomen worden. Een score van 50 wordt ook
                    gegeven als de hoofdbomen- en groenstructuur van de gemeente Diemen door het
                    vellen van de gevraagde houtopstand wordt aangetast.</al><tussenkop>Weigeringsgronden Bomenverordening 2010 omgezet in criteria:</tussenkop><tussenkop>4.a Bomenverordening: Natuur- en milieuwaarden</tussenkop><al>-Vaste nest- en rustplaatsen voor fauna zijn bijvoorbeeld roestplaatsen voor
                    uilen en bomen met vleermuisverblijfplaatsen (oude spechtgaten).</al><al>Ook kan gedacht worden aan bomen overwoekerd met klimop of indien het
                    voortbestaan van een diersoort gevaar loopt.</al><lijst><li nr="-"><al>Incidentele nest- en rustplaatsen voor fauna is vrijwel altijd van
                            toepassing op bomen of overige houtopstanden. Het komt zelden voor dat
                            houtopstand geen waarde voor fauna heeft. Dode bomen kunnen op het
                            eerste gezicht van weinig betekenis zijn met betrekking tot de fauna,
                            maar vooral grotere dode bomen kunnen nest- en verblijfgelegenheden zijn
                            voor vogels en zoogdieren.</al></li><li nr="-"><al>De ecologische hoofdstructuur is vastgelegd in de provinciaal
                            ecologische hoofdstructuur.</al></li><li nr="-"><al>Ecologisch waardevol gebied is of wordt vastgelegd in het
                            groenbeleidsplan en groenstructuurplan van de gemeente Diemen.</al></li></lijst><tussenkop>4.b Bomenverordening: Landschappelijke waarden</tussenkop><al>-De landschappelijke waarden worden getoetst aan het vigerende bestemmingsplan,
                    het groenbeleidsplan en het groenstructuurplan.</al><tussenkop>4.c Bomenverordening: Cultuurhistorische waarden</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>In Diemen zijn onder andere herdenkingsbomen geplant. Deze bomen en ook
                            monumentale bomen worden vastgelegd in een lijst behorende bij een
                            groenbeleidsplan. Van toepassing op de aanvraag is de op het moment van
                            het indienen van de aanvraag vigerende en vastgestelde lijst.</al></li><li nr="-"><al>In het groenbeleidsplan en groenstructuurplan zijn de cultuurhistorische
                            waarden van houtopstanden vastgelegd. Echter deze lijst is niet
                            uitputtend. Derhalve kunnen zich situaties voordoen, waarbij sprake is
                            van houtopstand van cultuurhistorische waarden. Bomen of overige
                            houtopstanden die bij monumenten staan, kunnen bijvoorbeeld
                            cultuurhistorisch van belang zijn. Als voorbeeld hierbij kan genoemd
                            worden de erfbeplanting bij boerderij De Landhoeve bij het fort
                            Diemerdam. Cultuurhistorisch is bijvoorbeeld ook de bomenrij van
                            populieren langs de Oud Diemerlaan in Diemen Noord. Deze laan is
                            namelijk sinds mensenheugenis beplant met populieren.</al></li></lijst><tussenkop>4.d Bomenverordening: Waarden van stads- en dorpsschoon</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Volledig zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Hiermee wordt bedoeld, dat
                            de boom of overige houtopstanden deel uitmaken van de beleving van de
                            openbare ruimte.</al></li><li nr="-"><al>Beperkt zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Hiermee wordt bedoeld, dat
                            de boom of overige houtopstanden zichtbaar zijn vanuit de openbare
                            ruimte, maar minder deel uitmaken van de openbare ruimte, waardoor deze
                            minder belevingswaarde voor de directe omgeving hebben.</al></li><li nr="-"><al>Niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Deze bomen en/of houtopstanden
                            zijn niet of nauwelijks van belang voor de openbare ruimte en hebben
                            geen belevingswaarde voor de directe omgeving.</al></li></lijst><tussenkop>4.e Bomenverordening: Waarden voor recreatie en leefbaarheid</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Geluidwerende en afschermende waarde. Hiermee kan een waardering gegeven
                            worden voor het afschermen van bijvoorbeeld wegen, spoorlijnen e.d.</al></li><li nr="-"><al>Bij het deel uitmaken van een recreatiegebied of -park wordt de
                            houtopstand gewaardeerd om dit gebied of park te beschermen.</al></li></lijst><tussenkop>4. f Bomenverordening: Leeftijd</tussenkop><al>-Het criterium leeftijd is een grove inschatting. In veel gevallen is de
                    leeftijd van de houtopstand te herleiden aan de hand van tekeningen,
                    aanleggegevens van de woonwijk of vakkennis van de adviseur. De adviseur is door
                    opleiding en ervaring in staat een leeftijdsinschatting van de houtopstand te
                    maken.</al><tussenkop>4.g Bomenverordening: Toekomstverwachting</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>De toekomstverwachting is altijd een grove inschatting om discussie over
                            de juistheid zoveel mogelijk te vermijden. Een Bomeneffectanalyse
                            opgesteld door een extern bureau (verder: BEA) kan meer gedetailleerd
                            inzicht geven over de toekomstverwachting van de houtopstand, maar een
                            BEA is in de meeste gevallen niet noodzakelijk om tot een juiste
                            toekomstverwachting te komen.</al></li><li nr="-"><al>Een BEA wordt in ieder geval in de volgende gevallen vereist:</al></li></lijst><al>o Herinrichtingen van woonwijken en straten waar de inspraakverordening van
                    toepassing is.</al><al>o Het vellen van houtopstanden die deel uitmaken van de hoofdbomen- en
                    groenstructuur.</al><al>Bij vervanging van dode of beschadigde bomen is een BEA niet vereist.</al><tussenkop>4. h Bomenverordening: Ruimtelijke structuur</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Voor een antwoord op de vraag of een houtopstand deel uitmaakt van de
                            ruimtelijke structuur is bepalend of de bedoelde houtopstand onderdeel
                            uitmaakt van een hoofd boom- of groenstructuur zoals beschreven in het
                            groenbeleidsplan en groenstructuurplan van de gemeente Diemen.</al></li><li nr="-"><al>De houtopstand die in beheer en onderhoud is van een publiekrechtelijke
                            organisatie en niet nader is beschreven in het groenbeleidsplan en
                            groenstructuurplan van de gemeente Diemen, maakt deel uit van de
                            ruimtelijke structuur.</al></li></lijst><tussenkop>Redenen om in afwijking van de totaalscore toch een vergunning te
                    verlenen of te weigeren zijn:</tussenkop><lijst><li nr="-"><al><vet>Dode</vet><vet>bomen:</vet>een dode boom die in de
                            hoofdbomenstructuur van de gemeente Diemen staat, scoort 50 of meer
                            punten, maar dient wel vervangen te worden. Derhalve zal er een
                            vergunning verleend moeten worden met als voorwaarde een herplantplicht.
