Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Oirschot

Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Oirschot houdende regels omtrent sociaal beleidskader Sociaal beleidskader gemeente Oirschot

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieOirschot
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBesluit van de gemeenteraad van de gemeente Oirschot houdende regels omtrent sociaal beleidskader Sociaal beleidskader gemeente Oirschot
CiteertitelSociaal beleidskader gemeente Oirschot
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

03-07-2014nieuwe regeling

24-06-2014

Gemeenteblad, 69556

.

Tekst van de regeling

Intitulé

Sociaal beleidskader gemeente Oirschot

Lokale beleidskaders voor de decentralisatie Jeugdzorg, overheveling AWBZ naar Wmo, de invoering van de participatiewet en de Wet Passend Onderwijs.

 

 

“Voor elkaar, met elkaar, door elkaar”

Voorwoord

 

Het sociale domein is in beweging. Per 1 januari 2015 krijgen gemeenten nieuwe taken op het gebied van zorg en sociale zekerheid. Er gaat hierdoor veel veranderen. De eigen verantwoordelijkheid en eigen kracht van inwoners en hun omgeving gaan hierbij een belangrijke rol spelen. Iedereen moet meer voor zichzelf en voor elkaar gaan zorgen. Inwoners die het op eigen kracht niet redden, kunnen rekenen op een goede ondersteuning vanuit de gemeente en haar partners. Zo zorgen we samen voor Oirschot. Samen met professionals en inwoners willen we de komende tijd vorm geven aan deze veranderingen.

 

In het sociale beleidskader dat voor u ligt, verwoorden we de visie van waaruit we de komende jaren willen werken. Een eerste stap in de gewenste richting. Ons college neemt haar verantwoordelijkheid in deze heel serieus.

 

We hebben de overtuiging dat niemand tussen wal en schip mag vallen. We gaan uit van een positieve ondersteunende insteek. Waarbij we elkaar (professionals en inwoners) helpen om het beste uit ons zelf te halen. De sterkste schouders ondersteunen daarbij de meer kwetsbare personen bij het dragen van hun last. Participatie is een kans om je kracht te laten zien.

 

Niet de beschikbare middelen of bezuinigingen zijn uitgangspunt, maar de kwaliteit van het sociale leven staat voorop. Wij realiseren ons dat er ook nu al veel gedaan wordt door vrijwilligers en mantelzorgers. Daarom vinden we het belangrijk dat er goede ondersteuning en voorzieningen (respijtzorg) aanwezig zijn om je maatschappelijke verantwoordelijkheid te kunnen blijven nemen. Voorop staat dat iedereen meedoet naar vermogen en de zorg krijgt die nodig is.

 

Als verantwoordelijk bestuurders gaan we graag samen met u aan de slag om deze belangrijke ontwikkelingen zorgvuldig, creatief en dicht bij ons zelf vorm te geven.

 

Namens het college van burgemeester en wethouders,

 

Raf Daenen

Wethouder van de gemeente Oirschot

0. Samenvatting en leidende principes

 

In onderliggend beleidskader geven we een visie en stellen we kaders en uitgangspunten vast voor de overheveling van taken in het sociale domein (decentralisaties). We kiezen hierbij nadrukkelijk niet alleen voor een decentralisatie, maar ook voor een transformatie van het sociale domein. De decentralisaties vragen om andere werkwijzen en andere verhoudingen tussen burgers, overheden, aanbieders en het maatschappelijke veld. Op 1 januari 2015 zijn we klaar voor de overheveling van taken (decentralisaties) en leggen we de basis voor deze nieuwe verhoudingen. De doorontwikkeling (transformatie) volgt in de jaren daarna.

 

We hebben daarbij het volgende ambitieniveau:

 

Iedere burger, ieder gezin en iedere jeugdige wordt vanaf 2015 door de gemeente Oirschot geholpen. Geen burger, gezin of jeugdige valt tussen wal en schip.

 

In het beleidskader werken we dit ambitieniveau, op basis van een aantal integrale thema’s verder uit. We kiezen bewust voor een integrale benadering van de decentralisaties en de transformatie van het sociale domein. We gaan daarbij uit van een aantal leidende principes. Alle in dit beleidskader uitgewerkte kaders, uitgangspunten en meer operationele onderwerpen, hebben we uitgewerkt vanuit onderstaande principes:

 

We investeren in preventie en (vroeg-)signalering

We zetten in op een samenleving waarin inwoners ‘elkaar kennen’ en waar inwoners ‘gekend worden’, op een sterke (pedagogische) civil society en op sterke basisvoorzieningen. Daarbij richten we ons op preventieve ondersteuning; we willen problemen of hulpvragen zo veel mogelijk voorkomen en zijn alert op ongewenste en problematische ontwikkelingen, bijvoorbeeld eenzaamheid.

 

We stimuleren en faciliteren zelfredzaamheid en samenredzaamheid

We willen de zelfredzaamheid en de samenredzaamheid van mensen stimuleren en faciliteren. Daarbij streven we naar een wisselwerking tussen informele en formele zorg. Onder andere door ondersteuning aan te bieden in en met behulp van de directe leefomgeving, de opvoedkracht te versterken, mensen met een beperking te stimuleren tot deelname aan de arbeidsmarkt en werkgevers te bewegen hen in dienst te nemen, participatie, door vrijwilligers en mantelzorgers te faciliteren etc.

Ondersteuning is gericht op het stimuleren van de eigen kracht van inwoners en hun netwerk. Dit vraagt om maatwerk in de ondersteuning, waarbij de inwoner centraal staat. We stimuleren dat mensen binnen hun eigen netwerk oplossingen zoeken voor hun problemen of hulpvragen. Anderzijds stimuleren we dat mensen anderen in hun omgeving waar nodig helpen. Daarbij realiseren we ons dat er grenzen zijn aan het zelf oplossend vermogen van de inwoner en zijn/haar omgeving.

 

We werken zoveel mogelijk vanuit de eigen regie van de inwoner

Het principe van de transformatie is dat zo veel mogelijk gewerkt wordt vanuit de eigen regie van de inwoners. Dit is een belangrijk uitgangspunt bij de vernieuwing in het sociale domein. We realiseren ons dat wanneer inwoners een beroep moeten doen op ondersteuning, onder andere uit het eigen netwerk, zij afhankelijk (kunnen) worden en daarmee mogelijk een deel van de eigen regie verliezen. We zoeken dan ook naar een goed evenwicht tussen informele en formele zorg waarbij de ondersteuningsvraag van de inwoner altijd het uitgangspunt is.

 

We bieden ondersteuning aan inwoners waar nodig: licht en algemeen waar mogelijk, alleen complex en gespecialiseerd waar nodig, dichtbij en op maat.

Verreweg de meeste inwoners slagen er prima in op eigen kracht hun weg te vinden. Soms lukt dat niet. Dan bieden we als gemeente de ondersteuning die nodig is. Waar nodig bestaat onze ondersteuning uit algemene, collectieve of maatwerkvoorzieningen. Wie vanuit het informele netwerk geen of onvoldoende hulp ontvangt, kan een beroep doen op ondersteuning. Laagdrempelig en dichtbij. Bij het bieden van ondersteuning is het adagium ‘normaliseren’ en uitgaan van de mogelijkheden.

 

We ontwikkelen een eenvoudiger systeem

We ontwikkelen een systeem dat gekenmerkt wordt door eenvoud. Dat wil zeggen eenvoudig toegankelijke ondersteuning, beperkte registratie, regie op de resultaten van ondersteuning, zo min mogelijk coördinatie en doorverwijzing rondom een ondersteuningsvraag. Het uitgangspunt ‘één burger/ gezin, één plan’ sluit hierbij aan. Het ondersteunen van inwoners vraagt om maatwerk en om flexibiliteit. Om dit te kunnen bieden is ruimte voor professionele afwegingen en beslissingen essentieel.

 

We dragen zorg voor een kwalitatief hoogwaardig vangnet voor kwetsbare inwoners.

Niet alle burgers kunnen zonder enige vorm van ondersteuning, omdat ze in bepaalde leefgebieden kwetsbaar zijn of beperkingen ondervinden. Inwoners voor wie zelfredzaamheid (tijdelijk) buiten bereik ligt en niet beschikken over een eigen netwerk of financiële draagkracht is er een vangnet.

1. Inleiding

 

De komende jaren krijgen gemeenten te maken met omvangrijke taakverschuivingen in het sociale domein. Taken worden vanuit het Rijk en provincie overgebracht naar gemeenten. De gemeente wordt verantwoordelijk voor alle maatschappelijke ondersteuning en niet-medische hulp aan haar inwoners. Samen worden de nieuwe verantwoordelijkheden de drie transities, ofwel decentralisaties genoemd. Daarnaast treedt de Wet Passend Onderwijs in werking. De voorbereiding, implementatie en borging van deze projecten vindt in Oirschot plaats binnen het programma ‘decentralisaties’. Het programma decentralisaties is één van de vier programma’s die vallen onder de door de gemeenteraad vastgestelde koersnotitie.

1.1 De decentralisaties integraal benaderd

Om onze inwoners optimale zorg en ondersteuning te kunnen bieden kunnen we de verschillende decentralisaties niet los van elkaar zien. We staan voor de uitdaging om de samenhang tussen de verschillende decentralisaties te bezien en deze vanuit een integrale visie op het sociale domein uit te voeren. Deze integrale benadering van de verschillende decentralisaties is van belang om een aantal redenen:

 

  • 1.

    De visie en uitgangspunten van de verschillende decentralisaties komen grotendeels overeen. Zelfredzaamheid, eigen kracht en het meer inzetten van sociale netwerken zijn begrippen die in elk van de decentralisaties centraal staan. Ook uitgangspunten als zorg en ondersteuning dichtbij huis, inzetten op preventie om zwaardere zorg te voorkomen en participatie komen bij elke decentralisatie terug. Deze visie en uitgangspunten vragen om een nieuwe benadering, ook wel transformatie, van het sociale domein. Deze transformatie leidt onder andere tot een beperktere rol van de overheid en vermindering van de inzet van overheidsgeld. Hiervoor is een andere rolverdeling tussen burgers, maatschappelijke instellingen en de overheid noodzakelijk.  

  • 2.

    Er bestaat een overlap van doelgroepen en leefgebieden tussen de afzonderlijke decentralisaties. Binnen één gezin kan zorg en ondersteuning vanuit verschillende decentralisaties nodig zijn. Ook individuen kunnen te maken hebben met zorg en ondersteuning vanuit meer dan één decentralisatie. Om het principe één gezin, één plan, één regisseur te kunnen realiseren en bureaucratie, verkokering en fragmentatie in zorg en ondersteuning aan burgers te voorkomen, is het integraal afstemmen van zorg en ondersteuning essentieel.  

  • 3.

    Een integrale benadering van de decentralisaties is van belang om kosten en middelen te kunnen beheersen. Dit is van essentieel belang gezien de grote omvang van het totale budget, de daarmee gepaard gaande kortingen en de financiële ontschotting tussen de afzonderlijke decentralisaties.

     

De visie en uitgangspunten achter de afzonderlijke decentralisaties zijn vergelijkbaar en vragen om een nieuwe benadering, ook wel transformatie, van het sociale domein: meer participatie en eigen kracht van de burger (zelfredzaamheid), minder bureaucratie, meer slimme combinaties om echte resultaten te bereiken in het sociale domein, een beperktere rol van de overheid en vermindering van de inzet van overheidsgeld. Hiervoor is een andere rolverdeling tussen burgers, maatschappelijke instellingen en de overheid noodzakelijk. De transformatie van het sociale domein is een proces waarvan pas op langere termijn resultaten zichtbaar zullen zijn. De decentralisaties daarentegen moeten op korte termijn (1 januari 2015) in basis geregeld zijn. We zien daarbij het bevorderen van zelfredzaamheid van hun burgers en de ondersteuning van burgers die er niet meer alleen uitkomen als doel, de decentralisaties als het middel.

1.2 Sociaal beleidskader

De laatste jaren hebben het WMO beleidsplan 2012-2015 en de jeugdvisie 2013-2015 gediend als uitgangspunt voor ons handelen binnen het sociale domein. Daarnaast zijn er in de voorbereidingen van de afzonderlijke decentralisaties (met name decentralisatie jeugdzorg) op bepaalde onderdelen al specifieke uitgangspunten vastgesteld. Toch hebben we geconcludeerd, gezien het belang van de integrale benadering van de verschillende decentralisaties dat een integrale en actuele visie meerwaarde heeft. Onderliggend beleidskader biedt een horizon voor de komende jaren en geeft richting aan;

  • De rolverdeling en veranderende verhoudingen tussen burgers, (maatschappelijke) instellingen en de lokale overheid binnen het sociale domein

  • Kapstok voor het nemen van besluiten (door college en raad)

  • Kapstok voor de verdere uitwerking/ voorbereiding van de overheveling van alle taken vanuit de verschillende decentralisaties.

 

Met het sociaal beleidskader geven we een visie en stellen we kaders en uitgangspunten vast voor de overheveling van álle taken in het sociale domein.

We hebben bewust niet gekozen voor het definiëren van een afgebakende periode waarop dit meerjarig beleidskader betrekking heeft. We zien het plan als een basis voor de komende jaren. In deze periode zal blijken in hoeverre het beleidskader (nog|) voldoet en passend is.

We hebben er bewust wel voor gekozen om zowel het beleidskader Jeugd als het beleidskader WMO integraal op te nemen in het onderliggend sociaal beleidskader.

 

Beleidskader Jeugd

Iedere gemeente is, conform de nieuwe Jeugdwet, verplicht een beleidskader Jeugd vast te stellen voor november 2014. In dit beleidskader moet beschreven zijn hoe gemeenten de nieuwe verantwoordelijkheden voor alle vormen van jeugdhulp per 1 januari 2015 gaan regelen. In het beleidskader moet beschreven staan wat we als gemeente willen bereiken, hoe we de zorg rondom jeugdigen willen organiseren, welke middelen we daarvoor inzetten en hoe we invulling geven aan onze eigen rol.

 

Beleidskader Wmo

Iedere gemeente is verplicht, conform de nieuwe Wmo, een periodiek plan op het gebied van de Wmo vast te stellen. Dit plan beschrijft de beleidsvoornemens ten aanzien van: 

  • Sociale samenhang (toegankelijkheid, veiligheid, leefbaarheid, voorkoming en bestrijding huiselijk geweld)

  • Ondersteuning mantelzorgers en andere vrijwilligers

  • Voorkomen beroep op ondersteuning (preventie)

  • Aanbod algemene voorzieningen aan mensen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben

  • Maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie aan mensen die daar niet of onvoldoende op eigen kracht of met hulp van mantelzorg, gebruikelijke hulp, of sociaal netwerk toe in staat zijn

  • Maatwerkvoorzieningen aan mensen die zich niet op eigen kracht kunnen handhaven in de samenleving (opvang of beschermd wonen).

 

Het plan is erop gericht dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven en mensen die beschermd of in opvang wonen, zo snel mogelijk weer op eigen kracht kunnen deelnemen aan de samenleving. In het plan is aandacht voor:

  • een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.

  • een zo integraal mogelijke dienstverlening door samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders (ZVW)

  • keuzemogelijkheden tussen aanbieders

  • toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een handicap.

 

Gezien onze expliciete keuze voor een zoveel mogelijk integrale benadering van de decentralisaties hebben we ervoor gekozen het beleidskader Jeugd, het beleidskader Wmo en het algemene sociale beleidskader als één document op te stellen.

 

2. Sociaal domein, wat is dat?

 

Het sociale domein gaat over alles wat mensen in hun directe bestaan raakt. Het heeft primair betrekking op zorg, welzijn, arbeid, onderwijs, gezondheidszorg en vrije tijdsbesteding. Het sociale domein gaat dus om mensen en de wijze waarop zij in staat zijn om deel te nemen aan de samenleving. Binnen het sociaal domein kennen we een veelheid aan organisaties, diensten en voorzieningen die mensen ondersteunen als zij niet of onvoldoende in staat zijn deel te nemen aan de samenleving.

 

De komende omvangrijke taakverschuivingen op het gebied van jeugd, WMO en de invoering van de participatiewet en passend onderwijs hebben effect op het gehele sociale domein en daarmee op de leefwereld en leefgebieden van vrijwel alle burgers.

 

Participatiewet

 

Vanaf 1 januari 2015 treedt de Participatiewet in werking. Het doel van de wet is om meer inwoners, ook inwoners met een arbeidsbeperking, aan de slag te krijgen. Gemeenten worden vanaf die datum verantwoordelijk voor inwoners met arbeidsvermogen die ondersteuning nodig hebben. Eveneens vanaf 1 januari 2015 wordt de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) afgesloten voor nieuwe instroom. Tegelijkertijd wordt er begonnen met de opbouw van beschut werk. Beschut Werken is een Participatievoorziening die gemeenten kunnen gaan aanbieden aan personen bij wie is vastgesteld dat de arbeidsmogelijkheden dermate beperkt zijn dat van werkgevers niet verlangd kan worden dat zij deze personen in dienst nemen. De wet geeft geen verplichting aan de gemeenten om deze voorziening aan te gaan bieden. Gemeenten krijgen  weliswaar budget voor deze doelgroep (budget voor de loonkosten en budget voor begeleiding), maar kunnen overwegen om voor deze groep andersoortige voorzieningen aan te bieden. Beschut Werken is opgenomen in de Participatiewet maar de regels worden verder uitgewerkt in "lagere wetgeving" (algemene maatregelen van bestuur).

De eisen om in aanmerking te komen voor beschut werken zijn zwaarder dan die bij de Wsw. Dit betekent dat meer inwoners met beperkingen op de WWB (per 1-1-2015 genaamd Participatiewet) zullen terugvallen omdat ze geen gebruik meer kunnen maken van voorliggende voorzieningen. De rechten van de huidige Wsw-medewerkers worden gegarandeerd, zij blijven aanspraak maken op een groot deel van het budget. Per 1 januari 2015 wordt de toegang tot de Wajong beperkt tot personen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Deze ontwikkelingen hebben een verzwaring van de gemeentelijke re-integratietaak tot gevolg.

 

Er komen geen bestaande taken over naar gemeenten. Wel krijgen gemeenten de beschikking over twee nieuwe taken en over een nieuw instrument:

  • -

    Nieuwe taak: Beschut werken

    Beschut werken is bedoeld voor inwoners, die door hun beperking een zodanige mate van begeleiding en aanpassingen van hun werkplek nodig hebben, dat niet van een regulier werkgever mag worden verwacht, dat hij deze in een dienst betrekking neemt. Met de voorziening beschut werken kan de gemeente deze inwoners toch in een dienstbetrekking laten werken.

  • -

    Nieuwe taak: Werkbedrijf

    De 35 arbeidsmarktregio’s hebben een belangrijke rol om inwoners met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. In elke arbeidsmarktregio wordt een Werkbedrijf ingericht.

  • -

    Nieuw instrument: loonkostensubsidie

    Om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken om iemand met een arbeidsbeperking in dienst te nemen, krijgt de gemeente de mogelijkheid om loonkostensubsidie te verstrekken. De loonkostensubsidie wordt verstrekt aan de werkgever en kan, waar nodig, structureel worden ingezet. Loonkostensubsidie kan ook worden ingezet voor werknemers die beschut werken. De loonkostensubsidie wordt op basis van de loonwaarde bepaald.

 

Met werkgevers is afgesproken extra banen te realiseren. Wordt dit onvoldoende behaald dat treedt een wettelijk quotum in werking, dit op basis van een aparte Quotumwet. Eerste meting is in 2015.

 

Op 11 april 2013 is er een sociaal akkoord tot stand gekomen van kabinet, werkgevers en werkgeversorganisaties. In dit sociaal akkoord hebben werkgevers en overheid zich samen garant gesteld om 125.000 extra banen voor arbeidsgehandicapten te creëren. De werkbedrijven gaan een belangrijke rol spelen om deze banen in te vullen. Een werkbedrijf is een regionaal netwerk van uitvoerders. Gemeente, SW-bedrijven, UWV en andere uitvoerders werken in het werkbedrijf samen aan hetzelfde doel: zoveel mogelijk mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan de slag te helpen. De regio staat centraal bij de uitwerking van de werkbedrijven. Aansluiting is gezocht bij het niveau van de arbeidsmarktregio’s.

De regionale indeling van de 35 werkbedrijven volgt de (huidige) 35 arbeidsmarktregio’s zodat kan worden aangesloten op de al bestaande infrastructuur zoals werkplekken en servicepunten. Bij de totstandkoming van werkbedrijven worden sw-bedrijven niet gedwongen tot fuseren. Gemeenten hebben de “lead” bij de vorming van de werkbedrijven en werken nauw samen met sociale partners en UWV. Het betreft een lichte structuur met een praktische invulling. Er komt geen landelijke blauwdruk van de inrichting van de werkbedrijven. Iedere arbeidsmarktregio is anders.

 

Een werkbedrijf dient randvoorwaarden te scheppen die het mogelijk maken om mensen uit de doelgroep te plaatsen. Het betreft hier:

  • Nauwe en duurzame relaties met werkgevers en de (sub)regio.

  • Professionele acquisitie van geschikt werk. Bestaande vacatures zijn vaak niet geschikt. Er moeten arrangementen tot stand komen met bedrijven waarbij zij zorgen dat het beschikbare werk geschikt wordt gemaakt voor de doelgroep.

  • Kennis en expertise voor een goede match. Een juiste diagnose aangevuld met (arbeids)ervaring moet leiden tot een plaatsing, waarbij na verloop van tijd een loonwaardebepaling kan plaatsvinden.

  • Begeleiding en nazorg als er kandidaten geplaatst zijn.

 

In de regio Zuidoost Brabant worden nu initiatieven ontplooid om op 1 januari 2015 een werkbedrijf te realiseren. De partners (in eerste instantie gemeenten, werkgevers, werknemers, UWV) maken gezamenlijk een regionaal marktbewerkingplan. Het werkbedrijf is aanjager voor het realiseren van de afspraken in het marktbewerkingplan, monitort de resultaten en rapporteert daarover.

 

Wmo

 

De nieuwe Wet Maatschappelijke Ondersteuning kent drie doelen, in plaats van de oude negen prestatievelden:

  • Het bevorderen van sociale samenhang, de mantelzorg, het vrijwilligerswerk en de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld.

  • Het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische, psychische of psychosociale problemen, zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving.

  • Het bieden van opvang (maatschappelijke opvang, vrouwenopvang, beschermd wonen en verslavingszorg vallen hieronder).

 

De gemeente moet zorg dragen voor de maatschappelijke ondersteuning en bevordert in dat verband goede toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een handicap en de zelfredzaamheid van participatie van personen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen, teneinde te bevorderen dat burgers zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. De gemeente draagt zorg voor de kwaliteit en de continuïteit van de voorzieningen.

 

In de huidige Wmo staat de compensatieplicht centraal. Gemeenten zijn verplicht om mensen met een beperking of psychische problematiek te compenseren voor de beperkingen die zij ondervinden bij hun zelfredzaamheid en participatie. In de huidige wet worden daarbij vier resultaatgebieden onderscheiden. In de nieuwe Wmo wordt de term ‘maatwerkvoorziening’ geïntroduceerd. De verplichting voor gemeenten om maatwerk te leveren is in het nieuwe wetsvoorstel ruimer geformuleerd dan de compensatieplicht. De maatwerkvoorziening is aanvullend op wat iemand zelf kan bijdragen, en vormt samen met de inzet van eigen kracht of, indien van toepassing, gebruikelijke hulp of mantelzorg een samenhangend ondersteuningsaanbod, ofwel maatwerk. Ook het gebruik van een algemene voorziening kan, afhankelijk van de omstandigheden van de cliënt, tot het vereiste maatwerk leiden.

 

In de nieuwe Wmo krijgen gemeenten meer en andere taken en verantwoordelijkheden. Een aantal taken wordt van het Rijk overgeheveld naar gemeenten. Het gaat hierbij om de volgende nieuwe taken:

 

Begeleiding

Het grootste deel van de mensen die onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid komt te vallen krijgt een vorm van begeleiding. Deze functie is bedoeld om de zelfredzaamheid van mensen te bevorderen, te behouden of te compenseren. Begeleiding beoogt een verblijf in een instelling zo lang mogelijk uit te stellen of overbodig te maken. Begeleiding omvat zowel individuele begeleiding als begeleiding in een groep.

 

Individuele begeleiding

Individuele begeleiding richt zich op het begeleiden in het dagelijks functioneren. Het gaat om actief herstellen, dan wel compenseren van het beperkte of afwezige regelvermogen van een persoon waardoor hij onvoldoende of geen regie over het eigen leven kan voeren. De ondersteuning bestaat bijvoorbeeld uit het helpen plannen van activiteiten, het regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. Individuele begeleiding kan ook praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen inhouden zoals begeleiden bij het wassen en aankleden. Daarbij is geen medische zorg nodig of een hoog risico daarop. Afhankelijk van de individuele situatie kan individuele begeleiding kortdurend, maar ook langdurig worden ingezet.

 

Begeleiding in een groep

De begeleiding in een groep wordt meestal dagbesteding genoemd. Deze activiteiten variëren van arbeidsmatige dagbesteding zoals werken in een horecagelegenheid onder begeleiding van de zorgaanbieder tot recreëren zoals wandelen.

 

Iemand kan zowel individuele begeleiding krijgen thuis, zoals ondersteuning bij zelfredzaamheid, en voor een zinvolle invulling van de dag buiten de deur deelnemen aan dagbesteding in de vorm van groepsactiviteiten (begeleiding groep). Er zijn dus mensen die van zowel individuele begeleiding als begeleiding in een groep gebruik maken.

 

Vervoer

Een deel van de mensen maakt gebruik van vervoer om naar de dagbesteding toe te gaan. Dit onderdeel komt ook mee met de decentralisatie van de functie begeleiding. De huidige zorginstellingen regelen op dit moment voor een belangrijk deel hun eigen vervoer. We zien op provinciaal niveau veel overlap. Wij onderzoeken of we efficiënter kunnen omgaan met de kosten voor vervoer door de dagopvang dichtbij de inwoner te organiseren en door het bundelen van de verschillende vervoersstromen (doelgroepen vervoer).

