<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR48682_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening werkleeaanbod Wet investeren in jongeren 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Baarn</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-03-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Baarn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Baarns Weekblad, Gemeentenieuws, 04-03-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening werkleeraanbod Wet investeren in jongeren 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147, eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, artikel 12, eerste lid, onderdeel a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-03-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-03-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10RV000003</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening werkleeaanbod Wet investeren in jongeren 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet><cursief>Raadsbesluit</cursief></vet></al><al>Voorstelnummer: 10RV000003</al><al>Onderwerp: Verordening werkleeraanbod Wet investeren in jongeren.</al><al>De raad van de gemeente Baarn</al><lijst><li nr="-"><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 5 januari
                                2010;</al></li><li nr="-"><al>gehoord de commissie Samenleving, Bestuur &amp; Financiën d.d. 2
                                februari 2010;</al></li><li nr="-"><al>overwegende dat het noodzakelijk is bij verordening regels te
                                stellen aangaande de inhoud van het werkleeraanbod in het kader van
                                de Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="-"><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikel 12,
                                eerste lid, onderdeel a, van de Wet investeren in jongeren;</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>b e s l u i t :</onderstreept></al><al/><lijst><li nr="1."><al>vast te stellen de “Verordening werkleeraanbod Wet investeren in
                                jongeren 2010” en de ingangsdatum vast te stellen op 1 maart
                                2010.</al><al/></li></lijst><al><vet>VERORDENING WERKLEERAANBOD WET INVESTEREN IN JONGEREN 2010</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1. Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="b."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, niet zijnde arbeid
                                    in het kader van de Wet sociale werkvoorziening, die algemeen
                                    maatschappelijk aanvaard is en niet indruist tegen de openbare
                                    orde of goede zeden; </al></li><li nr="c."><al>startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in
                                    artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet
                                    educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen
                                    voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
                                    als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="d."><al>alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en niet
                                    nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                                    investeren in jongeren en de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="e."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Baarn.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2: Beleid en financiën </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2. Opdracht college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een
                                    werkleeraanbod, algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij
                                    de arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op
                                    arbeidsinschakeling aan. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan het werkleeraanbod ook invullen met een
                                    combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij
                                    de arbeidsinschakeling dan wel één of meerdere voorzieningen.
                                </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid kan een werkleeraanbod ook
                                    bestaan uit een voorbereidingsperiode op een zelfstandig beroep
                                    of bedrijf, als bedoeld in artikel 17, zesde lid van de wet.
                                </al></li><li nr="4."><al>Het college stemt het werkleeraanbod af op de omstandigheden,
                                    krachten en bekwaamheden van de jongere, wiens recht op een
                                    werkleeraanbod is vastgesteld. Bij de invulling van het
                                    werkleeraanbod onderzoekt het college de mogelijkheden en
                                    omstandigheden van de jongere. Zij beziet daarbij tevens in
                                    hoeverre de wensen van de jongere bij de invulling van het
                                    werkleeraanbod kunnen worden betrokken</al></li><li nr="5."><al>Regelmatig wordt er door het college een beleidsplan
                                    participatie en re-integratie vastgesteld. In dit beleidsplan
                                    zullen ook zaken opgenomen worden die betrekking hebben op de
                                    uitvoering van deze verordening. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit een of meerdere budget-