                            Een dode boom in een park kan voor de fauna zeer belangrijk zijn en
                            derhalve 50 punten of meer scoren. Deze boom kan blijven staan, zolang
                            de veiligheid niet in het geding is. Met veiligheid wordt bedoeld dan er
                            geen direct gevaar is voor schade of letsel aan personen of
                            goederen.</al></li><li nr="-"><al><vet>Gevaarzetting</vet><vet>van</vet><vet>houtopstand:</vet>indien
                            houtopstand voor zijn omgeving gevaarlijk is en de veiligheid van
                            personen en objecten in gevaar kan brengen, kan ondanks een eventuele
                            hoge puntenscore, toch een vergunning worden verleend. Voorbeelden
                            hiervan zijn: stamrot, zware takbreuk, slecht wortelgestel, overmatige
                            wortelopdruk van bestratingen, e.d.</al></li><li nr="-"><al><vet>Maatscha</vet><vet>p</vet><vet>pelijk</vet><vet>z</vet><vet>w</vet><vet>a</vet><vet>a</vet><vet>r</vet><vet>w</vet><vet>egende</vet><vet>
                                r</vet><vet>edenen: </vet>dit zijn bijvoorbeeld bouwplannen,
                            reconstructies, aanleg van kabels en leidingen en dijkverzwaringen. Als
                            voorwaarde kan dan opgenomen worden dat de vereiste vergunningen om met
                            dergelijke werkzaamheden te mogen starten, verleend zijn, voordat met
                            het vellen van de houtopstand begonnen mag worden.</al></li><li nr="-"><al><vet>Ernstige</vet><vet>verstoring</vet><vet>van</vet><vet>woon-</vet><vet>en</vet><vet>leefgenot:</vet>hierbij
                            moet gedacht worden aan ernstige schaduw- en lichtbelemmering, waarbij
                            voor het grootste deel van de dag niet van de tuin genoten kan worden,
                            of overdag de verlichting in huis aangelaten moet worden.</al><al> Uitzichtbelemmering is over het algemeen geen reden voor het vellen van
                            houtopstand. Het vallen van bladeren, roetdauw, bomenpollen, vruchtafval
                            en dergelijke zijn geen redenen om een velvergunning te verlenen.</al></li><li nr="-"><al><vet>Openbare</vet><vet>o</vet><vet>rde-</vet><vet>en</vet><vet>veiligheidsaspecten:</vet>openbare
                            orde- en veiligheidsaspecten komen in het geding in situaties, waarbij
                            de houtopstand met spoed geveld moet worden in verband met acuut gevaar
                            voor de omgeving. Artikel 2, zesde lid, van de Bomenverordening gemeente
                            Diemen 2010 bepaalt, dat de houtopstand na toestemming van de
                            burgemeester direct geveld kan worden. Het politiekeurmerk “Veilig
                            wonen” geeft ook richtlijnen met betrekking tot beplantingen in
                            woonwijken. Indien op basis van het politiekeurmerk duidelijk is dat de
                            veiligheid van de woonwijk in het geding is, kan tevens, ondanks de hoge
                            puntenwaardering die aan de houtopstand is toegekend, een vergunning
                            worden verleend.</al></li></lijst><tussenkop>Herplantplicht en instandhoudingsplicht</tussenkop><al>Een herplantplicht wordt opgelegd, indien een houtopstand geveld wordt die:</al><lijst><li nr="-"><al>zonder de benodigde vergunningen geveld is; en/of</al></li><li nr="-"><al>deel uitmaakt van de hoofdbomen- of groenstructuur, zoals beschreven in
                            het groenbeleidsplan en groenstructuurplan van de gemeente Diemen.</al></li><li nr="-"><al>de houtopstand 50 of meer punten scoort. </al></li></lijst><tussenkop>Voorschriften herplantplicht:</tussenkop><al>Indien een herplantplicht wordt opgelegd, wordt aangegeven welke boom, bomen of
                    andersoortige houtopstand herplant dient te worden. Hierbij wordt tevens een
                    uiterste termijn voor herplanting opgenomen, evenals de locatie van de nieuwe
                    houtopstand.</al><al>Uitzondering voor het niet opleggen van een herplantplicht:</al><lijst><li nr="-"><al>indien blijkt dat het feitelijk onmogelijk is om houtopstand te
                            herplanten, zoals bijvoorbeeld bij nieuw op te richten bouwwerken;</al></li><li nr="-"><al>indien blijkt dat de locatie niet geschikt is dan wel te klein is om
                            houtopstand te kunnen herplanten.</al></li></lijst><al>De te herplanten houtopstand, dient zoveel mogelijk gelijkwaardig te zijn aan de
                    te vellen houtopstand. Er dient echter rekening gehouden te worden met het feit
                    dat het veelal niet mogelijk is de gevelde houtopstand te vervangen door
                    gelijkwaardige beplantingen. Indien van een dergelijke situatie sprake is,
                    kunnen nadere voorwaarden gesteld worden aan de groeiplaats en de verzorging van
                    de te herplanten houtopstand. Het doel hiervan is de houtopstand een goede
                    groeiontwikkeling in de toekomst te geven.</al><al>Een herplant kan door de aanvrager van een vergunning op het aanvraagformulier
                    aangegeven worden. Bij het beoordelen van de aanvraag wordt door de adviseur
                    getoetst of de voorgestelde herplanting voldoet aan de eis van gelijkwaardigheid
                    van de te vellen houtopstand. Indien de herplant onvoldoende gelijkwaardig is,
                    wordt door de vergunningverlener gemotiveerd aangegeven op welke punten het
