<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR48372_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening 13e serie wijzigingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zeewolde</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zeewolde</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zeewolde Actueel, 14-09-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005181&amp;artikel=8&amp;g=2013-10-15">Woningwet, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005181&amp;artikel=11&amp;g=2013-10-15">Woningwet, art. 11</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-09-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen: Bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 15 februari 2007 en alle daarin aangebrachte wijzigingen en Brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 30 maart 1995 en alle daarin aangebrachte wijzigingen, voor zover deze Brand¬beveiligingsverordening eisen aan het brandveilig gebruik van bouwwerken stelt.</al><al>Hoofdstuk 12 bevat overgangsbepalingen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening 13e serie wijzigingen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Bouwverordening Gemeente Zeewolde</al><al>(Na de 13e serie wijzigingen in 2010)</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                        letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="-"><al>Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                                        artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het
                                        ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit
                                        artikellid, burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>Bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 92, tweede lid
                                        van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw-
                                        en woningtoezicht;</al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                        hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                        hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                                        bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al></li><li nr="-"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen
                                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="-"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in
                                        het Bouwbesluit;</al></li><li nr="-"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of
                                        namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven norm;</al></li><li nr="-"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="-"><al>omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                        bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
                                        a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een
                                        sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
                                        onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>straatpeil:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct
                                                aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse
                                                van die hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet
                                                direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein
                                                ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van
                                                de bouw;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                        openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin
                                        gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                        behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                        liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="-"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom;</al></li><li nr="c."><al>het gebied dat is uitgesloten van welstandstoezicht, als
                                        bedoeld in artikel 9.9, eerste lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als gebieden, bedoeld in het vorige lid onder a tot en met c, gelden
                                de gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart als
                                zodanig zijn aangegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>De aanvraag omgevingsvergunningvoor het bouwen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                            bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009,
                                            in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt
                                            uit figuur 1;</al></li><li nr="b."><al>(vervallen)</al></li><li nr="c."><al>indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig
                                            is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
                                            voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt
                                    niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar
                                    aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                    Besluit omgevingsrecht, artikel 2 en 3 van bijlage II. Deze
                                    verwijzing geldt niet voor de hoogtebepaling in het Besluit
                                    omgevingsrecht, artikel 2 en 3 van bijlage II.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
                                    de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in
                                    artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien
                                    voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds
                                    bruibare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                    tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                    artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan
                                    voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als
                                    bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het
                                    in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
                                    historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de
                                    locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                                    volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                    rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                    begonnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                    bouwvergunning</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Bouwregistratie</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                    woonwagens en standplaatsen</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Ontvangst van de aanvraag</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Bekendmaking van termijnen</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen is vereist; en</al></li></lijst><al>c. 1. dat de grond raakt, of</al><al>c. 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                wordt gehandhaafd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><al> In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht,
                                kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van
                                het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of
                                andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                                overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39,
                                eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt
                                is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden
                                alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    steden¬bouwkundige bepalingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                    mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                    openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweer¬auto's en
                                    het overige te verwachten verkeer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                    onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                                    dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                                    hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                    bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                    auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het vierde lid,
                                    indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich
                                    daarvoor lenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                            van het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een
                                            mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                            aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn,
                                        welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk
                                        gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                                        richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn
                                                gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn
                                                gelegen op 10 meter uit de as van de weg.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen
                                        bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                                grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                            Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming
                                            op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de
                                            weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                            galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                            1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken.</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                    toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van
                                            een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                                            rijweg;</al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en
                                            dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van
                                            de weg niet in gevaar komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd
                                gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                        bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevel¬rooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                            afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                            waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is
                                            verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                            achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussen¬afstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2
                                    behoeft te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                            artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                            woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                            afwijking is gebaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok
                                            op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de
                                            helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                                            voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één
                                            ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan
                                            worden beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok
                                            van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige
                                            afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze
                                            als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het
                                            bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen,
                                            voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van
                                            het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere
                                            afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                            afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouw¬blok, doch op geen grotere afstand
                                            van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                            voorgevel¬rooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op
                                            een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                            beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van
                                            dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevel¬rooilijn dan 15 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding
                                    van daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                    aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                    hoekbebouwing dit toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevel¬rooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist te bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als een voor het
                                        bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoeld in de artikel 3, onderdeel 7
                                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking artikel 3, onderdeel
                                        7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in : artikel.2, onderdeel 15 en
                                        17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is
                                        verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3,
                                        of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die
                                        vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                        1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                            achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat
                                            is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een
                                            diepte heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's
                                    buiten beschouwing blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                            indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot
                                            bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                            voorwaarden wordt voldaan:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee
                                    tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg
                                    en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een
                                    weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die
                                    zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                    afmetingen tot stand wordt gebracht;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor
                                    te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet,
                                    wordt de bestaande toestand verbeterd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                            geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van
                                            het verbod tot overschrijding van de
                                            achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                            minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                    mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij
                                    te laten ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel.2,
                                    onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                    niet toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van
                                    het af te scheiden erf of terrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
                                    Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden
                                    met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                    hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                    nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor
                                    het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is, worden
                                    gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van
                                            de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                            oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de
                                            veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                                            bezwaar bestaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevel¬rooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                    beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt
                                    voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk
                                    uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                    dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevel¬rooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel
                                    niet hoger is dan de voorgevel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk,
                                    voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
                                    tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan
                                    tot de vlakken die de verticale vlakken door de
                                    voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de -
                                    krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en
                                    die met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15
                                    meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagst gelegen weg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat - daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en
                                    de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel
                                    vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten -
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten
                                    beschouwing worden gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7
                                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        product van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                        gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner
                                                worden dan de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3,
                                        derde lid, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                        omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte
                                    in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                    2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot
                                    bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                                    achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                                    overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                            beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel
                                            3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van
                                            toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                            zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede
                                            ruimtelijke ordening, en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                            onderbouwing bevat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten
                                            minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00
                                            m bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                            voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de
                                            lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50
                                            m bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                            omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                            stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                            voorzien.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6.</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtroute¬aanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Beginsel inzake brandmeldinstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Gelijkwaardigheid</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7.</nr><titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                    openbare distributie¬net voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het aardgasdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 40m. Niet van toepassing is het bepaalde in
                                            dit lid op woningen, waarin voor het kunnen koken een
                                            andere energiebron dan gas aanwezig is en voor
                                            verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer
                                            nodig is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan
                                            500 m2;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                            verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een
                                            gemeenschappelijke of publieke voorziening voor
                                            verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                            Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3A</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                                    verwarming</titel></kop><al>Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor
                                verwarming van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                Bouwbesluit (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te
                                bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van de publieke voorziening dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet
                                    van toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen
                                    openbare riolering aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                            binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting
                                            noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het
                                            gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of
                                            moeten kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                            moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                            terugvloeien van afvalwater en faecaliën, ingeval de
                                            leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op
                                            het openbaar riool te lozen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al
                                    dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten
                                    worden tussen¬geschakeld ter verzekering van de goede werking of
                                    de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming
                                    van hinder voor andere aan¬geslotenen aan het openbaar riool,
                                    ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen
                                    daartoe aanleiding geeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op
                                    een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
                                    lucht mogelijk is:</al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar riool worden
                                    aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                            waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                            overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                            waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een
                                            beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput
                                            met overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder
                                            faecaliën, alsmede over¬storten van rottingputten moeten
                                            zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem
                                            en lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën
                                            mogen niet lozen op een rottingput.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    hemelwater moeten:</al><lijst><li nr="a."><al>zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem
                                            en lucht kan optreden; en</al></li><li nr="b."><al>zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte
                                            opvang- en bezinkingsvoorziening van voldoende
                                            capaciteit, welke voorziening in verband met de grootte
                                            van de te ontwateren oppervlakken en de bodemgesteldheid
                                            ter plaatse moet zijn gelegen op voldoende afstand van
                                            de perceelgrenzen en de bebouwing op het perceel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking:</al><lijst><li nr="a."><al>van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op
                                            andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
                                            lucht mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>van het bepaalde in het tweede lid, indien de
                                            bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter plaatse, dan
                                            wel de omvang van het perceel de infiltratie van
                                            hemelwater niet toelaten en bovendien de
                                            afvoervoorziening voor hemelwater niet wordt aangesloten
                                            aan een rottingput.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                    scheidings¬constructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                    haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                    aangewerkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                    leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de
                                    dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                    zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                    aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                    rottingputten voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                    geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
                                    vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                    waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan
                                    beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                    wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 2007.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
                                    voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter
                                    plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse
                                    middellijn hebben van ten minste 125 mm.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
                                    van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                    moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen
                                    die zijn opgenomen in bijlage 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>De melding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De wijze van melden</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de omgevingsvergunning voor het bouwen;</al></li><li nr="b."><al>andere toestemmingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid sub b
                                    van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor
                            het bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van de b
                            een omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen
                            alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                    uitgezet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd
                                het bepaalde in de voor¬waarden van de een omgevingsvergunning voor
                                het bouwen - ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der
                                hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                                gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden
                                        daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            veror¬dening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                        uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op
                                        zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik
                                        stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                        toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder
                                        meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in
                                        werking kunnen worden gesteld;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of
                                ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                                verbieden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                gebruiken krachtwerktuig:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                        en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet
                                        mag worden gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>overig afval.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van het gereedkomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de
                                        riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen
                                        door wanden en vloeren beneden straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede
                                        van de thermische isolatie in andere besloten constructies
                                        moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de
                                        onder a en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden
                                        gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht
                                tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het
                                einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouw¬toezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                            nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het
                            bouwtoezicht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd
                                    van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang
                                    en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en
                                    het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                    onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                                    dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                                    hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                    brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                    tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                    tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks
                                    niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswater¬voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                            van het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een
                                            mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                            aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen,
                                    niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                                    logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    woon¬gebouwen van bijzondere aard</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    logies¬verblijven en logiesgebouwen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    kantoor¬gebouwen</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributie¬net voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><lijst><li nr="a."><al>woningen, een aanduiding van woningen waar op andere wijze
                                        dan op gas wordt gekookt en voor verwarming geen individuele
                                        aansluiting nodig is;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m2;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn
                                    aangesloten aan een openbaar riool.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                            aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                            bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                            voldoende ruime mestkelder, gier- of beerput aanwezig
                                            is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                        doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig
                                        zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden
                                        worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                        water¬spoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder
                                        overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende
                                        rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                                        doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                                        genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd
                                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                        optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingput.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte</titel></kop><structuurtekst><al>Reinheid</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.1</nr><titel>Vergunning gebruik bouwwerk</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.2</nr><titel>Aanvraag gebruiksvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.5</nr><titel>Weigeren gebruiksvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.6</nr><titel>Intrekken gebruiksvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.7</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.1</nr><titel>Gebruikseisen voor bouwwerken</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.2</nr><titel>Opslag brandgevaarlijke stoffen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.3</nr><titel>Opslag en verwerking stoffen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.2</nr><titel>Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4.1</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Overbevolking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen</titel></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woonwagens</titel></kop><al>Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een
                                woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken
                                of te doen gebruiken, indien door of namens het bevoegd gezag is
                                medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                        bouwwerk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                    hygiëne</titel></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het
                                bouwwerk te staken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>Staken van het gebruik van een woonwagen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr><titel>Bepaling aantal personen nachtverblijf</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het
                                Besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op "aan
                                meer dan 4 personen".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder</titel></kop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten, of werktuigen te
                                gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook,
                                        roet, walm of stof wordt verspreid.</al></li><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers
                                        van het bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank,
                                        stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of
                                        overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling,
                                        elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk
                                        of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                                        bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt;</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.</nr><titel>Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                                schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                                gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6.</nr><titel>Installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het
                                Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de
                                aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren,
                                zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te
                                    slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd
                                    gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het
                                    verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor
                                    het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de
                                    Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                    of oplegging van een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan
                                    aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen slechts voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden
                                            van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding
                                            in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en
                                            een fractie overig afval;</al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen
                                            van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede
                                            lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn
                                            overgelegd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd
                                    gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen met
                                    betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed
                                    maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de
                                    termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                    indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld
                                    over het slopen van het tijdelijke bouwwerk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd
                                        en ook door het stellen van voorschriften niet op een
                                        voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met
                                        het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                                        stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                        worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de archeologische
                                        monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                        provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is
                                        vereist en deze niet is verleend;</al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond
                                        van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens
                                        overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
                                        de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is
                                        verleend;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                            onvolledige opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                            sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is
                                            gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden
                                            deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode
                                            van 26 weken stilliggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>(vervalt)</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                                het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                    omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan
                                    in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel
                                    slopen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde, asbesthoudende platen waarin de
                                            asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien,
                                            uit een woning of uit een op het erf van die woning
                                            staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw
                                            niet in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                            bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in
                                            dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                            asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante
                                            meter per kadastraal perceel bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde,
                                            asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of uit een
                                            op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de
                                            woning of het bijgebouw niet in het kader van de
                                            uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                                            bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte
                                            van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of
                                            vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                            kadastraal perceel bedraagt; mits het voornemen tot dit
                                            slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders en door
                                            burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag
                                            waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                            sloopvergunning is vereist. Met een woning wordt gelijk
                                            gesteld een woonkeet, woonwagen of logiesverblijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                    worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                    burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in drievoud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                    aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                    burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden
                                    of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                    mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan,
                                    is de mededeling van rechtswege gedaan.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld
                                    in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                    verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                    zevende lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in het
                                    achtste lid alsmede de voorschriften die bij of krachtens de
                                    artikelen 7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn
                                    gesteld, in acht te nemen.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                    sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste
                                    tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen,
                                    stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft
                                    gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te
                                    geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                                    omgevingsvergunning voor het slopen.</titel></kop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor
                                zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in
                                het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of
                                gedeeltelijk verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                        constructie van kassen;</al></li><li nr="c."><al>: rem- en frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                        verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is
                                        dan 2250 kilowatt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of
                                een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                                last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan
                                het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het
                                    slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan
                                    een deskundig bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een
                                    afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig
                                    bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal
                                    uitvoeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten
                                    minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het
                                    bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en
                                    tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op
                                    asbest, zal plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt
                                    binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het
                                    bevoegd gezag een afschrift van de resultaten van de
                                    eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het
                                    Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor
                                    het slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het
                                    slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht
                                    hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en
                                    woningtoezicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                    aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk
                                    op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde
                                    van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt,
                                    moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                    bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                    bouwwerk wordt gesloopt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                    technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu
                                    met asbest te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                    vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens
                                    artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden
                                    in de navolgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk
                                            17 de afvalstoffen¬lijst behorende bij de Regeling
                                            Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                                            2001, nr. 158, blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f,
                                    moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9.</nr><titel>Welstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>De advisering door de Welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor regulier vergunningplichtige en
                                licht-vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44,
                                eerste lid onder d respectievelijk artikel 44, derde lid juncto
                                eerste lid onder d van de Woningwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de Welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en 2
                                leden, waarvan ten minste 3 leden (inclusief voorzitter) deskundig
                                zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
                                cultuurhistorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de voorzitter en leden worden geen plaatsvervangers
                                aangewezen</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste 2 deskundige leden aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter en leden van de Welstandscommissie zijn onafhankelijk
                                ten opzichte van het gemeentebestuur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De Welstandscommissie wordt bijgestaan door een secretaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                Welstands¬commissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van
                                de burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                                gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leden van de Welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het reglement van orde van de Welstandscommissie dat als bijlage 9
                                bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in
                                de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al>De Welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de Welstandscommissie;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De Welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Termijn van advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door
                                of namens het bevoegd gezag daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                                betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde
                                aanvraag betreft uit binnen drie weken nadat door of namens het
                                bevoegd gezag daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan in hun verzoek om advies de Welstandscommissie
                                een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit
                                artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een
                                langere termijn kan door het bevoegd gezag worden gegeven indien de
                                termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van
                                artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De behandeling van bouwplannen door de Welstandscommissie is
                                openbaar. De agenda voor de vergadering van de Welstandscommissie
                                wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op
                                verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare
                                behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                                redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                                ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor
                                het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                Welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Er is geen spreekrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Afdoening bij mandaat</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel
                                44, eerste lid onder d van de Woningwet mandateren aan een of
                                meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter
                                en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het
                                oordeel van de Welstandscommissie als bekend mag worden
                                verondersteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als
                                bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de
                                Welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien het
                                bevoegd gezag - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een
                                verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dient het bevoegd
                                gezag daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                                openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het
                                bevoegd gezag gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning
                                voor het bouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het
                                daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de Welstandscommissie is ingewonnen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10.</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overdragen mededeling</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkricht¬lijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11.</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Stilleggen van de bouw</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Stilleggen van het slopen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Onderzoek naar een gebrek</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                            in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                            bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het
                            in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij
                            burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve
                            bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                            gezien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
                            van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                            grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling sloopmelding</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de dag
                                    waarop zij is afgekondigd.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al><lijst><li nr="a."><al>de Bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 15
                                            februari 2007 en alle daarin aangebrachte
                                            wijzigingen;</al></li><li nr="b."><al>de Brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij
                                            raadsbesluit d.d. 30 maart 1995 en alle daarin
                                            aangebrachte wijzigingen, voor zover deze
                                            Brand¬beveiligingsverordening eisen aan het brandveilig
                                            gebruik van bouwwerken stelt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als
                                    'Bouwverordening'.</al></li><li nr="4."><al>Overgangsbepalingen Op een aanvraag om bouwvergunning,
                                    ontheffing of toestemming anderszins, die is ingediend vóór het
                                    tijdstip waarop deze wijzigingsverordening van kracht wordt en
                                    waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de
                                    bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals die
                                    luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de
                                    wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden
                                    toegepast.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Zeewolde in zijn openbare
                        vergadering van 17 december 1992, gewijzigd 28 april 1994, gewijzigd 26 mei
                        1994, aangevuld 30 juni 1994, gewijzigd 21 december 1995, gewijzigd 27 maart
                        1997, gewijzigd 27 augustus 1998, gewijzigd 24 september 1999, gewijzigd 30
                        november 2000, gewijzigd 20 februari 2003, gewijzigd 29 januari 2004,
                        gewijzigd 29 september 2005, gewijzigd 15 februari 2007, laatstelijk
                        gewijzigd 29 november 2007.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter</ondertekening><ondertekening>B.J. Schouten G.J. Gorter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label></kop><tussenkop>Bijlagen</tussenkop><al>-Bijlage 1</al><al>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</al><al>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1</al><al>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld
                    in artikel 2.1.3 van de Bouwverordening</al><al> (vervallen)</al><al>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden
                    als bedoeld in artikel 2.1.6 van de Bouwverordening (vervallen)</al><al>Artikel 3 Funderingsplan </al><al> (vervallen)</al><al>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens </al><al> (vervallen)</al><al>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan </al><al> (vervallen)</al><al>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen </al><al> (vervallen)</al><al>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen</al><al> (vervallen)</al><al>-Bijlage 2</al><al>Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.1.2</al><al>(vervallen)</al><al>-Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken</al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, eerste lid</al><al>(vervallen)</al><al>-Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                    niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties</al><al>(vervallen)</al><al>-Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2</al><al>(vervallen)</al><al>-Bijlage 6</al><al>Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al>(vervallen) </al><al>-Bijlage 7</al><al>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en
                    terreinen</al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen'
                            (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                            correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                            buitenrioleringen';</al></li><li nr="d."><al>: NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij
                            verval buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel 1. Eisen
                            voor buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig);</al></li><li nr="e."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                            aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3,
                            uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig);</al></li><li nr="f."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                            aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en
                            monstername' (Engelstalig);</al></li><li nr="g."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3.
                            Beproevingsmethoden' (Engelstalig).</al><lijst><li nr="-"><al>Bijlage 8</al></li></lijst></li></lijst><al>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                    bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</al><al>(vervallen) </al><al>-Bijlage 9 Reglement van orde van de Welstandscommissie</al><al>Artikel 1. Begripsomschrijving</al><al>In dit reglement wordt verstaan onder de commissie: de Welstands¬commissie</al><al>Artikel 2. Taak commissie</al><lijst><li nr="1."><al>De commissie heeft tot taak het uitbrengen van schriftelijk advies aan
                            burgemeester en wethouders ten aanzien van:</al><lijst><li nr="a."><al>de toepassing van de voorschriften omtrent welstand als bedoeld
                                    in de Woningwet en deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>aangelegenheden welke voor het uiterlijk aanzien van de
                                    omgeving, van belang zijn of kunnen worden, zoals het
                                    vaststellen, wijzigen of intrekken van stedenbouwkundige
                                    plannen;</al></li><li nr="c."><al>het aanbrengen van reclames als bedoeld in de Algemene
                                    Plaatselijke Verordening</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij de beoordeling zal de Welstandscommissie rekening houden met de
                            vraag:</al><lijst><li nr="a."><al>of voldaan wordt dan wel zal worden voldaan aan de
                                    welstandscriteria welke zijn opgenomen in de
                                    Bouwverordening;</al></li><li nr="b."><al>of voldaan wordt dan wel voldaan zal worden aan het beleid voor
                                    de visuele kwaliteit van de omgeving wat de gemeenteraad heeft
                                    geformuleerd en openbaar gemaakt in planologische maatregelen,
                                    beleidsnota's of deelnotities.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 3. Voorzitterschap</al><al>De commissie wijst uit haar midden een voorzitter en een plaatsvervangend
                    voorzitter aan. De aanwijzing behoeft de goedkeuring van burgemeester en
                    wethouders.</al><al>Artikel 4. Taak van het secretariaat</al><lijst><li nr="1."><al>De commissie wordt bijgestaan door een door burgemeester en wethouders
                            aan te wijzen ambtenaar, die tevens als secretaris optreedt.
                            Burgemeester en wethouders wijzen tevens één of meer plaatsvervangend
                            secretaris(sen) aan.</al></li><li nr="2."><al>Tot de taak van de secretaris behoort - naast hetgeen verder in dit
                            reglement is bepaald - de zorg voor het verzamelen en verstrekken van
                            die informatie die voor het goed functioneren van de commissie
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Artikel 5. Vergaderingen </al><lijst><li nr="1."><al>De commissie komt naar behoefte, doch tenminste éénmaal per drie weken
                            na een schriftelijke oproep daartoe door of namens de voorzitter, bijeen
                            en ook:</al><lijst><li nr="a."><al>op verzoek van tenminste twee leden en;</al></li><li nr="b."><al>op verzoek van burgemeester en wethouders.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In de gevallen. bedoeld in lid 1 onder a en b belegt de voorzitter de
                            vergadering binnen één week na de dag van het ontvangst van het
                            verzoek</al></li></lijst><al>Artikel 6. Oproep en bekendmaking</al><lijst><li nr="1."><al>Het tijdstip waarop de vergaderingen plaatsvinden wordt door de
                            voorzitter vastgesteld;</al></li><li nr="2."><al>De oproep tot de vergadering vermeldt, naast de dag, het uur en de
                            plaats waar de vergadering gehouden wordt, ook de te behandelen
                            onderwerpen;</al></li><li nr="3."><al>Het tijdstip van de vergaderingen wordt door de voorzitter tenminste
                            twee weken voor de vergadering op de in de gemeente gebruikelijke wijze
                            openbaar gemaakt;</al></li><li nr="4."><al>Op het gemeentehuis ligt minimaal twee dagen voor de vergadering een
                            lijst ter inzage met de te behandelen onderwerpen;</al></li><li nr="5."><al>Leden, die verhinderd zijn de vergadering bij te wonen, geven daarvan
                            minimaal 48 uur voor de vergadering kennis aan de secretaris.</al></li></lijst><al>Artikel 7. Afwijkingen van de agenda</al><al>Onderwerpen welke niet op de agenda zijn vermeld, kunnen in spoedeisende
                    gevallen niettemin punt van behandeling uitmaken, mits daartoe in een voltallige
                    vergadering door de meerderheid van de leden wordt besloten.</al><al>Artikel 8. Deelnemen aan vergaderingen door derden</al><lijst><li nr="1."><al>De commissie is bevoegd zich bij zijn beraadslagingen door andere
                            personen, op uitnodiging van de voorzitter, te doen bijstaan;</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders en door hen aan te wijzen ambtenaren hebben
                            steeds de bevoegdheid aan vergaderingen deel te nemen.</al></li></lijst><al>Artikel 9. Besluitvorming</al><lijst><li nr="1."><al>In de vergadering brengt ieder lid één stem uit;</al></li><li nr="2."><al>De commissie besluit bij meerderheid van stemmen. Bij staking van
                            stemmen heeft de voorzitter een beslissende stem.</al></li></lijst><al>Artikel 10. Aanvaardbaarheid van opdrachten</al><al>Leden van de Welstandscommissie mogen geen opdracht aanvaarden tot het
                    verbeteren van een in de commissie, behandeld onderwerp of tot het maken van een
                    nieuw ontwerp hiervan.</al><al>Artikel 11. Onthouding van deelneming aan beraadslagingen</al><al>Een lid van de commissie mag niet deelnemen aan beraadslagingen over een advies
                    omtrent een ontwerp, bij de voorbereiding waarvan hij rechtstreeks of zijdelings
                    betrokken is geweest.</al><al>Artikel 12. Vorm waarin een advies wordt uitgebracht</al><lijst><li nr="1."><al>De commissie brengt schriftelijk advies uit aan burgemeester en
                            wethouders.</al></li><li nr="2."><al>Van het in lid 1 genoemde advies ontvangt de aanvrager van een
                            bouwvergunning een afschrift, evenals de architect van het
                            bouwplan;</al></li><li nr="3."><al>Vooruitlopend op het in lid 1 genoemde advies kunnen de personen genoemd
                            in lid 2, met ingang van de dag na de vergadering, bij de secretaris
                            informatie krijgen over het uit te brengen advies.</al></li></lijst><al>Artikel 13. Ondertekening van de stukken</al><al>Tenzij bij of krachtens dit reglement anders is bepaald worden alle van de
                    commissie uitgaande stukken door de secretaris ondertekend.</al><al>Artikel 14. Coördinatie</al><al>Voor zover het werk van de Welstandscommissie bepaalde gevolgen heeft of kan
                    hebben ten aanzien van een materie of gebied dat niet tot haar werkterrein
                    behoort. kan zij op eigen initiatief overleg plegen met de daarbij betrokken
                    personen of organen.</al><al>Artikel 15. Geheimhouding</al><al>De leden alsmede de secretaris van de commissie en de ambtenaren genoemd in
                    artikel 12 lid 2. zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hen in de
                    uitoefening van hun functie ter kennis is gekomen. voor zover die verplichting
                    uit de aard der zaak volgt of hun uitdrukkelijk is opgelegd </al><al>door of namens burgemeester en wethouders.</al><al>Artikel 16. Naam</al><al>De commissie draagt de naam "Welstandscommissie Zeewolde".</al><al>Artikel 17. Inwerkingtreding</al><lijst><li nr="1."><al>Met inwerkingtreding van dit reglement (als zijnde bijlage 9 opgenomen
                            in de gemeentelijke Bouwverordening) vervalt het reglement voor de
                            Welstandscommissie van de gemeente Zeewolde, vastgesteld op 30 maart
                            1995.</al></li><li nr="2."><al>De Bouwverordening waarin dit reglement is opgenomen treedt in werking
                            met ingang van de dag na die waarop het is bekendgemaakt.</al><lijst><li nr="-"><al>Bijlage 10</al></li></lijst></li></lijst><al>(vervallen)</al><al>-Bijlage 11</al><al>(vervallen) </al><al>-Bijlage 12</al><al>(vervallen)</al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Model-bouwverordening</titel></kop><al>1.Inleidende bepalingen</al><al/><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><al>Asbest</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest: de
                    vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer
                    12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer
                    12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer
                    77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten zijn
                    verwerkt.</al><al>Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005 en de daarbij behorende toelichting.</al><al>Besluit indieningsvereisten</al><al>In dit besluit worden uniforme voorschriften gegeven over de wijze van
                    inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning (Stb. 2002, 409 en
                    gewijzigd bij Stb. 2005, 368). Gemeenten mogen zelf geen (aanvullende) eisen
                    meer stellen aan een aanvraag om bouwvergunning. In dit besluit is voorts de
                    opsomming van door burgemeester en wethouders in het register aan te tekenen
                    gegevens overgeheveld van de wetstekst zelf naar dit besluit.</al><al/><al>Besluit bouwwerken</al><al>In dit besluit worden de vergunningvrije bouwwerken overgeheveld van de
                    wetstekst zelf naar dit besluit. Het besluit houdt tevens een forse verruiming
                    in van de mogelijkheden tot vergunningvrij bouwen. Bovendien omvat dit besluit
                    een uitwerking van een nieuwe categorie bouwwerken die licht-vergunningplichtig
                    zijn. </al><al>Van de jaarlijks onder de Woningwet 1992 aan preventief toezicht onder¬worpen
                    bouwwerken zal naar verwachting ongeveer 25% vergunningvrij, 37,5%
                    licht-vergunningplichtig en 37,5% regulier vergunningplichtig worden onder de
                    Woningwet 2002 (TK 1998-1999, 26 734, nr. 3, p. 31).</al><al/><al>Bouwbesluit </al><al>Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het
                    geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan het
                    Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn de
                    technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518)
                    opgenomen.</al><al/><al>Bouwtoezicht</al><al>Vanaf 1 april 2007 geeft de Woningwet in artikel 100 expliciet de opdracht aan
                    burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de
                    Woningwet. Dit sluit aan bij de op grond van artikel 100 (oud) Woningwet
                    bestaande centrale rol van de gemeente bij de vergunningverlening en handhaving
                    ten aanzien van het bouwen en de staat van bestaande bouwwerken en brengt geen
                    verandering in het uitgangspunt dat elke gemeente vrij is naar eigen inzicht de
                    gemeentelijke organisatie in te richten en eventuele bestanddelen van het
                    takenpakket van het bouwtoezicht uit te besteden. Op grond van het nieuwe
                    artikel 100a Woningwet wijzen burgemeester en wethouders degenen aan die belast
                    zijn met het bouw- en woningtoezicht.</al><al>Gebruiksoppervlakte</al><al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1,
                    begripsbepalingen. Het Bouwbesluit verwijst voor de inhoud van het begrip naar
                    NEN 2580. Deze norm is ten aanzien van dit begrip geamendeerd bij ministeriële
                    regeling van 22 mei 1992 (Nr. HJZ21592009, Staatscourant 27 mei 1992).</al><al>De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent overbevolking,
                    hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de Model-bouwverordening.</al><al>Tevens zijn gebruiksoppervlakten bepalend voor de in het kader van het
                    Bouwbesluit te stellen eisen aan verschillende typen gebouwen. De aanvrager om
                    bouwvergunning moet daarom bij de aanvraag opgave doen van de
                    gebruiksoppervlakten.</al><al/><al>Bouwwerk en gebouw</al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    momenteel bepaald door de begripsomschrijving in de MBV 1965 en de
                    jurisprudentie. Volledigheidshalve is de begripsomschrijving in de nieuwe MBV
                    gehandhaafd.</al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                    bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1
                    van de Woningwet.</al><al>Zowel over het begrip bouwwerk als over het begrip gebouw is jurisprudentie
                    ontstaan. De inhoud van de begrippen bouwwerk en gebouw is met de komst van de
                    Woningwet van 1991 niet gewijzigd, waardoor de jurisprudentie op basis van de
                    Woningwet van 1962 en de bouwverordening (MBV 1965) geldig blijft.</al><al>Bij de interpretatie van de jurisprudentie op basis van de MBV 1965 moet
                    rekening worden gehouden met de driedeling bouwvergunningplichtig,
                    meldingplichtig en vrij bouwen. Alle vormen van bouwen, die niet in artikel 43
                    van de Woningwet als vrij bouwen of in het Besluit meldingplichtige bouwwerken
                    als meldingplichtig zijn benoemd, zijn bouwvergunningplichtig.</al><al/><al>Deskundig bedrijf</al><al>Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van
                    hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder
                    wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005. En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld
                    in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.</al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al/><al>Wat is bouwvergunningvrij bouwen?</al><al>Vanaf 2003 zijn de artikelen 43, eerste lid, onderdeel c, en 44, tweede lid, van
                    de Woningwet ingrijpend gewijzigd. Een nadere uitwerking van die wijziging is
                    opgenomen in het Besluit bouwwerken. Het vroegere Besluit meldingplichtige
                    bouwwerken is komen te vervallen. </al><al>De lijst van vergunningvrije bouwwerken uit het bedoelde eerste lid van artikel
                    43 van de Woningwet is ingrijpend gewijzigd. Voor een vrij uitgebreid overzicht
                    van voorbeelden van de opnieuw gedefinieerde vergunningvrije bouwwerken, zie de
                    met tekeningen geïllustreerde nota van toelichting bij het Besluit
                    bouwwerken.</al><al/><al>Wat is licht-bouwvergunningplichtig bouwen?</al><al>De meldingplicht voor bouwwerken is per 2003 opgeheven. De bouwwerken die onder
                    de meldingsplicht vielen zijn grotendeels bouwvergunningvrij geworden. </al><al>Bovendien is een groot deel van de kleine vergunningplichtige bouwwerken komen
                    te vallen onder de categorie licht-bouwvergunningplichtige bouw¬werken.
                    Bouwplannen waarvoor de lichte bouwvergunningplicht geldt, moeten van
                    gemeentewege worden getoetst aan de voorschriften van het bestemmingsplan, de
                    welstandsregels en de eisen inzake de constructieve veiligheid van het
                    Bouwbesluit, alsmede voorzover van toepassing de stedenbouwkundige voorschriften
                    van de bouwverordening. </al><al>Wat betreft voorbeelden van de categorie bouwvergunningplichtige bouwwerken, kan
                    de nota van toelichting bij het Besluit bouwwerken voor zichzelf spreken.' </al><al>Artikel 1.2 Termijnen</al><al>Artikel 145 Gemeentewet bepaalt dat op termijnen, gesteld in een gemeente¬lijke
                    verordening, de artikelen 1 t/m 4 van de Algemene termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing zijn, tenzij in de verordening anders is bepaald.
                    Artikel 1.2 is nu overbodig geworden, daar dit artikel ook de Algemene
                    termijnenwet van toepassing verklaarde op de bouwverordening.</al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</al><al>Algemeen</al><al>Sinds 1965 is er hier te lande een Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht,
                    die - na een intussen verstreken overgangsperiode - voor het gebied buiten de
                    bebouwde kom een planologische regeling door middel van een of meer
                    bestemmingsplannen verplicht stelt. De stedenbouwkundige voorschriften van de
                    bouwverordening zijn sindsdien enerzijds vooral van belang voor het gebied
                    binnen de toenmalige bebouwde kom en anderzijds ter eventuele aanvulling op de
                    voorschriften van het bestemmingsplan buitengebied. Binnen de toenmalige
                    bebouwde kom kunnen overigens op vrijwillige basis of vanwege de aanwezigheid
                    van een wettelijk beschermd monumentaal stads- of dorpsgezicht eveneens
                    bestemmingsplannen vigeren, in welk geval de stedenbouwkundige voorschriften van
                    de bouwverordening ook binnen de desbetreffende delen van de bebouwde kom
                    slechts dienen ter eventuele aanvulling op de voorschriften van dergelijke
                    bestemmingsplannen. </al><al>Gezien het voorgaande was het in 1965 veelal wenselijk om een indeling van de
                    gemeente in zones te maken in de bouwverordening, waardoor een zinvol
                    onderscheid kon worden gemaakt tussen de stedenbouwkundige voor¬schriften voor
                    de toenmalige bebouwde kom en voor het destijds landelijke gebied. Het is
                    praktisch om een dergelijke zone-indeling aan te geven op een bij de
                    bouwverordening behorende kaart. Een verwijzing naar het begrip 'bebouwde kom',
                    zoals dat voorkomt in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, lijkt
                    niet gewenst, omdat daaruit geen voldoende nauwkeurige begrenzing kan worden
                    afgeleid. De bedoelde, bij de bouwverordening behorende, kaart kan tevens worden
                    gebruikt om op overzichtelijke wijze de eventuele gebieden aan te duiden die
                    zijn vrijgesteld van welstandstoezicht. </al><al>In het algemeen bleek er in de loop der jaren behoefte te bestaan aan
                    continuïteit in de stedenbouwkundige voorschriften, vooral in de voorschriften
                    voor de ligging van de rooilijnen en die voor de maximum¬bouwhoogten. Daarom
                    zijn in veel gemeenten de begrenzingen van de bebouwde kom en die van het
                    buitengebied gelijk gehouden bij de overgang van de bouwverordening 1965 naar de
                    bouwverordening 1992. Het spreekt vanzelf dat daardoor het begrip 'bebouwde kom'
                    in de zin van de bouw¬verordening meestal verschilt van het begrip 'bebouwde
                    kom' in de zin van de wegenverkeerswetgeving of in de zin van artikel 20 van het
                    Besluit op de ruimtelijke ordening, zoals dit per 3 april 2000 is gewijzigd. </al><al>Bij de herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in 1985 zijn de
                    stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening overigens belangrijker
                    geworden. Toen is de figuur van het globale bestemmingsplan zonder
                    uitwerkingsplicht ingevoerd, waarin ter plaatse wordt uitgegaan van een
                    volledige aanvullende werking van de stedenbouwkundige voorschriften van de
                    bouwverordening. Veel onduidelijkheden in de afbakening van de werkingssfeer van
                    het bestemmingsplan en de bouwverordening zijn bovendien verdwenen bij de komst
                    van (artikel 9 van) de Woningwet in 1992, met name ten aanzien van bestaande
                    bestemmingsplannen die in het verleden onbewust onvolledig blijken te zijn
                    vastgesteld. Tevens lijken de stedenbouwkundige voorschriften van de
                    bouwverordening vanaf 2003 nog belangrijker te zijn geworden, omdat de vroegere
                    meldingsplichtige bouwwerken niet onder de werking van de (stedenbouwkundige
                    voorschriften van de) bouwverordening vielen, maar de huidige
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken wel. Door dit alles kan een duidelijke
                    afbakening van de bebouwde kom in de zin van de bouwverordening in relatie tot
                    eventuele plangrenzen en grenzen van 'welstandsvrije' gebieden van groter
                    gewicht blijken dan in vroeger jaren. </al><al>Alternatief 1</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                    binnen¬stedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin
                    ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht. </al><al>Alternatief 2 </al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                    binnen¬stedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin
                    geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht. </al><al>Alternatief 3</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                    binnen¬stedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, maar wel
                    een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is vrijgesteld
                    van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware
                    industrie.</al><al>Alternatief 4 </al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en ook een
                    gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is vrijgesteld van
                    welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware
                    industrie.</al><al>2.De aanvraag bouwvergunning</al><al>Algemeen</al><al>In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking hebben op
                    de aanvraag om bouwvergunning. In de Woningwet is een nieuw artikel 40a
                    opgenomen, waarin wordt bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur
                    voorschriften worden gesteld omtrent de wijze van inrichting en indiening van
                    een vergunningaanvraag, alsmede omtrent de daarbij over te leggen bescheiden.