 

Kortdurend verblijf

Kortdurend verblijf is een functie in de AWBZ die mantelzorgers tijdelijk ontlast en daarmee onder-steunt. Mensen met een beperking of een handicap die thuis wonen en permanent toezicht en/of hulp nodig hebben, kunnen een indicatie voor kortdurend verblijf krijgen. Dit betekent dat zij maximaal drie etmalen per week ergens kunnen logeren zodat de mantelzorger even ontzien wordt. Voorbeelden hiervan zijn logeerhuizen voor kinderen met een beperking, zorgboerderijen met logeermogelijkheid, een gastgezin of andere zorg gerelateerde instellingen. Mensen met een indicatie voor Kortdurend Verblijf, hebben altijd een andere AWBZ-indicatie voor extramurale zorg, bijvoorbeeld voor begeleiding, persoonlijke verzorging en/of verpleging.

 

Veel mensen verlenen voor kortere of langere tijd ‘mantelzorg’ aan hun partner, ouders of andere familieleden, buren of vrienden. De meesten vinden dat vanzelfsprekend, ze vinden dat zorgen voor dierbaren bij het leven hoort. Soms kan deze zorg echter behoorlijk zwaar vallen. Wij willen daarom dat mensen die mantelzorg geven de ondersteuning krijgen waar

ze behoefte aan hebben. Kortdurend verblijf is daarbij een cruciale voorziening voor zwaar belaste mantelzorgers.

 

Beschermde woonvorm GGZ mensen (C-pakket)

In de concept tekst van de nieuwe WMO is het beschermd wonen als een maatwerkvoorziening opgenomen naast de voorzieningen voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. Het betreft in dit geval dus een extra wettelijke taak waar een centrumgemeente uitvoering aan moet geven. Voor de gemeente Oirschot is dat gemeente Eindhoven. Eindhoven is als (centrum)gemeente verantwoordelijk voor bijna (verblijf op basis van behandeling uitgezonderd) de gehele keten van woon- en zorgvoorzieningen voor de doelgroep maatschappelijke zorg, namelijk het crisisverblijf (de maatschappelijke en vrouwenopvang), het beschermd wonen, het begeleid wonen en het begeleid zelfstandig wonen. Bij Beschermd Wonen is er altijd sprake van een psychiatrische diagnose en een indicatie in de vorm van een zorgzwaartepakket (ZZP). Dit is een indicatie (van het CIZ) met recht op intramuraal verblijf. Er zijn in de GGZ twee soorten ZZP’s. Het ZZP ‘B’ is voor mensen die intramuraal verblijven omwille van hun behandeling. Het ZZP ‘C’ is voor mensen die verblijven in een beschermde woonomgeving en waarbij behandeling niet meer op de voorgrond staat. Hierbij gaat het om het bieden van structuur en begeleiding. In het huidige voorstel van het Ministerie gaan de ZZP’s B naar de zorgverzekeraars en de ZZP’s C naar gemeenten. Deze laatste groep heeft wegens psychiatrische problematiek langere tijd een vorm van beschermd wonen nodig. Daarbij is intensieve begeleiding nodig; in het pakket zit geen vorm van behandeling. Een eventuele behandelaar is dus niet direct betrokken bij de zorgverlening. Wanneer nodig kan behandeling gegeven worden in een andere instelling dan waar de persoon woont en zal gefinancierd worden vanuit de Zorgverzekeringswet.

 

Cliëntondersteuning MEE

Per ingang van 1 januari 2015 worden ook de MEE-middelen overgeheveld naar gemeenten. De hoofdactiviteit van MEE bestaat uit cliëntondersteuning aan chronisch zieken en gehandicapten. Er wordt in landelijk verband nog overleg gevoerd over de voorwaarden waaronder de middelen naar gemeenten zullen worden gedecentraliseerd, bijvoorbeeld als het gaat om frictiekosten en de continuïteit van ondersteuning

 

Decentralisatie Jeugdzorg

 

Uit een evaluatie op de Wet op de Jeugdzorg is gebleken dat het huidige jeugdstelsel een aantal tekortkomingen vertoont, zoals de druk op de gespecialiseerde zorg, het gebrek aan samenwerking rond kinderen en gezinnen (verkokering), het onnodig medicaliseren van afwijkend gedrag en het kostenopdrijvend effect als afgeleide van deze knelpunten. De landelijke overheid streeft naar een cultuuromslag waarbij demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren sleutelwoorden zijn. Hierbij geldt dat de overheid pas in beeld komt als ouders een onoverkomelijk probleem ondervinden bij het opvoeden en opgroeien van hun kinderen. De professionals moeten dan ook de vrijheid en de verantwoordelijkheid krijgen om het traject af te stemmen op de specifieke situatie van het kind en het gezin en het traject in te richten op het herstel van de kracht van gezinnen en hun netwerken. De decentralisatie moet de gemeenten in staat stellen om integraal beleid te ontwikkelen en maatwerk te bieden, afgestemd op de lokale situatie en uitgaan van de mogelijkheden en de behoeften van individuele jeugdigen en hun ouders. De decentralisatie gaat daarmee nadrukkelijk niet alleen om het neerleggen van taken bij de gemeenten, het gaat juist om een transformatie van het jeugdhulpbestel.

 

De decentralisatie jeugdzorg betekent dat de gemeenten per 1 januari 2015 bestuurlijk en financieel verantwoordelijk worden voor alle vormen van jeugdhulp (provinciale jeugdzorg, alle taken die onder Bureau Jeugdzorg vallen, taken van jeugdzorginstellingen, gesloten jeugdzorg, jeugd geestelijke gezondheidszorg en jeugd lichtverstandelijke beperking). Daarnaast worden gemeenten verantwoordelijk voor de jeugdbeschermingmaatregelen en de jeugdreclassering. De gemeenten blijven hun preventietaken t.a.v. jeugdigen en gezinnen verder behouden.

Taken die nu versnipperd door verschillende partijen worden uitgevoerd worden overgedragen aan gemeenten. Dit vloeit mede voort uit het VN-Verdrag betreffende de rechten van het kind (IVRK). Het IVRK dient als richtsnoer voor het nieuwe stelsel van jeugdhulp, waar de nieuwe Jeugdwet onderdeel van is. Een bijzonder punt van aandacht in het IVRK is artikel 19: hierin wordt de overheid opgedragen om te zorgen voor ‘alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied om kinderen te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling en exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik’. Verantwoordelijkheden m.b.t. de bescherming van de veiligheid van het kind worden in de nieuwe Jeugdwet dan ook belegd bij de gemeenten.

 

 

Verantwoordelijkheden gemeenten m.b.t. de jeugdhulp vanaf 1 januari 2015:

  • /

    Regie op de gehele jeugdketen;

  • /

    Het realiseren van een toereikend en integraal aanbod op het gebied van jeugdhulpverlening;

  • /

    Zorgdragen voor herkenbare en laagdrempelige toegang tot jeugdhulp;

  • /

    Het treffen van voorzieningen m.b.t. jeugdhulp als jeugdigen en ouders het niet op eigen kracht redden;

  • /

    Verantwoordelijkheid voor de uitvoering van jeugdbescherming en de jeugdreclassering;

  • /

    Jeugdigen kosteloos en anoniem advies bieden over de door hen voorgelegde vragen m.b.t. tot opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

  • /

    Het nemen van maatregelen om kindermishandeling te bestrijden;

  • /

    Het bieden van een onafhankelijke vertrouwenspersoon voor ouders en jeugdigen die te maken hebben met jeugdhulpverleners;

  • /

    Een verplichte regionale samenwerking met andere gemeenten voor in ieder geval de jeugdbescherming, jeugdreclassering, meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling en de Kindertelefoon; Het bieden van advies voor professionals die werken met jeugdigen of ouders;

  • /

    Zorgdragen dat jeugdhulp ook na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts toegankelijk is

 

Deze nieuwe taken moeten worden ingebed in de (boven)lokale structuren (CJG, onderwijs, veiligheidshuis) en verbonden worden met de eigen dienstverlening op het terrein van onder andere werk en inkomen en de Wmo, zoals schuldhulpverlening binnen een gezin.

 

Passend onderwijs

 

De Wet Passend Onderwijs gaat op 1 augustus 2014 in en is erop gericht voor álle kinderen een passende onderwijsplek te bieden. Onderdeel van de wet is de invoering van de zorgplicht voor scholen. Dat betekent dat scholen verantwoordelijk zijn om elk kind een goede onderwijsplek te bieden. Op de eigen school, eventueel met extra ondersteuning in de klas, op een andere reguliere school in de regio of in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Ouders worden hierbij nauw betrokken. Om aan alle kinderen daadwerkelijk een goede onderwijsplek te kunnen bieden, vormen reguliere en speciale scholen samen regionale samenwerkingsverbanden. De scholen in het samenwerkingsverband maken afspraken over de ondersteuning aan leerlingen en de bekostiging daarvan. De samenwerkingsverbanden stemmen dit af met de gemeenten die vallen binnen het samenwerkingsverband. Met name de afstemming tussen gemeenten en samenwerkingsverbanden ten aanzien van jeugdhulp, onderwijshuisvesting, leerlingenvervoer en leerplicht is daarbij van belang. De wetgever acht dit belangrijk vanuit het oogpunt van één gezin, één plan. Leer- of functioneringsproblemen van een kind op school kunnen immers hun oorzaak hebben in de leefwereld buiten de school. Zo kunnen de problemen voortkomen uit een verstoorde thuissituatie. Dit overstijgt vaak de verantwoordelijkheid van de school en roept het belang op van één integraal plan dat kijkt naar alle verschillende aspecten van het leven van het kind en gezin. Vaak hebben scholen zelf al een eigen zorg- en ondersteuningsstructuur ingericht. Het is belangrijk dat de zorg binnen en buiten de school op elkaar zijn afgestemd: één gezin, één plan.

3. Doelgroepen in beeld

 

We hebben in het sociale domein te maken met verschillende doelgroepen. De totale doelgroep van het sociaal domein wordt gevormd door álle inwoners van Oirschot (vanaf -9 maanden). Per 1 januari 2013 bedroeg het totaal aantal inwoners van onze gemeente 17.935.

Om een duidelijk beeld te kunnen schetsen van de specifieke doelgroepen binnen het sociale domein maken we in deze paragraaf onderscheid in de volgende categorieën:

  • -

    Jeugd en passend onderwijs

  • -

    Inwoners die te maken hebben met de overheveling van de AWBZ naar de WMO

  • -

    Inwoners die vallen onder de participatiewet.

3.1 Jeugd en passend onderwijs

De jeugdwet gaat bij de ondersteuning en hulp voor jeugdigen en gezinnen uit van de doelgroep tot en met 18 jaar. Ook bij de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen wordt deze leeftijdsgrens gehanteerd. Ondersteuning kan ook na het 18e jaar nog plaatsvinden en doorlopen tot het 23e jaar voor zover deze hulp niet onder een ander wettelijk kader valt. Wij hanteren bij het opstellen van dit beleidskader met betrekking tot het preventieve stuk een leeftijdsgrens tot 23 jaar. Het huidige CJG richt zich nu ook al op jeugdigen tot 23 jaar, om te voorkomen dat deze doelgroep tussen wal en schip valt. Juist in de vroegvolwassenheid (18 tot 23 jaar) kan een stukje extra preventieve ondersteuning zinvol zijn.

 

In de gemeente Oirschot woonden op 1 januari 2014 4.769 jeugdigen waarvan 3.721 jongeren jonger waren dan 18 jaar.

 

Leeftijdscategorie

Aantal jeugdigen in de gemeente Oirschot (peildatum 1 januari 2014)

0 t/m 3 jaar

641

4 t/m 11 jaar

1.585

12 t/m 17 jaar

1.495

18 t/m 22 jaar

1.048

Totaal

4.769

 

Bovendien waren er op deze datum in totaal 1.646 huishoudens met kinderen (Bron: stadsindex.nl).

 

Het aantal leerlingen (4 t/m 12 jaar) dat onderwijs volgt binnen het primair onderwijs in onze gemeente bedraagt per 1 oktober 2013 1590. Zij volgen onderwijs op een van de zes basisscholen in onze gemeente. Het aantal leerlingen dat voortgezet onderwijs volgt bedraagt ongeveer 1200. Van deze Oirschotse leerlingen volgt ongeveer een derde onderwijs in Oirschot (Kempenhorst College) en een derde in Best (Heerbeeck College). Het Kempenhorst College heeft een duidelijk regionale functie. Ongeveer 1/3 van de leerlingen komt uit Oirschot, 1/3 komt uit Best en ongeveer 1/3 van de leerlingen is woonachtig in de omliggende regio.

Uit landelijk onderzoek komt naar voren dat het met 85% van de jeugd goed gaat en dus op een normale manier kunnen opgroeien in de maatschappij. Met 15% gaat het (soms) wat minder en is extra ondersteuning of hulp nodig. Van die 15% is bij 5% sprake van zwaardere problematiek waarvoor intensieve hulp of zorg nodig is. We hebben geen aanwijzingen dat Oirschotse jongeren significant van dit beeld afwijken. Uit de GGD jeugdmonitoren (0-11 jaar en 12-18 jaar) concluderen we dat het merendeel van de Oirschotse jeugd zich over het algemeen gelukkig voelt: 84% van de ouders van kinderen tot 11 jaar ervaart hun kind over het algemeen als “blij”. Van de jongeren tussen de 12 en 18 jaar ligt dit percentage op 72%. De Oirschotse jeugd verschilt hiermee nauwelijks van de jeugd in Zuidoost Brabant. Voor een specificatie van het beeld van de Oirschotse jeugd verwijzen we naar bijlage 2. Deze uitkomsten laten zien dat het meer dan verantwoord is een beleid te maken dat zich richt op een brede doelgroep waarbij aandacht is voor een speciale groep met wie het niet zo goed gaat.

 

De aard van de problematiek bij Oirschot jeugdigen komt ook overeen met het landelijk beeld. Zo zien we bepaalde problematieken ook in Oirschot terugkomen zoals een gebrek aan beweging, overgewicht en leefstijl (zoals gezond eten), pesten of gepest worden (ook via internet en social media), de relatie met ouders gedurende de puberteit en de vragen die jongeren bezig houden en onzeker maken. Ook de mate waarin jongeren zeggen hulp te zoeken verschilt nauwelijks van andere Nederlandse jongeren. Hierbij zoeken jongeren vooral naar hulp en ondersteuning in de directe omgeving (via leerlingbegeleider/ mentor, huisarts of vertrouwenspersoon op school). De meest voorkomende hulpvragen zijn hieronder weergegeven.

 

 

Daarnaast zien we in Oirschot wel enkele opvallende zaken terugkomen. Zo zien we het hoge percentage dat lid is van een (sport)vereniging. Aan de andere kant ervaren jongeren Oirschot wel als wat saaier. Opmerkelijkste resultaat is wel alcoholgebruik onder de jeugd dat hoger is dan elders in de regio. Vooral het percentage forse drinkers (>20 glazen per week) is onder jongeren fors te noemen.

 

In bijlage 1 hebben we een overzicht opgenomen van veelgestelde vragen door Oirschotse ouders aan het CJG in 2013. Dit geeft een goed beeld van de vragen waar zij mee rondlopen.

 

Naast bovenstaand beeld van de Oirschotse jeugd merken we op dat uit diverse onderzoeken is gebleken dat de regio Zuidoost-Brabant een opvallend hoger percentage jeugdigen met een autisme spectrum stoornis kent dan de rest van Nederland. Hoewel nooit wetenschappelijk onderbouwd lijkt autisme vaker voor te komen in regio’s met veel technologische bedrijven en kenniswerkers, waaronder de regio Eindhoven (Brainport). Met name in het kader van passend onderwijs is dit een aandachtspunt, temeer omdat hier bij de vereveningsopdracht vanuit het Rijk geen rekening mee wordt gehouden.

 

Een tweede aandachtspunt dat in het kader van passend onderwijs aandacht behoeft, met name ten aanzien van de afstemming tussen onderwijs en gemeente is de wijziging die plaats gaat vinden met betrekking tot jongeren die nu vanuit de AWBZ zorg op school gefinancierd krijgen. Dit betreft leerlingen die persoonlijke verzorging, begeleiding of verpleging op school ontvangen. Vanaf 1 januari 2015 wordt deze zorg op een andere manier (vanuit de Jeugdwet of via zorgverzekaars) gefinancierd.

 

Jeugdgezondheidszorg (GGD)

De gemeente Oirschot kent relatief weinig reguliere GGD onderzoeken. Het percentage doorverwijzingen ligt echter relatief hoog (bijna 10 %). (Bron: PON Doelgroep- en financiële analyse van het voorliggend veld 2013)

 

Doelgroepen die specifieke ondersteuning nodig hebben

Hieronder volgen enkele kengetallen met betrekking tot de verschillende nieuwe vormen van jeugdhulp die per 1 januari 2015 overkomen naar de gemeente Oirschot. Voor een toelichting op de verschillende zorgvormen verwijzen we naar bijlage 6.

 

Tabel. Aantal jeugdigen in Oirschot dat in 2011 gebruik heeft gemaakt van jeugdzorgvoorzieningen, dan wel een indicatie heeft dat recht geeft op deze jeugdzorgvoorzieningen

 

 

 

Aantal jeugdigen Oirschot 0 tot 18 jaar (2011)

in % van het totaal aantal jeugdigen in Oirschot* (4.769 jeugdigen in Oirschot)

Ambulant

27

0,6 %

Verblijf deeltijd/ voltijd

2

0,04 %

Pleegzorg

5

0,1 %

AWBZ- zorg aan jeugd zonder verblijf

90

1,9 %

AWBZ- zorg aan jeugd met verblijf

5

0,1 %

Zvw: jeugd GGZ eerste lijn

65

1,4 %

Zvw: jeugd GGZ tweede lijn zonder verblijf (DBC)

121

2,4 %

Zvw: jeugd GGZ tweede lijn met verblijf (DBC)

0

0 %

* Peildatum 1 juli 2011

 

M.b.t. opgroeien in veiligheid zien we dat de volgende cijfers terugkomen:

 

Tabel. Aantal jeugdigen in Oirschot in 2011 dat te maken heeft gehad met jeugdbescherming, jeugdreclassering, geplaatst is in een gesloten jeugdzorginrichting (jeugdzorg plus) of gemeld is door AMK

 

 

Aantal jeugdigen Oirschot 0 tot 18 jaar (2011)

in % van het totaal aantal jeugdigen in Oirschot*

Jeugdbescherming

1

0,02 %

Jeugdreclassering

4

0,08 %

Gemelde kinderen AMK

15

0,3 %

Gesloten jeugdzorg

0

0 %

 

Uit bovenstaande cijfers kunnen we de volgende conclusies trekken:

  • Jeugd en Opvoedhulp (ambulant, verblijf deeltijd/voltijd, pleegzorg)

    De gemeente Oirschot kent een laag aantal jeugdigen dat in 2011 een beroep heeft gedaan op Jeugd en Opvoedhulp (J&O). Het gemiddelde aantal jeugdigen dat in 2011 een beroep heeft gedaan op J&O is in Zuidoost-Brabant 1,7 %. Voor de gemeente Oirschot is dit aantal slechts 0,8 %. Het gaat hier om 30 jeugdigen in Oirschot ten opzichte van het totaal aantal jeugdigen in Oirschot van 0 t/m 17 jaar. Dit aantal is uit te splitsen in 90 % ambulant (27 jeugdigen), 6,7 % residentieel (2 jeugdigen), 3,3 % daghulp (1 jeugdige), 16,7 % pleegzorg (5 jeugdigen) en 0 % observatie. (Bron: PON Jeugdzorg in Beweging Regiorapportage Zuidoost-Brabant)  

  • Clienttrajecten BJZ

    Het aantal jeugdigen uit Oirschot in een cliënttraject bij BJZ is relatief laag. Op 31 december 2011 zaten 3.450 unieke jeugdigen uit Zuidoost-Brabant in een cliënttraject bij BJZ. Dat is 1,9% van het totaal aantal jeugdigen (151.935). In de gemeente Oirschot ligt dit percentage 1,3 % (50 van de 3.929 jeugdigen tot en met 17 jaar). (Bron: PON Jeugdzorg in Beweging Regiorapportage Zuidoost-Brabant).  

  • AWBZ-zorg

    Er is weinig bekend over specifieke AWBZ-jeugdzorg. In Oirschot gaat het om 95 jeugdigen. Uit een onderzoek van Woittiez e.a. (2012) blijkt dat er de laatste jaren een groei te zien is van het aantal jongeren met een vraag naar zorg via de AWBZ. De instellingsgegevens bieden echter geen zicht op het aantal jeugdigen dat zorg in het particuliere circuit krijgt vanuit de AWBZ met een pgb. 

  • Jeugd-GGZ

    In heel Zuidoost-Brabant heeft 3,4 % van het aantal jeugdigen een beroep gedaan op de 2e lijns jeugd-GGZ met een in 2011 afgesloten Diagnose Behandelcombinatie (DBC). Dit aantal ligt in Oirschot een stuk lager op 2,4 % (121 jeugdigen). (Bron: PON Doelgroep- en financiële analyse van het voorliggend veld 2013). De totale kosten van de afgesloten DBC’s voor jeugdigen van de gemeente Oirschot bedroegen in 2011 423.284 euro. De kosten van een gemiddeld Oirschots traject bedroegen 3.498 euro. Dit gemiddelde trajectbedrag ligt lager dan het gemiddelde in de regio Zuidoost-Brabant: 4.536 euro per cliënttraject. (Bron: PON Jeugdzorg in Beweging Regiorapportage Zuidoost-Brabant) 

  • Jeugdbescherming (OTS en voogdij), Jeugdreclassering, AMK en gesloten jeugdzorg

    Het aantal jeugdigen in het gedwongen kader (jeugdbescherming en jeugdreclassering) ligt ook relatief laag in de gemeente Oirschot). In Oirschot ligt dit aantal op 6 jeugdigen (0,2 %), 1 jeugdige heeft een maatregel (voorlopige) voogdij opgelegd gekregen (0,03 %) en 4 jeugdigen hebben een JR maatregel opgelegd gekregen (0,1 %). In heel Zuidoost-Brabant heeft 0,4 % van de jeugdigen een maatregel (voorlopige) ondertoezichtstelling opgelegd gekregen; 0,1 % heeft een maatregel (voorlopige) voogdij en 0,2 % heeft een JR maatregel opgelegd gekregen. (Bron: PON Jeugdzorg in Beweging Regiorapportage Zuidoost-Brabant). Omdat bij adviezen en consulten de gemeente van herkomst van jeugdigen (bewust) niet geregistreerd wordt, kan alleen van AMK onderzoeken informatie op regionaal niveau en niet op het niveau van de gemeente Oirschot inzichtelijk worden gemaakt. Ook zijn de gegevens van de gesloten jeugdzorg (JeugdzorgPlus) nog niet vrijgegeven.

  • Onderwijs in relatie tot jeugdhulp

    Ook vanuit het onderwijs wordt vaak ondersteuning geboden aan jeugdigen. Dit kan parallel aan ander jeugdhulpverleningsaanbod plaatsvinden. We hebben hiervoor cijfers in beeld gebracht. Op 1 oktober 2010 waren er in Oirschot 2.069 kinderen woonachtig in de leeftijd van 4 tot 12 jaar en 1.467 jongeren van 13 tot 18 jaar. Van de eerste categorie waren er toen 88 leerlingen geïndiceerd (ongeveer 4%). Van de categorie 13-18 jaar waren 166 leerlingen geïndiceerd, ongeveer 11%. In bijlage 3 hebben we deze indicaties en de schoolsoorten verder uitgewerkt. Hieruit blijkt dat er procentueel gezien meer indicaties worden gesteld op het voortgezet onderwijs dan op het basisonderwijs. Bovendien blijkt dat van de geïndiceerde leerlingen van 4 tot 12 jaar 53% buiten Oirschot naar school gaat omdat zij extra zorg nodig hebben. Van de geïndiceerde jongeren van 12 tot 18 jaar is dit ongeveer 50%. Daarnaast zijn er leerlingen die wel (meer) hulpbehoevend zijn, maar hier geen extra indicatie voor krijgen. Het gaat bijvoorbeeld om leerlingen die hoogbegaafd of dyslectisch zijn.

 

Op basis van bovenstaande cijfers en het aantal geïndiceerde leerlingen dat buiten Oirschot naar school gaat lijkt het logisch te zoeken naar creatieve oplossingen waardoor leerlingen minder vervoerd hoeven worden en meer thuisnabij in de eigen omgeving onderwijs kunnen volgen. Met name het zoeken naar slimme combinaties zoals de verticalisering 1 van het lokale onderwijs en de subregionale samenwerking met Best (en Veldhoven) bieden wellicht mogelijkheden. Wel hebben we op regionaal niveau afgesproken niet op lokaal niveau initiatieven te ontplooien als deze regionale effecten (kunnen) hebben, bijvoorbeeld ten aanzien van leerlingenstromen, huisvesting of leerlingenvervoer. We werken hierbij daarom altijd samen met omliggende gemeenten en de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.

Door het Rijk zijn samenwerkingsverbanden passend onderwijs bepaald. In Oirschot valt het primair onderwijs onder het samenwerkingsverband PO3009 Stichting samenwerkingsverband Passend Onderwijs De Kempen. Hieronder vallen de gemeenten Bergeijk, Bladel, Cranendonck, Eersel, Heeze-Leende, Oirschot, Reusel-De Mierden, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre. Het voortgezet onderwijs valt onder de Stichting Regionaal samenwerkingsverband Eindhoven en Kempenland. Hieronder vallen Eindhoven, Veldhoven, Son en Breugel, Eersel, Best, Nuenen, Gerwen en Nederwetten, Bladel, Valkenswaard, Reusel-De Mierden, Bergeijk, Waalre, Oirschot en Heeze-Leende.

3.2 WMO/AWBZ

Het gaat bij de AWBZ-taken die overkomen om een zeer diverse groep gebruikers: mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, chronisch zieken, ouderen die fysiek achteruitgaan en/of te maken hebben met dementie, mensen met een psychiatrische achtergrond en kinderen en volwassenen met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking. Het gaat om mensen in alle leeftijdscategorieën.

