<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR4874_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken (Inspraakverordening)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2006, 26</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening Steenwijkerland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 150</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-05-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-06-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2006/47</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de
                voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenwijkerland;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16
                        mei 2006, nummer 2006/47;</al><al/><al>gelet op artikel 150 van de Gemeentewet;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de volgende <vet>Verordening inzake de wijze waarop
                            ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk
                            beleid worden betrokken</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de
                                voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al></li><li nr="b."><al>inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                                gegeven;</al></li><li nr="c."><al>beleidsvoornemen: het voornemen van een bestuursorgaan tot het
                                vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ieder bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of
                            inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                            beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen inspraak wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                    vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li><li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                    uitgesloten;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving, waarbij
                                    het bestuursorgaan geen of zeer beperkte beleidsvrijheid
                                    heeft;</al></li><li nr="d."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                    spoedeisend is, dat inspraak niet kan worden afgewacht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                            bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                            inspraakprocedure vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eindverslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag
                            op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eindverslag bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li><li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                    mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></li><li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed
                                    wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van
                                    het beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuursorgaan legt het eindverslag gedurende zes weken ter
                            inzage.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in een of
                            meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen en via de gemeentelijke
                            website kennis van de terinzagelegging van het eindverslag. In de
                            kennisgeving wordt vermeld waar en wanneer het eindverslag ter inzage
                            ligt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een afschrift van het eindverslag wordt toegezonden aan degenen die een
                            zienswijze naar voren hebben gebracht of dezen worden persoonlijk op de
                            hoogte gesteld waar en wanneer het eindverslag ter inzage ligt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Intrekking verordening</titel></kop><al>De Inspraakverordening Steenwijk 2001, vastgesteld bij raadsbesluit van 23
                        januari 2001, wordt ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de datum van uitgifte
                        van het Gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening
                        Steenwijkerland.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr></kop><tussenkop>Artikel 150 Gemeentewet (oud):</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt een verordening vast, waarin regels worden gesteld met
                            betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en in de gemeente een belang
                            hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van
                            gemeentelijk beleid worden betrokken.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening worden ten minste geregeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de wijze waarop van de beleidsvoornemens waarop inspraak zal
                                    worden verleend, openbaar wordt kennis gegeven;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop ingezetenen en in de gemeente een belang
                                    hebbende natuurlijke en rechtspersonen in staat worden gesteld
                                    hun mening omtrent de onder a. bedoelde beleidsvoornemens
                                    kenbaar te maken;</al></li><li nr="c."><al>de rapportering over de onder b. bedoelde inspraak en over de
                                    uitkomsten daarvan;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop ingezetenen en in de gemeente een belang
                                    hebbende natuurlijke en rechtspersonen in de gelegenheid worden