                    Dit is het Besluit indieningsvereisten geworden. De voorschriften van dit
                    besluit zijn limitatief, waardoor de tot de achtste serie wijzigingen van de
                    Model-bouwverordening in paragraaf 1 en enkele in paragraaf 2 opgenomen
                    artikelen zijn komen te vervallen. Er is geen materiële wijziging beoogd ten
                    opzichte van deze vervallen artikelen. De overige paragrafen van hoofdstuk 2
                    bevatten inhoudelijke criteria, waaraan de aanvraag om bouwvergunning wordt
                    getoetst c.q. moet voldoen.</al><al>De wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB), Stb.
                    2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per 1
                    juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na
                    ontvangst van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning, door B&amp;W wordt
                    beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitsadvies wordt gevraagd bij het
                    Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is
                    bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de aanvrager -zowel
                    natuurlijke als rechtspersonen- en naar de herkomst van de gelden waarmee het
                    bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor B&amp;W aanleiding
                    zijn de bouwvergunning te weigeren. Bijlage 1 bij het standaard formulier voor
                    het aanvragen van een bouwvergunning bevat een checklist. In deze checklist is
                    vermeld dat burgemeester en wethouders de aanvrager informeren of en zo ja,
                    welke gegevens en bescheiden de aanvrager dient in te dienen in verband met de
                    Wet BIBOB.</al><al>Het vragen van een advies door B&amp;W is facultatief. Indien een advies bij het
                    Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de behandeling van de
                    aanvraag om bouwvergunning met acht weken op.</al><al>Op 15 september 2004 is de Aanpassingswet Bibob van 10 juni 2004 van kracht
                    geworden, waarbij de artikelen 44a en 59 van de Woningwet zijn gewijzigd. Zie
                    Stb. 2004, 320 en Stb. 2004, 452. Het bureau Bibob van het ministerie van
                    Justitie verstrekt informatie over de uitvoering van de Wet Bibob in relatie tot
                    de Woningwet (070-3704600 of www.justitie.nl/bibob).</al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is op 1 januari 1994 in werking getreden
                    (Stb. 1994, 1).</al><al>Deze wet geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen burger en overheid.
                    Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen.
                    Hiermee is tevens de Wet arob komen te vervallen.</al><al>Een deel van de zaken die de bouwverordening regelde, wordt nu ook geregeld door
                    de Awb. </al><al>Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet houden bepalingen van een
                    gemeentelijke verordening, in wier onderwerp door een wet, een algemene
                    maatregel van bestuur of een provinciale verordening wordt voorzien, van
                    rechtswege op te gelden.</al><al>De gefaseerde behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</al><al>De gefaseerde vergunningverlening wordt in artikel 56a van de herziene Woningwet
                    zelf uitdrukkelijk geregeld. Volgens de nieuwe regeling zijn burgemeester en
                    wethouders verplicht een aanvraag om een reguliere bouwvergunning desgevraagd
                    gefaseerd te behandelen. De aanvrager heeft derhalve de keuze om wel of geen
                    gefaseerde vergunningverlening aan te vragen. </al><al>Daarnaast biedt artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten burgemeester en
                    wethouders de facultatieve mogelijkheid van fasering van de
                    bouwvergunningverlening (bouwvergunning op hoofdlijnen), zoals die tot de
                    achtste serie wijzigingen in de Model-bouwverordening was opgenomen. </al><al>Een belangrijk verschil tussen de gefaseerde bouwvergunning op grond van artikel
                    56a van de Woningwet 2002 en de facultatieve mogelijkheid van fasering van de
                    bouwvergunningverlening op grond van artikel 56 van de Woningwet (bouwvergunning
                    onder voorwaarden) is dat in het eerste geval de aanvrager bepaalt of de
                    procedure van de gefaseerde vergunning wordt gevolgd, waarbij burgemeester en
                    wethouders verplicht zijn een aanvraag om een reguliere bouwvergunning gefaseerd
                    te behandelen, terwijl in het laatste geval burgemeester en wethouders bevoegd
                    zijn te in te stemmen met de verlening van een bouwvergunning op
                    hoofdlijnen.</al><al>Voorwaarden voor bouwafval in de bouwvergunning</al><al>Aan de bouwvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden over de wijze van
                    scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en over het
                    afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze voorwaarden dienen ter
                    uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11. </al><al>Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke
                    (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan
                    betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en
                    de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking.</al><al>Hoofdlijnen van de jurisprudentie </al><al>Voor een overzicht van de jurisprudentie met betrekking tot de
                    indienings¬vereisten van een aanvraag om bouwvergunning zoals die tot de achtste
                    serie wijzigingen ook al was opgenomen in de Model-bouwverordening 1992, zie de
                    losbladige uitgave 'Standaardregelingen in de bouw' van de VNG Uitgeverij.</al><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</al><al>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                    vergunningaanvragen</al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al>Artikel 2.1.5 Het onderzoek naar bodemverontreiniging</al><al>Inleiding</al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de Model-bouwverordening hebben tot doel
                    te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1
                    bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een
                    uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek
                    wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid
                    met de voorschriften uit de Woningwet en het Besluit indieningsvereisten.</al><al>Artikel 2.1.5 is met de achtste serie wijzigingen per 1 januari 2003 vervallen.
                    Om die reden is toen in de toelichting bij artikel 2.4.1 alles beschreven over
                    het bodemonderzoek wat nodig is voor de uitvoering van de bouwverordening. </al><al>In verband met de inwerkingtreding van het Besluit indieningsvereisten op 1
                    januari 2003 is bij de achtste serie wijzigingen van de MBV een reeks artikelen
                    vervallen, onder andere die over het bodemonderzoek. Onder meer uit vragen uit
                    de uitvoeringspraktijk is gebleken dat de afstemming tussen de MBV en genoemd
                    Besluit op dat punt nog niet optimaal was, met name wat betreft de regeling
                    inzake de wijze van onderzoeken en de daarop van toepassing zijnde normen en
                    protocollen. In feite ontbrak de materie die voorheen was geregeld in het tweede
                    tot en met het vierde lid van het vervallen artikel 2.1.5. </al><al>In een overleg met het ministerie van VROM is uitgesproken dat op termijn de
                    hele materie van het bodemonderzoek in landelijke regelgeving wordt neergelegd,
                    doch dat dit nog enige tijd zal duren voordat het zover is. Omdat het
                    onverantwoord wordt geacht deze periode over een gebrekkige regelgeving te
                    beschikken, is tevens in dit overleg besloten dat als een tijdelijke oplossing
                    de MBV wordt aangevuld met een nieuw herschreven artikel 2.1.5. Het blijkt dat
                    een wijziging van de bouwverordening sneller te realiseren is dan een wijziging
                    van landelijke regelgeving. Het deels doen herleven van het oude artikel 2.1.5
                    maakt het tevens noodzakelijk de toelichting op artikel 2.4.1 te herzien.</al><al>Met betrekking tot de voornemens voor rijksregelgeving verwijzen wij naar de MG
                    circulaire van 15 juli 2003, nr. MG 2003-18.</al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                    beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                    2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen.</al><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend
                    onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel
                    historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders op basis van het derde lid
                    besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend
                    onderzoek.</al><al>In volgorde kunnen dus drie onderzoeken worden onderscheiden: vooronderzoek,
                    verkennend onderzoek en nader onderzoek. </al><al>Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het
                    bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te
                    onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                    wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend, bij
                    voorbeeld bij de afgifte van het formulier voor het aanvragen van een reguliere
                    bouwvergunning, dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal
                    is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan
                    wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde
                    werkzaamheden heeft uitbesteed. </al><al>Lid 2</al><al>Tot de wijziging van de wettelijke categorie-indeling van bouwwerken, die op 1
                    januari 2003 in werking is getreden, gold de bodemonderzoeksverplichting niet
                    voor het bouwen dat, hoewel bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang gelijk
                    te stellen was met meldingplichtig bouwen. In het tweede lid van artikel 2.1.5
                    is thans een soortgelijke regeling opgenomen ten aanzien van het bouwen dat,
                    hoewel regulier-bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang gelijk te stellen is
                    aan bouwvergunningsvrij c.q. licht-bouwvergunningplichtig bouwen als genoemd in
                    het Besluit bouwwerken. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen
                    van een tuinschuurtje bij of een aanbouw aan een utiliteitsgebouw. Hoewel in
                    deze gevallen dus geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend, kan de
                    aanhoudingsregeling van artikel 52a van de Woningwet overigens wel van
                    toepassing zijn op aanvragen om een reguliere of lichte bouwvergunning, namelijk
                    in het geval dat bij burgemeester en wethouders uit anderen hoofde een redelijk
                    vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een
                    geval van ernstige verontreiniging (zie de toelichting bij genoemd artikel 52a,
                    eerste lid Woningwet).</al><al>De hoogte van een bouwwerk behoort bij de beoordeling of een bodemonderzoek is
                    vereist geen rol te spelen.</al><al>Lid 3</al><al>Het begrip 'bruikbare onderzoeksresultaten' houdt in dat in ieder geval een
                    onderzoek heeft plaatsgevonden en dat dit recent is. </al><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent geenszins dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend. De gemeente
                    kan hiervoor beleid ontwikkelen. </al><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                    gesignaleerd.</al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek tot
                    de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. Of zoals de toelichting bij
                    de bijlage van het Besluit indieningsvereisten vermeldt “Dit tijdstip kan in een
                    voorwaarde bij de bouwvergunning worden vastgelegd op basis van het bepaalde in
                    artikel 56 van de Woningwet.” </al><al>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                    bouwvergunning</al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouw¬vergunning
                    woonwagens en standplaatsen</al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</al><al>Artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 Procedurebepalingen</al><al>De (vervallen) artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 waren tot 2003 in de MBV
                    opgenomen teneinde discussies over termijnen uit te sluiten. Er werd van
                    uitgegaan dat artikel 8, derde lid van de Woningwet (oud) ruimte liet voor het
                    in de bouwverordening opnemen van deze artikelen. Tot 1 januari 2003 was in
                    artikel 2.2.1 MBV opgenomen dat de aanvrager door of namens burgemeester en
                    wethouders een bewijs van ontvangst wordt uitgereikt, waarin de datum van
                    ontvangst is vermeld. In het Besluit indieningsvereisten ontbrak sinds 1 januari
                    2003 een dergelijke bepaling, die in verband met de fatale beslistermijnen in de
                    bouwvergunningprocedure nodig is. Vanaf 1 april 2007 voorziet het nieuwe artikel
                    40b Woningwet in deze leemte, dat regelt dat burgemeester en wethouders de
                    ontvangstdatum op de bouwaanvraag aantekenen en een ontvangstbevestiging van de
                    bouwaanvraag verzenden. </al><al>Gelet op de sanctie van de fictieve bouwvergunningverlening die de Woningwet op
                    termijnoverschrijding stelt, is het uitsluiten van onduidelijkheid over
                    beslissingstermijnen nog steeds van belang. De beslistermijn voor de
                    lichte-bouwvergunning en de bouwvergunning eerste of tweede fase is zes weken en
                    twaalf weken voor een reguliere bouwvergunning. Er zijn echter
                    uitzonderingen.</al><al>Het is raadzaam om de aanvrager op de hoogte te stellen van het feit dat op een
                    aanvraag om bouwvergunning, waarvoor tevens een vrijstelling als bedoeld in de
                    artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening nodig is, de
                    termijn van zes weken (lichte-bouwvergunning/bouwvergunning eerste of tweede
                    fase) of twaalf weken (reguliere bouwvergunning) niet van toepassing is; zie
                    artikel 46 en 49 van de Woningwet.</al><al>Andere uitzonderingen op de termijn van zes respectievelijk twaalf weken
                    betreffen het opschorten van de termijn op grond van artikel 4.5 van de Algemene
                    wet bestuursrecht, het aanhouden van de aanvraag op grond van het bepaalde in de
                    artikelen 50 tot en met 55 van de Woningwet, dan wel het verdagen van de
                    beslissing daarop. </al><al>Ook de positie van de derden-belanghebbenden is bij de beslistermijnen van
                    belang. Ter bescherming van de positie van derden-belanghebbenden regelt artikel
                    41 van de Woningwet de openbare bekendmaking van de aanvraag om bouwvergunning.
                    Om te vermijden dat derden-belanghebbenden te snel uitgaan van een fictief
                    verleende bouwvergunning op basis waarvan zij bezwaar kunnen maken ingevolge de
                    Algemene wet bestuursrecht, is het wenselijk dat de uitzonderingen op de termijn
                    van zes respectievelijk twaalf weken voor hen kenbaar zijn. </al><al>Vanaf 2003 is het niet meer mogelijk de uitzonderingen op de beslistermijn van
                    zes of twaalf weken te registreren in het openbaar bouwregister. Het is echter
                    nog wel raadzaam om tot publicatie over te gaan van de aanhouding van een
                    aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verdaging van de beslissing over
                    een aanvraag om bouwvergunning. </al><al>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening</al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen bodemonderzoek</al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al>Artikel 2.2.6 Bekendmaking van rechtswege verleende bouwvergunning</al><al>Artikel 58 van de Woningwet regelt dat de eigenaar of hoofdgebruiker van een
                    naburig ander gebouw schriftelijk in kennis wordt gesteld van een fictief
                    verleende bouwvergunning.</al><al>De termijn voor het geven van schriftelijk bericht is door de Woningwet gesteld
                    op twee weken. De bouwverordening dient alleen de inhoud van het bericht te
                    regelen. Zo nodig kan dit artikel worden aangepast aan plaatselijke
                    omstandigheden en gebruiken.</al><al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</al><al>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</al><al>Algemeen</al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is
                    toegestaan.</al><al>Artikel 8 derde lid van de Woningwet en het onderhavige artikel sluiten nauw aan
                    bij de vroegere redactie waardoor inhoudelijk geen grote verschillen ontstaan.
                    De verschillen die er zijn, betreffen de aanduiding van de categorie waarvoor
                    het bodemonderzoek geldt, de bouwwerken waarvoor een reguliere bouwvergunning is
                    vereist. De bouwwerken waarvoor een zogenoemde lichte bouwvergunning volgens
                    artikel 44, derde juncto eerst lid van de Woningwet is vereist, vallen buiten
                    deze onderzoeksplicht. Dit volgt uit artikel 4, eerste lid, letter c, van het
                    Besluit indieningsvereisten, waarin staat dat bij een aanvraag om een lichte
                    bouwvergunning de gegevens en bescheiden bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.4 van
                    hoofdstuk 1 van de bijlage bij dit besluit moeten worden ingediend. De plicht
                    tot het indienen van een onderzoeksrapport staat in paragraaf 1.2.5, onder e van
                    hoofdstuk 1 van de bijlage bij genoemd besluit. Derhalve geldt de plicht tot het
                    indienen van een bodemonderzoeksrapport niet voor een aanvraag om een lichte
                    bouwvergunning. De laatstgenoemde categorie komt niet geheel overeen met de
                    categorie meldingplichtige bouwwerken van voor de wetswijziging van 2003. Indien
                    burgemeester en wethouders op andere wijze dan via bedoeld bodemonderzoek ermee
                    bekend zijn dat de grond ernstig verontreinigd is (bijvoorbeeld op basis van
                    eerder verricht bodemonderzoek of historisch onderzoek), kunnen zij ook in geval
                    van een aanvraag om een lichte bouwvergunning van de aanvrager een
                    bodemonderzoeksrapport verlangen. In artikel 2.1.5 staat vermeld aan welke eisen
                    het onderzoek naar de gesteldheid van de bodem moet voldoen. </al><al>Ook is aangegeven dat geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend bij
                    regulier-bouwvergunning-plichtig bouwen dat naar aard en omvang gelijk is aan
                    bouwvergunningsvrij of licht-bouwvergunningplichtig bouwen.Voorts worden
                    hieronder bij het vierde aandachtstreepje de omstandigheden omschreven waaronder
                    burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk ontheffing kunnen verlenen van
                    de plicht tot het (doen) verrichten van bodemonderzoek.</al><al>De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
                    bouwvergunning, waartoe het bodemonderzoek behoort, zijn vanaf 1 januari 2003
                    niet langer in de bouwverordening maar in het Besluit indieningsvereisten
                    geregeld.</al><al>De structuur is als volgt:</al><lijst><li nr="-"><al>De voorprocedure - voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om
                            bouwvergunning - waarbij een gemeentelijke dienst, meestal de
                            milieu¬dienst, een oordeel geeft over de onderzoeksopzet van het
                            onderzoeks¬rapport is als verplicht onderdeel om te komen tot een
                            aanvraag om bouwvergunning overbodig geworden nu de NEN 5740 deze
                            materie nagenoeg geheel bestrijkt. Ingeval de aanvrager twijfel heeft
                            over de keuze van de onderzoeksopzet staat het hem vrij hierover bij de
                            desbetreffende dienst of afdeling van de gemeente informatie te vragen
                            en een vooroverleg te voeren. In dit vooroverleg kan tevens aan de orde
                            komen de vraag of en zo ja voor welke gegevens ontheffing wordt verleend
                            van het onderzoek naar de bodemgesteldheid.</al></li><li nr="-"><al>Bij de aanvraag om een bouwvergunning voor een bouwwerk waarvoor een
                            reguliere bouwvergunning is vereist, moet een onderzoeksrapport
                            betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus paragraaf
                            1.2.5, onder e van de bijlage behorende bij artikel 4 van het Besluit
                            indienings¬vereisten.</al></li><li nr="-"><al>Het onderzoeksrapport bestaat volgens het eerste lid van artikel 2.1.5
                            uit de resultaten van een recent uitgevoerd verkennend onderzoek volgens
                            NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, inclusief correctieblad C1, uitgave
                            2000 en NEN 5707, uitgave 2003. Voordat een verkennend onderzoek wordt
                            uitgevoerd moet een vooronderzoek volgens NVN 5725, uitgave 1999, worden
                            uitgevoerd ten behoeve van het formuleren van de onderzoeks¬hypothese en
                            een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek
                            naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                            onverdacht is, verlenen burgemeester en wethouders op grond van het
                            derde lid van artikel 2.1.5 geheel of gedeeltelijk ontheffing van de
                            plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld paragraaf
                            1.2.5, onder e als hiervoor genoemd.</al><al> Duidt het vooronderzoek op de aanwezigheid van diffuse of puntbronnen,
                            dan dient daarnaast onderzoek plaats te vinden volgens het gecombineerde
                            protocol uit de Sdu-uitgave Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB
                            (oktober 1993, ISBN 90-12-08118-1). Hiermee wordt op een verantwoorde
                            wijze inzicht verkregen in de algemene bodemkwaliteit van het bouwkavel
                            en de aanwezigheid van puntbron(nen) gebonden verontreiniging(en).</al><al> Wanneer uit het verkennend onderzoek blijkt dat sprake is van
                            bodem¬verontreiniging, is een nader onderzoek vereist. </al><al> Hiervoor geldt het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1994,
                            ISBN 90-12-09083) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave
                            1995, ISBN 90-12-08232-3). Het beoordelingskader waarmee kan worden
                            voorkomen dat de aanwezigheid van asbest in de bodem op een bouwlocatie
                            over het hoofd wordt gezien is aangevuld met de onderzoeksnorm NEN 5707
                            (Bodem - Inspectie, Monsterneming en analyse van asbest in bodem).
                            Indien vooraf¬gaand aan een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740
                            een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd, kan de aanwezigheid
                            van asbest in de bodem worden onderzocht door daaraan een onderzoek
                            volgens NEN 5707 te koppelen. De norm is van toepassing op asbest in
                            bodem en grond met minder dan 20% puin.</al><al> Op de bepaling van asbest in bodem met meer dan 20% puin is NEN 5897,
                            uitgave 2005 ‘Monsterneming en analyse van asbest in onbewerkt bouw- en
                            sloopafval en puingranulaat’ van toepassing .</al></li><li nr="-"><al>Het tijdstip waarop de ontheffing wordt verleend is niet vastgelegd. Dit
                            kan zijn voor de indiening van een verzoek om bouwvergunning of nadat
                            dit verzoek is ingediend.</al><al> De ontheffing van de onderzoeksplicht houdt niet in dat niet getoetst
                            wordt aan het verbod tot bouwen op verontreinigde bodem. In het kader
                            van de grondpolitiek, de planologie, het bodem- of milieubeleid beschikt
                            de gemeente in voorkomende gevallen al over onderzoeksresultaten. Het
                            criterium voor het verlenen van een ontheffing is dus een eerder
                            onderzoek, dat kwalitatief aan het onderzoeksrapport gelijkwaardige
                            informatie heeft opgeleverd. Is het terrein niet eerder onderzocht, dan
                            vormt het feit dat in de gemeentelijke archieven bruikbare informatie
                            voor een historisch onderzoek te vinden is, uiteraard geen grond voor
                            een ontheffing. Het eerdere onder¬zoek kan door de gemeente in eigen
                            beheer gebeurd zijn. </al><al> De situatie waarin de gemeente een terrein bouwrijp heeft opgeleverd en
                            verkocht, leent zich bijvoorbeeld goed voor een ontheffing. Verder kan
                            de aanvrager of een eerdere rechthebbende in een ander verband dan de
                            aanvraag om bouwvergunning onderzoeksgegevens aan de gemeente hebben
                            overgelegd. Voorwaarde bij dit alles is wel dat de bij de gemeente
                            bekende informatie actueel genoeg is. De actualiteitswaarde van de
                            onderzoeks¬resultaten bedraagt maximaal twee tot vijf jaar, afhankelijk
                            van de aard en mate van de verontreiniging en het bodemgebruik na het
                            uitvoeren van het onderzoek. Overwogen zou kunnen worden om, in verband
                            met de krappe termijnen, deze ontheffingsbevoegdheid van burgemeester en
                            wethouders te mandateren.</al><al> De ontheffing dient in volgorde vooraf te gaan aan de beoordeling van
                            de compleetheid van de stukken in verband met toepassing van artikel 4:5
                            juncto 4:15 Awb. In verband met de krappe termijn kan het lastig en
                            wellicht niet goed realiseerbaar zijn om binnen die termijn ook de
                            mogelijkheid van een ontheffing te beoordelen en bij een gunstige
                            uitkomst te verlenen. </al><al> Daarom is de mogelijkheid en wenselijkheid aangegeven in een
                            vooroverleg de mogelijkheid van ontheffing te bezien en deze zo mogelijk
                            te verlenen voordat de aanvraag wordt ingediend. </al><al> Dit geeft de aanvrager de meeste zekerheid en behoedt de gemeente voor
                            problemen met de fatale termijnen.</al></li><li nr="-"><al>Indien met inachtneming van een verleende of nog te verlenen ontheffing
                            blijkt dat de ingediende bescheiden onvoldoende zijn en dit gebrek niet
                            kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de
                            vergunningverlening, wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 47 van de
                            Woningwet in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te
                            vullen.</al></li><li nr="-"><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kunnen
                            burgemeester en wethouders in een voorwaarde bij de bouwvergunning
                            bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten
                            worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt
                            hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en
                            bescheiden worden verlangd, aldus het derde lid van artikel 4 van het
                            Besluit indieningsvereisten.</al></li></lijst><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in
                    deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn
                    immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van
                    de wet. Nadrukkelijk wordt in de Memorie van toelichting bij de wetswijziging
                    vermeld dat de schade voor het milieu, gelet op de uitgangspunten van de
                    Woningwet, geen motief kan zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met
                    betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in
                    tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat.</al><al>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</al><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren
                    verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend
                    mensen verblijven. </al><al>De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn,
                    bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort durende
                    werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot
                    gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In de Nota
                    naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar
                    aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen
                    van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of
                    nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning. </al><al>Bouwwerken die de grond niet raken</al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al><al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging</al><al>De systematiek van de Woningwet gaat er van uit dat burgemeester en wethouders
                    het bevoegde gezag zijn voor de vraag of bij niet-ernstige gevallen van
                    bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet onder de voorwaarde dat
                    bepaalde voorzieningen worden getroffen.</al><al>Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn
                    gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de vier grote steden
                    volgens de Wet bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen.</al><al>Afstemming met Wet bodembescherming</al><al>Met de wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond is voorzien in een afstemmingsregeling tussen de
                    bouwvergunningsprocedure en de saneringsprocedure uit de Wet
                    bodembescherming.</al><al>Op grond van artikel 52A van de Woningwet geldt er een aanhoudings¬verplichting
                    voor aanvragen om bouwvergunning indien uit het overgelegde bodemonderzoek
                    blijkt dat de grond ter plaatse in zodanige mate is verontreinigd dat
                    overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige
                    verontreiniging. Deze aanhoudingsplicht geldt ook als bij burgemeester en
                    wethouders uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat de grond waarop
                    gebouwd wordt in ernstige mate is verontreinigd. In deze gevallen zal het gaan
                    om bouwaanvragen waarbij geen bodemonderzoek behoefde te worden overgelegd,
                    bijvoorbeeld omdat het bouwwerk niet bestemd is voor het verblijf van
                    mensen.</al><al>Deze aanhoudingsplicht duurt ingevolge het derde lid van artikel 52A totdat het
                    krachtens de Wet bodembescherming bevoegde gezag het saneringsplan heeft
                    goedgekeurd. Ook eindigt de aanhoudingsplicht indien het bevoegde gezag heeft
                    vastgesteld dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging.</al><al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de bouwvergunning geen aanhoudings¬verplichting en moeten burgemeester en
                    wethouders beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een
                    ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn
                    van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid
                    van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel burgemeester en wethouders de
                    bouwvergunning in deze gevallen formeel kunnen weigeren, zal echter veelal
                    volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voor¬waarden dat bepaalde
                    voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2
                    van de Model-bouwverordening.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van
                    burgemeester en wethouders toch nog sprake is van een onaanvaardbare
                    verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en
                    zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen. </al><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                    verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de bouwvergunning.</al><al>In de voorwaarden van de bouwvergunning kan aangegeven worden op welke wijze het
                    terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip.
                    Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende
                            laag wordt aangebracht;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                            afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater
                            wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van
                            het bouwwerk in stand wordt gehouden.</al></li></lijst><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                    verantwoordelijkheid van de aanvrager om bouwvergunning is. Het kan in het
                    belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om
                    bouwvergunning voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe
                    deze de sanering denkt te laten plaatsvinden. </al><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                    bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan. </al><al>Nadat het op grond van de Wet bodembescherming bevoegde gezag het saneringsplan
                    heeft goedgekeurd en de aanhoudingsplicht op grond van artikel 52A van de
                    Woningwet is beëindigd, kan de bouwvergunning worden verleend onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard</al><al>Algemeen</al><al>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan </al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                    paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden
                    is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare
                    voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het
                    moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                    opzichte van de Model-bouwverordening. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige
                    duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende
                    bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De
                    Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat
                    dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het
                    geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot
                    geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de
                    stedenbouwkundige bepalingen (inclusief de ontheffingen hiervan) uit de
                    bouwverordening het bestemmingsplan aan. </al><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening
                    wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd:</al><al>a bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp dat
                    tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend,
                    dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of,</al><al>b het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten aanzien van
                    het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan gereguleerde, onderwerp
                    expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient
                    ten slotte te worden bezien of,</al><al>c de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                    voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende werking van de
                    bouwverordening tot gevolg heeft dat de gebruiksmogelijkheden die het
                    bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit
                    het geval, dan dient aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond
                    van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen.</al><al>Het is niet mogelijk de eventuele strijdigheid met een bepaling uit een
                    bestemmingsplan op te heffen met een ontheffing uit de bouwverordening. Deze
                    laatste zien immers alleen op de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV.</al><al>Bewust is gekozen niet de termijn van tien jaar ex artikel 33 WRO te
                    introduceren in de bouwverordening aangezien het hier slechts gaat om een
                    minimale planologische regeling die niet aan tijdsveranderende beleidsinzichten
                    onderhevig is. Tevens is het van belang dat er sprake blijft van continuiteit
                    van de stedenbouwkundige eisen in de (model)bouwverordening sinds 1965.</al><al>De voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn afgeleid van de
                    stedenbouwkundige voorschriften van de oude MBV. Deze oude voorschriften zijn
                    geactualiseerd, op onderdelen worden gemeenten alternatieven geboden.
                    Belangrijke aandachtspunten bij de stedenbouwkundige voorschriften zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>De voorrangsregel tussen bestemmingsplan en bouwverordening; zie artikel
                            9 van de Woningwet. Voor gebieden waarvoor een bestemmingsplan van
                            kracht is, moet worden aangenomen, dat de stedenbouwkundige
                            voorschriften slechts rechtskracht hebben, voor zover het
                            bestemmingsplan daardoor niet geheel of ten dele van zijn kracht beroofd
                            wordt.</al><al> Het tweede lid van artikel 9 van de Woningwet heeft ten opzichte van
                            het oude artikel 2 van de Woningwet 1962 wel een verduidelijking
                            ondergaan. De voorschriften van de bouwverordening treden alleen terug,
                            als het bestemmingsplan over hetzelfde onderwerp uitdrukkelijk
                            voorschriften bevat of als het bestemmingsplan uitdrukkelijk bepaalt,
                            dat de voorschriften van de bouwverordening terugtreden.</al><al> Uit jurisprudentie blijkt dat onder bepaalde voorwaarden de
                            conflictregel uit artikel 9 van de Woningwet zodanig kan worden
                            toegepast dat ook een toekomstig bestemmingsplan de bepalingen van de
                            bouwverordening opzij kan zetten. Indien met toepassing van artikel 19
                            van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geanticipeerd wordt op een nog
                            niet van kracht geworden bestemmingsplan, waardoor dit toekomstige plan
                            in de plaats treedt van het van kracht zijnde bestemmingsplan, dan kan
                            in het verlengde daarvan het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan op
                            de voorgrond treden bij de toepassing van de conflictregel. In deze
                            hoedanigheid kan het toekomstige bestemmingsplan bepalingen uit de
                            bouwverordening terzijde schuiven.</al><al> Een eerste vereiste hiervoor is dat er sprake is van een
                            ontwerpbestemmingsplan dat reeds een voldoende concreet toetsingskader
                            biedt en waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat het onherroepelijk
                            zal worden.</al><al> Een tweede vereiste is dat met de toepassing van artikel 19 van de Wet
                            op de Ruimtelijke Ordening op dit plan geanticipeerd wordt. Alvorens de
                            vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de
                            Ruimtelijke Ordening te kunnen starten dient beoordeeld te worden of het
                            bouwplan past binnen het ontwerpbestemmingsplan. Bij die toets moet ook
                            bezien worden of het toekomstige bestemmingsplan strijdig is met de
                            bouwverordening, waarbij de conflictregel wederom aan de orde komt. Als
                            onder deze omstandigheden blijkt dat de bouwverordening voorschriften
                            geeft die niet overeenstemmen met het toekomstige bestemmingsplan, dan
                            blijven deze voorschriften bij de toetsing van het concrete bouwplan
                            buiten toepassing.</al><al> Voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt en waar dus een
                            anticipatie op voet van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
                            niet aan de orde is, biedt artikel 2.5.29 van de MBV de mogelijkheid om
                            vrijstelling te verlenen van de verboden tot bouwen met overschrijding
                            van de voor- en achtergevelrooilijn en van het verbod tot bouwen met
                            overschrijding van de maximale bouwhoogte, mits het bouwplan past in het
                            toekomstige bestemmingsplan. Ook hier geldt daarbij de eis dat dit
                            bestemmingsplan het stadium van 'intern praatstuk' is gepasseerd,
                            hetgeen in het betreffende artikel nader is geconcretiseerd.</al><al> (Zie ABRS, 11 mei 1995, BR 1995, blz. 671, Gst. 7022, 9, m.nt. De Gier.
                            Zie tevens ARRS, 18 september 1986, AB 1987,135). </al></li><li nr="-"><al>De tweedeling in (licht-)bouwvergunningplichtig en vrij bouwen. De
                            stedenbouwkundige voorschriften zijn van toepassing op het
                            bouwvergunningplichtig bouwen. Hierbij mag echter niet over het hoofd
                            worden gezien dat bouwwerken aan, bij of op monumenten en in van
                            rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten altijd
                            bouwvergunningplichtig zijn. De stedenbouwkundige voorschriften zijn
                            aangepast aan artikel 43 van de Woningwet en het Besluit bouwwerken</al></li><li nr="-"><al>Het parkeren. Aan het slot van de stedenbouwkundige eisen bevat de MBV
                            parkeerartikelen. Het in de bouwverordening opnemen van parkeerartikelen
                            is mede noodzakelijk omdat het Bouwbesluit vooralsnog geen regeling ter
                            zake zal bevatten.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                    stedenbouwkundige bepalingen</al><al>Tot en met de achtste serie wijzigingen MBV gaf artikel 2.5.1 een begrenzing van
                    die ontheffingsbevoegdheden, ten einde het gevaar voor een onredelijke
                    benadeling van belangen van de omwonenden tegen te gaan. </al><al>Deze bepaling hield in dat</al><lijst><li nr="a."><al>een bouwwerk niet zodanige afmetingen of een zodanige ligging mocht
                            krijgen dat tot een bestaand deel ervan of een ander bouwwerk niet meer
                            voldoende licht en lucht zou kunnen toetreden, dan wel dat de goede
                            werking van schoorstenen en ventilatiekanalen zou worden belemmerd.</al></li><li nr="b."><al>bij de beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning moest worden
                            aangenomen dat alle om het bouwterrein liggende terreinen zijn bebouwd
                            tot de hoogte en de oppervlakte die ten hoogste zonder vrijstelling of
                            ontheffing mogelijk zijn krachtens bestemmingsplan, de bouwverordening
                            of enige andere verordening.</al></li><li nr="c."><al>Bij overschrijding van een of meer van de onder b bedoelde maxima door
                            een bestaand bouwwerk in afwijking van het gestelde onder b moest worden
                            uitgegaan van de werkelijke afmetingen van dat bouwwerk.</al></li></lijst><al>Dit hoefde er evenwel niet altijd toe te leiden dat nieuwbouw die de hier
                    bedoelde hinder voor een naburig bestaand gebouw zou veroorzaken, niet
                    gerealiseerd kon worden. </al><al>De opdrachtgever van de nieuwbouw kan immers met de eigenaar van het bestaande
                    gebouw overeenkomen dat op kosten van eerstgenoemde de nodige veranderingen aan
                    het bestaande pand worden aangebracht (bijvoorbeeld grotere of andere ramen,
                    mechanische gasafvoer e.d.). </al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur heeft
                    de gemeenteraad sinds 7 maart 2002 niet meer de bevoegdheid om op grond van
                    artikel 148 Gemeentewet bij verordening beleidsregels (i.c. richt¬lijnen) vast
                    te stellen, waarmee andere bestuursorganen van de gemeente (i.c. B&amp;W)
                    rekening dienen te houden bij de uitoefening van bij of krachtens de wet
                    verleende bevoegdheden. </al><al>Het belang van begrenzing van ontheffingsbevoegdheden in de artikelen¬reeks
                    2.5.2 tot en met 2.5.29 MBV blijft echter ook na 7 maart 2002 onverkort
                    aanwezig. Titel 4.3 Awb omvat een algemene bevoegdheid voor bestuurs¬organen om
                    voor eigen bevoegdheden beleidsregels vast te stellen. De inhoud van het
                    vervallen artikel 2.5.1 MBV kan aldus als beleidsregel bij besluit van
                    burgemeester en wethouders opnieuw worden vastgesteld en bekend gemaakt. Een
                    andere oplossing zou kunnen zijn dat de gemeenteraad bijvoorbeeld in een
                    beleidsnota de kaders aangeeft, waarbinnen het college van B&amp;W zijn
                    bevoegdheid dient uit te oefenen. Zo'n beïnvloeding van het collegebeleid kan
                    echter alleen in politieke zin gehandhaafd worden!</al><al>Het onderhavige artikel geeft een begrenzing van die ontheffingsbevoegd¬heden,
                    ten einde het gevaar voor een onredelijke benadeling van belangen van de
                    omwonenden tegen te gaan.</al><al>Deze bepaling is in het bijzonder van belang om de toetreding van daglicht door
                    ramen van bestaande gebouwen te beschermen. Ook kan deze bepaling van belang
                    zijn om de goede werking van rookkanalen, gasafvoerkanalen en ventilatiekanalen
                    op bestaande gebouwen te verzekeren. </al><al>Dit behoeft er evenwel niet altijd toe te leiden dat nieuwbouw die de hier
                    bedoelde hinder voor een naburig bestaand gebouw zou veroorzaken, niet
                    gerealiseerd kan worden. De opdrachtgever van de nieuwbouw kan immers met de
                    eigenaar van het bestaande gebouw overeenkomen dat op kosten van eerstgenoemde
                    de nodige veranderingen aan het bestaande pand worden aangebracht (bij voorbeeld
                    grotere of andere ramen, mechanische gasafvoer e.d.). </al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in
                    een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat
                    terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander
                    gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral
                    in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</al><al>Lid 1</al><al>Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het verblijf van
                    mensen is bestemd', omdat met name ziekenauto's en brandweerauto's niet alleen
                    gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen gebouw
                    zijnde, zoals de tribunes van sportvelden. </al><al>Indien de maat in het eerste lid door de gemeenteraad op 10 meter wordt bepaald,
                    dan correspondeert deze met de maat, bij overschrijding waarvan - ingevolge het
                    Postbesluit dat op de Postwet 1954 berust - een brievenbus aan het tuinhek moet
                    worden aangebracht in plaats van aan de voordeur, een zgn. buitenbus. De maat
                    van 10 meter verdient uit een oogpunt van brandbestrijding eveneens de voorkeur,
                    omdat anders de lengte van de blusslangen te groot wordt.</al><al>Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de zin
                    van het eerste lid, moet de bouwvergunning worden geweigerd. Eventueel kan de
                    bouwvergunning worden verleend met de voorwaarde dat met bouwen pas mag worden
                    begonnen, wanneer de totstandkoming van een weg die aan de eisen voldoet,
                    voldoende is gewaarborgd. Een en ander kan betekenen dat de aanvrager van de
                    bouwvergunning eerst moet zorgen dat hij beschikt over een toestemming tot
                    aanleg van de verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op het wegennet.</al><al>Een publiekrechtelijke regeling (met een vergunningplicht voor het aanleggen van
                    wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model voor de algemene
                    plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een privaatrechtelijke
                    toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke toestemming tot uitwegen
                    is - gelet op artikel 14 van de Wegenwet - niet nodig voor het aansluiten, c.q.
                    uitwegen op openbare wegen.</al><al>Lid 2</al><al>Ten gevolge van de wijziging van het onderhavige lid die in het kader van de
                    achtste serie wijzigingen van de Model-bouwverordening 1992 (d.d. najaar 2002)
                    is doorgevoerd, is de gepubliceerde jurisprudentie van voordien niet meer
                    toepasselijk (ABRS 25 januari 2001, Bouwrecht 2001, 508; verbindingsweg
                    Boxmeer). </al><al>De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het gebruik door
                    gangbare vrachtauto's, zoals verhuisauto's, vuilnisauto's, brandweerauto's e.d.,
                    zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De eis voor het
                    draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een sloot of iets
                    dergelijks is eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde gangbare
                    vrachtauto's.</al><al>Lid 4</al><al>Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden
                    aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. </al><al>Zulke opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien de
                    plaatselijke brandweer over blusvoertuigen voor terreingebruik beschikt.</al><al>Lid 5</al><al>De gemeente heeft de publieke plicht om voor (op)nieuw te ontwikkelen gebieden
                    maximaal één openbare bluswatervoorziening per kadastraal perceel aan te leggen
                    met een capaciteit van minimaal 30 m3/h, mits de afstand van de openbare weg tot
                    de hoofdtoegang van het bouwwerk maximaal 40 meter bedraagt. </al><al>Bij bouwwerken welke de maximale 40 meter overschrijden, buiten de bebouwde kom
                    gelegen bouwwerken en/of bouwwerken waarbij (naar het oordeel van burgemeester
                    en wethouders, op advies van de brandweercommandant) een grote hoeveelheid
                    bluswater ineens nodig is, is een niet-openbare bluswatervoorziening vereist.