                                    of subsidieplafonds vaststellen voor verschillende in te zetten
                                    voorzieningen en subsidies. Een door het college ingesteld
                                    budget- of subsidieplafond vormt een weigeringgrond bij de
                                    aanspraak op een specifieke voorziening. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal
                                    belanghebbenden dat in aanmerking komt voor een specifieke
                                    voorziening. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod komen in
                                    aanmerking voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en op
                                    de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte en
                                    beschikbare voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Het college doet een werkleeraanbod dat past binnen de criteria
                                    die gesteld zijn in deze verordening.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Arbeidsinschakeling</titel></kop><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod en
                            naar het oordeel van het college direct inzetbaar zijn op de
                            arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde arbeid of ondersteuning
                            bij de arbeidsinschakeling aan.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. De voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 4, kan het college jongeren die recht
                                    hebben op een werkleeraanbod, ondermeer de volgende
                                    voorzieningen aanbieden al dan niet in combinatie:</al><lijst><li nr="-"><al>onderzoek naar individuele mogelijkheden,waaronder
                                            diagnose-instrumenten;</al></li><li nr="-"><al>arbeidsactivering en –toeleiding, waaronder individuele
                                            trajectbegeleiding;</al></li><li nr="-"><al>hulp bij solliciteren, bijvoorbeeld via een
                                            sollicitatietrainer of inzet van een jobhunter;</al></li><li nr="-"><al>aanbodversterkende instrumenten waaronder,
                                            leerwerkstages bij bedrijven of instellingen;</al></li><li nr="-"><al>proefplaatsingen met tijdelijk behoud van
                                            uitkering;</al></li><li nr="-"><al>opleidingen die de toegang tot de arbeidsmarkt
                                            bevorderen;</al></li><li nr="-"><al>ondersteuning bij een beroep op maatschappelijke opvang
                                            of medische zorg;</al></li><li nr="-"><al>ondersteuning bij maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="-"><al>sociale activering;</al></li><li nr="-"><al>voorbereidingstrajecten voor zelfstandige arbeid; </al></li><li nr="-"><al>nazorg bij arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>ondersteunende instrumenten, waaronder kinderopvang,
                                            schuldhulpverlening, onderzoeken door deskundigen en
                                            taal- en beroepsgerichte scholing.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Niet ingezet kunnen worden: premies voor werkaanvaarding of
                                    scholing, (onkosten)vergoeding voor vrijwilligerswerk (met
                                    uitzondering voor aantoonbaar en noodzakelijk gemaakte kosten),
                                    vrijlating van inkomsten en onbeloonde additionele arbeid. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Inzet van de voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor
                                    voorzieningen die beschikbaar, adequaat en toereikend zijn voor
                                    het doel dat wordt beoogd. </al></li><li nr="2."><al>Het doel van de inzet van voorzieningen is het bevorderen van
                                    duurzame arbeidsparticipatie van jongeren door het opdoen van
                                    werkervaring, het aanleren van vaardigheden en kennis, het
                                    opdoen van werkritme, maatschappelijke participatie dan wel op
                                    andere wijze vergroten van persoonlijke en maatschappelijke
                                    zelfredzaamheid. Op grond hiervan is het aannemelijk dat voor
                                    jongeren die zich richten op arbeid in zelfstandig bedrijf of
                                    beroep in beginsel een voorbereidingstraject voor zelfstandige
                                    arbeid wordt ingezet. Dat voor jongeren met een taalachterstand
                                    in beginsel mede een taalscholing wordt ingezet. En dat voor
                                    jongeren zonder startkwalificatie vooral ingezet zal worden op
                                    opleidingen die de toegang tot de arbeidsmarkt bevorderen.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Combinatie arbeid en zorg</titel></kop><al>Onverminderd artikel 17, vierde lid, van de wet, betrekt het college bij
                            de invulling van het werkleeraanbod de beschikbaarheid van passende
                            kinderopvang, het belang van voldoende scholing en de belastbaarheid van
                            de jongere.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Gehandicapten</titel></kop><al>Onverminderd artikel 17, tweede lid, van de wet, stemt het college het
