<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR486105_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels hoorzittingen en proceskosten Tribuut 2018</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Tribuut belastingsamenwerking</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Epe</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Voorst</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zutphen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GVOP</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels hoorzittingen en proceskosten Tribuut 2018</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Awb, Bpb, IW1990</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">geattribueerde functionaris</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2018-03-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2018-03-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-04-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule/><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Beleidsregel</vet><vet>s </vet><vet>hoorzittingen en
                            </vet><vet>proceskosten</vet><vet>Tribuut
                            </vet><vet>201</vet><vet>8</vet></al><al>De gemeenteambtenaar bedoeld in art. 232, vierde lid, aanhef en onderdeel a,
                        van de Gemeentewet, van Tribuut Belastingsamenwerking, </al><al>Gelet op art. 1:3, vierde lid, Awb, art. 7:15 Awb en art. 2, eerste lid,
                        aanhef, onderdelen a en b, tweede en derde lid en art. 3, Besluit
                        proceskosten bestuursrecht (Bpb) juncto onderdeel A5, B2 en C van de bij dat
                        Besluit behorende bijlage, artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken
                        2003, artikel 24 Invorderingswet, en artikel 24 Leidraad invordering
                        gemeentelijke belastingen Tribuut,</al><al/><al>Besluit vast te stellen:</al><al><vet><cursief>B</cursief></vet><vet><cursief>eleidsregel</cursief></vet><vet><cursief>s</cursief></vet><vet><cursief>hoorzittingen
                                en</cursief></vet><vet><cursief> proceskosten Tribuut
                            2018</cursief></vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen en algemene uitgangspunten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er bestaat een vergoedingsplicht in de gevallen waarin het bestreden
                            besluit wegens onrechtmatigheid wordt herroepen en deze onrechtmatigheid
                            aan het bestuursorgaan is te wijten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onrechtmatigheid moet worden opgevat als “genomen in strijd met het
                            recht”. Indien een gebonden beschikking wordt herroepen staat de
                            onrechtmatigheid vast. Als de heroverweging echter plaatsvindt op
                            beleidsinhoudelijke gronden, is er geen sprake van onrechtmatigheid.
                            Alléén vormfouten of motiveringsgebreken leiden evenmin tot een
                            vergoedingsplicht. Vergoedingsplicht kan wel bestaan als het inhoudelijk
                            foutieve besluit een gevolg is van reken- invoer- en schrijffouten
                            etc.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vergoed wordt uitsluitend kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft
                            gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verzoek om kostenvergoeding moet schriftelijk zijn gedaan vóórdat
                            het bestuursorgaan op het bezwaarschrift heeft beslist.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de vaststelling van het ontstaan van een recht op te vergoeden
                            kosten die door belanghebbende zijn gemaakt kan een bewijs van gemaakte
                            kosten worden verlangd, bestaande uit een factuur en een bankafschrift
                            of ander betalingsbewijs ter zake van verrichte werkzaamheden door een
                            derde of een door of namens hem ingeschakelde deskundige.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Betaling aan belastingschuldige vindt plaats op een door hem of haar
                            aangewezen bankrekeningnummer op zijn of haar naam.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Kosten derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand</titel></kop><al> Het bedrag van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende
                        rechtsbijstand zoals vermeld in artikel 1 onderdeel a, Bpb, wordt
                        vastgesteld door de in de bijlage van het Bpb genoemde punten per
                        proceshandelingen als uitgangspunt te nemen waarbij een correctie wordt
                        toegepast als genoemd in artikel 3 voor zover belanghebbende de kosten voor
                        deze handelingen redelijkerwijs niet, of niet volledig heeft hoeven maken.