Op 1 januari 2015 komen er naar verwachting 250 AWBZ cliënten (begeleiding en persoonlijke verzorging) over naar de Wmo in Oirschot. Deze zijn als volgt verdeeld:

 

Aantal volwassen cliënten naar AWBZ zorgsoort:

Zorgsoort

Aantal cliënten

Begeleiding

130

Persoonlijke verzorging

5

ZZP gehandicaptenzorg

5

ZZP GGZ

2

ZZP verpleging en verzorging

70

Bron: decentralisatiemonitor Wmo Kantoor , 2013

 

Aantal jeugdige cliënten naar AWBZ zorgsoort:

Zorgsoort

Aantal cliënten

Begeleiding

35

Persoonlijke verzorging

3

ZZP gehandicaptenzorg

0

ZZP GGZ

0

ZZP verpleging en verzorging

0

Bron: decentralisatiemonitor Wmo Kantoor , 2013

3.3 Participatiewet

Van overdracht van de huidige Wajong-gerechtigden met arbeidsvermogen naar de gemeenten zal geen sprake zijn. Zij blijven een uitkering van het UWV ontvangen en ook de re-integratie van die doelgroep blijft een verantwoordelijkheid van het UWV.

 

Vanaf 1 januari 2015 is de toegang tot de Wajong voor nieuwe gevallen beperkt tot degenen die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn. Nieuwe gevallen waarbij sprake is van (enig) arbeidsvermogen kunnen een beroep doen op Participatiewet, mits zij voldoen aan de polisvoorwaarden van die wet. De omvang hiervan zal naar verwachting landelijk beperkt blijven tot enkele duizenden per jaar.

 

Voor de gemeente Oirschot kunnen we de volgende kerngetallen geven:

Kerngetallen per 1-1-2014 Oirschot

 

 

NWW (Niet Werkende Werkzoekende)

 

560

WWB - aantal uitkeringen

 

89

Wsw - (WSD)

 

123

4. Kaders en uitgangspunten

 

Met het sociaal beleidskader geven we richting aan de vormgeving van het sociaal domein vanaf 1 januari 2015. In dit hoofdstuk geven we aan welke regionale, subregionale en lokale kaders we willen vaststellen ten aanzien hiervan. We geven aan welke regionale kaders (SRE) reeds door de gemeenteraad zijn vastgesteld. Deze kaders hebben met name betrekking op de decentralisatie Jeugdzorg. De subregionale en lokale kaders geven weer hoe we in Oirschot invulling willen gaan geven aan het sociale domein. We gaan daarbij uit van het onderstaande ambitieniveau:

 

Iedere burger, ieder gezin en iedere jeugdige wordt vanaf 2015 door de gemeente Oirschot geholpen. Geen burger, gezin of jeugdige valt tussen wal en schip.

4.1 Regionale kaders

Regionale kaders jeugd

 

In de Jeugdwet is vastgelegd dat gemeenten op een aantal onderdelen verplicht moeten komen tot bovenlokale samenwerking. Dit betreffen de taken op het gebied van jeugdbescherming en jeugdreclassering, gesloten jeugdzorg, een meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling en de Kindertelefoon. Daarnaast is het zo dat vanuit het oogpunt van efficiëntie bovenlokale samenwerking op onderdelen een duidelijke meerwaarde biedt - rekening houdend met lokale verschillen. Expertise kan gebundeld worden en inkoopkracht kan worden versterkt. Daarnaast moeten gemeenten zich verhouden tot andere samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld die van het onderwijs (zelfs een wettelijke verplichting).

 

In 2011 zijn in SRE verband gezamenlijk kaders geformuleerd voor wat betreft de decentralisatie jeugdzorg. In 2012 is een functioneel model ontworpen op basis waarvan de individuele gemeenten hun eigen beleid verder vormgeven. Zowel de kaders als het functioneel model zijn gebaseerd op het “wrap around care” principe.

 

Regionale kaders (vastgesteld door de 21 SRE gemeenten in juni 2012):

  • /

    Ouders zijn en blijven primair verantwoordelijk voor het opgroeien en de opvoeding van hun kinderen. Dit vraagt om een constante inspanning van ouders;

  • /

    De samenleving heeft een inspanningsverplichting om ouders aan te spreken op hun verantwoordelijkheden en helpt daarbij;

  • /

    De leefomgeving van het kind (wijk, school, vrije tijd) is het fundament bij het opgroeien en de ontwikkeling van kinderen;

  • /

    De nadruk ligt op normaliseren en niet op problematiseren;

  • /

    Opvoeden is normatief, bij risico’s wordt ingegrepen;

  • /

    Hulp die geboden wordt, is gericht op herstel van het normale leven van kind en gezin;

  • /

    Ondersteuning moet gericht zijn op het versterken van de eigen kracht en die van de omgeving (familie, wijk, school);

  • /

    Hulp wordt ingeroepen in de natuurlijke leefomgeving, het kind wordt niet doorverwezen;

  • /

    Eén kind, één gezin, één plan, één coördinator.

 

Aanvullende organisatorische regionale kaders:

  • /

    Een adequate vraaganalyse en risicotaxatie aan de 'voorkant’ door professionals, die de juiste afweging kunnen maken of er een vervolgtraject nodig is en welke zorg het best passend is.

  • /

    Optimale professionele handelingsruimte. Ruimte voor professionals, om datgene te doen wat nodig is om vertrouwen te winnen, de eigen kracht van de jeugdigen en/of opvoeders te versterken en daarmee grip op het normale leven te herstellen en te optimaliseren.

  • /

    Eén coördinator, die samen met het gezin verantwoordelijk is voor het opstellen en uitvoeren van een integraal (gericht op het hele sociale domein) gezinsplan.

  • /

    Ondersteuning is zo ingericht dat met minder professionals meer problemen aangepakt kunnen worden. De klantroute kent geen overbodige schakels.

 

Daarnaast is ook in de regio nagedacht over wat lokaal en (sub)regionaal moet worden opgepakt. Hierbij heeft de regio een aantal streefresultaten bepaald:

  • /

    Iedere gemeente in Zuidoost- Brabant beschikt op 1 januari 2015 over generalistisch werkende teams en heeft afspraken gemaakt over de toegang tot specialistische jeugdzorg en de consultatierol hierin van specialisten.

  • /

    In te stemmen met voorstel voor niveau regionale samenwerking per zorgvorm (ambulante zorg aan kind en gezin, dagbehandeling, dag- en nachtbehandeling, toezicht en rechterlijke macht: jeugdbescherming en jeugdreclassering en speciale producten). Ontwerpfase regionaal, uitvoering zoveel mogelijk lokaal/subregionaal.

  • /

    De jeugdbescherming / jeugdreclasseerder wordt bij voorkeur ingekocht bij één gecertificeerde instelling voor de regio Zuidoost- Brabant.

  • /

    De jeugdbeschermer / jeugdreclasseerder vervult een tandemfunctie met de generalist in het gezin, welke inhoudelijke hulp levert. De jeugdbeschermer / jeugdreclasseerder geeft samen met de generalist het plan van aanpak vorm en is toezichthouder.

  • /

    In te stemmen met de uitwerking van de risicospreiding voor de zorgvorm dag- en nachtbehandeling, waarbij wordt uitgegaan van een gemiddelde berekening over een periode van 2 jaar of 4 a 5 jaar.

  • /

    Geen afspraken te maken over het gebruik van zorg (in het verlengde hiervan wordt nagedacht over de verbinding tussen jeugdhulp en passend onderwijs, de integrale regionale crisisdienst en het AMHK (schaal Zuidoost Brabant).

   

In SRE verband is vervolgens een regionale decentralisatie-agenda opgezet. De 21 gemeenten werken op deze thema’s samen: 

  • /

    Inzet specialistische zorg;

  • /

    Wettelijke taken (jeugdbescherming en jeugdreclassering, Steunpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling en Kindertelefoon);

  • /

    Financiën en sturing (gezamenlijke inkoop en risicospreiding bij inkoop (zeer) dure vormen van zorg.

 

Op basis hiervan zijn regionale projectgroepen geformeerd met eigen opdrachten. De uitkomsten hiervan zijn beschreven in “21 voor de jeugd” en “21 voor de jeugd 2.0”.

 

Op basis van de regionale inhoudelijke uitgangspunten en het functioneel model is in de Kempen de “kadernotitie de basis voor Andere Jeugdzorg in de Kempen - dichtbij, in samenhang en effectief” opgesteld en door de individuele gemeenteraden vastgesteld. Ook in Oirschot is deze kadernotitie door de gemeenteraad dus vastgesteld (april 2013). In deze notitie zijn kaders opgenomen in aanvulling op de regionale en landelijke kaders uit het wetsvoorstel:

  • /

    De generalist is spin in het web, hij kijkt met een onafhankelijke blik.

  • /

    Specialisten worden alleen ingezet daar waar nodig. Generalistisch waar mogelijk en specialistisch waar nodig.

  • /

    Generalisten werken pro-actief en vindplaatsgericht.

  • /

    Om de lokale kracht te benutten bij het signaleren en voorkomen van problemen wordt uitgegaan van de vraag en de kracht van de burger en de wijk. Samen maken zij de omslag van aanbod- naar vraaggericht werken.

 

Oirschot is echter voor wat betreft de samenwerking op het sociale domein uit de Kempensamenwerking gestapt. Vanaf medio 2013 is Oirschot zich gaan richten op de samenwerking met Best en Veldhoven.

 

Regionale ambities passend onderwijs

 

Samenwerkingsverbanden moeten, conform de Wet Passend Onderwijs, een ‘ondersteuningsplan passend onderwijs’ opstellen waarin zij aangeven hoe zij invulling geven aan passend onderwijs. Over dit ondersteuningsplan passend onderwijs voeren samenwerkingsverbanden verplicht overleg met gemeenten om tot afstemming te komen als het gaat om jeugdhulp, onderwijshuisvesting, leerlingenvervoer en leerplicht. Alle gemeenten in de regio zien graag dat het onderwijs werkt met een ondersteuningsplan passend onderwijs dat uitgaat van “leerling centraal” geformuleerde ambities. Voor het voortgezet onderwijs hebben gemeenten regionaal afgesproken de onderstaande ambities/ uitgangspunten te hanteren. Deze ambities werken we de komende jaren, samen met de samenwerkingsverbanden, verder uit.

 

  • 1.

    er is sprake van een sluitend netwerk. Dit blijkt uit de ondersteuningsprofielen van de deelnemende scholen en de spreiding van voorzieningen over de regio;

  • 2.

    het onderwijs is inclusief, dat is geen leerlingen buitensluiten op grond van een beperking, en tevens thuisnabij;

  • 3.

    er is sprake van een ononderbroken ontwikkelings-/leerlijn. Het ondersteuningsplan beschrijft de samenhang tussen ondersteuning en jeugdbeleid uitgaande van: één kind, één plan, één aanpak en één regievoerder. Concreet: het ondersteuningsplan passend onderwijs beschrijft hoe de ondersteuning op school afgestemd wordt met de zorg en andersom en het ondersteuningsplan beschrijft hoe een doorgaande lijn gerealiseerd wordt op breukvlakken zoals de aansluiting tussen primair en voortgezet onderwijs.

  • 4.

    iedere leerling heeft of krijgt een passende leer(werk)plek;

  • 5.

    het ondersteuningsplan passend onderwijs gaat uit van het educatieve partnerschap tussen onderwijsgevenden en ouders respectievelijk opvoeders;

  • 6.

    medische diagnostiek is niet langer het uitgangspunt voor het ontwikkelingsperspectief van het kind; de focus ligt op diens mogelijkheden en talenten. Het ondersteuningstraject is bedoeld om zoveel mogelijk zelf (weer) te kunnen;

  • 7.

    de beschreven werkwijze plaatst een accent op primaire en secundaire preventie en het voorkomen van curatie;

  • 8.

    er zijn geen wachtlijsten, geen thuiszitters en het aantal voortijdig schoolverlaters laat een dalende lijn zien;

 

Vervoer

  • 9.

    thuisnabijheid, een passende onderwijsplek en de schoolvoorkeur van ouders vormen de uitgangspunten voor de noodzaak van leerlingenvervoer (waarbij gestreefd wordt naar regionale afstemming van de lokale verordeningen);

  • 10.

    Over grensverkeer zijn met andere regio’s duidelijke afspraken gemaakt;

     

Huisvesting

  • 11.

    het ondersteuningsplan passend onderwijs gaat uit van het optimaal benutten van de bestaande vierkante meters, eventueel met inzet van technologie;

  • 12.

    huisvestingsvraagstukken (waaronder vragen rondom “tussenvoorzieningen”) worden in regionaal perspectief beschouwd; gebaseerd op specifieke leerlingenpopulaties en  een voorstel waar de juiste expertise en passende leer(werk)plek zich zou kunnen bevinden als hiervoor de noodzaak aanwezig is;

  

Arbeidsmarkt

  • 13.

    het ondersteuningsplan passend onderwijs VO beschrijft hoe de overstap van school naar werk in de regio vorm krijgt voor leerlingen met het uitstroomperspectief arbeidsmarkt;

  • 14.

    overdracht zoals die van PO naar VO en V(M)BO plaatsvindt op basis van objectiveerbare en betrouwbare leerlinggegevens. Deze gegevens maken afstroom, doorstroom en opstroom op basis van schooladviezen mogelijk;

  • 15.

    meten van kwantitatieve en kwalitatieve resultaten (gebaseerd op evaluatiekader 2013 en evaluatieplan 2013 Passend Onderwijs).

 

Voor zowel het primair als het voortgezet onderwijs geldt dat de ondersteuningsplannen passend onderwijs inmiddels in concept gereed zijn en aangeboden aan de Inspectie. Over de plannen van zowel het primair onderwijs als het voortgezet onderwijs hebben de samenwerkingsverbanden en betrokken regio gemeenten in april 2014 overeenstemming bereikt. In deze ondersteuningsplannen passend onderwijs is een door gemeenten en samenwerkingsverbanden overeengekomen beleidsontwikkelagenda opgenomen waarin we aangeven welke onderwerpen we de komende maanden/ jaren in gezamenlijkheid verder uit willen werken en willen doorontwikkelen. Dit zal deels op regionaal, deels op subregionaal en deels op lokaal (vanuit de Lokale Educatieve Agenda) niveau plaatsvinden.

4.2 Subregionale en lokale kaders

Zoals reeds gesteld willen we de decentralisaties lokaal in samenhang bezien vanuit een integrale visie op het gehele maatschappelijke domein. In aansluiting op de Jeugdwet, WMO, Participatiewet en het lokale WMO beleid en de jeugdvisie gaan we daarbij zoveel mogelijk uit van de eigen kracht van burgers om op eigen wijze vorm te geven aan zijn of haar leven. Met eigen kracht bedoelen we niet alleen het individu of het gezin zelf, maar ook de sociale, vaak informele netwerken en relaties daaromheen. In de jeugdvisie 2013-2015 hebben we dit, als het gaat om het opgroeien van kinderen ook we de ‘civil society’ genoemd.

 

Iedereen moet kunnen participeren in de samenleving. Burgers zijn hier zelf verantwoordelijk voor. Zij hebben echter ook een verantwoordelijkheid naar anderen. De gemeente komt pas in beeld wanneer burgers, door bepaalde beperkingen, niet naar vermogen kunnen participeren in de samenleving en zij dit zelf of door de sociale netwerken om hen heen, op kunnen lossen.

 

Vanuit deze benadering zien we, als het gaat om een integrale visie op het sociale domein, vier thema’s centraal staan die elk alle decentralisaties raken. We werken het sociaal beleidskader daarom op basis van de volgende thema’s uit:

 

  • 1.

    Eigen kracht en zelfredzaamheid

  • 2.

    Maatschappelijke participatie en maatschappelijke inzet

  • 3.

    Toegang en verwijzing

  • 4.

    Organisatie van de uitvoering

 

We gaan daarbij vanzelfsprekend zoveel mogelijk uit van bestaande beleidstukken zoals het WMO beleidsplan en de jeugdvisie. Daarnaast zijn een aantal inzichten landelijk bepaald of worden door wetgeving ingevuld.

 

Naast bovenstaande thema’s werken we in dit sociaal beleidskader een vijfde thema uit; jeugd en veiligheid. Dit thema betreft uitsluitend de doelgroep jeugd en heeft met name betrekking op een aantal wettelijke taken zoals jeugdbescherming, jeugdreclassering en het Advies- en meldpunt Kindermishandeling. Deze taken zijn dusdanig spcialistisch dat we deze niet onder kunnen en willen brengen onder een van de vier bovenstaande thema’s.

4.2.1 Uitgangspunten algemeen

Naast de uitgangspunten per thema, zoals geformuleerd in de volgende paragrafen, gaan we uit van een aantal algemene uitgangspunten. Deze uitgangspunten vormen de basis voor het sociaal beleidskader. Deze uitgangspunten zijn deels gebaseerd op de Jeugdvisie en het Wmo Beleidsplan. In bijlage 3 geven we de drie peilers weer waarop onze Jeugdvisie is opgebouwd.

 

We hanteren een integrale benadering van de decentralisaties. We gaan uit van het principe één gezin, één plan, één regisseur en willen bureaucratie, verkokering en fragmentatie in zorg en ondersteuning aan burgers voorkomen.

 

De visie en uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de afzonderlijke decentralisaties komen grotendeels overeen. De decentralisaties raken elk alle leefgebieden van burgers en kennen een overlap in doelgroepen. We kiezen daarom voor een integrale benadering van de decentralisaties en kiezen voor een integrale visie op het sociaal domein (sociaal beleidskader). We kiezen met name voor een integrale benadering daar waar het gaat om beleidsontwikkeling, toegang en verwijzing, ondersteunende instrumenten, communicatie, dienstverlening en financien.

 

De “sociale piramide1” vormt de basis van onze visie.

 

De “sociale piramide 2 ” vormt de basis van onze visie. Burgers moeten een eigen huishouden kunnen voeren, een sociaal netwerk kunnen onderhouden en kunnen deelnemen aan de samenleving en arbeidsmarkt. Burgers zijn hier zelf verantwoordelijkheid voor. Daarnaast hebben zij ook een verantwoordelijkheid naar anderen in hun omgeving. De gemeente biedt zo nodig aanvullende zorg en diensten. Voor kwetsbare groepen is er bovendien specialistische zorg en hulpverlening beschikbaar. De ‘sociale piramide’3, met een brede basis en smalle top, visualiseert die verdeling.

 

 

De brede basis (nul-lijn) zijn de burgers zelf, de sociale netwerken rondom burgers en de algemeen toegankelijke voorzieningen (zoals buurtcentra, scholen, verenigingen). In eerste instantie zorgen burgers voor zichzelf en voor elkaar. Van burgers wordt verwacht dat zij zich af en toe in willen zetten voor anderen in hun omgeving. Daar ben je elkaars familie, buren en vrienden voor. De gemeente vertrouwt op de eigen kracht van de burger en de kracht van diens sociale netwerken en zet in op de versterking hiervan. Ook algemeen preventief beleid en preventieactiviteiten zijn onderdeel van de nul-lijn.

 

De gemeente Oirschot is op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) en de wet Publieke Gezondheid (wet PG) ook op dit moment al verantwoordelijk voor het preventieve (jeugd)beleid, opvoed- en gezinsondersteuning en de jeugdgezondheidszorg. Om deze reden heeft de gemeente Oirschot de laatste jaren al geïnvesteerd in het preventieve veld met lokale partners. Voorbeelden hiervan zijn het signaleringsoverleg Oirschot, het scholen van buurtverkennersen vrijwilligers in hun signalerende rol en het nauw onderhouden van contacten (en op structurele basis aanwezig zijn) en sluitende afspraken met met vindplaatsen zoals scholen, kinderdagverblijven, peuterspeelzalen, het consultatiebureau en verenigingen. We hebben sluitende afspraken met vindplaatsen m.b.t. de zorgstructuur.

 

Signaleringsoverleg Kwetsbaren Oirschot:

Sinds 2008 bestaat het Signaleringsoverleg Kwetsbaren Oirschot. Dit is een samenwerking van WoonInc., Maatschappelijk Werk Dommelregio, Politie, ISD de Kempen, Welzijn Best-Oirschot en de gemeente. Het doel van dit overleg is het signaleren van kwetsbare inwoners die niet of moeilijk zelfstandig kunnen participeren in de samenleving én het signaleren van zorgmijders en daarop actie te ondernemen in de vorm van het uitzetten én afstemmen van hulpverleningstrajecten. 

 

Eenzaamheid bij ouderen is in het kader van preventie een belangrijk aandachtspunt. In dit kader werken we met activerende huisbezoeken bij 75-jarigen waarbij eenzaamheid altijd punt van aandacht is. Daarnaast zijn alle partners getraind op het herkennen van signalen van eenzaamheid.

 

Aansluiting met onderwijs

Omdat jeugdigen het grootste gedeelte van hun tijd op school doorbrengen, is het van belang af te stemmen tussen wat er thuis en wat op school gebeurt. Leraren kunnen problemen signaleren bij leerlingen. Daarom is verbinding en bundeling van krachten tussen jeugdhulp en specialistische hulp met het onderwijs en schoolmaatschappelijk werk belangrijk. Met het primair onderwijs (PO) kan het generalistenteam die verbinding goed maken, omdat de leerlingen voor het overgrote deel in hetzelfde gebied wonen als waar de school staat. Van belang is dat het generalistenteam zorgt voor een vast, deskundig contactpersoon bij wie de (basis)school terecht kan. Deze contactpersoon biedt scholen handvatten om zelf vragen en problemen op te pakken, zodat leerlingen zo lang mogelijk op een goede manier kunnen functioneren in de klas. Wanneer extra inzet nodig is, gaan school en generalistenteam samen in gesprek met de leerling en diens ouders om te bepalen welke hulp nodig is, wat het generalistenteam in principe zelf biedt.

 

Een andere aanpak is nodig voor scholen voor speciaal (basis) onderwijs, voortgezet onderwijs (VO) en het mbo. Deze scholen staan vaker buiten het gebied waar het kind woont. Het zijn bovenwijkse voorzieningen. Het uitgangspunt is, net als bij het generalistenteam, een gezinsgerichte werkwijze. Tegelijkertijd moet er een goede aansluiting zijn met de infrastructuur en de cultuur van het onderwijs. De professional vanuit het generalistenteam waar het kind woont, houdt contact met de school en het kind.

Uit praktijkervaringen blijkt dat circa 80-85 procent van de inwoners wel eens gebruik maakt van een voorziening in het sociaal domein (nul-lijn). De klanten zijn mensen die een regulier leven leiden, en geen bijzondere aanspraken op hulp of ondersteuning hoeven te doen. De gegeven ondersteuning betreft vaak laagdrempelige (collectieve) voorzieningen voor informatie- en advies, zoals het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG), een buurtvoorziening, welzijnswerk e.d., of een algemene voorziening 3 , zoals het consultatiebureaus (JGZ). De dienstverlening is vooral gericht op preventie, en het versterken (en behouden) van de zelfredzaamheid van de burger.

 

De middenlaag (1ste lijn) vormt de verbinding tussen de basis en de top. Hier vind je de expertise die nodig is om te bepalen of mensen hun probleem zelf kunnen oplossen, hun omgeving het probleem kan oplossen of dat ze daarbij professionele ondersteuning nodig hebben. Indien nodig wordt een breed scala aan lichte vormen van hulpverlening en ondersteuning geboden dat voor iedereen eenvoudig toegankelijk is. En tot slotte kan hier uiteindelijk ook gesteld worden dat meer specialistische hulp nodig is.

 

De smalle top (2e lijn): Aan de top bevindt zich de langdurige specialistische zorg. Ongeveer 2-5% van de bevolking maakt gebruik van deze zorg. Het gaat om de professionele begeleiding van en de hulpverlening aan kwetsbare groepen. Het is de opgave om deze zorg niet geïsoleerd van de samenleving te organiseren maar te verbinden aan de brede doelstelling van meedoen.

 

De nullijn, eerste en tweede lijn kunnen we niet los van elkaar zien. Ook, of juist, als mensen gebruik maken van ondersteuning in de 1ste en 2de lijn, blijft de basis de nullijn. Ook dan blijven we een beroep doen op de eigen kracht en zelfredzaamheid van inwoners. De verschillende lagen (nul-, eerste en tweede lijn) lopen daarmee parallel aan elkaar. De nullijn blijft de basis, daar bovenop (complementair daaraan) komen de eerste en tweede lijn.

 

We zetten in op het “normaliseren” en het “ontzorgen”. We gaan uit van een positief beleid. Hulp of ondersteuning vragen is normaal. We stimuleren wel dat dit zoveel mogelijk in de eigen omgeving (nullijn) gebeurt. Hierdoor verwachten we dat de inzet van specialisten uit de “tweede lijn” vermindert.

 

De focus van ons beleid ligt niet in eerste instantie op problemen en risico’s maar op het stimuleren en ontwikkelen van een gunstig en positief leefklimaat voor alle inwoners en het positief benaderen van opvoeden en opgroeien (van ‘ilness naar welness’). We leggen de nadruk op het voorkomen van problemen (preventie) zonder daarbij belerend te worden. In gesprekken voert normalisering de boventoon; het gaat om gewone mensen met een gewone hulpvraag. Dit alles vraagt soms om een andere manier van denken en werken bij hulpverleners en burgers. Niet de doelen van de hulpverlener zijn leidend maar de vraag van en de kracht van de burger en de wijk. Samen maken zij de omslag van aanbod- naar vraaggericht werken. Basis is de eigen kracht van de burger en/of het gezin en de sociale leefomgeving daaromheen. Specifiek ten aanzien van jeugd zetten we in op een versterking (‘empowerment’) van ouders in hun opvoedkundige taken. In onze jeugdvisie hebben we dit als volgt verwoord:

 

 

De “civil society” kunnen we zien als de basis van de samenleving, ook wel de nullijn. Het vragen om hulp en/of ondersteuning moet zoveel mogelijk hier plaatsvinden. Een sterke nadruk op preventie, (vroegtijdige) signalering en het creëren van een laagdrempelig en dekkend aanbod van hulp en ondersteuning stellen we centraal om verwijzing naar zwaardere vormen van hulp zoveel mogelijk te voorkomen.

 

Zorg en ondersteuning is zo tijdelijk mogelijk en zover mogelijk gericht op terugkeer naar de eerste of nulde lijn. We nemen daarbij geen zorg over maar schuiven aan, gaan naast mensen zitten. We helpen mensen zichzelf te helpen en blijven uitgaan van de eigen kracht van mensen.