                            werkleeraanbod af op de medische beperkingen van de jongere en draagt
                            zorg voor passende voorzieningen ter ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Verplichtingen van de jongere </titel></kop><al>Een jongere die gebruik maakt van een voorziening is gehouden te voldoen
                            aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet structuur
                            uitvoering werk en inkomen, deze verordening, alsmede aan de
                            verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft
                            verbonden.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Intrekking werkleeraanbod</titel></kop><al>Het college kan het werkleeraanbod intrekken of herzien, indien
                            wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de
                            jongere dan wel indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem
                            rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet en hem dit
                            te verwijten valt. </al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3: Subsidie en vergoedingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12 Subsidies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan subsidie verlenen aan werkgevers die met een
                                    jongere een arbeidsovereenkomst sluiten, als tegemoetkoming in
                                    de loonkosten en in de kosten van voorbereiding op een beoogd
                                    dienstverband met de jongere.</al></li><li nr="2."><al>De duur van de subsidie is voor bepaalde tijd en wordt door het
                                    college vastgesteld op basis van een individuele afweging ten
                                    aanzien van de betreffende belanghebbende.</al></li><li nr="3."><al>De loonkostensubsidie wordt slechts uitbetaald voor zover de
                                    arbeidsovereenkomst daadwerkelijk van kracht is.</al></li><li nr="4."><al>De hoogte van de subsidie bedraagt minimaal een bedrag ter
                                    compensatie van de non-productiviteit van de jongere en maximaal
                                    80% van het voor de jongere geldende wettelijk minimumloon.</al></li><li nr="5."><al>De non-productiviteit wordt door het college vastgesteld.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Vergoedingen</titel></kop><al>Het college kan aan een jongere die ten behoeve van de uitvoering van
                            een werkleeraanbod naar het oordeel van het college, noodzakelijke
                            kosten maakt, een vergoeding voor die kosten verstrekken.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4: Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14 Onvoorziene omstandigheden en
                                hardheidsclausule</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college.</al></li><li nr="2."><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist
                                    het college.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de
                                    bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot
                                    onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als de Verordening werkleeraanbod
                            Wet investeren in jongeren 2010.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering, </ondertekening><ondertekening>op 17 februari 2010, </ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING </vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle
                    jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten
                    gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als:</al><lijst><li nr="-"><al>het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen of niet
                            verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is;</al></li><li nr="-"><al>het werkleeraanbod onvoldoende inkomsten genereert;</al></li><li nr="-"><al>er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan. </al></li></lijst><al>De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening
                    anderzijds is een bepalend element in de WIJ.</al><al/><al><vet>Inhoud werkleeraanbod</vet></al><al>Het begrip ‘werkleeraanbod’ moet ruim worden uitgelegd. Het werkleeraanbod kan
                    allerlei vormen hebben, variërend van een ‘echte’ baan tot vakgerichte scholing
                    of een combinatie van beide. Een werkleeraanbod kan ook bestaan uit
                    voorzieningen die nodig worden geacht op weg naar arbeidsinschakeling, zoals een
                    sollicitatietraining, een cursus gericht op de ontwikkeling van
                    werknemersvaardigheden, een stageplaats, schuldhulpverlening, sociale
                    activering, nazorg. Uitgezonderd is het reguliere onderwijs dat door het Rijk
                    wordt bekostigd (zie ook artikel 23, eerste lid, onderdeel a WIJ). Het college
                    kan de jongere weliswaar adviseren een dergelijke vorm van onderwijs te volgen
                    of weer te gaan volgen als dit zinvol wordt geacht, maar het is geen voorziening
                    die de gemeente kan inzetten om vorm te geven aan het werkleeraanbod. </al><al>Jongeren die daartoe in staat zijn moeten leren of werken. Gelet op dit
                    uitgangspunt past het niet jongeren te belonen als dat lukt. Er is dus geen