                    Een niet-openbare bluswatervoorziening dient te voldoen aan het gestelde in de
                    publicatie `Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid` hoofdstuk 2 van
                    de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding.</al><al>Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een:</al><al>a aansluiting op het distributienet van de drinkwaterleiding;</al><al>b aansluiting op een leidingnet voor water, geen drinkwater zijnde;</al><al>c speciaal gegraven blusvijver;</al><al>d ander oppervlaktewater;</al><al>e waterput of bron.</al><al>Lid 6</al><al>De onderhavige ontheffing kan worden verleend voor gebouwen die door hun aard,
                    ligging of wijze van gebruik geen verbindingsweg en dus ook geen opstelplaats
                    voor blusvoertuigen behoeven te hebben. Voorbeelden: recreatiewoonverblijven die
                    aan het water liggen en over een aanlegsteiger beschikken, bergplaatsen voor
                    materialen bij waterstaatwerken, vrijstaande boerenschuren, schuilhutten
                    e.d.</al><al>Artikel 2.5.3A Brandweeringangen</al><al>Om een snelle inzet met een zo beperkt mogelijke schade te waarborgen, moet de
                    brandweer een gebouw op een eenvoudige wijze kunnen betreden. Dit is vooral van
                    belang als het gebouw is voorzien van een brand¬beveiligingsinstallatie die is
                    voorzien van automatische doormelding naar de alarmcentrale van de regionale
                    brandweer. </al><al>Wanneer een gebouw meerdere toegangen heeft, dient in overleg met de brandweer
                    de brandweeringang aangewezen te worden. Naast de primaire toegankelijkheid van
                    het gebouw, is het noodzakelijk dat de brandweer kan beschikken over sleutels
                    van ruimten in het gebouw die normaal zijn afgesloten. </al><al>De werking van de brandweeringang dient te allen tijde gegarandeerd te zijn.
                    Hiervoor dient de brandweeringang te voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    'Brandbeveiligingsinstallaties'van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl .</al><al>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al>Het onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het Bouwbesluit
                    die betrekking hebben op de toegankelijkheid van gebouwen voor al dan niet
                    gehandicapte mensen. In genoemde bepalingen is tevens geregeld, wanneer de
                    eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet beschikken.</al><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de
                    weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                    gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                    voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient
                    het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren: </al><lijst><li nr="b."><al>langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld,
                            aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op
                                    een afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de
                                    weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10
                                    meter bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                    weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                    meter uit de as van de weg.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    voorgevel¬rooilijn</al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen. Het
                    onderhavige verbod geldt niet voor bouwvergunningvrije bouwwerken. Het geldt dus
                    wel voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, althans voorzover in het
                    Besluit bouwwerken niet anders is bepaald, en voor bouwvergunningplichtige
                    bouwwerken.</al><al>Indien een bouwvergunningvrij bouwwerk wordt gebouwd in, op, aan of bij een
                    monument, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, of een monument, als bedoeld in
                    een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, dan wel in een beschermd
                    stads- of dorpsgezicht, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, dan is een
                    dergelijk bouwwerk bij wijze van uitzondering licht-bouwvergunningplichtig op
                    grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit bouwwerken.</al><al>Zie tevens artikel 2.5.8, eerste lid, onder g.</al><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.7 houdt rekening met artikel 3 van het Besluit bouwwerken. Door de
                    verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende mate
                    samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) licht-, dan wel regulier-vergunningplichtig bouwplan. Deze
                    'totaal-benadering' houdt echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden
                    geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou
                    zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat
                    daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26
                    734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de voorgevelrooilijn. </al><al>Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om bouw¬vergunning is het
                    niet logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop
                    van toepassing te laten zijn. De voor dit artikel van belang zijnde beperking,
                    die artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken kent betreft een
                    uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van veranderingen van
                    niet-ingrijpende aard mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van het
                    bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk, waardoor een bestaande
                    afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus
                    bouwvergunningplichtig.</al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen van
                    niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                    Besluit bouwwerken kunnen worden beschouwd:</al><al>1 uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij
                    de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                    uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;</al><al>2 uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes
                    en kleine luifels.</al><al>Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden dan
                    hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zullen burgemeester en wethouders dus in het
                    algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een
                    bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare
                    bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de
                    bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om
                    onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande
                    punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te
                    weten:'.</al><al>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn</al><al>Naast de ontheffingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29
                    nog de mogelijkheid van vrijstelling voor het geval, dat er een bestemmingsplan
                    in voorbereiding is.</al><al>Artikel 2.5.8 is afgestemd op de artikelen 2 en 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    vermelding de artikelen 2 en 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.8 is
                    vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou
                    hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in de artikelen 2 en 3 van
                    het Besluit bouwwerken, uit te sluiten.</al><al>Lid 1, ad b</al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om ontheffing te verlenen voor op het eigen
                    voorterrein plaatsen van beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. </al><al>De vermelding van artikel 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.9 is
                    vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou
                    hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het Besluit
                    bouwwerken, uit te sluiten. </al><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                    Afschuining van straathoeken</al><al>Lid 4, onder a</al><al>Onder deze vrijstelling kunnen bij voorbeeld complexen van bij elkaar behorende
                    gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen.</al><al>Lid 4, onder f</al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><al>Lid 4, onder g</al><al>Deze vrijstelling kan in het algemeen worden verleend voor gebouwen, die een
                    ruim voorterrein vragen.</al><al>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden
                    als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege
                    beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter bouwvergunningvrije bouwwerken
                    bij wijze van uitzondering bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen 4, 5
                    en 6 van het Besluit bouwwerken. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op het Besluit bouwwerken.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als bouwvergunningvrij met
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken
                    van de aanvraag om bouwvergunning, is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.
                    Twee punten zijn van belang:</al><lijst><li nr="-"><al>De voor dit artikel van belang zijnde beperking die artikel 3, eerste
                            lid, onder k, van het Besluit bouwwerken kent, betreft een uitbreiding
                            van de bebouwde oppervlakte. Bij het aanbrengen van veranderingen van
                            niet-ingrijpende aard mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van de
                            bebouwde oppervlakte.</al></li><li nr="-"><al>Wat betreft de aan- en uitbouwen die bouwvergunningplichtig zijn, is het
                            wel mogelijk dat het bestemmingsplan een regulerende werking heeft. In
                            dat geval hebben de stedenbouwkundige voorschriften van de
                            bouwverordening geen betekenis. Voorzover het bestemmingsplan de aan- en
                            uitbouwen verbiedt, is vrijstelling mogelijk op grond van artikel 19,
                            derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.</al></li></lijst><al>Onder d worden veranderingen van niet-ingrijpende aard genoemd, als bedoeld in
                    artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken. Als zodanig kunnen
                    in het algemeen worden beschouwd:</al><al>1 uitsteeksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil mits zij
                    de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                    uitspringende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;</al><al>2 uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten en kleine
                    afdaken.</al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn</al><al>Naast de ontheffingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel
                    2.5.29 nog de mogelijkheid van ontheffing ingeval van voorbereiding van nieuw
                    ruimtelijk beleid. </al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op het Besluit bouwwerken. De vermelding hiervan is
                    vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook betekenis zou
                    hebben voor zaken die bouwvergunningvrij zijn, uit te sluiten. Zie de term
                    'bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde' onder h.</al><al>Bij het verlenen van ontheffing ingevolge de bepalingen van dit artikel dienen
                    de richtlijnen van de artikelen 2.5.1 en 2.5.2 in het bijzonder in acht te
                    worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan
                    te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven. </al><al>Artikel 2.5.14 is overigens afgeleid van artikel 48, eerste lid, van de MBV
                    1965.</al><al>Ad a en g</al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met winkelbebouwing. </al><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                    'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen
                    aan het bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al>Lid 3 b, onder 1</al><al>Deze ontheffing is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al>Lid 3 b, onder 2</al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou ontheffing van de
                    voorgeschreven erfgrootte kunnen worden verleend.</al><al>Lid 3 b, onder 3</al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                    bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al>Lid 2, onder a en b</al><al>Bij het verlenen van ontheffing zal onder meer rekening moeten worden gehouden
                    met de ligging in het gebouw van eventuele dienstwoningen. </al><al>Bij het hanteren van de ontheffing dient bovendien onderscheid te worden gemaakt
                    tussen de gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin
                    geen woningen voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast
                    bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich
                    voordoet zal de ontheffing minder ver mogen gaan dan in het andere geval.</al><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten
                    tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding
                    tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer
                    dan een meter breedte te realiseren. De ontheffing kan worden verleend, indien
                    de smalle open ruimte voldoende, bij voorbeeld door een opening in de zijgevel
                    van het gebouw, voor onderhoud bereikbaar is. Bij het verlenen van een
                    ontheffing als bedoeld in het tweede lid zal uiteraard ook gelet moeten worden
                    op het bepaalde in artikel 2.5.1.</al><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht
                    om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in
                    de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften
                    spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in
                    principe een bouwvergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, onder e, van
                    het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken,
                    althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de
                    hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                    vanzelfsprekend onder de bouwvergunningplicht en behoeven derhalve preventieve
                    toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel
                    van de bouwverordening. Eventueel kunnen burgemeester en wethouders op grond van
                    het tweede lid van laatstgenoemd artikel ontheffing verlenen voor het bouwen van
                    bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat
                    geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al><al>Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van
                    beweegbare delen van erf- en terreinafscheidingen.</al><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                    hoofdtransportleidingen</al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het bouwvergunningplichtige bouwwerk
                    en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer
                    op de openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel
                    dienen voor elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d.</al><al>Het gehele artikel heeft alleen betrekking op hoogspanningslijnen en
                    hoofdtransportleidingen die bij het aanvragen van een bouwvergunning aanwezig
                    zijn. </al><al>Het geldt ook voor het bouwen in het gebied van een bestemmingsplan, zolang de
                    voorschriften van dat bestemmingsplan dit niet uitsluiten of een andere regeling
                    ter zake bevatten; zie artikel 9 van de Woningwet 1991.</al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen, in hoeverre het
                    bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                    toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als
                    een verbod, waarvan eventueel ontheffing kan worden verleend. De aan een
                    ontheffing te verbinden voorwaarden zullen in het algemeen zijn gericht zowel op
                    de veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op het voorkomen van
                    storingen in de goede werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw
                    en de aanwezigheid van het bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling
                    om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de
                    hoofdtransportleiding. Krachtens overeenkomst met de NV Nederlandse Gasunie zal
                    de gemeente van derden in elk geval het plegen van dergelijk overleg verlangen,
                    indien bij een hoofdtransportleiding voor aardgas wordt gebouwd. Voor
                    hoogspanningsleidingen zal het onderhavige voorschrift geen praktische betekenis
                    hebben, indien op het betrokken perceel een recht van opstal is gevestigd, als
                    bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht. In dat
                    geval heeft het recht van opstal niet alleen betrekking op
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken, maar ook op bouwvergunningvrije. Meestal
                    betreft het dan vrij te houden stroken van 2 x 30 meter, waarin echter onder
                    voorwaarden wel de plaatsing van bepaalde bouwwerken, machines e.d. is
                    toegestaan.</al><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</al><al>Alternatief 1</al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor bouwvergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn. </al><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van
                    eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken
                    voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                    glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden
                    de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                    stedenbouwkundig (straat)profiel is te defini'ren als de hoek tussen de onderste
                    glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                    bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                    vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een
                    tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de
                    maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                    voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg
                    (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al>Alternatief 2</al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor bouwvergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter
                    boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                    belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat
                    de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich
                    grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                    belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te defini'ren als de
                    hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van
                    de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al>Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de onderhavige
                    bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral globale bestemmingsplannen
                    zonder uitwerkingsverplichting is - in afwijking van de Model-bouwverordening
                    1965 - in een verdere differentiatie voor de bebouwde kom voorzien, zodat bij
                    voorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen grootstedelijke binnenstadsgebieden
                    (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige delen van de bebouwde kom. Zie
                    figuur 14.</al><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al>Alternatief 1 </al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                    achtergevelrooilijn</al><al>De voorschrifttekst van het eerste lid is verduidelijkt, vergeleken met die van
                    het eerste lid van artikel 55 van de MBV 1965, maar de strekking is onveranderd
                    gebleven. Zie figuur 19.</al><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                    aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om ontheffing te
                    verlenen voor het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de
                    voorgevel.</al><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</al><al>Alternatief 1</al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</al><al>Alternatief 1</al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al>Alternatief 2</al><al>De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de belemmeringhoek van 60
                    graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de hoogte-diepteverhouding van 1,7,
                    genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21.</al><al>Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de woningbouw
                    gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 à 9,5 bouwlaag. De
                    maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij een in de woningbouw
                    gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al>Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van rijkswege
                    beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter bouwvergunningvrije bouwwerken
                    bij wijze van uitzondering wel bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen
                    4, 5 en 6 van het Besluit bouwwerken. Zie tevens artikel 2.5.28, sub l.</al><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                    terreinen</al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het
                    hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun
                    goot.</al><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</al><al>Ad a</al><al>Artikel 2.5.27 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan
                    een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                    toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om
                    bouwvergunning is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.</al><al>Ad b</al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, zij het behoudens vrijstelling ingevolge
                    artikel 2.5.28, onder e.</al><al>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                    bouwhoogte</al><al>Artikel 2.5.28 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    vermelding van artikel 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.28 is vooral
                    van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben
                    voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het Besluit
                    bouwwerken, uit te sluiten.</al><al>Bij het verlenen van ontheffingen dient bijzondere aandacht te worden besteed
                    aan het bepaalde in de artikelen 2.5.1 en 2.5.2. Ook kunnen
                    welstandsoverwegingen worden betrokken bij het beoordelen van verzoeken om
                    ontheffing.</al><al>Ad e, onder 1</al><al>Deze ontheffing zou kunnen worden verleend, indien het een gebouw betreft, dat
                    aansluit bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften
                    hoger is dan thans is toegelaten. Door de ontheffing kan dan een gaaf
                    straatbeeld worden verkregen.</al><al>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de
                    toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                    beleid</al><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in zijn relatie met de overige stedenbouwkundige
                    ontheffingen uit de MBV, te vergelijken met de relatie tussen enerzijds de
                    buitenplanse vrijstellingsregelingen van artikel 17 en 19 WRO en anderzijds de
                    binnenplanse (d.w.z. opgenomen in het bestemmingsplan zelf) vrijstellingen ex
                    artikel 15 WRO.</al><al>Deze analogie doordenkend is paragraaf 2.5 MBV te beschouwen als een deel van
                    een pseudo-bestemmingsplan en zijn de artikelen 2.5.8, -14 en -28 te beschouwen
                    als drie 'binnenplanse' ontheffingen. Artikel 2.5.29 is dan te beschouwen als de
                    'buitenplanse' ontheffing. Zie ook algemene toelichting bij paragraaf 2.5.</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe Uniforme Openbare
                    Voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) in de Awb per 1 juli 2005 is het niet
                    meer mogelijk om de minimale wettelijke termijn voor de terinzagelegging en het
                    naar voren brengen van zienswijzen van 6 weken te bekorten. Dit betekende de
                    invoering van een (deels) zelfstandige projectenprocedure (artikel 19, lid 1
                    WRO), de aangewezen projectenprocedure (artikel 19, lid 2 WRO) en de algemene
                    vrijstellingsregeling (artikel 19, lid 3 WRO juncto artikel 20 Bro). De laatste
                    twee vrijstellingsregelingen kennen in beginsel geen preventief provinciaal
                    toezicht meer (verklaring van geen bezwaar).</al><al>Deze relatie tussen 2.5.29 MBV en de nieuwe formulering (3/4/2000) van artikel
                    17 en 19 WRO leidt tot een nieuwe opzet van artikel 2.5.29 MBV.</al><al>De regeling in de artikelen 17, 18, 19 en 19a van de Wet op de Ruimtelijke
                    Ordening in combinatie met artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening
                    hebben model gestaan voor de aanpassing van dit artikel.</al><al>Geconcludeerd werd dat de reikwijdte van artikel 2.5.29 MBV grote
                    overeenstemming vertoont met artikel 20 Bro. Laatstgenoemd artikel geeft aan
                    welke initiatieven (bouwen en gebruiken) in strijd met het bestemmingsplan met
                    een eenvoudige vrijstelling van burgemeester en wethouders afgedaan kunnen
                    worden. Dit betreft met name in de bebouwde kom substantiële vergrotingen van de
                    algemeen toegestane bouwvolumina, verdergaand dan waarvoor op grond van onder
                    meer de artikelen 2.5.14 MBV en 2.5.28 MBV ontheffing kan worden verleend (het
                    gaat meestal niet om uitbreidingen van bestaande gebouwen, maar om nieuwe
                    gebouwen die niet tussen de rooilijnen of onder de maximumbouwhoogte
                    passen).</al><al>Artikel 2.5.29 MBV maakt het mogelijk soortgelijke projecten te realiseren in
                    afwijking van de stedenbouwkundige bepalingen van de MBV.</al><al>Provinciaal toezicht is in beide situaties niet aan de orde. Het betreft immers
                    in vele gevallen de bebouwde kom of het aanvullen van door Gedeputeerde Staten
                    goedgekeurde bestemmingsplannen. Vandaar dat er ook geen verplichte relatie
                    wordt gelegd met het zogenaamde artikel 10 Bro-overleg.</al><al>Gegeven deze gelijkenis ligt het voor de hand de ontheffing van artikel 2.5.29
                    MBV een nagenoeg gelijke procedure toe te kennen als in artikel 19, lid 3 WRO en
                    in artikel 18 WRO.</al><al>Lid 1</al><al>De verordeningstekst van het eerste lid bleef bij de achtste serie wijzigingen
                    (d.d. per 1 januari 2003) grotendeels gelijkluidend aan de desbetreffende tekst
                    die van 1983 tot 2001 vigeerde.</al><al>De woorden 'voor het bouwen in een gebied waarvoor geen bestemmingsplan geldt'
                    zijn vervallen, omdat niet slechts in het geval dat er geen bestemmingsplan
                    geldt gebruik gemaakt kan worden van artikel 2.5.29 MBV, doch ook indien er een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken is; zie ook de
                    Algemene toelichting bij paragraaf 5 van de MBV onder 'Relatie stedenbouwkundige
                    bepalingen en het bestemmingsplan'.</al><al>Lid 2</al><al>De in lid 1, sub a en b van het voorheen geldende artikel 2.5.29 (tot 1 januari
                    2003) genoemde relatie met het voorbereidingsbesluit en ontwerpbestemmingsplan
                    zijn komen te vervallen nu per 3 april 2000 bij ruimtelijke vrijstellingen de
                    rechtstreekse relatie met een nieuw bestemmingsplan is komen te vervallen. Het
                    gaat nu over het ruimere begrip en toetsingskader 'kenbaar planologisch (nieuw)
                    beleid'.</al><al>Sub a en b: doorverwijzing naar artikel 19, lid 2 WRO alsmede naar artikel 20
                    Bro.</al><al>Het gedachtegoed uit de algemene toelichting bij dit artikel komt hier in
                    wettekst tot uitdrukking.</al><al>Sub c: Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al><al>Op grond van oude Arob-jurisprudentie, zoals ARRS 3 augustus 1982, Gst. 6740, BR
                    1982, p. 887; ARRS 15 oktober 1982, BR 1983, p. 135; Vz. ARRS 26 januari 1984,
                    Gst. 6793.3; Vz ARRS 15 juni 1984, Gst. 6793.4 en Vz. ARRS 2 augustus 1985, BR
                    1985, p. 114 op basis van de Woningwet 1962, volgde dat een in de
                    bouwverordening opgenomen ontheffingsregeling 'een objectief bepaald, althans
                    bepaalbaar, criterium biedt (moet bieden) omtrent datgene waartoe de ontheffing
                    kan strekken. Dit betekent dat de mogelijkheid tot verlening van ontheffing in
                    relatie moet zijn gebracht met een redelijke verwachting dat het bouwplan in
                    overeenstemming zal zijn met 'een voldoende omlijnd, voor alle belanghebbenden
                    kenbaar, toekomstig planologisch kader.'</al><al>De ARRS heeft de eisen later wat afgezwakt, waarbij zij zo'n
                    'pseudo-anticipatieregeling' in de bouwverordening niet als onverbindend
                    aanmerkte waarin voor het kunnen verlenen van ontheffingen slechts als eisen
                    waren opgenomen dat belanghebbenden vooraf waren gehoord en dat de GS een
                    verklaring van geen bezwaar hadden verleend. Zie ARRS 8 oktober 1985, AB 1986,
                    501 en ARRS 11 mei 1995, AB 1996.</al><al>De afdeling is er in ieder geval steeds van uitgegaan dat het materiële
                    toetsingskader vergelijkbaar moet zijn met het toetsingskader dat wordt
                    gehanteerd bij toepassing van artikel 19 WRO. Voor het nieuwe artikel 19 WRO
                    moet men bedenken dat de toepassing ervan zonder voorbereidingsbesluit slechts
                    mogelijk is indien er een geldend bestemmingsplan is dat jonger is dan tien jaar
                    en er bovendien een goede ruimtelijke onderbouwing is gegeven.</al><al>In eerste instantie moet natuurlijk gedacht worden aan een ter inzage gelegd
                    ontwerpbestemmingsplan. Ook een goed gemotiveerd voorbereidingsbesluit voor
                    bijvoorbeeld een bouwlocatie kan een basis vormen.</al><al>Ook is ander 'vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid', evenals bij de
                    toepassing van artikel 19 WRO, zonder meer mogelijk om de ontheffing op de
                    baseren. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan, structuurvisie of -nota,
                    beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen, bijgebouwen e.d.) en een
                    sectorale nota. </al><al>Nadrukkelijk wordt echter ook ander nieuw ruimtelijk beleid als inspiratiebron
                    genoemd. Immers enkel 'vastgesteld en bekendgemaakt beleid' zal verstarrend
                    werken want het kan lang duren voordat zo'n beleid een feit is. Zo kan
                    overeenstemming met een voorontwerpbestemmingsplan waarmee de Provinciale
                    Planologische Commissie heeft ingestemd, al een voldoende basis zijn. Dit
                    laatste spoort immers met de jurisprudentie op artikel 19 WRO (oud) en ook met
                    de eerste uitspraken van lagere rechters inzake het nieuwe artikel 19 WRO
                    (2000).</al><al>Motivering</al><al>De eis van een 'goede ruimtelijke onderbouwing' geldt voor de vrijstelling van
                    het eerste en tweede lid van artikel 19 WRO. Voor de vrijstellingen van het
                    derde lid van artikel 19 WRO is deze eis niet gesteld. Uiteraard geldt voor een
                    dergelijk vrijstellingsbesluit zoals voor alle besluiten wel de eis van een
                    goede motivering (artikel 3:46 Awb). Deze motivering zal in het onderhavige
                    geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig planologisch
                    beleid.</al><al>In het tweede lid van artikel 2.5.29 MBV is daarom expliciet de eis opgenomen
                    dat het bouwplan waarvoor ontheffing wordt verleend 'in overeenstemming is met
                    in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'. Er is dus, gezien ook de tekst van
                    artikel 19, lid 3 WRO en artikel 17 WRO, niet gekozen om een 'goede ruimtelijke
                    onderbouwing' te eisen voor de artikel 2.5.29 MBV-ontheffing.</al><al>Wel geldt natuurlijk het algemene motiveringsbeginsel van artikel 3:46 Awb en de
                    relevante jurisprudentie daarover. Er is overigens weinig jurisprudentie over
                    artikel 2.5.29.'</al><al>Milieuzonering</al><al>Ook bij deze ontheffing moeten burgemeester en wethouders rekening houden met
                    alle belangen, dus ook de milieubelangen. Afstanden ten opzichte van
                    hinderveroorzakende activiteiten zijn dan van groot belang. De relevante
                    afstanden treft u aan in de reeds meerdere malen herziene VNG-publicatie
                    'Bedrijven en milieuzonering'.</al><al>Lid 3</al><al>Bekendmaking/openbare kennisgeving</al><al>Op grond van artikel 41 Woningwet moet de aanvraag om bouwvergunning binnen twee
                    weken na ontvangst worden bekendgemaakt. Uit het desbetreffende bouwplan kan
                    worden afgeleid dat het in strijd zal zijn met de eisen van de MBV. </al><al>Afzonderlijke bekendmaking van een (impliciet) verzoek om de desbetreffende
                    ontheffing van de MBV is derhalve niet noodzakelijk. </al><al>Afdeling 3.4 Awb </al><al>Dit betreft een paragraaf van regelend recht die niet van overeenkomstige
                    toepassing is verklaard in de MBV. Er geldt derhalve geen wettelijke
                    verplichting om de procedure van afdeling 3.4 Awb te volgen bij de ontheffing ex
                    artikel 2.5.29 MBV.</al><al>Titel 4.1 Awb</al><al>Deze paragraaf is in principe van toepassing voorzover de Woningwet (lex
                    specialis) hier niet van afwijkt.</al><al>Horen</al><al>Het is niet gebruikelijk dat de aanvrager om bouwvergunning gehoord moet worden
                    (art. 4:7 Awb) bij het voornemen van burgemeester en wethouders om de aanvraag
                    te weigeren aangezien het altijd een beschikking op aanvraag betreft.</al><al>Voor wat betreft de derde belanghebbende ligt dit anders. Indien er voor de
                    aanvraag om bouwvergunning een weigeringsgrond bestaat, hoeft de belanghebbende
                    niet te worden gehoord. Indien de gemeenten door middel van een ontheffing toch
                    wil meewerken, dan is het voorstelbaar dat de belangen van een of meer buren
                    voor de beslissing relevant worden. In dat laatste geval zullen zij gehoord
                    moeten worden (MvT, PG Awb, p. 254).</al><al>Inspraak</al><al>Inspraak is niet aan de orde gezien de procedure analoog aan artikel 17/19, lid
                    3 WRO.</al><al>Zienswijzen en fatale termijnen</al><al>Het afhandelen van zienswijzen kost tijd. De algemene termijnen van de Awb zijn
                    al aangepast aan de bijzondere termijnen van de Woningwet. Desondanks is het
                    inpassen van behandelingstermijn en van de zienswijzen onmogelijk in het systeem
                    van fatale termijnen van de Woningwet. Deze ontheffingsprocedure moet immers
                    worden doorlopen binnen de desbetreffende fatale termijnen van de Woningwet.
                    Zolang echter de aanvraag om een reguliere bouwvergunning kan worden verdaagd,
                    lijkt het mogelijk om beide procedures, inclusief het afwikkelen van de
                    ingebrachte zienswijzen, te volgen zonder dat er sprake hoeft te zijn van
                    fictieve bouwvergunningen. Op grond van jurisprudentie (VzARRvS, 25 november
                    1993 (Delft), BR 1994, p. 497) geldt echter nog steeds dat een fictieve
                    bouwvergunning voor onrechtmatig moet worden gehouden als er geen vrijstelling
                    van de bouwverordening is verleend, omdat de Woningwet niet voorziet in de
                    mogelijkheid dat een op grond van de bouwverordening vereiste vrijstelling van
                    rechtswege wordt verleend.</al><al>Relatie met de lichte bouwvergunningprocedure</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe uniforme
                    voorbereidings¬procedure (afdeling 3.4) in de Awb (voorzien medio 2004) is het
                    niet meer mogelijk om de minimale wettelijke termijn voor de ter inzagelegging
                    en het naar voren brengen van zienswijzen van 6 weken te bekorten. Dit betekent
                    dat het wettelijk gezien niet meer mogelijk is om een
                    lichte-bouwvergunningprocedure te doorlopen in combinatie met een procedure op
                    grond van artikel 2.5.29 MBV. </al><al>Gesteld moet worden dat het bij licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken om
                    geringe afwijkingen moet gaan van de rooilijnen en van de maximum bouwhoogte en
                    zij daarom kunnen worden afgedaan met behulp van een ontheffing als bedoeld in
                    de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28. In een dergelijke situatie zullen
                    burgemeester en wethouders tijdig een verdagingsbesluit moeten nemen om te
                    voorkomen dat er een fictieve bouwvergunning eerste fase ontstaat.</al><al>Monumenten en stads- en dorpsgezichten</al><al>Monumenten en van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten worden in de MBV
                    analoog aan de categorisering in de Woningwet als een bijzondere categorie
                    aangemerkt.</al><al>Relatie met de gefaseerde bouwvergunning</al><al>De gefaseerde bouwvergunningprocedure mag worden verdaagd. Beide procedures, de
                    bouwvergunningprocedure en de ontheffingsprocedure, kunnen binnen de termijnen
                    worden doorlopen, mits, bij ingekomen zienswijzen, gebruik wordt gemaakt van de
                    verdagingsmogelijkheid.</al><al>Rechtsbescherming</al><al>Inzake deze ontheffing is geen afzonderlijke rechtsbescherming nodig. De
                    rechtsbescherming is geconcentreerd rond de desbetreffende bouwvergunning. De
                    beslissing omtrent deze ontheffing lost hier als het ware in op.</al><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen</al><al>Ging het Tweede structuurschema verkeer en vervoer (SVV II) nog uit van het A,
                    B, C-locatiebeleid; de Nota Mobiliteit heeft dit beleid volledig losgelaten. De
                    Nota Mobiliteit gaat uit van het adagium 'centraal wat moet, decentraal wat
                    kan'. Daarmee zijn de decentrale overheden verantwoordelijk voor een voldoende
                    en gevarieerd op de vraag afgestemd aanbod van locaties voor bedrijven en
                    voorzieningen en volgen hierbij de principes van het integrale locatiebeleid
                    zoals vastgelegd in de Nota Ruimte. Parkeerbeleid is daarmee (nog meer dan in
                    het verleden) een zaak van de decentrale overheden.</al><al>Alternatief 1</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen van de bebouwde
                    kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best ontsloten locatie(s). </al><al>Voorschriften over de aanwezigheid en de minimumgrootte van de fietsenstallingen
                    die bij de nieuwbouw of verbouwing van utilitaire gebouwen moeten worden
                    aangebracht, zijn achterwege gelaten, omdat artikel 4.62 van het Bouwbesluit
                    2003 daarin voorziet.</al><al>In het hiervoor genoemde werkdocument 'Geleiding van de mobiliteit door een
                    locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen' is de A-locatie globaal als volgt
                    omschreven:</al><al>'Locaties van het type A zijn optimaal door het openbaar vervoer ontsloten. Deze
                    locaties liggen nabij het knooppunt van openbaarvervoerlijnen op agglomeratie-
                    en nationaal niveau. In de steden die zijn aangesloten op het intercity- of het
                    eurocity-net van de spoorwegen (IC/EC-net), behoort in ieder geval de omgeving
                    van een IC/EC-station tot locatietype A. In de vier grote steden kunnen hieraan
                    de knooppunten van hoogwaardig openbaar vervoer (= metro of sneltram) worden
                    toegevoegd, waar een snelle aansluiting op het landelijk openbaarvervoernet is
                    gewaarborgd. In andere steden is veelal de omgeving van het (hoofd)station de
                    A-locatie. De ontsluiting van de A-locatie voor het autoverkeer is van
                    ondergeschikt belang en behoort niet tot het 'programma van eisen' van de
                    locatie. Bij een A-locatie behoort een stringent parkeerbeleid om het gebruik
                    van de auto in het dagelijkse woon-werkverkeer zoveel mogelijk te beperken.
                    A-locaties dienen wel een goede openbaarvervoerverbinding te hebben met aan de
                    rand van de stad gelegen park-and-ride-voorzieningen. De inrichting van het
                    gebied is zodanig dat er goede voorwaarden bestaan voor het gebruik van openbaar
                    vervoer en de fiets. </al><al>De aantrekkelijkheid van de locatie is onder meer gelegen in de goede, snelle en
                    frequente verbindingen per openbaar vervoer met andere stedelijke centra in
                    binnen- en buitenland. De voorzieningen (winkels e.d.) in de omgeving van het
                    station hebben een (groot)stedelijke allure, zodat er sprake is van een
                    aantrekkelijke verblijfs- en werkomgeving.</al><al>In hetzelfde werkdocument zijn de B-locaties eveneens globaal omschreven, en wel
                    als volgt:</al><al>Locaties van het type B liggen op een knooppunt van openbaarvervoerlijnen op
                    stedelijk of stadsgewestelijk niveau. In de (grote) steden betreft het
                    voorstadhaltes van het spoorwegnet of andere knooppunten van het metro- en
                    (snel)tramnet. In de kleinere steden zonder voorstadhaltes gaat het om
                    belangrijke knooppunten van het busvervoer.</al><al>B-locaties liggen tevens aan een stedelijke hoofdweg of in de nabijheid van de
                    afslag van een autosnelweg. Er is sprake van beperkingen van de
                    parkeerfaciliteiten voor langparkeerders, afgestemd op het type bedrijven dat in
                    aanmerking komt voor vestiging op deze locaties.</al><al>De inrichting van de locatie is zodanig dat het gebruik van openbaar vervoer en
                    fiets wordt aangemoedigd.</al><al>De aantrekkelijkheid van de locatie ligt zowel in de goede bereikbaarheid per
                    openbaar vervoer als in een redelijke bereikbaarheid per auto.</al><al>Hoewel een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen bouwvergunning kan
                    worden bepaald, kunnen de cijfers uit de volgende tabel hierbij een belangrijke
                    inspiratiebron vormen. Vanwege de - uit praktisch-bouwkundige overwegingen -
                    onontbeerlijke flexibiliteit van elke parkeernorm behoren de cijfers uit de
                    tabel in ieder geval met een zekere tolerantie te worden gehanteerd. Dus
                    verdient het aanbeveling om in een concrete bouwvergunning bij voorbeeld een
                    afwijking naar beneden van 10% als toelaatbaar te vermelden.</al><al>(Maximum)aantal parkeerplaatsen per bedrijf per 100 werknemers </al><al>A-locaties Randstad, stedelijke knooppunten en overige stadsgewesten: 10</al><al>A-locaties elders: 20</al><al>B-locaties Randstad, stedelijke knooppunten en overige stadsgewesten: 20</al><al>B-locaties elders: 40</al><al>Bron: Uitvoeringsnotitie parkeerbeleid (TK 1991-1992, 22 383 nr. 1)</al><al>Wat betreft de - vrij zeldzame - tot bewoning bestemde gebouwen op A- en
                    B-locaties, kan in het algemeen worden uitgegaan van een parkeer- of
                    stallinggelegenheid voor maximaal één auto per woning.</al><al>De verwijzing in het onderhavige voorschrift naar de omvang of de bestemming van
                    het gebouw duidt erop dat er - bij wijze van uitzondering - soms geen
                    parkeergelegenheid op eigen terrein (of onder eigen dak) behoeft te worden
                    gerealiseerd, bij voorbeeld bij een kiosk of telefooncel (wegens de geringe
                    omvang), respectievelijk bij een eengezinsrijtjeswoning, stationsrestaurant of
                    fietsenstalling (wegens de aard van de bestemming).</al><al>Voorschriften over de aanwezigheid en de minimumgrootte van de fietsenstallingen
                    die bij de nieuwbouw of verbouwing van utilitaire gebouwen moeten worden
                    aangebracht, zijn achterwege gelaten, omdat artikel 218 van het Bouwbesluit in
                    één en ander voorziet.</al><al>Lid 2</al><al>Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde ingroeimodel. Hieronder wordt
                    verstaan het openhouden van de mogelijkheid om in te spelen op toekomstige
                    verbeteringen in de bereikbaarheid per openbaar vervoer, namelijk doordat de
                    gemeente op het moment van realisatie van de bedoelde verbetering kan overgaan
                    tot de verwijdering van de aanvullende parkeerplaatsen op de openbare weg (of op
                    ander gemeentelijk terrein) nabij het betrokken gebouw.</al><al>Lid 3</al><al>Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het eerste lid - aan te
                    geven, wat in algemene zin het maximumaantal parkeerplaatsen op het terrein van
                    een te bouwen (of een te verbouwen) pand dient te zijn, maar ook - bij de
                    toepassing van het onderhavige lid - wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. </al><al>De daarom ook in dit geval per bouwvergunning te bepalen normstelling hangt weer
                    af van onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te
                    verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele
                    aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop
                    de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van
                    parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en
                    vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het lokale verkeer- en
                    vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ).
