Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Oirschot

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot houdende regels omtrent standplaatsen Beleidsregel standplaatsen 2017

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieOirschot
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot houdende regels omtrent standplaatsen Beleidsregel standplaatsen 2017
CiteertitelBeleidsregel standplaatsen 2017
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpruimtelijke ordening, verkeer en vervoer
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt het Standplaatsenbeleid gemeente Oirschot.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

afdeling 4 hoofdstuk 5 Algemene Plaatselijke Verordening

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

23-03-2017nieuwe regeling

14-03-2017

Gemeenteblad, 46526

.

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregel standplaatsen 2017

Burgemeesters en wethouders van de gemeente Oirschot,

 

gelet op afdeling 4 van hoofdstuk 5 van de Algemene Plaatselijke

 

Verordening; besluiten vast te stellen:

 

Beleidsregel standplaatsen 2017

Hoofdstuk 1. Inleiding

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

    • ·

      Aanvrager: de natuurlijke persoon die een vergunning aanvraagt;

    • ·

      APV: Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Oirschot;

    • ·

      Branche: verkoopactiviteiten binnen een bepaalde productgroep, zoals groeten en fruit, brood en banket, vis, kaas, bloemen en planten, snacks en aanverwante artikelen, maar ook niet-etenswaren als kleding, schoenen en stoffen;

    • ·

      College: het college van burgemeester en wethouders van Oirschot;

    • ·

      Feestdagen: dagen als bedoeld in artikel 1 van het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet

    • ·

      Incidentele standplaats: een standplaats voor maximaal 12 dagen per jaar;

    • ·

      Jaarmarkt: een aangewezen jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de Gemeentewet;

    • ·

      Reguliere standplaats: een standplaats voor het gehele jaar;

    • ·

      Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare weg en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel, niet zijnde een standplaats op een weekmarkt, jaarmarkt of evenement;

    • ·

      Tijdelijke standplaats: een standplaats uitsluitend voor het leveren van diensten, waarbij de standplaats niet langer dan 6 maanden per jaar feitelijk wordt ingenomen.

    • ·

      Standplaatshouder: ieder aan wie door het college een standplaatsvergunning is verleend;

    • ·

      Weekmarkt: de warenmarkt op dinsdagochtend in Oirschot, welke krachtens een besluit van de gemeenteraad is aangewezen.

  • 2.

    Voor begripsbepalingen die niet in deze beleidsregel zijn voorzien, gelden de bepalingen uit deAPV.

Artikel 1.2. Toepassingsbereik

Deze beleidsregel is niet van toepassing op standplaatsen op een weekmarkt, een braderie/jaarmarkt, een evenement of op een terras dat onderdeel uitmaakt van een horecagelegenheid.

Hoofdstuk 2. Reguliere standplaatsen

Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op reguliere standplaatsen.

Artikel 2.1. De aanvraag

 

Artikel 2.1.1. Wijze van aanvragen

  • 1.

    Een standplaatsvergunning wordt aangevraagd op een daarvoor beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

  • 2.

    De aanvrager overlegt bij het indienen van het aanvraagformulier de daarin opgenomen bijlagen.

Artikel 2.1.2. Persoon van de aanvrager

  • 1.

    De aanvrager is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

Artikel 2.1.3. Weigeringsgronden

  • 1.

    De algemene weigeringsgronden uit artikel 1.8 APV zijn van toepassing:

    • a.

      de openbare orde (zoals het voorkomen of beperken van overlast);

    • b.

      de openbare veiligheid (zoals de verkeersveiligheid en de veiligheid voor personen en goederen);

    • c.

      de volksgezondheid;

    • d.

      de bescherming van het milieu (zoals het voorkomen of beperken van geluidsoverlast). In het belang van deze weigeringsgronden wordt het maximaal aantal te verlenen reguliere standplaatsvergunningen beperkt.

  • 2.

    Op basis van artikel 5:18 lid 2 APV kan een standplaatsvergunning ook worden geweigerd wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

    • a.

      Een standplaats ingenomen op een terrein met een bestemming “verblijfsdoeleinden”, “verkeersdoeleinden” of “groendoeleinden” wordt geacht conform het bestemmingsplan te zijn, tenzij wordt aangetoond dat de locatie nodig is om te voorzien in de parkeerbehoefte.

  • 3.

    Op basis van artikel 5:18 lid 3 onder a APV kan een standplaatsvergunning eveneens worden geweigerd als de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

    • a.

      Op de aangewezen locaties wordt een standplaats geacht te voldoen aan redelijke eisen van welstand.