 

Niet alle hulp- of ondersteuningvragen kunnen door burgers of hun sociale netwerken daaromheen opgelost worden. Als burgers niet in staat zijn om op eigen kracht of binnen hun sociale omgeving de benodigde hulp of ondersteuning te regelen, kunnen zij een beroep doen op de gemeente. De dan, via de gemeente, aangeboden zorg of ondersteuning is altijd zo tijdelijk mogelijk en (indien mogelijk) gericht op terugkeer naar de eerste of nulde lijn. We nemen geen zorg over maar helpen mensen zichzelf te helpen, zodat zij in het vervolg (beter) in staat zijn de benodigde zorg en/of ondersteuning zelf te organiseren. De nullijn (de burger zelf en de sociale netwerken daaromheen) blijft de basis, ook bij zorg en/of ondersteuning in de eerste en tweede lijn.

 

We kiezen niet alleen voor een decentralisatie, maar ook voor een transformatie van het sociale domein. Dit doen we gefaseerd. Op 1 januari 2015 leggen we de basis. In de jaren na 2015 volgt de doorontwikkeling. Pas op langere termijn kunnen we echt spreken van een transformatie van het sociale domein.

 

De decentralisaties in het sociale domein vragen om andere werkwijzen en andere verhoudingen tussen burgers, overheden en het maatschappelijke veld. We noemen dit ook wel de transformatie van het sociale domein.

We vragen van burgers meer regie en meer verantwoordelijkheid over hun eigen leven. We vragen van de samenleving als geheel meer maatschappelijke inzet en hulp en ondersteuning voor elkaar, door elkaar en met elkaar. We verwachten sterke sociale netwerken en minder inzet van de eerste- en tweede lijn. Om dit te kunnen verwezenlijken zetten we sterk in op het versterken van de nullijn, onder andere door de inzet van preventiebeleid, preventieactiviteiten, het versterken van de signaalfunctie van het maatschappelijk veld en het versterken van burgerkracht.

We verwachten van aanbieders een open lerende houding, meer vraag- dan aanbod gericht en een resultaatgerichte aanpak met concrete doelen. Ook de rol van de gemeente moeten we anders invullen. De gemeente voert de regie over het proces. Dat betekent nadrukkelijk niet dat wij alles naar ons toe trekken. Sterker nog, we gaan niet uit centralistische sturing of beheersing. Samen met inwoners en  maatschappelijke partners ontwikkelen staat centraal, met acceptatie van daarbij behorende onzekerheden. Het gaat om een nieuw evenwicht tussen regie voeren en loslaten.

 

 

Bijeenkomst maatschappelijke partners 10 april 2014:

 

“Alleen door zelfreflectie bij organisaties (maatschappelijke instellingen, aanbieders en gemeente) kunnen we daadwerkelijk een transformatie bereiken!. Iedereen zal moeten veranderen en dat begint bij de eigen organisatie.”

 

We realiseren ons dat we veel vragen van inwoners, partners, aanbieders en onszelf. Ook (of juist) in de jaren na 2015 blijven we daarom inzetten op leren en (door)ontwikkelen. De gewenste cultuurverandering bij de gemeentelijke organisatie, maatschappelijke partners, beroepskrachten en inwoners vraagt daarbij om blijvende aandacht.

 

In het “Communicatieplan Decentralisaties” hebben we deze gefaseerde transformatie door middel van een omgevingsanalyse weergegeven. We hebben alle partijen die een rol spelen in het transformatieproces beschreven op basis van de huidige situatie (2014), de gewenste situatie per 1 januari 2015 én de gewenste situatie op langere termijn (richting 2020) na de transformatie. De verschillende (gewenste) rollen zijn in dit plan concreter uitgewerkt.

4.2.2 Eigen kracht en zelfredzaamheid

We gaan uit van de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van burgers. Burgers zijn en blijven op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor hun eigen leven. Ouders zijn en blijven op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van kinderen. Deze verantwoordelijkheid wordt nooit overgenomen door een hulpverlener, met uitzondering van enkele situaties waarbij de veiligheid van een kind in gevaar is.

 

De mate waarin burgers zelfredzaam zijn speelt een belangrijke rol. Burgers kunnen zelfredzaam genoemd worden als ze een acceptabel niveau van functioneren hebben gerealiseerd op de gebieden (domeinen) waarmee zij in het dagelijks leven te maken krijgen.

Zelfredzaamheid is niet ‘alleenredzaamheid’. Om een acceptabel niveau van functioneren te behouden of te bereiken moeten mensen in staat zijn om gebruik te maken van de vaardigheden, expertise, middelen en mogelijkheden van anderen. ‘Anderen’ zijn bijvoorbeeld familie en vrienden (nullijn). Zelfredzaamheid is wel vragen om de hulp van anderen wanneer je die nodig hebt om een acceptabel niveau van functioneren te behouden of te bereiken.

 

We hanteren de volgende definitie van zelfredzaamheid: “Het in staat zijn om zelf een acceptabel niveau van functioneren op de belangrijke domeinen van het dagelijks leven te realiseren, indien nodig door zelf de juiste hulp te organiseren op het moment dat een daling van het functioneringsniveau dreigt of plaatsvindt, die men niet zelf kon voorkomen of verhelpen”. (Bron: Zelfredzaamheidsmatrix 2013, GGD Amsterdam, gemeente Rotterdam). 

 

Bijeenkomst maatschappelijke partners 10 april 2014:

 

“Mensen kennen hun eigen kracht niet altijd. De vraag is tot nu toe altijd probleemgericht geweest.”.

 

We richten het sociale domein in vanuit het perspectief van inwoners. De basis wordt gevormd door de eigen kracht en het zelfredzame vermogen van de burgers. Het zelforganiserend vermogen van burgers, eigen oplossingen en de inzet van het sociale netwerk staat centraal. We hanteren de zelfredzaamheidsmatrix als integraal instrument waarmee we een beeld kunnen krijgen van de mate van zelfredzaamheid van burgers.

 

We hanteren de zelfredzaamheidsmatrix 4 als instrument waarmee we een beeld kunnen krijgen van de mate van zelfredzaamheid van burgers. De zelfredzaamheidsmatrix heeft betrekking op 11 leefdomeinen (financien, dagbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, verslaving, activiteiten dagelijks leven, sociale netwerken, maatschappelijke participatie en justitie).

 

Per leefdomein onderscheiden we vijf niveaus van zelfredzaamheid:

  • 1.

    Acute problematiek: De situatie is onhoudbaar.

  • 2.

    Niet zelfredzaam: Situatie verslechterd als niet wordt ingegrepen.

  • 3.

    Beperkt zelfredzaam: Situatie is stabiel maar minimaal Toereikend.

  • 4.

    Voldoende zelfredzaam: Burger is voldoende zelfredzaam

  • 5.

    Volledig zelfredzaam: De zelfredzaamheid van de burger is bovengemiddeld goed.

 

In de zelfredzaamheidsmatrix is per leefdomein elk niveau concreet omschreven. De zelfredzaamheidsmatrix vormt daarmee een basisinstrument voor het in beeld brengen van de zelfredzaamheid van burgers en gezinnen en gebruiken we als basis bij het binnenkomen van hulp- en ondersteuningsvragen (zie ook paragraaf 4.5 integrale toegang).

 

Als gemeente zetten we in op het versterken van de eigen kracht en zelfredzaamheid van de burgers. We zetten daarom in op het zoveel mogelijk versterken van de nul-lijn.

 

We stimuleren dat burgers hun hulpvragen zoveel mogelijk oplossen binnen hun eigen sociale netwerken, de nullijn. Voor veel burgers, maar ook voor hulpverleners betekent dit een gedragsverandering. Burgers, gemeenten en professionals komen in andere verhoudingen tot elkaar te staan. We proberen deze gedragsverandering te stimuleren door het versterken van de nullijn door;

 

 

Bijeenkomst maatschappelijke partners 10 april 2014:

 

“Met preventie kun je niet vroeg genoeg beginnen. De basis wordt al gelegd in het basisonderwijs”.

 

  • /

    Een beroep te doen op de verantwoordelijkheid van mensen voor hun eigen leven.

  • /

    De eigen kracht van mensen en gezamenlijke kracht van groepen te benutten.

  • /

    De inzet van informele netwerken te stimuleren en te faciliteren.

  • /

    De inzet van vrijwilligers en mantelzorgers te stimuleren en te faciliteren.

  • /

    Het stimuleren en faciliteren van initiatieven uit de samenleving die de zelfredzaamheid en eigen kracht van burgers versterken.

  • /

    Het opstellen en uitvoeren van preventiebeleid en preventieactiviteiten.

  • /

    Het versterken van de signalerende rol van het maatschappelijke veld.

 

De gemeente heeft een faciliterende en stimulerende rol bij het bereiken van meer (pedagogische) kracht in de sociale omgeving van burgers en gezinnen. Naast het versterken van de eigen kracht van de burger en het gezin zelf, streven we naar meer (pedagogische) kracht in de sociale omgeving van de burger en het gezin. Zo moeten ouders zoveel mogelijk gebruik kunnen maken van hun eigen sociale netwerk van familie en vrienden om mogelijke problemen die een gezond en veilig opgroeien van hun kinderen in de weg staan, te voorkomen. Hierbij spelen ook vrijwilligers en professionals die jeugdigen in hun vrije tijd of op school veelvuldig zien een belangrijke rol. Zij moeten in staat gesteld worden om mogelijke problemen te signaleren, in gesprek te gaan met ouders (of de jeugdige zelf) en weten waar ze terecht kunnen als er meer nodig is.

 

Landelijk beleid is erop gericht instroom in de specialistische (en dure) vormen van jeugdzorg terug te dringen en uitstroom te bevorderen. Ook de gemeente Oirschot beweegt “naar voren” waarbij een sterkere nadruk op preventie, signalering en het bereiken van een dekkend aanbod van laagdrempelige jeugdhulp. Er wordt stevig ingezet om vroegtijdig problemen te herkennen zodat escalatie naar zwaardere vormen van jeugdhulp voorkomen kunnen worden.

 

Er zijn grenzen aan zelfredzaamheid.

 

We gaan uit van de eigen kracht en zelfredzaamheid van burgers en gezinnen. Niet iedere inwoner of gezin is echter in staat om ondersteuningsvragen zelf of binnen het sociale netwerk op te lossen.

 

Eigen kracht en zelfredzaamheid kent grenzen:

  • -

    Als inwoners geen of beperkte (financiële) middelen hebben om eigen problemen op te lossen en/of de benodigde hulp en ondersteuning te regelen, kunnen ze rekenen op zorg en ondersteuning vanuit de gemeente (gericht op eigen kracht en zelfredzaamheid).

  • -

    Het meer uitgaan van eigen kracht en zelfredzaamheid leidt op korte termijn niet per definitie ook tot een meer zelfredzaam gevoel bij mensen. Dit is onderdeel van de transformatie van het sociale domein.

  • -

    Soms, zoals in het geval van jeugdbescherming en jeugdreclassering zal het niet altijd lukken om de eigen kracht voldoende in te zetten.

 

De invulling van het begrip “zelfredzame burger” is niet voor iedereen gelijk. Als burgers hulp en ondersteuning binnen hun eigen sociale netwerk kunnen regelen en daardoor minder of geen beroep doen op professionele zorg en ondersteuning, zijn zij in onze visie zelfredzaam. Voor de individuele burger kan het moeten inschakelen (om hulp vragen) van hun sociale netwerk juist resulteren in een sterk gevoel van afhankelijkheid. Waar zij voorheen zelfstandig de benodigde hulp en ondersteuning aan het “gemeenteloket” konden regelen, zonder daarmee anderen “lastig te moeten vallen”, moeten zij nu een beroep doen op familie, vrienden, buren etc. Vooral op korte termijn zullen sommige burgers zich hierdoor minder zelfredzaam voelen. Ook dit is onderdeel van de transformatie van het gehele sociale domein en zal pas op langere termijn veranderen. Informatievoorziening en communicatie tussen overheid en burgers is hierbij van essentieel belang. In het communicatieplan decentralisaties hebben we voor alle belanghebbenden (zoals burgers, vrijwilligers, cliëntraden, adviesraden, bedrijfsleven etc) uitgewerkt welke resultaten we willen bereiken, welke communicatiestrategie en welke communicatiemiddelen hiervoor in willen zetten.

 

Om zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie te stimuleren, en te komen tot andere verhoudingen tussen burgers, overheid en maatschappelijke partners, kiezen we voor nieuwe manieren van werken met veel ruimte voor burgerinitiatieven. De gemeente stimuleert en faciliteert daarbij maar neemt in eerste instantie geen initiatief (overheidsparticipatie bij burgerinitiatieven).

 

De decentralisatie van het sociale domein leidt tot andere verhoudingen tussen burgers, overheid en maatschappelijke partners. De rol van de gemeente gaat veranderen en wordt steeds meer een regierol. Er is meer ruimte voor burgers om met eigen initiatieven te komen. We verwachten van burgers, groepen van burgers, wijken en andere sociale netwerken ook dat zij zelf initiatief nemen. We verwachten dat burgers eigen verantwoordelijk nemen voor hun eigen leefomgeving. Als gemeente stimuleren en faciliteren we deze initiatieven. We nemen echter geen taken over.

 

Klankbordgroep raad d.d. 15 januari 2014:

 

“Werk wijkgericht. Stimuleer en faciliteer sociale netwerken. Zet in op het verhogen van sociale cohesie in buurten en wijken. Denk aan het koppelen van mensen en wijken (leren van elkaar)”.

 

4.2.3 Maatschappelijke inzet en participatie

Maatschappelijke participatie

 

We willen een gemeente zijn waarin alle inwoners deelnemen aan de samenleving. Iedereen moet kunnen participeren in de samenleving, op zijn of haar eigen niveau en mogelijkheden. Met maatschappelijke participatie bedoelen we in dit kader “het deelnemen aan de samenleving door het verrichten van betaalde en onbetaalde arbeid en/of deelname aan vrijetijdsbesteding”. Voor wat betreft onbetaalde arbeid betreft het hier het “zelf mee kunnen doen”. Het helpen van anderen door middel van bijvoorbeeld vrijwilligerswerk komt bij het thema ‘maatschappelijke inzet’ aan bod.

 

Alle inwoners kunnen naar vermogen deelnemen aan de samenleving. Inwoners kunnen zo lang mogelijk zelfstandig blijven functioneren en zelfstandig blijven wonen, zelfredzaam zijn en blijven en deelnemen aan de maatschappij.

 

Maatschappelijke participatie is van belang voor zowel de persoon of het gezin zelf als voor de samenleving. Actief bezig zijn is nuttig, leidt veelal tot een hogere betrokkenheid bij wat er leeft in de sociale omgeving, kan de sociale samenhang in buurten en wijken versterken en kan daarnaast bijdragen aan een goede gezondheid, een positief opvoed- en opgroeiklimaat en persoonlijke ontwikkeling. In sommige gevallen is maatschappelijke participatie zelfs een eerste stap om de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. Daarnaast hebben we, ook gelet op alle veranderingen binnen het sociale domein, alle inwoners hard nodig om bij te dragen aan het sociale en maatschappelijke leven in Oirschot.  

 

Met de komst van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) zijn gemeenten al verantwoordelijk om burgers te ondersteunen bij het vormgeven van hun maatschappelijke deelname. We hebben hier de afgelopen jaren als gemeente, in samenwerking met onze maatschappelijke partners al sterk op ingezet. Met de decentralisaties in het sociale domein worden de verantwoordelijkheden van de gemeente in dit kader verder uitgebreid en moeten we hier (nog) meer op inzetten.

 

We zien zelfstandig (blijven) wonen als een belangrijke peiler in het kader van maatschappelijke participatie. We bekijken en onderzoeken daarom hoe we als gemeente actief kunnen bijdragen aan het zo lang mogelijk thuis blijven wonen van burgers.

 

Inwoners zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor hun maatschappelijke participatie. Als inwoners belemmeringen ondervinden bij (het bevorderen van) hun maatschappelijke participatie en dit niet zelf, of binnen hun sociale omgeving, kunnen oplossen, komt de gemeente in beeld. We onderscheiden hierin verschillende doelgroepen.

 

Inwoners zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk om deel te nemen aan maatschappelijke activiteiten, mee te doen, werk te zoeken, te bewegen en te recreëren. Niet voor iedereen is maatschappelijke participatie echter even vanzelfsprekend. Als inwoners belemmeringen ondervinden bij (het bevorderen van) hun maatschappelijke participatie en dit niet zelf, of binnen hun sociale omgeving, kunnen oplossen, komt de gemeente in beeld. Deze ondersteuning is echter geen vanzelfsprekendheid en we blijven, ook in het geval van hulp of ondersteuning, een beroep doen op de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van mensen. Als het gaat om het bieden van hulp of ondersteuning bij (het bevorderen van) maatschappelijke participatie onderscheiden we verschillende groepen,

 

  • Inwoners die graag willen participeren maar dit niet kunnen op eigen kracht, financieel of anderszins, bijvoorbeeld door beperkingen, ondersteunen we bij het regelen of mogelijk maken van de participatie.

  • Van inwoners die niet participeren, of wel participeren maar geen betaalde arbeid verrichten, en een beroep doen op de gemeente voor ondersteuning, verwachten we dat zij een maatschappelijke tegenprestatie te leveren.

  • Inwoners die niet of nauwelijks participeren en geen activiteiten ondernemen om dit wel te doen, en die geen beroep doen op de gemeente voor hulp of (financiële) ondersteuning, laten we met rust. Ook als ze helemaal niets doen uit zichzelf en aan mensen die geen verwachtingen hebben van de overheid of overheidssteun niet nodig hebben.

  • Inwoners die op geen enkele manier participeren maar schade (dreigen) toe (te) brengen aan zichzelf, de omgeving of aan de maatschappij komen in een verplicht ondersteuningstraject als eerste opstap in de richting van participatie.

  • Inwoners die graag willen participeren via betaalde arbeid zijn zelf verantwoordelijk om een baan te vinden. Pas als zij daar niet toe in staat zijn, kan de gemeente steun bieden.

 

Bijeenkomst Wmo Adviesraad en CJG klankbordgroep d.d. 15 april 2014:

 

“Besteed specifieke aandacht aan zorgmijders. Aandachtspunt is een nieuwe groep zorgmijders die wellicht kan ontstaan; inwoners die geen hulp of ondersteuning binnen hun eigen sociale omgeving willen of kunnen vragen (en die dit wel via de oude formele kanalen deden).

 

We gaan zoveel mogelijk uit van een inclusieve benadering bij de vormgeving van de lokale fysieke en sociale infrastructuur (ook mensen met beperkingen moeten van de algemene voorzieningen gebruik kunnen maken). (Sport)verenigingen spelen hierbij een belangrijke rol.

 

Een van de rode draden uit het WMO beleidsplan 2012-2015 is inclusief beleid. “ Inclusief beleid is beleid dat rekening houdt met de verschillende mogelijkheden en beperkingen van mensen. Een van de resultaten van inclusief beleid is dat algemene voorzieningen ook beschikbaar zijn voor mensen met een beperking. Het doel van inclusief beleid is dat mensen met een beperking vanzelfsprekend op een gelijkwaardige manier kunnen deelnemen aan alle aspecten in het dagelijkse leven. Inclusief beleid is nodig voor een samenleving waarin iedereen kan meedoen en niemand buitengesloten wordt” (Wmo beleidsplan gemeente Oirschot 2012-2015). Ook met de komst van de nieuwe taken binnen het sociale domein zetten we deze eerder ingezette lijn door en gaan we zoveel mogelijk uit van een inclusieve benadering bij de vormgeving van de lokale fysieke en sociale infrastructuur. We zien hier een belangrijke rol weg gelegd voor (sport)verenigingen. Dit betekent overigens niet dat elke lokale sportvereniging per 1 januari 2015 voor alle doelgroepen toegankelijk moet zijn. Wel is het van belang dat er, ook op meer regionaal niveau, voldoende mogelijkheden zijn voor mensen met een beperking om op hun eigen niveau en op basis van hun mogelijkheden te kunnen participeren. Op lokaal niveau treden we in gesprek met (sport)verenigingen over inclusief beleid en de rol die daar voor verenigingen in is weggelegd.

 

Maatschappelijke inzet

 

Met maatschappelijke inzet bedoelen we dat mensen zich actief en onbetaald inzetten voor zorg en ondersteuning aan anderen en/of de sociale omgeving. Dit betreft met name mantelzorgers en vrijwilligers. Deze groepen vormen een onmisbaar onderdeel van de samenleving, met name na de transformatie van het sociale domein. Vrijwilligers en mantelzorgers zijn onderdeel van de nullijn.

 

Mantelzorgers en vrijwilligers vormen een onmisbaar deel van de samenleving. Het belang van deze functies wordt de komende jaren nog groter. Als gemeente hebben we een rol in het versterken en ondersteunen van deze functies, zoals respijtzorg, om de transformatie van het sociale domein te kunnen verwezenlijken.

 

 

We verwachten van inwoners dat zij meer en eerder een beroep doen op hun eigen kracht en hun sociale netwerken. Vrijwilligers en

mantelzorgers vormen een essentieel onderdeel van deze sociale netwerken. We moeten daarom als gemeente inzetten op het versterken van deze functies:

 

  • We zetten in op het stimuleren, ondersteunen en faciliteren van vrijwilligers(werk). We zetten in principe niet in op het creëren van vrijwilligerswerk.

  • We zetten in op het ondersteunen en faciliteren van

    mantelzorgers, met name wanneer de zorg voor anderen hun eigen participatie in de samenleving belemmert. Veel mensen verlenen voor kortere of langere tijd ‘mantelzorg’ aan hun partner, ouders of andere familieleden, buren of vrienden. De meeste mensen vinden dat vanzelfsprekend, ze vinden dat zorgen voor dierbaren bij het leven hoort. Soms kan deze zorg echter behoorlijk zwaar vallen. De positie van de mantelzorger verstevigt in de nieuwe Wmo. Het werk van mantelzorgers draagt vaak bij aan de kwaliteit van leven van de degene die mantelzorg ontvangt. Daarom vinden wij het belangrijk dat mensen die mantelzorg geven de ondersteuning krijgen waar ze behoefte aan hebben. Bij mantelzorgers is het van belang de balans tussen draagkracht en draaglast te bespreken en goed te bewaken.

  • We zetten in op het versterken van vrijwilligers en mantelzorgers, met name daar waar het gaat om de signaalfunctie die zij (kunnen) vervullen.

 

Voorbeelden van vrijwilligers met een (mogelijke) signaalfunctie:

Maaltijdverstrekkers die signaleren dat een klant al dagen zijn of haar eten laat staan en niet uit bed komt.

Buurtverkenners die signaleren dat op een bepaald adres de gordijnen al een aantal dagen niet open zijn gegaan. Trainers bij sportverenigingen die signaleren dat een jongere regelmatig huilbuien heeft en agressief gedrag vertoont.

 

We gaan uit van een positieve benadering als het gaat om het principe van wederkerigheid. We verwachten van alle inwoners, maar met name als zij hulp of ondersteuning van de gemeente ontvangen, dat zij maatschappelijke inzet tonen.

 

In de wetteksten rondom de participatiewet en Wmo wordt uitgegaan van het principe van wederkerigheid; het vervullen van een tegenprestatie voor ontvangen hulp of ondersteuning. Gemeenten hebben beleidsvrijheid om hier invulling aan te geven.

 

Wij gaan uit van een positieve benadering als het gaat om het principe van wederkerigheid. We verwachten van inwoners dat zij maatschappelijke inzet tonen, ook (of juist) als zij hulp of ondersteuning ontvangen. We gaan uit van de bereidwilligheid en medewerkingsbereidheid van mensen en stellen het tonen van maatschappelijke inzet niet verplicht. We zien het tonen van maatschappelijke inzet (onder andere als tegenprestatie) als een middel om de volgende doelen te bereiken:

 

  • a)

    Het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van burgers

  • b)

    Het leveren van een bijdrage aan de samenleving

 

Klankbordgroep raad d.d. 15 januari 2014:

 

“Gedragsverandering bereik je niet met regels en dwang. Burgers komen in beweging (effect is het grootst) als je ze eigen keuzes laat maken en zelf verantwoordelijk laat zijn. Als echter blijkt dat stimuleren niet voldoende is, moeten we de stap naar een verplichte vorm van tegenprestatie durven maken. Zorg in ieder geval dat het principe van wederkerigheid altijd bespreekbaar blijft”.

 

Het tonen van maatschappelijke inzet (en de verwachting dat burgers zich inzetten) is altijd specifiek onderdeel van ieder gesprek tussen gemeente en burger met een hulp- of ondersteuningsvraag. Dit geldt niet alleen voor complexe vragen waarbij een keukentafelgesprek plaatsvindt, maar ook eenvoudige vragen die direct opgelost kunnen worden (zie basisschema “integrale toegang”).

 

Bij maatschappelijke inzet van burgers gaan we uit van de volgende randvoorwaarden: 

 

  • De inzet mag re-integratie en acceptatie van betaald werk niet in de weg staan;

  • De omvang van de inzet en de duur in tijd dienen beperkt te zijn;

  • De inzet mag niet leiden tot verdringing van regulier werk op de arbeidsmarkt;

  • De burger dient in staat te zijn de inzet te leveren (inzet naar vermogen). Met name bij (jongere) jeugd en ouders die een (financiële) ondersteuning van de gemeente ontvangen voor hun kind is maatschappelijke inzet geen vanzelfsprekendheid. Het inschattingsvermogen van de professional bepaalt of en zo ja hoe maatschappelijke inzet in dit geval realistisch is.

 

We monitoren ons beleid ten aanzien van het principe van wederkerigheid. Als blijkt dat er structureel sprake is van (een categorie) inwoners die niet bereid is tot het tonen van maatschappelijke inzet bij ontvangen hulp of ondersteuning van de gemeente, ondernemen we hier actie op.

 

We monitoren ons beleid ten aanzien van het principe van wederkerigheid. Als blijkt dat er daadwerkelijk een categorie inwoners is die wel hulp of ondersteuning ontvangt, maar niet bereid is enige maatschappelijke inzet te tonen, ondernemen we hier concrete actie op. Hierbij is zoveel mogelijk sprake van maatwerk.

 

Het is van belang aan te geven wat we verstaan onder maatschappelijke inzet. We willen dit breed interpreteren. Zo zien we bijvoorbeeld ook mogelijkheden als het gaat om het tegengaan van eenzaamheid bij ouderen (bijvoorbeeld door het bezoeken van ouderen of het digitaal ontmoeten via skype) of het bijdragen aan diverse werkzaamheden bij (sport)verenigingen. We willen dit in 2014 in beeld hebben.