                    Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen bouwvergunning
                    worden bepaald.</al><al>Lid 4</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van de
                    leden 1, 2 en 3. De verplichting in die leden om een bepaald aantal
                    parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder eigen dak) aan te brengen zou immers
                    gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen
                    voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste type
                    vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking
                    getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'.
                    Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                    bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van
                    maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende
                    maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en
                    stoklopers.</al><al>Lid 5</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 6</al><al>Ad a</al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste en in het tweede lid om
                    een beperkte parkeergelegenheid op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken
                    is onder meer bedoeld voor het geval dat in de nabijheid een gemeenschappelijke
                    of openbare parkeergarage aanwezig is. </al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het derde lid om een
                    parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein (of onder eigen dak) te
                    maken is onder meer bedoeld voor bouwvergunningplichtige verbouwingen van
                    winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kunnen beide genoemde ontheffingen
                    worden verleend onder financiële voorwaarden.</al><al>Ad b</al><al>De ontheffingsmogelijkheid, vermeld onder het tweede aandachtsstreepje van punt
                    b, is bedoeld voor onder meer winkels, schouwburgen, de loketfunctie van
                    raadhuizen, sportstadions en bibliotheken. Deze ontheffingsmogelijkheid behoeft
                    niet te worden gebruikt, indien in de nabijheid voldoende parkeergelegenheid is
                    op de openbare weg, op een blijvend openbaar parkeerterrein of in een blijvend
                    openbare parkeergarage. De onderhavige ontheffingsmogelijkheid is opgenomen,
                    omdat cijfers in de tabel uit de toelichting op lid 1 niet zijn afgestemd op de
                    enigszins uitzonderlijke categorie bouwwerken waarom het hier gaat.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 1</al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per bouwvergunning te
                    bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van het gebouw, de
                    ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of
                    gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie
                    daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke
                    uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het
                    voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het lokale
                    verkeer- en vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ).
                    Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen bouwvergunning
                    worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen bouwvergunning een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de
                    toepassing van het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige
                    overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm
                    onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete bouwvergunning
                    bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op
                    locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die
                    dat niet zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over
                    'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                    bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften
                    voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te
                    leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers. </al><al>Lid 3</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid om een
                    parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te
                    maken is onder meer bedoeld voor bouwvergunningplichtige verbouwingen van
                    winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kan laatstgenoemde ontheffing worden
                    verleend onder financiële voorwaarden. </al><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</al><al>Opbouw van de voorschriften</al><al>Vanaf het Bouwbesluit 1992 wordt het stellen van voorschriften inzake
                    brandveiligheidsinstallaties overgelaten aan de gemeentelijke wetgever.
                    Dergelijke voorschriften zijn dan ook sinds 1992 in paragraaf 6 van hoofdstuk 2
                    van de Model-bouwverordening opgenomen en sinds het Bouwbesluit 2003 kennen de
                    desbetreffende voorschriften een vergelijkbare opbouw als het Bouwbesluit. Dit
                    betekent dat er evenals in het Bouwbesluit functionele eisen, prestatie-eisen en
                    waar nodig aanwezigheidseisen worden gesteld.</al><al>In de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit lezen we:</al><al>Het eerste artikel van elke paragraaf van een afdeling (beoordelingsaspect)
                    geeft het kader aan voor de andere voorschriften van deze paragraaf. Het eerste
                    lid bevat een functionele eis. In het tweede lid staat dat aan het eerste lid
                    (de functionele eis) is voldaan indien er aan de (prestatie)eisen wordt voldaan
                    die voor de betrokken gebruiksfuncties zijn aangewezen in de
                    aansturingstabellen.</al><al> In enkele gevallen is er een derde lid waarin bepaald is dat de functionele eis
                    niet geldt voor die gebruiksfuncties waarvoor in de tabel geen voorschrift is
                    aangewezen. Ingeval het eerste artikel geen derde lid heeft, geldt de
                    functionele eis uit het eerste lid dus wel voor die gebruiksfuncties waarvoor
                    geen voorschriften in de tabel zijn aangewezen. In dit laatste geval geldt dat
                    ten genoegen van burgemeester en wethouders moet worden aangetoond, dat voldaan
                    is aan de functionele eis.</al><al>Meer toelichting staat in de paragrafen 2.4 tot en met 2.6 van de Nota van
                    Toelichting bij het Bouwbesluit.</al><al>Meerdere functies is een gebouw</al><al>Indien een gebouw meerdere functies bevat is voor de beoordeling van de
                    grenswaarden van belang of de functies zowel functioneel als technisch volledig
                    gescheiden zijn dan wel met gemeenschappelijke voorzieningen invloed op elkaar
                    uitoefenen. In het laatste geval moet het totale gebouw (alle functies te zamen)
                    worden beschouwd om te bepalen of een grenswaarde wordt overschreden. Indien in
                    een functie een brandmeldinstallatie is vereist, dient in de andere functie die
                    invloed kan uitoefenen, een beveiliging van hetzelfde niveau aanwezig te zijn.
                    Is echter voor de ene functie volledige bewaking vereist, kan in de andere
                    functie, die invloed kan uitoefenen, volstaan worden met gedeeltelijke bewaking
                    als in die functie geen eis tot een brandmeldinstallatie geldt. Indien functies
                    geheel met elkaar zijn verweven geldt het beveiligingsniveau voor het gehele
                    gebouw.</al><al>Ontheffing </al><al>Het Bouwbesluit bevat in artikel 1.11 een algemene bevoegdheid voor burgemeester
                    en wethouders om bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het
                    vergroten van een bouwwerk ontheffing te verlenen van een bij of krachtens het
                    Bouwbesluit vastgesteld voorschrift. Bij verschillende voorschriften is in het
                    Bouwbesluit expliciet vermeld dat de bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing
                    tot een bepaalde grens is beperkt, of dat van het desbetreffende voorschrift in
                    het geheel geen ontheffing mag worden verleend. De bouwverordening bevat geen
                    algemene ontheffingsbepaling. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd zijn om
                    van een voorschrift van de bouwverordening ontheffing te verlenen, indien dat
                    expliciet bij dat voorschrift is vermeld. In de onderhavige paragraaf zijn
                    burgemeester en wethouders daartoe bevoegd op grond van artikel 2.6.1, derde lid
                    (brandmeldinstallaties) en artikel 2.6.5, derde lid
                    (ontruimingsalarminstallaties). Zie verder de toelichting op laatstgenoemd
                    voorschrift.</al><al>Aanroepen en doormelden</al><al>Een brandmeldinstallatie kan onder andere benodigd zijn als door de grootte of
                    complexiteit van het bouwwerk, of de zelfredzaamheid van de gebruikers, de
                    aanwezige personen niet door aanroepen tijdig op de hoogte kunnen worden gesteld
                    van een brand in het bouwwerk. Zonder brandmeldinstallatie zouden zij te laat
                    geïnformeerd worden en niet snel genoeg een aanvang kunnen maken met de
                    ontvluchting van het bouwwerk. Een belangrijke doelstelling van een
                    brandmeldinstallatie is dan ook de aansturing van de ontruimingsalarminstallatie
                    die zorg draagt voor een ontruimingssignaal. De grenswaarden in bijlage 10 geven
                    onder andere aan wanneer geacht is dat het bouwwerk een zodanig omvang heeft dat
                    door middel van aanroepen de aanwezige personen niet tijdig gewaarschuwd kunnen
                    worden en er een brandmeldinstallatie noodzakelijk is.</al><al>Daarnaast kan de brandmeldinstallatie automatisch een brandmelding doorgeven
                    naar een externe alarmcentrale die voor alarmopvolging kan zorgdragen.
                    Brandmeldinstallaties die volgens artikel 2.6.3 lid 2 verplicht zijn door te
                    melden, doen dat naar de Regionale Alarm Centrale (RAC) van de Brandweer. Door
                    een dergelijke automatische alarmering wordt de brandweer sneller gealarmeerd
                    waardoor zij ook sneller ter plaatse kan zijn. Hierdoor wordt de brandweer in
                    staat gesteld om vroegtijdig repressief op te treden en eventueel te assisteren
                    bij de ontruiming van het bouwwerk. De noodzaak van die snelle alarmering is
                    afhankelijk van de grootte of complexiteit van het bouwwerk en de mate waarin de
                    aanwezigen op eigen gelegenheid in staat zijn het bouwwerk te verlaten.</al><al>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</al><al>Lid 1</al><al>Onder het in lid 1, onder a, genoemde meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit
                    wordt verstaan de hoogte van het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van
                    de toegang van een gebouw of bouwwerk.</al><al>Onder de in lid 1, onder c, genoemde verblijfsruimten voor bezoekers worden
                    verstaan zalen e.d. in een bijeenkomstfunctie (In de verordeningtekst wordt
                    zoveel mogelijk aangesloten op het woordgebruik van het Bouwbesluit.).</al><al>Het in lid 1d genoemde aantal bouwlagen is bepalend voor de noodzaak van een
                    brandmeldinstallatie. Deze installatie, waarvan de omvang in artikel 2.6.3, lid
                    1a wordt aangegeven, is met name noodzakelijk om een ontruimingsalarminstallatie
                    in werking te stellen, in overeenstemming met het gestelde in artikel 2.6.6 lid
                    1. Gezien het gegeven van meerdere bouwlagen wordt geacht dat het
                    ontruimingsgebied niet door middel van het aanroepen van personen gewaarschuwd
                    kan worden.</al><al>In artikel 2.6.2, eerste lid, worden vier criteria genoemd voor de aanwezigheid
                    van een brandmeldinstallatie, namelijk de hoogte van de vloer van een
                    verblijfsruimte ten opzichte van het meetniveau, de totale gebruiksoppervlakte
                    en het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers (zalen) en het aantal
                    bouwlagen. Uit tabel 2.6.1 blijkt dat indien bij sommige gebruiksfuncties wordt
                    voldaan aan één criterium, er reeds de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie
                    is voorgeschreven. Indien bij andere gebruiksfuncties wordt voldaan aan twee
                    criteria, is pas de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie vereist. Soms is
                    geen van de drie criteria van toepassing. Immers wanneer er in de tabel een plat
                    streepje staat is dat desbetreffende onderdeel niet van toepassing en is een
                    brandmeldinstallatie dus niet verplicht.</al><al>Indien in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen in verschillende regels
                    worden gegeven, moet een installatie worden aangebracht, dien slechts aan één
                    van de criteria is voldaan. Indien in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen
                    in dezelfde regel worden gegeven, moet een installatie worden aangebracht,
                    indien aan al deze criteria is voldaan.</al><al>De bezettingsgraden uit het Bouwbesluit zijn thans niet verwerkt in de tabellen.
                    Dit vindt zijn grondslag in de filosofie dat een brandmeldinstallatie niet
                    alleen bedoeld is voor de veiligheid van de aanwezigen, maar ook voor
                    beheersbaarheid van een brand en daarmee een snelle inzet van de brandweer. Bij
                    de in de tabellen genoemde grenswaarden voor gebruiksoppervlakte is uitgegaan
                    van de volgens het Bouwbesluit minimaal vereiste bezettingsgraadklasse. </al><al>Woonfunctie</al><al>Uit tabel 2.6.1 blijkt dat een woonfunctie niet gelegen in een woongebouw en
                    niet van een woonwagen, met een gebruiksoppervlakte groter dan 500 m2, moet zijn
                    voorzien van een brandmeldinstallatie. Een woonfunctie met een
                    gebruiksoppervlakte, groter dan 500 m2, werd in het Bouwbesluit 1992 megawoning
                    genoemd. De benaming megawoning komt in het Bouwbesluit 2003 niet meer voor,
                    maar het criterium 'groter dan 500 m2 gebruiksoppervlakte' speelt bij
                    verschillende voorschriften wel een rol. Het gaat hierbij derhalve om de
                    woonfunctie waarin niet in gezinsverband wordt geleefd. Nadrukkelijk wordt de
                    eengezinswoning met een gebruiksoppervlakte, groter dan 500 m2, niet onder deze
                    omschrijving bedoeld.</al><al>Bijeenkomstfunctie</al><al>Uit tabel 2.6.1 blijkt dat onder meer een bijeenkomstfunctie, niet zijnde een
                    bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport, met een gebruiksoppervlakte
                    groter dan 1000 m2 met meer dan 1 zaal, moet zijn voorzien van een
                    brandmeldinstallatie. De achterliggende motivering is dat bij meer dan één zaal
                    er één niet in gebruik kan zijn, waarin een beginnende brand kan ontstaan. Als
                    dat niet tijdig wordt opgemerkt en rook en warmte invloed hebben op de
                    vluchtroutes van de in gebruik zijnde zaal, is detectie nodig voor de veiligheid
                    van de aanwezige personen. In een bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen
                    jonger dan 4 jaar is een automatische brandmeldinstallatie noodzakelijk vanwege
                    de verminderde zelfredzaamheid van kinderen. Hierbij kan een vergelijk met
                    bijvoorbeeld gezondheidszorgfuncties worden gemaakt.</al><al>Er wordt een grenswaarde aan het gebruiksoppervlak gesteld van 200 m2. Ook
                    wanneer de gebruiksoppervlakte kleiner is dan 200 m2, maar de vloer van de
                    bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar is gelegen op
                    een hoogte van meer dan 2,4 meter boven meetniveau, dan is een automatische
                    brandmeldinstallatie noodzakelijk. </al><al>Wanneer de bijeenkomstfunctie in overeenstemming met het Bouwbesluit voldoende
                    brandwerend is gescheiden van de overige functies in het gebouw, kunnen de
                    installatietechnische voorzieningen beperkt blijven tot de bijeenkomstfunctie.
                    Wanneer dit niet mogelijk is, dient de voorziening voor het totale
                    brandcompartiment waarin de bijeenkomstfunctie gelegen is, te worden
                    doorgevoerd.</al><al>Voor tribunes voor het aanschouwen van sport wordt een brandmeldinstallatie niet
                    voorgeschreven. Dit vanuit de gedachte dat het risico van het ontstaan van brand
                    in zo'n ruimte uiterst klein is en bovendien direct zou worden opgemerkt.</al><al>Overigens wordt onderkend dat het risicobeeld bij de verschillende
                    verschijningsvormen van de bijeenkomstfunctie zeer divers is. Het is te
                    verwachten dat na praktische ervaring met de prestatieeisen een verdere
                    onderverdeling in subfuncties nodig kan zijn. </al><al>Gezondheidszorgfunctie</al><al>In de tabel worden aan de subgebruiksfuncties “gezondheidszorgfunctie voor niet
                    aan bed gebonden patiënten.” en een “andere gezondheidszorgfunctie voor minder
                    zelfredzame personen” eisen gesteld. Met deze subgebruiksfuncties worden tevens
                    bedoeld de ruimten voor dagbehandeling, dialyse, operatiekamers, enz.</al><al>Industriefunctie</al><al>Tot en met de 9e serie wijzigingen waren in tabel 2.6.1 geen grenswaarden
                    gegeven met betrekking tot de brandmeldinstallatie voor de industriefunctie. In
                    de praktijk is gebleken dat dergelijke grenswaarden noodzakelijk zijn. Ter
                    bevordering van duidelijkheid op landelijke schaal zijn nu de grenswaarden in de
                    tabel vermeld. </al><al>Tabel 10 is sinds de invoering van de 10e serie wijzigingen (december 2004)
                    uitgebreid met een handbrandmeldinstallatie zonder doormelding. </al><al>Deze was voorheen bekend als ontruimingsalarminstallatie type C. Met de nieuwe
                    NEN 2575, uitgave 2004 is de type C installatie vervallen. Naar analogie van de
                    grenswaarden van vergelijkbare gebruiksfuncties is gesteld dat wanneer er een
                    vloer van een verblijfsruimte is gelegen op een hoogte van meer dan 20 meter,
                    een niet-automatische brandmeldinstallatie met doormelding noodzakelijk is.</al><al>Logiesfunctie</al><al>De term logiesgebouw en de grenswaarde van 250 m2 gebruiksoppervlakte zijn
                    geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig zomerhuisje op een bungalowpark geen
                    automatische brandmeldinstallatie noodzakelijk is.' </al><al>Winkelfunctie</al><al>Bij deze gebruiksfunctie komt in tabel 2.6.1 het meest duidelijk tot uitdrukking
                    dat aan het vereiste van twee criteria moet worden voldaan voordat een
                    brandmeldinstallatie nodig is. Tabel 10 is sinds de invoering van de 10e serie
                    wijzigingen (december 2004) uitgebreid met een handbrandmeldinstallatie zonder
                    doormelding. Deze was voorheen bekend als ontruimingsalarminstallatie type C.
                    Met de nieuwe NEN 2575,uitgave 2004 is de type C installatie vervallen.</al><al>Overige gebruiksfunctie</al><al>De eisen in tabel 10 voor de overige besloten gebruiksfunctie voor het stallen
                    van motorvoertuigen zijn in overeenstemming gebracht met de meest recente
                    ontwikkelingen terzake. In besloten parkeergarages groter dan 1000 m2 en kleiner
                    dan 2500 m2 is een brandmeldinstallatie zonder doormelding aanwezig om de
                    brandweer te ondersteunen bij de repressieve inzet. Het gaat daarbij om een
                    juiste plaatsbepaling van de brand en de daarbij behorende aanvalsroute. Dit
                    geld met name voor parkeergarages met meerdere bouwlagen. Bij een oppervlakte
                    groter dan 2500 m2 is doormelding naar de brandweer vereist om tijdige inzet ten
                    opzichte van de zich voortschrijdende brand te garanderen.</al><al>Lid 2</al><al>Doodlopende gangen</al><al>In artikel 2.6.2, tweede lid, is - kort samengevat - geregeld dat bij
                    doodlopende gangen een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking aanwezig moet
                    zijn. Ook indien het rookcompartiment beschikt over twee toegangen, kan binnen
                    het rookcompartiment sprake zijn van doodlopende gangen. Om te voorkomen dat in
                    een kort doodlopend eind of in een doodlopend eind waarop weinig of kleine
                    ruimten uitkomen een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking noodzakelijk zou
                    zijn, zijn er beperkende grenswaarden beschreven. </al><al>Doordat in het onderhavige artikel de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie
                    verplicht is gesteld, volgt uit de werking van artikel 2.6.6 dat tevens wordt
                    voorzien in de alarmering van de gebruikers van de verblijfsruimten die op de
                    bedoelde doodlopende gang zijn aangewezen.</al><al>Het artikel is eveneens van toepassing indien een verblijfsruimte via een andere
                    verblijfsruimte moet worden verlaten.</al><al>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</al><al>Omvang van de bewaking</al><al>In de regel gaat het bij niet-automatische bewaking om handbrandmelders; bij
                    gedeeltelijke bewaking om automatische brandmelders alleen in verkeersruimten en
                    risicoruimten; bij volledige bewaking om automatische brandmelders in alle
                    ruimten, met uitzondering van ruimten waarin geen brand kan ontstaan zoals
                    toiletruimten en badruimten; bij ruimtebewaking gaat het om automatische
                    brandmelders in specifieke ruimten in een gebouw zoals in geval van doodlopende
                    einden.</al><al>Woonfunctie in een woongebouw bestemd voor minder zelfredzame personen.</al><al>Het lijkt een tegenstelling dat de woonfunctie, gelegen in een woongebouw
                    bestemd voor minder zelfredzame personen in combinatie met permanent toezicht,
                    een volledige bewaking nodig maakt en dat bij dezelfde categorie, maar dan
                    zonder permanent toezicht, kan worden volstaan met gedeeltelijke bewaking. In
                    het laatstgenoemde geval gaat het om een categorie bewoners die zonder permanent
                    toezicht kunnen wonen, zoals bijvoorbeeld het geval is in een gezinsvervangend
                    tehuis, een sociowoning of bij begeleid groepswonen. Het doormelden van een
                    brandmelding rechtstreeks naar de alarmcentrale van de brandweer is noodzakelijk
                    omdat vanuit deze organisatie op ieder moment de noodzakelijke
                    brandbestrijdings- en beveiligingsmaatregelen in gang kunnen worden gezet. Een
                    tussenkomst van een particuliere alarmcentrale is hierbij ongewenst.</al><al>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties </al><al>Op grond van artikel 2.6.11 van de verordening is dit artikel ook van toepassing
                    voor bouwwerken waarop op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als
                    gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie wordt toegepast.</al><al>Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn burgemeester en wethouders
                    bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen,
                    voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de
                    verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de
                    bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                    voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                    gepubliceerd.</al><al>Lid 2</al><al>Het programma van eisen legt de uitgangspunten vast van brandbeveiliging met
                    behulp van een brandmeldinstallatie. Tevens worden stuurfuncties van het systeem
                    beschreven. Het document is bovendien een referentie bij de instandhouding van
                    de kwaliteit van het systeem. </al><al>De Regeling Brandmeldinstallaties 2002 is een kwaliteitszorg- en
                    certificatiesysteem, opgesteld door de bij de brandbeveiliging betrokken
                    gezaghebbende partijen, zoals het ministerie van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijkrelaties, deskundigen van de brandweer en van de brancheorganisaties
                    van brandbeveiligingsbedrijven. De regeling geeft aan wat van de
                    brandmeldinstallatie en van de diverse (markt-)partijen wordt verwacht en hoe
                    handhaving en controle plaatsvindt. Het beheer van de regeling en de met name
                    genoemde kwaliteitszorg is opgedragen aan het Centrum voor
                    Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag</al><al>Het Europese non-discriminatiebeginsel brengt met zich mee dat certificaten van
                    instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede uit Noorwegen,
                    IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden aanvaard, mits zulke
                    certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de gevestigde instituten in
                    Nederland worden afgegeven.</al><al>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</al><al>Zie voor de toelichting op de opbouw van de voorschriften, de relatie met de
                    Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit, de toelichting op artikel 2.6.1.
                    Indien een gebruiksfunctie weinig bouwlagen bevat en de personen in het
                    ontruimingsgebied dus gemakkelijk door middel van aanroepen kunnen worden
                    gewaarschuwd, kan ontheffing worden verleend van de eis tot het aanbrengen van
                    een ontruimingsalarminstallatie en -gezien de samenhang- dan tevens van de eis
                    tot het aanbrengen van een brandmeldinstallatie. Zie voor een toelichting op het
                    begrip ‘aanroepen’ de toelichting op artikel 2.6.1.</al><al>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</al><al>Lid 1</al><al>Aanwezigheid</al><al>Wanneer de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie op grond van artikel 2.6.2
                    vereist is, is altijd een ontruimingsalarminstallatie voorgeschreven.</al><al>NEN 2575 is verbeterd ten aanzien van het volgende:</al><al>Bij ontruimingsalarminstallaties kennen we tot voor kort 3 typen, namelijk:</al><al>A- installatie</al><al>Een speciaal voor dit doel ontwikkeld systeem, waarbij sprake is van een eigen
                    centrale waarop luidsprekers zijn aangesloten. Hierdoor is het mogelijk een
                    ontruiming plaats te laten vinden met behulp van een gesproken mededeling. De
                    installatie wordt hierbij aangestuurd door een brandmeldcentrale. De
                    A-installatie beschikt dus over een eigen centrale met eigen
                    energievoorziening.</al><al>B- installatie</al><al>Bij dit type zijn er ontruimingssignaalgevers (slow whoop) direct aangesloten op
                    de brandmeldcentrale en beschikt dus niet zoals bij een A-installatie over een
                    eigen centrale. De energievoorziening voor de ontruimingsignaalgevers wordt dus
                    ook door de brandmeldcentrale verzorgd.</al><al>C- installatie</al><al>Tot voor kort was het een eis om een brandmeldinstallatie door te melden naar de
                    alarmcentrale van de brandweer. Voor kleinere objecten was deze eis te zwaar. In
                    die gevallen waarbij het object niet “beroepbaar” was, bleek toch een vorm van
                    een installatie noodzakelijk. Omdat doormelding naar de brandweer niet
                    noodzakelijk was, werd deze installatie geen brandmeldinstallatie genoemd maar
                    een C-ontruimingsalarminstallatie.</al><al>De verschillen tussen een B en een C-installatie waren:</al><lijst><li nr="a."><al>Geen doormelding naar de brandweer</al></li><li nr="b."><al>Blauwe i.p.v. rode handbrandmelders</al></li><li nr="c."><al>Minder eisen aan de uitvoering van de centrale</al></li></lijst><al>Met de komst van NEN 2575 zijn de verschillen genoemd bij b en c verdwenen.
                    Bleef dus alleen over de doormelding. Intussen zijn er ook andere vormen van
                    brandmeldinstallaties ontstaan waarbij er geen eis met betrekking tot
                    doormelding naar de brandweer werd gesteld. </al><al>Deze zijn:</al><al>• Automatische brandmeldinstallaties in parkeergarages tot 2500 m2.</al><al>• Handbandmeldinstallaties bij opslag vuurwerk tot 10 000 kg</al><al>• Automatische brandmeldinstallaties in geval van samenvallende
                    vluchtroutes.</al><al>Een automatische ontruimingsinstallatie houdt in dat directe aansturing van de
                    signaalgevers plaatsvindt als gevolg van de activering van een automatische
                    brandmelder.</al><al>Het niet doormelden van brand kan geen criterium zijn om de installatie wel of
                    geen brandmeldinstallatie te noemen. Daarom is besloten de oude
                    “C-ontruimingsalarminstallatie” een “handbrandmeldinstallatie” zonder
                    doormelding te noemen.</al><al>Dit heeft diverse voordelen, te weten:</al><al>• Het schept voor een ieder een grotere duidelijkheid</al><al>• De betreffende normen kunnen worden vereenvoudigd</al><al>• Het betreffende deel van de bouwverordening wordt duidelijker</al><al>• De toekomstige certificeringregeling voor ontruimingsalarminstallaties wordt
                    overzichtelijker.</al><al>Logiesfunctie</al><al>De term logiesgebouw en de grenswaarde van 250 m2 gebruiksoppervlakte zijn
                    geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig zomerhuisje op een bungalowpark geen
                    ontruimingsalarminstallatie noodzakelijk is.</al><al>Lid 2</al><al>Doodlopende gangen</al><al>In artikel 2.6.2, tweede lid, is geregeld wanneer bij doodlopende gangen een
                    brandmeldinstallatie met ruimtebewaking aanwezig moet zijn. Doordat in het
                    onderhavige artikel de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie verplicht is
                    gesteld, volgt uit de werking van artikel 2.6.6 dat tevens wordt voorzien in de
                    alarmering van de gebruikers van de verblijfsruimten die op de bedoelde
                    doodlopende gang zijn aangewezen.</al><al>Een automatische ontruimingsinstallatie houdt in dat directe aansluiting van de
                    signaalgevers plaatsvindt als gevolg van de activering van een automatische
                    brandmelder.</al><al>brandmelder.</al><al>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</al><al>Op grond van artikel 2.6.11 van de verordening is dit artikel ook van toepassing
                    voor bouwwerken waarop op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als
                    gelijkwaardige oplossing een ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast.</al><al>Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn burgemeester en wethouders
                    bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen,
                    voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de
                    verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de
                    bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                    voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                    gepubliceerd.</al><al>Lid 2</al><al>Het programma van eisen als bedoeld in NEN 2575 'Brandveiligheid van gebouwen -
                    Ontruimingsinstallaties - Systeem- en kwaliteitseisen en
                    projecteringsrichtlijnen' legt de uitgangspunten vast van brandbeveiliging met
                    behulp van een ontruimingsinstallatie. Tevens worden stuurfuncties van het
                    systeem beschreven. Het document is bovendien een referentie bij de
                    instandhouding van de kwaliteit van het systeem. </al><al>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</al><al>Zie voor de toelichting op de opbouw van de voorschriften, de relatie met de
                    Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit en de bevoegdheid voor burgemeester en
                    wethouders tot het verlenen van ontheffing, de toelichting op artikel
                    2.6.1.</al><al>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</al><al>Teneinde te bewerkstelligen dat personen die in een bouwwerk verblijven en die
                    niet bekend zijn met de inrichting van het bouwwerk, dan wel in geval van brand
                    een ongebruikelijke vluchtroute moeten kiezen, op eenvoudige wijze het
                    aansluitende terrein kunnen vinden, bepaalt artikel 2.6.9 wanneer
                    vluchtrouteaanduidingen aanwezig moeten zijn. Omdat de herkenbaarheid van
                    vluchtroutes voor iedere persoon in gelijke mate van belang is, is de
                    aanwezigheid niet gekoppeld aan een grenswaarde voor gebruiksoppervlakte of
                    hoogte van een gebouw. De aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen geldt in
                    principe voor verkeersruimten. Tevens dienen in alle ruimten waarin op grond van
                    het Bouwbesluit een tweede of meerdere uitgangen nodig zijn, deze uitgangen te
                    worden voorzien van vluchtrouteaanduidingen. </al><al>Voor de aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen kunnen brandveiligheidseisen
                    krachtens de Arbo- en de milieuwetgeving eveneens van belang zijn.</al><al>De aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen wordt in tabel 12 voorgeschreven
                    voor een woongebouw, celgebouw en een logiesgebouw. Het gaat om
                    vluchtrouteaanduiding in gemeenschappelijke verkeersroutes als de woning, de cel
                    of het logiesverblijf al verlaten is. Dan is de term 'woonfunctie enz.' niet
                    bruikbaar, want dat zou betekenen dat men signalering in de woning, de cel of
                    het logiesverblijf moet aanbrengen. Dat is niet de bedoeling.</al><al>Logiesfunctie</al><al>De term logiesgebouw is geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig zomerhuisje
                    op een bungalowpark geen vluchtrouteaanduiding noodzakelijk is.</al><al>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</al><al>Op grond van artikel 2.6.11 van de verordening is dit artikel ook van toepassing
                    voor bouwwerken waarop op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als
                    gelijkwaardige oplossing een vluchtrouteaanduiding wordt toegepast.</al><al>Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn Burgemeester en Wethouders
                    bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen,
                    voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de
                    verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de
                    bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                    voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                    gepubliceerd.</al><al>Lid 1</al><al>De norm NEN 6088 Brandveiligheid van gebouwen - Vluchtwegaanduiding -
                    Eigenschappen en bepalingsmethoden, uitgave 2002, geeft aan dat de
                    vluchtrouteaanduiding gekenmerkt moet zijn door bepaalde symbolen en kleuren. </al><al>Lid 2</al><al>De vluchtrouteaanduiding moet herkenbaar zijn en goed zichtbaar zijn
                    aangebracht. Dit betekent dat de vluchtrouteaanduiding zodanig moet zijn
                    opgehangen dat je het goed ziet. Vluchtrouteaanduiding mag dus niet achter een
                    gordijn hangen of in een hoge ruimte nabij het plafond aangebracht zijn. </al><al>Lid 3</al><al>De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN 1838 'Toegepaste
                    verlichtingskunde - Noodverlichting' is opgesteld met als doel internationaal
                    eenheid binnen gebouwen te creëren ten aanzien van vluchtrouteaanduiding. In de
                    richtlijn wordt een voorkeur uitgesproken over de te hanteren pictogrammen. De
                    getoonde pictogrammen zijn voorbeelden. In de tekst wordt niet expliciet gesteld
                    dat uitsluitend de getoonde pictogrammen toegestaan zijn. Er is dus enige
                    vrijheid. </al><al>Het belangrijkste is dat er sprake is van eenduidigheid en duidelijkheid binnen
                    gebouwen. </al><al>Voor de kleuren, luminantie, de luminantieverhoudingen en de maximale
                    kijkafstand gelden de eisen uit NEN-EN 1838.</al><al>De luminantie van elk deel van de veiligheidskleur van de vluchtrouteaanduiding
                    moet minimaal 2 cd/m2 bedragen in alle relevante kijkrichtingen. Dit dient te
                    geschieden door in- of externe verlichting en / of noodverlichting. Dit kan dus
                    gevolgen hebben voor de locatie van normale en / of noodverlichtingsarmaturen
                    indien er geen intern verlichte vluchtrouteaanduiding wordt toegepast.</al><al>In geval van een energiestoring is het acceptabel dat niet meer aan de
                    luminantie-eis wordt voldaan, indien er geen eisen ten aanzien van
                    noodverlichting zijn gesteld.</al><al>Er wordt op deze wijze uitgegaan van een prestatie-eis in de vorm van een
                    luminantie-eis in NEN-EN 1838. Op welke wijze wordt voldaan kan men zelf
                    invullen en zal leiden tot verschillende oplossingen, bijvoorbeeld:</al><al>• Bouwkundige aanduidingen die door de normale en / of noodverlichting worden
                    aangelicht.</al><al>• Inwendig verlichte vluchtrouteaanduidingen, die op de normale en / of
                    noodverlichting zijn aangesloten.</al><al>• Foto-luminiserende vluchtrouteaanduiding.</al><al>De luminantie-eis in NEN-EN 1838, waarnaar in dit lid wordt verwezen, dient dan
                    ook goed te worden onderscheiden van eisen aan de verlichtingssterkte van de
                    vluchtrouteaanduiding zelf. Artikel 2.6.10 bevat geen eisen over de
                    verlichtingssterkte van de vluchtrouteaanduiding zelf. Vluchtrouteaanduidingen
                    hoeven dan ook niet per sé inwendig verlichte armaturen te zijn. Veelal kan
                    worden volstaan met het aanbrengen van pictogramstickers die zo nodig door
                    externe verlichting moeten worden aangelicht om aan de luminantie-eis te kunnen
                    voldoen. In ruimten waarin op grond van het Bouwbesluit een eis voor
                    noodverlichting geldt en waarin het gebruikelijk is de normale verlichting te
                    reduceren of uit te schakelen (theaters, bioscopen e.d.) zal het, vanwege de
                    gestelde eisen, wel noodzakelijk zijn om de vluchtrouteaanduidingen als intern
                    verlichte aanduidingen uit te voeren.</al><al>Lid 4</al><al>In delen van een gebouw waar op grond van het Bouwbesluit geen noodverlichting
                    vereist is, is het gestelde in lid 3 niet van toepassing aangezien in die
                    gebouwdelen bij spanningsonderbreking immers nimmer aan de luminantie-eisen van
                    het derde lid kan worden voldaan.</al><al>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</al><al>Met deze voorschriften wordt beoogd dat ook bij toepassing van de
                    gelijkwaardigheid ingevolge het Bouwbesluit aangebrachte brandmeldinstallaties,
                    ontruimingsalarminstallaties en vluchtrouteaanduidingen dezelfde duurzame
                    kwaliteit en dus veiligheid bezitten als die welke in de bouwverordening zijn
                    voorgeschreven.</al><al>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten</al><al>C-2000 is het landelijk dekkend digitale radionetwerk ten behoeve van de mobiele
                    communicatie voor de Nederlandse hulpverleningsdiensten. Adequate communicatie
                    tussen hulpverleners is essentieel voor het goed kunnen functioneren van hen bij
                    een calamiteit in een bouwwerk. C2000 garandeert buitenshuis een dekking van
                    95%, naar tijd en plaats gemeten vanaf een op de heup gedragen portofoon. In de
                    praktijk betekent dit dat de hulpverlener in Nederland altijd en overal
                    buitenshuis een verbinding tot stand kan brengen met collega's of met de
                    meldkamer of alarmcentrale. Door de wijze waarop het C2000-radionetwerk is
                    ontworpen en gebouwd, zal in veel gevallen ook sprake zijn van
                    binnenhuisdekking. Dit is echter sterk afhankelijk van de aard en ligging van
                    het bouwwerk en de situatie ter plaatse. </al><al>In overleg met het ministerie van BZK en VROM wordt een nieuw artikel in de MBV
                    opgenomen dat de mogelijkheid biedt om voorzieningen te eisen ten behoeve van
                    binnenhuisdekking van het C2000-communicatiesysteem. Dit ten behoeve van het
                    goed kunnen functioneren van de hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in een
                    voor publiek toegankelijke bouwwerk.</al><al>In de dagelijkse praktijk kan het ontbreken van binnenhuisdekking soms leiden
                    tot bezwaarlijke situaties vanuit openbare orde en veiligheid. Dit is met name
                    het geval in voor het grote publiek toegankelijke bouwwerken, zoals
                    voetbalstadions, grote overdekte winkelcentra, luchthavengebouwen, stations en
                    ondergrondse bouwwerken zoals auto-, trein- of metrotunnels. Dit soort locaties
                    wordt in C2000-jargon aangeduid als Special Coverage Locations (SCL's). In dat
                    geval kan soms vanuit de operationele werkwijze van de diensten volstaan worden
                    met plaatselijke en tijdelijke dekkingsmaatregelen zoals Direct Mode of
                    Operation (DMO) of met een zogenoemde DMO-TMO-gateway. Mochten deze maatregelen
                    voor de betreffende locatie niet voldoen, moet worden gezocht naar een meer
                    structurele oplossing voor adequate binnenhuisdekking. Uitgangspunt daarbij is
                    dat de eigenaar van de SCL voor die structurele oplossing zorgdraagt en dat de
                    kosten van aanschaf en bouw van de technische installatie en van het testen,
                    aansluiten en beheer ervan voor zijn rekening komen. Artikel 2.6.12 verplicht de
                    SCL-eigenaar tot het aanbrengen van de betreffende technische voorziening indien
                    dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het goed kunnen
                    functioneren van hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in dat bouwwerk
                    noodzakelijk is. Of die voorziening in een concreet geval noodzakelijk is, is
                    van meerdere factoren afhankelijk. In de eerste plaats dient de vraag beantwoord
                    te worden of er binnenhuisdekking moet zijn. Dit zal het geval zijn indien het
                    bouwwerk voor het grote publiek toegankelijk is en binnenhuisdekking vanuit het
                    oogpunt van openbare orde en veiligheid noodzakelijk is voor het goed kunnen
                    functioneren van de hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in dat bouwwerk.