  • 4.

    Op basis van artikel 5:18 lid 3 onder b APV kan een standplaatsvergunning eveneens worden geweigerd indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

    • a.

      Het redelijk verzorgingsniveau kan in het gedrang komen als binnen het verzorgingsgebied nog slechts één winkel gevestigd is in een bepaalde branche en deze winkel dreigt te verdwijnen door verlening van één of meerdere standplaatsvergunning(en).

    • b.

      Aan weigering mogen geen andere economische motieven of behoefteaspecten ten grondslag liggen.

    • c.

      Deze weigeringsgrond geldt niet voor standplaatsen die diensten verlenen, omdat dit door de Europese Dienstenrichtlijn wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrije verkeer van diensten.

Artikel 2.1.4. Volgorde aanvragen

  • 1.

    Aanvragen worden op volgende van ontvangst behandeld.

  • 2.

    Als dag van ontvangt wordt de dag aangemerkt waarop het bestuursorgaan de aanvraag volgens het post- c.q. zaaksysteem heeft ontvangen.

Artikel 2.2 De vergunning

 

Artikel 2.2.1. Duur

  • 1.

    Een reguliere standplaatsvergunning wordt voor 5 jaar verleend.

  • 2.

    Na afloop van de termijn kan de vergunning steeds met 5 jaar worden verlengd.

Artikel 2.2.2. Inhoud vergunning

  • 1.

    In de standplaatsvergunning wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      een omschrijving van de toegewezen standplaats met vermelding van de afmetingen en het kadastraal nummer van de locatie;

    • b.

      een omschrijving van de verkoopinrichting;

    • c.

      de branche waarin door de standplaatshouder op de hem toegewezen standplaats goederen worden verkocht of diensten worden aangeboden;

    • d.

      de dag(en) en de verkoopperiode waarop van de standplaats gebruik mag worden gemaakt;

    • e.

      de motivering van het besluit.

  • 2.

    Aan een standplaatsvergunning voor een reguliere standplaats worden de voorschriften opgenomen in de artikelen 3.5. en 3.6. van dit hoofdstuk opgenomen.

Artikel 2.2.3. Kosten

  • 1.

    Voor het aanvragen van een vergunning zijn leges verschuldigd. De hoogte hiervan wordt jaarlijks vastgesteld in de gemeentelijke legesverordening.

  • 2.

    Voor het innemen van een reguliere standplaats in Oirschot is een vergoeding verschuldigd. De hoogte hiervan wordt jaarlijks vastgesteld in de gemeentelijke tarievenverordening.

  • 3.

    Voor het gebruik van gemeentelijke nutsvoorzieningen moet worden betaald.

Artikel 2.2.4. Gebruikelijke vakantieperiode

  • 1.

    Van een reguliere standplaats mag de standplaatshouder vanwege vakantie éénmaal in de maanden april tot en met september en éénmaal in de maanden oktober tot en met maart een aaneengesloten periode van ten hoogste 4 weken de standplaats niet innemen zonder dat de vergunning wordt ingetrokken.

  • 2.

    Indien een standplaatshouder een langere periode wegens vakantie de standplaats niet in zal nemen, moet de standplaatshouder dit tijdig voorafgaand aan de betreffende vakantieperiode aan het college meedelen.

  • 3.

    Standplaatshouder kan zich bij vakantie laten vervangen. De standplaatshouder deelt de naam van de persoon die vervangt en voor welke periode mee aan het college voordat de standplaats door de vervanger wordt ingenomen.

Artikel 2.2.5. Ziekte standplaatshouder

  • 1.

    Een standplaatshouder die wegens ziekte verhinderd is zijn standplaats in te nemen, moet het college binnen één week, vanaf de eerste dag van ziekte, daarvan schriftelijk in kennis stellen.

  • 2.

    Standplaatshouder kan zich bij ziekte laten vervangen. De standplaatshouder deelt de naam van de persoon die vervangt mee aan het college voordat de standplaats door de vervanger wordt ingenomen.

Artikel 2.2.6. Overschrijving standplaatsvergunning

  • 1.

    Bij overlijden van standplaatshouder, blijvende arbeidsongeschiktheid of het bereiken van depensioengerechtigde leeftijd van de standplaatshouder kan de vergunning over worden geschreven op de echtgenoot, samenwonende partner, een persoon die minimaal 3 jaar in loondienst van het bedrijf heeft gewerkt of een persoon die gedurende minimaal 3 jaar als mede-eigenaar van het bedrijf heeft gefunctioneerd. De vergunning wordt uitsluitend overgeschreven als aan alle in dit beleid genoemde voorwaarden wordt voldaan.