                        Deze punten worden vermenigvuldigd met de waarde per punt, vermeld in
                        artikel 4 van deze beleidsregels. Het aldus berekende bedrag wordt
                        vermenigvuldigd met een wegingsfactor, als berekend ingevolge artikel 5 van
                        deze beleidsregels. Indien er sprake is van samenhangende zaken wordt
                        ingevolge artikel 6 van deze beleidsregels de daar genoemde wegingsfactor
                        gehanteerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Punten proceshandelingen</titel></kop><al>Aan de hierna genoemde proceshandelingen worden de volgende punten
                        toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indienen van een bezwaarschrift (artikel 6:4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht): 1 punt;</al></li><li nr="b."><al>verschijnen op een hoorzitting (artikel 7:2 en 7:16 van de Algemene
                                wet bestuursrecht): 1 punt;</al></li><li nr="c."><al>bijwonen nadere hoorzitting (artikel 7:9 en 7:23 van de Algemene wet
                                bestuursrecht): 0,5 punt;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Waarde per punt</titel></kop><al> De waarde per punt bedraagt het bedrag zoals genoemd onder B2 lid 1 van de
                        bijlage bij het Bpb.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Wegingsfactor</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoedingen in het forfaitair stelsel van het Bpb zijn gerelateerd
                            aan de gemiddelde werkbelasting in diverse zaaktypen. Bij een zaak van
                            gemiddeld gewicht als bedoeld in onderdeel C1 van het Bpb wordt de
                            wegingsfactor gesteld op 1. Een WOZ-zaak is van gemiddeld gewicht als er
                            sprake is van een volledig onderbouwd waardebezwaar, ongeacht of de
                            informatie in één of meerdere onderdelen wordt aangeleverd en ongeacht
                            of de onderdelen door verschillende personen zijn ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid heeft de heffingsambtenaar
                            de bevoegdheid om op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht,
                            een lagere of hogere wegingsfactor toe te kennen naarmate de betreffende
                            zaak lichter of zwaarder is dan een gemiddelde zaak. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 5, lid 1, wordt de
                            wegingsfactor vastgesteld op:</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>1 Factor 0,25, indien er sprake is van een zeer lichte zaak. Hiervan is
                            bijv. sprake in zaken:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin het om een verkeerde tenaamstelling gaat;</al></li><li nr="b."><al>waarin het om een verkeerde adresaanduiding gaat;</al></li><li nr="c."><al>waarin het om een verkeerde belanghebbende gaat;</al></li><li nr="d."><al>waarin het bezwaarschrift niet nader gemotiveerd is en alleen de
                                    hoogte van de waarde wordt betwist. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>2 Factor 0,50, indien er sprake is van een lichte zaak. Hiervan is bijv.
                            sprake in zaken:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin het alleen over de proceskostenvergoeding gaat;</al></li><li nr="b."><al>waarin de inhoud van het bezwaar volledig of nagenoeg
                                    uitsluitend is gebaseerd op een bijgevoegd taxatierapport;</al></li><li nr="c."><al>waarin de WOZ-waarde wordt verlaagd vanwege een eigen
                                    transactiecijfer vlak voor of na de waardepeildatum.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>3 Factor 1,5, indien er sprake is van een zware zaak handelend over de
                            waarde van een woning of niet-woning. Hiervan is sprake in zaken:</al><lijst><li nr="a."><al>die inhoudelijk of juridisch als bijzonder ingewikkeld c.q.
                                    complex of omvangrijk moeten worden aangemerkt;</al></li><li nr="b."><al>waarin meerdere rechtsgebieden/regelgevingen een relevante rol
                                    spelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>4 Factor 2, indien er sprake is van een zeer zware zaak ten aanzien van
                            een object niet zijnde een woning. Hiervan is sprake in zaken:</al><lijst><li nr="a."><al>die inhoudelijk als zeer omvangrijk moeten worden
                                    aangemerkt;</al></li><li nr="b."><al>met zeer complexe aspecten waarbij het bezwaarschrift blijk
                                    geeft van relevante specialistische kennis (niet zijnde
                                    taxatietechnische deskundigheid) die op de juiste wijze is
                                    toegepast.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Samenhangende zaken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zaken die ingevolge artikel 3, tweede lid Bpb als samenhangend worden
                            aangemerkt worden beoordeeld op basis van de volgende categorieën van
                            waardebepaling:</al><lijst><li nr="a."><al>woningen op basis van de vergelijkingsmethode;</al></li><li nr="b."><al>woningen in aanbouw op basis van de gecorrigeerde
                                    vervangingswaarde;</al></li><li nr="c."><al>woningen die deel uitmaken van een Natuurschoonwet landgoed en