                    herplantingsplan aangepast moet worden om te voldoen aan de eis van
                    gelijkwaardigheid.</al><al>Indien de aanvrager op het aanvraagformulier niet heeft aangegeven, dat hij geen
                    houtopstand zal herplanten en de adviseur heeft aangegeven dat een
                    herplantplicht in de vergunning moet worden opgenomen, wordt de aanvrager
                    verzocht zijn aanvraag nader aan te vullen met een herplantingsplan of een
                    motivering waarom herplant niet mogelijk is.</al><al>Indien op basis van de geldende beleidsregels geen vergunning voor het vellen
                    van houtopstand verleend kan worden, wordt aan de eigenaar van deze houtopstand
                    een instandhoudingsplicht opgelegd. (Deze wordt slechts opgelegd, indien het een
                    waardevolle houtopstand betreft die door de eigenaar zodanig verwaarloosd is,
                    waardoor de houtopstand verloren kan gaan).</al><tussenkop>Mandatering</tussenkop><al>In het belang van een doelmatige, efficiënte en rechtmatige uitvoering en
                    handhaving van de Bomenverordening Diemen 2010 wordt de uitvoering en handhaving
                    gedeeltelijk gemandateerd. Verwezen wordt naar het algemene mandaatbesluit.</al><tussenkop>Leges</tussenkop><al>Op grond van de Legesverordening zijn voor het indienen van een aanvraag tot het
                    verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van een
                    houtopstand, legeskosten verbonden.</al><tussenkop>Citeertitel</tussenkop><al>Deze Beleidsnotitie wordt aangehaald als “Beleidsnotitie Bomenverordening Diemen
                    2010”.</al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlagen</tussenkop><al>-Adviesformulier.</al><tussenkop>Tweede lid onder a</tussenkop><al>De bevoegdheid tot het instellen van een verbod tot vellen bij gemeentelijke
                    verordening strekt zich uit tot de gemeentegrenzen en wordt door artikel 15 van
                    de Boswet beperkt. Deze beperking heeft betrekking op de in artikel 15, tweede
                    lid, van de Boswet genoemde houtopstand:</al><lijst><li nr="a."><al>populieren of wilgen als wegbeplantingen of éénrijige beplantingen op of
                            langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot;</al></li><li nr="b."><al>fruitbomen en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="c."><al>fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om
                            te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder
                            bestemde terreinen;</al></li><li nr="d."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="e."><al>houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap
                            geregistreerde bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen een
                            bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt
                            die:</al><lijst><li nr="-"><al>ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;</al></li><li nr="-"><al>ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen,
                                    gerekend over het totale aantal rijen.</al></li></lijst></li></lijst><al>Op grond van het gestelde in artikel 1, vijfde lid, van de Boswet, dient de
                    gemeente een bebouwde komgrens vast te stellen ten behoeve van de uitvoering van
                    de Boswet. Voor houtopstanden die zich buiten de bebouwde komgrens bevinden en
                    onder de werkingssfeer van de Boswet vallen, geldt een vergunningplicht op grond
                    van de Bomenverordening en is tevens een melding bij het Ministerie van
                    Landbouw, Natuur en Visserij vereist. Indien houtopstanden buiten de bebouwde
                    komgrens niet onder de werking van de Boswet vallen, is in principe slechts een
                    vergunning van de gemeente vereist. Daar dit moeilijk te handhaven is, is een
                    vrijstelling van de vergunningplicht opgenomen en geldt de vergunningplicht
                    slechts voor houtopstanden in tuinen en erven die gelegen zijn buiten voornoemde
                    vastgestelde bebouwde komgrens.</al><al>Opgemerkt wordt nog wel dat de verplichting om te melden op grond van de Boswet
                    geen onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning op grond van de Wabo. Dit
                    betekent dat indien een melding gedaan moet worden op grond van de Boswet, dit
                    separaat van het aanvragen van een omgevingsvergunning moet worden gedaan.</al><tussenkop>Noodkap</tussenkop><al>Direct vellen als gevolg van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend
                    belang van openbare orde of veiligheid is een bevoegdheid van de Burgemeester op
                    grond van de artikelen 173 en 175 van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Tweede lid onder b</tussenkop><al>Om onnodige overheidsbemoeienis te reduceren (deregulering), hoeft men geen
                    kapvergunning meer aan te vragen voor houtopstanden in achtertuinen van woningen
                    waarvan die tuin kleiner is dan 100m2. In de vorige verordening was een
                    meldingsplicht opgenomen. Deze gaf in de praktijk nog de nodige administratieve
                    lasten. Voor de gemeente betekent het laten vervallen van de meldingsplicht een
                    aanzienlijke administratieve lastenverlichting.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Voor houtopstand in eigendom van particulieren is gekozen voor de maat van