Maatschappelijke inzet vertoont gelijkenissen met vrijwilligerswerk. Het belangrijkste verschil betreft dat inwoners die een beroep doen op hulp of ondersteuning worden gestimuleerd door de gemeente om zich maatschappelijk in te zetten. Dit in tegenstelling tot het verrichten van vrijwilligerswerk dat op eigeninitiatief gebeurd. De activiteiten die vanuit de maatschappelijke inzet worden verricht betreffen vaak wel vrijwilligerswerk.

 

Klankbordgroep raad d.d. 15 januari 2014:

 

“Hanteer een positieve insteek. Ga bijvoorbeeld uit van een  stimuleringsbijdrage in plaats van verplichting of probeer gebruik te maken van het “olievlekprincipe”. Als een aantal mensen zich actief inzetten voor hun sociale omgeving, kunnen zij andere stimuleren en zo verder. Goed voorbeeld doet volgen.

 

De tegenprestatie kan in sommige gevallen mogelijk ingezet worden in plaats van of ter voorbereiding op arbeidsmatige dagbesteding of beschut werken (bijvoorbeeld als er een wachtlijst is voor beschut werken). De mogelijkheden hiervoor zijn afhankelijk van de behoeften en capaciteiten van de betreffende inwoner.

 

4.2.4 Integrale toegang

Voor elk van de decentralisaties geldt het principe één gezin, één plan, één regisseur. Voor elk van de decentralisaties geldt dat er sprake is van het binnenkomen van een vraag (toegang), het analyseren van de vraag (analyse), het samen met de burger zoeken naar een oplossing en het eventueel doorverwijzen (verwijzing). Het proces is grotendeels gelijk, de inhoud verschilt. Door de processen zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen kunnen we de ondersteuning aan de burger verbeteren en zetten we onze middelen en capaciteit efficienter in.

 

We hanteren een integrale benadering als het gaat om de toegang tot hulp en ondersteuning om synergie te creëren en overlap te voorkomen. We gaan daarbij van de onderstaande “basisstructuur integrale toegang Oirschot” en de daarbij horende uitgangspunten.

 

Gezinnen en burgers kunnen te maken krijgen met vragen op het gebied van verschillende decentralisaties. Doelgroepen van de verschillende decentralisaties komen (deels) overeen. Tegelijkertijd hebben de decentralisaties (deels) betrekking op dezelfde leefgebieden van inwoners. We kiezen er daarom voor de toegang tot hulp en ondersteuning integraal vorm te geven (één gezin, één plan, één regisseur). Inwoners worden, ongeacht de aard van de vraag, op dezelfde manier geholpen. In de hiernavolgende “basisstructuur integrale toegang” beschrijven we hoe we hier lokaal vorm aan gaan geven.

 

Basisstructuur integrale toegang Oirschot

 

 

In het hiernaast staande schema geven we de basisstructuur weer van de integrale toegang voor inwoners van Oirschot bij hulp- en ondersteuningsvragen. We hanteren hierbij een integrale benadering; alle hulp- of ondersteuningsvragen komen via dezelfde kanalen binnen en worden op dezelfde manier opgepakt. Bij elke vraag vormt de mate van zelfredzaamheid de basis van het vervolg. We maken daarbij onderscheid tussen front- en backoffice. Onderdeel van het frontoffice is het brede generalistenteam waarin professionals vanuit zowel jeugd, Wmo als participatie zijn vertegenwoordigd.

 

Uitgangspunten bij basisstructuur integrale toegang Oirschot

 

Waar komt de vraag vandaan?

 

Hulp- of ondersteuningsvragen hebben altijd betrekking op een burger en/of gezin. In veel gevallen is het dan ook de burger of het gezin zelf die met de vraag bij de gemeente terecht komt. In sommige gevallen komt de vraag niet rechtstreeks vanuit de burger of gezin maar via een signaleerder bij de gemeente terecht. Signalering kan door iedereen plaatsvinden. Vaak gebeurt dit vanuit de sociale omgeving van burgers (familie, vrienden, mantelzorgers). We verwachten echter expliciet een signalerende rol van het maatschappelijke veld zoals scholen, kinderdagverblijven, buurtbeheer, peuterspeelzalen en (sport)verenigingen. We ondersteunen, stimuleren en versterken het maatschappelijk veld om deze rol te kunnen vervullen.

Vindplaatsen vormen in dit kader een belangrijke rol. Vindplaatsen zijn plaatsen/ locaties waar de doelgroep veelal aanwezig is en waar betrokkenen een signaalfunctie (kunnen) vervullen. Dit kunnen professionals (bijvoorbeeld jongerenwerk) maar ook vrijwilligers (bijvoorbeeld buurt- of sportverenigingen) zijn.

Vragen kunnen ook via huisartsen, praktijkondersteuners, GGD of jeugdartsen bij de gemeente terecht komen. Vragen die bij deze personen en organisaties terecht komen kunnen deels direct doorverwezen worden naar zorgaanbieders, zonder tussenkomst van de gemeente. Dit betreft de volgende hulpvragen:

  • -

    Hulpvragen vanuit huisartsen naar GGZ

  • -

    Hulpvragen vanuit AWBZ

  • -

    Hulpvragen via medisch specialisten

  • -

    Hulpvragen via jeugdarts

  • -

    Hulpvragen via jeugdreclassering en jeugdbescherming (bij rechterlijke uitspraak)

  • -

    Hulpvragen via advies en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK)

 

In het geval vragen rechtstreeks bij zorgaanbieders terecht komen, worden deze eerst terug geleid naar de gemeente (m.u.v. de hierboven uitgezonderde vragen).

 

Waar komt de vraag terecht?

Burgers kunnen met hun vragen op verschillende plaatsen en via verschillende kanalen bij de gemeente terecht:

 

Bijeenkomst maatschappelijke partners 10 april 2014:

 

“Versterking van vindplaatsen en inlooppunten is belangrijk: zorg voor een bekend gezicht waar mensen vragen aan durven stellen. Hulpvragen worden nu vaak te lang uitgesteld, onder andere door schaamte”.

 

  • >

    Inlooppunten: plaatsen/ locaties waar de doelgroep veelal aanwezig is. Een generalist (uit het brede generalistenteam) is hier op structurele basis aanwezig om vragen van burgers te kunnen beantwoorden. Dit kunnen vragen zijn ten aanzien van alle gebieden, maar zullen logischerwijs meestal passen bij de locaties. De aanwezige generalist maakt een analyse van de vraag waarbij altijd aandacht is voor de mate van zelfredzaamheid. Bij eenvoudige vragen en voldoende zelfredzaamheid kunnen vragen direct opgelost worden (dit kan ook een verwijzing naar een aanbieder zijn). Bij complexe vragen of eenvoudige vragen waarbij de zelfredzaamheid onvoldoende (kwetsbare burger) is, vindt altijd een keukentafelgesprek plaats. Vooralsnog zien we scholen, kinderdagverblijven en peuterspeelzalen als vindplaatsen. We bekijken of het in de toekomst zinvol is om ook andere vindplaatsen als inlooppunt te benoemen. Hierbij denken we bijvoorbeeld aan verenigingen of verzorgings- en verpleeghuizen.

 

Bijeenkomst maatschappelijke partners 10 april 2014:

 

“Versterking van vindplaatsen en inlooppunten is belangrijk: zorg voor een bekend gezicht waar mensen vragen aan durven stellen. Hulpvragen worden nu vaak te lang uitgesteld, onder andere door schaamte”.

 

  • >

    Loket: we gaan uit van één loket in de kern Oirschot als dé ingang voor alle hulpvragen van inwoners, signaleerders en derden. Dit betreft zowel een fysiek loket als een digitaal en telefonisch loket. Bij dit loket wordt een analyse gemaakt van de vraag waarbij altijd aandacht is voor de mate van zelfredzaamheid. Bij eenvoudige vragen en voldoende zelfredzaamheid kunnen vragen direct opgelost worden (dit kan ook een verwijzing naar een aanbieder zijn). Bij complexe vragen of eenvoudige vragen waarbij de zelfredzaamheid onvoldoende (kwetsbare burger) is, vindt altijd een keukentafelgesprek plaats. Het loket wordt vooralsnog niet bemensd door generalisten uit het generalistenteam. We bekijken in hoeverre dit op termijn eventueel wel nodig is.

 

Hoe wordt de vraag opgepakt?

Eenvoudige vragen bij voldoende zelfredzaamheid kunnen direct bij een inlooppunt of bij het loket opgelost worden. Bij complexere vragen of vragen van meer kwetsbare burgers wordt altijd een keukentafelgesprek gevoerd. Dit gesprek is bedoeld om de vraag te verhelderen, het beoogde resultaat van ondersteuning te formuleren in een ondersteuningsplan/ gezinsplan en de eventuele hulp of ondersteuning te regelen. Kennis en kunde omtrent vraagverheldering en “de vraag achter de vraag” bij generalisten en/of specialisten die het keukentafelgesprek voeren is daarbij essentieel. Keukentafelgesprekken vinden zoveel mogelijk in of dicht bij huis van de burger/ het gezin plaats. Bij elk keukentafelgesprek kijken we eerst naar de mogelijkheden die burgers zelf hebben (binnen hun eigen sociale netwerk en/of door gebruik te maken van algemene voorzieningen). Maatschappelijke inzet is altijd onderdeel van het gesprek.

 

Advies Wmo Adviesraad april 2014:

 

“Bij keukentafelgesprekken dient altijd aandacht te zijn voor de verschillen tussen inwoners. Er zijn generaties die zijn opgegroeid met het idee “niet zeuren, niet klagen, groot houden en de overheid gelijk geven”. Een keukentafelgesprek kan in dit geval (bij onvoldoende vraagverheldering) een verkeerd beeld geven van de cliënt. Er zijn ook andere voorbeelden, zoals personen met een lichte vorm van dementie, die mogelijkerwijs een verkeerd beeld van zichzelf kunnen geven. Dit kan leiden tot een verkeerd oordeel door de generalist/ specialist. Kennis en kunde omtrent vraagverheldering en “de vraag achter de vraag” is daarom essentieel!”

 

Keukentafelgesprekken worden in de meeste gevallen gevoerd door een generalist uit het brede generalistenteam (zie hieronder). Indien uit de eerste analyse van de vraag (bij inlooppunt of loket) blijkt dat de vraag dermate complex en/of specialistisch is, kan ervoor gekozen worden het keukentafelgesprek te laten voeren door een specialist uit het subregionale specialistenteam.

 

Wie pakt de vraag op?

Alle vragen die vanuit een keukentafelgesprek binnen komen (complexe vragen en vragen van meer kwetsbare burgers) worden opgepakt door een breed integraal generalistenteam (vaak ook wel wijkteam genoemd) of (in sommige gevallen) door het specialistenteam. Het generalistenteam is een lokaal team (werkzaam voor de hele gemeente Oirschot), bestaande uit een aantal generalisten die elk affiniteit hebben met een bepaald onderwerp. Zij zijn in staat, op basis van het keukentafelgesprek, een totale analyse van de hulpvraag te maken, ook buiten het eigen terrein. Het team bestaat uit een aantal generalisten op het brede terrein van jeugdhulp, één of meerdere generalisten op het terrein van de WMO en één of meerdere generalisten op het terrein van participatie/ sociale zaken. Generalisten stellen op basis van het keukentafelgesprek een ondersteuningsplan/ gezinsplan op waarin zij het eventuele vervolgtraject en de te behalen resultaten vastleggen. We werken met één integraal ondersteuningsplan per huishouden (individu of gezin). Dit ondersteuningsplan omvat alle acties op alle relevante leefdomeinen. Het plan is van de inwoner / het gezin, niet van de professional. In het plan gaan we uit van te behalen resultaten rond zelfredzaamheid en participatie op alle relevante leefdomeinen. Het plan is maatwerk. Maatschappelijke inzet is onderdeel van het plan. Er is ruimte voor creatieve oplossingen.

 

Klankbordgroep raad d.d. 15 januari 2014:

 

“Wijkteams vervullen een centrale rol. Zij moeten daadwerkelijk in de wijk aanwezig zijn. Dit hoeft niet altijd, maar in ieder geval op gezette tijden. Elke wijk is daarbij anders. Werk zoveel mogelijk wijkgericht en heb daarbij aandacht voor de verschillen tussen wijken en buurten”

 

Generalisten zijn, in ieder geval in de eerste fase (opbouwfase nieuwe basisstructuur 2015) afkomstig van of werkzaam bij de huidige maatschappelijke partners. Vooralsnog denken we hierbij, in ieder geval in de eerste fase, aan inhuur of detachering vanuit bestaande organisaties in plaats van het in dienst nemen van generalisten bij de gemeente. Er is sprake van een netwerkorganisatie. Vanzelfsprekend is het van belang dat generalisten, ondanks de verbinding met hun eigen (moeder)organisatie objectief en zonder belang vanuit de eigen organisatie kunnen kijken naar hulpvragen en deze kunnen analyseren. Om deze onafhankelijke blik te waarborgen is de generalist in ieder geval niet gebonden aan een organisatie die specialistische zorg levert. We denken vooralsnog aan de volgende invulling (functies) van het brede generalistenteam:

 

Daarnaast zullen bepaalde functies, zoals een leerplichtambtenaar en een wijkverpleegkundige op afroep bij het generalistenteam aansluiten. Over de inzet van wijkverpleegkundigen gaan we in gesprek met de zorgverzekeraars. We willen tot afstemming komen over zorg in de wijk en maatschappelijke ondersteuning, oftewel komen tot concrete afspraken over de afstemming en overlap tussen het medische en sociale domein.

Het team functioneert als één team en wordt aangestuurd door één coördinator onder verantwoordelijkheid van de gemeente (in dienst, inhuur, detachering). Intervisie, scholing en leren van elkaar staat in de opbouwfase centraal. Generalisten blijven hun eigen affiniteit hebben vanuit de moederorganisatie maar moeten, meer dan nu het geval is, de vraag breder (ook vanuit andere terreinen) kunnen analyseren. Dit betekent dat bijvoorbeeld een generalist vanuit het jeugdmaatschappelijk werk ook in staat moet zijn om (op hoofdlijnen) een hulpvraag op het gebied van Wmo en participatie moet kunnen analyseren. 5

 

 

We zien vooralsnog de volgende taken voor de generalisten uit het brede generalistenteam:

  • /

    Openstaan voor en het ontvangen van hulpvragen van burgers en gezinnen;

  • /

    Signalering van hulpvragen binnen het sociaal domein;

  • /

    Het verhelderen van de vraag (keukentafelgesprek);

  • /

    Het opstellen van een integraal ondersteuningsplan/ gezinsplan samen met de burger/het gezin;

  • /

    Zelf ondersteuning bieden vanuit eigen expertise en competenties;

  • /

    Een inschatting maken welke aanvullende (specialistische) ondersteuning noodzakelijk is en deze ‘invliegen’;

  • /

    Verbinding leggen met het maatschappelijke veld en een advies- en consultfunctie vervullen (zichtbaar zijn / outreachend), onder andere op de huidige inlooppunten.

 

Wie is casemanager?

Elke hulpvraag vanuit een burger of een gezin kent één casemanager (één gezin, één plan, één regisseur). De functie van casemanager wordt ingevuld door een generalist uit het brede generalistenteam (in het geval een vraag wordt opgepakt in het generalistenteam) of een specialist (in het geval de vraag wordt opgepakt in het specialistenteam). Als een specialist de rol van casemanager oppakt, blijft er altijd een verbinding met het generalistenteam. Dit is de verantwoordelijk van de casemanager. De belangrijkste reden hiervoor is dat de kennis en ervaring van de specialist niet alleen bij de specialist blijft, maar gedeeld wordt met de generalist. Het generalistenteam krijgt hierdoor meer kennis, ervaring en grip op de grote verscheidenheid aan hulpvragen. Op termijn verwachten we dat hierdoor minder hulpvragen naar het specialistenteam doorverwezen worden.

 

 

Bijeenkomst maatschappelijke partners d.d. 10 april 2014:

 

“Als hulp niet meteen geboden kan worden en sprake is van een overbruggingsperiode, verlies burgers dan niet uit het oog. Hier ligt een belangrijke taak voor de casemanager!”

 

Er is altijd één casemanager per gezin/ huishouden die het proces blijvend volgt en de kaders bewaakt (inhoudelijk en financieel). Dit ligt vast in het ondersteuningsplan. Inwoners kunnen dus rekenen op één professional die het plan blijft volgen.

De betreffende generalist of specialist blijft casemanager totdat het traject is afgerond en de hulpvraag is beantwoord. Bij uitzonderingen kan deze functie ingevuld worden door een zorgaanbieder.

 

Wat gebeurt er is een hulpvraag niet binnen het generalistenteam kan worden opgepakt?

We zetten in op het verminderen van de instroom in de gespecialiseerde zorg en het bevorderen van de uitstroom. Goed toegeruste generalisten kunnen problemen in een vroeg stadium herkennen, zodat escalatie van problemen wordt voorkomen. Dit betekent dat zij (h)erkennen wanneer een hulpvraag de eigen mogelijkheden overstijgt of de veiligheid van jeugdigen in het geding is. Als dit meteen duidelijk is, moet snel worden overgeschakeld op de inzet van specialistische zorg of drang en dwang.

Specialisten worden alleen ingezet daar waar nodig. Generalistisch waar mogelijk en specialistisch waar nodig.

 

Als een hulpvraag dusdanig specialistisch is en/of de vraag het niveau (kennis en ervaring) van het generalistenteam overstijgt, wordt de hulpvraag overgeheveld naar het specialistenteam. Dit kan zijn na de eerste analyse van de vraag bij het loket of inlooppunt. Het keukentafelgesprek kan dan plaatsvinden door een specialist uit het specialistenteam. Dit kan ook zijn nadat het keukentafelgesprek is gevoerd door een generalist uit het brede generalistenteam. De vraag wordt dan overgeheveld/ opgeschaald naar het specialistenteam.

 

Het specialistenteam richt zich op de specialistische zorg voor burgers en gezinnen. Op het moment dat er sprake is van complexere problematiek en lichte lokale ondersteuning niet toereikend is, kan specialistische ondersteuning worden ingezet. Als het gaat om specialistische jeugdhulp betreft dit hulp aan jeugdigen met een verstandelijke beperking (jeugd-vb), begeleiding en verzorging van jeugdigen en gesloten jeugdhulp in het kader van ernstige opgroei- en opvoedproblemen. Ook wanneer ondersteuning buiten het gezin nodig is, bijvoorbeeld in het kader van dagbehandeling, behandeling met verblijf of pleegzorg, is het specialistenteam aan zet om te bepalen wat het gezin of de jeugdige nodig heeft. Bij de vormen van jeugdhulp die buiten het gezin (specialistisch) worden ingekocht staan het door het specialistenteam opgestelde ondersteuningsplan centraal. Dit betekent dat betrokken professionals en organisaties zich conformeren aan de concrete doelstellingen die hierin zijn opgesteld.

 

Wanneer er sprake is van veiligheidsrisico’s, geweld, mishandeling, misbruik of een acute crisis zal moeten worden samengewerkt met regionale instellingen. Deze samenwerking beschrijven we in 4.2.6.

 

We denken vooralsnog aan de volgende invulling (functies) van het specialistenteam: 6

 

 

Specialistische ondersteuning wordt minder vaak ingezet dan ondersteuning vanuit het generalistenteam. Het ligt daarom voor de hand om samen te werken met andere gemeenten. Subregionale samenwerking op de uitvoering van dit specialistenteam kan leiden tot een grotere efficiency waardoor de kosten beter beheersbaar blijven, daarnaast wordt de kwetsbaarheid van het specialistenteam verminderd omdat het team uit meer professionals kan bestaan. Door intervisie met meerdere specialisten kan de kwaliteit worden geborgd. Tot slot kan het zinvol zijn dat de specialisten buurgemeenten kennen. De leefwerelden van met name jongeren gaan over gemeentegrenzen heen, denk aan onderwijs. We kiezen er daarom voor om een subregionaal specialistenteam in te richten dat wordt aangestuurd door een gezamenlijk aangestelde teamcoördinator. De coördinatiefunctie kan ook worden ondergebracht bij één van de specialisten. We merken hierbij op dat we op dit moment in overleg zijn met de gemeenten Best en Veldhoven over de invulling van het subregionaal specialistenteam. In principe hebben alle drie de gemeenten aangegeven meerwaarde te zien in een subregionaal specialistenteam. Uit de verdere concrete uitwerking die de komende maanden plaats vindt moet blijken of een subregionaal team haalbaar is en zo ja, welke concrete afspraken we hierover maken.

 

Welke instrumenten gebruiken we?

We gebruiken een uniforme werkwijze en uniforme instrument(en) voor integrale vraagverheldering (keukentafelgesprek) en het maken van het ondersteuningsplan/ gezinsplan. Belangrijke elementen in dit ondersteuningsplan zijn:  

  • -

    Algemene persoonsinformatie

  • -

    Hulpverleden

  • -

    Sociale omgeving/ sociale netwerk

  • -

    Signalen van welzijn/veiligheid

  • -

    Mate van zelfredzaamheid

  • -

    Doelen

  • -

    Inzet hulp en ondersteuning

  • -

    Risicotaxatie

 

We maken gebruik van de zelfredzaamheidsmatrix (zie paragraaf 4.2.2.). Met name bij de Wmo maken we gebruik van profielen en arrangementen. Vooralsnog maken we hier geen gebruik van als het gaat om jeugd en participatie.

 

Waar vindt de hulp en ondersteuning plaats?

Hulp en ondersteuning moet voor iedereen gemakkelijk en toegankelijk zijn, zowel voor de kleine vragen als voor grotere problemen. We zetten hulp en ondersteuning daarom zoveel mogelijk in op plekken waar zij in hun dagelijkse leven al komen (vindplaatsgericht werken). Vooralsnog zijn dit met name vindplaatsen voor jeugd; scholen, kinderdagverblijven, peuterspeelzalen, het consultatiebureau, het jongerencentrum, etc. We bekijken in hoeverre we dit op termijn uitbreiden voor andere doelgroepen.

Ook de specialistischere vormen van hulp proberen we daar waar het kan dichtbij huis aan te bieden. Dit sluit aan bij landelijke ontwikkelingen waarin een verschuiving optreedt naar de inzet van meer ambulante zorg.

 

Hoe gaan we om met bestaande functies en structuren?

Enkele jaren geleden hebben we het lokale Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) opgezet. Inmiddels is het CJG een netwerkorganisatie die goed verankerd is in de lokale gemeenschap. Het CJG kent een goed werkende zorgstructuur dat een goede aansluiting heeft met de vindplaatsen. We hebben hiermee een goede basis gelegd voor de nieuwe vormgeving van het sociale domein door de decentralisatie van taken naar gemeenten. Binnen de nieuwe basisstructuur maken we zoveel mogelijk gebruik van de kennis en ervaring vanuit het huidige CJG. Zo bestaat het CJG Oirschot al uit een op elkaar ingespeeld team van professionals dat in toenemende mate een integrale aanpak hanteert bij het ondersteunen en helpen van jeugdigen en gezinnen. De huidige netwerkpartners zetten we zoveel mogelijk in binnen de nieuwe basisstructuur. Doordat we uitgaan van een integrale benadering van de decentralisaties vallen alle taken van het huidige CJG onder het nieuwe brede integrale generalisten- en specialistenteam. Dit betekent ook dat de huidige functie coördinator CJG vervalt. De coördinatie CJG is dan onderdeel van de functie van de nieuwe coördinator voor de gehele integrale toegang.

 

Wie heeft welke beslissingsbevoegdheid/ mandaat?

Zowel het generalistenteam als het specialistenteam krijgen mandaat om zorg, voorzieningen en diensten in te zetten. We maken hierbij wel een onderscheid in verschillende vormen van ondersteuning:

 

  • /

    Eigen kracht en sociaal netwerk

  • /

    Vrij toegankelijke algemene voorzieningen

  • /

    Lichte individuele voorzieningen

  • /

    Zware individuele voorzieningen

 

Uitgangspunt bij de inzet van hulp en ondersteuning is de professionele inschatting van het generalistenteam of het specialistenteam. Op voorhand stellen we als gemeente geen criteria op wanneer welke zorg, dienst of voorziening kan worden ingezet anders dan de (globale) criteria zoals straks in de verschillende verordeningen staan en/of wettelijk gelden. We geven zoveel mogelijk ruimte aan professionals om maatwerk te kunnen leveren en snel te kunnen handelen. Wel geldt als eis dat er altijd eerst gekeken wordt naar wat inwoners zelf of samen met hun sociale omgeving kunnen oplossen. Ook maatschappelijke inzet is altijd een onderdeel van het ondersteuningsplan. We gaan vooralsnog uit van de onderstaande mandaten/ beslissingsbevoegdheden:

 

 

Mandaat bij

Basisstructuur7

Generalistenteam

Specialistenteam

 

 

 

 

Zware individuele voorzieningen

 

 

x

Lichte individuele voorzieningen

 

x

x

Algemene voorzieningen

x

x

x

Eigen kracht en sociaal netwerk

x

x

x

 

Naast bovenstaande mandaten schrijft de Jeugdwet voor dat de huisarts, jeugdarts en andere artsen direct mogen doorverwijzen naar alle vormen van jeugdhulp, waaronder lichte en zware individuele voorzieningen voor jeugdigen. We maken hierover afspraken met artsen om voldoende afstemmming te bereiken en deze groep jeugdigen niet uit beeld te verliezen. Daarnaast kan een aantal vormen van jeugdhulp nooit ingezet worden zonder een besluit van de rechter. Dit betreft jeugdbescherming- en jeugdreclasseringsmaatregelen, gesloten jeugdzorg en overige gedwongen opnamen en gedwongen uithuisplaatsingen.

In deze paragraaf hebben we de lokale en deels subregionale opzet voor integrale toegang beschreven. Deze toegang kent geen wachttijden of wachtlijsten. Burgers worden zo snel mogelijk en zo lokaal mogelijk (dicht bij huis) geholpen.

De komende maanden vindt de verdere invulling van de beschreven basisstructuur plaats. Afstemming met Best en Veldhoven staat hierbij centraal. Uitgaande van een subregionaal specialistenteam betekent dit dat we processen en structuren, ook ten aanzien van het generalistenteam op elkaar af moeten stemmen. Dit kan betekenen dat de in deze paragraaf beschreven basisstructuur op onderdelen (deels) nog aangepast wordt.