                                    die worden gewaardeerd op basis van artikel 17 lid 5 Wet
                                    WOZ;</al></li><li nr="d."><al>courante niet-woningen op basis van de
                                    vergelijkingsmethode;</al></li><li nr="e."><al>courante niet-woningen op basis van de
                                    huurwaardekapitalisatiemethode;</al></li><li nr="f."><al>courante niet-woningen op basis van de
                                    discounted-cash-flowmethode;</al></li><li nr="g."><al>agrarische niet-woningen;</al></li><li nr="h."><al>courante niet-woningen op basis van de gecorrigeerde
                                    vervangingswaarde;</al></li><li nr="i."><al>incourante niet-woningen op basis van de gecorrigeerde
                                    vervangingswaarde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor minder dan 4 zaken die op basis van artikel 3, tweede lid Bpb als
                            samenhangend worden aangemerkt en waarop het eerste lid van dit artikel
                            wordt toegepast, wordt de wegingsfactor 1 gehanteerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor 4 of meer zaken die op basis van artikel 3, tweede lid Bpb als
                            samenhangend worden aangemerkt, en waarop het eerste lid van dit artikel
                            wordt toegepast, wordt de wegingsfactor 1,5 gehanteerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien op één aanslag- of beschikkingsbiljet meerdere onroerende zaken
                            zijn vermeld die tot verschillende categorieën behoren als aangegeven in
                            het eerste lid, dan geldt artikel 5.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij gecombineerde behandeling van meerdere zaken wordt het bedrag van de
                            vergoeding voor rechtskundige bijstand berekend als ware er sprake van
                            één zaak. Onder gecombineerde behandeling wordt verstaan dat meerdere
                            bezwaarschriften van dezelfde rechtsbijstandverlener tegen één of
                            meerdere verschillende aanslagbiljetten gelijktijdig of achtereenvolgend
                            worden behandeld en waarbij vergelijkbare gronden zijn aangevoerd. Bij
                            samenhangende zaken wordt, met uitzondering van die zaken genoemd in lid
                            4, in elk geval een bedrag van € 30,- per zaak toegekend voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het verlenen van rechtskundige bijstand;</al></li><li nr="b."><al>het bijwonen van een hoorzitting.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Afwijkende wegingsfactor</titel></kop><al>Indien de heffingsambtenaar van oordeel is dat toepassing van de in
                        bovenstaande artikelen genoemde wegingsfactor niet in overeenstemming is met
                        de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband
                        houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener dient dit in de
                        beslissing op bezwaar uitdrukkelijk gemotiveerd te worden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Deskundigenkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als deskundige wordt aangemerkt een gecertificeerd taxateur die
                            ingeschreven staat in de landelijke registers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deskundigenkosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking indien er
                            geen sprake is van vermenging van de functies van gemachtigde en
                            deskundige. Is er wel sprake van vermenging van de functies dan wordt
                            alleen een vergoeding voor het verlenen van rechtsbijstand
                            toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de vergoeding van een door een deskundige opgemaakt taxatierapport
                            geldt dat deze vergoeding wordt gebaseerd op de in dit artikel vermelde
                            tijdsbesteding en uurtarieven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het
                            Bpb, wordt vastgesteld door het uurtarief van lid 6 van dit artikel te
                            vermenigvuldigen met het aantal uren dat op grond van lid 7 van dit
                            artikel wordt toegekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een taxatiekaart wordt niet aangemerkt als een verslag als bedoeld in
                            artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit
                            proceskostenvergoeding.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van een door een
                            deskundige opgemaakt taxatierapport wordt uitgegaan van de volgende
                            uurtarieven:</al><lijst><li nr="a."><al>maximaal € 50,- (excl. BTW) indien het taxatierapport betrekking
                                    heeft op een onroerende zaak die dient tot woning, welk bedrag
                                    wordt verhoogd met BTW indien de BTW op belanghebbende
                                    drukt;</al></li><li nr="b."><al>maximaal € 65,- (excl. BTW) indien het taxatierapport betrekking
                                    heeft op een onroerende zaak die <cursief>niet</cursief> dient
                                    tot woning en deze zaak is aan te merken als een courante
