<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR487754_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Grave</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-03-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Grave</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-50777.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3dbestuurlijke%2bboete%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26spd%3d20180425%26epd%3d20180425%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dGrave%26orgt%3dgemeente%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=4&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad d.d. 29 maart 2017 nummer 50777</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703">Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-03-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-03-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2017-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><al/><lijst><li nr="a."><al>Boetebesluit 2017: Boetebesluit socialezekerheidswetten
                                    2017</al></li><li nr="b."><al>IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>Wet SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                    inkomen;</al></li><li nr="e."><al>Boete: de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a
                                    Participatiewet en in artikel 20a IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>Inlichtingenplicht: de verplichting als bedoeld in artikel 17,
                                    eerste lid, Participatiewet, artikel 13, eerste lid, IOAW/IOAZ,
                                    en artikel 30c, tweede en derde lid, Wet SUWI;</al></li><li nr="g."><al>Beslagvrije voet: het deel van het inkomen waarop volgens
                                    artikel 475d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen beslag
                                    mag worden gelegd.</al></li></lijst><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk </label><nr>2</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Hoogte van de boete</titel></kop><al>Bij de beoordeling van de boete wordt rekening gehouden met de
                            financiële draagkracht. Als referentie-inkomen voor de voor beslag
                            vatbare ruimte wordt uitgegaan van de toepasselijke bijstandsnormen
                            benoemd in artikel 475c t/m e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering én
                            van de kostendelersnorm ex artikel 22a Participatiewet.</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Een verzoek van belanghebbende om de beslagvrije voet afwijkend
                                    vast te stellen moet schriftelijk ingediend worden.
                                    Belanghebbende dient hierbij de gegevens te overleggen die naar
                                    het oordeel van het college nodig zijn. </al></li><li nr="2."><al>Bij termijnbetaling van de boete geldt een maximale duur, die
                                    mede is gerelateerd aan de mate van verwijtbaarheid:</al><lijst><li nr="a."><al>Opzet: 24 maanden</al></li><li nr="b."><al>Grove schuld: 18 maanden</al></li><li nr="c."><al>Schuld: normale verwijtbaarheid: 12 maanden</al></li><li nr="d."><al>Verminderde verwijtbaarheid: 6 maanden</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Redelijke termijn bij alsnog nakomen inlichtingenverplichting
                                (waarschuwing)</titel></kop><al>Conform artikel 2aa Boetebesluit kan het college onder andere volstaan
                            met het geven van een schriftelijke waarschuwing als belanghebbende wel
                            inlichtingen heeft verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of
                            anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld heeft
                            vermeld, maar uit eigen beweging alsnog binnen een redelijke termijn de
                            juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd,
                            tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van
                            toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting. </al><al>In dit geval wordt onder redelijke termijn verstaan een termijn van 60
                            dagen nadat de inlichtingen hadden behoren te worden verstrekt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlagen of afzien van de bestuurlijke boete</titel></kop><al>Naast de criteria genoemd in artikel 2a, tweede lid, Boetebesluit 2017
                            kunnen er omstandigheden zijn die aanleiding geven de boete te verlagen
                            of er van af te zien. Het gaat om omstandigheden die voor betrokkene of
                            het gezin zódanig zijn, dat het toepassen van de regels de grenzen van
                            redelijkheid en billijkheid zouden overschrijden. In het bijzonder valt
                            hierbij te denken aan het voorkomen van ongewenste gevolgen voor
                            inwonende minderjarige kinderen. </al><al>Het verlagen of afzien van de bestuurlijke boete op grond van bijzondere
                            omstandigheden is altijd maatwerk.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Invordering van de boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende geen bijstandsuitkering (meer) heeft, wordt de
                                boete via een aflossingsregeling ingevorderd. De belanghebbende
                                zorgt zelf voor de betaling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de draagkracht wordt uitgegaan van de
                                beslagvrije voet zoals vastgelegd in artikel 475d Wetboek van
                                Burgerlijke Rechtsvordering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid bedraagt de beslagvrije voet, indien