 

Samengevat kunnen we de in deze paragraaf beschreven basisstructuur als volgt weergeven:

 

 

4.2.5 Organisatie van de uitvoering

In deze paragraaf besteden we aandacht aan een aantal specifieke onderdelen ten aanzien van de uitvoering en organisatie van bij de lokale invulling van het sociale domein.

 

Het frontoffice richten we zo lokaal mogelijk in. Voor de backoffice richten we ons juist zoveel mogelijk op subregionale samenwerking met andere gemeenten. Onze primaire partners daarbij zijn de gemeenten Best en Veldhoven.

 

Burgers en gezinnen moeten zo snel en zo lokaal gebruik kunnen maken van de integrale toegang bij hulp- of ondersteuningsvragen. Deze hulp moet zo dicht mogelijk bij huis plaats vinden. We kiezen er daarom nadrukkelijk voor om het frontoffice (daar waar de vraag binnenkomt) lokaal te organiseren. Voor de backoffice werken we wel zoveel mogelijk samen op subregionaal en regionaal niveau. We zien duidelijk meerwaarde in deze (subregionale) samenwerking als het gaat om kwaliteit, kwantiteit en continuiteit van dienstverlening. Daarnaast worden we als gemeente minder kwetsbaar en lopen we minder (financieel) risico. Uitgangspunt bij (sub)regionale samenwerking is dat burgers hier geen nadelen of hinder van ondervinden.

 

Communicatie en (burger)participatie zijn essentieel bij de invoering van de decentralisaties en de (gefaseerde) transformatie van het sociaal domein. Hoe we dit vormgeven hebben we uitgewerkt in het communicatieplan “Decentralisaties”.

 

We bereiden ons voor op de decentralisaties en de (gefaseerde) transformatie van het sociaal domein in cocreatie met inwoners (al dan niet vertegenwoordigd in advies- en cliëntraden) en maatschappelijke partners.

 

Wij vragen hen om mee te denken en bijdragen te leveren aan de (her)ontwikkeling van het sociaal domein in Oirschot. De gemeente voert de regie maar daarbij is alle kennis, kunde en inzet nodig van alle betrokkenen om de transformatie van het sociale domein tot stand te brengen. Dit vereist een intensieve samenwerking met inwoners, maatschappelijke organisaties en met de regiogemeenten. We hebben dit concreet uitgewerkt, op basis van diverse omgevingsanalyses in het communicatieplan “Decentralisaties”. Uitgangspunt bij zowel communicatie als burgerparticipatie is een integrale benadering. Alleen als zaken echt afzonderlijk vanuit een van de decentralisaties opgepakt moeten worden, om welke reden dan ook, doen we dit.

 

Bijeenkomst maatschappelijke partners 10 april 2014:

 

Er gebeuren al veel goede initiatieven in Oirschot op dit terrein die passen binnen de uitgangspunten en visie van de decentralisaties. Brengen goede initiatieven die je al doet voor het voetlicht! Enthousiasmeren is erg belangrijk!

 

We werken binnen de financiële gemeentelijke kaders die voor het lokale sociaal domein beschikbaar zijn. Het gemeentelijke financiële kader is opgebouwd uit rijksbudgetten inclusief kortingen én bestaande gemeentelijke budgetten. We verwachten de eerste jaren na de invoering van de decentralisaties nog niet binnen de financiële gemeentelijke kaders te kunnen werken. Voor de eerste 3 jaren (2015, 2016 en 2017) gaan we daarom uit van een overgangssituatie waarbij we werken met een bestemmingsreserve.

 

De overheveling van taken vanuit het Rijk en provincie gaat gepaard met kortingen vanuit het Rijk. Gemeenten kunnen dezelfde dienstverlening efficienter en effectiever leveren doordat zij dichter op de burger staan (hun eigen inwoners kennen) en zaken meer integraal op kunnen pakken. Wij verwachten, met name door de sterke inzet op preventie en signalering en versterking van de nullijn (waardoor uiteindelijke minder inzet van zwaardere zorg nodig is), de gewenste dienstverlening inderdaad binnen de door het Rijk beschikbaar gestelde budgetten (inclusief bestaande gemeentelijke budgetten) uit te kunnen voeren. Tegelijkertijd verwachten we dat dit de eerste jaren na de invoering van de decentralisaties nog niet haalbaar is. Per 1 januari 2015 hebben we de structuur voor integrale toegang in basis neergezet. Deze structuur moet vanaf dan echter doorontwikkeld worden. Generalisten en specialisten moeten geschoold worden, teams moeten worden gevormd, de bedrijfsvoering neergezet worden etc. Daarnaast zijn effecten van preventie, vroege(re) signalering, het inzetten op eigen kracht en zelfredzaamheid en het versterken van sociale netwerken en sociale samenhang pas op langere termijn te verwachten. Tenslotte hebben we als gemeente te maken met meerdere subregionale samenwerkingsverbanden (zie hoofdstuk 6). Dit vraagt veel extra inzet ten aanzien van afstemming en samenwerking. We verwachten daarom, tenminste voor de eerste 3 jaren (2015, 2016 en 2017) nog niet te kunnen werken binnen de gemeentelijke financiële kaders. Ook de voorlopige begroting 2015 (zie hoofdstuk 7) toont dit aan. We stellen daarom voor te werken met een overgangssituatie waarbij we een bestemmingsreserve hanteren. We werken dit verder uit in hoofdstuk 7.

 

We onderzoeken of de huidige opzet van de gemeentelijke begroting werkbaar is voor het sociale domein of dat een andere opzet beter aansluit bij de financiële kaders vanuit de decentralisaties.

 

Bij de overheveling van taken vanuit het Rijk en provincie worden ook de bijbehorende budgetten overgeheveld. Vanaf 1 januari 2015 worden de (oude en nieuwe) financieringsstromen vanuit de verschillende beleidsterreinen (jeugd, Wmo en participatie) gebundeld en opgenomen in het gemeentefonds. Binnen het gemeentefonds is sprake van een integratie-uitkering; het deelfonds sociaal domein. Het deelfonds sociaal domein kent voor de duur van drie jaar een bestedingsverplichting. Het budget is ontschot en vrij te besteden binnen het sociaal domein, maar niet daarbuiten. In de huidige opzet van de begroting is er nog geen sprake van ontschotting binnen het sociale domein. Het sociaal domein is verdeeld over verschillende programma’s en sluit daarmee nog niet aan bij het deelfonds. We willen daarom bekijken of de huidige opzet van de begroting werkbaar is voor de situatie na 1 januari 2015 of dat een andere opzet (in ieder geval voor het sociaal domein) raadzaam is.

 

We kopen een aantal voorzieningen en diensten regionaal in om zoveel mogelijk te kunnen profiteren van de voordelen van schaalgrootte.

 

We hebben regionaal en subregionaal afspraken gemaakt over de inkoop van een aantal (zorg)producten en voorzieningen. Door op regionaal niveau in te kopen kunnen we profiteren van de verwachtte financiële en inhoudelijke voordelen van schaalgrootte.

 

Wmo

De gemeenten Best, Veldhoven en Oirschot trekken zoveel mogelijk gezamenlijk op in de voorbereidingen op de uitvoering van de nieuwe taken in de Wmo en de inkoop daarvan. De volgende afbakening geldt:

  • 1.

    Gezamenlijke inkoop betreft de producten in het kader van individuele begeleiding (2e lijn) –de zgn. ‘maatwerkvoorzieningen’.

  • 2.

    De invulling van het collectieve (voorliggende) deel (0e en 1e lijn) blijft (vooralsnog) verantwoordelijkheid van iedere gemeente apart.

 

We kiezen niet voor een traditionele manier van aanbesteden maar voor een proces van ‘bestuurlijk aanbesteden’. Het model van bestuurlijk aanbesteden biedt de mogelijkheid te sturen op de kwaliteit van de dienstverlening aan burgers en innovatie in het aanbod, binnen de financiële kaders. De zorg- en welzijnsaanbieders verbinden zich aan het gemeenschappelijk doel om per 1 januari 2015 inhoud te kunnen geven aan de verantwoordelijkheden binnen de Wmo en te zorgen dat de inwoners van de gemeenten gebruik kunnen maken van ondersteuning, begeleiding en voorzieningen.

 

Samengevat heeft bestuurlijk aanbesteden de volgende belangrijke voordelen:

  • maximale keuzevrijheid voor burgers/cliënten in aanbieders

  • innovatieve arrangementen, concrete resultaatafspraken (kwaliteit en prijs) en uiteindelijk een resultatenovereenkomst (deelovereenkomst).

  • flexibiliteit zodat nieuwe ontwikkelingen/nieuwe vragen die bij het aangaan nog niet bekend zijn in het contract geïntegreerd kunnen worden.

  •  

Het College van B&W heeft inmiddels het startdocument (visiedocument) en de basisovereenkomst (met daarin geschiktheidseisen) voor inkoop vastgesteld. In het startdocument zijn een aantal uitgangspunten rondom de uitvoering van het inkooptraject opgenomen. Zo stellen we bijvoorbeeld dat we kansen bieden aan alle zorg- en welzijnsaanbieders, groot en klein. De aanbieders worden uitgedaagd om vraaggericht en niet aanbodgericht te werken. In dit startdocument is ook aandacht voor de verwachtingen van gemeenten. Zo willen we met aanbieders vorm geven aan kwalitatief hoogstaande maatwerkvoorzieningen die aansluiten bij de gekantelde uitvoering van de Wmo en bijdragen aan het zelfstandig (blijven) leven in de eigen omgeving en participeren in de samenleving. We verwachten van partners dat zij samen met ons investeren in een sterk sociaal domein. Samenwerkingen, kennisdeling, integrale benadering van burgers, signalering en preventie en het vergroten van eigen kracht zijn belangrijke elementen daarin.

 

Jeugd

Specifiek voor jeugdhulp hebben we regionaal afgesproken dat de gemeente Eindhoven een gezamenlijke regionale inkooporganisatie vormt voor de onderstaande (jeugdzorg)producten:

 

  • -

    Behandeling met (voltijd/deeltijd)verblijf

  • -

    Pleegzorg

  • -

    Jeugdbescherming en Jeugdreclassering

  • -

    Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en Steunpunten Huiselijk Geweld (AMHK)

  • -

    Crisisdienst

  • -

    JeugdzorgPlus

  • -

    Jeugd-GGZ

 

Wij laten deze inkooporganisatie ook de inkoop verzorgen voor dagbehandeling en ambulante/extramurale zorg

Alle bovengenoemde vormen zullen door middel van bestuurlijke aanbesteding worden ingekocht. Op dit moment wordt het regionale inkoopvoorstel nader uitgewerkt.

Het preventieve gedeelte dat nu al bij de gemeente Oirschot ligt, en de vormgeving van de toegang (generalisten- en specialistenteam) pakken we als gemeente zelf op.

 

In geval van gespecialiseerde ondersteuning en maatwerkvoorzieningen onderzoeken we wat de ruimte (met mogelijk onderscheid naar inkomen) is voor het al dan niet opleggen van een eigen bijdrage op basis van wettelijke kaders.

 

Vanuit de Jeugdwet, Wmo en Participatiewet is het mogelijk om voor vrij beschikbare hulp (laagdrempelige ondersteuning in de eerste lijn en het gebruik van algemene voorzieningen) een eigen bijdrage in rekening te brengen bij de burger. Deze eigen bijdrage kan inkomensafhankelijk zijn. Een eigen bijdrage kan echter voor de hulpvrager drempelverhogend werken om passende zorg in te zetten. Tegelijkertijd kan een eigen bijdrage een prikkel vormen om hulpvragen (meer) op te pakken binnen de eigen sociale omgeving (eigen kracht). We hebben op dit moment nog onvoldoende zicht op de voor- en nadelen van een eigen bijdrage. We onderzoeken daarom of we voor de genoemde ondersteuning en voorzieningen wel of geen eigen bijdrage gaan hanteren en nemen dit op in de betreffende verordeningen. Vanzelfsprekend houden we hierbij rekening met de wettelijke verplichtingen én de maatschappelijke effecten.

 

Informatie (voorziening) en ICT zijn onmisbaar om de decentralisaties op de terreinen jeugd, Wmo, participatie en passend onderwijs te laten slagen.

 

Informatie (voorziening) en ICT zijn onmisbaar om de decentralisaties op de terreinen jeugd, Wmo, participatie en passend onderwijs te laten slagen. De inzet van ICT en informatievoorziening is niet een doel op zich, maar ondersteunen een effectieve uitvoering. ICT kan helpen om de uitvoering efficiënter te maken. Dit bespaart kosten en helpt de administratieve lasten te reduceren. Informatievoorziening is daarnaast  van belang in de verantwoording, de sturing, het toezicht op de kwaliteit en de monitoring van de resultaten en effecten. ICT kan helpen om innovaties door te voeren en nieuwe vormen van dienstverlening mogelijk te maken.

We hanteren zoveel mogelijk een integrale benadering als het gaat om informatievoorziening en automatisering. We zien een integrale benadering van dit thema als voorwaarde om het principe één gezin, één plan, één regisseur in de praktijk te kunnen realiseren. We werken hierbij zoveel mogelijk samen met de gemeenten Best en Veldhoven, maar zijn tegelijkertijd verbonden aan het Shared Service Centre De Kempen (SSC De Kempen).

 

We gaan uit van de volgende kaders/ uitgangspunten met betrekking tot informatievoorziening en ICT:

 

  • 1.

    Inhoudelijke beleidskeuzes zijn leidend.

  • 2.

    We maken zoveel mogelijk gebruik van hetgeen landelijk wordt ontwikkeld.

  • 3.

    We maken zoveel mogelijk gebruik van bestaande ICT-voorzieningen en bestaande infrastructuren in het sociaal domein. We richten ons op het slim verbinden van het bestaande, en zo min mogelijk op het nieuw realiseren van ICT-voorzieningen.

  • 4.

    We willen per 1 januari 2015 werkende ICT oplossingen hebben.  De aanpak is daarmee vooral pragmatisch, realistisch en gericht op snel resultaat.

  • 5.

    De eigen kracht en verantwoordelijkheid van burgers staan ook in de gegevensuitwisseling en informatievoorziening voorop. Dit betekent dat burgers waar mogelijk zelf toegang kunnen hebben tot hun eigen gegevens (desgewenst ook digitaal). Betrokken burgers kunnen zoveel mogelijk zelf bepalen met welke partijen gegevens wel of niet gedeeld mogen worden.

  • 6.

    In technische zin worden bij voorkeur (conform ‘comply or explain’) de bestaande standaarden en voorzieningen vanuit de e-overheid gebruikt. Het gaat dan in elk geval om de landelijke standaarden en afspraken in het kader van het NUP–het Nationaal

    Uitvoeringsprogramma Dienstverlening en –overheid. Daarnaast sluiten we bij het gebruik van kerngegevens aan bij de systematiek van het stelsel van basisregistraties. Tenslotte zijn de bestaande gemeentelijke standaarden (o.a. StUF, en de architectuur-standaarden vanuit Gemma) leidend.

 

Daarnaast zien we informatiebeveiliging als een belangrijk aandachtspunt. Informatiebeveiliging is (zeker) in de zorg, door de grote spanning tussen het nut van ruime informatie-uitwisseling en privacy van de inwoner, een belangrijk onderwerp en pakken we daarom met de grootst mogelijke zorgvuldigheid op.

 

We proberen een zo breed mogelijk aanbod Zorg in Nature (ZIN) tot stand te brengen. Het blijft in specifieke gevallen en onder bepaalde voorwaarden mogelijk om gebruik te maken van een persoonsgebonden budget (PGB).

 

We proberen een zo breed mogelijk aanbod Zorg In Natura tot stand te brengen (ZIN) zodat inwoners samen met het generalisten- en specialistenteam zoveel mogelijk keuzevrijheid hebben. Uiteraard blijft het mogelijk in specifieke gevallen gebruik te maken van een PGB. Bijvoorbeeld wanneer hulp op afroep niet planbaar is, of in het geval van een hulpverlener met wie een langdurige relatie kan worden opgebouwd (dit speelt met name bij GGZ problematiek, autisme en kinderen, waar vertrouwen en structuur essentieel zijn).

 

De gemeente moet beoordelen of een aanvrager van een PGB voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • 1.

    Naar oordeel van het College van B&W moet de aanvrager het vermogen hebben om PGB-taken op een verantwoorde manier uit te laten voeren.

  • 2.

    De aanvrager moet motiveren dat het door de gemeente gecontracteerde aanbod van maatwerk- of individuele voorzieningen niet passend is in zijn specifieke situatie.

  • 3.

    Naar het oordeel van het college van B&W moet gewaarborgd zijn dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van goede kwaliteit zijn. De aanvrager krijgt zelf de regie en ook de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit. Het college kan met deze bepaling vooraf toetsen of kwaliteit voldoende is gegarandeerd, bijvoorbeeld in een persoonlijk budgetplan.

  

Gemeenten hebben beleidsvrijheid bij de verstrekking van het PGB:

  • Gemeenten bepalen op welke wijze de hoogte van het PGB wordt vastgesteld en leggen dat vast in de verordening.

  • Gemeenten mogen differentiëren in de hoogte van het PGB en verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning of jeugdhulp en voor verschillende typen hulpverleners.

  • Gemeenten mogen een aanvraag voor een PGB weigeren als de kosten van het PGB hoger zijn dan de kosten van de maatwerk– of individuele voorziening. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als een gemeente vanwege inkoopvoordelen deze voorzieningen goedkoper zal kunnen leveren. In de Jeugdwet is het mogelijk dat de budgethouder het mogelijke surplus zelf bijbetaalt (dit mag volgens de WMO wet niet).

  • Bij verordening kunnen gemeenten bepalen onder welke voorwaarden de PGB-houder de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.

  • Indien de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt, mogen gemeenten een PGB herzien of intrekken.

 

We onderzoeken de mogelijkheid om bepaalde (zeer kostbare) vormen van hulp/ ondersteuning (bijvoorbeeld vanuit de Jeugdwet) uit te sluiten voor PGB. In ieder geval heeft de Jeugdwet bepaald dat geen PGB’s mogen worden verstrekt als er sprake is van maatregelen van jeugdbescherming en jeugdreclassering en gesloten jeugdhulp.

 

Voor 1 november 2014 moet de gemeente een verordening jeugd en WMO hebben (wij gaan w.s. alles combineren in één verordening).

 

De Sociale Verzekeringsbank is aangewezen om de betalingen vanuit het PGB namens betrokkenen te verstrekken. Betrokkene beheert het budget dus niet zelf. Hij kan nog wel zelf bepalen bij welke hulpverlener de hulp wordt ingekocht. Hiervoor is gekozen om fraude of oneigenlijk gebruik van middelen zoveel mogelijk tegen te gaan.

  

Tegemoetkoming mensen met chronische ziekte en/of beperking

We moeten bepalen of we gebruik gaan maken van de bevoegdheid tot het verstrekken van een tegemoetkoming op grond van de Wmo. Hierbij moet ook de eventuele samenloop met de overige gemeentelijke instrumenten binnen het sociaal domein worden vermeld.

Staatssecretaris van Rijn van VWS heeft een nota van wijziging naar de Tweede Kamer gestuurd waarmee aan de Wmo een bepaling wordt toegevoegd om het voor gemeenten mogelijk te maken een tegemoetkoming (al) dan niet in de vorm van een forfaitaire vergoeding te verstrekken aan personen met een chronische ziekte en/of beperking die aannemelijke meerkosten hebben.

4.2.6 Veiligheid

In dit beleidskader hebben we ervoor gekozen veiligheid als apart thema op te nemen. We zien veiligheid niet zozeer als een integraal thema dat centraal staat over de decentralisaties heen. We zien veiligheid echter wel als een dusdanig specifiek en risicovol thema bij alle decentralisaties dat we hier apart aandacht aan willen besteden.

 

Wmo en veiligheid

Aan het begrip maatschappelijke ondersteuning is ten opzichte van de Wmo toegevoegd het element van ‘veiligheid’ in de gemeente. De regering meent dat dit van belang is omdat het gevoel van veiligheid voor ingezetenen een wezenlijk onderdeel uitmaakt van de mogelijkheid tot participatie. Het gaat hierbij om veiligheid in de zin van ‘vrij zijn’ van het risico op geweld uit huiselijke kring; er moet voor iedereen in de thuissituatie – en als dat niet kan, elders - een veilige plek zijn. De term ziet niet op veiligheid in justitiële zin.

 

Aanbieders zijn in het kader van de Wmo verplicht om bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) melding te doen van calamiteiten en seksueel misbruik. Voor de nieuwe wet Wmo wordt er niet voor gekozen Kwaliteitswet zorginstellingen (Kwzi), Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) en (Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz) van toepassing te verklaren op de (brede) maatschappelijke ondersteuning. Dit vanuit de wetenschap dat genoemde wetten vooral zijn toegesneden op de zorgsector. Zoals aangegeven vindt de regering het van belang om in het kader van dit wetsvoorstel – in het kader van het waar mogelijk de-medicaliseren en oog voor de behoefte van de ingezetene – kwaliteit opnieuw te definiëren. Deze exercitie vindt plaats in samenspraak tussen gemeenten, cliëntorganisaties en aanbieders, zowel op het landelijke als het lokale niveau. Dit neemt niet weg dat instrumenten als een laagdrempelige klachtenregeling, medezeggenschap en een meldingsregeling in geval van calamiteiten of misbruik ook in dit wetsvoorstel betrokken worden.

 

Jeugd en veiligheid

Ieder kind heeft het recht om veilig op te groeien. Zo ook jeugdigen in Oirschot. Ouders zijn hier primair verantwoordelijk voor. Hierbij kunnen ze rekenen op professionele ondersteuning als ze deze nodig hebben en onvoldoende kunnen vinden in de eigen sociale omgeving. Echter, zodra ouders de veiligheid van hun kinderen niet meer kunnen garanderen, dan heeft de overheid een verantwoordelijkheid deze kinderen te beschermen. Hieruit volgend is in de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor de jeugdbescherming, jeugdreclassering, het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling belegd bij de gemeenten.

 

Als de veiligheid van een kind in het gedrang komt, onderneemt het generalisten- of specialistenteam meteen actie, wanneer de ouders of jeugdigen niet willen of niet kunnen meewerken en de veiligheid van het kind in het gezin ook in de toekomst niet gegarandeerd kan worden. De veiligheid van het kind of de jongere moet altijd gewaarborgd zijn. Wel is het in deze situatie van belang dat opvoeders waar mogelijk de verantwoordelijkheid voor de opvoeding weer opnieuw kunnen oppakken, waar nodig met hulp. De lokale agent kan de link leggen met overleggen in het kader van Veiligheid (zoals het driehoeksoverleg met de Burgemeester).

 

Op regionaal niveau wordt nagedacht over de samenwerking in geval van veiligheidsrisico s, geweld, mishandeling, misbruik of een acute crisis (inclusief Jeugdreclassering en Jeugdbescherming). Hieronder geven we alvast weer welke maatregelen worden genomen in het kader van de veiligheid van het kind.

  • /

    In de regio Zuidoost-Brabant wordt gezamenlijk vormgegeven aan het voorkomen en verminderen en signaleren van huiselijk geweld, seksueel misbruik en kindermishandeling. Er komt hiervoor een regionaal Advies en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK). Dit onderdeel ligt ook wettelijk verankerd in de Wmo. Voor de regio Zuidoost Brabant blijft Bureau Jeugdzorg in 2015 verantwoordelijk voor het AMK. Het AMK wordt in 2015 samengevoegd met het Steunpunt Huiselijk Geweld, dat nu door de LEV-groep en door Lumens wordt verzorgd.

  • /

    Jeugdigen moeten kosteloos en anoniem vragen kunnen stellen en hun verhaal kwijt kunnen. Dat kan bij de Kindertelefoon, onderdeel van Bureau Jeugdzorg 8 . Dit Landelijk Bureau Kindertelefoon zorgt voor het realiseren van alle landelijke publiciteit, projecten en beleidsvraagstukken van de Kindertelefoon. Ook worden daar de chat, het 0800 nummer en de website beheerd.

  • /

    Ook de samenwerking met de politie is belangrijk in het kader van veiligheid. Agenten zien en signaleren situaties in hun dagelijks werk. Een nauwe samenwerking tussen hen en het generalistenteam is noodzakelijk om daar snel en goed op in te springen. In de gemeente Oirschot doen we dat onder andere via de buurtbrigadiers, die plaatsnemen in het signaleringsoverleg. Daarnaast vindt tussen de gemeente Oirschot, de buurtbrigadiers en jongerenwerk (Stichting Welzijn Best Oirschot) via “Jeugd in Beeld” overleg plaats in het kader van hangproblematiek.

  • /

    In 2014 wordt regionaal nog nader uitgewerkt hoe de gemeenten en de partners in het maatschappelijk veld (gaan) samenwerken met Openbaar Ministerie, Zittende Magistratuur en de Raad voor de Kinderbescherming. Dit geldt ook voor de onderlinge samenwerking tussen het AMHK, de hulpverlenende instanties, de Raad voor de Kinderbescherming en de politie. De gemeente Oirschot wil een goede samenwerking tussen deze partijen verder bevorderen.

  • /

    Het Veiligheidshuis is een samenwerkingsverband van de negen gemeenten in de regio Zuidoost-Brabant. Het Veiligheidshuis zorgt binnen de regio voor betere afstemming tussen partners die werken aan preventie, dwang en nazorg van crimineel gedrag. Op een fysieke locatie werken verschillende partijen uit de veiligheidszorg en strafrechtketen samen om verergering van problemen en terugval te voorkomen, en kansen te bieden aan het gezin. Het veiligheidshuis Brabant Zuidoost is een samenwerkingsverband tussen gemeenten, (justitiële) overheidsinstellingen en maatschappelijke organisaties. Het doel is de verbetering van veiligheid en leefbaarheid in de 21 gemeenten in Brabant Zuidoost. Er vindt samenwerking tussen de verschillende organisaties, zoals gemeenten, politie, Openbaar Ministerie, Raad voor de Kinderbescherming, maatschappelijk werk, verslavingszorg en Slachtofferhulp Nederland. Door die samenwerking kunnen problemen op het gebied van veiligheid beter worden aangepakt.

 

De gemeente Oirschot werkt voor de specialistische taken (ambulante zorg aan kind en gezin, dagbehandeling, dag- en nachtbehandeling, jeugdbescherming, jeugdreclassering, AMHK en kindertelefoon) samen met 21 gemeenten binnen de regio Zuidoost Brabant. Voor een overzicht en toelichting op deze specialistische taken verwijzen we naar bijlage 4.