                    minimaal 20 cm doorsnede, hetgeen een omtrek van 63 cm of meer van de boom
                    inhoudt. De reden van deze keuze is gelegen in het feit dat deze afmeting een
                    grenswaarde is, waarbij een boom van jongvolwassen overgaat naar volle
                        wasdom.Daarmee neemt het belang van natuur- en
                    milieuwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden, waarden van
                    stads- en dorpsschoon, de waarden voor recreatie en leefbaarheid, leeftijd,
                    toekomstverwachting en ruimtelijke structuur toe.</al><al>Deze belangen zijn tevens afwijzingsgronden voor een velvergunningsaanvraag. Een
                    boom met een dergelijke afmeting is een rust- en roestplaats voor vogels
                    (natuur- en milieuwaarden). Nog een reden om voor deze grenswaarde te kiezen is
                    het milieueffect. Grote bomen filteren fijnstof uit de lucht. Het vellen van
                    dergelijke bomen kan derhalve een milieuconsequentie hebben.</al><al>Voor houtopstand toebehorend aan publiekrechtelijke rechtspersonen blijft de
                    gangbare maat van 10 cm doorsnede, hetgeen een omtrek van 32 cm of meer inhoudt,
                    gehandhaafd. De reden hiervan is om de inspraakmogelijkheden voor burgers in de
                    samenleving te versterken. Beeldbepalende heesters of klimplanten, alsook
                    pasgeplante herdenkings- of toekomstbomen, die niet de minimale doorsnede
                    hebben, kunnen óf deel uitmaken van de hoofdgroenstructuur of hoofdboomstructuur
                    óf opgenomen zijn in een lijst met monumentale bomen en als zodanig worden
                    beschermd.</al><tussenkop>Artikel 3. Aanvraag vergunning</tussenkop><tussenkop>(Vervallen)</tussenkop><al>Dit artikel kende de indieningsvereisten voor het doen van een aanvraag. De Wabo
                    geeft nu echter vereisten waaraan een aanvraag moet voldoen. Naast de vereisten
                    die de Wabo stelt aan het doen van een aanvraag om een omgevingsvergunning
                    (artikelen 2.7 t/m 2.9 van de Wabo), geeft de Mor in artikel 7.5 de vereisten
                    weer waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen of doen
                    vellen van een houtopstand moet voldoen. Het gaat hierbij om de volgende
                    indieningsvereisten:</al><lijst><li nr="·"><al>in of bij de aanvraag identificeert de aanvrager op de aanduiding van de
                            locatie van de aangevraagde activiteit of activiteiten iedere
                            houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer;</al></li><li nr="·"><al>de aanvrager vermeldt per genummerde houtopstand:</al><lijst><li nr="a."><al>de soort houtopstand; </al></li><li nr="b."><al>de locatie van de houtopstand op het voor-, zij- dan wel
                                    achtererf;</al></li><li nr="c."><al>de diameter in centimeters, gemeten op 1.30 meter vanaf het
                                    maaiveld;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheid tot herbeplanten, alsmede het eventuele
                                    voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot
                                    herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te
                                    gaan.</al></li></lijst></li></lijst><al>Gelet op de door de Wabo en de Mor gestelde vereisten aan de aanvraag is het
                    niet meer nodig om in deze verordening specifieke indieningsvereisten op te
                    nemen. Dit artikel kan dus komen te vervallen.</al><tussenkop>Artikel 4. Weigeringsgronden</tussenkop><al>De hier genoemde weigeringsgronden zijn in feite maatschappelijke waarden die
                    aan bomen worden toegekend. Deze weigeringsgronden zijn nader uitgewerkt in de
                    “Beleidsnotitie Bomenverordening Diemen 2010”. Eén weigeringsgrond kan voldoende
                    zijn om de vergunning te weigeren. Hieronder worden de weigeringsgronden
                    nogmaals toegelicht.</al><tussenkop>Sub a: Natuur- en milieuwaarden</tussenkop><al>-Vaste nest- en rustplaatsen voor fauna zijn bijvoorbeeld roestplaatsen voor
                    uilen en bomen met vleermuisverblijfplaatsen (oude spechtgaten).</al><al>Ook kan gedacht worden aan bomen overwoekerd met klimop of indien het
                    voortbestaan van een diersoort gevaar loopt.</al><lijst><li nr="-"><al>Incidentele nest- en rustplaatsen voor fauna is vrijwel altijd van
                            toepassing op bomen of overige houtopstanden. Het komt zelden voor dat
                            houtopstand geen waarde voor fauna heeft. Dode bomen kunnen op het
                            eerste gezicht van weinig betekenis zijn met betrekking tot de fauna,
                            maar vooral grotere dode bomen kunnen nest- en verblijfgelegenheden zijn
                            voor vogels en zoogdieren.</al></li><li nr="-"><al>De ecologische hoofdstructuur is vastgelegd in de provinciaal
                            ecologische hoofdstructuur.</al></li><li nr="-"><al>Ecologisch waardevol gebied is of wordt vastgelegd in het
                            groenbeleidsplan en groenstructuurplan van de gemeente Diemen.</al></li></lijst><tussenkop>Sub b: Landschappelijke waarden</tussenkop><al>-De landschappelijke waarden worden getoetst aan het vigerende bestemmingsplan,
                    het groenbeleidsplan en het groenstructuurplan.</al><tussenkop>Sub c: Cultuurhistorische waarden</tussenkop><al>-De cultuurhistorische waarden van houtopstanden zijn beleidsmatig vastgelegd.