                                    gesteld hun beklag te doen over de uitvoering van de
                                    verordening.</al><al/></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 150 Gemeentewet (nieuw):</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt een verordening vast, waarin regels worden gesteld met
                            betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de
                            voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing
                            van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover in de
                            verordening niet anders is bepaald.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr></kop><tussenkop>Tekst artikelen 3:11 t/m 3:17 van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                    bestuursrecht</tussenkop><tussenkop>Artikel 3:11</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de
                            daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor
                            een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige
                            toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage
                            worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.</al></li><li nr="3."><al>Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten verstrekt het bestuursorgaan
                            afschrift van de ter inzage gelegde stukken.</al></li><li nr="4."><al>De stukken liggen ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid,
                            bedoelde termijn.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:12</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in een of
                            meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte
                            wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van
                            de zakelijke inhoud.</al></li><li nr="2."><al>Indien het een besluit van een tot de centrale overheid behorend
                            bestuursorgaan betreft, wordt de kennisgeving in ieder geval in de
                            Staatscourant geplaatst, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
                            bepaald.</al></li><li nr="3."><al>In de kennisgeving wordt vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen;</al></li><li nr="b."><al>wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren
                                    te brengen;</al></li><li nr="c."><al>op welke wijze dit kan geschieden;</al></li><li nr="d."><al>indien toepassing is gegeven aan artikel 3:18, tweede lid: de
                                    termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.</al><al/></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:13</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht,
                            zendt het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp
                            toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:14</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan vult de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe
                            relevante stukken en gegevens.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3:11, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:15</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of
                            mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.</al></li><li nr="2."><al>Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald
                            dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze
                            naar voren te brengen.</al></li><li nr="3."><al>Indien het een besluit op aanvraag betreft, stelt het bestuursorgaan de
                            aanvrager zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren
                            gebrachte zienswijzen.</al></li><li nr="4."><al>Indien het een besluit tot wijziging of intrekking van een besluit
                            betreft, stelt het bestuursorgaan degene tot wie het te wijzigen of in
                            te trekken besluit is gericht zo nodig in de gelegenheid te reageren op
                            de naar voren gebrachte zienswijzen.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:16</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen
                            van adviezen als bedoeld in afdeling 3.3, bedraagt zes weken, tenzij bij
                            wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald.</al></li><li nr="2."><al>De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage
                            is gelegd.</al></li><li nr="3."><al>Op schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen zijn de artikelen 6:9
                            en 6:10 van overeenkomstige toepassing.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:17</tussenkop><al>Van hetgeen overeenkomstig artikel 3:15 mondeling naar voren is gebracht, wordt
                    een verslag gemaakt.</al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Inspraakverordening</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Aanleiding</tussenkop><al-groep><al>Artikel 150 van de Gemeentewet verplicht de gemeenteraad tot het vaststellen
                        van een inspraakverordening. Aan deze wettelijke verplichting is in onze
                        gemeente uitvoering gegeven door vaststelling van de Inspraakverordening
                        Steenwijk 2001. </al><al>Als gevolg van recente wetswijzigingen dient deze verordening thans