                    aanleiding een vrijlating van inkomsten uit deeltijdarbeid toe te passen of een
                    premie te geven bij arbeidsinschakeling. Dat geldt evenzeer voor het betalen van
                    een onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk, tenzij deze bestemd is voor
                    aantoonbaar gemaakte kosten.</al><al>Het college bepaalt de inhoud van het werkleeraanbod. Dat geldt ook voor de
                    vraag of het accent komt te liggen op werken of leren. Van belang daarbij is dat
                    de startkwalificatie binnen het werkleeraanbod een ijkpunt vormt, omdat deze in
                    belangrijke mate kan bijdragen aan duurzame arbeidsparticipatie. Als er sprake
                    is van een startkwalificatie zal werken de hoogste prioriteit hebben indien de
                    jongere daartoe ook in staat is. Zijn er echter belemmeringen dan kunnen
                    allerlei voorzieningen worden ingezet om het uiteindelijk einddoel te weten
                    duurzame arbeidsparticipatie te bereiken. </al><al/><al><vet>Maatwerk</vet></al><al>Uitgangspunt is dat er maatwerk wordt geleverd: dat het werkleeraanbod wordt
                    afgestemd op de omstandigheden, krachten en capaciteiten van de jongere (artikel
                    18, eerste lid WIJ). De wensen van jongeren worden betrokken bij het vormgeven
                    van het werkleeraanbod (artikel 14, eerste lid WIJ). Het college is verplicht
                    die wensen vast te leggen in de rapportage die ten grondslag ligt aan het
                    werkleeraanbod en dient daarbij tevens aan te geven op welke wijze die wensen
                    bij het werkleeraanbod betrokken zijn.</al><al/><al><vet>Werken en leren niet direct mogelijk</vet></al><al>Wanneer een werkleeraanbod bestaande uit werken en/of leren niet direct mogelijk
                    is, moet er een andere voorziening worden aangeboden die op termijn perspectief
                    biedt op arbeidsinschakeling. Dat kan betekenen dat voorzieningen worden ingezet
                    in de vorm van zorg- of hulpverlening, waarbij ook aandacht kan worden besteed
                    aan belemmerende factoren, zoals psychische, sociale en cognitieve problemen.
                    Het werkleeraanbod omvat immers het geheel van re-integratievoorzieningen, dat
                    gericht is op duurzame arbeidsparticipatie. </al><al>Is de jongere naar het oordeel van het college in het geheel niet in staat om
                    redenen van lichamelijk, sociale of psychische aard uitvoering te geven aan een
                    werkleeraanbod, dan kan daarvan vooralsnog worden afgezien (artikel 17, tweede
                    lid WIJ). Zorgtaken kunnen worden aangemerkt als reden van sociale aard, voor
                    zover daarmee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening. </al><al/><al><vet>Zelfstandigen</vet></al><al>Jongeren die werkzaam zijn als zelfstandige maar onvoldoende inkomsten hebben
                    kunnen geen werkleeraanbod krijgen. De categorie zelfstandigen is namelijk
                    uitgezonderd in de WIJ. Zij kunnen een beroep doen op algemene bijstand of
                    bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal zodat de (jongere)
                    zelfstandige zich geheel kan richten op zijn bestaan als zelfstandige. </al><al>Voor de jongere die als zelfstandige wil beginnen staat de WIJ in beginsel wel
                    open. Het college heeft de mogelijkheid (niet de verplichting) een
                    werkleeraanbod te doen aan de jongere die wil starten als zelfstandige. Het
                    werkleeraanbod bestaat daarbij uit een voorbereidingsperiode op het bestaan als
                    zelfstandige. Dit werkleeraanbod kan maximaal twaalf maanden duren en kan
                    slechts worden aangeboden op verzoek van de jongere. </al><al/><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in
                    de WIJ. Daarom worden bepaalde begrippen, zoals ‘werkleeraanbod’,
                    ‘arbeidsinschakeling’ en ‘jongere’, niet opnieuw gedefinieerd. Wel gedefinieerd
                    zijn de begrippen ‘startkwalificatie’ en ‘algemeen geaccepteerde arbeid’, omdat
                    deze in de WIJ niet nader zijn omschreven. Het begrip ‘startkwalificatie’ is
                    afkomstig uit de Wet educatie en beroepsonderwijs en wordt wel in de WWB
                    gedefinieerd (art. 6, eerste lid, onderdeel d WWB). De omschrijving van
                    ‘algemeen geaccepteerde arbeid’ is afkomstig uit de nota naar aanleiding van het
                    verslag (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p.28).</al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>In het eerste lid staat de algemene ondersteuningsverplichting van het college
                    aan de jongere.</al><al>In het tweede lid is verduidelijkt dat het werkleeraanbod ook samengesteld kan
                    zijn uit een combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij
                    arbeidsinschakeling en één of meerdere voorzieningen. Onder voorziening wordt
                    verstaan een instrument dat wordt ingezet om de jongere dichterbij de
                    arbeidsmarkt te brengen. Dit kan zoals gezegd allerlei vormen hebben, variërend
                    van schuldhulpverlening tot training van werknemersvaardigheden.</al><al>In het derde lid is vastgelegd dat een werkleeraanbod ook kan bestaan uit
                    ondersteuning bij een traject gericht op werk in zelfstandig beroep of bedrijf.