                                sprake is van de kostendelersnorm ex artikel 22a Participatiewet,
                                95% van die norm. Het tweede lid is wel van overeenkomstige
                                toepassing voor de beoordeling van een afwijkende beslagvrije voet.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De middelen genoemd in artikel 31, tweede lid, Participatiewet
                                moeten worden aangewend voor de betaling van de boete met
                                uitzondering van sub n, r en y. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het vrij te laten bescheiden vermogen uit artikel 34
                                Participatiewet, minus een bedrag van 1,5 keer de van toepassing
                                zijnde bijstandsnorm, moet worden aangewend voor betaling van de
                                boete.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De boete wordt naar beneden afgerond op een veelvoud van € 10.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Wanneer sprake is van een opgelegde boete en terugvordering van
                                uitkering, zal de terugvordering als eerste worden geïnd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk </label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Bijzondere situaties/hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In bijzondere situaties kan het college afwijken van het bepaalde in
                                deze beleidsregels indien toepassing van deze beleidsregels tot
                                onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze beleidsregels treden in werking op de dag nu publicatie en
                                werken terug tot en met 1 januari 2017, behoudens situaties waarbij
                                sprake is van negatieve gevolgen voor belanghebbende. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze beleidsregels zijn ook van toepassing op alle boete-onderzoeken
                                waarbij op de datum van inwerkingtreding door het college nog geen
                                besluit is genomen inclusief een besluit op bezwaar of beroep.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze beleidsregels worden
                                de ‘beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ
                                2015’ ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels bestuurlijke
                                boete 2017”.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld op 21 maart 2017</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De gemeentesecretaris De burgemeester</ondertekening><ondertekening>J.J.L. Heerkens L.Roolvink</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr/></kop><al><vet>HOOFDSTUK I ALGEMEEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 januari 2016 (CRvB
                    11-01-2016, nr. 15/2099 WWB) voorziet in rekenregels om de draagkracht van de
                    belanghebbende vast te stellen. Bij die berekening wordt uitgegaan van de
                    bijstandsnormen (alleenstaande, alleenstaande ouder en gehuwden). Deze worden
                    ook benoemd in de beslagregels in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke
                    Rechtsvordering (Rv). De CRvB geeft aan dat bij de vaststelling van het voor
                    betaling beschikbare inkomen geen rekening hoeft te worden gehouden met andere
                    financiële verplichtingen. Dit deel van de uitspraak is in strijd met de
                    beslagregels die voorschrijven dat de zorgpremie en woonkosten de beslagvrije
                    voet ophogen. Andere financiële verplichtingen zoals bestaande aflossingen
                    worden niet expliciet benoemd in de beslagregels. </al><al>Landelijke discussies door kenniscentra en gemeenten leiden tot de conclusie dat
                    niet juridisch houdbaar om de beslagregels van artikel 475d Rv buiten
                    beschouwing te laten. De belanghebbende behoudt het recht om op verzoek een
                    beslag afwijkend te laten vaststellen. Daarom dient bij de betaling in termijnen
                    rekening te worden gehouden met de beslagregels. In ieder geval zullen de
                    zorgpremie en de woonkosten, verminderd met ontvangen zorg- en huurtoeslag, de
                    beslagvrije voet verhogen. Andere financiële verplichtingen die niet genoemd
                    zijn in Rv zullen op maatwerkbasis worden beoordeeld.</al><al/><al><vet>Kostendelersnorm</vet></al><al>Toepassing van de letterlijke uitkeringsnormen uit de Participatiewet als
                    ‘fictief inkomen’ heft de beperking vanuit Rv op waarin de kostendelersnorm niet
                    wordt genoemd. Artikels 475 c t/m e Rv voorzien namelijk niet in de
                    kostendelersnorm. Deze norm is bij voorbaat altijd lager dan de beslagvrije voet
                    voor de bijstandsnorm van een alleenstaande zoals Rv die benoemt. Gevolg is dat
                    de aan een kostendeler opgelegde boete niet kan worden ingevorderd. Dit zou
                    strijdig zijn met de fraudewet die bedoeld is om de ongewenste regelovertreding
                    aangescherpt te sanctioneren. </al><al>Omdat de CRvB de kostendelers niet betrekt in haar uitspraak, maakt de gemeente
                    een beleidskeuze over de betaling van een boete door kostendelers.De keuze is nu
                    om ook voor kostendelers uit gaan van de uitkeringsnorm in artikel 22a van de
                    Participatiewet.Op grond van internetconsultatie op het concept-voorstel voor de
                    vereenvoudiging van de huidig beslagregels is naar voren gekomen dat aan artikel
                    475d Rv een bepaling wordt toegevoegd om de beslagvrije voet op 95% te stellen.