                                    niet-woning, welk bedrag wordt verhoogd met BTW indien de BTW op
                                    belanghebbende drukt;</al></li><li nr="c."><al>maximaal € 80,- (excl. BTW) indien het taxatierapport betrekking
                                    heeft op een onroerende zaak die <cursief>niet</cursief> dient
                                    tot woning en deze zaak is aan te merken als een incourante
                                    niet-woning, welk bedrag wordt verhoogd met BTW indien de BTW op
                                    belanghebbende drukt; </al></li><li nr="d."><al>maximaal € 116,09 (excl. BTW) indien het taxatierapport
                                    betrekking heeft op een onroerende zaak die een unieke zaak is
                                    die niet volgens de Landelijke Taxatiewijzer te taxeren is, welk
                                    bedrag wordt verhoogd met BTW indien de BTW op belanghebbende
                                    drukt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van een door een
                            deskundige opgemaakt taxatierapport wordt uitgegaan van de volgende
                            tijdsbesteding:</al><lijst><li nr="a."><al>maximaal 1 uur voor het indienen van een administratief
                                    taxatierapport;</al></li><li nr="b."><al>maximaal 2 uren indien het taxatierapport betrekking heeft op
                                    een woning die niet inpandig is opgenomen;</al></li><li nr="c."><al>maximaal 4 uren indien het taxatierapport betrekking heeft op
                                    een woning die inpandig is opgenomen;</al></li><li nr="d."><al>maximaal 2 uren indien het taxatierapport betrekking heeft op
                                    een niet-woning die niet inpandig is opgenomen;</al></li><li nr="e."><al>maximaal 5 uren indien het taxatierapport betrekking heeft op
                                    een niet-woning die inpandig is opgenomen;</al></li><li nr="f."><al>naar redelijkheid te bepalen uren indien het taxatierapport
                                    betrekking heeft op een onroerende zaak die is aan te merken als
                                    een unieke onroerende zaak die niet volgens de Landelijke
                                    Taxatiewijzer te taxeren is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Belanghebbende wordt op zijn verzoek gehoord;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als belanghebbende niet binnen een door de heffingsambtenaar gestelde
                            redelijke termijn aangeeft dat hij gebruik wil maken van de uitnodiging
                            op een vastgestelde datum om gehoord te worden, kan de heffingsambtenaar
                            afzien van het horen. De heffingsambtenaar maakt hiervan melding in de
                            uitspraak op bezwaar. Zo nodig verifieert de heffingsambtenaar of de
                            belanghebbende de uitnodiging om gehoord te worden ontvangen heeft;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het hoorgesprek wordt <vet>niet</vet> telefonisch gevoerd. Wel kan het
                            zo zijn dat belanghebbende na telefonisch contact met de
                            heffingsambtenaar van mening is dat hij zijn zaak telefonisch voldoende
                            heeft toegelicht en afziet van een hoorgesprek;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de bepaling van de locatie van de hoorzitting worden door de
                            heffingsambtenaar de betrokken belangen en overwegingen van efficiëntie
                            en een doelmatige hoorzitting in redelijkheid afgewogen. De locatie van
                            de hoorzitting is:</al><lijst><li nr="-"><al>Het kantoor van Tribuut belastingcentrum, gevestigd aan Parkweg
                                    5, 8161 CK te Epe;</al></li><li nr="-"><al>De onroerende zaak van belanghebbende, waarbij de hoorzitting
                                    wordt gecombineerd met een inpandige opname van de onroerende
                                    zaak van belanghebbende.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor het bijwonen van een hoorzitting door een deskundige wordt de
                            vergoeding bepaald op basis van de tijdsbesteding door de deskundige
                            vermenigvuldigd met het uurtarief als vermeld in artikel 8, lid 6. De
                            bestede tijd wordt afgerond naar boven op halve uren;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij meerdere behandelde zaken wordt het bedrag van de
                            deskundigenvergoeding per zaak berekend door de totaal bestede
                            onafgeronde tijd van de behandelde zaken tezamen te delen door het
                            aantal zaken en dit te vermenigvuldigen met het uurtarief als vermeld in
                            artikel 8, lid 6.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Bij gecombineerde behandeling van meerdere zaken op een hoorzitting
                            wordt het bedrag van de vergoeding voor rechtskundige bijstand berekend
                            als ware er sprake van één zaak. Onder gecombineerde behandeling wordt
                            verstaan een hoorzitting waarin meerdere bezwaarschriften van dezelfde
                            rechtsbijstandverlener gelijktijdig of achtereenvolgend worden behandeld