                    De in het beleid opgenomen lijst is echter niet uitputtend. Derhalve kunnen zich
                    situaties voordoen, waarbij sprake is van houtopstand van cultuurhistorische
                    waarden. Bomen of overige houtopstanden die bij monumenten staan, kunnen
                    bijvoorbeeld cultuurhistorisch van belang zijn. Als voorbeeld hierbij kan
                    genoemd worden de erfbeplanting bij boerderij De Landhoeve bij het fort
                    Diemerdam. Cultuurhistorisch is bijvoorbeeld ook de bomenrij van populieren
                    langs de Oud Diemerlaan in Diemen Noord. Deze laan is namelijk sinds
                    mensenheugenis beplant met populieren.</al><tussenkop>Sub d: Waarden van stads- en dorpsschoon</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Volledig zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Hiermee wordt bedoeld, dat
                            de boom of overige houtopstanden deel uitmaken van de beleving van de
                            openbare ruimte.</al></li><li nr="-"><al>Beperkt zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Hiermee wordt bedoeld, dat
                            de boom of overige houtopstanden zichtbaar zijn vanuit de openbare
                            ruimte, maar minder deel uitmaken van de openbare ruimte, waardoor deze
                            minder belevingswaarde voor de directe omgeving hebben.</al></li><li nr="-"><al>Niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Deze bomen en/of houtopstanden
                            zijn niet of nauwelijks van belang voor de openbare ruimte en hebben
                            geen belevingswaarde voor de directe omgeving.</al></li></lijst><tussenkop>Sub e: Waarden voor recreatie en leefbaarheid</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Geluidwerende en afschermende waarde. Hiermee kan een waardering gegeven
                            worden voor het afschermen van bijvoorbeeld wegen, spoorlijnen e.d.</al></li><li nr="-"><al>Bij het deel uitmaken van een recreatiegebied of -park wordt de
                            houtopstand gewaardeerd om dit gebied of park te beschermen.</al></li></lijst><tussenkop>Sub f: Leeftijd</tussenkop><al>-Het criterium leeftijd is een grove inschatting. In veel gevallen is de
                    leeftijd van de houtopstand te herleiden aan de hand van tekeningen,
                    aanleggegevens van de woonwijk of vakkennis van de adviseur. De adviseur is door
                    opleiding en ervaring in staat een leeftijdsinschatting van de houtopstand te
                    maken.</al><tussenkop>Sub g: Toekomstverwachting</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>De toekomstverwachting is altijd een grove inschatting om discussie over
                            de juistheid zoveel mogelijk te vermijden. Een Bomeneffectanalyse
                            opgesteld door een extern bureau (verder: BEA) kan meer gedetailleerd
                            inzicht geven over de toekomstverwachting van de houtopstand, maar een
                            BEA is in de meeste gevallen niet noodzakelijk om tot een juiste
                            toekomstverwachting te komen.</al></li><li nr="-"><al>Een BEA wordt in ieder geval in de volgende gevallen vereist:</al></li></lijst><al>o Herinrichtingen van woonwijken en straten waar de inspraakverordening van
                    toepassing is.</al><al> o Het vellen van houtopstanden die deel uitmaken van de hoofdbomen- en
                    groenstructuur.</al><al>Bij vervanging van dode of beschadigde bomen is een BEA niet vereist.</al><tussenkop>Sub h: Ruimtelijke structuur</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Voor een antwoord op de vraag of een houtopstand deel uitmaakt van de
                            ruimtelijke structuur is bepalend of de bedoelde houtopstand onderdeel
                            uitmaakt van een hoofd boom- of groenstructuur zoals beschreven in het
                            groenbeleidsplan en groenstructuurplan van de gemeente Diemen.</al></li><li nr="-"><al>De houtopstand die in beheer en onderhoud is van een publiekrechtelijke
                            organisatie en niet nader is beschreven in het groenbeleidsplan en
                            groenstructuurplan van de gemeente Diemen, maakt deel uit van de
                            ruimtelijke structuur.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5. Procedure</tussenkop><tussenkop>(Vervallen)</tussenkop><al>Het oude artikel 5 vervalt in verband met de artikelen 3.1 t/m 3.23 Wabo. De
                    Wabo geeft verplichtend aan of en zo ja, welke voorbereidingsprocedure moet
                    worden gevoerd. </al><tussenkop>Artikel 6. Vervaltermijn vergunning</tussenkop><al>In artikel 2.23, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat in een
                    omgevingsvergunning kan worden bepaald dat zij geheel of gedeeltelijk geldt voor
                    een daarin aangegeven termijn. Door in de verordening een termijn van rechtswege
                    op te nemen, is voor de aanvrager duidelijk dat een omgevingsvergunning voor de
                    activiteit vellen of doen vellen van een houtopstand altijd is voorzien van een
                    “geldigheidstermijn”.</al><tussenkop>Artikel 7. Vergunningsvoorschriften</tussenkop><al><vet>Herplantp</vet><vet>l</vet><vet>icht</vet><vet>. </vet>De voorschriften
                    moeten concreet en precies worden uitgewerkt, bijvoorbeeld naar locatie,
                    boomsoort of grootte en daarnaast dient in het voorschrift een termijn voor
                    herplanting te worden opgenomen. Uit de rechtspraak naar aanleiding van de