                    Aangetekend moet daarbij worden dat het een zgn. ‘kan’-bepaling is:het college
                    bepaalt of het zinvol is de jongere een aanbod te doen gericht op ondersteuning
                    richting zelfstandig bedrijf of beroep.</al><al>De gemeente heeft een onderzoeksplicht en moet daarbij de wensen van de jongere
                    bij de invulling betrekken. Met het oog op motivering en kansbenutting zal het
                    college daarmee rekening dienen te houden. De jongere heeft niet automatisch
                    recht op een bepaalde specifieke voorziening. De uiteindelijke invulling van de
                    aard en de samenstelling van het aanbod is voorbehouden aan het college.</al><al/><al><vet>Artikel 3. </vet></al><al>Om financiële risico’s te beheersen kan het college per voorziening een budget-
                    of subsidieplafond vaststellen. Hierdoor is het mogelijk naar een andere
                    voorziening uit te wijken als het budget of subsidieplafond wordt bereikt.</al><al/><al><vet>Artikel 4. </vet></al><al>Jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod komen in aanmerking voor
                    ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voorzieningen. Wat de vorm van de
                    ondersteuning is, bepaalt het college zelf.Voor de duidelijkheid is verder nog
                    bepaald dat het om jongeren moet gaan die recht op een werkleeraanbod hebben.
                    Dat is niet iedere ‘jongere’ in de zin van de WIJ, want daaronder wordt verstaan
                    de jongere in de leeftijd van 16 tot 27 jaar. </al><al/><al><vet>Artikel 5. </vet></al><al>De kortste weg naar duurzame arbeidsparticipatie is het doel van het in te
                    zetten werkleeraanbod. Uitgangspunt is dat aan jongeren die direct inzetbaar
                    zijn op de arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde arbeid wordt
                    aangeboden, of ondersteuning bij de arbeidsinschakeling, als bijvoorbeeld arbeid
                    niet direct beschikbaar is. </al><al/><al><vet>Artikel 6. </vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Naast het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid en ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling kan het college voorzieningen aanbieden. Die voorzieningen
                    zijn primair bedoeld voor jongeren die niet direct inzetbaar zijn op de
                    arbeidsmarkt, maar kunnen in een krimpende arbeidsmarkt wellicht ook moeten
                    worden aangeboden aan jongeren zonder direct aanwijsbare belemmeringen. </al><al>In dit artikel zijn de meest belangrijke voorzieningen opgesomd die het college
                    ter beschikking staan. Het college kan niet gedwongen worden om in een concreet
                    geval een specifieke voorziening aan te bieden. Het staat het college in
                    beginsel vrij om het werkleeraanbod zelf invulling te geven en daarbij ook te
                    betrekken de mate waarin voorzieningen noodzakelijk geacht worden en feitelijk
                    beschikbaar zijn. Bij de leerwerkstage ligt het accent op leren door te werken.