  • 2.

    Een verzoek tot overschrijving moet binnen 3 maanden na het voordoen van één van bovengenoemde situaties bij het college wordt ingediend. Aanvragen in dit verband die na de voornoemde termijn zijn ontvangen worden niet in behandeling genomen. Artikel 2.2. is van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    In het geval dat een rechtsopvolger bedoeld in het eerste lid al een vergunning heeft voor het innemen van een andere standplaats binnen de gemeente, vervalt de vergunning voor die andere standplaats van rechtswege op het moment van het effectueren van de gewenste overschrijving.

Artikel 2.2.7. Intrekken vergunning

  • 1.

    Standplaatshouder kan het college verzoeken de standplaatsvergunning in te trekken. Bij het intrekken van een vergunning moet minimaal 1 maand opzegtermijn in acht worden genomen. De standplaatshouder moet daarom minimaal 1 maand voor het feitelijk niet meer innemen van de standplaats de het college hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen.

  • 2.

    Het college kan de standplaatsvergunning in aanvulling op artikel 1:6 APV intrekken vanwege het opheffen van de standplaatslocatie vanwege herinrichting van het geografische gebied waarbinnen de standplaatslocatie zich bevindt.

  • 3.

    Op het moment dat het college het voornemen tot intrekken van de vergunning op basis van het tweede lid kenbaar maakt aan standplaatshouder, treedt het college in overleg met standplaatshouder voor een alternatieve standplaatslocatie.

  • 4.

    Tenzij dit in de vergunning voor het innemen van een standplaats op de alternatieve locatie als expliciete voorwaarde is opgenomen, heeft standplaatshouder geen terugkeergarantie naar de oude standplaatslocatie.

Artikel 2.3. Standplaatsen

 

Artikel 2.3.1. Locaties

  • 1.

    Reguliere standplaatsen mogen uitsluitend worden ingenomen op de volgende locaties:

    • a.

      Marktplein in Oirschot;

    • b.

      Bernadetteplein in Spoordonk;

    • c.

      Kerkstraat in Oostelbeers;

    • d.

      Doornboomplein in Middelbeers.

Artikel 2.3.2. Dagen en tijden

  • 1.

    Een reguliere standplaats mag worden ingenomen op de volgende dagen en tijden:

    • ·

      Marktplein in Oirschot:

      • ·

        Donderdagochtend tussen 8.00 uur en 13.00 uur;

      • ·

        Vrijdagochtend tussen 8.00 uur en 13.00 uur;

    • ·

      Bernadetteplein in Spoordonk:

      • ·

        Vrijdagmiddag tussen 13.00 en 18.00 uur;

    • ·

      Kerkstraat in Oostelbeers:

      • ·

        Vrijdagochtend tussen 8.00 uur en 13.00 uur.

    • ·

      Doornboomplein in Middelbeers:

      • ·

        Donderdagmiddag tussen 13.00 uur en 18.00 uur.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in incidentele gevallen en wanneer sprake is van een bijzondere gelegenheid.

  • 3.

    Onder een bijzondere gelegenheid als bedoeld in het tweede lid worden in ieder geval verstaan: een braderie/jaarmarkt, een evenement ter plaatse, carnaval, kermis en feestdagen.

Artikel 2.3.3. Branches

  • 1.

    Op een standplaatslocatie mag per dag gezien maximaal één aanbieder per branche tegelijkertijdstandplaats houden.

Artikel 2.3.4. Aantal standplaatsen per locatie

  • 1.

    Het aantal standplaatsen per locatie is aan de volgende maxima gebonden:

    • a.

      Marktplein in Oirschot:

      • ·

        1 op donderdagochtend tussen 8.00 uur en 13.00 uur;

      • ·

        1 op vrijdagochtend tussen 8.00 uur en 13.00 uur.

    • b.

      Bernadetteplein in Spoordonk:

      • ·

        4 op vrijdagmiddag tussen 13.00 en 18.00 uur.

    • c.

      Kerkstraat in Oostelbeers:

      • ·

        4 op vrijdagochtend tussen 8.00 uur en 13.00 uur.

    • d.

      Doornboomplein in Middelbeers:

      • ·

        6 op donderdagmiddag tussen 13.00 uur en 18.00 uur.

Artikel 2.3.5. Innemen standplaats

  • 1.