                    herplantplicht blijkt dat beleidsmatige uitwerking van aard en omvang van de
                    herplantplicht noodzakelijk is. Deze uitwerking is opgenomen in de
                    “Beleidsnotitie Bomenverordening Diemen 2010”.</al><al>Artikel 2.22, vierde lid, van de Wabo bepaalt dat in, onder andere de
                    bomenverordening, regels gesteld kunnen worden met betrekking tot het verbinden
                    van voorschriften aan de omgevingsvergunning. Door het opnemen van artikel 7 is
                    bepaald welke voorschriften aan een omgevingsvergunning voor de activiteit
                    vellen of doen vellen van een houtopstand, kunnen worden verbonden. </al><al>Naast de hierboven genoemde voorschriften wordt nog gewezen op artikel 6.1,
                    tweede lid onder a, van de Wabo. Als gevolg van dit artikel zal in een
                    omgevingsvergunning voor de activiteit vellen of doen vellen van een
                    houtopstand, worden opgenomen dat voor die activiteit de omgevingsvergunning pas
                    in werking treedt de dag nadat de termijn voor het indienen van een
                    bezwaarschrift dan wel een beroepschrift is verstreken. </al><tussenkop>Artikel 8. Herplant /instandhoudingsplicht, voorschriften</tussenkop><al>Herplantvoorschriften moeten concreet en eenduidig zijn en mogen zeer
                    gedetailleerd soort, locatie en plantwijze voorschrijven, mits dit in het
                    gangbare beleid past. De wijze waarop de zelfstandige herplant en
                    instandhoudingsplicht wordt uitgevoerd, vraagt dus om beleidsmatige uitwerking.
                    Deze uitwerking kan deel uitmaken van een breder opgezet handhavingsbeleid.
                    Factoren die daarbij een rol spelen, zijn de ernst van de overtreding, de mate
                    van (on)verantwoordelijkheid die aan de overtreder kan worden toegerekend en de
                    feitelijke mogelijkheden tot uitvoering van een herplantplicht. Onder het
                    handhavingsbeleid vallen ook de richtlijnen voor het effectief uitvoeren van de
                    strafvervolging door politie en daartoe aangestelde opsporingsambtenaren, zoals
                    bedoeld in artikel 13.</al><tussenkop>Artikel 9. Schadevergoeding</tussenkop><al>De schadevergoeding is bedoeld ter compensatie van kostenderving (houtopbrengst)
                    bij het weigeren van een omgevingsvergunning voor de activiteit vellen of doen
                    vellen van een houtopstand. Op grond van artikel 17 van de Boswet wordt bij
                    weigering van een omgevingsvergunning voor de vellen of doen vellen van een
                    houtopstand, op verzoek van de eigenaar of gebruiker een naar redelijkheid te
                    bepalen schadevergoeding uit de gemeentekas toegekend, indien schade wordt
                    geleden die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijner laste behoort te
                    blijven. Deze door de Boswet mogelijk gemaakt schadeloosstelling wegen het
                    vellen van een houtopstand is door de rechter (Kroon), voor zover bekend zelden
                    of nooit toegekend en lijkt voor ene theoretisch geval gedacht. De Boswet
                    schrijft nog steeds opname van dit (schijnbaar overbodige) artikel voor.</al><tussenkop>Artikel 10 Afstand van de erfgrenslijn</tussenkop><al>De leden één en twee van artikel 42 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek geeft
                    het bekende verwijderingsrecht voor bomen binnen twee meter en heesters en hagen
                    binnen een halve meter van de erfgrenslijn. Echter in artikel 5:42, tweede lid,
                    is in afwijking van het oude Burgerlijk Wetboek toegevoegd: "tenzij ingevolge
                    een verordening of een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is
                    toegelaten". Daarom is in deze verordening dit artikel toegevoegd, dat de
                    erfgrensafstand aanzienlijk verkleint. Met "nihil" voor heggen en heesters is
                    bedoeld deze natuurlijke wijze van erfbegrenzing te beschermen. De juridische
                    mogelijkheden voor burenruzies zijn hiermee enigszins verminderd. De “verboden
                    zone” geldt niet voor beplantingen in de openbare ruimte (openbaar erf).</al><tussenkop>Artikel 11. Bestrijding iepenziekte</tussenkop><al>Een apart artikel over bestrijding van iepenziekte is nodig geworden, aangezien
                    het Besluit bestrijding iepenziekte is opgeheven en de minister de gemeenten
                    zelf de bevoegdheid heeft gelaten om op te treden tegen deze ziekte. Optreden
                    tegen deze besmettelijke ziekte is dringend gewenst om de (nog resterende) iepen
                    in de gemeente te behouden. Belangrijk is de verplichting ter plaatse iepen te
                    ontbasten en het slepen met besmette iepen te voorkomen. Daarbij is in het
                    artikel ontbasten opgenomen in plaats van ontschorsen. Ontbasten is opgenomen
                    omdat de bast het levende weefsel onder de schors is en het noodzakelijk is de
                    gehele bast te verwijderen. Belangrijk is dat na velling ter plaatse wordt
                    ontbast om potentieel broedhout en verspreiding van de besmetting te
                    voorkomen.</al><al>Opgenomen is verder dat, indien nodig, direct bestuursdwang toegepast kan worden
                    vanwege de ernst van de zaak en noodzaak om snel te kunnen handelen.</al><tussenkop>Artikel 12. Strafbepaling</tussenkop><al>Op grond van artikel 2.2, eerste lid onder g, van de Wabo is het verboden om