                    Vervolgens dient vastgesteld te worden of er automatisch al binnenhuisdekking
                    is. Is die dekking er niet (of niet in het gehele bouwwerk), dient te worden
                    bepaald of DMO of DMO-TMO een voldoende oplossing biedt. Pas wanneer dat laatste
                    niet het geval is, kan toepassing van artikel 2.6.12 aan de orde zijn.</al><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt niet
                    in dat het waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is en
                    evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van drinkwater. De
                    plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts de verplichting in
                    tot het doen treffen van de technische voorzieningen die het betrekken van
                    drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is afhankelijk van een met
                    het waterleidingbedrijf te sluiten contract. De voorwaarden waaronder dit
                    contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een afzonderlijke verordening op
                    de levering van drinkwater. </al><al>In feite zal de aansluiting ook veelal door het waterleidingbedrijf plaatsvinden
                    en zullen de aansluiting van de binnenhuisinstallatie aan het distributienet en
                    de levering van drinkwater vaak in hetzelfde contract zijn geregeld.</al><al>Overigens moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen
                    aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt in geval een
                    binnenhuisinstallatie voor drinkwater - als bedoeld in het genoemde
                    artikelnummer van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                    toepassing van de gelijkwaardigheidbepaling van het Bouwbesluit ertoe leidt dat
                    het aanbrengen van een alternatieve voorziening voor het betrekken van
                    drinkwater wordt toegestaan.</al><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het
                    openbare distributienet, zie artikel 2.7.7.</al><al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een
                    kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid. Zie
                    voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>Lid 1</al><al>De niet-vantoepassingverklaring voor bejaardenwoningen houdt verband met de kans
                    op ongevallen.</al><al>Lid 2, onder b</al><al>Het verlenen van ontheffing is denkbaar voor koopwoningen, indien de
                    eigenaar-bewoner geen aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot
                    hetgeen het geval kan zijn voor huurwoningen, indien de gemeenteraad
                    geschiktheid van de woning voor het stoken en koken op de meest economische
                    brandstof noodzakelijk acht.</al><al>Lid 2, onder c</al><al>Een ontheffing voor woningen die worden aangesloten op de stads-, wijk- of
                    blokverwarming, kan door burgemeester en wethouders worden geweigerd, indien een
                    gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op aardgas.</al><al>Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al>Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening
                    voor verwarming</al><al>Kostenoverwegingen van de initiatiefnemer van een bouwproject kunnen botsen met
                    de milieu-overwegingen van de gemeenteraad. In dat geval is een titel gewenst om
                    de aansluiting op een stads- of wijkverwarmingsnet te kunnen afdwingen, ook al
                    is er reeds voorzien in een aansluiting op het aardgasnet.</al><al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>Alternatief 1</al><al>Algemeen</al><al>De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig
                    transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is
                    neergelegd in artikel 10.15 van de Wet milieubeheer. </al><al>De Bouwverordening, het Lozingenbesluit bodembescherming en de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren richten zich op de lozers van afvalwater.
                    Hieronder volgt een beknopte beschrijving van deze regelgeving. Voor een
                    uitgebreidere uiteenzetting verwijzen wij naar de Leidraad riolering, module
                    aanpak verspreide afvalwaterlozingen, Samsom H.D. Tjeenk Willink, Alphen aan den
                    Rijn (losbladig).</al><al>Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in artikel 2.7.4
                    van de MBV. Voor bestaande bouw is deze aansluitplicht geregeld in artikel
                    5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in samenhang met de in artikel 40 van de
                    Woningwet gegeven bouwvergunningplicht en het herziene artikel 13 van de
                    Woningwet, de mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te verplichten om aan
                    te sluiten op de riolering indien de afstand tussen de openbare riolering en het
                    dichtstbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of minder bedraagt.</al><al>Het Lozingenbesluit bodembescherming stelt regels voor het lozen van afvalwater
                    in de bodem. Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de
                    hoeveelheid afvalwater) staat het Lozingenbesluit bodembescherming een
                    individueel zuiveringssysteem toe. De eisen voor het lozen vanuit individuele
                    zuiveringssystemen in de bodem staan vermeld in de Uitvoeringsregeling
                    lozingenbesluit bodembescherming. Deze eisen zijn nader uitgewerkt in de
                    publicatie van het Ministerie van VROM: Individuele behandeling van afvalwater
                    bij verspreide bebouwing; onderzoeksfase 4B: IBA-richtlijn (november 1991).</al><al>Het lozen op oppervlaktewater wordt door de waterkwaliteitsbeheerder gereguleerd
                    op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Voor het lozen van
                    huishoudelijk afvalwater is op 1 maart 1997 het WVO-Lozingenbesluit
                    huishoudelijk afvalwater in werking getreden (Stb. 1997, 27). De systematiek van
                    dit lozingenbesluit is vergelijkbaar met het Lozingenbesluit
                    bodembescherming.</al><al>Lid 1</al><al>In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dienen de afvoerleidingen voor
                    hemelwater op het desbetreffende, afzonderlijke riool te worden aangesloten. Het
                    is ook zeer wel denkbaar om het hemelwater, afkomstig van de daken van zeer
                    grote gebouwen en/of afkomstig van zeer grote terreinen, niet op het openbare
                    riool te lozen, maar op oppervlaktewater e.d. Voor lozing op oppervlaktewater is
                    echter een vergunning vereist op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren.</al><al>De aanvrager van de bouwvergunning kan de onder b genoemde uitzondering op de
                    aansluitplicht aan het gemeenteriool bovendien (laten) gebruiken om het
                    hemelwater op te slaan en in het kader van het duurzaam bouwen te consumeren,
                    waar drinkwater niet noodzakelijk is, zoals voor de toiletspoeling, de
                    wasmachine en het sproeien van de tuin. Zie bijvoorbeeld in de losbladige
                    uitgaven van het Nationaal pakket Duurzaam bouwen, uitgegeven en regelmatig
                    herzien door de Stichting Bouwresearch (SBR) te Rotterdam, specificatieblad S
                    445.</al><al>Lid 2, onder a</al><al>Naast het geven van aanwijzigingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn van
                    de te realiseren aansluitleiding of aansluitleidingen is het gemeentelijk
                    bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift bevoegd:</al><lijst><li nr="a."><al>om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of vacuümriolering
                            wordt aangesloten;</al></li><li nr="b."><al>om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden gerealiseerd
                            voor enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de vuil-waterafvoer,
                            indien in het desbetreffende deel van de gemeente een gescheiden
                            gemeentelijk rioolstelsel aanwezig is.</al></li></lijst><al>Lid 2, onder b</al><al>Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen
                    bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een
                    rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan tevens
                    voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden getroffen, waarbij
                    moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de mogelijkheid van aangroeiing
                    meestal een onvoldoende voorziening is.</al><al>Lid 3</al><al>Ingevolge de Wet milieubeheer, laatst gewijzigd per 1 maart 1996, geldt als
                    hoofdregel dat het verboden is om afvalwater op een openbaar riool te lozen.
                    Uitzonderingen gelden voor:</al><lijst><li nr="a."><al>afvloeiend hemelwater;</al></li><li nr="b."><al>huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van normaal huishoudelijk
                            gebruik;</al></li><li nr="c."><al>bedrijfsafvalwater dat naar zijn aard overeenkomt met huishoudelijk
                            afvalwater en dat afkomstig is van normaal huishoudelijk gebruik.</al></li></lijst><al>Voor lozingen die niet onder deze uitzonderingen vallen, gelden
                    standaardvoorschriften krachtens de Wet milieubeheer of een vergunningsvereiste
                    op grond van die wet.</al><al>Indien zelfs afscheiding, verdunning, voorzuivering, koeling of dergelijke niet
                    tot het gewenste resultaat leiden, of de af te voeren hoeveelheden zo groot zijn
                    dat verstoring van de goede werking van de openbare riolering of de
                    zuiveringsinstallatie te verwachten is, kan worden geëist dat op andere wijze
                    wordt geloosd dan op het openbaar riool.</al><al>In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer is bepaald wat het
                    bevoegd gezag is ten aanzien van de geldende of te stellen
                    lozings¬voorschriften. In het algemeen zijn dit voor de complexe categorieën
                    bedrijven niet langer burgemeester en wethouders, zoals tot 1 maart 1996 het
                    geval was onder de werking van de toenmalige gemeentelijke lozings¬verordeningen
                    riolering.</al><al>Lid 4, onder a</al><al>Voor lozing op oppervlaktewater is een vergunning of melding vereist op grond
                    van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al><al>Lid 4, onder b</al><al>Indien bij een agrarisch bedrijf waar men de afvalstoffen voor
                    bedrijfs¬doeleinden kan gebruiken, een voldoende ruime gier- of beerput wordt
                    gemaakt, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing van de verplichting tot
                    aansluiting aan het openbare riool verlenen.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 1</al><al>Voor de voorzieningen ter lozing van het hemelwater van het bouwwerk en het
                    terrein, zie artikel 2.7.5, alternatief 2. </al><al>Leden 2 tot en met 4</al><al>Zie in alternatief 1 dezelfde lidnummers.</al><al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>Alternatief 1</al><al>Lid 1, onder c</al><al>Het verdient aanbeveling om de aanvrager van de bouwvergunning erop te wijzen
                    dat voor lozing op oppervlaktewater een vergunning vereist is ingevolge artikel
                    1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlakte¬wateren. </al><al>Lid 1, onder d</al><al>In het belang van de goede werking van een rottingput (septic tank) dienen
                    daarop geen afvoerleidingen voor afvalwater zonder faecaliën, respectievelijk
                    hemelwater te worden aangesloten. Indien geen lozing op een waterloop met
                    behoorlijke doorstroming kan worden gerealiseerd, zal een zo goed mogelijke
                    andere oplossing moeten worden gezocht. </al><al>Lid 2</al><al>Advies over de mogelijkheid van ontheffing kan worden gevraagd aan de inspecteur
                    van het staatstoezicht op de volksgezondheid voor de hygiëne van het
                    milieu.</al><al>Zie voorts de toelichting op lid 1, onder c.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 2, onder b</al><al>De voorgeschreven verplichting om het hemelwater niet op traditionele wijze af
                    te voeren naar het gemeenteriool of naar oppervlaktewater, maar naar een op het
                    eigen erf of terrein aan te leggen opvang- en bezinkingsvoorziening, berust op
                    milieuhygiënische overwegingen ('duurzaam bouwen'). Hiermee wordt beoogd om het
                    hemelwater aan de bodem toe te voegen om op deze wijze zo veel mogelijk bij te
                    dragen aan de instandhouding van het grondwaterpeil en het tegengaan van
                    verdroging van het milieu. </al><al>Afhankelijk van de grootte van het erf en de bodemgesteldheid ter plaatse kan
                    bedoelde infiltratievoorziening bestaan uit een in de grond aangebrachte
                    infiltratieput, een drainage, een grindbak, een bezinkingsvijver of een daarmee
                    gelijk te stellen voorziening. Richtlijnen voor dergelijke voorzieningen kunnen
                    worden ontleend aan ISSO-publicatie nr. 70-1, Hemelwater binnen de perceelsgrens
                    - Ontwerp en uitvoering van voorzieningen ten behoeve van opvang, gebruik en
                    infiltratie van hemelwater binnen de perceelsgrens, uitgave Stichting
                    Bouwresearch (SBR), Rotterdam, september 2000 (telefoon 010-2065959). </al><al>De aanvrager van de bouwvergunning dient van tevoren te (laten) onderzoeken
                    welke van de genoemde infiltratievoorzieningen, gelet op de ter plaatse
                    aanwezige bodemgesteldheid en grondwaterstand, voor zijn bouwplan geschikt is. </al><al>Bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan of grootschalig bouwproject zal een
                    dergelijk onderzoek in de praktijk reeds in het kader van het vooronderzoek door
                    de projectontwikkelaar zijn verricht en/of kunnen de uitkomsten van gemeentewege
                    beschikbaar worden gesteld. </al><al>Lid 3, onder b</al><al>Om verzakking van de te stichten of reeds aanwezige bouwwerken, alsmede
                    wateroverlast voor de belendende percelen te voorkomen moet de
                    infiltratievoorziening voor hemelwater zodanig op het eigen erf kunnen worden
                    gesitueerd dat voldoende afstand tot genoemde bouwwerken en de perceelgrenzen in
                    acht wordt genomen. Die afstand is geen vast gegeven, maar hangt af van de
                    hoeveelheid te lozen hemelwater in relatie tot de aard van de
                    infiltratievoorziening en de bodemgesteldheid ter plaatse. Op grond van de
                    terzake overgelegde of bij de gemeente aanwezige gegevens kunnen burgemeester en
                    wethouders dan ook ontheffing verlenen van de verplichting tot het aanbrengen
                    van een infiltratievoorziening, indien de bodemgesteldheid, de grondwaterafvoer
                    en/of de geringe afmetingen van het erf daartoe aanleiding geven. </al><al>Bij de keuze van een meer traditionele wijze van hemelwaterafvoer is overigens
                    van belang dat terwille van een goede werking van een rottingsput (septic tank)
                    daarop geen afvoerleidingen voor hemelwater mogen worden aangesloten.</al><al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven en
                    terreinen</al><al>Lid 3</al><al>In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een gemeentelijk
                    rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, moet er -
                    met het oog op het in goede staat houden van dat rioolstelsel en de goede
                    werking van de zuiveringsinstallatie - op worden toegezien dat er in de
                    huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten e.d. voorkomen. </al><al>Lid 4</al><al>Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse
                    praktijkrichtlijn NPR 3218 'Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en
                    onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is
                    verschenen.</al><al>Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 1997, 'Binnenriolering in woningen
                    en woongebouwen - Eisen en bepalingsmethoden' formeel slechts toepasbaar is op
                    binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn dat de
                    dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en anderzijds de daarop
                    aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf buitenshuis gelijk moet zijn.
                    Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de 'huis'-aansluitleidingen van niet tot
                    bewoning bestemde gebouwen.</al><al>Lid 5</al><al>De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de
                    huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk
                    rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is
                    voorgeschreven.</al><al>Lid 6</al><al>Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde
                    NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met
                    overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband daarmee
                    vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel.</al><al>3.De melding</al><al>Artikel 3.1 De wijze van melden</al><al>vervallen</al><al>Artikel 3.2 Welstandscriteria</al><al>vervallen</al><al>4.Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een
                    bouwwerk</al><al>Algemeen</al><al>Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling tot de
                    voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de vergunning(procedure), maar
                    uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en in gebruik nemen van een
                    bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13 en 4.15 hebben betrekking op
                    alle bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij als vergunningplichtig. </al><al>Vanaf 1 april 2007 is artikel 7b Woningwet van kracht, waarin verplichtingen in
                    de vorm van algemene verbodsbepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de
                    voorschriften uit de bouwverordening die van toepassing zijn op onder meer het
                    bouwen en het gebruik van een bouwwerk, standplaats of een open erf of terrein.
                    Bovendien verbiedt het herziene artikel 40, eerste lid Woningwet zowel het
                    bouwen zonder of in afwijking van een verleende bouwvergunning (sub a), als het
                    in stand laten van een bouwwerk of deel daarvan dat gebouwd is zonder of in
                    afwijking van een verleende bouwvergunning (sub b). Als gevolg van de gewijzigde
                    systematiek van de Woningwet is een verbod tot ingebruikneming zoals tot en met
                    de 11e serie wijzigingen opgenomen was in artikel 4.14 van de
                    Model-bouwverordening niet langer noodzakelijk. Op grond van artikel 7b juncto
                    artikel 40, eerste lid Woningwet kunnen burgemeester en wethouders indien nodig
                    het gebruik van het voltooide bouwwerk beletten. Het verbod leidt in geval van
                    niet-naleving van de voorschriften van de bouwverordening tot een overtreding
                    waartegen direct handhavend kan worden opgetreden. Overtreding van een verbod
                    van artikel 7b Woningwet is per 1 april 2007 strafbaar gesteld in artikel 1a,
                    onder 2, van de Wet op de economische delicten (WED).</al><al>Structuur van de voorschriften</al><al>Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve
                    handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door het
                    bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1 tot en
                    met 4.6 en 4.13.</al><al>Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van nadelige
                    effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid, grondwaterstand,
                    hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7 tot en met 4.10.
                    Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het bouwafval.</al><al>Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de
                    gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt sinds
                    1 april 2007 geregeld in artikel 7b Woningwet.</al><al>De veiligheidsvoorschriften - de artikelen 4.8 tot en met 4.10 - gelden
                    ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein.</al><al>Handhaving van de voorschriften</al><al>De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn per 1 april 2007 op grond van artikel 7b
                    van de Woningwet rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de algemene
                    toelichting bij Hoofdstuk 11.</al><al>Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als bedoeld in artikel 4.6
                    kan grond zijn voor het toepassen van bestuursdwang.</al><al>Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze
                    bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor gelden
                    andere regels en met de handhaving daarvan is de Arbeidsinspectie belast.</al><al>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                    staking van bouwwerkzaamheden</al><al>De gronden waarop een bouwvergunning kan worden ingetrokken staan limitatief in
                    artikel 59 van de Woningwet. De intrekkingsgronden zijn vanaf 1 januari 2003 in
                    de Woningwet uitgebreid. </al><al>In verband met het Besluit indieningsvereisten en het gewijzigde artikel 56
                    Woningwet kan een bouwvergunning tevens worden ingetrokken indien voorgeschreven
                    gegevens niet tijdig zijn overgelegd nadat de bouw¬vergunning is verleend.
                    Voorts kan een bouwvergunning gedeeltelijk worden ingetrokken. Indien
                    bijvoorbeeld onvolledige gegevens zijn verstrekt, kan het zo zijn dat slechts
                    een gedeeltelijke intrekking van de bouwvergunning op haar plaats is. Bovendien
                    is toegevoegd dat de bouwvergunning kan worden ingetrokken op verzoek van de
                    vergunninghouder; iets wat trouwens in de praktijk al gebruikelijk was
                    (bijvoorbeeld ten behoeve van eventuele gedeeltelijke restitutie van
                    leges).</al><al>Van belang is voorts dat in het zesde lid onder b van het nieuwe artikel 56a van
                    de Woningwet een aanvullende intrekkingsgrond is opgenomen. De termijn van 26
                    weken is gelijk aan die van de MBV 1965. De uit juris¬prudentie voortkomende
                    plicht om de vergunninghouder te horen alvorens wordt besloten tot intrekking
                    van een vergunning is nu als voorschrift vastgelegd in artikel 4:8 Awb. Het
                    intrekken van een begunstigende beschikking zoals een bouwvergunning dient
                    omgeven te zijn met de nodige waarborgen ter bescherming van de rechtszekerheid
                    van de houder der vergunning.</al><al>Binnen afzienbare tijd wordt artikel 59 van de Woningwet gewijzigd teneinde het
                    mogelijk te maken de bouwvergunning in te trekken naar aanleiding van een
                    integriteitsbeoordeling Wet BIBOB.</al><al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen en
                    ontheffingen, op de hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is toch de
                    plicht opgenomen om op het bouwterrein deze bescheiden aanwezig te hebben en op
                    verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht aanwezig zijn
                    van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die bescheiden is
                    voorgeschreven de tekst is immers voorhanden en voorkomt dat de uitvoerder op
                    het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden niet te kennen.</al><al>Sub a</al><al>Onder het begrip 'bouwvergunning' in de zin van dit artikel vallen tevens de bij
                    de verlening teruggegeven bouwtekeningen, berekeningen e.d., die niet strijdig
                    zijn bevonden met de voorschriften en dus moeten worden gehanteerd bij de
                    bouwwerkzaamheden.</al><al>Sub b</al><al>Deze vergunningen en ontheffingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze
                    bouwkundige consequenties hebben. Deze vergunningen en vrijstellingen kunnen
                    betrekking hebben op bij voorbeeld een aanlegvergunning of op beschikkingen van
                    de rijks- of provinciale overheid.</al><al>Sub d</al><al>Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een
                    besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                    dwangsom is nodig, omdat voor bouwen op grond van voornoemde besluiten geen
                    bouwvergunning is vereist krachtens artikel 43, eerste lid, letter a van de
                    Woningwet.</al><al>Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge artikel 8.3.2
                    ook de sloopvergunning op het bouw- en sloopterrein aanwezig zijn.</al><al>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</al><al>De woorden 'voor zover nodig' zijn opgenomen, omdat er ook gevallen voorkomen,
                    waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen, bij voorbeeld
                    bij een verbouwing.</al><al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de
                    bouwwerkzaamheden</al><al>De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot
                    tijdige controle.</al><al>Lid 1, sub a</al><al>Indien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd verdient het aanbeveling het
                    regionale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter
                    voorkoming van schade aan leidingen.</al><al>Lid 3</al><al>In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt geadviseerd
                    terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door vergunninghouder
                    en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te verlangen.</al><al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</al><al>Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het bouwtoezicht
                    vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of materialen aan het oog zijn
                    onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de kosten van
                    de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te verrichten of te
                    doen verrichten, voor diens rekening komen. Degene die bouwt heeft het immers
                    zelf in de hand om voor de aanvang van bepaalde werkzaamheden tijdig het
                    bouwtoezicht te informeren en overigens conform de vergunning, het Bouwbesluit
                    en de bouwverordening te werken. Specifieke controlewerkzaamheden buiten dit
                    artikel om komen voor rekening van de controlerende instantie, c.q. de
                    gemeente.</al><al>Dit artikel geldt als aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het verrichten
                    van onderzoek, opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast biedt om
                    bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te breken, wordt dit artikel
                    van de bouwverordening toegepast.</al><al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</al><al>Het belang dat hier wordt gediend is de veiligheid van bouwwerken. Dit is een
                    publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet niet op eventuele schade in
                    privaatrechtelijke zin. De redactie van dit artikel is in vergelijking met de
                    MBV 1965 enigszins aangepast, doch dit betreft geen verandering in de bedoeling
                    van dit artikel, noch een trendbreuk in het beleid.</al><al>De hoeveelheid aan de bodem te onttrekken water is hier doorslaggevend. Indien
                    de onttrekking zodanige vormen aanneemt, dat ook andere belangen dan de in dit
                    artikel genoemde kunnen worden geschaad, zal daarop met behulp van andere, niet
                    in deze verordening neergelegde bepalingen moeten worden toegezien. Gedacht kan
                    worden aan een waterwingebied.</al><al>Onder de hierboven bedoelde andere bepalingen kan met name worden verstaan:
                    zowel voor het mogen bemalen van een bouwput als voor het mogen lozen van het
                    aldus opgepompte grondwater is een vergunning vereist. De grondslag voor de
                    vergunning voor het bemalen van een bouwput c.q. het onttrekken van grondwater
                    staat in de Grondwaterwet en de provinciale grondwaterverordeningen.
                    Laatstgenoemde verordeningen bevatten overigens in het algemeen een uitzondering
                    op het vergunningvereiste voor het kortstondig droog houden van een bouwput,
                    mits nader in die verordeningen omschreven beperkte hoeveelheden grondwater
                    worden onttrokken. De lozing van het opgepompte water kan aan een
                    vergunningsvereiste of standaardvoorschriften zijn gebonden ingevolge de Wet
                    milieubeheer of de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al><al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</al><al>Het onderhavige voorschrift betreft niet de veiligheid van de werknemers op de
                    bouwplaats, want deze valt onder de Arbowet (Arbeidsinspectie), maar de
                    veiligheid van voorbijgangers en belendingen.</al><al>Lid 1</al><al>De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen, die
                    bij voorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van een
                    heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming van
                    bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft de
                    veiligheid van elektrische installaties op bouw¬werken, zie NEN 1010. De
                    controle op de naleving van laatstgenoemde eisen berust bij de Arbeidsinspectie
                    en bij het elektriciteitsbedrijf.</al><al>Tot de achtste serie wijzigingen waren de indieningsvereisten behorende bij een
                    aanvraag om bouwvergunning, waaronder een bouwveiligheidsplan, opgenomen in
                    artikel 2.1.6, eerste lid, MBV. Sinds 1 januari 2003 bevat artikel 1.2.5 van de
                    bijlage bij het Besluit indieningsvereisten regels over het indienen van een
                    bouwveiligheidsplan. Of er bij een bouwvergunning een bouwveiligheidsplan moet
                    zijn en aan welke eisen dat plan moet voldoen, is geregeld in het onderhavige
                    artikel van de MBV. Voorzover de te nemen maatregelen in het bouwveiligheidsplan
                    afwijken van de voorschriften in dit artikel, gaan de bepalingen van het
                    bouwveiligheidsplan voor.</al><al>Leden 2 en 3</al><al>Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de schakelapparatuur
                    zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die) gedurende de bedoelde
                    tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten.</al><al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</al><al>Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein te
                    weren en te voorkomen dat mensen - en vooral spelende kinderen - op een
                    bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het derde
                    lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden bewaakt, tenzij het
                    bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking:
                    permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakings¬dienst, beslist het
                    bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer.</al><al>De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn
                    gewaarborgd.</al><al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</al><al>De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder voor
                    de omgeving te voorkomen. Zie onder 'handhaving van de voorschriften', in het
                    algemene gedeelte van de toelichting op dit hoofdstuk, hetgeen is gesteld ten
                    aanzien van de arbeidsomstandigheden.</al><al>Artikel 4.11 Bouwafval</al><al>Algemeen</al><al>Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist
                    geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de bouwverordening
                    dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval.</al><al>Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden van
                    afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving als
                    gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering bij
                    de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor
                    hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met
                    ander afval. </al><al>a Gevaarlijke afvalstoffen</al><al>Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart worden
                    gehouden. Een anti-mengclausule in in het derde lid van artikel 4 van de
                    Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                    blz. 9), verbiedt het mengen van gevaarlijk afval met ander afval (zgn.
                    verdunnen). Eenmaal gescheiden afvalstoffen dienen ook daarna gescheiden te
                    blijven. Daartoe verplicht de Regeling scheiden en gescheiden houden die is
                    gebaseerd op de Wet milieubeheer. De doe-het-zelver kan geringe hoeveelheden
                    gevaarlijk (chemisch) afval thuis in de chemobox doen en op deze wijze
                    gescheiden afvoeren via de van gemeentewege georganiseerde inzameling van klein
                    chemisch afval van huishoudens.</al><al>b en c Glaswol en steenwol</al><al>Glaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier
                    ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten 'big bag' (een
                    stevige zak met een inhoud van 1 m3) of een zak van 200 liter. </al><al>De ondergrens van 1 m3 per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige kosten
                    te veroorzaken. Onder het begrip 'bouwproject' wordt verstaan het geheel van
                    bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde bouwvergunning is verleend.</al><al>Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht tot
                    scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal zijn.</al><al>d Overig afval</al><al>Voor het overige bouwafval blijkt er een financi'le impuls aanwezig die
                    bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt. De
                    onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd naar een inrichting die
                    op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in ontvangst te
                    nemen. </al><al>Wanneer is iets afval?</al><al>Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een afvalbak
                    is er sprake van bouwafval. Restanten van materialen en stoffen die apart worden
                    gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen afval.</al><al>Acceptatievoorwaarden en marktwerking</al><al>De verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden als
                    ondergrens. Het staat degene die bouwt dus vrij een verdergaande scheiding toe
                    te passen. De marktpartijen opdrachtgever en aannemer zullen veelal op basis van
                    economische motieven besluiten tot een verdergaande scheiding. Hierbij zullen
                    prijzen worden vergeleken en zal bij een verdergaande scheiding dikwijls een
                    gunstiger prijs- en kostenverhouding gelden. Indien een verdergaande scheiding
                    plaatsvindt, geldt onverkort het voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een
                    bewerkingsinrichting die bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie
                    overig afval moet in het algemeen worden afgevoerd naar een sorteerinrichting.
                    Als sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam
                    overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het
                    overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn vergunning bevoegd is tot
                    ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle overslagbedrijven c.q. milieustraten
                    zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfsafvalstoffen.</al><al>Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer
                    gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de effectiviteit van de regeling in het
                    gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere verplichtingen zouden worden
                    opgelegd dan die voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de ontvanger
                    (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.). Het verdient dan ook aanbeveling om
                    nauwkeurig kennis te nemen van de acceptatie-eisen en de eventuele veranderingen
                    daarin. </al><al>Afvoeren en overdragen van bouwafval</al><al>De formulering 'gescheiden houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel om het
                    mengen van reeds uitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor transport
                    vanaf het werk te verbieden. </al><al>Voor een wijze van vervoer die bevorderlijk is voor het hergebruik van
                    materialen, geldt andere wetgeving dan de bouwverordening, waarbij met name te
                    denken valt aan de provinciale milieuverordening. Uit dien hoofde moet het
                    bouwafval worden afgevoerd naar een bewerkings- of verwerkingsinrichting,
                    respectievelijk een inzamelaar die op grond van de Wet milieubeheer bevoegd is
                    deze afvalstoffen te ontvangen.</al><al>De afvoer naar een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de
                    bouwplaats. Het Besluit stortverbod afvalstoffen bevat namelijk sinds 1 april
                    1997 een stortverbod voor herbruikbaar bouw- en sloopafval. Particulieren die
                    geringe hoeveelheden bouw- en sloopafval zelf wegbrengen, kunnen terecht bij
                    sorteerbedrijven en gemeentelijke milieustraten, veelal ook op zaterdagmorgen. </al><al>Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod niet geldt voor asbest,
                    waarvoor juist een stortplicht geldt. Asbest is in het onderhavige artikel over
                    bouwafval niet genoemd, omdat het als bouwmateriaal niet meer is
                    toegelaten.</al><al>Terugleveren aan de leverancier of fabrikant</al><al>Er zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan de
                    fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering op de
                    regel dat op de bouwplaats gescheiden fracties naar een bewerkingsinrichting of
                    anders naar een sorteerinrichting moeten worden afgevoerd. Rechtstreekse
                    retourlevering waarbij het product dient als grondstof voor nieuwe producten
                    wordt zinvol geacht. </al><al>Sorteerinrichting</al><al>Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is -
                    voorzover het uit meer dan één afvalstof bestaat - alleen toegestaan naar een
                    sorteerinrichting, die bevoegd is de desbetreffende afvalstoffen ongesorteerd te
                    ontvangen.</al><al>Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen naast de beoordelingsrichtlijn
                    voor de certificering van sorteerbedrijven te houden aan de Regeling
                    niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval (Stcrt. 31, 13 februari 1996). Hierin
                    worden de volgende afvalstromen aangeduid als herbruikbaar: harde steenachtige
                    materialen, ferro en non-ferro metalen, massief niet-verduurzaamd hout,
                    papier/karton, LDPE-folie, kunststofgevelelementen of delen daarvan en
                    kunststofleidingbuizen. Voor deze stromen ligt uitsortering voor de hand, hetzij
                    aan de bron, hetzij achteraf in een sorteerinrichting. </al><al>Voor papier/karton en kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij een
                    sorteerbedrijf volledig operationeel. Voor de retourname van reststoffen van
                    gipsblokken en gipskartonplaten heeft de Nederlandse Branchevereniging voor Gips
                    (NBVG) in samenwerking met de gipsproducenten een systeem scheiden en schoon
                    afvoeren ontwikkeld. Voor steenwol is deze mogelijkheid enigszins operationeel
                    en voor EPS ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het nietoperationeel
                    zijn van een retoursysteem (stand van zaken medio 1997). Overigens geldt voor
                    zowel steenwol als EPS dat zij meestal slechts in geringe mate in bouwafval
                    voorkomen. </al><al>Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen
                    ontwikkeld. Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen transporteurs van
                    aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE en LDPE-folie. Via de
                    Stichting KNAPZAK nemen enkele kunststofverwerkers deze kunststoffen zowel van
                    transporteurs als van sorteerbedrijven in voor reclycing. </al><al>De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door sorteerbedrijven
                    voor verwerking worden aangeboden aan twee leden van de Vereniging van
                    Kunststofleidingsystemen (FKS) te Amsterdam. Voor kunststof gevelelementen
                    kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het recyclingsysteem van de Stichting
                    Recycling VKG te Zoetermeer. Een verwerkingssysteem voor kitkokers,
                    verfverpakking en snoerband (PP-materialen) is operationeel bij B &amp; R
                    Recycling BV te Middelharnis. </al><al>Mee terugnemen naar de werf</al><al>Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                    verricht, de aannemer, een geringe hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen
                    naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de
                    bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot praktisch
                    nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een vergunning is vereist op
                    grond van de Wet milieubeheer. De term tijdelijke opslag duidt erop dat dit
                    afval vervolgens in het algemeen wel moet worden afgevoerd naar een
                    sorteerbedrijf. De plicht om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden van andere
                    stoffen, de anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht, evenals de plicht
                    tot het afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen aan een
                    inzamelaar die voor de inname van deze stoffen bevoegd is.</al><al>Enkele specifieke begrippen</al><al>Met de term 'bevoegd is ...... te ontvangen' wordt gedoeld op de aanwezigheid
                    van een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer, voorzover een milieuvergunning
                    bij die wet verplicht is gesteld.</al><al>Onder 'inzamelaar' wordt verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in te
                    zamelen met het oog op hergebruik of teruglevering naar de producent. Voor
                    enkele deelstromen kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem. Zie de
                    toelichting van artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en recyclingsystemen
                    voor kunststoffen.</al><al>Lid 1</al><al>De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron - dit is op het
                    terrein - worden gescheiden van het overige bouwafval. In een later stadium
                    scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de
                    verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet milieubeheer.
                    De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen het gevaarlijk afval
                    gaat moet beschikken over een adequate vergunning op grond van de Wet
                    milieubeheer. Er bestaat keuzevrijheid naar welk bedrijf wordt afgevoerd. In de
                    praktijk komt het bepaalde in dit lid erop neer dat gevaarlijk bouwafval niet
                    naar een stortplaats gaat. Stortplaatsen zijn vrijwel nooit bevoegd de hier
                    bedoelde stoffen in ontvangst te nemen. Voor sommige gevaarlijke afvalstoffen is
                    verbranden de beste oplossing.</al><al>Voor de handhaving is het van belang dat het begrip 'gevaarlijk' uniform wordt
                    uitgelegd. </al><al>De verwijzing naar de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                    van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr.
                    158, blz. 9) - in werking getreden op 1 mei 2002 - voorziet hierin. In artikel
                    1.1 van de Wet milieubeheer wordt verwezen naar dit besluit.</al><al>De EURAL vervangt het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (BAGA) (Stb.
                    1993, 617) dat van 1 januari 1994 tot 1 mei 2002 gold. De EURAL wijkt
                    inhoudelijk voor wat betreft de lijst gevaarlijke afvalstoffen nauwelijks af van
                    het BAGA. Hoofdstuk 17 van de lijst gaat over het bouw- en sloopafval. De
                    Nederlandstalige versie van de lijst is als bijlage 5 opgenomen in de publicatie
                    'Handreiking Eural; Europese afvalstoffenlijst' van het ministerie van
                    Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van september 2001. De in
                    deze lijst met een asterisk (*) aangeduide nummers zijn gevaarlijke
                    afvalstoffen. Voor het verwijderen (slopen) van asbest en asbesthoudende
                    materialen geldt het Asbestverwijderingsbesluit.</al><al>Vergunningvoorwaarden</al><al>Het is toegestaan over de exacte wijze van scheiden, opslaan en afvoeren,
                    uitsluitend wanneer dit is bedoeld ter uitvoering van de in het eerste lid
                    genoemde fracties, voorwaarden aan de bouwvergunning te verbinden. Deze
                    voorwaarden betreffen aspecten die niet in een algemene regeling als de
                    verordening thuis horen maar zijn toegesneden op de concrete situatie. Dit kan
                    bijvoorbeeld betreffen het niet bij elkaar brengen van bepaalde soorten
                    gevaarlijk (chemisch) afval. Niet al het gevaarlijk afval kan door elkaar in één
                    bak worden gedeponeerd. Het is zinvol aan te geven welke stoffen niet bij elkaar
                    mogen en op welke wijze c.q. onder welke condities de (tijdelijke) opslag op de
                    bouwplaats moet geschieden. In de regel eist de inzamelaar c.q. vervoerder al de
                    wijze van scheiden en verpakken van de risicodragende stoffen. De bakken -
                    sommige typen onderverdeeld in compartimenten - zijn vaak eigendom van de
                    inzamelaar/vervoerder. De overheid kan de eventuele vergunningvoorwaarden hierop
                    afstemmen.</al><al>Het is niet toegestaan voorwaarden aan de bouwvergunning te verbinden die ertoe
                    strekken nog andere fracties verplicht op de bouwplaats te scheiden dan die
                    vermeld staan in het eerste lid. In het algemeen komt men dan in strijd met het
                    derde lid van artikel 56 van de Woningwet. </al><al>Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen niet bij elkaar.