                            en waarbij nagenoeg vergelijkbare gronden zijn aangevoerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Nadere bepalingen t.a.v. de uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vaststelling van het ontstaan van een recht op te vergoeden
                            kosten die door belanghebbende zijn gemaakt kan een bewijs van gemaakte
                            kosten worden verlangd, bestaande uit een factuur ter zake van
                            verrichtte werkzaamheden van een door hem of namens hem ingeschakelde
                            deskundige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding wordt ten allen tijden rechtstreeks aan de
                            belastingschuldige uitgekeerd. In eerste instantie wordt de vergoeding
                            verrekend met openstaande aanslagen, indien er geen bedrag open staat of
                            indien de vergoeding hoger is dan een verschuldigd belastingbedrag ,
                            wordt de vergoeding aan belastingschuldige uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Uitbetaling aan belastingschuldige vindt alsdan plaats op een door hem
                            of haar aangewezen bankrekeningnummer op zijn of haar naam.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De “beleidsregel Toepassing wegingsfactoren en taxatietarieven 2016”
                                van 18 april 2017 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede
                                lid bedoelde datum van inwerkingtreding van dit besluit, met dien
                                verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die
                                zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de eerste dag na
                                die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>Deze regeling kan worden aangehaald als: “Beleidsregels
                                hoorzittingen en proceskosten Tribuut 2018 ”.</al></li></lijst><al/><al>Epe, 1 maart 2018,</al><al><cursief>De in artikel 23</cursief><cursief>2</cursief><cursief>,
                            </cursief><cursief>vierde</cursief><cursief> lid, aanhef en onderdeel
                            </cursief><cursief>a</cursief><cursief>, van de Gemeentewet bedoelde
                            </cursief><cursief>g</cursief><cursief>emeenteambtenaar,</cursief></al><al><cursief>M. van Deelen</cursief></al></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Beleidsregels Besluit proceskosten en fiscaal
                        bestuursrecht Tribuut 2018</titel></kop><al>In verband met het bepaalde in artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht met
                    betrekking tot de kosten van bezwaar alsmede het gestelde in het Besluit
                    proceskosten bestuursrecht in verband met de vergoeding van kosten van bezwaar
                    is het gewenst beleidsregels vast te stellen ten aanzien van de wegingsfactoren
                    als bedoeld in de bijlage bij het Besluit proceskosten. </al><al>Blijkens de Nota van Toelichting op het Koninklijk Besluit waarbij de vergoeding
                    van kosten in de bezwaarfase in het Bpb is opgenomen, heeft de heffingsambtenaar
                    de bevoegdheid om in uitvoeringsvoorschriften (= een beleidsregel in de zin van
                    artikel 1:3, vierde lid van de Awb) vast te leggen op welke wijze de
                    wegingsfactoren worden gehanteerd (zie Staatsblad 2002, 113).De
                    heffingsambtenaar (= de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 232, vierde lid,
                    aanhef en onderdeel a, Gemeentewet) van de deelnemende gemeenten aan Tribuut
                    belastingsamenwerking heeft door het vaststellen van deze regeling gebruik van
                    deze bevoegdheid gemaakt.</al><al>De beleidsregel brengt lijn in de afdoening van verzoeken om kostenvergoedingen
                    door de heffingsambtenaar. Het doel ervan is dat gelijke gevallen zoveel
                    mogelijk gelijk en ongelijke gevallen zoveel mogelijk, naar de mate van hun
                    ongelijkheid, ongelijk worden behandeld. De beleidsregel is bindend voor de
                    heffingsambtenaar. Zij bindt de belastingrechter niet; de belastingrechter kan
                    heel goed tot een andere kostenveroordeling komen dan die, welke uit de
                    beleidsregel voortvloeit. De Hoge Raad stelt echter dat de beoordelende
                    instantie zelfstandig op grond van eigen waardering oordeelt in welke
                    gewichtscategorie een zaak valt (Hoge Raad 23 september 2011, nr. 10/04238,
                    LJN:BT2293). Deze regeling voor de kostenvergoeding en kostenveroordeling is
                    niet bedoeld als een volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in
                    de kosten. </al><al>Artikelsgewijze toelichting</al><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Als uitgangspunt wordt voorop gesteld dat voor vergoeding van proceskosten
                    slechts plaats is indien door belanghebbende kosten zijn gemaakt; geen kosten,
                    geen vergoeding. In de regel dient ervan te worden uitgegaan dat het in rechte
                    verschijnen van een professionele rechtshulpverlener betekent dat deze daarvoor
                    een declaratie zal indienen. Wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk
                    in het gelijk is gesteld, wordt het bestuursorgaan, in principe in de kosten van