                    Deze is ook toe te passen op de kostendelersnorm. Hiermee wordt dan zowel
                    uitvoering gegeven aan het beginsel dat schending van de informatieverplichting
                    niet mag lonen én aan het rekening houden met de draagkracht van de
                    belanghebbende. </al><al>Gevolg is dat een belanghebbende het college schriftelijk kan verzoeken om de
                    beslagvrije voet afwijkend vast te stellen. Hij overlegt hiervoor de benodigde
                    informatie. Zie ook de toelichting op artikelnummers 2 en 6 van deze
                    beleidsregels.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK II BELEIDSREGELS</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Lid 1. De uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 24 november 2014 en 11
                    januari 2016 wijzigen de te bepalen hoogte van de boete. De bestaande
                    boetesystematiek vervalt. Nieuw is dat wordt uitgegaan van vier categorieën mate
                    van verwijtbaarheid en van de draagkracht. De uitspraak betekent een grotere
                    aandacht voor maatwerkbeoordeling. </al><al>De minimumboete van € 150,- bij een benadelingsbedrag lager dan € 150,- is
                    vervallen. Ook de bepaling dat voor alle benadelingsbedragen hoger dan € 150 de
                    boete maximaal gelijk is aan het benadelingsbedrag, vervalt. </al><al>In de Participatiewet 2017 en het Boetebesluit 2017 zijn de berekening van de
                    maximaal op te leggen boete uitgewerkt. De bedragen zijn ontleend aan die uit
                    artikel 23 vierde lid van het Wetboek van strafrecht. De maximale boete in de
                    socialezekerheidswetten (=bestuursrechtelijk) kunnen niet hoger zijn dan wanneer
                    de overtreding als het ware strafrechtelijk zouden worden beoordeeld. Deze
                    toevoeging aan het eerste lid van artikel 18a is een direct gevolg van CRvB 24
                    november 2014. Tevens is de bepaling vervallen voor het opleggen van een
                    minimumboete (€ 150) bij ontbreken van een benadelingsbedrag of dat er een
                    sprake was van een bedrag lager dan die € 150. </al><al>De grens voor het doen van aangifte bij het Openbaar Ministerie blijft voor
                    benadelingsbedragen hoger dan € 50.000 ongewijzigd.</al><al>Bij herhaling van de schending van de inlichtingenplicht kan de boete nog
                    ongewijzigd worden bepaald op maximaal 150% van het benadelingsbedrag. Wél dient
                    in de bepaling van de hoogte toetsing aan de vier categorieën van mate van
                    verwijtbaarheid te volgen.</al><al>Uitgangspunt in de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid is de ‘normale,
                    gemiddelde verwijtbaarheid’. De gemeente dient opzet en grove schuld te bewijzen
                    en heeft dus een verzwaarde onderzoekplicht. </al><al/><al><vet>Aspecten stelplicht en bewijslast:</vet></al><al/><lijst><li nr=""><al>• Het college dient de belanghebbende te horen wanneer ze het voornemen
                            heeft een boete op te leggen. Niet reageren werkt in het voordeel van de
                            klant. Vooral als uit het dossier geen intentie blijkt. De boete kan dan
                            niet hoger zijn dan 50% van het benadelingsbedrag. </al></li><li nr=""><al>• Wanneer het college vragen stelt met betrekking tot de boeteoplegging
                            (over het ‘waarom’) wordt aan de belanghebbende de cautie verleend (art.
                            5:10a Algemene wet bestuursrecht).</al></li><li nr=""><al>• Heeft het college een inspanningsverplichting tot nader onderzoek?
                            Wanneer het dossier geen feiten bevat die ondersteunen dat sprake kan
                            zijn van opzet of grove schuld, is de boete maximaal 50% van het
                            benadelingsbedrag.</al><al/></li></lijst><al>Het benadelingsbedrag is het bedrag dat belanghebbende ten onrechte heeft
                    ontvangen. Het bedrag aan bijstand uit de Participatiewet is een nettobedrag.