    Voordat de standplaats voor de eerste keer fysiek wordt ingenomen moet vooraf contact op worden genomen met de afdeling Publiek om de exacte plaats van de standplaats te bepalen.

  • 2.

    De standplaatsinrichting mag een frontbreedte van maximaal 25 meter hebben en een diepte van maximaal 3 meter.

  • 3.

    Een terras mag geen onderdeel uitmaken van de standplaatsinrichting. Maximaal 2 statafels mogen tot de standplaatsinrichting behoren.

  • 4.

    De standplaatsinrichting mag maximaal een uur voor aanvang van het tijdstip, waarop volgens de vergunning gestart mag worden met de activiteiten, worden geplaatst. Maximaal een uur na afloop van het tijdstip, waarop volgens de vergunning gestopt moet worden met de activiteiten, moet de standplaatsinrichting zijn verwijderd.

  • 5.

    Standplaatshouder is verplicht zijn standplaats voor zonsopgang en vanaf zonsondergang voorzien te hebben van een verlichting, welke geen hinder toebrengt aan omwonenden en waarmee de uitgestalde goederen helder verlicht zijn.

  • 6.

    De standplaats mag niet worden ingenomen op feestdagen.

  • 7.

    Het college heeft het recht om tijdelijk een andere plaats toe te wijzigen in geval van bijvoorbeeld onderhoudswerkzaamheden of evenementen.

  • 8.

    De standplaats moet zo worden ingericht dat zo min mogelijk parkeergelegenheid verloren gaan.

  • 9.

    Het is niet toegestaan wagens te parkeren op de plaats waarop deze standplaatsvergunning betrekking heeft, tenzij onlosmakelijk verbonden met het innemen van de standplaats.

  • 10.

    De standplaats moet zo worden ingenomen dat geen overlast wordt veroorzaakt en dat de verkeersvrijheid en -veiligheid niet in het gedrang komen.

  • 11.

    Er mag geen gebruik worden gemaakt van luidsprekers en versterkers.

  • 12.

    Standplaatshouder is verplicht er zorg voor te dragen dat zijn standplaats steeds een goed verzorgd aanzien biedt.

  • 13.

    Voor het inzamelen van afval moeten voldoende voorzieningen worden getroffen.

  • 14.

    Bij het ontruimen moet de standplaatshouder zijn standplaats en de onmiddellijke omgeving daarvan schoon opleveren.

  • 15.

    Afvalwater mag alleen worden afgevoerd via een rioolput in de omgeving van de ingenomen standplaats.

  • 16.

    Standplaatshouder moet voor het vastmaken in de straat van de verkoopwagen/verkoopkraam gebruik te maken van de daarvoor bestemde “ogen” dan wel van andere aanwezige voorzieningen voor het vastmaken. Indien geen voorzieningen aanwezig zijn mogen geen eigen voorzieningen in de grond of in of tussen de bestrating/verharding worden aangebracht.

Artikel 2.3.6. Verplichtingen rondom het gebruik van de standplaats

  • 1.

    Voor noodgevallen of andere zaken is de in de vergunning aangewezen contactpersoon telefonisch bereikbaar. Als de contactpersoon (tijdelijk) wijzigt, wordt de naam en het telefoonnummer van de nieuwe contactpersoon zo snel mogelijk aan het college doorgegeven.

  • 2.

    De standplaats moet door de standplaatshouder persoonlijk worden ingenomen, tenzij sprake is van een uitzondering als genoemd in de artikelen 2.4. tot en met 2.6.

  • 3.

    De standplaatshouder moet zich kunnen legitimeren door middel van een officieel identiteitsbewijs. De standplaatshouder moet dit identiteitsbewijs op eerste aanvraag aan de controleur tonen.

  • 4.

    Eventuele aanwijzingen van met opsporing en/of toezicht belaste personen moeten stipt en onmiddellijk worden opgevolgd.

  • 5.

    Verkoop van eet- en drinkwaren moet voldoen aan het gestelde in de Warenwet.

  • 6.

    Alle mogelijke maatregelen moeten worden getroffen om te voorkomen dat de gemeente Oirschot of derden, als gevolg van het gebruik van maken van de standplaats, schade lijden.

  • 7.

    De standplaatshouder moet voldoende verzekerd zijn en blijven tegen vorderingen tot schadevergoeding, waartoe hij als gebruiker van een standplaats krachtens wettelijke aansprakelijkheidsbepalingen zou kunnen worden verplicht wegens aan derden toegebrachte schade.

  • 8.