                    het geding veroordeeld. Bewijs dat een op zichzelf professionele gemachtigde
                    voor de verleende bijstand kosten in rekening heeft gebracht, kan ontstaan bij
                    betwisting door het bestuursorgaan of als er aanwijzingen zijn dat geen kosten
                    in rekening worden gebracht. Dat geldt ongeacht of de gemachtigde tot de
                    belanghebbende in een persoonlijke relatie staat. Het kan zich overigens
                    voordoen dat een dergelijke betwisting verband houdt met de constatering dat de
                    rechtsbijstandverlener in een persoonlijke relatie staat tot belanghebbende. Van
                    belanghebbende kan bij betwisting bewijs van gemaakte kosten worden verlangd
                    door overlegging van een declaratie en eventueel bewijs van betaling of op
                    andere wijze.</al><al><cursief>lid 5</cursief> Ten aanzien van bureaus of organisaties die aangeven of
                    waarvan is vastgesteld dat ze werken op basis van “no cure no pay” worden ter
                    verifiëring van gemaakte kosten een factuur, een betaling van deze factuur,
                    alsmede een factuur en een betaling van de factuur van een ingeschakelde
                    deskundige gevraagd. Een vergoeding van in de bezwaarfase gemaakte kosten wordt
                    toegekend indien deze kosten aantoonbaar zijn gemaakt. Dit betekent dat de
                    kosten aangetoond moeten worden aan de hand van een nota en een betaling die
                    daadwerkelijk op deze nota heeft plaatsgevonden. De betaling kan worden
                    aangetoond door overlegging van een kwitantie of een bankafschrift waaruit de
                    betaling blijkt.</al><al><cursief>lid 6</cursief> De belanghebbende kan als schuldeiser een
                    bankrekeningnummer aanwijzen waarop een betaling moet plaats vinden (artikel
                    4:89, eerste lid Awb). Er vindt geen uitbetaling aan gemachtigde plaats. De
                    teruggave van te veel geheven belasting en de betaling van bezwaarkosten wordt
                    op één bankrekeningnummer van belanghebbende gedaan. </al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>De toekenning van vergoeding van proceskosten is aan de voorwaarde gebonden als
                    genoemd in artikel 7:15 Awb. Het moet o.a. gaan om redelijkerwijs gemaakte
                    kosten. Om te onderzoeken of de gemaakte kosten als redelijk kunnen worden
                    aangemerkt, dient men de dubbele redelijkheidtoets uit te voeren. Zowel het
                    aanwenden van een middel als de kosten die daaraan zijn verbonden dienen
                    redelijk te zijn. Met betrekking tot beroepsmatige rechtsbijstand betekent dit
                    dat zowel het inroepen daarvan als de daarvoor gemaakte kosten redelijk dienen
                    te zijn.</al><tussenkop>Artikel 3 en 4</tussenkop><al>Geen toelichting nodig</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Op grond van de toelichting op het Bpb oordeelt de Hoge Raad dat de toepassing
                    van de wegingsfactoren steeds in overeenstemming moet zijn met de
                    bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband
                    houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. De Hoge Raad wijst daarmee
                    het oordeel van de Centrale Raad van Beroep (2maart 2006, nrs. 04/6299 en
                    04/6354, LJN: AV3988) af, namelijk dat een zaak in de bezwaarprocedure in
                    beginsel behoort tot de categorie „gemiddeld‟, tenzij er duidelijke redenen zijn
                    om hiervan af te wijken. Degene die zich dan op de afwijking beroept moet dat
                    onderbouwen. In dat geval wordt er echter geen rekening gehouden met de
                    bewerkelijkheid en gecompliceerdheid van het bezwaarschrift en de daarmee
                    verband houdende werkbelasting. Dat hoeft volgens de Hoge Raad niet te
                    verhinderen dat een beoordelende instantie in de regel tot de conclusie kan
                    komen dat de zaak gemiddeld is. Omdat veel gerechtscolleges uitgaan van een
                    gemiddelde zaak is daar ook in deze beleidsregel bij aangesloten. Daarbij is
                    overigens aangegeven dat er bij de toekenning altijd afgeweken kan worden indien
                    op grond van de complexiteit en bewerkelijkheid geboden is. Indien de
                    heffingsambtenaar dus van mening is dat de toepassing van de beleidsregel tot
                    ongewenste gevolgen leidt is er de bevoegdheid om van de beleidsregel af te
                    wijken.</al><al>De wegingsfactor wordt in beginsel op 1 gezet. Als het gaat om een bezwaar tegen
                    de waarde van een onroerende zaak met taxatierapport zijn de gerechtshoven en
                    rechtbanken van mening dat er sprake is van een gemiddelde zaak, tenzij het
                    bezwaarschrift minimaal is. Bijvoorbeeld als daarin slechts is gesteld dat de
                    waarde te hoog is. In dat geval is een lagere wegingsfactor op zijn plaats. In
                    de leden 3.1 en 3.2 van dit artikel wordt aangegeven welke zaken met een lagere
                    wegingsfactor worden gehonoreerd. </al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>In artikel 6 wordt een afwijkende regeling getroffen voor samenhangende zaken.
