Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Reusel-De Mierden

Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren in het centrum van Reusel 2003

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieReusel-De Mierden
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren in het centrum van Reusel 2003
CiteertitelParkeerverordening centrumgebied Reusel 2003
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpruimtelijke ordening, verkeer en vervoer
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Opnieuw gepubliceerd op 16-01-2004 in verband met foutieve datum inwerkingtreding.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, art. 149
  2. Wegenverkeerswet 1994

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

1.Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

09-01-2004nieuwe regeling

07-07-2003

D’n Uitkijk 28-11-2003

R 03-034

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren in het centrum van Reusel 2003

De raad van de gemeente Reusel-De Mierden;

Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de Wegenverkeerswet 1994;

Besluit vast te stellen de:

 

Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren in het centrum van Reusel

Hoofdstuk 1 Definities en begripsomschrijvingen

Artikel 1.

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    RVV 1990 : het Reglement verkeersregels en verkeerstekens van 26 juli 1990, Staatsblad 459;

  • b.

    voertuig : hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990;

  • c.

    parkeren : het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

  • d.

    houder : degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorvoertuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet ( Stb. 1935, 554) aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven

  • e.

    parkeerverbodzone : een middels de RVV-borden E10 en E11 afgebakend gebied waarbinnen, gedurende een bepaalde tijdsperiode, niet zonder vergunning mag worden geparkeerd

  • f.

    parkeerverbodzone-plaats : een parkeerplaats binnen de parkeerverbodzone;

  • g.

    vergunning : een door burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerverbodzoneplaatsen;

  • h.

    vergunninghouder : de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend.

Hoofdstuk 2 Plaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en vergunningbewijzen
Artikel 2.
    • 1.

      Burgemeester en wethouders kunnen, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders.

    • 2.

      Burgemeester en wethouders kunnen, bij openbaar besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren aan vergunninghouders is toegestaan.

Artikel 3.
    • 1.

      Burgemeester en wethouders kunnen op een daartoe strekkend verzoek een vergunning verlenen voor het parkeren binnen een parkeerverbodzone.

    • 2.

      Een vergunning kan worden verleend aan de eigenaar of houder van een voertuig wanneer deze:

    • a.

      woont in een gebied waar door vergunninghouders te gebruiken parkeerverbodzoneplaatsen aanwezig zijn, en voor zijn/haar woning nog geen vergunning is afgegeven;

    • b.

      dan wel een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar vergunninghouders te gebruiken parkeerverbodzoneplaatsen aanwezig zijn en aantoont dat het in het belang van diens beroeps- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een voertuig te parkeren.

    • 3.

      De eigenaar of houder van een voertuig die voldoet aan beide in het tweede lid gestelde voorwaarden wordt, voor wat betreft de eerste aangevraagde vergunning, geacht te beantwoorden aan de onder a. genoemde voorwaarde.

    • 4.

      Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan eigenaren of houders van voertuigen die niet voldoen aan één van de in het tweede lid genoemde voorwaarden.

    • 5.

      Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen, waaraan voldaan moet worden om voor een vergunning in aanmerking te komen. Alvorens hierover een besluit te nemen vragen zij het advies van de raadscommissie voor Grondgebiedzaken.

    • 6.

      Aan de vergunning kunnen zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is.

    • 7.

      Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning ook andere voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen mogen alleen strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerplaatsruimte.

Artikel 4.
    • 1.

      Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, regels geven voor het aanvragen en verlenen van een vergunning.

    • 2.

      Burgemeester en wethouders beslissen binnen 6 weken na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning.

    • 3.

      Burgemeester en wethouders kunnen de in het tweede lid genoemde termijn met ten hoogste 6 weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld.

    • 4.

      Een besluit tot afwijzing van een aanvraag is met redenen omkleed. De aanvrager wordt van deze afwijzing in kennis gesteld.

Artikel 5.
    • 1.

      Een vergunning wordt voor twee jaren verleend. Burgemeester en wethouders kunnen gebieden aanwijzen, waarvoor een vergunning voor ten hoogste twee jaren wordt verleend.

    • 2.

      De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      het gebied waarvoor de vergunning geldt,

    • b.

      de naam van de vergunninghouder of het kenteken dan wel een ander kenmerk van het voertuig of de voertuigen waarvoor de vergunning is verleend,

    • c.

      de periode waarvoor een vergunning geldt,

    • d.

      eventuele andere voorschriften en/of beperkingen.

Artikel 6.
    • 1.

      Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken of wijzigen:

    • a.

      op verzoek van de vergunninghouder,

    • b.

      wanneer de vergunninghouder het gebied, waarvoor de vergunning is verleend, metterwoon verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt,

    • c.

      wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning,

    • d.

      wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunning komt te vervallen,

    • e.

      wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften,

    • f.

      wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt,

    • g.

      om redenen van openbaar belang.

    • 2.

      Een besluit tot het intrekken of wijzigen van een vergunning is met redenen omkleed. De betrokkene wordt van het intrekken of wijzigen van de vergunning schriftelijk in kennis gesteld.

Hoofdstuk 3 Verbodsbepalingen

Artikel 7.
  • 1.

    Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een voertuig, te plaatsen of te laten staan op een parkeerverbodzoneplaats.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 8.
  • 1.

    Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een parkeerverbodzoneplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een voertuig te plaatsen of geparkeerd te houden:

  • a.

    zonder vergunning,

  • b.

    zonder dat het voertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de vergunning,

  • c.

    in strijd is met de aan de vergunning verbonden voorwaarden.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Hoofdstuk 4 Strafbepaling

Artikel 9.

Overtreding van het bepaalde in hoofdstuk 3 van de verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de eerste categorie.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 10.

Met de opsporing van overtredingen van deze verordening zijn, behalve de in artikel 141 en 142 van het Wetboek van strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, de door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren belast.

Artikel 11.

De verordening kan worden aangehaald als “Parkeerverordening centrumgebied Reusel 2003”.

Artikel 12.

Deze verordening treedt in werking op een door burgemeester en wethouders bij openbaar besluit bekend te maken datum.

Aldus vastgesteld door de raad in zijn openbare vergadering van 5 november 2003.

De raad voornoemd,

de griffier, de voorzitter,