    De gemeente Oirschot is niet aansprakelijk voor eventuele ongevallen en schade.

Hoofdstuk 3. Tijdelijke en incidentele standplaatsen

Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op tijdelijke en incidentele standplaatsen.

Artikel 3.1. De aanvraag

 

Artikel 3.1.1. Wijze van aanvragen

  • 1.

    Een standplaatsvergunning wordt aangevraagd op een daarvoor beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

  • 2.

    De aanvrager overlegt bij het indienen van het aanvraagformulier de daarin opgenomen bijlagen.

Artikel 3.1.2. Weigeringsgronden

  • 1.

    De algemene weigeringsgronden uit artikel 1.8 APV zijn van toepassing.

  • 2.

    Op basis van artikel 5:18 lid 2 APV kan een standplaatsvergunning ook worden geweigerd wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

    • a.

      Een standplaats ingenomen op een terrein met een bestemming “verblijfsdoeleinden”, “verkeersdoeleinden” of “groendoeleinden” wordt geacht conform het bestemmingsplan te zijn, tenzij wordt aangetoond dat de locatie nodig is om te voorzien in de parkeerbehoefte.

  • 3.

    Op basis van artikel 5:18 lid 3 onder a APV kan een standplaatsvergunning eveneens worden geweigerd als de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

    • a.

      Op de aangewezen locaties wordt een standplaats geacht te voldoen aan redelijke eisen van welstand. Incidentele standplaatsen worden gelet op de beperkte duur geacht te voldoen aan redelijke eisen van welstand. Bij tijdelijke standplaatsen op niet aangewezen locaties moet aan de hand van een advies van de Welstandscommissie worden geoordeeld of sprake is van redelijke eisen van welstand en er dus geen sprake is van een ernstige verstoring van het straatbeeld.

  • 4.

    Op basis van artikel 5:18 lid 3 onder b APV kan een standplaatsvergunning eveneens worden geweigerd indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor eenstandplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

    • a.

      Het redelijk verzorgingsniveau komt in ieder geval in het gedrang als binnen het verzorgingsgebied nog slechts één winkel gevestigd is in een bepaalde branche en deze winkel dreigt te verdwijnen door verlening van een standplaatsvergunning.

    • b.

      Aan weigering mogen geen andere economische motieven of behoefteaspecten ten grondslag liggen.

    • c.

      Deze weigeringsgrond geldt niet voor standplaatsen die diensten verlenen, omdat dit door de Europese Dienstenrichtlijn wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrije verkeer van diensten.

Artikel 3.1.3. Volgorde aanvragen

  • 1.

    Aanvragen worden op volgende van ontvangst behandeld.

  • 2.

    Als dag van ontvangt wordt de dag aangemerkt waarop het bestuursorgaan de aanvraag volgens het post- c.q. zaaksysteem heeft ontvangen.

Artikel 3.2 De vergunning

 

Artikel 3.2.1. Duur

  • 1.

    Een tijdelijke standplaatsvergunning wordt verleend voor maximaal een jaar, waarbij de standplaats feitelijk maximaal 6 maanden per jaar ingenomen mag worden. Indien het een jaarlijks terugkerende tijdelijke standplaats betreft wordt de vergunning verleend voor 5 jaar. Per vergunning wordt bekeken welke duur wordt toegestaan.

  • 2.

    Een incidentele standplaatsvergunning wordt verleend voor maximaal 12 dagen per jaar. Indien het een jaarlijks terugkerende incidentele standplaats betreft wordt de vergunning verleend voor 5 jaar.

Artikel 3.2.2. Inhoud vergunning

  • 1.

    In de standplaatsvergunning wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      een omschrijving van de toegewezen standplaats met vermelding van de afmetingen en het kadastraal nummer van de locatie;

    • b.

      een omschrijving van de verkoopinrichting;

    • c.

      de branche waarin door de standplaatshouder op de hem toegewezen standplaats goederen worden verkocht of diensten worden aangeboden;

    • d.

      de dag(en) en de verkoopperiode waarop van de standplaats gebruik mag worden gemaakt;

    • e.

      de motivering van het besluit.

  • 2.

    Aan een standplaatsvergunning voor een tijdelijke of incidentele standplaats worden de voorschriften opgenomen in de artikel 3.3. en 3.4. van dit hoofdstuk opgenomen.

Artikel 3.2.3. Kosten

  • 1.

    Voor het aanvragen van een vergunning zijn leges verschuldigd. De hoogte hiervan wordt jaarlijks vastgesteld in de gemeentelijke legesverordening.