                    Er wordt aansluiting gezocht bij artikel 3, tweede lid, van het Bpb zoals dit
                    luidt vanaf 1 januari 2015. Volgens dit besluit zijn er samenhangende zaken
                    indien er sprake is van door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren die
                    door het bestuursorgaan, in dit geval de heffingsambtenaar, gelijktijdig of
                    nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in
                    artikel 1, onder a, van het Bpb, is verleend door dezelfde persoon dan wel door
                    een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van
                    wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Leidend
                    is de vraag of het bestuursorgaan de bezwaren gelijktijdig of nagenoeg
                    gelijktijdig heeft behandeld en de rechtsbijstandverlener nagenoeg identieke
                    werkzaamheden kon verrichten in iedere zaak. Het antwoord op deze vraag zal het
                    bestuursorgaan in aanmerking nemen bij de beoordeling of de tegemoetkoming in de
                    kosten van de vergoeding voor één zaak (bij minder dan vier zaken) dan wel 1,5
                    zaak (bij 4 of meer zaken) zal bedragen. Dit heeft in zaken waarin een
                    rechtsbijstandverlener (nagenoeg) identieke werkzaamheden verricht in diverse
                    zaken tot gevolg dat de rechtsbijstandverlener niet langer voor iedere zaak
                    apart een kostenvergoeding ontvangt, waarmee een onredelijk hoge vergoeding
                    wordt ontvangen voor zijn werkzaamheden. </al><al>Voor de toekenning van de factor bij de samenhangende zaken wordt uitgegaan van
                    omstandigheden waarbij wordt beoordeeld of binnen de betreffende categorie
                    identieke of nagenoeg identieke argumenten kunnen worden aangevoerd. Als
                    behorend tot één categorie wordt aangemerkt de waardebepaling van: woningen op
                    basis van de vergelijkingsmethodiek, woningen in aanbouw op basis van de
                    gecorrigeerde vervangingswaarde, woningen die deel uitmaken van een
                    Natuurschoonwet landgoed en die worden gewaardeerd op basis van artikel 17 lid 5
                    Wet WOZ, courante niet-woningen op basis van de vergelijkingsmethodiek, courante
                    niet-woningen op basis van de huurwaardekapitalisatie methode, courante
                    niet-woningen op basis van de discounted-cash-flow methode, agrarische
                    niet-woningen, courante niet-woningen op basis van de gecorrigeerde
                    vervangingswaarde en incourante niet-woningen op basis van de gecorrigeerde
                    vervangingswaarde.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Voor de beoordeling van de samenhang bij een beschikkingsbiljet waarop objecten
                    zijn opgenomen die tot dezelfde categorie behoren geldt artikel 3 en 5. Dit
                    betekent dat in die gevallen 1 punt met een wegingsfactor van 1 wordt toegekend.
                    Er wordt aangesloten bij het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2015,
                    ECLI:NL:HR:2015:19, waarin is bepaald dat bezwaren tegen beschikkingen op één
                    biljet gelden als één bezwaar, ook als afzonderlijke bezwaren worden ingediend.
                    Indien er op een beschikkingsbiljet meerdere objecten zijn opgenomen die tot
                    verschillende categorieën, zoals genoemd in artikel 6, lid 1, behoren, geldt
                    voor de beoordeling van de samenhang artikel 6.</al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Een vergoeding van € 30, wordt blijkens de jurisprudentie redelijk geoordeeld
                    voor het bijwonen van een hoorzitting (uitspraak van het gerechtshof Amsterdam
                    ECLI:NL:GHAMS:2014:4775 en arrest van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2015:1539). Voor
                    het bepalen van de hoogte van het minimaal toe te kennen bedrag voor een
                    proceskostenvergoeding is voor het verlenen van rechtskundige bijstand en voor
                    het bijwonen van een hoorzitting aangesloten bij dit bedrag.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>In dit artikel wordt aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 2, derde
                    lid, van het Bpb. Dit artikel biedt het bestuursorgaan de mogelijkheid om in
                    bijzondere gevallen af te wijken van het bepaalde in het eerste lid. Zo kan voor
                    de vaststelling van de kosten voor verleende rechtsbijstand worden afgeweken van
                    het forfaitaire tarief dat is opgenomen in de bijlage bij het Bpb. Uit de
                    toelichting op de uitzonderingsmogelijkheid (<onderstreept>Stb. 1993,
                        763</onderstreept>, p. 10) volgt dat de uitzondering wegens bijzondere
                    omstandigheden in het Bpb is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen strikte
                    toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. Het
                    bestuursorgaan kan daarom in gevallen waarin sprake is van bijzondere
                    omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen.