                    Bij onterecht verleende bijzondere bijstand inclusief de individuele inkomens-
                    en studietoeslag, gaat het om het volledige bedrag. De IOAW/IOAZ zijn
                    bruto-uitkeringen; de benadelingsbedragen als zodanig dan ook. De door het
                    college verschuldigde sociale premies worden daarin niet meegenomen. </al><al>Lid 2. De boete wordt vastgesteld aan de hand van de financiële draagkracht en
                    mede bepaald door de mate van verwijtbaarheid. De Centrale Raad van Beroep heeft
                    maximale betalingstermijnen aangegeven. Deze zijn nu leidend in de duur van
                    aflossing. </al><al>De uitspraak van de CRvB van 11 januari 2016 heeft ook gevolgen voor de betaling
                    van de boete. Artikel 5 van deze beleidsregels werkt die gevolgen nader
                    uit.</al><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>Het college kan de boete verlagen als er sprake is van verminderde
                    verwijtbaarheid. In het Boetebesluit staat een tweetal criteria (niet
                    limitatief) benoemd voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid. </al><al>Het begrip verminderde verwijtbaarheid is geregeld bij AMvB (artikel 2a van het
                    Boetebesluit sociale verzekeringswetten) en is ook van toepassing verklaard op
                    de door de gemeente uit te voeren uitkeringsregelingen. </al><al>Aan de twee criteria zijn aan die in deze beleidsregels er twee toegevoegd. Doel
                    hiervan is de uitvoering te ondersteunen en uniformiteit in de uitvoering te
                    bevorderen. Deze twee toevoegingen maken een meer gewogen beoordeling van de
                    verwijtbaarheid in veelvoorkomende situaties mogelijk.</al><al>In deze beleidsregels wordt aangesloten bij deze niet limitatief gestelde regels
                    en de daarmee geboden ruimte voor een bredere, individueel bepaalde toepassing.
                    In een handreiking voor de uitvoering worden handvatten aangereikt voor de
                    beoordeling van verminderde verwijtbaarheid. Het gaat hier uitdrukkelijk om
                    handvatten, geen richtlijnen omdat uitgangspunt maatwerk is.</al><al>Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid als belanghebbende de brieven
                    van de gemeente niet begrijpt. Bijvoorbeeld omdat belanghebbende de taal niet
                    voldoende beheerst. Of wanneer belanghebbende langere tijd niet in staat is om
                    zijn belangen te behartigen. Hij zal er in dat geval voor moeten zorgen dat een
                    derde helpt om te voldoen aan de verplichtingen. Evenmin is onvoldoende
                    beheersing van de Nederlandse taal een geldige omstandigheid voor verminderde
                    verwijtbaarheid.</al><al>Om vast te kunnen stellen dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid wordt
                    gekeken naar het moment van de gedraging (toetsing ex tunc).</al><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>De bestuurlijke boete kan worden verlaagd indien sprake is van verminderde
                    verwijtbaarheid of bijzondere omstandigheden. Hiervoor worden geen specifieke
                    regels vastgesteld. Het gaat om zeer uitzonderlijke gevallen met bijzondere
                    omstandigheden voor belanghebbende of het gezin (inwonende minderjarige
                    kinderen). Het toepassen van de regels zou echter de grenzen van redelijkheid en
                    billijkheid overschrijden. De beoordeling van bijzondere omstandigheden is
                    geheel maatwerk. </al><al>Het afzien van het opleggen van een boete kan bij dringende redenen.