  • 2.

    Voor het innemen van een standplaats in Oirschot is een vergoeding verschuldigd. De hoogte hiervan wordt jaarlijks vastgesteld in de gemeentelijke tarievenverordening.

  • 3.

    Voor het gebruik van gemeentelijke nutsvoorzieningen moet worden betaald.

Artikel 3.3. Standplaatsen

 

Artikel 3.3.1. Locaties

  • 1.

    Tijdelijke en incidentele standplaatsen zijn niet gebonden aan de in artikel 2.3.1. van hoofdstuk 2 bedoelde standplaatslocaties.

Artikel 3.3.2. Dagen en tijden

  • 1.

    Aan tijdelijke en incidentele standplaatsen kunnen tijden worden verbonden gelegen op maandag tot en met zaterdag tussen 8.00 uur en 21.00 uur en op zondag tussen 10.00 uur en 21.00 uur, waarbinnen vanaf de locatie activiteiten mogen worden uitgeoefend.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in incidentele gevallen en wanneer sprake is van een bijzondere gelegenheid.

  • 3.

    Onder een bijzondere gelegenheid als bedoeld in het tweede lid worden in ieder geval verstaan: een braderie/jaarmarkt, een evenement ter plaatse, carnaval, kermis en feestdagen.

  • 4.

    In de uren van 21.00 uur tot 8.00 uur wordt uitsluitend een incidentele standplaatsvergunning ten behoeve van een bijzondere gelegenheid, als bedoeld in het derde lid, verleend.

Artikel 3.3.3. Innemen standplaats

  • 1.

    Voordat de standplaats fysiek wordt ingenomen moet vooraf contact op worden genomen met de afdeling Dienstverlening om de exacte plaats van de standplaats te bepalen.

  • 2.

    De standplaatsinrichting mag een frontbreedte van maximaal 25 meter hebben en een diepte van maximaal 3 meter.

  • 3.

    Een terras mag geen onderdeel uitmaken van de standplaatsinrichting. Maximaal 2 statafels mogen tot de standplaatsinrichting behoren.

  • 4.

    De standplaatsinrichting mag maximaal een uur voor aanvang van het tijdstip, waarop volgens de vergunning gestart mag worden met de activiteiten, worden geplaatst. Maximaal een uur na afloop van het tijdstip, waarop volgens de vergunning gestopt moet worden met de activiteiten, moet de standplaatsinrichting zijn verwijderd.

  • 5.

    Standplaatshouder is verplicht zijn standplaats voor zonsopgang en vanaf zonsondergang voorzien te hebben van een verlichting, welke geen hinder toebrengt aan omwonenden en waarmee de uitgestalde goederen helder verlicht zijn.

  • 6.

    De standplaats moet zo worden ingericht dat zo min mogelijk parkeergelegenheid verloren gaan.

  • 7.

    Het is niet toegestaan wagens te parkeren op de plaats waarop deze standplaatsvergunning betrekking heeft, tenzij onlosmakelijk verbonden met het innemen van de standplaats.

  • 8.

    De standplaats moet zo worden ingenomen dat geen overlast wordt veroorzaakt en dat de verkeersvrijheid en -veiligheid niet in het gedrang komen.

  • 9.

    Er mag geen gebruik worden gemaakt van luidsprekers en versterkers.

  • 10.

    Standplaatshouder is verplicht er zorg voor te dragen dat zijn standplaats steeds een goed verzorgd aanzien biedt.

  • 11.

    Voor het inzamelen van afval moeten voldoende voorzieningen worden getroffen.

  • 12.

    Bij het ontruimen moet de standplaatshouder zijn standplaats en de onmiddellijke omgeving daarvan schoon opleveren.

  • 13.

    Afvalwater mag alleen worden afgevoerd via een rioolput in de omgeving van de ingenomen standplaats.

  • 14.

    Standplaatshouder moet voor het vastmaken in de straat van de verkoopwagen/verkoopkraam gebruik te maken van de daarvoor bestemde “ogen” dan wel van andere aanwezige voorzieningen voor het vastmaken. Indien geen voorzieningen aanwezig zijn mogen geen eigen voorzieningen in de grond of in of tussen de bestrating/verharding worden aangebracht.

Artikel 3.3.4. Verplichtingen rondom het gebruik van de standplaats

  • 1.

    Voor noodgevallen of andere zaken is de in de vergunning aangewezen contactpersoontelefonisch bereikbaar. Als de contactpersoon (tijdelijk) wijzigt, wordt de naam en het telefoonnummer van de nieuwe contactpersoon zo snel mogelijk aan het college doorgegeven.