Samenwerking met deze 21 gemeenten zal in de praktijk plaatsvinden wanneer het lokale generalistenteam binnen Oirschot en het specialistenteam binnen de drie gemeenten (Best, Oirschot, Veldhoven) geen acute inzet en/of benodigde specialistische expertise kan bieden, bij veiligheidsrisico’s, geweld, mishandeling, misbruik of een acute crisis.

 

Medewerkers uit het generalistenteams en/ of specialistenteam zullen degenen zijn die een raadsmelding doen via de Raad voor de Kinderbescherming. Indien er een maatregel uitgesproken wordt, wordt er een jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder aan de generalist en het gezin gekoppeld. Deze zogenaamde “tandemfunctie” wordt in de regio Zuidoost Brabant door iedere gemeente tot uitvoering gebracht. In de gevallen waarin een raadsmelding gedaan wordt, er een maatregel wordt opgelegd en er nog geen generalist gekoppeld is aan de casus, gebeurt dat direct.

 

AMHK: in de regio Zuidoost Brabant is afgesproken dat de jeugdbeschermer / jeugdreclasseerder een tandemfunctie vervult met de generalist in het gezin. De jeugdbeschermer / jeugdreclasseerder geeft samen met de generalist het plan van aanpak vorm en is toezichthouder. Ook is voor deze voorzieningen op het gebied van veiligheid in grote lijnen bepaald hoe ze samenwerken met de generalistenteams. Jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders vormen een koppel met de betrokken generalist. De eersten zijn vooral betrokken bij de toezichttaak, de laatste bij het gezin en het uitvoeren van het gezinsplan. We willen voorkomen dat rondom deze “gedwongen” hulp, wachtlijsten ontstaan. De invulling van de tandemfunctie wordt momenteel nader uitgewerkt. Wel is duidelijk geworden dat in Zuidoost Brabant de uitvoering van de jeugdbescherming en jeugdreclassering in 2015 nog in handen blijft van Bureau Jeugdzorg.

 

Het AMHK is bereikbaar voor advies en consultatie van inwoners, vrijwilligers en professionals. Echter, gemeenten profileren in eerste instantie hun generalistenteams voor advies-, consultatie- en ondersteuningsfuncties. Als de problematiek complexer is, of mensen liever op afstand advies vragen, kan dat via het AMHK. Het AMHK levert zelf geen hulp aan gezinnen. In de in 2014 te realiseren regiovisie Huiselijk Geweld zal dit meegenomen worden.

 

Crisisdienst:de crisisdienst is in beginsel 24x7 bereikbaar voor crises. Zij hebben een telefonische bereikbaarheidsdienst voor alle inwoners en professionals. Echter, er zal eerst (snel) gekeken worden of een generalist uit het lokale veld beschikbaar is gedurende kantoortijden. Anders gaan zij er op af, zoals eerder beschreven. Zij werken hiervoor samen met de crisisdiensten van LVB, GGZ en het specialistisch zorgaanbod. Over de crisishulp is gezegd dat deze zo snel mogelijk weer overdragen moet worden aan de ‘normale’ hulp van het generalistenteam. Het AMHK moet overleggen met de generalist over de wenselijke en nodige hulp in geval van kindermishandeling of huiselijk geweld.

 

Er wordt 24 uur per dag, zeven dagen per week crisisinterventie voor kinderen en gezinnen verricht. Medewerkers van het crisisteam moeten in onoverzichtelijke situaties en onder druk professioneel en adequaat handelen om de veiligheid van kinderen én ouders te bevorderen voor minimaal de eerste 48 uur (ambulancedienst) tot maximaal vier weken.

 

Per 1 januari 2015 biedt de regionale crisisdienst (nu Spoedeisende Zorg van Bureau Jeugdzorg) acute, niet medische, hulp. Inmiddels is voor de regio Zuidoost Brabant duidelijk geworden dat in 2015 Bureau Jeugdzorg de crisisdienst voor gezinnen blijft uitvoeren. Het komen tot één crisisdienst voor alle inwoners is iets wat uitwerking behoeft en als vervolgopdracht is weggelegd binnen het document “21 voor de jeugd 2.0.”

5. Rol van de gemeente

 

Met de invoering van de decentralisaties is het de bedoeling dat de grote druk op gespecialiseerde zorg wordt teruggedrongen en de verkokerde manier van werken worden aangepakt. De Jeugdwet, de nieuwe Wmo en de Participatiewet zorgen ervoor dat de gemeenten straks bestuurlijk, financieel en inhoudelijk verantwoordelijk worden voor (bijna) alle vormen van niet-medische hulp en ondersteuning aan inwoners.

 

Het is daarmee ook taak aan de gemeente Oirschot om te zorgen voor een samenhangend beleid en een integrale uitvoering ten aanzien van deze hulp en ondersteuning aan inwoners. Hierbij moet de gemeente –vanuit het principe één burger/ één gezin, één plan”- samenwerken en afstemming zoeken met een groot aantal partners zoals het onderwijs, politie, justitie en eerstelijns zorgaanbieders.

 

Gemeenten hebben hierin verschillende rollen:

  • /

    Regievoering: gemeenten moeten sturing gaan geven op het gehele stelsel van jeugdhulp, Wmo en participatie. Dit moet een bijdrage leveren aan één van de grootste knelpunten in het huidige zorgstelsel: het gebrek aan samenwerking en afstemming tussen de verschillende organisaties die hulp en ondersteuning aan een burger en/of gezin leveren. Met alle vormen van hulp en -ondersteuning onder de eigen vleugels en een ontschot budget vanuit het Rijk, is het aan de gemeenten zelf om deze rol verder in te vullen. Ook de organisatie van de uitvoering valt onder regie van gemeenten 9

  • /

    Opdrachtgever: de gemeenten worden naast regisseur ook opdrachtgever van een breed scala aan te bieden hulp, ondersteuning, voorzieningen en arrangementen. We moeten daarbij nadenken over wat we willen bereiken, waarbij we het aan de uitvoerders zoveel mogelijk overlaten hoe ze dit vormgeven. Dit betekent dat we doelen en opdrachten scherp moeten wegleggen. Dit vraagt om sturing en monitoring aan de hand van sturingsindicatoren.

  • /

    Rol burgemeester: in de Jeugdwet heeft de burgemeester als apart bestuursorgaan zelfstandig taken opgedragen gekregen. Hij heeft bevoegdheden in het domein van openbare orde en veiligheid (huiselijk geweld en verplichte opname in psychiatrische inrichting wegens gevaar voor zichzelf of omgeving).

    • o

      Is er sprake van huiselijk geweld waarbij kinderen getuige of betrokken zijn, dan stemt de crisisdienst af met de politie. Zij kan in overleg met de burgemeester eventueel zorgen voor een huisverbod voor één van de gezinsleden.

    • o

      In geval van acuut gevaar kan de burgemeester een inbewaringstelling (IBS) afgeven zodat een jeugdige meteen kan worden opgenomen.

    • o

      Ook krijgt de burgemeester de mogelijkheid om via de Raad voor de Kinderbescherming om een onder toezichtstelling te verzoeken.

    • o

      Verder vervult hij een rol in de beleidscoördinatie rondom veiligheid.

 

Als gevolg van de gehele transformatie van het sociale domein, worden verhoudingen tussen burgers, maatschappelijke partners en de overheid anders. Zoals uit bovenstaande blijkt voert de gemeente de regie. We verwachten van burgers een (meer) actieve en (meer) zelfredzame houding met aandacht voor elkaar en voor de sociale omgeving. Burgers komen niet meer automatisch bij de gemeente terecht als zij hulp of ondersteuning nodig hebben. Eigen kracht en de sociale netwerken rondom burgers en gezinnen staat centraal. De gemeente vervult een faciliterende en stimulerende rol bij het bereiken van een krachtige (pedagogische), meer zelfredzame en sociale samenleving. Er ontstaat veel ruimte voor burgerinitiatieven. De gemeente vervult ook bij deze initiatieven een faciliterende en ondersteunende rol.

 

Bijeenkomst maatschappelijke partners d.d. 10 april 2014:

 

“Oirschot kent veel creatieve burgers. Geef deze burgers de ruimte om initiatieven te ontplooien. Dit betekent minder bureaucratie en regelarm!”.

 

 

6. Regionale samenwerking

 

Op 26 februari 2013 heeft de gemeenteraad besloten om op basis van de ‘Visie op verregaande samenwerking’ in te zetten op niet vrijblijvende thematische netwerksamenwerking met maatschappelijke instellingen, bedrijfsleven, burgers en overheden. Specifiek is daarbij besloten om de decentralisatieopgave in het sociale domein in samenwerking met het stedelijk gebied en/of in SRE verband op te pakken.

 

Na dit besluit heeft een eerste (ambtelijke) verkenning plaatsgevonden naar de mogelijkheden voor samenwerking tussen Best, Veldhoven en Oirschot binnen het sociaal domein. Ook zijn gesprekken met de gemeente Eindhoven gevoerd. Op basis van deze eerste verkenning lijkt samenwerking met de randstedelijke gemeenten Best en Veldhoven het meest voor de hand liggend. De visie van deze gemeenten ten aanzien van het sociaal domein komt op hoofdlijnen overeen, de problematieken zijn grotendeels hetzelfde en er blijft voldoende ruimte voor een eigen lokale invulling. Na de eerste verkenning zijn de samenwerkingsmogelijkheden ambtelijk verder onderzocht. Voor de decentralisaties in het sociale domein is bepaald op welke onderdelen samenwerking meerwaarde heeft of verdere verkenning in elk geval zinvol is. Het resultaat hiervan is besproken tijdens een bestuurlijk overleg tussen de drie gemeenten op 12 december 2013. De resultaten hebben we begin 2014 gedeeld met het college en de gemeenteraad.

We kunnen stellen dat samenwerking met name ten aanzien van jeugd en Wmo meerwaarde biedt, zowel als het gaat om kennis delen, samenwerken op beleidsniveau als samenwerken op operationeel niveau. Ook de samenwerkingsverbanden passend onderwijs hebben de gemeente Oirschot geadviseerd (zie ook hoofdstuk 8) zich in ieder geval ten aanzien van de decentralisatie jeugdzorg te richten op een subregionale samenwerking met Best en Veldhoven, gezien de oriëntatie van het (lokale) onderwijs op deze gemeenten (met name Best en Oirschot) en de leerlingenstromen binnen het onderwijs.

 

Ten aanzien van de invoering van de participatiewet lijkt de samenwerking met Best en Veldhoven vooralsnog niet het meest voor de hand liggend. We zijn als gemeente Oirschot onderdeel van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) De Kempen. De voorbereiding van de participatiewet gebeurt dan ook vanuit de ISD. Uitgaande van onze integrale benadering is een splitsing in samenwerkingsverbanden over de verschillende onderdelen niet wenselijk. We ondervinden hier momenteel al nadelen van. Zo kost de samenwerking binnen twee samenwerkingsverbanden zowel ambtelijk als bestuurlijk veel capaciteit. Omdat we beleid zoveel mogelijk afstemmen met Best en Veldhoven zijn we voor de ISD in veel gevallen en vreemde eend in de bijt aan het worden (die vier Kempengemeenten stemmen beleid volledig op elkaar af). Deze situatie is zowel voor de gemeente als voor de ISD niet wenselijk. We stellen daarom voor om, gelijktijdig met de voorbereidingen voor de invoering van de decentralisaties, in te zetten op;

  • >

    Het verdiepen en uitbreiden van de subregionale samenwerking met Best en Veldhoven en dit samenwerkingsverband indien mogelijk (meer) structureren en formaliseren.

  • >

    Het in kaart brengen van mogelijke scenario’s om de intergemeentelijke samenwerking operationeel te maken door middel van een business case (op basis van eerder genomen besluiten en gevoerde bestuurlijke overleggen).

7. Financiën en kwaliteitsbewaking

7.1 Financien

Bij de overheveling van taken vanuit het Rijk en provincie worden ook de bijbehorende budgetten overgeheveld. Vanaf 1 januari 2015 worden de (oude en nieuwe) financieringsstromen vanuit de verschillende beleidsterreinen (jeugd, Wmo en participatie) gebundeld en opgenomen in het gemeentefonds. Binnen het gemeentefonds is sprake van een integratie-uitkering; het deelfonds sociaal domein. Het deelfonds sociaal domein kent voor de duur van drie jaar een bestedingsverplichting. Het budget is vrij te besteden binnen het sociaal domein, maar niet daarbuiten.

 

De overheveling van budgetten gaat gepaard met kortingen vanuit het Rijk. De definitieve financiele gegevens zijn op dit moment nog niet bekend en worden pas bij de mei-circulaire aan gemeenten beschikbaar gesteld. Op basis van de huidige beschikbare financiele gegevens en uitgaande van de continuering van de huidige taken hebben voor 2015 de hiernavolgende voorlopige begroting opgesteld.

 

 

 

Voorlopige begroting sociaal domein Oirschot 2015

 

 

Uitgaven huidige taken

Inkomsten huidige taken

Saldo oude situatie

Uitgaven nieuwe taken (excl. oude taken)

Inkomsten nieuwe taken (excl. bestaande budgetten)

Saldo nieuwe taken

Uitgaven totaal nieuwe situatie (oude en nieuwe taken)

Inkomsten totaal (oude en nieuwe taken)

Saldo totaal nieuwe situatie

Resultaat t.o.v huidige begroting voor 2015

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jeugd

 

€ - 1.310.217

€ 484.8908

€ - 825.327

€ - 2.263.118

€ 2.134.194

€ - 128.924

€ - 3.573.335

€ 2.619.084

€ - 954.251

€ - 128.924 10

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wmo 11

 

€ - 2.125.032

€ 924.134

€ - 1.200.898

€ - 2.823.762

€ 2.057.563

€ - 766.199

€ - 4.948.794

€ 3.097.896

€ - 1.850.898

€ - 650.000 12

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Participatie

€ - 4.868.496

€ 4.663.496

€ - 205.000

Nog niet bekend

Nog niet bekend

€ - 175.000

Nog niet bepalen

Nog niet te bepalen

€ - 380.000

€ - 175.000 13

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

€ - 953.925

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit voorgaande voorlopige begroting blijkt dat we vanaf 2015, en daarna structureel oplopend, te maken krijgen met een tekort ten opzichte van de huidige begroting.

 

Zoals aangegeven verwachten we, met name door de sterke inzet op preventie en signalering en versterking van de nullijn (waardoor uiteindelijke minder inzet van zwaardere zorg nodig is), de gewenste dienstverlening uiteindelijk binnen de door het Rijk beschikbaar gestelde budgetten (inclusief bestaande gemeentelijke budgetten) uit te kunnen voeren. Tegelijkertijd verwachten we dat dit de eerste jaren na de invoering van de decentralisaties nog niet haalbaar is. Deze eerste jaren zijn nog nauwelijks effecten (in financiele zin) te verwachten van het inzetten op eigen kracht en preventie. Bovendien gaan we werken met nieuwe structuren, nieuwe processen, nieuwe medewerkers. Juist in de eerste jaren zullen we hierin veel moeten investeren. De tekorten zoals geschetst in de voorlopige begroting lijken daarom reeel.

 

Op basis van bovenstaande stellen we voor te werken met een bestemmingsreserve ‘sociaal domein’ voor de jaren 2015, 2016 en 2017 waarover we duidelijke afspraken maken met de gemeenteeraad over besteding en verantwoording. Vanzelfsprekend doen we alleen een beroep op een dergelijke bestemmingsreserve indien de bestaande gemeentelijke budgetten in een bepaald jaar niet (meer) toereikend zijn en de hulp- of ondersteuningsvraag niet op een andere manier opgelost kan worden.

7.2 Risico's

De decentralisaties zijn omvangrijk en complex. Nog niet alle (financiele) gegevens zijn beschikbaar en nog niet alle wetteksten zijn definitief. De decentralisaties vormen daarom een risico voor de gemeente. Het Centraal PlanBureau heeft een inventarisatie gedaan naar de belangrijkste risico’s voor gemeenten (CPB Notitie, september 2013). Daarnaast zien we een aantal risico’s die met name op lokaal niveau van belang zijn. Samengevat zien we de onderstaande risico’s;

  • >

    De financiële gegevens (over te hevelen budgetten vanuit het Rijk) worden pas bij de mei-circulaire bekend. We kunnen met de visievorming, beleidsvorming en voorbereiding niet hierop wachten. Visie en beleid wordt dus vastgesteld op basis van (zeer globale) voorlopige budgetten.

  • >

    Onze primaire partners in het sociaal domein zijn de gemeenten Best en Veldhoven. Deze samenwerking heeft echter (nog) geen formele status en is minder intensief dan bij andere subregio’s. Dit betekent dat we als relatief kleine gemeente veel zelf moeten oppakken en uitvoeren. Daarnaast zijn we voor een aantal onderdelen nog “gebonden” aan de samenwerking binnen de kempengemeenten. Dit geldt met name voor de ISD De Kempen. (Intergemeentelijke Sociale Dienst De kempen) en het SSC (Shared Service Center Kempengemeenten). Beleid en uitvoering moeten hierdoor (deels) gescheiden opgepakt worden en in sommige gevallen dubbel binnen verschillende samenwerkingverbanden. In hoofdstuk 6 hebben we aangegeven hoe we hiermee om willen gaan.

  • >

    Decentrale uitvoering kan gepaard gaan met schaalnadelen in de uitvoering. Gemeenten opereren op een veel kleinere schaal dan Rijk of provincie. Schaalnadelen kunnen ontstaan door bijvoorbeeld versnippering van kennis en inkoopmacht (CPB Notitie, september 2013).

  • >

    Er kan, zeker bij kleinere gemeenten, een cumulatie van financiële risico’s optreden. Als grote onverklaarde verschillen in de verdeelmodellen cumuleren, kan dit, bovenop de generieke budgetkortingen, individuele gemeenten in financiële problemen brengen. Gemeenten hebben slechts beperkte mogelijkheden om deze zelf op vangen. (CPB Notitie, september 2013)

  • >

    De decentralisatie van taken gaat gepaard met flinke kortingen vanuit het Rijk. Dit afgezet tegen de groei van de doelgroepen van de Jeugdzorg en de WMO in het recente verleden, staan gemeenten voor een forse budgettaire opgave. Daarbij komt nog dat gemeenten met name in de eerste jaren moeten investeren in het opzetten van structuren, verfijnen van processen, monitoren van beleid, scholen van medewerkers etc. Deze bedrijfsvoeringaspecten vragen de eerste jaren een flinke investering, zowel financieel als qua tijdsinzet. In de vanuit het Rijk over te hevelen budgetten is hier geen rekening mee gehouden, naast de invoeringsbudgetten voor het jaar 2014. Tenslotte zijn de te verwachten (financiële) effecten van de inzet op eigen kracht en zelfredzaamheid en preventie (en het daardoor minder inzetten van duurdere zwaardere zorg) pas op langere termijn te verwachten.

  • >

    Zowel bij de Wmo als bij de decentralisatie jeugd zijn gemeenten verplicht om te komen tot zorgcontinuïteit voor burgers die op 31 december 2014 in zorg zijn (of die op een wachtlijst staan). Burgers met een indicatie of met een reeds lopend (zorg)traject op 31 december 2014, mogen voor de duur van maximaal 1 jaar (dus tot uiterlijk 31 december 2015) dezelfde zorg continueren. Dit betekent dat elke burger met een lopende indicatie of lopend zorgtraject voor 31 december 2015 een nieuw ondersteuningsplan heeft. Uitzonderingen op de overgangstermijn van een jaar zijn de pleegzorg en zorgvormen die worden opgelegd door middel van maatregelen (justitie, OM, rechter). Het overgangsrecht hebben we voor de doelgroep jeugd vormgegeven door middel van het Regionaal Transitiearrangement Jeugd dat is opgesteld met de andere gemeenten in de regio Zuidoost Brabant. Hierin hebben de gemeenten gezamenlijk afspraken gemaakt over de continuïteit van zorg en het behoud van de hiervoor benodigde infrastructuur. Jeugdigen en hun ouders kunnen het reeds gestarte traject in 2015 dus gewoon afronden bij de voor hen bekende aanbieder. Voor pleegzorg en jeugdhulp opgelegd in het kader van een rechterlijke maatregel geldt het overgangsrecht voor een langere periode. Financieel gezien betekent deze overgangssituatie en de gemaakte afspraken dat een (aanzienlijk) deel van de in 2015 te besteden budgetten al vastliggen.

  • >

    We hebben passend onderwijs niet meegenomen in de voorlopige begroting. De overheveling van budgetten vanuit het Rijk voor passend onderwijs gaat naar de samenwerkingsverbanden passend onderwijs (dus niet naar de gemeente). Wel zijn financiele effecten van passend onderwijs te verwachten op bijvoorbeeld leerlingenvervoer en (mogelijkerwijs) onderwijshuisvesting. De financiele gevolgen hiervan zijn op dit moment nog niet aan te geven.

7.3 Kwaliteitsbewaking

Kwaliteitseisen

 

We hechten belang aan de kwaliteit van aanbieders en hun ondersteuning. Belangrijke aspecten waarop we willen monitoren zijn:

  • -

    Inzet en uitkomsten zelfredzaamheidsmatrix

  • -

    Focus op eigen kracht en sociale samenleving

  • -

    Effectief samenwerken (m.n. bij gezinsplannen)

  • -

    Nadruk op preventief en laagdrempelig

 

Naast de kwaliteitseisen die voor de gemeente Oirschot van belang zijn, zijn aanbieders gehouden aan een aantal verplichte kwaliteitseisen voortkomend uit de nieuwe Jeugdwet, Wmo en participatiewet. Hierbij kan gedacht worden aan verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor alle professionals, voorschriften over informatieverstrekking, toestemming, dossiervorming en bescherming van persoonsgegevens en procedures omtrent calamiteiten, procedures bij geweld bij de verlening van hulp en procedures in het kader van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.

 

Specifiek ten aanzien van jeugd heeft de Inspectie Jeugdzorg een rol in het toezicht op de kwaliteit van de jeugdzorg en op de naleving van de wetgeving. De inspectie zorgt voor een onafhankelijk oordeel over de kwaliteit van de jeugdzorg dat relevant is voor de professional, de instelling en de overheid en dat helpt bij het verbeteren van de jeugdzorg.

 

De positie van jeugdigen en ouders wordt wettelijk geborgd door een informatieplicht richting jeugdigen en/of ouders, een toestemmingsvereiste waardoor toestemming van de jeugdige en/of ouder is vereist voor het verlenen van vrijwillige jeugdhulp, klachtenbehandeling bij klachten over het handelen van een professional en medezeggenschap via cliëntenraden van jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen.

 

Kwaliteitsbewaking 

We waarborgen de kwaliteit van hulp en ondersteuning door middel van aanvullende kwaliteitseisen in contracten, keurmerken, klachtenregistraties, het bewaken van de voortgang en het evalueren van de inzet van preventiebeleid- en activiteiten. Indicatoren die we daarvoor gebruiken zijn onder andere cliënttevredenheid, doelrealisatie, mate van zelfredzaamheid (o.b.v. zelfredzaamheidsmatrix), vermindering problematiek en reden beëindiging zorg.

 

Incidenten en calamiteiten

We hebben in paragraaf 4.2.6. aangegeven hoe we binnen de Wmo omgaan met incidenten en calamiteiten. In deze paragraaf geven we een toelichting op deze onderwerpen vanuit de decentralisatie jeugdzorg.

 

Het toezicht van de Inspectie Jeugdzorg maakt een onderscheid tussen toezicht op calamiteiten en het toezicht op incidenten. De beoordeling en afhandeling van incidenten ligt in eerste instantie bij de instellingen zelf. Incidenten hebben namelijk betrekking op de ‘gebruikelijke zorgverlening’ en kunnen ook daarbinnen worden opgelost.

 

Calamiteiten wordt door de Inspectie Jeugdzorg omschreven als: een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden gedurende de betrokkenheid van een instelling en die onverwacht of onbedoeld kan leiden of heeft geleid tot een dodelijk of schadelijk gevolg voor een jeugdige, of voor een ander als gevolg van het handelen van een jeugdige. Calamiteiten moeten altijd direct schriftelijk of via een elektronisch bericht aan de Inspectie worden gemeld door de betrokken instelling.

 

De lokale procedure die gevolgd moet worden in het geval van een calamiteit leggen we vast in een calamiteitenprotocol waarbij de eisen van de Inspectie, zoals een terugkoppeling over de wijze waarop de calamiteit is aangepakt, worden ingebed. Naast de wijze waarop de calamiteit actief door de gemeente wordt opgelost met betrokken professionals bevat het protocol aanwijzingen rondom de communicatie over de calamiteit.

 

8. Proces

 

We kunnen de invoering van de decentralisaties en de transformatie van het sociale domein niet alleen. Wij voeren de regie maar hebben daarbij alle kennis, kunde en inzet van alle betrokkenen nodig. Ook bij de totstandkoming van onderliggend beleidskader hebben we zoveel mogelijk gebruik gemaakt van input en advies van inwoners, maatschappelijke partners, aanbieders, adviesraden, cliëntraden en klankbordgroepen:

 

  • /

    Klankbordgroep gemeenteraad

    In 2013 en 2014 hebben diverse bijeenkomsten met de klankbordgroep decentralisaties van de gemeenteraad plaatsgevonden. Op 15 januari 2014 hebben we met de klankbordgroep een startoverleg gevoerd over het sociaal beleidskader. Op basis van de input van de klankbordgroep hebben we de eerste uitgangspunten en kaders van het sociaal beleidskader geformuleerd. Op 20 mei 2014 heeft een tweede bijeenkomst met de klankbordgroep plaatsgevonden over het sociaal beleidskader. Tijdens deze bijeenkomst hebben we het concept beleidskader besproken en een toelichting gegeven op het proces zoals in deze paragraaf beschreven. De klankbordgroep heeft haar reacties en op- en aanmerkingen op het concept sociaal beleidskader gegeven. De input die we tijdens deze bijeenkomst hebben ontvangen, hebben we verwerkt in het onderliggend beleidskader.  