                    Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron (batterijen) niet combineren met
                    een brand- of explosiebron (houtverduurzamingsmiddelen, lijmen, verven,
                    verdunningsmiddelen, harders, versnellers, vertragers enz.), logen, basen en
                    zuren (zoutzuur komt vrij bij de afbouw) niet combineren met een ontstekingsbron
                    noch met een brand- of explosiebron.</al><al>Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient het aanbeveling bij
                    het lezen van deze toelichting ook (delen van) de toelichting op hoofdstuk 8,
                    het slopen, te betrekken.</al><al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</al><al>De gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen
                    spoedig daarna controles uit te voeren. </al><al>Voorts is de gereedmelding een voorwaarde voor het in gebruik mogen nemen of
                    geven van het bouwwerk ingevolge artikel 7b Woningwet.</al><al>Lid 1</al><al>Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een latere
                    fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra graafwerkzaamheden
                    mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke melding.</al><al>Het controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte overeenkomstig
                    de uitkomst van de berekening van de energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de
                    desbetreffende categorie gebouwen voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is
                    eveneens slechts effectief mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is
                    onttrokken door het opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het
                    afpleisteren van de isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie.
                    Overigens stelde SenterNovem in opdracht van het ministerie van VROM in februari
                    2007 een gratis informatiemap met onder meer een checklist en een rekenlineaal
                    samen om de buitendienstinspecteur van het gemeentelijk bouwtoezicht bij zijn
                    bouwplaatscontroles op de energieprestatienormering te ondersteunen. Raadpleeg,
                    voor zover in de eigen gemeente in het ongerede geraakt of in onvoldoende
                    exemplaren aanwezig, daarvoor www.senternovem.nl/epn/handhaving of neem contact
                    op met de Helpdesk Gemeenten van SenterNovem, gemeenten@senternovem.nl of 030
                    239 35 33.</al><al>Lid 2</al><al>Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden, is een termijn van
                    twee dagen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de
                    noodzakelijke of gewenste controles uitvoert.</al><al>Lid 3</al><al>Voor zover in de voorwaarden van de bouwvergunning niet anders is gesteld, geldt
                    ook hier de termijn van twee dagen.</al><al>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</al><al>Voor de toepassing van dit artikel kan NEN 6722, uitgave 1989, (Voorschriften
                    Betonuitvoering (VBU)) een goed hulpmiddel zijn.</al><al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</al><al>Vervallen </al><al>5.Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidinstallaties, aansluiting op
                    de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</al><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</al><al>Algemeen</al><al>In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid gemaakt
                    in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor bestaande
                    bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren te verkeren.
                    Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden het opleggen van
                    een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond van artikel 13 Woningwet
                    dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder
                    dwangsom. Voor de situaties die al bestonden voor het in werking treden van de
                    artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden afgewogen of de verlangde voorzieningen ter
                    plekke mogelijk zijn en of het alsnog opleggen van een plicht tot het treffen
                    van die voorzieningen redelijk is. Voor de situaties die al bestonden voor het
                    in werking treden van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden afgewogen of de
                    verlangde voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of het alsnog bij wege van
                    aanschrijving eisen van die voorzieningen redelijk is. De artikelen 5.1.2 en
                    5.1.3 zijn nagenoeg gelijk aan de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de
                    aanvraag om bouwvergunning. Op die plek fungeren de eisen als een toets voor
                    aanvraag om bouwvergunning. De bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de
                    staat of toestand van een open erf of terrein en niet op het gebruik
                    daarvan.</al><al>Het gebruik van open erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7.</al><al>Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij artikel 7.3.2.</al><al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</al><al>De tekst van dit artikel is overgenomen uit artikel 299 MBV 1965.</al><al>Van een onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld sprake,
                    indien een open erf of terrein verontreinigd is. Deze verontreiniging kan een
                    gevolg zijn van het gebruik van een ander terrein of van een gebrek aan een
                    bouwwerk. De onvoldoende staat van een terrein kan ook worden veroorzaakt door
                    overvloedige begroeiing, waardoor de lichttoetreding tot een gebouw wordt
                    belemmerd of de veiligheid van het verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar komt.
                    Over de mogelijkheid van aanschrijving op grond van dit artikel in de MBV 1965
                    gaat de uitspraak van ARRS 21 april 1987, W/RvS/03.85.6262.</al><al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                    Brandblusvoorzieningen</al><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.3.</al><al>Bij het toepassen van bestuurdwang of het opleggen van een last onder dwangsom
                    wegens strijd met artikel 7b, eerste lid, onder d van de Woningwet, juncto het
                    onderhavige artikel 5.1.2, eerste en tweede lid, ware rekening te houden met het
                    bepaalde in artikel 12.3 van deze bouwverordening.</al><al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.4.</al><al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen</al><al>Overeenkomstig de systematiek van de Woningwet is het noodzakelijk om eisen te
                    stellen omtrent de staat van bestaande gebouwen, indien eisen worden gesteld aan
                    te bouwen gebouwen. Ten aanzien van de brandmeldinstallaties, de
                    ontruimingsalarminstallaties en de vluchtrouteaanduidingen gelden voor de
                    bestaande bouw dezelfde eisen als voor nieuwbouw.</al><al>De voorschriften van deze paragraaf vormen de grondslag voor een besluit op
                    grond van artikel 13 Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het
                    opleggen van een last onder dwangsom indien een brandveiligheidsvoorziening in
                    een gebouw ontbreekt of zich bevindt in een staat die niet in overeenstemming is
                    met de voorschriften van deze paragraaf.</al><al>In geval van dreigend gevaar voor de gezondheid of veiligheid kunnen
                    burgemeester en wethouders vanaf 1 april 2007 op basis van artikel 1a van de
                    Woningwet optreden tegen een overtreding van de voorschriften in deze paragraaf
                    door toepassing van bestuursdwang of door de oplegging van een last onder
                    dwangsom.</al><al>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen niet
                    zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                    kantoorgebouwen</al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallatie in woongebouwen van
                    bijzondere aard</al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven
                    en logiesgebouwen</al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                    kantoorgebouwen</al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al>Het onderhavige voorschrift kan geen grondslag voor een besluit ingevolge
                    artikel 13 Woningwet dan wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen
                    van een last onder dwangsom vormen waarin het college van burgemeester en
                    wethouders het maken van een aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt
                    vanuit een pand waarin een binnenhuisinstallatie - als bedoeld in de opgesomde
                    artikelnummers van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                    toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt
                    dat het college de aanwezigheid van een alternatieve voorziening voor het
                    betrekken van drinkwater voldoende acht, bijv. in de vorm van een doeltreffende
                    welput, regenbak of watertank.</al><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het
                    openbare distributienet, zie artikel 5.3.7.</al><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>Het is zinloos om door middel van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan
                    wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom
                    te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool, zolang - op grond van
                    het Lozingsbesluit bodembescherming - het afvalwater in de bodem mag worden
                    geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven voorzieningen
                    (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde voorzieningen - in
                    financiële zin - nog niet afgeschreven zijn. Immers, een regeling van de
                    rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit bodembescherming prevaleert ten opzichte
                    van een gemeentelijke verordening, in casu de bouwverordening.</al><al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.5.</al><al>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
                    net van de nutsvoorzieningen</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 5.4.1 Preventie</al><al>Onreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken van een bouwwerk is
                    geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een bouwwerk
                    zich moet bevinden. Dit artikel heeft sinds 1 april 2007 rechtstreekse werking
                    en leidt in geval van geconstateerde gebreken tot een besluit ingevolge artikel
                    13 Woningwet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of het
                    opleggen van een last onder dwangsom gericht aan de eigenaar die kennelijk het
                    bouwwerk onvoldoende onderhoudt. Het artikel is bedoeld om excessen tegen te
                    gaan.</al><al>6.Brandveilig gebruik</al><al>Algemeen</al><al>De Woningwet schrijft voor dat de bouwverordening voorwaarden moet bevatten die
                    het brandveilig gebruik van bouwwerken regelen. In dit hoofdstuk wordt het
                    mogelijk gemaakt het brandveilig gebruik te regelen met een zogenoemde
                    gebruiksvergunning. Daarnaast bevat dit hoofdstuk gebruiksbepalingen, waaraan
                    alle bouwwerken moeten voldoen.</al><al>Het merendeel van de voorschriften van dit hoofdstuk en de bijlagen 2 t/m 6
                    behorende bij de verordening, alsmede de bijlagen 2 t/m 4 behorende bij deze
                    toelichting komen uit de Model-brandbeveiligingsverordening 1972. De
                    terminologie en de systematiek zijn slechts aangepast voor zover de Woningwet en
                    de Model-bouwverordening dit vereisen. Materieel is in de voorschriften niet
                    veel veranderd zodat een trendbreuk in het beleid over het brandveilig gebruik
                    is voorkomen. Een belangrijke verandering is wel dat alle voorschriften van
                    bouwkundige aard nu in het Bouwbesluit zijn opgenomen.</al><al>Het brandveilig gebruik regelen is een nieuw onderwerp voor de bouwverordening.
                    Een gebruiksvergunning verschilt in menig opzicht van een bouwvergunning. Nadat
                    het bouwen is beëindigd, zal men een bouwwerk in gebruik nemen. In beginsel zal
                    dat gebruik langdurig zijn. Een gebruiksvergunning zal na verloop van tijd
                    aanpassing behoeven, aangezien omstandigheden en inzichten over brandveiligheid
                    in de loop van de tijd wijzigen. Artikel 6.1.1, derde lid, gaat daar nader op
                    in.</al><al>Het regelen van een vergunningplicht is niet in alle gevallen nodig. Alleen voor
                    die situaties die gevaar op kunnen leveren door een verhoogde kans op brand, dan
                    wel een verhoogde kans op negatieve gevolgen van een eenmaal uitgebroken brand,
                    wordt een gebruiksvergunning geëist.</al><al>Vooruitlopend op de artikelsgewijze toelichting wordt hier reeds opgemerkt dat
                    het opleggen van een verplichting tot het treffen van aanvullende voorzieningen
                    op grond van artikel 13 van de Woningwet niet afhangt van de vraag of een
                    gebruiksvergunning verplicht is. Ook de gebruiksvoorwaarden die in de
                    (Model-)bouwverordening zijn opgenomen zijn daarvan niet afhankelijk. Anders
                    gezegd: de aanvraag om gebruiksvergunning kan een aanleiding zijn om betrokkenen
                    te verplichten tot het treffen van aanvullende voorzieningen.</al><al>Per 1 april 2007 zijn de specifieke aanschrijfbevoegdheden van de Woningwet
                    vervallen en is een verbod opgenomen om te bouwen, een bouwwerk te gebruiken,
                    een open erf of terrein te gebruiken, in een staat te brengen of te houden, te
                    slopen, anders dan overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003 en de bouwverordening. Het niet voldoen aan de voorschriften
                    van Bouwbesluit en bouwverordening vormt een overtreding waartegen burgemeester
                    en wethouders direct handhavend kunnen optreden.</al><al>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</al><al>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</al><al>In dit artikel wordt het gebruiken van een bouwwerk waarin een verhoogde kans op
                    brand, dan wel een verhoogde kans op negatieve gevolgen van een eenmaal
                    uitgebroken brand aanwezig is, gebonden aan een vergunning van burgemeester en
                    wethouders, een zogenoemde gebruiksvergunning.</al><al>Criteria voor vergunningplicht</al><al>Lid 2</al><al>Onder de voorwaarden als genoemd in het tweede lid van artikel 6.1.1 worden
                    onder meer begrepen voorwaarden met betrekking tot: stoffering en versiering;
                    uitgangen en vluchtwegen; installaties; standbouw, podia, kramen e.d.;
                    verbrandingsmotoren; toepassen van vuurwerk binnen een gebouw; bewaking en
                    controle; ventilatie en werkzaamheden; brandbare, brandbevorderende en bij brand
                    gevaar opleverende stoffen; opstellingsplannen; afval; doorlopend toezicht;
                    brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande interne
                    organisatie; het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een
                    gebouw of in een gebouw met het oog op de brandveiligheid; de plaats van,
                    alsmede het aantal en het type draagbare blustoestellen en/of minihaspels.</al><al>Als criteria voor de gebruiksvergunning zijn aantallen personen vermeld. Bewust
                    is hier gekozen voor zgn. objectieve criteria, die op grond van de feitelijke
                    situatie zijn te bepalen. Zo geldt voor een aantal categorie'n van bouwwerken
                    het aantal personen dat in dat bouwwerk of een gedeelte daarvan kan verblijven
                    als criterium. Hoewel ook te verdedigen zou zijn geweest het aantal vierkante
                    meters van een bouwwerk of een daarin gelegen verblijfsruimte als objectief
                    criterium te nemen, is toch gekozen voor het aantal personen. Immers, niet het
                    aantal vierkante meters, maar het aantal aanwezigen moet in geval van een
                    calamiteit het gebouw tijdig kunnen verlaten. Natuurlijk kan voor gebouwen waar
                    het aantal personen niet uit het aantal stoelen of bedden kan worden afgeleid,
                    bij voorbeeld een discotheek, een op ervaring berustende berekening worden
                    gemaakt van het te verwachten aantal mensen op basis van het gegeven aantal
                    vierkante meters.</al><al>De eisen die aan een gebruiksvergunning moeten worden gesteld, zijn primair
                    gebaseerd op de veiligheid van mensen en de omgeving van het bouwwerk, zoals
                    voorzieningen voor vluchtwegen, alarminstallaties en dergelijke. </al><al>Bij de beoordeling van de brandveiligheid is het van belang te weten hoeveel
                    personen in het bouwwerk zullen verblijven. Immers, het doel van dit hoofdstuk
                    is de feitelijke - niet de theoretische - situatie te beoordelen. Voor het
                    beoordelen van een aanvraag om een gebruiksvergunning kan daarom alleen het
                    feitelijke gebruik als criterium worden aangehouden. Hierdoor wordt vermeden,
                    dat in concrete situaties te zware of te lichte eisen worden gesteld.</al><al>De getalscriteria in dit artikel zijn op basis van overeenstemming van meningen
                    van deskundigen gekozen. Elk getal is arbitrair. </al><al>In enkele gemeenten wordt voor pensionbedrijven e.d. een getal van vijf personen
                    gehanteerd. Het staat de raad van een gemeente vrij een ander getal dan door ons
                    aanbevolen in de verordening vast te stellen. Van primair belang is dat
                    eventueel brandgevaarlijke situaties zo snel mogelijk worden verbeterd.</al><al>Aantal toe te laten personen</al><al>De hierboven genoemde voorwaarde met betrekking tot het aantal toe te laten
                    personen, is noodzakelijk, omdat in de gebruiksvergunning geen bouwkundige eisen
                    mogen worden gesteld. Die staan in het Bouwbesluit. Wanneer gelet op het aantal
                    aanwezige personen en de aard van de activiteiten een extra (nood)uitgang en/of
                    een bredere vluchtroute noodzakelijk is, kan dit niet worden geëist in de
                    gebruiksvergunning. </al><al>De vergunning weigeren is wellicht een te zwaar middel. Beter is het aantal
                    personen te limiteren. Hierbij kan als vuistregel de bij deze toelichting
                    behorende tabel worden gebruikt (bijlage 3 bij de toelichting, tabel maximaal
                    toelaatbaar aantal personen in een ruimte van een gebouw met het oog op de
                    brandveiligheid).</al><al>Draagbare blustoestellen</al><al>De hierboven genoemde voorwaarde met betrekking tot het aantal en het type
                    draagbare blustoestellen en/of minihaspels omvat ook de plaats van deze
                    blustoestellen.Dit is nodig, omdat sommige stoffen, indien zij in brand staan,
                    alleen geblust kunnen worden met een andere blusstof dan water. Die andere
                    blusstof, die uit poeder, schuim of gassen kan bestaan, bevindt zich in het
                    algemeen in draagbare blustoestellen.</al><al>Overdraagbare gebruiksvergunning</al><al>De vergunning is niet persoonsgebonden. Dit betekent dat de vergunning ook op
                    naam van een rechtspersoon kan staan. Het is vaak gewenst voor elk bouwwerk (of
                    combinatie van bouwwerken) een persoon te kennen die verantwoordelijk is voor de
                    brandveiligheid en die daarop aanspreekbaar is. Dit kan worden bereikt door in
                    de vergunningsvoorwaarden een bepaling op te nemen dat de houder van de
                    vergunning (bij voorbeeld aan de brandweer, afdeling preventie) moet opgeven wie
                    (naam en functie) belast is met de zorg voor de brandveiligheid en dat voorts
                    elke mutatie wordt gemeld. De vergunning is overdraagbaar. Bij een vergunning
                    die niet persoonsgebonden is en voor lange duur geldigheid bezit, is
                    overdraagbaarheid wenselijk.</al><al>Werkingssfeer</al><al>Artikel 6.1.1 is zo geredigeerd dat niet voor alle bouwwerken een
                    gebruiksvergunning is vereist. Vergunningplicht is bepaald aan de hand van
                    risico bij brand, met name de mogelijkheid tot ontruiming en de zelfredzaamheid
                    van mensen. Dit resulteert in extra aandacht voor bouwwerken waar een clustering
                    van mensen (meer dan 50) plaatsvindt, waar kinderen, bejaarden, en/of
                    gehandicapten verblijven, waar nachtverblijf wordt geboden (hotels, pensions).
                    Kamerverhuurbedrijven vallen onder de categorie inrichtingen waarin
                    bedrijfsmatig nachtverblijf wordt verschaft. Er is geen jurisprudentie bekend
                    waaruit blijkt dat kamerverhuurbedrijven buiten de gebruiksvergunningplicht
                    zouden vallen.</al><al>Zo vallen alle categorieën gebouwen waarin kinderopvang in de zin van de
                    Welzijnswet 1994 en de (Model-)verordening kinderopvang plaatsvindt, onder het
                    vereiste van een vergunning brandveilig gebruik. </al><al>Bouwwerk in plaats van inrichting</al><al>De term 'inrichting' uit de (model-)Brandbeveiligingsverordening is bij de
                    gebruiksbepalingen in de (model-) Bouwverordening vervangen door 'bouwwerk'. Dit
                    past beter in de terminologie van de Woningwet. Het begrip 'bouwwerk' is ruimer
                    dan 'gebouw' (zie begripsomschrijving in artikel 1.1 van de
                    (model-)Bouwverordening.</al><al>De vergunningplichtige situaties zullen zich veelal afspelen in een gebouw.</al><al>Maar er zijn activiteiten waar meer dan vijftig mensen bijeen zijn en waar de
                    activiteit niet onder één dak plaatsvindt. Bij voorbeeld een openluchtzwembad
                    met tribunes, voetbalveld met tribunes. Dit zijn geen gebouwen, maar wel
                    bouwwerken.</al><al>Volledigheidshalve wordt er nog op gewezen dat activiteiten die niet
                    plaatsvinden in een bouwwerk, vallen onder de bepalingen van de
                    (model-)Brandbeveiligingsverordening.</al><al>Voorwaarden</al><al>De in artikel 6.1.1 bedoelde vergunningplicht heeft tot doel in die situaties
                    waar dat nodig is, het toekomstige gebruik van een bouwwerk te beoordelen op
                    brandveiligheid en zo nodig voorwaarden te verbinden aan het verlenen van een
                    gebruiksvergunning. Ingevolge de Awb moet een dergelijke vergunning op schrift
                    zijn gesteld. De onderwerpen waarop deze voorwaarden betrekking kunnen hebben
                    staan limitatief in het tweede lid van dit artikel. </al><al>Het artikel is van toepassing in die situatie waarbij er sprake is van een
                    bestaand of nog op te richten bouwwerk, waarin een van de onder a tot en met c
                    genoemde activiteiten plaatsvindt. </al><al>Systematisch kunnen de volgende vier situaties worden onderscheiden, waarin een
                    gebruiksvergunning verplicht is</al><al>1 Nieuw bouwwerk </al><al>Een bouwwerk wordt nieuw gebouwd, waarna de vergunningplichtige activiteit
                    aanvangt.</al><al>De bouwtechnische eisen gelden volgens het gestelde in het Bouwbesluit en de
                    planologische eisen en de eisen voor de aanwezigheid van
                    brandbeveiligingsinstallaties uit hoofdstuk 2 van de (model-) Bouwverordening
                    1992 moeten worden nageleefd voor het verkrijgen van de bouwvergunning. De
                    algemene gebruikseisen staan in bijlage 3 en 4 bij de (model-) Bouwverordening
                    1992 en specifieke gebruikseisen kunnen van geval tot geval worden gesteld
                    opgenomen als voorwaarden in de gebruiksvergunning.</al><al>2 Veranderend bouwwerk</al><al>Een bestaand bouwwerk wordt verbouwd, waarna de vergunningplichtige activiteit
                    aanvangt, wijzigt c.q. uitbreidt.</al><al>Hiervoor geldt de procedure voor nieuwbouw. </al><al>3 Bestaand bouwwerk, nieuw gebruik</al><al>In een bestaand bouwwerk vangt een vergunningplichtige activiteit voor het eerst
                    aan.</al><al>Eerst moet worden gecontroleerd of de bouwkundige toestand van het bouwwerk uit
                    een oogpunt van brandveiligheid verbetering behoeft volgens de voorschriften van
                    het Bouwbesluit, de delen over bestaande bouwwerken. De aanvraag om
                    gebruiksvergunning moet nu worden aangehouden, totdat aan het besluit ingevolge
                    artikel 13 van de Woningwet is voldaan (artikel 6.1.4, lid 3). Toetsingsgronden
                    voor dit besluit kunnen zijn de delen over bestaande en nieuwe bouwwerken en
                    hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de (model-)Bouwverordening. Als dit geregeld is
                    kan de gebruiksvergunning worden verleend, anders mag het nieuwe gebruik niet
                    beginnen. De algemene gebruikseisen staan in de bijlagen 3 en 4 bij de
                    (model-)Bouwverordening 1992 en behoeven dus niet apart te worden opgenomen in
                    de hier bedoelde gebruiksvergunning.</al><al>Als een bouwwerk wel voldoet aan het Bouwbesluit, de delen over bestaande
                    bouwwerken, kan de aanvraag om gebruiksvergunning niet worden aangehouden. Een
                    besluit als bovenbedoeld kan echter wel worden gedaan. Als hieraan nog niet zou
                    zijn voldaan, voordat de beslistermijn voor de aanvraag om gebruiksvergunning is
                    verlopen, moet de gebruiksvergunning worden verleend met beperkende voorwaarden
                    of worden geweigerd.</al><al>4 Bestaand bouwwerk, bestaand gebruik</al><al>In een bestaand bouwwerk vindt een vergunningplichtige activiteit plaats
                    waarvoor nog geen vergunning is verleend.</al><al>De hiervoor onder punt 3 beschreven procedure moet ook hier worden gevolgd.</al><al>Bedrijfsverzamelgebouw</al><al>Speciale aandacht verdient een bedrijfsverzamelgebouw. In een
                    bedrijfsverzamelgebouw valt te onderscheiden een voor algemeen gebruik bedoeld
                    gedeelte en diverse gebouwonderdelen die zijn toe te delen aan afzonderlijke
                    ondernemers of gebruikers. Elk der afzonderlijke onderdelen wordt getoetst aan
                    de (model-)Bouwverordening. Dit betekent dat sommige onderdelen een
                    gebruiksvergunning nodig zullen hebben en andere onderdelen vallen onder de
                    algemene gebruikseisen van artikel 6.2.1. Het voor algemeen gebruik bedoelde
                    gedeelte van het verzamelgebouw zal veelal worden beheerd door een daartoe in
                    het leven geroepen rechtspersoon. Voor zover in dit algemene gedeelte meer dan
                    50 personen aanwezig zullen zijn, is daarvoor ook een gebruiksvergunning
                    vereist.</al><al>Wijziging gebruiksvergunning</al><al>Er kan reden zijn de voorwaarden van een gebruiksvergunning te wijzigen of aan
                    te vullen, ook zonder dat het bouwwerk of het gebruik ervan wijzigt. De reden
                    ligt dan in gewijzigde inzichten omtrent de risico's en/of gewijzigde
                    omstandigheden buiten het bouwwerk waarin de vergunningplichtige activiteiten
                    plaatsvinden.</al><al>Een wijziging van de vergunning wordt afzonderlijk in artikel 6.1.1, lid 3,
                    geregeld. Een gebruiksvergunning heeft een veel langere werkingsduur dan een
                    bouwvergunning. Daarom is de kans dat behoefte bestaat aan wijzigingen veel
                    groter. De behoefte aan wijziging of aanvulling van een vergunning kan van twee
                    kanten komen. Van de vergunninghouder en van de overheid. De vergunninghouder
                    kan een nieuwe gebruiksvergunning aanvragen. De overheid kan dit niet. De stand
                    van de techniek, de inzichten en kennis omtrent brandveilig gebruik kunnen
                    wijzigen. Dan is het goed dat de overheid de bevoegdheid heeft een vergunning te
                    wijzigen of aan te vullen. </al><al>Uit praktische overwegingen is gekozen voor een systeem, waarbij niet telkens
                    bij wijziging van het gebruik of wijziging van het bouwwerk een zgn.
                    wijzigingsvergunning nodig is. In geval van een dergelijke verandering moet een
                    nieuwe vergunning worden aangevraagd en wordt de hele situatie beoordeeld. Het
                    werk dat is verbonden aan een wijzigingsvergunning is vrijwel gelijk aan het
                    afgeven van een nieuwe vergunning.</al><al>Het onderhavige vergunningstelsel in de Model-bouwverordening impliceert het
                    onbeperkt geldig zijn van een gebruiksvergunning, zolang althans het
                    gemeentelijk preventiebeleid en de wijze van gebruik van een bouwwerk niet
                    veranderen. Tevens past het in de systematiek van de Model-bouwverorde¬ning dat
                    de tenaamstelling van een gebruiksvergunning desgevraagd zonder meer wordt
                    gewijzigd, indien de nieuwe vergunninghouder de wijze van gebruik van het
                    bouwwerk niet verandert. Er bestaan echter gemeentelijke bouwverordeningen
                    waarin de gebruiksvergunning een beperkte geldigheidsduur heeft en/of
                    persoonsgebonden is. In een dergelijke bouwverordening is de beperkte
                    geldigheidsduur in hoofdzaak bedoeld om in te kunnen spelen op het vaak
                    ongemeld, wijzigend gebruik ten gevolge van veranderingen in de bedrijfsvoering.
                    Aldus ontstaat er een redelijk evenwicht tussen de opbrengst van de legesheffing
                    bij een te hernieuwen aanvraag en de kosten voor handhaving, indien wordt
                    afgeweken van de voorwaarden in de eerder verleende gebruiksvergunning. </al><al>De persoonsgebondenheid van genoemde gebruiksvergunningen is in hoofdzaak
                    bedoeld om van gemeentewege de dynamiek van de wisselingen in de bedrijfsvoering
                    door nieuwe exploitanten in het desbetreffende bouwwerk onmiddellijk te kunnen
                    volgen. In het rapport-Alders (cafébrand Volendam, Nieuwjaar 2001) is een
                    aanbeveling opgenomen om te onderzoeken of het de voorkeur zou verdienen om
                    landelijk op persoonsgebonden gebruiksvergunningen met een beperkte
                    geldigheidsduur over te stappen.</al><al>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</al><al>Dit artikel is zoveel mogelijk afgestemd op de aanvraag bouwvergunning; zie het
                    Besluit indieningsvereisten. Het al dan niet afgeven van een gebruiksv¬ergunning
                    is een beschikking. Dat betekent dat er ingevolge artikel 4:1 van de Awb een
                    schriftelijke aanvraag moet worden ingediend bij burgemeester en wethouders. Dat
                    is immers ingevolge het eerste lid van artikel 6.1.1 het bevoegde
                    bestuursorgaan. Daarnaast stelt de Awb de eis dat de aanvraag moet worden
                    ondertekend (artikel 4:2 Awb). Dit moet gebeuren door de aanvrager of diens
                    gemachtigde (op grond van artikel 2:1 Awb is dit mogelijk). De bij de aanvraag
                    behorende bescheiden moeten ingevolge het zesde lid van artikel 6.1.2 tevens
                    worden ondertekend of gewaarmerkt.</al><al>Met betrekking tot het vierde lid, waarin het gebruik van de Nederlandse taal
                    verplicht is gesteld, wordt opgemerkt dat artikel 2:7 van de Algemene wet
                    bestuursrecht de mogelijkheid biedt om verzoeken gericht aan een bestuursorgaan
                    van een gemeente gelegen in de provincie Friesland in de Friese taal te
                    doen.</al><al>Het vijfde lid is nodig om voor bij elkaar behorende bouwwerken een vergunning
                    te kunnen aanvragen. Er bestaat dan ook aansluiting met de
                    (Model-)Brandbeveiligingsverordening. Meerdere bouwwerken op één terrein kunnen
                    samen één vergunningplichtig object vormen. Bij voorbeeld een gezinsvervangend
                    tehuis bestaande uit meerdere paviljoens. Een inrichting als daar bedoeld kan
                    bestaan uit meerdere bouwwerken op één terrein.</al><al>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</al><al>Incomplete aanvraag</al><al>Indien niet alle vereiste gegevens bij de aanvraag om een beschikking worden
                    ingediend, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet in behandeling te
                    nemen. Dit is geregeld in artikel 4:5 van de Awb. Daarbij geldt wel de eis dat
                    de aanvrager eerst in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door het
                    bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen Per 1 april 2007 is
                    artikel 47 van de Woningwet vervallen, waardoor de gebruiksvergunningsprocedure
                    evenals de bouwvergunningprocedure op het punt van het niet in behandeling nemen
                    van een onvolledige aanvraag om gebruiksvergunning geheel Awb-conform is
                    gemaakt. De door het bestuursorgaan te stellen termijn begint te lopen op het
                    moment dat het bestuursorgaan de uitnodiging om de aanvraag aan te vullen
                    verzendt. Een dergelijke mededeling is een beschikking in de zin van de
                    Awb.</al><al>Aangenomen moet worden dat de aanvrager de door het bestuursorgaan gestelde
                    termijn volledig kan benutten. Dit houdt in dat de aanvrager ook zijn aanvulling
                    in delen kan indienen. Van de aanvrager mag in geval van aanvulling in delen
                    worden verlangd dat hij aangeeft of en zo ja welke aanvullingen nog binnen de
                    gestelde termijn zullen volgen. Dit laat onverlet dat burgemeester en wethouders
                    de aanvrager er op kunnen wijzen dat de aanvulling niet voldoende is. Aan het
                    eind van de gestelde termijn moet echter de aanvraag volledig zijn
                    aangevuld.</al><al>Wordt de aanvraag niet of onvoldoende aangevuld, dan kunnen burgemeester en
                    wethouders besluiten de aanvraag niet te behandelen. Een dergelijk besluit moet
                    ingevolge het vierde lid van artikel 4:5 Awb worden genomen binnen vier weken
                    nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, dan wel de gemeente
                    aan het eind van de gestelde termijn concludeert dat de aanvrager onvoldoende
                    gegevens heeft ingediend.</al><al>Beslistermijn gebruiksvergunning</al><al>Op grond van artikel 6.1.4, lid 1 (Model-)bouwverordening dient op een aanvraag
                    om gebruiksvergunning, binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag, te
                    worden beslist (een en ander in overeenstemming met de hoofdregel van artikel
                    4:13 Awb).</al><al>Indien burgemeester en wethouders verzoeken om aanvulling wordt ingevolge de
                    regeling van artikel 4:15 Awb de beslistermijn voor de aanvraag om
                    gebruiksvergunning opgeschort. De opschorting van de termijn gaat in op de dag
                    waarop het bestuursorgaan de uitnodiging om de aanvraag aan te vullen verzendt
                    en eindigt op de dag waarop de aanvraag volledig is aangevuld of de daarvoor
                    gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Hierdoor wordt de beslistermijn op de
                    aanvraag dus verlengd.</al><al>Als ezelsbruggetje kan dienen dat de periode gedurende welke de termijn is
                    opgeschort, opgeteld moet worden bij de beslistermijn op de aanvraag. Wordt een
                    aanvraag om gebruiksvergunning (beslistermijn: twaalf weken) opgeschort voor een
                    periode van bijvoorbeeld acht dagen (de tijd die loopt vanaf de verzending van
                    de uitnodiging door burgemeester en wethouders om nadere gegevens in te dienen
                    tot aan de dag van het daadwerkelijk indienen van die gegevens door de
                    aanvrager), dan wordt de beslistermijn twaalf weken plus acht dagen. </al><al>Opvallend is dat artikel 4:5, lid 4 Awb spreekt van 'nadat' en 4:15 spreekt van
                    'tot'. Dit betekent dat de beslistermijn op de aanvraag gaat lopen op de laatste
                    dag van de gestelde termijn of op de dag dat voldoende gegevens zijn ingediend,
                    terwijl de beslistermijn om de aanvraag niet in behandeling te nemen gaat lopen
                    op de dag na het verstrijken van de gestelde termijn.</al><al>Op grond van artikel 3:40 jo 3:41 Awb moet de beslissing op de aanvraag op de
                    laatste dag van de termijn worden verzonden of uitgereikt. Zie ook de uitspraak
                    van de Vz. ARRS van 3 juni 1993, AB 1993, 538, m.nt. PvB, BR 1993, p. 604, m.nt.
                    Weerkamp.</al><al>Voor de berekening van de termijnen is artikel 145 Gemeentewet jo de Algemene
                    termijnenwet (wet van 25 juli 1964, Stb. 314) van belang. Op grond van artikel
                    4, sub a geldt deze wet niet voor termijnen van meer dan 12 weken.</al><al>Voorbeelden</al><al>Om deze ingewikkelde materie te verduidelijken, volgt hieronder een aantal
                    voorbeelden, waarbij is uitgegaan van een niet-schrikkeljaar:</al><al>Voorbeeld 1:</al><al>De aanvraag om gebruiksvergunning wordt ingediend op 3 januari. De termijn
                    begint te lopen op de dag van ontvangst van de aanvraag 3 januari en eindigt op
                    28 maart, waarbij de laatste dag dat de beslissing ter kennis kan worden
                    gebracht van de aanvrager 27 maart is. Op 10 januari constateren burgemeester en
                    wethouders dat de aanvraag niet compleet is. Nog diezelfde dag wordt de
                    aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte gebracht, en wordt hij in de
                    gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens in te dienen. De beslistermijn van
                    de gebruiksvergunning van twaalf weken (artikel 6.1.4, lid 1) wordt opgeschort
                    ingevolge artikel 4:15 van de Awb. Stel voor het indienen van de ontbrekende
                    gegevens heeft de aanvrager ingevolge artikel 6.1.3 vier weken. De laatste dag
                    dat de aanvrager de ontbrekende gegevens kan indienen is op 6 februari. Op 20
                    januari worden alle ontbrekende gegevens ingediend. De termijn is dus 10 dagen
                    opgeschort geweest, te weten van 10 januari tot en met 19 januari. De
                    beslistermijn begint op 20 januari weer te lopen. Bij de termijn van twaalf
                    weken worden dus tien dagen opgeteld. De beslissing moet derhalve uiterlijk op 6
                    april worden verzonden of uitgereikt.</al><al>Voorbeeld 2:</al><al>Ook hier wordt op 3 januari een aanvraag ingediend, waarvan op 10 januari wordt
                    geconstateerd dat deze niet compleet is. Wederom wordt op dezelfde dag de
                    aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte gebracht, met het verzoek de
                    aanvraag aan te vullen. De beslistermijn van de gebruiksvergunning van twaalf
                    weken (artikel 6.1.4, lid 1 (Model)bouwverordening) wordt opgeschort ingevolge
                    artikel 4:15 van de Awb. De gestelde termijn als bedoeld in artikel 6.1.3
                    verstrijkt echter zonder dat er nadere gegevens worden overgelegd. Na het
                    verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 6.1.3 begint de beslistermijn
                    op de aanvraag om gebruiksvergunning weer te lopen. De termijn is dus 27 dagen
                    opgeschort geweest, te weten van 10 januari tot en met 6 februari. De
                    beslistermijn begint dus weer te lopen op 7 februari.</al><al>Burgemeester en wethouders hebben nu de bevoegdheid om te besluiten de aanvraag
                    niet in behandeling te nemen. Deze bevoegdheid kan worden ontleend aan artikel
                    4:5, lid 1, van de Awb. Het vierde lid van dit artikel eist wel dat burgemeester
                    en wethouders dit besluit aan de aanvrager bekendmaken binnen vier weken nadat
                    de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
                    verstreken. In casu begint deze termijn te lopen op 7 februari en moet het
                    besluit tot het niet in behandeling nemen dus uiterlijk op 6 maart worden
                    verzonden of uitgereikt. Gebeurt dat niet, dan moet uiterlijk op 24 april de
                    beslissing op de aanvraag worden verzonden of uitgereikt. Dit is de termijn van
                    twaalf weken, verlengd met 27 dagen.</al><al>De gebruiksvergunning kan niet eerder worden verleend </al><al>dan de bouwvergunning</al><al>De verschillen in procedure van de behandeling van een aanvraag om
                    bouwvergunning en van een aanvraag om een gebruiksvergunning zouden ertoe kunnen
                    leiden dat de gebruiksvergunning eerder wordt verleend dan de bouwvergunning. </al><al>Omdat dit ongewenst wordt geacht is in de volgende artikelen een regeling
                    opgenomen die verhindert dat de gebruiksvergunning eerder wordt verleend dan de
                    bouwvergunning, uiteraard voor zover beide vergunningen zijn vereist. Artikel
                    6.1.4, derde lid, bepaalt dat de beslissing over de gebruiksvergunning wordt
                    aangehouden zolang niet is beslist over de bouwvergunning. En artikel 6.1.5
                    noemt onder letter b als weigeringgrond voor de gebruiksvergunning de
                    omstandigheid dat de bouwvergunning is geweigerd.</al><al>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</al><al>Ingevolge het eerste lid moeten burgemeester en wethouders binnen twaalf weken
                    na ontvangst van de aanvraag een beslissing nemen op de aanvraag. Indien
                    toepassing is gegeven aan artikel 6.1.3 betekent dat, dat de termijn wordt
                    opgeschort. Zie hierover de toelichting bij artikel 6.1.3.</al><al>Het derde lid is gewenst ten einde te voorkomen dat voor een te bouwen bouwwerk
                    eerst een gebruiksvergunning wordt afgegeven en vervolgens de bouwvergunning
                    wordt geweigerd, dan wel dat een gebruiksvergunning wordt afgegeven als nog niet
                    aan een besluit tot toepassing van bestuursdwang of opleggen van een dwangsom
                    dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet is voldaan. Het
                    spreekt vanzelf dat het hier gaat om een handhavingsbesluit dan wel een besluit
                    ingevolge artikel 13 van de Woningwet met betrekking tot de brandveiligheid.