                    Verder wordt aldaar opgemerkt dat hierbij geen afbreuk mag worden gedaan aan het
                    karakter van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. Voorts wordt benadrukt
                    dat er werkelijk sprake moet zijn van een uitzondering. Gelet op deze
                    toelichting past het bestuursorgaan de uitzondering wegens bijzondere
                    omstandigheden terughoudend toe. </al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>De kostenvergoeding is zo veel als mogelijk in overeenstemming met de
                    richtlijnen die de gerechtshoven en rechtbanken hebben opgesteld. Daarnaast is
                    aangesloten bij de jurisprudentie van de Hoge Raad van 13 juli 2012 waarin is
                    geoordeeld dat de hoogte van het uurtarief afhankelijk is van de aard van de
                    onroerende zaak en de complexiteit van de taxatie.</al><al>Blijkens het Gerechtshof Amsterdam kan een taxatiekaart niet worden aangemerkt
                    als een verslag als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het besluit
                    proceskostenvergoeding.</al><al>Blijkens de uitspraak van de rechtbank Den Haag ( SGR 14/11432) wordt voor een
                    administratief taxatierapport een vergoeding op basis van 1 uur toegekend. </al><al>Onder een administratief taxatierapport wordt verstaan dat er geen uitpandige of
                    inpandige taxatie heeft plaatsgevonden en dat het waardeoordeel is gebaseerd op
                    administratieve gegevens. Verder bevat een administratief taxatierapport een
                    groot aantal standaardoverwegingen en slechts beperkte informatie toegespitst op
                    het object in kwestie.</al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Een belanghebbende wordt, na daarom te hebben verzocht in het bezwaar,
                    uitgenodigd voor een hoorgesprek. In geval een rechtsbijstandverlener meerdere
                    belanghebbenden vertegenwoordigt worden deze zaken zo goed als mogelijk
                    gebundeld. In de uitnodiging voor het hoorgesprek worden drie data met een
                    tijdstip vermeld waaruit belanghebbende één datum kan kiezen waarop het
                    hoorgesprek plaatsvindt. Belanghebbende dient hiertoe wel binnen een daarvoor
                    aangegeven termijn de datum te bevestigen. Reageert belanghebbende niet binnen
                    deze termijn, dan herhaalt de heffingsambtenaar nog éénmaal de uitnodiging en
                    stelt nogmaals een termijn. Reageert belanghebbende ook na de herhaalde
                    uitnodiging niet (of buiten de gestelde termijn) dan heeft de heffingsambtenaar
                    belanghebbende voldoende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>De heffingsambtenaar heeft de vrijheid om het beleid te voeren dat een
                    hoorgesprek in persoon en niet per telefoon plaatsvindt. Hierbij neemt de
                    heffingsambtenaar de beginselen van behoorlijk bestuur in acht. Op een verzoek
                    tot telefonisch horen zal de heffingsambtenaar gemotiveerd besluiten. Een
                    telefonische hoorzitting levert niet eenzelfde kwaliteitsproduct op als een
                    fysieke hoorzitting. Bij een fysieke hoorzitting kunnen namelijk, anders dan bij
                    een telefonische hoorzitting, een taxateur én een bezwaarafhandelaar van Tribuut
                    deelnemen, ieder met hun eigen expertise. Zij kunnen aspecten van de
                    waardebepaling en de procedure toelichten en eventueel (nadere) vragen stellen.
                    Ook speelt de non-verbale communicatie een grote rol in de onderlinge
                    communicatie tussen partijen en bij een telefonische hoorzitting kan men de
                    non-verbale signalen niet oppikken en hierop reageren. Bij een hoorzitting op
                    het kantoor van Tribuut, stelt de heffingsambtenaar een Wi-Fi netwerk ter
                    beschikking, zodat belanghebbende tijdens het hoorgesprek op die wijze toegang
                    heeft tot de door hem gestelde digitale bronnen. </al><al>Er kan in de bezwaarfase sprake zijn van telefonisch contact tussen de
                    heffingsambtenaar of taxateur en belanghebbende, waarna belanghebbende van
                    mening is dat hij zijn zaak telefonisch voldoende heeft toegelicht en een
                    hoorgesprek niet meer nodig acht. Hij ziet dan af van een hoorgesprek. </al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Het hoorgesprek vindt in de regel plaats op het kantoor van Tribuut
                    belastingcentrum. Ook zijn er situaties denkbaar waarbij het hoorgesprek
                    plaatsvindt tijdens een inpandige opname. Een fysieke hoorzitting draagt bij aan
                    de doelmatigheid van de bezwaarafwikkeling, klantvriendelijkheid en een
                    verlaging van de uitvoeringskosten. </al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Aangezien er al een betalingsrelatie met belastingplichtige is wordt bij
                    betaling eerst beoordeeld of nog belastingschulden open staan. Indien dit het
                    geval is wordt het bedrag van de vergoeding verrekend met de openstaande
                    belastingschuld. Artikel 24, eerste lid, onderdeel b Invorderingswet, maakt dit
                    mogelijk. De teruggave van de te veel geheven belasting en de betaling van
                    bezwaarkosten wordt op het reeds bekende nummer van belanghebbende gedaan. </al><tussenkop> Lid 3</tussenkop><al>De belanghebbende kan als schuldeiser een bankrekeningnummer aanwijzen waarop
                    een betaling plaats moet vinden (artikel 4:89, eerste lid Awb). Uit de Wettekst
                    en de Memorie van Toelichting blijkt dat het om een aangewezen bankrekening ten
                    name van belanghebbende gaat. Indien er geen belastingschuld is of indien het
                    bedrag van de vergoeding hoger is dan de nog openstaande belastingschuld wordt
                    het (restant)bedrag uitbetaald op het door belanghebbende aangegeven
                    banknummer.</al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>Geen toelichting nodig.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>