                    houtopstand te vellen of te doen vellen zonder omgevingsvergunning. Daarnaast is
                    het ook verboden om te handelen in strijd met een voorschrift van een
                    omgevingsvergunning (artikel 2.3, eerste lid onder c, van de Wabo). Overtreding
                    van deze artikelen is strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten en
                    behoeft daardoor niet apart opgenomen te worden in deze verordening. Een
                    overtreding van deze artikelen wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste
                    zes maanden, taakstraf of geldboete van de vierde categorie.</al><al>Voor het overige geldt dat de op grond van dit artikel ingestelde
                    strafvervolging de mogelijkheid van het instellen door het college van een
                    privaatrechtelijke vordering tot schadevergoeding wegens schade aan bomen of
                    houtopstand, onverlet laat.</al><tussenkop>Artikel 13. Toezichthouders</tussenkop><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen. De basis voor deze
                    bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht. In
                    dit hoofdstuk zijn algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                    voorschriften. Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk
                    voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het
                    bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 van de
                    Algemene wet bestuursrecht).</al><tussenkop>Artikel 14 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 15 Overgangsbepaling</tussenkop><al>Bij het opnemen van de overgangsbepaling is rekening gehouden met de
                    overgangsbepalingen die zijn opgenomen in het kader van het in werking treden
                    van de Wabo.</al></bijlage><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Bomenverordening Diemen 2010</tussenkop><al>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</al><al><vet>Boom:</vet>de definitie van het begrip boom is opgenomen vanwege de
                    discussie over wat wel en wat geen boom is. Deze discussie speelt vooral bij
                    meerstammigheid, zeer jonge bomen en boomachtige struiken. Gekozen is voor een
                    zeer precieze definitie met eenvoudig te controleren voorwaarden, opdat zo min
                    mogelijk twijfel kan ontstaan. Mocht deze zich toch nog voordoen, dan zal de
                    vakliteratuur doorslaggevend moeten zijn. De minimaal 10 cm doorsnede is
                    gekozen, omdat deze maat ook vaker gebruikt wordt bij het bepalen van het al dan
                    niet gemakkelijk verplaatsbaar zijn van bomen. Vanzelfsprekend geldt de
                    minimumgrootte niet voor aanplant opgelegd in het kader van de herplant- of
                    instandhoudingsplicht. Door de 10 cm en de meerstammigheid zullen zeer oude
                    struiken nu juridisch ook een boom kunnen zijn. Bescherming van “boomgelijke”
                    struiken is van belang in stedelijke parken en op buitenplaatsen of
                    landgoederen. Het begrip “afgestorven” is opgenomen om ook dode bomen te
                    beschermen. Hiervoor zijn verschillende redenen. De eerste is dat in het najaar
                    en in de winter het moeilijk te bepalen is of een boom daadwerkelijk afgestorven
                    is. De tweede reden is dat het op deze manier niet lonend is om er voor te
                    zorgen dat een levende boom afsterft, zodat er geen omgevingsvergunning meer
                    nodig is. </al><al><vet>Houtopstand: </vet>het kernbegrip van deze verordening, waarop het
                    velverbod en de vergunningplicht van toepassing zijn. Door dit begrip consequent
                    centraal te stellen, wordt duidelijk dat de bescherming betrekking heeft op meer
                    dan bomen alleen:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>Boomvormer:</cursief>een boomvormer is een houtig,
                            opgaand gewas met ontwikkeling van één of meer hoofdtakken. Een
                            boomvormer kan uitgroeien tot een boom, een meerstammige boom of een
                            boomachtige struik. In het alledaagse spraakgebruik heeft een boom één
                            of slechts enkele stammen. In de natuur bestaat er echter een
                            geleidelijke overgang: heester - struik - struikachtige boom -
                            (meerstammige) boom.</al><al><cursief> -</cursief><cursief> Hakhout:</cursief>één of meer
                            bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk
                            uitlopen.</al></li><li nr="-"><al><cursief>Houtwal: </cursief>lijnvormige bosaanplant hoofdzakelijk
                            bestaande uit inheemse heesters, struiken en boomvormers,
                            vergunningsplichtig vanaf een minimale lengte van 25 meter of een
                            aaneengesloten oppervlakte van 100 m² (1 are).</al></li><li nr="-"><al><cursief>(Lin</cursief><cursief>t</cursief><cursief>)</cursief><cursief>begroeiing:</cursief>vanwege
                            de grote ecologische waarde van dergelijke begroeiingen (bijvoorbeeld
                            een meidoorn of mispelhaag) is bescherming hiervan een noodzaak. Er
                            staat "begroeiing" in plaats van beplanting, om ook spontaan opgeslagen
                            groen bescherming te bieden, vergunningsplichtig vanaf een
                            aaneengesloten oppervlakte van 100 m2 (1 are).</al></li><li nr="-"><al><cursief>Bosplantsoen:</cursief>aanplant van jong bos,