                    Voor de overzichtelijkheid is een splitsing gemaakt in a en b. De duur van de
                    aanhouding is niet aan een maximum gebonden. Met betrekking tot de
                    bouwvergunning kan worden gesteld dat de aanvrager het in zijn eigen macht heeft
                    tijdig een bouwvergunning aan te vragen. Een handhavingsbesluit dan wel een
                    besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet komt evenwel van de zijde van de
                    gemeente. De aanvrager heeft geen invloed op het tijdstip wanneer hij een
                    handhavingsbesluit dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet
                    krijgt. Daarom is bepaald dat binnen twaalf weken - de termijn vermeld in het
                    eerste lid - een handhavingsbesluit dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van
                    de Woningwet door burgemeester en wethouders moet zijn verzonden.</al><al>Voor zover dit lid kan worden aangemerkt als een coördinatiebepaling, geldt dit
                    alleen voor de termijn van beslissing en niet voor de inhoud van de beide
                    vergunningen. Inhoudelijke afstemming van vergunningen kan wenselijk zijn, doch
                    dient per gemeente te worden geregeld. Het gaat dan om een
                    internorganisatorische afspraak.</al><al>De termijn van zes weken uit het vierde lid is opgenomen in verband met
                    mogelijke bezwaarschriften die kunnen worden ingediend tegen de verleende
                    vergunning. De Awb stelt in artikel 6:7 de termijn voor het indienen van een
                    bezwaarschrift op zes weken.</al><al>Vanaf 1 april 2007 zijn de specifieke aanschrijfbevoegdheden van de Woningwet
                    vervallen. Het gevolg daarvan is dat het niet naleven van de voorschriften van
                    het Bouwbesluit 2003 en de bouwverordening een overtreding vormt waartegen
                    direct met toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom
                    kan worden opgetreden, zonder dat daartoe nog een specifieke aanschrijving
                    vereist is. Voor wat betreft de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 gaat deze
                    systematiek vanaf genoemde datum voor alle gevallen gelden (artikel 1b
                    Woningwet), voor de bouwverordening wordt dezelfde systematiek geïntroduceerd in
                    de vorm van artikel 7b Woningwet. Deze vereenvoudiging houdt in dat burgemeester
                    en wethouders, om de naleving van genoemde regelgeving af te dwingen, niet
                    langer gebruik hoeven te maken van een bijzondere aanschrijfbevoegdheid alvorens
                    tot de toepassing van bestuursdwang of de oplegging van een last onder dwangsom
                    over te kunnen gaan. In de nieuwe systematiek zal bij het niet voldoen aan
                    genoemde regelgeving sprake zijn van een overtreding waartegen direct met de
                    generieke handhavingsbevoegdheid van artikel 125 van de Gemeentewet in samenhang
                    met de artikelen 5:21 en volgende of de artikelen 5:32 en volgende van de Awb
                    kan worden opgetreden. Met deze bevoegdheid kan worden afgedwongen dat het
                    bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of standplaats gaat voldoen
                    aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2003, dat het gebruik ervan
                    of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in overeenstemming is met
                    de bouwverordening.</al><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient
                    vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003 dan wel de bouwverordening, het bouwen of de staat van een
                    gebouw, ander bouwwerk of standplaats in strijd is en met welke voorzieningen
                    het bouwen of de staat van dat gebouw, ander bouwwerk of die standplaats weer in
                    overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de
                    gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig
                    artikel 5:24, vierde lid, van de Awb de toepassing van bestuursdwang voorkomen
                    dan wel overeenkomstig artikel 5:32, vijfde lid van de Awb het verbeuren van een
                    dwangsom voorkomen. Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen
                    open die de Awb in samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar,
                    beroep, hoger beroep en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening
                    te vragen.</al><al>In artikel 14a van de Woningwet wordt –evenals dat het geval was in het
                    vervallen artikel 21 Woningwet (oud)- bepaald dat degene tot wie een
                    handhavingsbesluit is gericht of zijn rechtsopvolger en iedere verdere
                    rechtsopvolger, verplicht is daaraan te voldoen. Artikel 5:24 Awb bepaalt dat in
                    spoedeisende gevallen, bijvoorbeeld bij brandgevaar, de uitvoering van het
                    besluit tot toepassing van bestuursdwang direct ter hand kan worden genomen.
                    Toch kan voor het realiseren van de in het handhavingsbesluit verlangde
                    bouwkundige voorzieningen enige tijd nodig zijn. In het handhavingsbesluit wordt
                    daartoe een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbende zelf in staat wordt
                    gesteld de overtreding te beëindigen. Indien het handhavingsbesluit betrekking
                    heeft op een bouwwerk dat reeds in gebruik is, kan het nodig zijn –wegens
                    genoemd gevaar- tijdelijk het gebruik te beëindigen. In artikel 100d van de
                    Woningwet wordt daarin vanaf 1 april 2007 voorzien. Artikel 15 van de Woningwet
                    bepaalt dat een besluit als bedoeld in artikel 13 van de Woningwet gelijktijdig
                    kan worden genomen met een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging
                    van een last onder dwangsom, gericht op naleving van het eerstgenoemde
                    besluit.</al><al>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</al><al>Er wordt op gewezen dat de weigeringgronden limitatief en dwingend ('moeten')
                    zijn geformuleerd.</al><al>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</al><al>Dit artikel is in overeenstemming gebracht met artikel 59 Woningwet. Niet
                    genoemd is in dit artikel het intrekken van een vergunning op verzoek van degene
                    op wiens naam de vergunning is gesteld. Een dergelijke bepaling is overbodig,
                    omdat op verzoek van de houder een vergunning altijd kan worden
                    ingetrokken.</al><al>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</al><al>De personen belast met de naleving van dit hoofdstuk zijn alle ambtenaren belast
                    met een algemene opsporingsbevoegdheid (politie), personen belast met het
                    toezicht op de hele bouwverordening (zie Woningwet), en personen die speciaal
                    zijn belast met het toezicht op dit hoofdstuk. Deze laatsten zullen veelal
                    brandweermensen zijn. </al><al>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                    brandgevaar</al><al>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</al><al>De hier bedoelde gebruikseisen hebben niet het karakter van
                    vergunningvoorschriften. De gebruikseisen hebben een directe werking, zogenoemde
                    directe normstelling. </al><al>In de bijlage vindt een nadere clausulering plaats naar omstandigheden. Bepaalde
                    eisen gelden derhalve slechts in bepaalde omstandigheden. De voorkeur voor
                    bijlagen in plaats van vermelding direct in de verordening berust hierop dat een
                    bijlage in kopie kan worden verstrekt aan iemand die een bouwwerk exploiteert en
                    daarmee nog eens kan worden gewezen op de voor hem of haar geldende eisen.</al><al>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al>In beginsel is het verboden een stof die in bijlage 5 is aangemerkt, aanwezig te
                    hebben in, op of nabij een bouwwerk. Hierop worden echter uitzonderingen
                    gemaakt. De uitzonderingen maken het mogelijk om deze stoffen in beperkte
                    voorraad aanwezig te hebben. Hierbij moet gedacht worden aan ‘huishoudelijk
                    gebruik’. De grenzen die in bijlage 5 zijn aangegeven zijn afgestemd op de
                    ondergrenzen die in de Wet Milieubeheer worden gesteld.</al><al>De aanwezige stoffen moeten volgens de aanwijzingen op de verpakking worden
                    gebruikt en mogen uitsluitend op de in bijlage 5 aangegeven wijze worden
                    opgeslagen.</al><al>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</al><al>Vervallen</al><al>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                    brand</al><al>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</al><al>Brandbeveiligingsvoorzieningen en vluchtroutes moeten altijd voor onmiddellijk
                    gebruik beschikbaar zijn. Het is verboden om het gebruik van deze
                    brandbeveiligingsvoorzieningen te belemmeren. De als Nederlandse norm aanvaarde
                    Europese norm NEN-EN 671-1 ‘Vaste brandblusinstallaties – brandslangsystemen –
                    deel 1: Brandslanghaspels met vormvaste slang’ geeft richtlijnen zodat het
                    efficiënt gebruik van brandslangsystemen is gegarandeerd.</al><al>In hoofdstuk 8 van deze norm worden eisen gesteld aan de kasten waarin
                    brandslanghaspels opgehangen kunnen worden. Volgens NEN-EN 671-1 is het
                    toegestaan brandslanghaspelkasten te voorzien van een deur en een slot. Het
                    toepassen van een slot is uitsluitend toegestaan wanneer er op de kast een
                    breekruitje is aangebracht waarmee de kast kan worden geopend. Wanneer het
                    breekruitje wordt ingedrukt, mogen er geen scherpe randen aanwezig zijn waardoor
                    mensen zich kunnen bezeren. Om in geval van controle en onderhoud de kast te
                    kunnen openen, moet het slot met een sleutel geopend kunnen worden, zodat het
                    breekruitje niet steeds vervangen hoeft te worden. Handbrandmelders en
                    automatische brandmelders mogen niet zodanig afgeschermd worden dat de goede
                    werking wordt belemmerd.</al><al>Alle voorzieningen voor ontvluchting en redding van personen en dieren moeten
                    onmiddellijk beschikbaar zijn.</al><al>De opsomming van genoemde voorbeelden is oneindig.</al><al>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al>Artikel 6.4.1 geeft aan dat de volgende situaties verboden zijn:</al><al>• Het plaatsen van voorwerpen of voertuigen in de gemeenschappelijke
                    trappenhuizen van tot bewoning bestemde gebouwen; </al><al>• Veroorzaken van brandgevaar door het opslaan van brandbaar materiaal;</al><al>• Veroorzaken van brandgevaar door het toepassen van bekleding, stoffering en
                    versiering. In de toelichting bij artikel 2 van bijlage 4 wordt een handvat
                    gegeven ten aanzien van brandveilig gebruik van bekleding, stoffering en
                    versiering. Deze moet ten minste voldoen aan de eisen ten aanzien van de brand-
                    en rookklassen zoals gesteld in het Bouwbesluit 2003 die op die locatie gelden
                    voor constructieonderdelen. Afhankelijk van de aard en de situatie kunnen aan de
                    bekleding, stoffering en versiering hogere eisen worden gesteld door
                    burgemeester en wethouders.</al><al>• Het op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze verspreiden van
                    vonken en roet ten gevolge van zogenaamde allesbranders, open haarden en
                    barbecues;</al><al>• Het zodanig verrichten of doen verrichten van onderhouds-, herstellings-,
                    wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling
                    bouwbesluit 2003, of gereedschappen worden gebruikt, dat het gebruik aanleiding
                    kan geven tot het ontstaan van brand.</al><al>• Het belemmeren van het gebruik van vluchtmogelijkheden. Dit betekent dat de
                    volgende voorzieningen noodzakelijk zijn:</al><al>o wanneer gordijnen in of voor een ingang, doorgang, uitgang en nooduitgang e.d.
                    zodanig zijn aangebracht, moeten deze met de deuren meedraaien en nooit het
                    openen van de deuren belemmeren en/of verhinderen;</al><al>o kabels en snoeren die over de vloer lopen, worden met goede plakstrips
                    vastgeplakt en wel zodanig dat struikelen en/of vallen wordt voorkomen; </al><al>o indien er sprake is van rookvorming, veroorzaakt door bijvoorbeeld een
                    rookapparaat of koudijs of op andere wijze gemaakt, verhindert dit nooit een
                    snelle ontruiming;</al><al>o vloer- en trapbedekkingen worden zodanig aangebracht dat zij niet kunnen
                    verschuiven, omkrullen of oprollen. Vloer- en trapbedekkingen veroorzaken nooit
                    gevaar voor uitglijden, struikelen of vallen;</al><al>o obstakels in een vluchtroute zijn niet toegestaan; </al><al>o vluchtroutes moeten voldoende stroef zijn. Dit wil zeggen dat er geen kans
                    bestaat dat mensen uitglijden. Gladheid als gevolg van regenval moet voorkomen
                    worden en de vluchtroute moet vrijgehouden worden van sneeuw en ijs.</al><al>Daarnaast moet de volgende maatregelen genomen worden om brandgevaar te
                    voorkomen:</al><al>• In het bouwwerk mogen geen verwarmingstoestellen met afvoergelegenheid voor
                    rookgassen aanwezig zijn zonder dat deze op een rookkanaal zijn
                    aangesloten;</al><al>• Tijdelijke gasinstallaties mogen maximaal 10 meter vanaf een niet vast
                    opgesteld verbruikstoestel worden geplaatst. Indien de verbinding door middel
                    van een slang plaatsvindt, dan moet dit een KIWA goedgekeurde slang zijn. De
                    slang moet met deugdelijke slangklemmen op de slangpilaren bevestigd zijn;</al><al>• De opstelling van een kooktoestel moet brandveilig zijn;</al><al>• Kaarsen moeten op stabiele en degelijke, niet gemakkelijk ontvlambare,
                    standaards zijn vastgezet;</al><al>• Afval moet dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde goed af te sluiten
                    containers van moeilijk brandbaar materiaal, voorzover de containers binnen het
                    bouwwerk zijn opgesteld;</al><al>• Asbakken moeten regelmatig, maar ten minste dagelijks, worden geleegd in
                    afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal. De inhoud van deze
                    asverzamelaars mag slechts in onbrandbare vaten, die van een deksel zijn
                    voorzien, worden gedeponeerd; </al><al>• Voor iedere voorstelling moet de ruimte onder de tribunes van papier en ander
                    afval zijn ontdaan;</al><al>• Decorstukken mogen niet onder het brandscherm doorgebouw worden;</al><al>• Het brandscherm mag tijdens de aanwezigheid van publiek in de zaal alléén
                    geopend zijn, indien er een door de commandant van de brandweer erkende
                    theaterwacht bij het bedieningsmechanisme aanwezig is;</al><al>• Het gebruik van vuurwerk in een gebouw is verboden;</al><al>• Het gebruik van open vuur in een gebouw is verboden.</al><al>De lijst met genoemde voorbeelden is niet limitatief. Er zijn meerdere
                    voorbeelden te bedenken.</al><al>7.Overige gebruiksbepalingen</al><al>Algemeen</al><al>De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening voorschriften
                    bevat over het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens, andere gebouwen,
                    bouwwerken geen gebouw zijnde, en standplaatsen. De wet noemt onderwerpen die in
                    elk geval moeten worden geregeld. Daarnaast mogen dus ook andere onderwerpen in
                    de bouwverordening worden geregeld over het gebruik. Het brandveilig gebruik,
                    genoemd in de opsomming van artikel 8 Woningwet, is opgenomen als hoofdstuk 6
                    van deze verordening. De overige gebruiksbepalingen staan in dit hoofdstuk.</al><al>Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</al><al>Artikelen 7.1.1 en 7.1.2 Overbevolking van woningen, woonwagens en
                    woonketen</al><al>Deze artikelen berusten op artikel 8, tweede lid, sub a5, van de Woningwet. Zij
                    zijn bedoeld om in uitzonderlijke gevallen waarin vooral de hygiëne dit vereist,
                    van gemeentewege een handhavingsbesluit te kunnen nemen tot een gedwongen
                    beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te realiseren
                    binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde doel van het kunnen
                    optreden tegen excessen brengt met zich mee dat de normstelling uit het
                    onderhavige voorschrift principieel ongeschikt is om te beoordelen, of een
                    woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een bepaald aantal
                    bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan het onderhavige
                    voorschrift voor het opstellen van een regeling op het gebied van de
                    woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid van huisvesting ten
                    behoeve van gezins-/relatiehereniging e.d., ware de normstelling 1,5 à 2 maal zo
                    zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van de overbevolking te
                    balanceren.</al><al>Overigens kunnen lokale omstandigheden voor een gemeenteraad aanleiding vormen
                    tot het opnemen van een afwijkende normstelling in zijn bouwverordening. Artikel
                    7.1.1 zou bij voorbeeld ook als volgt kunnen luiden:</al><al>'Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt
                    bewoond door meer dan één persoon per 9 m2 gebruiksoppervlakte, met dien
                    verstande dat voor de eerste persoon van het totale aantal bewoners ten minste
                    12 m2 gebruiksoppervlakte aanwezig dient te zijn.'</al><al>Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende het binnentreden van
                    woningen door toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving van deze artikelen
                    in het algemeen geschieden naar aanleiding van ontvangen klachten of anderszins
                    gerezen vermoedens van overtreding. Voor permanent bewoonde
                    kamerverhuurbedrijven, asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger toezicht
                    wenselijk en mogelijk. Overigens moet voor de wat grotere woongebouwen die geen
                    gewone één- en meergezinshuizen zijn, afhankelijk van het aantal aanwezige
                    personen worden beschikt over een vergunning op grond van artikel 6.1.1 van deze
                    bouwverordening ('vergunning brandveilig gebruik')</al><al>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                    gebruiksmogelijkheden van gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden. Het
                    niet baseren van de normstelling op het gebruik van stapelbedden is mede
                    ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit over de
                    minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een
                    eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het Bouwbesluit
                    blijkt 5 m2 netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in grotere
                    verblijfsruimten circa 4,5 m2. Bovendien is de normstelling zo gekozen, dat in
                    principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan verblijfsruimten,
                    respectievelijk in gemeenschappelijke ruimten.</al><al>Zie voor het begrip 'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1.</al><al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen</al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                    gebruiksmogelijkheden van stapelbedden. Overigens is de lagere getalwaarde in
                    dit artikel ten opzichte van het vorige artikel vergelijkbaar met het verschil
                    in getalwaarde tussen artikel 4.25 en artikel 4.30 van het Bouwbesluit.</al><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</al><al>Artikelen 7.2.1, 7.2.2 en 7.2.3 Verbod tot gebruik en staken van gebruik</al><al>Aanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de
                    Woningwet 1991 is het voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen tot
                    het gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van het gebruik.
                    Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het gebruik van
                    een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een verbod gesteld
                    worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een bouwvallig bouwwerk is
                    gelegen.</al><al>Het staken van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in de
                    artikelen 7.2.2 en 7.2.3 is afhankelijk gesteld van een beschikking van
                    burgemeester en wethouders. De mededeling als bedoeld in artikel 7.2.1 is te
                    beschouwen als een mededeling van feitelijke aard.</al><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al>Artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in
                    afwijking van de bestemming</al><al>Reden tot vervallen van artikel 7.3.1</al><al>Op 11 februari 1993 heeft de voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad
                    van State een waarschuwing tot het toepassen van bestuursdwang wegens
                    overtreding van artikel 7.3.1 geschorst, omdat naar het oordeel van de
                    voorzitter artikel 8 van de Woningwet geen grond biedt voor een dergelijke
                    bepaling.</al><al>De tekst van artikel 7.3.1 was gelijk aan de tekst van artikel 352 MBV.</al><al>Artikel 352 was gebaseerd op artikel 168 van de gemeentewet. De Woningwet van
                    1991 geeft in artikel 8 een limitatieve opsomming van in de bouwverordening te
                    regelen onderwerpen. Dit betekent dat er in de bouwverordening geen plaats meer
                    is voor een op artikel 168 gemeentewet gebaseerde bepaling. De opvolger van
                    artikel 352 MBV moest dus worden ondergebracht bij de opsomming van artikel 8
                    van de Woningwet.</al><al>De Voorzitter van de Afdeling rechtspraak kwam in vorengenoemde uitspraak tot
                    het oordeel dat de Woningwet van 1991 geen grondslag biedt voor een
                    gebruiksvoorschrift als opgenomen in artikel 7.3.1. Hierdoor mist artikel 7.3.1
                    verbindende kracht. De mogelijkheid om de ondeugdelijke grondslag te repareren
                    sluit de voorzitter in de uitspraak nadrukkelijk uit. Overeenkomstig eerdere
                    jurisprudentie wordt uitgesloten dat een eenmaal ingetrokken artikel 352 MBV
                    opnieuw wordt vastgesteld. In de onderhavige casus had de gemeente bij invoering
                    van de nieuwe bouwverordening de oude bouwverordening en dus ook artikel 352
                    ingetrokken.</al><al>Hoewel de uitspraak op één gemeente betrekking heeft, strekt de betekenis van
                    een onverbindendverklaring zich uit over alle gemeenten met een identieke
                    bepaling. Nu gebleken is dat er geen bodemprocedure loopt en derhalve in deze
                    kwestie geen uitspraak van de Afdeling rechtspraak volgt, heeft het materieel
                    geen waarde artikel 7.3.1 te handhaven. Bij een formele benadering kan als
                    nadeel worden genoemd dat door te schrappen een andere mogelijk andersluidende
                    uitspraak wordt voorkomen. Er bestaan geen aanwijzingen dat in de toekomst een
                    ander oordeel is te verwachten. Derhalve is artikel 7.3.1 geschrapt.</al><al>Vooralsnog mag worden aangenomen dat in de gemeenten waar artikel 352 MBV niet
                    is ingetrokken, dit artikel de rechtskracht heeft behouden en herleeft op het
                    moment dat artikel 7.3.1 onverbindend moet worden geacht of is ingetrokken.</al><al>Omdat in een aantal gemeenten artikel 352 MBV nog bestaat volgt hierna de
                    toelichting die daarop betrekking heeft.</al><al>Artikel 352 MBV 1965</al><al>Dit artikel vormt gedurende de tijd dat de bedoelde bestemmingsplannen nog niet
                    zijn aangepast aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een noodzakelijk
                    complement op de artikelen 10 en 12 van die wet.</al><al>Deze artikelen bepalen namelijk, dat bij een bestemmingsplan regelingen, c.q.
                    voorlopige regelingen, mogen worden gegeven omtrent het gebruik van de in het
                    plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. In de toekomst kan
                    het gebruik van gronden en opstallen zo nodig in een bestemmingsplan worden
                    geregeld. De bouwverordening geeft dus als het ware een overgangsregeling.
                    Indien een plan of voorschriften, als in de aanhef van het eerste lid bedoeld,
                    in overeenstemming worden gebracht met de Wet op de Ruimtelijke Ordening, treedt
                    voor het gebied, dat in dat plan is begrepen, artikel 352 buiten werking. De
                    aanpassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening moet ingevolge de Overgangswet
                    binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van laatstbedoelde wet geschieden. Nog
                    steeds zijn niet alle bestemmingsplannen aangepast, zodat deze overgangsregeling
                    vooralsnog nodig blijft.</al><al>Dit artikel houdt uitsluitend voorschriften in over ander gebruik dan bouwen en
                    kan daarom geen grond zijn voor het weigeren van een bouwvergunning.</al><al>Artikel 7.3.2 Hinder</al><al>De strekking van dit artikel is gelijk aan artikel 367 MBV 1965.</al><al>Het oude artikel was gebaseerd op de gemeentewet, terwijl artikel 7.3.2 is
                    gebaseerd op de Woningwet en per 1 april 2007 rechtstreeks handhaafbaar op grond
                    van de Woningwet dus mogelijk maakt.</al><al>Dit artikel betreft, voor zover het een regeling bevat ter voorkoming van
                    schade, hinder of overlast, een materie die eventueel ook in een algemene
                    plaatselijke verordening (APV) kan worden geregeld. Voor zover zij in een APV is
                    geregeld, dient dezelfde bepaling uiteraard niet in de bouwverordening te worden
                    opgenomen. Bijna onvermijdelijk blijkt een zekere overlapping van het
                    onderhavige artikel en een enigszins vergelijkbaar artikel in de Model-APV (art.
                    4.4.1). Gelet op doel en strekking van de bouwverordening zal artikel 7.3.2
                    voornamelijk toepassing kunnen vinden als er een relatie kan worden gelegd met
                    bouwen of bouwwerken. Voor open erven en terreinen niet direct behorende tot een
                    bouwwerk zal eerder de APV van toepassing zijn. Daar bepaalde voor de omgeving
                    hinder veroorzakende activiteiten direct zijn verbonden met hetgeen in, op, aan
                    of nabij een bouwwerk gebeurt is dit artikel in de bouwverordening nodig.</al><al>Voor zover het hinder in verband met de brandveiligheid betreft, ware in plaats
                    van artikel 7.3.2 toe te passen artikel 6.4.1. Artikel 7.3.2 kan onder meer
                    worden toegepast in de volgende gevallen: het plaatsen van voorwerpen of
                    voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen van tot bewoning bestemde
                    gebouwen, lawaaihinder (bij voorbeeld door radio- en televisietoestellen), het
                    veroorzaken van radio- en televisiestoringen, voor zover niet geregeld in andere
                    wettelijke voorschriften, het opslaan van stankverwekkende stoffen, het op
                    gevaarlijke wijze stapelen van materiaal (bij voorbeeld voor kinderen bereikbare
                    vaten die kunnen gaan rollen), het verwijderen van asbest bevattende materialen
                    of restanten hiervan die zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van
                    verspreiding van asbestvezels of -stof te vrezen valt. </al><al>Door weersinvloeden en door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende materialen
                    die zich aan de buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een erf of terrein
                    zijn opgeslagen zodanige verwering of slijtage vertonen dat de vezels
                    gemakkelijk losraken en door de wind worden verspreid. Deze asbestvezels vormen
                    een risico voor de gebruikers van het bouwwerk en het erf of terrein en de
                    aangrenzende percelen. Het Asbestverwijderingsbesluit ziet op de situatie van
                    sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage. Een
                    overtreding van het bouwbesluit is niet aanwezig of is onvoldoende aantoonbaar. </al><al>In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom worden gebaseerd op overtreding van
                    artikel 7.3.2 MBV juncto artikel 13 van de Woningwet.</al><al>Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit
                    artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om
                    maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en -stof te
                    rechtvaardigen.</al><al>Voor het bestrijden van geluidsoverlast is ingevolge het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer voor diverse inrichtingen die geluid produceren
                    een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer vereist.</al><al>Gelet op het gestelde onder de letter c geldt artikel 7.3.2 niet voor deze
                    vergunningplichtige inrichtingen.</al><al>Voor het bestrijden van geluidsoverlast afkomstig van horeca-inrichtingen geldt
                    het Besluit horecabedrijven milieubeheer. Voorschrift 2.12 van dit besluit stelt
                    dat de gemeenteraad bij verordening twaalf dagen (of dagdelen) aanwijst waarop
                    de voorschriften 2.1 tot en met 2.6 van het Besluit niet van toepassing zijn.
                    Ter uitvoering van deze plicht en in verband met de inwerkingtreding van de Wet
                    milieubeheer is de Model-APV herzien waarbij de burgemeester bevoegd is om voor
                    het houden van festiviteiten dagen of dagdelen aan te wijzen waarop
                    horeca-inrichtingen de voorschriften met betrekking tot geluid- en
                    trillinghinder niet hoeven na te leven. (Model-APV artikelen 4.1.1 tot en met
                    4.1.4). Het lijkt alleszins redelijk in de periode dat deze zogenaamde
                    twaalfdagenregeling geldt voor de geluidsoverlast afkomstig van
                    horeca-inrichtingen geen toepassing te geven aan artikel 7.3.2 van de
                    (Model-)bouwverordening.</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 7.4.1 Preventie</al><al>Dit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van
                    schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene reinheid.
                    Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van excessen. Voor de
                    duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze bepaling onmisbaar.</al><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1.</al><al>Paragraaf 5 Watergebruik</al><al>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</al><al>Het hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat burgemeester en wethouders
                    de beschikking hebben genomen. Zie de toelichting bij de artikelen 7.2.1 tot en
                    met 7.2.3.</al><al>Paragraaf 6 Installaties</al><al>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</al><al>In het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar of
                    de gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden en
                    gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een huurder, kan over
                    nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden aangemerkt als een
                    privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en
                    gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is, ligt
                    dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het onderhoud
                    en gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve installaties voor
                    portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische ventilatie, drukverhoging
                    in de waterleiding (hydrofoor) e.d.</al><al>Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te verrichten onderhoud aan
                    terreinrioleringen, inclusief pompen en putten, en op in de grond aangebrachte
                    opvang- en bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater.</al><al>N.B. Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de
                    veiligheidsaspecten van gewone personenliften, in principe geregeld in het
                    Besluit liften, dat op de Wet op de gevaarlijke werktuigen berust.</al><al>8.Slopen</al><al>Algemeen</al><al>Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8, tweede
                    lid, letter d, van de Woningwet, en van het Asbestverwijderings¬besluit 2005. In
                    dit hoofdstuk is een vergunningstelsel opgenomen voor het slopen. Aan de
                    vergunning kunnen voorschriften worden verbonden gericht op het specifieke
                    sloopproject. Het voornaamste motief voor een uitgebreide sloopregeling in de
                    bouwverordening is gelegen in een bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel
                    mogelijk hergebruiken van deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief
                    gericht op het bouwafval staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze
                    toelichting daarop verwijzen wij hier. Voordat werd gekozen voor het invoeren
                    van een nieuwe beschikking, de sloopvergunning, is overwogen of het mogelijk is
                    in de bouwverordening het selectief slopen, het scheiden en gescheiden afvoeren
                    afdoende te regelen in algemeen geldende eisen. Gelet op de huidige stand van
                    zaken en de toch zeer uiteenlopende sloopprojecten en locaties bleek dit niet
                    haalbaar. Bovendien is een sloopvergunning voor het verwijderen van asbest -
                    voor zover niet kan worden volstaan met een melding - in het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorgeschreven.</al><al>Asbest</al><al>In het Staatsblad van 17 juni 1993, nr. 290 is het Asbestverwijderingsbesluit
                    gepubliceerd. Dit besluit is opgevolgd door het Asbestverwijderingsbesluit 2005,
                    Stb. 2005, 704 van 27 december 2005 en is gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke
                    stoffen en op de Woningwet. Dit besluit bevat regels voor de verwijdering van
                    asbest bij het slopen van bouwwerken en het uit elkaar nemen van objecten. Het
                    besluit heeft voor zover het betreft het slopen van bouwwerken geen directe
                    werking voor de burger. Het besluit bevat een opdracht aan de gemeenteraad tot
                    regelgeving in de plaatselijke bouwverordening. De voorschriften van de
                    bouwverordening zijn bindend voor de burger.</al><al>Het laatstgenoemde besluit is in werking getreden op 1 maart 2006. Artikel 8,
                    negende lid, van de Woningwet bepaalt dat de gemeenteraad een jaar de tijd heeft
                    om dit deel van het besluit - in casu de artikelen 10 en 11 - in de
                    bouwverordening op te nemen en dus uiterlijk op 18 juni 1994 van kracht te doen
                    zijn.</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota van
                    toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een selectie uit
                    deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van de
                    bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te raadplegen,
                    in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m 32).</al><al>Incident</al><al>Het optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit), zoals
                    een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in geval van een
                    calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak
                    asbestbranden”.</al><al>Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak.</al><al>Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten die
                    tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een
                    asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met de
                    bij het incident passende spoed te gebeuren.</al><al>Certificering</al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>De instantie die zich bezig houdt met de certificering is: Stichting
                    Certificatie Asbest, Postbus 22, 6720 AA Bennekom e-mail: info@ascert.nl, fax:
                    0317-425725, website: www.ascert.nl.</al><al>Risicoklasse</al><al>Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                    arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in risicoklassen
                    ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van de arbo-regels.
                    Zij is niet aan de orde bij de sloopvergunning.</al><al>De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de
                    arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was meldingen te
                    doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd.</al><al>Intensivering van de handhaving</al><al>Langs verschillende kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de
                    handhaving van de sloopvoorschriften.</al><al>De VNG heeft in de ledenbrief over Ketenhandhaving asbest van 12 februari 2007,
                    Lbr. 07/07 aandacht gevraagd voor de handhaving van de voorschriften over
                    asbestverwijdering en de LOMprojecten over ketenhandhaving asbest.</al><al>De Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland publiceert in de eerste helft
                    van 2007 de “Handreiking slopen. Vergunningverlening, controle en handhaving”.
                    Deze handreiking staat ook op de site van deze vereniging:
                    www.vereniging-bwt.nl</al><al>Medio 2007 verschijnt over de uitvoering van de voorschriften over
                    asbestverwijdering de VROM publicatie Uitvoeringsmethodiek
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 (UM Asbest). Hieraan werken mee het ministerie
                    van VROM, de VROM-Inspectie, het ministerie van SZW / Arbeidsinspectie, Infomil,
                    de vereniging BWT Nederland, de VNG en het LOM.</al><al>Paragraaf 1 Sloopvergunning</al><al>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</al><al>De sloopvergunning is een beschikking. Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht
                    moet een dergelijke vergunning op schrift zijn gesteld. </al><al>De Woningwet en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische basis
                    voor de sloopvergunning. Tegen de beslissing tot het al dan niet verlenen van de
                    sloopvergunning is bezwaar en beroep mogelijk op grond van de Awb.</al><al>Lid 1</al><al>Het eisen van een vergunning heeft alleen zin wanneer deze controleerbaar en
                    handhaafbaar is. Voorts is het niet de bedoeling alle andere belangen, zonder
                    afwegingsmogelijkheid, ondergeschikt te maken aan het milieubelang. Veel van wat
                    behoort tot het normale onderhoud en het aanbrengen van veranderingen van
                    ondergeschikte betekenis behoeft niet te worden onderworpen aan een
                    sloopvergunning. Ook bij deze activiteiten ontstaat sloopafval.</al><al>Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt
                    afgevoerd. Daarom is voor de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen
                    asbest bevattend - minder dan 10 m3 - een algemene eis geformuleerd in artikel
                    8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve van niet-ingrijpende
                    interne verbouwingen.</al><al>Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op grond van dit artikel of
                    meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt daarom nooit onder de
                    vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1.</al><al>Lid 2</al><al>Een ondergrens van 10 m3 voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor zover het te
                    slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen met een
                    gangbare containermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat, omdat deze op de
                    sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter plekke niet te
                    controleren.</al><al>Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk net onder de 10
                    m3 komen is een te opvallende methode van ontduiking van de vergunningplicht om
                    kans van slagen te hebben. Mocht dit voorkomen dan is dit een overtreding wegens
                    het ontbreken van een sloopvergunning. Overigens verwachten wij deze ontduiking
                    niet, omdat puin afvoeren naar een puinbreker aanzienlijk minder kost dan
                    storten op een stortplaats.</al><al>Onder 10 m3 sloopafval wordt verstaan los gestort sloopafval.</al><al>Lid 3</al><al>Uit dit lid blijkt dat aan de sloopvergunning voorschriften kunnen worden
                    verbonden. Tevens beperkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan de
                    vergunning te verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en met d.
                    Het vierde lid geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het
                    scheiden en gescheiden houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere
                    detaillering. </al><al>Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de onderwerpen genoemd
                    in het derde en vierde lid van dit artikel.</al><al>Ad a en b De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen
                    bouwwerken</al><al>Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de artikelen 4.8
                    tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van overeenkomstige
                    toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein enz. staat wordt
                    uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. </al><al>De onderwerpen veiligheid op het bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en
                    veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder zijn als directe norm
                    geformuleerd. Dit betekent dat deze eisen ook gelden indien het
                    vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard behoeft datgene wat via deze
                    vantoepassingverklaring al van toepassing is, niet nogmaals als voorwaarde te
                    worden opgenomen in een sloopvergunning. Mede afhankelijk van de sloopmethode en
                    de bebouwing en aanwezigheid van mensen in de directe omgeving van het te slopen
                    bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld. Van veel belang is te bedenken dat
                    het hier gaat om de externe veiligheid. De veiligheid voor degenen die met de
                    sloopwerkzaamheden zijn belast behoort tot de sfeer van de arbeidsomstandigheden
                    en wordt beoordeeld door de Arbeidsinspectie. Een sloopveiligheidsplan wordt,
                    voor zover nodig, verlangd en ingediend bij de aanvraag om een sloopvergunning.