                    Het betreft een kortdurende stage van maximaal zes maanden waar geen
                    arbeidsovereenkomst aan ten grondslag ligt. De jongere loopt stage/werkt met
                    behoud van uitkering. Een proefplaatsing kan voorafgaan aan een
                    arbeidsovereenkomst. Om beide partijen de gelegenheid te bieden aan elkaar te
                    wennen alvorens over te gaan tot de overeenkomst, is het mogelijk voor een
                    beperkte periode op proef te gaan werken. De maximumduur is zes maanden. Een en
                    ander ter beoordeling van het college. Wanneer de arbeidsovereenkomst gepaard
                    gaat met een loonkostensubsidie kan de proefplaatsing maximaal drie maanden
                    duren. Beoordeling van de noodzaak en duur van een en ander gebeurt door het
                    college.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Premies voor werkaanvaarding of scholing, (onkosten)vergoeding voor
                    vrijwilligerswerk (met uitzondering voor aantoonbaar en noodzakelijk gemaakte
                    kosten), vrijlating van inkomsten en onbeloonde additionele arbeid kunnen niet
                    ingezet kunnen worden. Voor wat betreft de premies voor werkaanvaarding en
                    scholing en een (onkosten)vergoeding voor vrijwilligerswerk volgt dit
                    rechtstreeks uit de WIJ (artikel 7). Er wordt vanuit de gemeente alles aan
                    gedaan om de jongere te helpen bij het vinden van een reguliere baan. Tot dat
                    moment krijgt de jongere via de gemeente een leerwerkaanbod zo mogelijk met een
                    daarbij behorend salaris. In dat systeem past het toekennen van premies of het
                    verstrekken van een (onkosten)vergoeding voor vrijwilligerswerk of het vrijlaten
                    van een gedeelte van inkomsten niet. Het inzetten van onbeloonde additionele
                    arbeid bij jongeren is niet wenselijk want de afstand van een jongere tot de
                    arbeidsmarkt kan nog niet dusdanig groot zijn dat gesubsidieerde arbeid dient te
                    worden ingezet.</al><al/><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>In dit artikel is het maatwerk-principe gerelateerd aan de inzet van
                    voorzieningen. De voorzieningen die worden ingezet moeten een adequaat en
                    toereikend middel zijn om het einddoel duurzame arbeidsparticipatie te bereiken. </al><al/><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht besteed
                    aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijk verminderde
                    belastbaarheid. Daarom geldt voor alleenstaande ouders met een ten laste komend
                    kind jonger dan vijf jaar, dat het werkleeraanbod desgevraagd wordt ingevuld
                    door middel van scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt
                    bevordert, tenzij een dergelijke scholing de krachten of bekwaamheden van de
                    jongere te boven gaat (artikel 17, vierde lid, WIJ). Daaraan wordt in artikel 7
                    van deze verordening toegevoegd dat het college bij de invulling van het
                    werkleeraanbod de situatie van de alleenstaande ouder betrekt, ongeacht de
                    leeftijd van het kind. Evt. kosten voor kinderopvang die niet toereikend door
                    voorliggende voorzieningen worden gecompenseerd, kunnen op grond van artikel 14
                    worden vergoed en ten laste van het participatiebudget worden gebracht.</al><al/><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>De gehandicapte jongeren nemen eveneens een bijzondere positie in binnen de WIJ.