                        geactualiseerd te worden. De wetswijzigingen betreffen de inwerkingtreding
                        van de Wet dualisering gemeentebestuur, de opname van het klachtrecht in
                        hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de invoering van de
                        Wet en Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure
                        wordt artikel 150 van de Gemeentewet gewijzigd (zie bijlage 1) en is
                        afdeling 3.4 van de Awb grondig herzien (zie bijlage 2). </al><al>Door inwerkingtreding van de Aanpassingwet uniforme openbare
                        voorbereidingsprocedure is onder meer de inspraakverplichting, die in
                        artikel 6a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) was opgenomen en van
                        toepassing was op de voorbereiding van ruimtelijke plannen en de
                        vrijstellingsbepaling van artikel 19, eerste lid, van de WRO, vervallen. De
                        reden van deze wijziging is dat op de voorbereiding van dergelijke plannen
                        nu de uniforme openbare voorbereidings-procedure van de Awb van toepassing
                        is en aldus een doublure, namelijk inspraak op grond van artikel 6a van de
                        WRO èn ‘inspraak’ via de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de
                        Awb, wordt voorkomen. </al><al/></al-groep><tussenkop>Inspraak</tussenkop><al>Inspraak is een formeel vastgelegde en in een aantal gevallen wettelijk
                    verplichte vorm van burgerparticipatie. Uit de parlementaire behandeling van
                    artikel 150 van de Gemeentewet blijkt dat inspraak, in de zin van dit artikel,
                    moet worden verleend op het moment dat een beleids-voornemen voldoende is
                    uitgekristalliseerd. Inspraak vindt derhalve plaats in het laatste deel van de
                    voorbereidingsfase van het gemeentelijk beleid.</al><al/><al>Door gelegenheid tot inspraak te geven, wordt aan inwoners en andere
                    belanghebbenden expliciet de mogelijkheid geboden om hun mening over een
                    beleidsvoornemen kenbaar te maken. Voor het bestuursorgaan biedt inspraak de
                    gelegenheid om het voornemen toe te lichten en de inspraak-reacties mee te wegen
                    bij de besluitvorming over het betreffende voornemen. Aldus kan inspraak
                    bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van en het vergroten van
                    maatschappelijk draagvlak voor het beleidsvoornemen. </al><al/><tussenkop>Andere vormen van burgerparticipatie</tussenkop><al-groep><al>Inspraak heeft betrekking op voldoende uitgekristalliseerde, concrete
                        beleidsplannen. Daarmee kan inspraak worden onderscheiden van interactieve
                        beleidsvorming. Bij interactieve beleids-vorming betrekt het bestuursorgaan
                        in een zo vroeg mogelijk stadium burgers, maatschappelijke organisaties,
                        bedrijven en andere overheden bij het beleid om zo in een open en
                        evenwichtige wisselwerking of samenwerking tot beleid te komen. Hierbij weet
                        het bestuursorgaan nog niet of wil het bestuursorgaan nog niet bepalen hoe
                        het beleidsprobleem opgelost zal worden. Interactieve beleidsvorming vindt
                        derhalve in een eerder stadium van de voorbereidingfase plaats en betreft
                        dientengevolge geen relatief uitgewerkte plannen. </al><al>Verder moet inspraak ook onderscheiden worden van de uniforme openbare
                        voorbereidings-procedure, zoals die in afdeling 3.4 van de Awb is opgenomen.
                        Deze procedure ziet namelijk niet op beleidsvoornemens, maar op concrete
                        ontwerpbesluiten, die vaak naar aanleiding van een (vergunning-)aanvraag
                        zijn opgesteld. </al><al>Overigens is in deze inspraakverordening, overeenkomstig het bepaalde in
                        (het nieuwe) artikel 150 van de Gemeentewet, de uniforme openbare
                        voorbereidingsprocedure in beginsel wel van overeenkomstige toepassing
                        verklaart op de inspraakprocedure, om aldus eenheid in regelgeving te
                        bevorderen. </al><al/></al-groep><al-groep><al>Het feit dat burgerparticipatie op meerdere wijzen vorm kan worden gegeven,
                        maakt dat de in deze verordening geregelde inspraak een keuze is. </al><al>Indien bijvoorbeeld het beleidsvoornemen tot stand is gekomen door middel
                        van (een variant van) interactieve beleidsvorming of wanneer de uniforme
                        openbare voorbereidingsprocedure wettelijk gevolgd moet worden, zal de
                        toegevoegde waarde van (ook nog) een inspraakprocedure in de meeste gevallen
                        beperkt zijn en enkel tot vertraging in de besluitvorming leiden. </al><al>Dit neemt echter niet weg dat het bijvoorbeeld bij grootschalige
                        herinrichtingsplannen of ingrijpende bestemmingsplannen wenselijk kan zijn
                        om, voorafgaand aan de verplichte uniforme openbare voorbereidingsprocedure,
                        in het kader van een zorgvuldige belangeninventarisatie en</al><al>-afweging, de inspraakprocedure toe te passen.</al><al>Ook andere participatievormen, zoals het spreekrecht bij raads- en
                        commissievergaderingen, kunnen uit het oogpunt van bijvoorbeeld