  • /

    Wmo Adviesraad, vertegenwoordiging cliëntenplatform ISD uit Oirschot, CJG klankbordgroep

    We hebben op 15 april 2014 overleg gevoerd met de WMO Adviesraad, een vertegenwoordiging van het cliëntenplatform ISD uit Oirschot en de klankbordgroep CJG over de concept uitgangspunten van het sociaal beleidskader. We hebben de input die we deze avond hebben ontvangen verwerkt in het concept beleidskader. Daarna hebben de genoemde partijen het concept beleidskader ontvangen en hebben wij hen gevraagd een formeel advies uit te brengen. De Wmo Adviesraad en de Oirschotse vertegenwoordiging van het ISD cliëntenplatform hebben aangegeven zich te kunnen vinden in het gepresenteerde document. Wel moeten een aantal belangrijke zaken nog verder uitgewerkt worden binnen het vervolgtraject. De hoofdpunten van het advies waren:

    •  

      Maak duidelijk onderscheid in het verschil tussen decentralisaties (in te voeren per 1 januari 2015) en de transformatie van het sociale domein (langere termijn).

    • Kennis en kunde omtrent vraagverheldering en “de vraag achter de vraag” bij generalisten en/of specialisten die het keukentafelgesprek voeren is essentieel.

    • Het bestrijden van eenzaamheid moet een plaats krijgen in het sociaal beleidskader.

    • Probeer te zoeken naar creatieve oplossingen, ook buiten de gebaande kaders. Denk bijvoorbeeld aan passend onderwijs en leerlingenvervoer. Bekijk in hoeverre hier geen andere oplossingen zijn die ten goede komen aan het kind en de gemeenschap.

    • Door de beleidsvrijheid die gemeenten hebben ontstaan verschillen tussen gemeenten. Denk van te voren na hoe hiermee om te gaan.

 

We hebben het advies verwerkt in het onderliggend sociaal beleidskader.

Vanuit de CJG klankbordgroep hebben we geen formeel advies ontvangen. Wel hebben we op persoonlijke titel een reactie van één van de leden ontvangen: “een goed en helder beleidskader”. Van de andere leden van de CJG klankbordgroep hebben we geen reactie ontvangen.

 

  • /

    Maatschappelijke partners en aanbieders:

  • We hebben de concept uitgangspunten van het sociaal beleidskader met externe partners besproken in een bijeenkomst op 10 april 2014. Hierbij hebben we getoetst of onze uitgangspunten aansluiten bij de ideeën en visie van onze sociale partners. Daarnaast hebben we verdere ideeën en input verzameld. Deze zijn verwerkt in dit beleidskader.  

  • /

    Samenwerkingsverbanden passend onderwijs:

    De Jeugdwet verplicht gemeenten om een Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs te voeren om tot overeenstemming te komen over het meerjarig beleidskader jeugd. De wetgever acht dit belangrijk vanuit het oogpunt van één gezin, één plan. Leer- of functioneringsproblemen van een kind op school kunnen immers hun oorzaak hebben in de leefwereld buiten de school. Zo kunnen de problemen voortkomen uit een verstoorde thuissituatie. Dit overstijgt vaak de verantwoordelijkheid van de school en roept het belang op van één integraal plan dat kijkt naar alle verschillende aspecten van het leven van het kind. Vaak hebben scholen zelf al een eigen zorg- en ondersteuningsstructuur ingericht. Het is belangrijk dat de zorg binnen en buiten de school op elkaar zijn afgestemd: één gezin, één plan.

     

    We hebben op 24 april 2014 overleg gevoerd met de Stichting Samenwerkingsverband Passend Onderwijs De Kempen 30-09 (primair onderwijs) en Regionaal Samenwerkingsverband voor Passend Voortgezet Onderwijs Eindhoven en Kempenland (voortgezet onderwijs) over het concept sociaal beleidskader, inclusief het beleidskader jeugd. Beide samenwerkingsverbanden hebben aangegeven zich te kunnen vinden in het concept sociaal beleidskader, na verwerking van een aantal aanvullingen. Deze aanvullingen hadden met name betrekking op het niveau van samenwerking en overleg (tussen gemeenten onderling en tussen gemeenten en de samenwerkingsverbanden), het relatief hoge percentage leerlingen met stoornissen binnen het autistisch spectrum en de relatie met het VN Verdrag omtrent de rechten van het kind. Daarnaast hebben we in gezamenlijkheid een aantal concrete zaken benoemd die we op willen pakken binnen de beleidsagenda’s (gezamenlijke ontwikkelagenda van gemeenten en samenwerkingsverbanden) zoals die in de ondersteuningsplannen passend onderwijs zijn benoemd.  

  • /

    Eerstelijns overleg

    We hebben de concept uitgangspunten van het sociaal beleidskader op 10 maart 2014 besproken tijdens een bijeenkomst van het eerstelijnsoverleg (Welzijn Best Oirschot, huisartsen, Zuidzorg, Amalia Zorg, St. Joris, Lunet Zorg, Lumens Groep, MEE). De aanwezigen konden zich vinden in de toen op hoofdlijnen gepresenteerde beleidsuitgangspunten.  

  • /

    Inwoners

    We hebben het concept beleidskader van 7 tot 21 mei 2014 ter inzage gelegd. We hebben hiermee alle inwoners en betrokkenen de gelegenheid geboden een reactie en/of advies te geven op het concept plan. We hebben een drietal reacties ontvangen. Deze reacties hebben niet geleid tot tekstuele aanpassingen. Vanzelfsprekend hebben we wel op alle reacties afzonderlijk gereageerd.     

  • /

    Medewerkers gemeente Oirschot (waaronder inwoners van Oirschot)

    We hebben alle medewerkers van de gemeente Oirschot betrokken en geïnformeerd over de drie decentralisaties en passend onderwijs. We hebben hen uitgenodigd (Ontmoetcafé) om mee te denken in de beleidsvorming. Deze input hebben we meegenomen in het onderliggend beleidskader.

 

Burgerparticipatie blijft ook in het vervolgtraject en de verdere uitvoering centraal staan. Om met de samenleving in gesprek te blijven over veranderingen in het sociaal domein richten we o.a. een denktank op met mensen die actief zijn in de diverse deelgebieden van de zorg. Doel daarbij is om de inbreng van ervaringsdeskundigen te gebruiken voor een effectievere inrichting en uitvoering, onder meer van de decentralisatie van zorgtaken.

 

Bijlagen:

  • 1.

    Overzicht veelgestelde vragen CJG

  • 2.

    Jeugd in beeld

  • 3.

    Jeugdvisie

  • 4.

    Vormen van specialistische jeugdhulp

  • 5.

    Regionale afspraken rondom bekostiging

  • 6.

    Begrippen en definities

Bijlage 1 Overzicht veelgestelde vragen

Hieronder hebben we een overzicht opgenomen van veelgestelde vragen door Oirschotse ouders aan het CJG in 2013. Dit geeft een goed beeld van de vragen waar zij mee rondlopen.

 

Greep uit veel gestelde vragen door ouders (0-23 jaar) in Oirschot in 2013 aan het CJG Oirschot

  • /

    Waar is er een goede weerbaarheidscursus?

  • /

    Mijn kind heeft geen zelfvertrouwen, Waar kan ik terecht?

  • /

    Mijn kind kan niet goed communiceren. Wat is er aan de hand?

  • /

    Ik heb gelezen over Triple P. Kan ik dat ook leren in Oirschot?

  • /

    Mijn kind heeft PDD_NOS. Kan ik een PGB aanvragen?

  • /

    Ik wil dat het weer gezellig wordt in mijn gezin. Mijn kinderen vechten voortdurend en ik kan het vaak niet meer oplossen. Wat te doen?

  • /

    Mijn zoon van 9 zegt regelmatig dat hij dood wil. Wat kunnen we doen?

  • /

    Mijn zoon heeft erge faalangst. Wat kunnen we hieraan doen?

  • /

    Mijn partner en ik gaan scheiden. We willen de kinderen deel laten nemen aan een KIES traject. Kan dat in Oirschot?

  • /

    Mijn kind wordt vaak snel boos. Haar gedrag levert op school problemen op. Ikzelf wordt vaak ook boos. Wat te doen?

  • /

    Ik wil graag begeleide omgang voor onze kinderen. Hoe kan ik dat geregeld krijgen?

  • /

    Is er in Oirschot een mogelijkheid voor het ondernemen van activiteiten? Ik hoorde van de Ramblaz maar weet daar weinig van.

 

Qua aanbod merken we dat groepstrainingen voor ouders m.b.t. opvoedondersteuning in Oirschot op veel deelnemers kunnen rekenen. Ook sociale vaardigheidstrainingen voor kinderen en jongeren lopen goed.

Bijlage 2 Jeugd in beeld

Beeld Oirschotse jeugd:

 

 

* Bron: GGD Jeugdmonitor 12-18 jaar; **  Bron: GGD Jeugdmonitor 0-11 jaar

 

Tabel: Indicaties onderwijs

 

* Cijfers per 1 oktober 2010

** Cluster 1: blinde, slechtziende kinderen; cluster 2: dove, slechthorende kinderen; cluster 3: gehandicapte en langdurig zieke kinderen; cluster 4: kinderen met stoornissen en gedragsproblemen

 

Bijlage 3 Jeugdvisie

Al eerder hebben we in de jeugdvisie (vastgesteld door het College van B&W in februari 2013) enkele uitgangspunten vastgesteld die richtinggevend zijn voor ons beleid voor jeugdigen en gezinnen. Deze richten zich niet specifiek op de jeugdzorg, maar op het stimuleren van een positief opgroei- en opvoedklimaat voor jeugdigen. Onze jeugdvisie is opgesteld vanuit drie pijlers. 14

 

 

 

 

Bijlage 4 Vormen van specialistische jeugdhulp

Ambulante zorg

Ambulante zorg is zorg waarbij de zorgverstrekker (zoals een arts, psycholoog of gespecialiseerd verpleegkundige) zich voor behandeling of begeleiding verplaatst naar de jeugdige of het gezin. Hierbij vindt geen opname van de jeugdige plaats.

Dagbehandeling

1. Behandeling in een instelling met opname en ontslag op dezelfde dag.

2. Het alleen overdag gebruik maken van de voorzieningen in een instelling, waarbij de jeugdige niet is opgenomen.

Dag- en nachtbehandeling

Bij dag- en nachtbehandeling wordt de jeugdige minimaal 1 nacht opgenomen in het ziekenhuis of de instelling.

 

Jeugdbescherming

   

Raad voor de Kinderbescherming

Jeugdbescherming is een maatregel die de rechter dwingend oplegt. Dat gebeurt als een gezonde en veilige ontwikkeling van een jeugdige wordt bedreigd en vrijwillige hulp niet of niet voldoende helpt. Jeugdbescherming moet volgens de jeugdwet worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling.

Vanaf 2015 krijgen de Raad voor de Kinderbescherming en gemeenten intensief met elkaar te maken in het kader van de jeugdbescherming. Op dit moment wordt de samenwerking tussen de 21 gemeenten in de regio met de Raad voor de Kinderbescherming in een afsprakenkader vastgelegd. 

Jeugdreclassering

Jeugdreclassering is een vorm van (ambulante) bemoeienis voor jongeren tussen 12 en 23 jaar, die met politie en / of justitie in aanraking zijn gekomen. De begeleiding kan doorlopen tot de jongere 23 jaar is, indien de jongere minderjarig was bij het plegen van het strafbare feit. Doel van de jeugdreclassering is het voorkomen van recidive en het vergroten van de maatschappelijke participatie. De jeugdreclassering biedt begeleiding om de jongere weer op het rechte pas te krijgen. Jeugdreclassering moet volgens de jeugdwet worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling.

Advies en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (AMHK)

Het AMHK is een integraal advies- en meldpunt voor vermoedens van zowel huiselijk geweld als kindermishandeling. N.a.v. een melding moet het AMHK onderzoeken of er sprake is van kindermishandeling. Indien nodig moet het AMK hulpverlening op gang brengen. Het AMK heeft een belangrijke advies- en consultfunctie en is dan ook toegankelijk voor zowel professionals als inwoners met vragen.

Kindertelefoon

De Kindertelefoon is er voor iedereen van 8 tot 18 jaar die in vertrouwen iets wil bespreken.

 

Jeugdzorgplus

Jeugdzorgplus (ook wel gesloten jeugdzorg) is voor jongeren met ernstige (gedrags)problemen. Zij hebben bescherming nodig tegen zichzelf of tegen anderen (bijvoorbeeld bij agressie of in het kader van loverboyproblematiek). Het is in het belang van de jongeren zelf dat zij een behandeling krijgen in geslotenheid. Dit voorkomt dat zij zich onttrekken aan de zorg die ze nodig hebben of door anderen worden onttrokken aan de zorg. Bij gesloten jeugdzorg wordt een jongere gedwongen opgenomen.

Bijlage 5 Regionale afspraken rondom bekostiging

Regionaal worden financiële afspraken gemaakt in het kader van de eerder genoemde specialistische taken. Op deze wijze kunnen de slagkracht, de benodigde expertise en het volume voor specialistische zorgvormen behouden worden.

 

Voor de meeste vormen van specialistische jeugdhulp, jeugdreclassering, jeugdbescherming en het AMHK kan een dekkend aanbod enkel gewaarborgd worden door bovenlokale samenwerking. Voor een aantal van deze taken geldt een wettelijke verplichting, zoals in onderhavig plan reeds beschreven. Daarnaast zijn er vormen van jeugdhulp die weliswaar niet wettelijk bovenlokaal moeten worden aangepakt, maar die door gemeenten vanuit bestuurlijk en financieel oogpunt niet afzonderlijk zijn uit te voeren omdat ze voor een kleine, complexe doelgroep zijn.

 

In de notitie “21 voor de jeugd” en “21 voor de jeugd 2.0” hebben de gemeenten in Zuidoost Brabant per zorgvorm beschreven op welke wijze de 21 gemeenten gezamenlijk op willen trekken als het gaat om de inkoop van zorg. In onderstaande tabel is dit op hoofdlijnen weergegeven:

 

Zorgvorm

Aansluiting bij indeling macrobudget

Voorstel niveau van regionale

samenwerking

Ambulante zorg aan kind en gezin

AWBZ: zorg aan jeugd zonder verblijf

Zvw: jeugd-GGZ eerste lijn

Zvw: jeugd-GGZ tweede lijn zonder verblijf

Prov. Gefinancierd: alleen ambulante zorg

 

2. Product- en prijsafspraken met grote instellingen, waarbij lokaal bepaald wordt welke en hoeveel zorg wordt bekostigd.

 

Dagbehandeling

AWBZ: zorg aan jeugd met verblijf deeltijd

Zvw: jeugd-GGZ tweede lijn met verblijf deeltijd

Prov. Gefinancierd: verblijf deeltijd

 

2. Product- en prijsafspraken met grote instellingen, waarbij lokaal bepaald wordt welke en hoeveel zorg wordt bekostigd

 

Behandeling met verblijf

AWBZ: zorg aan jeugd met verblijf

Zvw: jeugd-GGZ tweede lijn met verblijf

Prov. Gefinancierd: verblijf voltijd

Prov. Gefinancierd: verblijf pleegzorg

Rijk: Jeugdzorgplus (gesloten jeugdzorg)

 

5. Gezamenlijke bekostiging met risicospreiding

 

Toezicht en rechterlijke macht

Prov. Gefinancierd: jeugdbescherming

Prov. Gefinancierd: jeugdreclassering

 

3. Gezamenlijke bekostiging

AMHK

Prov. Gefinancierd: gemelde kinderen AMK

4. Gezamenlijke bekostiging met volumegarantie voor instelling.

 

Crisisdienst

Geen apart onderdeel verdeling macrobudget

4. Gezamenlijke bekostiging met volumegarantie voor instelling.

 

 

Met de samenwerking per zorgvorm is een richting bepaald, die de komende maanden verder wordt uitgewerkt.

 

Risicospreiding dag- en nachtbehandeling

 

De meest vergaande vorm van regionale samenwerking is de gezamenlijke inkoop, waarbij tevens een vorm van risicospreiding wordt gehanteerd. Een vorm van risicospreiding is wenselijk voor de meeste financieel ingrijpende vormen van specialistische jeugdhulp, namelijk behandeling met verblijf.

Er is gekozen voor een variant van risicospreiding, waarbij de gemeente uiteindelijk zelf betaalt. Deze variant wordt hieronder toegelicht.

 

De 21 gemeenten financieren gezamenlijk een bepaald volume aan behandeling met verblijf en kunnen vervolgens allemaal gebruik maken van dit totaalvolume, afhankelijk van de vraag/behoefte in dat jaar (er komen geen nadere afspraken over het gebruik van zorg). De financiële bijdrage vanuit de gemeente voor de inkoop van dit totale volume wordt voorafgaand aan het jaar bepaald aan de hand van het historisch zorggebruik.

Wordt er in dat boekjaar meer zorg gebruikt dan gefinancierd door een gemeente, dan wordt dit niet direct afgerekend met de betreffende gemeente, maar zal de financiële bijdrage in het jaar daarna procentueel worden verhoogd. Om hierin grote schommelingen te voorkomen wordt gewerkt met een gemiddeld zorggebruik over twee jaar. Uiteindelijk betaalt dus de gemeente voor het gebruik van zorg door haar inwoners, maar met vertraging, zodat de financiële risico's bij een sterk stijgende vraag verminderen voor een individuele gemeente.

 

Bij minder gebruik zal de financiële bijdrage van de gemeente procentueel in het jaar daaropvolgend dalen. Hierdoor is er een prikkel ingebouwd om meer in te zetten op het preventief jeugdbeleid en om de zorg in de basisvoorzieningen goed op orde te hebben.

Bijlage 6 Begrippen en definities

Algemene voorzieningen: Laag drempelige diensten of faciliteiten met een algemeen maatschappelijk doel die bedoeld zijn voor alle burgers of voor iedereen die tot een bepaalde doelgroep behoort. De burger kan vrijblijvend gebruik maken van deze voorzieningen. Algemene voorzieningen worden vaak aangeboden door de gemeente of een maatschappelijke organisatie. Er bestaat geen recht op een algemene voorziening. Als een algemene voorziening aanwezig is, dan kan de burger - of degene die tot de doelgroep van die voorziening behoort - daar (gewoon) gebruik van maken. Voor een algemene voorziening is geen toestemming of indicatie van de gemeente nodig. Een algemene voorziening wordt niet toegekend aan een persoon, maar is voor iedereen (van de doelgroep) die daar behoefte aan heeft. De voorziening is vrij toegankelijk. Dat betekent niet dat er geen voorwaarden gesteld kunnen worden aan de deelname of het gebruik van de voorziening. Een beperkte toegangsbeoordeling van algemene aard, zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, is mogelijk. Zodra specifieke (persoons)kenmerken van de individuele aanvrager en/of de voorziening naar haar aard is afgestemd op de kenmerken van de individuele aanvrager, dan is sprake van een individuele voorziening. Vrij toegankelijk betekent ook niet dat de voorziening altijd gratis is of moet zijn. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn het Lokaal Loket, buurtcentra, CJG, scholen, verenigingen, consultatiebureaus, sociaal-culturele voorzieningen, sportfaciliteiten, collectief vervoer, informele (buurt-)zorg etc. Algemene voorzieningen kunnen zowel in de nul-lijn als in de eerste lijn.

 

Vormen van Jeugdhulp: 

 

Ambulant: Zorg die men ontvangt terwijl de jeugdige in de thuissituatie verblijft.

 

Verblijf deeltijd/ voltijd: Zorg waarbij een jeugdige 24-uur of in deeltijd in een zorginstelling verblijft.

 

Pleegzorg: Vorm van jeugdzorg waarbij een kind (tijdelijk) wordt opgenomen in een pleeggezin en waarbij pleegkind, pleegouders en eigen ouders worden begeleid door Jeugd en Opvoedhulp.

 

AWBZ-zorg aan jeugd zonder verblijf: AWBZ-gefinancierde zorg zonder verblijf voor jongeren met verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke beperkingen, of psychische problemen (ggz). Zorg zonder verblijf betreft zorg die men ontvangt zonder dat men in een instelling verblijft: het kind of de jongere woont thuis.

 

AWBZ-zorg aan jeugd met verblijf: AWBZ-gefinancierde zorg met verblijf voor jongeren met verstandelijke beperkingen of psychische problemen (ggz). Zorg met verblijf betreft zorg waarbij een persoon in een zorginstelling verblijft: het kind of de jongere woont niet meer thuis. In het geval van verstandelijk beperkten betreft dit cliënten met een indicatie voor de zorgzwaartepakketten (zzp) 1 en 2, de helft van het aantal jongeren met zzp 3 (op basis van de stand van zaken rijksbeleid mei 2013) en alle cliënten met een indicatie voor LVG-zorgzwaartepakketten met uitzondering van SGLVG-pakketten.

 

Zvw: jeugd GGZ eerste lijn: Deze vorm van Zvw-gefinancierde jeugdzorg is curatief en betreft op genezing gerichte geestelijke gezondheidszorg (ggz) voor jongeren met psychische beperkingen. Eerstelijns ggz is kortdurende psychologische hulp aan patiënten met psychische problemen die veelal korter dan zes maanden bestaan, die zich niet in combinatie met andere fysieke of psychische problemen voordoen en niet eerder behandeld worden.

 

Zvw: jeugd GGZ tweede lijn zonder verblijf (DBC): Deze vorm van Zvw-gefinancierde jeugdzorg is curatief en betreft op genezing gerichte geestelijke gezondheidszorg (ggz) voor jongeren met psychische beperkingen. Tweedelijns ggz is behandeling van cliënten met zwaardere psychische klachten. Zorg zonder verblijf betreft zorg die men ontvangt zonder dat men in een instelling verblijft. In plaats dat sprake is van behandeling kan ook sprake zijn van zorg die gericht is op begeleiding.

 

Zvw: jeugd GGZ tweede lijn met verblijf (DBC): Deze vorm van Zvw-gefinancierde jeugdzorg is curatief en betreft op genezing gerichte geestelijke gezondheidszorg (ggz) voor jongeren met psychische beperkingen. Tweedelijns ggz is behandeling van cliënten met zwaardere psychische klachten. Zorg met verblijf betreft zorg waarbij een persoon in een zorginstelling verblijft. In plaats dat sprake is van behandeling kan ook sprake zijn van langdurig verblijf of woonzorg waarbij de zorg gericht is op begeleiding.

 

Jeugdbescherming: Uitvoering van een jeugdbeschermingsmaatregel (ondertoezichtstelling of (voorlopige) voogdij) door bureau jeugdzorg op grond van een door de kinderrechter uitgesproken maatregel, waardoor het ouderlijk gezag wordt beperkt (ondertoezichtstelling) of ontnomen ((voorlopige) voogdij). Hierbij is sprake van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind Deze hulp wordt nu nog door de provincies gefinancierd.

 

Jeugdreclassering: Begeleiding en hulpverlening aan jongeren die verdacht worden van of veroordeeld zijn wegens een strafbaar feit. Uitgevoerd door de bureaus jeugdzorg in opdracht van de raad voor de kinderbescherming, de officier van justitie of de kinderrechter. De bureaus jeugdzorg voeren de jeugdreclassering uit. Deze hulp wordt door de provincies gefinancierd.

 

AMK: Kinderen waarvoor één of meer meldingen van (een vermoeden van) kindermishandeling

zijn gedaan. Het AMK voert naar aanleiding van een melding een onderzoek uit om te bezien of

sprake is van kindermishandeling.

 

Gesloten jeugdzorg: Gesloten jeugdzorg (ook wel Jeugdzorgplus) is voor jongeren met ernstige (gedrags)problemen. Zij hebben bescherming nodig tegen zichzelf of tegen anderen (bijvoorbeeld bij agressie of in het kader van loverboyproblematiek).

 

POH: praktijkondersteuner huisarts


1

Hiermee bedoelen we het creëren en intensiveren van de samenwerking tussen het primair en het voortgezet onderwijs), met name (in dit geval) daar waar het gaat om leerlingen die extra zorg nodig hebben.

2

Opgesteld door Radar ‘bureau voor sociale vraagstukken’ en Divosa

3

Zie bijlage 1

4

Zelfredzaamheidsmatrix. Februari 2013, GGD Amsterdam i.s.m. gemeente Rotterdam.

5

De in de tabel beschreven functies zijn een voorlopige inschatting. Bij de verdere uitwerking en concretisering van de basisstructuur in de loop van 2014 kunnen deze functies en de concrete invulling van het team nog wijzigen.

6

De in de tabel beschreven functies zijn een voorlopige inschatting. Bij de verdere uitwerking en concretisering van de basisstructuur in de loop van 2014 kunnen deze functies en de concrete invulling van het team nog wijzigen.

7

Onder de basisstructuur verstaan we het brede scala aan vrijwilligers- en professionele organisaties die een bijdrage leveren aan het welzijn van inwoners. Hierbij kan gedacht worden aan scholen, verenigingen, kerken, peuterspeelzalen, huisartsen, voedselbank, etc

8

Alle Kindertelefoonlocaties zijn aangesloten bij het Landelijk Bureau Kindertelefoon, onderdeel van Jeugdzorg Nederland in Utrecht.

9

Rol generalisten: In SRE-verband[1] zijn een aantal organisatorische uitgangspunten ontwikkeld die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Deze beschrijven de wijze waarop de generalisten werken en de manier waarop ondersteuning wordt vormgegeven (zie 4.1 regionale kaders jeugd)

10

Naar verwachting stijgt dit tekort in 2016 met € 60.000 en vanaf 2017 met jaarlijks structureel € 110.000.

11

Op dit moment houden we in de begroting 2015 nog rekening met een integratieuitkering voor de huidige taken Wmo van € 924.134. Volgens de nu bekende informatie zal deze m.i.v. 2015 € 1.040.333 bedragen. In afwachting van de uitkomsten van de meicirculaire 2014 houden we hier al rekening mee (het meerder van € 116.199 zit opgenomen in de vermelde inkomsten van € 3.097.896).

12

Naar verwachting neemt dit tekort in de jaren 2016 en 2017 af. Vanaf 2018 verwachten we binnen de kaders te blijven.

13

We gaan er, zoals opgenomen in de Agenda van Oirschot, vanuit dat het tekort in 2015 ten opzichte van de huidige situatie ongeveer € 175.000 bedraagt. Naar verwachting loopt dit tekort in 2016 op tot € 285.000 en vanaf 2017 tot structureel € 400.000.

14

Bij het opstellen van de Jeugdvisie was het CJG de eerste ingang voor alle hulpvragen. Vanuit de integrale benadering van de decentralisaties willen we het CJG vanaf 2015 onderbrengen in de nieuwe structuren voor integrale toegang en verwijzing. Het CJG wordt dan onderdeel van het generalisten en/of specialistenteam.