                    Voor deze groep jongeren met een medische beperking is het van belang dat het
                    aanbod aansluit bij hun mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het
                    werkleerrecht zal vooral voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de hand
                    van de individuele situatie zal het college beoordelen welk aanbod past bij de
                    jongere met inachtneming van zijn/haar mogelijkheden en beperkingen. Voor de
                    groep jongeren die weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling behoort
                    sociale activering tot de mogelijkheden. Is arbeidsinschakeling in het geheel
                    (nog) niet aan de orde, dan brengt artikel 17, tweede lid, WIJ met zich mee dat
                    (tijdelijk) geen werkleeraanbod wordt gedaan. Er bestaat gedurende die periode
                    wel aanspraak op inkomensvoorziening. Zodra de belemmeringen zijn opgeheven,
                    dient een gericht werkleeraanbod te worden gedaan. </al><al/><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>In de WIJ is vastgelegd welke verplichtingen verbonden zijn aan het recht op een
                    werkleeraanbod. Daaraan is toegevoegd dat de jongere de verplichtingen dient na
                    te komen die voortvloeien uit de verordening of die in concreto aan een
                    voorziening zijn verbonden. Zo kan bijvoorbeeld bepaald worden dat een jongere
                    gedurende het traject op gezette tijden met de consulent de voortgang bespreekt. </al><al/><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>Dit artikel vormt een herhaling van artikel 21 WIJ. De meerwaarde van opname van
                    deze bepaling in de verordening werkleeraanbod is gelegen in de overweging dat
                    intrekking van het werkleeraanbod complementair is aan het voeren van beleid
                    m.b.t. de invulling het werkleeraanbod. Daar waar het recht op werkleeraanbod
                    wordt toegekend en ingevuld, kan dit ook worden ingetrokken, onder de
                    voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ. Met betrekking tot intrekking van het
                    werkleeraanbod in verband met schending van de verplichtingen verbonden aan het
                    werkleeraanbod, wordt het aan het college overgelaten om te bepalen onder welke
                    voorwaarden daartoe kan worden besloten. Het is niet aan de gemeenteraad om
                    daarover voorschriften te geven, niettemin dient het intrekken van het
                    werkleeraanbod met terughoudendheid plaats te vinden, zoals reeds in de Algemene
                    toelichting is opgemerkt. Intrekking is in wezen slechts aan de orde als er een
                    situatie is ontstaan dat niet langer kan worden gevergd dat het werkleeraanbod
                    wordt voortgezet en een andere invulling (via gedeeltelijke herziening) evenmin
                    soelaas biedt. Gedacht kan worden aan herhaalde misdragingen jegens andere
                    jongeren of begeleiders op de werk/leerplek of veelvuldig verzuim. Daarbij
                    kunnen bijv. ook een rol spelen de positie van gemotiveerde jongeren die wachten
                    op een werk/leerplek, de staat van de arbeidsmarkt en de kosten van de
                    voorziening. </al><al/><al><vet>Artikel 12</vet></al><al>Het doel van het subsidiëren van arbeidsplaatsen is om werkgelegenheid te
                    bevorderen voor die jongeren die niet zonder meer werk kunnen vinden. Om de
                    drempel tot indienstname voor de werkgever te verlagen kan een loonkostensubidie
                    worden ingezet. De (in aanvang) minder dan normale arbeidsproductiviteit kan zo
                    worden gecompenseerd. De duur van de subsidie wordt individueel bepaald en is in
                    beginsel tijdelijk van aard. Hierin zit de voorwaarde dat er toegewerkt wordt
                    naar overname door de werkgever. Daar waar dat nog niet kan is het mogelijk de
                    subsidie voor de tijd dat dat nodig is te verlengen ter compensatie van de
                    non-productiviteit van de werknemer.</al><al/><al><vet>Artikel 13</vet></al><al>Kosten die voor de jongere verbonden zijn aan het uitvoeren van het
                    werkleeraanbod kunnen worden vergoed op grond van dit artikel. Gedacht kan
                    bijvoorbeeld worden aan kosten van kinderopvang, voor zover de voorliggende
                    voorziening (Wet Kinderopvang) daarin onvoldoende voorziet. Ook noodzakelijke
                    reiskosten en andere kosten, bijvoorbeeld voor verplichte kleding of schoeisel,
                    kunnen voor vergoeding in aanmerking komen, mits de kosten aantoonbaar en
                    noodzakelijk zijn en er geen andere voorliggende voorzieningen zijn. De kosten
                    kunnen ten laste worden gebracht van het participatiebudget.</al><al/><al><vet>Artikel 14</vet></al><al>Het college is belast met de uitvoering van de verordening. Doen zich situaties
                    voor waarin niet is voorzien of waarin onverkorte toepassing van de gestelde
                    bepalingen onverhoopt tot onbillijkheden van overwegende aard leidt, dan is het
                    aan het college om besluiten te nemen waarin recht wordt gedaan aan enerzijds
                    het belang van handhaving van het gemeentelijk beleid en anderzijds het
                    individuele belang van de jongere. Dat kan onder omstandigheden betekenen dat
                    besluiten worden genomen die afwijken van deze verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 15</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 16</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>