  • 2.

    Eventuele aanwijzingen van met opsporing en/of toezicht belaste personen moeten stipt en onmiddellijk worden opgevolgd.

  • 3.

    Verkoop van eet- en drinkwaren moet voldoen aan het gestelde in de Warenwet.

  • 4.

    Alle mogelijke maatregelen moeten worden getroffen om te voorkomen dat de gemeente Oirschot of derden, als gevolg van het gebruik van maken van de standplaats, schade lijden.

  • 5.

    De standplaatshouder moet voldoende verzekerd zijn en blijven tegen vorderingen tot schadevergoeding, waartoe hij als gebruiker van een standplaats krachtens wettelijke aansprakelijkheidsbepalingen zou kunnen worden verplicht wegens aan derden toegebrachte schade.

  • 6.

    De gemeente Oirschot is niet aansprakelijk voor eventuele ongevallen en schade.

Artikel 3.4. Omgevingsvergunning

 

Artikel 3.4.1. Aanvraag omgevingsvergunning

Bij een tijdelijke standplaatsvergunning kan sprake zijn van een bouwwerk waarvoor ook een omgevingsvergunning is vereist. Er is sprake van een bouwwerk wanneer:

  • a.

    er sprake is van een driedimensionaal gebouwd object (constructie);

  • b.

    er sprake is van een omvang van minimaal 2 m2 (enige omvang);

  • c.

    het bouwwerk direct of indirect steun vindt in of op de grond (direct of indirect steun in of op de grond);

  • d.

    het bouwwerk bedoeld is om ter plaatse te functioneren (ter plaatse functioneren).

De objecten op standplaatsen voldoen aan deze criteria, maar zijn daarmee niet direct omgevingsvergunningplichtig. Vooral criterium d is hierbij van belang. Over het algemeen is een object bedoeld om ter plaatse te functioneren als het object langer dan 31 dagen op dezelfde plaats staat. Er moet dan wel sprake zijn van een permanent karakter. Bij een onderzoekswagen e.d. is wel sprake van een periode langer dan 31 dagen, maar niet van een permanent karakter. Daarvoor is dus geen omgevingsvergunning vereist.

 

Of sprake is van een omgevingsvergunningplicht moet per geval worden beoordeeld. Is een omgevingsvergunning vereist dan blijft ook een tijdelijke standplaatsvergunning vereist.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 4.1. Ruimer dan de beleidsregel

Het college van burgemeester en wethouders blijft bevoegd om af te wijken van deze beleidsregel. Het college heeft de bevoegdheid om af te wijken van de beleidsregel, binnen de mogelijkheden van de APV. Afwijken van de beleidsregel is mogelijk wanneer deze onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.

Artikel 4.2. Inperken van de beleidsregel

Het college heeft de mogelijkheid om de beleidsregel in te perken in specifieke situaties, vooral in onderstaande situaties:

  • 1.

    Het woon- en leefmilieu van de omgeving aangetast wordt;

  • 2.

    De verkeersveiligheid onevenredig wordt aangetast;

  • 3.

    Belangen van derden onevenredig worden geschaad;

  • 4.

    De economische uitvoerbaarheid voor de gemeente niet is aangetoond.

Artikel 4.3. Intrekking eerdere beleidsregel en inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2.

    Per gelijke datum wordt het “Standplaatsenbeleid gemeente Oirschot”, vastgesteld op 15december 2009 en in werking getreden 31 december 2009, ingetrokken.

Artikel 4.4. Overgangsregeling

Het “Standplaatsenbeleid gemeente Oirschot”, vastgesteld 15 december 2009, blijft van toepassing op aanvragen waarop nog niet is beslist op het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregels.

 

Voor reguliere standplaatsvergunningen verleend onder het regime van het “Standplaatsenbeleid gemeente Oirschot” wordt een uitsterfbeleid gehanteerd. Dit betekent dat bestaande rechten worden gerespecteerd, zolang er geen intrekkingsgronden van toepassing zijn.

Artikel 4.5. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als “Beleidsregel standplaatsen 2017”.

Aldus besloten door burgemeester en wethouders van Oirschot op 14 maart 2017.

de secretaris,

J.C.M. Michels

de burgemeester,

R.A.L. Severijns.