                    Uitgangspunt is dat dit uitzonderlijk voorkomt. Dit is het geval als de boete
                    zou leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor betrokkene of het gezin. </al><al>Omdat er mogelijkheden zijn om de boete te verlagen bij verminderde
                    verwijtbaarheid en bijzondere omstandigheden zal het afzien van een boete niet
                    vaak nodig zijn. De mogelijkheid om dit toch te kunnen doen komt het maatwerk
                    ten goede. Verder kan belanghebbende door deze beleidsregel een beroep doen op
                    een hardheidsclausule. </al><al>Het afzien van opleggen van een boete gebeurt met een beschikking. Eventuele
                    herhaling van de verwijtbare gedraging wordt mede toetsbaar aan de hand van dat
                    besluit tot afzien.</al><al/><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>De uitspraak van de CRvB van 11 januari 2016 over de toetsing aan financiële
                    draagkracht bij vaststelling van het boetebedrag is niet opgenomen in de
                    gewijzigde Participatiewet en het Boetebesluit 2017.De nadere uitvoering is
                    daarom in deze beleidsregels uitgewerkt. Daarnaast vervalt de verordening voor
                    de verrekening van de recidiveboete per 1 januari. Daarmee is er voor de
                    verrekening van die boete geen wettelijke grondslag meer en kan onder dezelfde
                    invorderingsregels vallen als die voor de niet-recidiveboete.</al><al>Bij de vaststelling van de draagkracht wordt uitgegaan van de beslagvrije voet
                    zoals vastgelegd in artikel 475d van het Wetboek voor burgerlijke
                    rechtsvordering (Rv). De CRvB heeft uitgesproken dat daarbij niet rekening hoef
                    te worden gehouden met andere financiële verplichtingen die de belanghebbende
                    heeft. De vraag is of dit onderdeel van de uitspraak houdbaar is gelet op
                    artikel 475d Rv. In deze beleidsregels is de uitspraak geïnterpreteerd als dat
                    het college bij de berekening van de ruimte in het inkomen, uitgaat van het
                    percentage van 90% zoals betreffende artikelnummer aangeeft. Dan stemt dat
                    overeen met de uitspraak. Aan artikel 475d wordt tevens voldaan omdat in de
                    beleidsregels is opgenomen dat de belanghebbende verzoek de beslagvrije voet
                    afwijkend kan laten vaststellen.</al><al>In geval van de belanghebbende als kostendeler met een uitkeringsnorm uit
                    artikel 22a van de Participatiewet, is nu gekozen voor een beslagvrije voet die
                    95% van die norm bedraagt. Artikel 475d RV noemt de kostendelersnorm niet.
                    Volgens de huidige bijstandsregels zou in de kostendelersnorm geen ruimte voor
                    beslag zijn. Dat betekent dat schending van de informatieverplichting door
                    kostendelers (die niet op voorhand fictief is te veronderstellen) min of meer
                    zou lonen. Dit is strijdig met de aangescherpte handhaving. Het lijkt erop dat
                    reacties op het concept-voorstel voor de vereenvoudigde beslagregels tot een
                    bepaling in Rv leiden waarbij een beslagvrije voet van 95% wordt opgenomen voor
                    lage inkomens. Deze beleidsregels nemen daarop een voorschot.</al><al>Tot de middelen waarmee de boete wordt betaald worden de vrijgelaten middelen
                    gerekend zoals benoemd in artikel 31 lid 2 van de Participatiewet. De middelen
                    genoemd onder n, r en y van deze bepaling zijn voor betaling van de boete
                    uitgezonderd. Motivering hiervoor is dat het reparatieve en sanctionerend effect
                    van de boete in evenwicht zijn met het stimuleringsbeleid dat werken (in
                    deeltijd ondanks een beperkende persoonlijke situatie) loont.</al><al>Het vrij te laten bescheiden vermogen uit artikel 34 van de Participatiewet
                    wordt gebruikt voor betaling van de boete. Van het vermogen wordt een bedrag van
                    1,5 keer de van toepasselijke bijstandsnorm niet in aanmerking genomen voor de
                    betaling. </al><al>In deze keuze werkt door het toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Schending
                    van de informatieplicht kan hebben geleid tot onrechtmatige verhoging of niet
                    aanwenden van het vermogen. Als sanctie daarvan (een deel van) de boete betalen
                    is redelijk. Met de vrijlating van een minimumbedrag blijft de belanghebbende
                    perspectief houden om zelf te voorzien in onverwachte of te verwachten extra
                    financiële lasten.</al><al>Wanneer sprake is van een opgelegde boete en terugvordering van uitkering, zal
                    de terugvordering als eerste worden geïnd. Reden hiervoor is dat direct na
                    constatering van een benadelingsbedrag tot verrekening kan worden overgegaan.
                    Het boetetraject kan vaker pas later worden afgerond. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK III Slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6 en 7</vet></al><al>In de slotbepalingen is bepaald dat het college besluit in gevallen waarin deze
                    beleidsregels niet voorzien. Daarnaast hoe deze beleidsregels geciteerd kunnen
                    worden en vanaf welke datum deze van kracht zijn geworden. </al><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>