                            bestaande uit hoofdzakelijk heesters, struiken en boomvormers,
                            vergunningplichtig vanaf een aaneengesloten oppervlakte van 100m2 (1
                            are).</al></li><li nr="-"><al><cursief>S</cursief><cursief>t</cursief><cursief>ruweel:</cursief>een
                            begroeiing van hoofdzakelijk inheemse soorten heesters en struiken,
                            vergunningsplichtig vanaf een aaneengesloten oppervlakte van 100m2 (1
                            are).</al></li><li nr="-"><al><cursief>Sierplantsoen:</cursief>een begroeiing van
                            hoofdzakelijk niet inheemse soorten heesters en struiken, sierplantsoen
                            is niet vergunningsplichtig.</al></li><li nr="-"><al><cursief>Heg:</cursief>een lintvormige aanplant van heesters
                            of struiken, al dan niet in een vorm gesnoeid, vergunningsplichtig vanaf
                            een minimale lengte van 25 meter.</al></li><li nr="-"><al><cursief>Klim</cursief><cursief>p</cursief><cursief>lant:</cursief>verhoutend,
                            overblijvend gewas dat zich hecht aan een dragend element, zoals een
                            wand of muur. Bedoeld zijn beeldbepalende verticale begroeiingen van één
                            of meer klimplanten, vergunningsplichtig vanaf 5 meter hoog.</al></li></lijst><al><vet> Ve</vet><vet>l</vet><vet>len: </vet>elke wijze van het te gronde richten
                    van een houtopstand ongeacht of dit gedeeltelijk is, bijvoorbeeld bij kappen, of
                    volledig, zoals bij rooien (inclusief stobbe verwijderen). Onder vellen wordt
                    tevens verstaan:</al><al>-<cursief>dunning</cursief><cursief>:</cursief>velling
                    ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand,met een maximum van 30%
                    dunning van de houtopstand;</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>rooien: </cursief>het geheel verwijderen van het boven- en
                            ondergrondse deel van de houtopstand;</al></li><li nr="-"><al><cursief>kappen:</cursief>het geheel of grotendeels
                            verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand;</al></li><li nr="-"><al><cursief>kandelaberen</cursief><cursief>:</cursief>het
                            terugsnoeien van de kroon tot een hoofdstam met takstompen.</al></li></lijst><al>Ook ingrepen die een ingrijpende wijziging betekenen, zoals kandelaberen of het
                    snoeien van meer dan 30 procent van het kroonvolume van de boom, vallen onder
                    het begrip vellen. Dit om het ernstig beschadigen of ontsieren van een boomkroon
                    tegen te kunnen gaan. Het in stand houden door periodieke snoei van de door
                    kandelaberen of knotten ontstane kroonvorm is niet vergunningplichtig.
                        <cursief>De</cursief><cursief>eerste</cursief><cursief>keer</cursief><cursief>kandelaberen</cursief><cursief>of</cursief><cursief>knotten</cursief><cursief>is
                        wel</cursief><cursief>vergunning</cursief><cursief>p</cursief><cursief>lichtig</cursief><cursief>.</cursief></al><al>Het verwijderen van hoofdwortels, waarvan kan worden aangenomen dat daardoor de
                    houtopstand ernstige schade oploopt, valt eveneens onder het begrip vellen. Door
                    de verordening ook van toepassing te laten zijn op het ernstig beschadigen of
                    ontsieren van samengestelde verschijningsvormen, worden grootschalige ingrepen
                    in houtopstand eveneens vergunningplichtig.</al><al><vet>Wabo</vet><vet>:</vet> Met de in werking treding van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht dient, daar waar deze wet prevaleert boven deze
                    verordening, het college te worden vervangen door ‘bevoegd gezag’ als bedoeld in
                    artikel 1.1, eerste lid, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Naast de Wabo
                    is ook de (Ministeriële) Regeling omgevingsrecht (Mor) van toepassing. Met name
                    daar waar het gaat om de indieningsvereisten van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning.</al><al>Artikel 2. Velverbod</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De omgevingsvergunning is in beginsel zaaksgebonden, want de vergunning heeft
                    betrekking op activiteiten in de fysieke leefomgeving. In het kader van de
                    Bomenverordening Diemen 2010 gaat het om de activiteit van het vellen of doen
                    vellen van een houtopstand (artikel 2.2, eerste lid onder g, van de Wabo). De
                    vergunninghouder is dus niet degene aan wie de vergunning ooit is verleend maar
                    degene die het project (vellen) uitvoert. Dat is degene die verantwoordelijk is
                    voor de uitvoering dus de eigenaar of opdrachtgever. Die moet de
                    vergunningvoorschriften naleven of zorgen dat zij door zijn werknemers of
                    contractanten worden nageleefd (artikel 2.25, eerste lid, van de Wabo). Indien
                    de omgevingsvergunning gaat gelden voor een ander dan de aanvrager of de
                    vergunninghouder, dan zal de aanvrager of de vergunninghouder dat ten minste een
                    maand van te voren moeten melden aan het bevoegd gezag. De vergunning gaat dan
                    gelden voor de nieuwe eigenaar. In artikel 4.8 van het Besluit omgevingsrecht is
                    een opsomming terug te vinden van de aan het bevoegd gezag te vermelden
                    gegevens. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>