                        doelmatigheid de voorkeur verdienen boven de inspraakmogelijkheid.</al><al/></al-groep><al>Om aan het bovenstaande recht te doen, is in artikel 2, eerste lid, van deze
                    verordening bepaald dat ieder bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen
                    bevoegdheden besluit òf inspraak wordt verleend. Dit vraagt van het
                    bestuursorgaan wel dat reeds aan het begin van het proces helder wordt
                    aangegeven op welke wijze en op welke momenten gelegenheid tot participatie zal
                    worden geboden. </al><al/><tussenkop>Deregulering</tussenkop><al>Er is gekozen voor een sobere regeling, waarbij rekening is gehouden met het
                    deregulerings-streven. Door het van toepassing verklaren van de
                    procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb en het weghalen van overbodige
                    bepalingen als het beklagrecht en de onnodige paragraaf-indeling, is deze
                    verordening ten opzichte van de Inspraakverordening Steenwijk 2001 verder
                    gedereguleerd. Hierdoor resteert een bondige verordening van slechts acht
                    artikelen. Bovendien maakt deze globale raamregeling het mogelijk om recht te
                    doen aan de aard, schaal en reikwijdte van het beleidsvoornemen waarop inspraak
                    plaatsvindt. Een gedetailleerde, en daardoor rigide, wijze van regelgeving dient
                    immers noch de belangen van de insprekers noch die van het bestuursorgaan.</al><al/><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In onderdeel c is het begrip beleidsvoornemen gedefinieerd als: het voornemen
                    van het bestuurs-orgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het gaat
                    derhalve niet om de vaststelling van concrete besluiten of (andere) concrete
                    handelingen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden
                    gebaseerd.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</tussenkop><al-groep><al>Het eerste lid bepaalt dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen
                        bevoegdheden besluit òf inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                        gemeentelijk beleid. </al><al>Het begrip bestuursorgaan is omschreven in artikel 1:1, eerste lid, van de
                        Awb en omvat in elk geval de raad, het college en de burgemeester. </al><al>Anders dan in de Inspraakverordening Steenwijk 2001 is niet meer aangegeven
                        op welke beleids-voornemens in ieder geval inspraak wordt verleend. Omdat
                        ieder bestuursorgaan zelf kan bepalen of inspraak wordt verleend, ontstaat
                        voor het bestuurorgaan de vrijheid om burgerparticipatie ook op een andere
                        wijze dan via inspraak invulling te geven, bijvoorbeeld door middel van een
                        vorm van interactieve beleidsvorming of via het spreekrecht bij commissie-
                        en raadsvergaderingen. </al><al>Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen is een besluit in de zin van
                        de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaat. </al><al/></al-groep><al>Het tweede lid stelt dat inspraak altijd wordt verleend wanneer een wettelijk
                    voorschrift daartoe verplicht. In de verordening is niet aangegeven welke
                    wettelijke voorschriften het hier betreft. De reden hiervan is dat dan bij
                    iedere nieuwe wettelijke verplichting ook de verordening moet worden aangepast.
                    Verder zou de opsomming zo uitgebreid worden, dat afbreuk wordt gedaan aan de
                    overzichtelijkheid. Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak
                    bestaan op dit moment onder meer bij de voorbereiding van het gemeentelijke
                    milieubeleidsplan (artikel 4.17, derde lid, van de Wet milieubeheer), de
                    voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van gebieden of categorieën
                    bouwwerken van welstandstoetsing (artikel 12, vierde lid, van de Woningwet) en
                    de voorbereiding van de verordening die betrekking heeft op de
                    cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de Wet voorzieningen gehandicapten
                    (artikel 1a, eerste lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten).</al><al/><al>In het derde lid is opgenomen wanneer in ieder geval geen inspraak wordt
                    verleend. De genoemde gronden spreken voor zich.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</tussenkop><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure zijn de woorden 'in de gemeente een belang hebbende
                    natuurlijke en rechtspersonen' vervangen door: belanghebbenden. Het begrip
                    'belanghebbende' is in artikel 1:2 van de Awb gedefinieerd als: degene wiens
                    belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. </al><al/><tussenkop>Artikel 4 Inspraakprocedure</tussenkop><al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb op
                    de inspraak van toepassing verklaard. Daarmee verloopt de inspraak in beginsel
                    volgens de procedure zoals die is beschreven in de artikelen 3:11 tot en met
                    3:17 van de Awb. Deze artikelen zijn in bijlage 2 opgenomen. </al><al/><al>Uit de laatste zinsnede van het (nieuwe) tweede lid van artikel 150 van de
                    Gemeentewet blijkt dat afwijkingen van afdeling 3.4 van de Awb zijn toegestaan.