Toelichting bij de Beleidsregel standplaatsen 2017 

 

1.1. Aanleiding

 

Op 15 december 2009 is het “Standplaatsenbeleid gemeente Oirschot”, vastgesteld. Deze beleidsregel is op 31 december 2009 in werking getreden. Deze beleidsregel is gebaseerd op de toen geldende Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Per 4 juni 2015 geldt de APV 2015. Naar aanleiding van onduidelijkheid over het standplaatsenbeleid wordt het beleid voor standplaatsen aangepast. De “Beleidsregel standplaatsen 2017” vervangt het “Standplaatsenbeleid gemeente Oirschot”.

 

1.2. Doel

 

De beleidsregel is opgesteld om te komen tot een rechtmatige en doelmatige uitoefening van de afdelingen 2 en 4 uit hoofdstuk 5 van de APV. Hierdoor zijn burgers en bedrijven door de beleidsregel vooraf beter op de hoogte van de criteria die worden gehanteerd bij de beoordeling van aanvragen om collecte- of standplaatsvergunning. Toepassing van de beleidsregel maakt dat in gelijke gevallen, gelijk gehandeld wordt. Ten aanzien van een transparante en efficiënte dienstverlening worden met de beleidsregels twee doelen bereikt:

  • 1.

    Er is vooraf duidelijkheid over de haalbaarheid van aanvragen in relatie tot de APV;

  • 2.

    De procedure om tot een besluit op een aanvraag te komen wordt bespoedigd.

 

Daarnaast biedt in juridische zin het instrument van de beleidsregel de volgende voordelen voor zowel het college als voor burgers en bedrijven:

  • 1.

    Rechtszekerheid: de beleidsregel informeert burgers en bedrijven wanneer het college wel en wanneer het niet gebruik zal maken van een bevoegdheid om een bepaald besluit te nemen (artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht).

  • 2.

    Motivering: het hanteren van beleidsregels zorgt ervoor dat het bestuur een goede invulling geeft aan het motiveringsbeginsel (artikel 4:82 van de Algemene wet bestuursrecht).

  • 3.

    Flexibiliteit: de beleidsregel biedt het bestuur meer flexibiliteit dan het instrument van de verordening (wettelijk voorschrift). Het is eenvoudiger om een beleidsregel aan te passen dan een verordening.

  • 4.

    Afwijkingsmogelijkheid: In artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat het college overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Uit deze bepaling vloeit voort dat voor het college de mogelijkheid bestaat om van de beleidsregel af te wijken (dit wordt de inherente afwijkingsmogelijkheid genoemd). De mogelijkheid om van de beleidsregel af te wijken kan slechts in bijzondere omstandigheden gehanteerd worden. Afwijken is mogelijk en geboden, als de strikte naleving van de beleidsregel, gelet op de strekking van de beleidsregel en de onderliggende wettelijke regeling, in het concrete geval niet nodig is en bovendien een onevenredig nadeel voor de belanghebbenden zou opleveren. Soms kan dit op voorhand duidelijk zijn, maar soms kan dit ook pas blijken als de beoordelingsprocedure van een vergunningaanvraag al is gestart (bijvoorbeeld als gevolg van zienswijzen die worden ingediend). In het algemeen valt niet aan te geven wanneer sprake is van een onevenredig nadeel. Dit zal per situatie moeten worden beoordeeld.

     

1.3. Wettelijke bepalingen

 

In afdeling 4 (artikel 5:17 tot en met 5:20) van hoofdstuk 5 van de APV zijn artikelen opgenomen over het innemen van standplaatsen.

Artikel 1:3, lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 4:81 tot en met 4:84 van de Awb bepalen dat beleidsregels vastgesteld kunnen worden.

 

 

1.4. Toepassing

 

1.4.1. Afwijkingsbevoegdheid

 

In deze beleidsregel is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Dit betekent dat als aan de beleidsregel wordt voldaan, maar er een onevenredig nadeel is voor mogelijke belanghebbenden het college kan besluiten geen medewerking te verlenen. Het voldoen aan de beleidsregel is dan ook geen garantie dat ook daadwerkelijk gecollecteerd mag worden, gevent mag worden of een standplaats ingenomen mag worden. In de beleidsregel is ook opgenomen dat het college de bevoegdheid heeft om de beleidsregel in een specifieke situatie te beperken.

 

1.4.2. Procedurele vereisten

 

De aanvragen worden afgehandeld conform de procedure opgenomen in hoofdstuk 1 van de APV.

 

Als er sprake is van het geheel of gedeeltelijk afwijzen van een aanvraag moet de aanvrager op grond van artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht vooraf in de gelegenheid worden gesteld zienswijzen naar voren te brengen.