                    In de Memorie van Toelichting bij de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure is te lezen dat in de inspraakverordening zowel geheel
                    als gedeeltelijk van afdeling 3.4 van de Awb kan worden afgeweken. Van deze
                    mogelijkheid wordt in deze verordening gebruik gemaakt door opname van het
                    tweede lid van artikel 4. Anders dan in de voorgaande inspraakverordening, die
                    alleen in bijzondere gevallen de mogelijkheid tot afwijking van de
                    voorgeschreven procedure bood, kan het bestuursorgaan nu per beleids-voornemen
                    een andere, beter passende inspraakprocedure vaststellen. Ook kan voor een
                    bepaalde categorie beleidsvoornemens een afwijkende standaardprocedure worden
                    vastgesteld. Deze dient overigens bij voorkeur in beleidsregels te worden
                    vastgelegd. De afwijking kan betrekking hebben op bijvoorbeeld een verkorting
                    van de in artikel 3:16 van de Awb gestelde inspraaktermijn van zes weken na de
                    terinzagelegging van het beleidsvoornemen. Ook kan worden bepaald dat
                    inspraak-reacties alleen schriftelijk, in plaats van ook mondeling, ingediend
                    kunnen worden. Door het gestelde in het tweede lid kan de inspraakprocedure
                    derhalve nauwkeurig worden afgestemd op de aard, schaal en reikwijdte van het
                    beleidsvoornemen, waardoor maatwerk mogelijk is. </al><al/><tussenkop>Artikel 5 Eindverslag</tussenkop><al>Volgens artikel 3:17 van de Awb moet een verslag worden gemaakt van hetgeen
                    tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is gebracht. Omdat het gewenst
                    is dat een eindverslag meer omvat dan enkel een verslag van de inspraakavond of
                    de anderszins mondeling naar voren gebrachte inspraakreacties, bepaalt het
                    tweede lid dat in het eindverslag in ieder geval een overzicht van de gevolgde
                    procedure moet zijn opgenomen (onderdeel a) evenals een weergave van alle
                    schriftelijk en mondeling ingebrachte inspraakreacties (onderdeel b). Uit
                    praktische overwegingen kunnen de schriftelijke inspraakreacties aan het verslag
                    worden gehecht. Voor wat betreft de mondelinge inspraakreacties kan worden
                    volstaan met een zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en
                    de vermelding van de personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht.
                    Onderdeel c stelt dat het bestuursorgaan een gemotiveerde reactie op de
                    inspraakreacties dient te geven Verder schrijft dit onderdeel als sluitstuk van
                    inspraak voor dat het bestuursorgaan inzichtelijk maakt wat met de zienswijzen
                    wordt gedaan.</al><al/><al>In het derde, vierde en vijfde lid is bepaald op welke wijze het bestuursorgaan
                    het eindverslag openbaar maakt. Naast een algemene kennisgeving van de
                    terinzagelegging in – in beginsel – de Steenwijkerland Expres en op de
                    gemeentelijke website, wordt het eindverslag persoonlijk toegezonden aan degenen
                    die mondeling of schriftelijk hebben ingesproken dan wel, indien bijvoorbeeld de
                    omvang van het eindverslag of het (grote) aantal insprekers daartoe aanleiding
                    geeft, worden de insprekers persoonlijk – via een brief of per e-mail – op de
                    hoogte gesteld dat, waar en wanneer het eindverslag kan worden ingezien. Het is
                    aan te bevelen om tijdig, bijvoorbeeld tijdens de inspraakavond, duidelijkheid
                    over de communicatie te verschaffen.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Intrekking verordening</tussenkop><al>Met deze bepaling wordt de bestaande inspraakverordening ingetrokken. De datum
                    waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de verordening in werking
                    treedt (zie artikel 7).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>