                    De regeling daarvoor staat in artikel 8.1.2, tweede lid.</al><al>Het is de aanvrager van de vergunning die de sloopmethode kiest. Pas wanneer de
                    gekozen methode leidt tot strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk, bij
                    voorbeeld over het selectief slopen, de veiligheid of het uitvoeren van
                    bodemonderzoek, worden aan de sloopvergunning voorschriften verbonden ter
                    voorkoming van deze strijdigheid.</al><al>Ad c Het scheiden en gescheiden afvoeren</al><al>Het is de houder van de vergunning die kiest naar welke bewerkings- of
                    verwerkingsinrichting wordt afgevoerd, c.q. aan welke inzamelaar of transporteur
                    het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen hierbij de voorschriften van de
                    sloopvergunning en andere regels, bij voorbeeld die over het vervoer van
                    gevaarlijk afval, in acht te worden genomen. In de praktijk komt dit erop neer
                    dat alleen mag worden samengewerkt met vergunninghoudende inzamelaars en
                    transporteurs voor het gevaarlijk afval en alleen mag worden toegeleverd aan
                    bewerkings- en verwerkingsi¬nrichtingen die beschikken over een vergunning
                    ingevolge de Wet milieubeheer. De voorschriften in de sloopvergunning mogen geen
                    'gedwongen winkelnering' inhouden, dus niet verplichten tot het afvoeren naar
                    bedrijf X, terwijl voor dat afval de bedrijven Y en Z ook vergunninghouder
                    zijn.</al><al>De fracties waarin moet worden gescheiden worden vermeld in de
                    vergunningvoorschriften. De keuze van de fracties hangt af van de hoeveelheid en
                    samenstelling van het te verwachten afval en van de acceptatievoorwaarden van in
                    de regio aanwezige bewerkings- en verwerkingsinrichtingen. Onder c is de meest
                    minimale scheiding vastgelegd die voortvloeit uit landelijke regelgeving.</al><al>Naast deze drie 'onvermijdelijke' fracties - gevaarlijke afvalstoffen, asbest en
                    overig afval - verdient het aanbeveling om ten minste de volgende fracties als
                    voorwaarde in de sloopvergunning op te nemen:</al><lijst><li nr="-"><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="-"><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="-"><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="-"><al>asfalt;</al></li><li nr="-"><al>dakgrind;</al></li><li nr="-"><al>glas (vlakglas) voorzover een inzamelstructuur beschikbaar is.</al></li></lijst><al>De opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer.</al><al>Wanneer de sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het
                    bepaalde in artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf en het bepaalde in artikel
                    5 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Een opdrachtgever doet er verstandig aan een sloopaannemer te kiezen die is
                    gekwalificeerd voor het soort sloopwerk dat wordt aanbesteed. Voor grotere
                    sloopwerken is dit vrijwel steeds een gespecialiseerd bedrijf. </al><al>Welke voorschriften, wanneer en waarvoor</al><al>Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een vergunning
                    worden opgenomen is afhankelijk van de gegevens over het te slopen bouwwerk en
                    de slooplocatie (welke soorten afval komen vrij en in welke hoeveelheden en
                    welke mogelijkheden zijn er voor het plaatsen van containers) en voorts van de
                    in de regio beschikbare verwijderingstructuren, waaronder bewerkings- en
                    verwerkingscapaciteit.</al><al>Er is voor gekozen geen indicatie te geven voor de verschillende
                    inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze sterk
                    regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn. Het
                    is daarom noodzakelijk dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van de
                    vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en regionale
                    verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al>Het is van belang dat voordat een aanvraag om sloopvergunning wordt getoetst de
                    hergebruikmogelijkheden bij de beoordelende gemeente bekend zijn. Hierbij moeten
                    de volgende aspecten worden nagegaan:</al><lijst><li nr="-"><al>wat kan worden hergebruikt;</al></li><li nr="-"><al>wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie;</al></li><li nr="-"><al>kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet;</al></li><li nr="-"><al>aan welke kwaliteit dient het herbruikbaar materiaal te voldoen;</al></li><li nr="-"><al>wat zijn de acceptatievoorwaarden van bewerkers, verwerkers, sorteerders
                            en inzamelaars.</al></li></lijst><al>Onderzoek</al><al>Voordat de aanvraag om sloopvergunning kan worden ingediend moeten de volgende
                    onderzoeken plaatsvinden:</al><lijst><li nr="-"><al>Onderzoek naar het doel, waarvoor het bouwwerk of het te slopen gedeelte
                            daarvan laatstelijk is gebruikt (MBV artikel 8.1.2, tweede lid, letter
                            f);</al></li><li nr="-"><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te
                            slopen bouwwerk of een te slopen gedeelte daarvan is verontreinigd met
                            gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische afvalstoffen) als bedoeld
                            in het BAGA, dient een onderzoek te worden ingesteld naar de
                            vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van dit
                            onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning worden gevoegd (MBV artikel
                            8.1.2, derde lid);</al></li><li nr="-"><al>Indien moet worden aangenomen dat in het te slopen bouwwerk asbest
                            aanwezig is, moeten overeenkomstig het gestelde in artikel 8.1.2,
                            daarover bij het indienen van een aanvraag om sloopvergunning gegevens
                            worden ingediend. Op grond van artikel 3 van het
                            Asbestverwijderingsbesluit 2005 geldt in het algemeen een
                            onderzoeksplicht naar de aanwezigheid van asbest door een deskundig, dat
                            wil zeggen daartoe gecertificeerd bedrijf.</al></li></lijst><al>Achterin deze toelichting is als bijlage 8 opgenomen een Keuzetabel voor de
                    vaststelling van deelstromen bij sloop. Deze keuzetabel biedt de houder van de
                    sloopvergunning een handreiking voor een verdergaande scheiding dan normaliter
                    in de voorwaarden van de sloopvergunning verplicht is gesteld om op de
                    slooplocatie uit te voeren. Uiteraard kan genoemde houder voor een verdergaande
                    scheiding zowel financiële als milieuhygiënische overwegingen in zijn
                    beschouwing betrekken. </al><al>Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen</al><al>Kunststoffen is een verzamelnaam voor uiteenlopende stoffen. Door de producenten
                    van kunststof gevelelementen (verenigd in de VKG) en de producenten van
                    kunststofleidingsystemen (verenigd in de FKS) zijn voor deze twee deelstromen
                    inzamel- en recyclingsystemen ontwikkeld.</al><al>De VKG heeft met het Ministerie van VROM op 19 januari 1993 een overeenkomst
                    gesloten over de inzameling en herverwerking van kunststof kozijnen, ramen en
                    deuren. Daartoe zal een stichting worden belast met het (doen) inzamelen en
                    herverwerken van alle aangeboden oude kunststof kozijnen, ramen en deuren.</al><al>De FKS heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                    volledige inzameling en het hergebruik van bij bouw en sloop vrijkomende
                    kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het systeem komt erop neer dat degene die
                    sloopt een container kan huren waarin de afval geworden kunststofleidingen
                    worden verzameld. Gestreefd wordt naar een gesloten ketenbeheer, functionerend
                    voor het gehele land. Andere kunststoffen dan hier genoemd kunnen niet worden
                    afgevoerd via met dit inzamelsysteem.</al><al>Andere inzamelsystemen</al><al>Andere inzamelsystemen die zijn opgezet door de leverancier van het product en
                    die erop zijn gericht de desbetreffende afvalstoffen weer geschikt te maken voor
                    hergebruik zijn die voor steenwol en glaswol (minerale wol) en voor aluminium.
                    De informatie over deze inzamelsystemen is te verkrijgen bij de leverancier en
                    bij de brancheorganisatie.</al><al>Ad d Gegevens die na de vergunningverlening worden ingediend</al><al>De gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het in behandeling nemen van
                    een aanvraag om sloopvergunning behoren te worden ingediend bij de aanvraag. De
                    artikelen 8.1.2 en 8.1.3 regelen dit. De naam en het adres van degene die met
                    het slopen zal worden belast - gewoonlijk de aannemer - zijn dikwijls nog niet
                    bekend ten tijde van het indienen van de aanvraag om sloopvergunning. Deze
                    gegevens spelen bovendien geen rol bij de beoordeling van het in behandeling
                    nemen.</al><al>In de sloopvergunning kan een voorwaarde worden opgenomen inhoudende dat
                    uiterlijk ... (bij voorbeeld twee) dagen voor de aanvang van de
                    sloopwerkzaamheden de naam en het adres van degene die met de sloopwerkzaamheden
                    is belast worden overgelegd aan burgemeester en wethouders of de directeur van
                    het (gemeentelijk) bouwtoezicht.</al><al>Het gebruik van een mobiele puinbreker</al><al>Het 'Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval' van 15 januari 2004, Stb. 2004,
                    25 bevat alle voorschriften ten aanzien van mobiele brekers en is in werking
                    getreden op 1 maart 2004.</al><al>Vanaf deze datum zijn de in enkele gemeentelijke bouwverordeningen nog bestaande
                    voorschriften over mobiele brekers van rechtswege vervallen. De hogere regeling
                    treedt in de plaats van de lagere regeling.</al><al>Onder bepaalde condities zoals voorgeschreven in genoemd besluit is het
                    toelaatbaar op de bouw- of slooplocatie dan wel in de directe nabijheid daarvan
                    een mobiele puinbreker op te stellen waar het steenachtige bouw- en sloopafval
                    wordt bewerkt, gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste drie
                    maanden. Het is verboden om met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te
                    bewerken dat afkomstig is van andere bouw- of slooplocaties dan die waarbij de
                    breker is opgesteld.</al><al>Interessant is de uitspraak ABRS 24 maart 2004, Gst. 7208, 90 m.nt. Nijmeijer en
                    Teunissen. Een (mobiele) puinbreekinstallatie is een bouwvergunning¬plichtig
                    bouwwerk. De binnenplanse vrijstelling afvalverwerking is hierop van toepassing. </al><al>Lid 4</al><al>Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het
                    derde lid waarover in de sloopvergunning voorschriften worden gesteld.
                    Afhankelijk van de specifieke kenmerken die gelden voor bepaalde fracties of
                    bepaalde handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk afval
                    zware eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag ervan. De
                    tweede zin verplicht burgemeester en wethouders over het afzonderlijk gereed
                    maken voor de afvoer van het sloopproject van asbest en de termijn waarbinnen
                    dit moet gebeuren een voorschrift in de vergunning op te nemen. Deze
                    verplichting staat in artikel 10, letter e, van het Asbest¬verwijderingsbesluit
                    2005.</al><al>Lid 5</al><al>Indien op grond van het zesde lid van artikel 45 van de Woningwet een tijdelijke
                    bouwvergunning voor een seizoengebonden bouwwerk, is verleend en daarin
                    voorschriften zijn opgenomen over het slopen van het tijdelijke bouwwerk –
                    meestal in de zin van het uit elkaar nemen en opslaan van de onderdelen van het
                    bouwwerk totdat het bouwwerk opnieuw wordt opgebouwd - is daarvoor geen
                    afzonderlijke sloopvergunning nodig. De tijdelijke bouwvergunning dient de
                    nodige voorschriften te bevatten voor het slopen van het bouwwerk. Uit de
                    Memorie van Toelichting bij de Woningwet blijkt dat met name gedacht wordt aan
                    strandpaviljoens, bouwwerken voor jaarlijks terugkerende evenementen e.d.</al><al>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</al><al>Het verlenen en het weigeren van een sloopvergunning is een besluit in de zin
                    van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Afdeling 3:4 van de Awb – de zogeheten
                    Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure (UOV) - is niet van toepassing op de
                    behandeling van een verzoek om sloopvergunning. Het lijkt niet zinvol, deze UOV
                    van toepassing te verklaren op de sloopvergunning. Aanvullend op de eisen die in
                    dit artikel zijn gesteld gelden de voorschriften van de Awb over het indienen
                    van verzoeken om besluiten, indienen door een gemachtigde enz.</al><al>Leden 1 en 2</al><al>Bepaald is wat moet worden ingediend om een sloopvergunning te kunnen
                    verkrijgen. Het bepaalde onder letter g is ingevoerd om coördinatie tussen
                    bouwvergunning en sloopvergunning mogelijk te maken. Zie voorts artikel 8.1.5,
                    tweede lid. </al><al>Ook wanneer een bouwvergunning is vereist en het bouwen tevens (gedeeltelijk)
                    slopen inhoudt is een sloopvergunning vereist. De bouwvergunning houdt derhalve
                    niet in dat mag worden gesloopt. Voor deze situatie van samenloop van twee
                    vergunningen is artikel 8.1.5, eerste lid, bedoeld. De aanvrager is niet
                    verplicht beide vergunningen gelijktijdig aan te vragen. Doet hij dit wel, dan
                    heeft dit voor hem (en overigens ook voor de gemeente) enige procedurele
                    voordelen.</al><al>De in te dienen gegevens over de aanwezigheid van asbest in een te slopen
                    bouwwerk en de plaatsen waar dit asbest zich bevindt dienen om een juist beeld
                    te krijgen van de verwijdering van asbest en om vast te stellen welke overige
                    bepalingen van de bouwverordening hierop van toepassing zijn. </al><al>Een asbestinventarisatierapport, waaruit blijkt waar het asbest zich bevindt,
                    opgesteld door een deskundig bedrijf, is verplicht. Een dergelijk rapport
                    behoeft niet te worden overgelegd indien een van de gevallen zich voordoet als
                    bedoeld in het derde of vierde lid.</al><al>Voor agrarische bedrijfsgebouwen zijn in het verleden op grote schaal
                    asbesthoudende bouwmaterialen toegepast, onder meer asbestcementgolfplaten als
                    dakbedekking. Tegenwoordig ontstaan er in de agrarische sector in verscheidene
                    streken van Nederland initiatieven tot projectmatige asbestverwijdering vanaf
                    een reeks agrarische bedrijfs¬gebouwen in de gemeente. Het verlenen van één
                    enkele zogenaamde paraplusloopvergunning voor het gehele
                    asbestverwijderingsproject is in dat geval minder omslachtig dan het verlenen
                    van individuele sloopvergunningen voor de verwijderingswerkzaamheden aan ieder
                    agrarisch bedrijfsgebouw afzonderlijk. Een dergelijke paraplusloop¬vergunning
                    behoeft niet op juridische bezwaren te stuiten, indien een nauwkeurige
                    plaatsaanduiding van alle agrarische bedrijfsgebouwen die in het kader van dat
                    asbestverwijderingsproject zullen worden aangepakt, wordt opgenomen in de
                    vergunningaanvraag. Aldus komen ook voor paraplusloopvergunningen tijdig en
                    volledig de gegevens beschikbaar die noodzakelijk zijn, omdat vergunningen
                    ingevolge de Algemene wet bestuursrecht vatbaar zijn voor bezwaar en beroep. Zie
                    voor een verdere toelichting op de consequenties van laatstgenoemde wet voor
                    sloopvergunningen de aanhef van de toelichting op het onderhavige artikel. </al><al>Een sloopveiligheidsplan als bedoeld onder letter i van het tweede lid is te
                    vergelijken met een bouwveiligheidsplan als bedoeld in artikel 1.2.5 onder a van
                    de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten en is slechts nodig in enkele
                    risicovolle sloopprojecten. Een dergelijk plan behoort zeker niet tot de
                    standaardbescheiden bij een aanvraag om sloopvergunning. In een overleg
                    voorafgaande aan het indienen van een aanvraag kan blijken of een dergelijk plan
                    nodig is. </al><al>De zinsnede 'en voorts, indien van toepassing' duidt erop dat slechts indien
                    door of namens burgemeester en wethouders het opstellen van een
                    sloopveiligheidsplan van toepassing is verklaard, aan deze plicht behoeft te
                    worden voldaan. Over het tijdstip waarop het plan wordt ingediend wordt verwezen
                    naar het eerste lid van artikel 8.1.3 en de Algemene wet bestuursrecht.</al><al>Lid 3</al><al>Algemeen</al><al>De aanvrager dient op het aanvraagformulier aan te geven dat hij vermoedt dat
                    het bouwwerk geen asbest bevat. Op grond van artikel 8.1.2, lid 3, wordt aan hem
                    de verplichting opgelegd om aan te tonen waarop deze verwachting is gebaseerd.
                    Op grond van diverse feiten of omstandigheden kan aannemelijk zijn dat er geen
                    asbest in het bouwwerk aanwezig is. Door het Ministerie van VROM, de
                    bouwpraktijk en de VNG zijn gevallen geïnventariseerd waarin de aanvrager van
                    een sloopvergunning kan aangeven dat hij vermoedt dat er geen sprake is van
                    verwijdering van asbest en op welke wijze dit ten genoegen van burgemeester en
                    wethouders moet worden aangetoond. Deze gevallen zijn opgesomd in het
                    onderhavige lid 3. Dit lid is een direct werkend voorschrift, waarop de indiener
                    van een verzoek om sloopvergunning zich kan beroepen door op het
                    aanvraagformulier aan te geven dat en waarom geen onderzoeksrapport is
                    bijgevoegd.</al><al>De gedachte achter deze inventarisatie is dat wordt voorkomen dat de plicht tot
                    het doen van een onderzoek naar asbest onevenredig hoge maatschappe¬lijke kosten
                    met zich brengt, omdat de kans op de aanwezigheid van asbest niet in verhouding
                    tot die kosten staat. In sommige gevallen is het evident dat het te slopen
                    bouwwerk geen asbest bevat. In andere gevallen kan de aanvrager zelf constateren
                    dat er vermoedelijk geen asbest aanwezig is. Bij de inventarisatie van de
                    gevallen waarin de aanvrager van een sloopvergunning kan aangeven dat er geen
                    sprake is van verwijdering van asbest, is als richtlijn genomen dat het
                    bouwwerk, gelet op bouwconstructie en gebruikte materialen, betrekkelijk
                    eenvoudig moet zijn. Niet valt uit te sluiten dat zich in de praktijk
                    vergelijkbare gevallen zullen aandienen, waarin gemeente en aanvrager het erover
                    eens zijn dat aannemelijk is dat er geen asbest in het bouwwerk aanwezig is. Het
                    voorstel biedt de mogelijkheid aan de aanvrager om ten genoegen van burgemeester
                    en wethouders in andere, vergelijkbare gevallen of op andere, vergelijkbare
                    wijze aan te tonen dat de verplichting om een onderzoek door een deskundig
                    bedrijf te overleggen niet van toepassing is. </al><al>Onder b</al><al>Voor medio 1997 was het reeds praktijk dat - voorafgaand aan met name grote
                    sloopprojecten - een onderzoek naar de aanwezigheid van asbest plaatsvond. </al><al>Deze onderzoeksrapporten zijn alleen aanvaardbaar als alternatief indien daarin
                    aandacht wordt besteed aan alle aspecten waaraan in BRL 5052 eisen worden
                    gesteld. Burgemeester en wethouders bepalen, zo nodig met externe ondersteuning,
                    of het onderzoek aan deze criteria voldoet. Indien het onderzoeksrapport niet
                    aan deze eisen voldoet, dient alsnog een onderzoek door een deskundig
                    asbestonderzoeksbedrijf plaats te vinden. </al><al>Een dergelijk onderzoek kan als voldoende deskundig uitgevoerd worden beschouwd,
                    indien het aan de volgende criteria voldoet:</al><lijst><li nr="-"><al>De gebruikte onderzoeksmethode is goed beschreven en levert in principe
                            dezelfde basisgegevens op als zijn vastgelegd in beoordelingsrichtlijn
                            BRL 5052, uitgave 1998.</al></li><li nr="-"><al>De opdracht tot het uitvoeren van een volledig asbestonderzoek moet
                            duidelijk omschreven zijn.</al></li><li nr="-"><al>Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een bedrijf en/of personen met
                            een aantoonbare expertise in onderzoeken naar asbesthoudende
                            materialen.</al></li></lijst><al>Personen met een dergelijke expertise zijn bijvoorbeeld medewerkers van
                    woningcorporaties met een toereikende opleiding, in het algemeen blijkend uit
                    het bezit van een diploma deskundig toezichthouder asbestsloop (DTA). </al><al>Samenvattend kan worden gesteld dat, op grond van BRL 5052, een
                    onderzoeksrapport ten minste de volgende onderwerpen dient te bevatten:</al><lijst><li nr="-"><al>een samenvatting;</al></li><li nr="-"><al>de resultaten van een visuele inspectie, zo nodig aangevuld met
                            informatie uit desk research;</al></li><li nr="-"><al>de bemonstering;</al></li><li nr="-"><al>de laboratoriumanalyses;</al></li><li nr="-"><al>een overzicht van de hoeveelheden, exacte plaatsen en wijze van
                            bevestiging van het asbestbevattende materiaal;</al></li><li nr="-"><al>een overzicht van de plaatsen waar niet is geïnventariseerd, maar waar
                            mogelijk nog asbestbevattend materiaal aanwezig is.</al></li></lijst><al>De toepassing en verkoop van asbesthoudende materialen is sinds 1 juli 1993
                    verboden. Dit betekent dat wanneer een dergelijk onderzoek na 1 juli 1993 heeft
                    plaatsgevonden, dit nog steeds een betrouwbaar beeld van de aanwezigheid van
                    asbest zal geven. Ook onderzoeken van eerdere datum kunnen bij de beoordeling
                    worden betrokken indien uit de schriftelijke verklaring blijkt dat de
                    onderzochte situatie later niet meer gewijzigd is. Hiervoor kan onder andere
                    informatie ingewonnen worden bij de eigenaar, de beheerder of de huurder.</al><al>Onder c</al><al>De situatie dat het te slopen bouwwerk na 1 januari 1994 is gebouwd, is
                    opgenomen omdat de verkoop en verwerking van asbest door bedrijven sinds 1
                    januari 1994 verboden is. Het heeft derhalve vrijwel geen zin om bouwwerken die
                    na 1 januari 1994 zijn gebouwd, te onderzoeken op de aanwezigheid van asbest.
                    Als bewijs voor deze motivering moet de aanvrager een schriftelijk stuk
                    overleggen, waaruit blijkt dat het bouwwerk, dan wel het te slopen deel van het
                    bouwwerk, na 1 januari 1994 is gebouwd.</al><al>Onder d </al><al>Vooral bij bouwwerken van recente datum zal de bouwer bij de aanvrager bekend
                    zijn. De verklaring van de aanvrager omtrent later uitgevoerde verbouwingen kan
                    worden ondersteund door verklaringen van de bouwer en/of de fabrikant dat het
                    hierbij toegepaste materiaal geen asbest bevat. Deze situatie is echter niet
                    beperkt tot later uitgevoerde verbouwingen. Ook van tussentijds aangebrachte
                    voorzieningen, bijvoorbeeld brandwerende voorzieningen, dient te worden
                    aangetoond dat deze geen asbest bevatten. Hiervoor kan onder andere informatie
                    ingewonnen worden bij de eigenaar, de beheerder of de huurder.</al><al>Onder e </al><al>Sinds de risico's van asbest bij de consument bekend zijn geworden, zijn
                    fabrikanten overgegaan tot het (op verzoek) verklaren dat hun product vrij is
                    van asbest. In de corporatiepraktijk is het gebruikelijk dat aannemers bij
                    gebruik van asbestverdachte materialen, zoals golfplaten, verklaringen van de
                    fabrikant overleggen, waaruit blijkt dat daarin geen asbest is gebruikt.
                    Onderzoek door een deskundig bedrijf is in deze eenvoudige situatie onnodig;
                    voor de sloop van bepaalde materialen kan met deze verklaringen worden volstaan.
                    Onder verwijdering van bepaalde materialen wordt bijvoorbeeld verstaan
                    verwijdering van vinylvloerbedekking of stand¬leidingen uit een serie woningen.
                    Zie ook de toelichting onder f.</al><al>Visuele inspectie</al><al>De voorheen bestaande mogelijkheid om aan de hand van een visuele inspectie de
                    aanwezigheid van asbest te bepalen is met de 11e serie van wijzigingen
                    vervallen.</al><al>De visuele inspectie aan de hand van de checklist van bijlage 8 van de
                    bouwverordening leidde nogal eens tot een discussie tussen de gemeente en de
                    aanvrager, waarbij de eerste meent dat wel moet worden uitgegaan van
                    asbestverdachte materialen en de tweede meent dat de visuele inspectie voldoende
                    houvast biedt om aan te nemen dat geen asbest aanwezig is. Mede gelet op de
                    strekking van het nieuwe Asbestverwijderingsbesluit om minder uitzonderingen toe
                    te laten op de asbestinventarisatieplicht dan voorheen het geval was, is de
                    visuele inspectie aan de hand van de toen bestaande checklist bijlage 8
                    vervallen.</al><al>De genoemde checklist gaat naar de toelichting en vormt als bijlage bij de
                    toelichting een nuttige handreiking bij de uitvoering.</al><al>Het vierde lid dat handelt over de verplichte asbestinventarisatie is
                    aangescherpt in die zin dat de gevallen waarin een dergelijk
                    inventarisatierapport niet behoeft te worden overgelegd bij de aanvraag om
                    sloopvergunning is beperkt. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de tekst van
                    artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 met het tekstgedeelte “…
                    beschikt … over een asbestinventarisatierapport indien hij weet of
                    redelijkerwijs kan weten dat zich in het bouwwerk…. asbest … bevindt.” De
                    combinatie van de herziene leden 3 en 4 van artikel beoogt hier invulling aan te
                    geven.</al><al>Lid 4</al><al>Bij het verzoek om een sloopvergunning moet worden vermeld of zich in het te
                    slopen (deel van een) bouwwerk asbest bevindt. Aan de hand van een aantal
                    criteria kan de mate van waarschijnlijkheid en daarmee de noodzaak om een
                    asbestinventarisatie te doen plaatsvinden worden vastgesteld. Deze criteria zijn
                    ontleend aan het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit besluit wordt in
                    artikel 3, eerste lid, de formulering gebruikt ‘indien hij weet of
                    redelijkerwijs kan weten’. Dit voorschrift richt zich tot degene die voornemens
                    is te slopen. In dit vierde lid van artikel 8.1.2 worden twee situaties genoemd
                    waarin het niet nodig is een asbestinventarisatierapport te doen opstellen.
                    Indien zich geen der situaties als bedoeld in het derde lid en het vierde lid
                    voordoet is altijd een asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf
                    vereist.</al><al>Lid 5</al><al>Degene die voornemens is een sloopvergunning aan te vragen kan indien het
                    historisch gebruik hem onbekend is bij de gemeente navraag doen naar het
                    historisch gebruik van het gebouw. Over de verwachting verontreiniging aan te
                    treffen en de daaraan te verbinden conclusie - wel of geen onderzoek instellen -
                    is vooroverleg met de gemeente verstandig.</al><al>Lid 6</al><al>Het aantalvoud waarin de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten
                    worden ingediend kan per gemeente verschillen, mede afhankelijk van de
                    plaatselijke organisatie.</al><al>Het opstellen van een sloopveiligheidsplan</al><al>Analoog aan het bouwveiligheidsplan kan, bij complexe sloopprojecten en/of een
                    omgeving met een hoge bebouwingsdichtheid of een hoge verkeersintensiteit, de
                    externe veiligheid bijzondere aandacht vergen. </al><al>De maatregelen die de aanvrager om sloopvergunning denkt te nemen, moeten
                    voorafgaand aan de sloop aan de hand van een sloopveiligheidsplan kunnen worden
                    getoetst. Er wordt met nadruk op gewezen dat het sloopveiligheidsplan als
                    bedoeld in dit artikel alleen betrekking heeft op de weg, de in de weg gelegen
                    werken, de weggebruikers, de naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun
                    gebruikers.</al><al>Wanneer is een sloopveiligheidsplan nodig</al><al>Indien de bedreigingen die uitgaan van activiteiten omtrent slopen (bijlage 5
                    van de toelichting) zich uitstrekken tot boven gronden en bebouwingen buiten de
                    afgrenzing van het sloopterrein, zullen maatregelen nodig zijn om deze
                    bedreigingen weg te nemen. Afhankelijk van de locatiespecifieke omstandigheden
                    kan het nodig zijn deze maatregelen in een sloopveiligheidsplan op te nemen
                    (bijlage 6 van de toelichting).</al><al>Een sloopveiligheidsplan is slechts dan nodig indien de locatiespecifieke
                    omstandigheden dusdanig complex zijn dat het zonder een dergelijk plan voor het
                    bouw- en woningtoezicht niet mogelijk is om de externe veiligheid op voorhand
                    afdoende te beoordelen, terwijl duidelijk sprake is van bedreiging(en) van de
                    externe veiligheid. Aan de hand van enkele voorbeelden is hierna één en ander
                    verduidelijkt.</al><al>Wat is de inhoud van het sloopveiligheidsplan</al><al>De inhoud van het sloopveiligheidsplan is afhankelijk van de locaties¬pecifieke
                    omstandigheden. In de in bijlage 6 van de toelichting opgenomen checklist wordt
                    voor de verschillende bedreigde objecten en functies een aantal mogelijke
                    maatregelen gegeven die in het sloopveiligheidsplan kunnen worden opgenomen. De
                    aanvrager om sloopvergunning kan in zijn sloopveiligheidsplan gelijkwaardige
                    maatregelen opnemen die niet op deze checklist voorkomen. In bijlage 7 van de
                    toelichting is een voorstel gedaan voor een inhoudsopgave van een
                    sloopveiligheidsplan.</al><al>Toetsing van het sloopveiligheidsplan</al><al>De in bijlage 6 van de toelichting opgenomen checklist van bedreigde objecten en
                    functies en maatregelen kan dienen als hulpmiddel bij het opstellen en toetsen
                    van een sloopveiligheidsplan, door na te gaan of de betreffende situatie en
                    voorgestelde maatregel(en) vergelijkbaar is/zijn met de in de checklist gegeven
                    objecten, functies en maatregelen.</al><al>Vooroverleg</al><al>Bij complexe en/of risicovolle sloopprojecten is een (informeel) vooroverleg
                    vaak noodzakelijk. Voor wat betreft de externe veiligheid bij het slopen dienen
                    bij een vooroverleg de met de sloop samenhangende bedreigingen, de bedreigde
                    objecten en functies en de locatiespecifieke omstandigheden bekend te zijn,
                    zodat reeds in het vooroverleg (met de juiste instanties) kan worden bepaald of
                    er een sloopveiligheidsplan noodzakelijk is en waar het sloopveiligheidsplan
                    zich op dient te richten.</al><al>Voorbeelden</al><al>Voorbeeld 1: Sloop van gebouw met een hoge gevel (30 m) aan een smalle (20 m)
                    drukke winkelstraat met een tram, voetgangers, fietsers en auto's. De weg dient
                    gedurende de sloopwerkzaamheden al zijn verkeersfuncties te blijven vervullen.
                    De bovenleiding van de tram is bevestigd aan de gevel van het te slopen gebouw.
                    Voor slopen van het dak is een kraan nodig.</al><al>Het zal duidelijk zijn dat in deze complexe situatie de externe veiligheid een
                    belangrijke rol speelt. In het sloopveiligheidsplan zullen opgenomen moeten
                    worden:</al><lijst><li nr="-"><al>gegevens waaruit blijkt dat de sloopmethode geen bedreiging vormt (dit
                            kan inhouden dat de voorgevel met de hand moet worden gesloopt);</al></li><li nr="-"><al>de maatregelen ter bescherming van de weggebruikers, zoals bijvoorbeeld
                            uitstekers (om de zoveel verdiepingen) of voetgangertunnels;</al></li><li nr="-"><al>de verkeerscirculatie gedurende de sloop;</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop wordt omgegaan met de bovenleiding van de tram;</al></li><li nr="-"><al>het tijdstip, de tijdsduur en de wijze van de hijswerkzaamheden.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 2: Afhijsen van kerktoren (60 m) in dicht bebouwde binnenstad. Er is
                    te weinig ruimte voor een mobiele kraan. Er zal boven woningen moeten worden
                    gewerkt. </al><al>In het sloopveiligheidsplan zal onder meer aandacht moeten worden geschonken
                    aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de aan/afvoer en op/afbouw van de kraan;</al></li><li nr="-"><al>de draagkracht van het wegdek;</al></li><li nr="-"><al>de duur, het tijdstip van de werkzaamheden;</al></li><li nr="-"><al>het voorkomen van schade en gevaar als gevolg van het afbreken van de
                            hijslast of delen daarvan;</al></li><li nr="-"><al>eventueel tijdelijk te ontruimen bouwwerken.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 3: Gedeeltelijke sloop van pand met belendingen. De sloop betreft ook
                    de funderingen. Er zal daarom een bouwput nodig zijn met bemaling. De gevel van
                    het gebouw is in slechte staat, maar moet behouden blijven. Er is sprake van
                    gemeenschappelijke bouwmuren. De belendende panden zijn oud, in een matige staat
                    en bezitten een historische waarde.</al><al>In het sloopveiligheidsplan zullen de volgende aspecten minimaal aan de orde
                    moeten komen:</al><lijst><li nr="-"><al>stabiliteit resterende gevel, bijvoorbeeld met behulp van stalen
                            steunconstructie;</al></li><li nr="-"><al>sloopmethode in verband met trillingen, trillingsarm slopen;</al></li><li nr="-"><al>bemaling in verband met grondwaterstand;</al></li><li nr="-"><al>stabiliteit belendingen in verband met bouwput;</al></li><li nr="-"><al>verankeringen in gemeenschappelijke bouwmuur.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 4: Sloop van een 60 meter hoog gebouw op een bedrijfsterrein, te
                    midden van andere bedrijfsgebouwen en wegen. Het gebouw bevindt zich ten minste
                    500 meter van de afgrenzing van het bedrijfsterrein. In dit geval is er geen
                    sprake van bedreiging van de externe veiligheid, gezien de afstand tot de
                    openbare weg. Er is dan ook geen sloopveiligheidsplan noodzakelijk.</al><al>Voorbeeld 5: Wanneer uit een rij aaneengesloten woningen er één wordt gesloopt
                    kan dit tot gevolg hebben dat een woningscheidende wand na de sloop buitenwand
                    (uitwendige scheidingsconstructie) wordt. De consequentie dat deze wand
                    regenwerend moet worden gemaakt en ook overigens zal moeten gaan voldoen aan de
                    eisen die gelden voor een uitwendige scheidingsconstructie zoals bedoeld in het
                    Bouwbesluit bestaande woningen en woongebouwen kan vooraf worden besproken
                    tussen partijen. Het verhaal van eventuele schade is een privaatrechtelijke
                    aangelegenheid. De overheid kan volstaan met het stellen van voorschriften tot
                    het voorkomen van schade. </al><al>Voorbeeld 6: Gedeeltelijke sloop vindt plaats en het overige deel van het
                    bouwwerk blijft bestaan en blijft in gebruik. Afhankelijk van de gekozen
                    sloopmethode en de samenstelling van het bouwwerk kan het nodig zijn een
                    voorschrift op te nemen over het voorkomen van brand.</al><al>Aanbevelingen</al><al>Het opvolgen van de onderstaande aanbevelingen kan de externe veiligheid tijdens
                    het slopen vergroten:</al><lijst><li nr="-"><al>vooroverleg waarin de externe veiligheid ter sprake komt;</al></li><li nr="-"><al>voor de praktijk van aanbesteding is het van belang dat voor het moment
                            dat sloopaannemers inschrijven op een sloopproject bekend is of een
                            sloopveiligheidsplan wordt verlangd en wat de inhoud daarvan moet zijn.
                            Een mogelijkheid is om in het bestek actiepunten met betrekking tot de
                            externe veiligheid op te nemen; (Deze aspecten worden niet als
                            voorschrift aan de sloopvergunning verbonden, omdat zij van
                            privaatrechtelijke aard zijn).</al></li><li nr="-"><al>zodra beschikbaar: procescertificering van sloopbedrijven (hieraan wordt
                            momenteel gewerkt door de brancheorganisaties);</al></li><li nr="-"><al>indien een gemeente onvoldoende ervaring/deskundigheid bezit op het
                            gebied van sloopveiligheid, kan een externe deskundige worden
                            ingeschakeld.</al></li></lijst><al>In de bijlagen 5, 6 en 7 die zich achter de artikelsgewijze toelichting bevinden
                    worden aandachtspunten vermeld voor het opstellen van een
                    sloopveiligheidsplan.'</al><al>Lid 7 </al><al>Met betrekking tot het zevende lid, waarin het gebruik van de Nederlandse taal
                    verplicht is gesteld, wordt opgemerkt dat artikel 2:7 van de Algemene wet
                    bestuursrecht de mogelijkheid biedt om verzoeken gericht aan een bestuursorgaan
                    van een gemeente gelegen in de provincie Friesland in de Friese taal te
                    doen.</al><al>Leden 12 en 13</al><al>Het bepaalde in deze leden is een uitwerking van artikel 2, letter g, van het
                    Asbestverwijderingsbesluit. Voorkomen wordt dat voor het slopen van een bouwwerk
                    zowel een vergunning als een melding is vereist. Indien een deel van de
                    sloopwerkzaamheden vergunningplichtig is en een deel melding¬plichtig, is het
                    geheel van sloopwerkzaamheden vergunningplichtig en is derhalve het
                    meldingplichtige gedeelte begrepen in de sloopvergunning.</al><al>Indien per abuis een vergunning wordt aangevraagd terwijl volstaan kan worden
                    met een melding, wordt de aanvraag om sloopvergunning aangemerkt als melding. </al><al>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</al><al>Lid 1</al><al>Indien niet alle vereiste gegevens bij de aanvraag om een beschikking worden
                    ingediend, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. Dit
                    is geregeld in artikel 4:5 van de Awb. Daarbij geldt wel de eis dat de aanvrager
                    in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door het bestuursorgaan gestelde
                    termijn de aanvraag aan te vullen. Een dergelijke mededeling is een beschikking
                    in de zin van de Awb.</al><al>Zie voor een uitgebreide uiteenzetting over de procedure de toelichting bij
                    artikel 6.1.3. Het daar gestelde met betrekking tot de gebruiksvergunning geldt
                    mutatis mutandis ook voor de sloopvergunning.</al><al>Omdat bij het indienen van een aanvraag om sloopvergunning nog geen
                    onderzoeksplicht geldt, kan het gebeuren dat de aanvrager op grond van eigen
                    inzichten meent dat zich in het te slopen bouwwerk geen asbest bevindt, doch dat
                    burgemeester en wethouders op grond van hun ter beschikking staande gegevens
                    menen dat het te slopen bouwwerk wel asbest bevat. Indien burgemeester en
                    wethouders voldoende zeker zijn van hun zaak stellen zij op grond van de tweede
                    zin van dit lid de aanvrager in de gelegenheid de ontbrekende gegevens over de
                    aanwezigheid van asbest aan te vullen binnen vier weken.</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid strekt ertoe de gegevens over degene die het sloopwerk uitvoert buiten
                    de procedure van artikel 4:5 Awb te houden. </al><al>Deze gegevens mogen op een later tijdstip doch voor de aanvang van de
                    sloopwerkzaamheden worden ingediend. Zie daarover de toelichting bij artikel
                    8.1.1, derde lid, letter d.</al><al>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</al><al>Ingevolge het eerste lid moeten burgemeester en wethouders binnen twaalf weken
                    na ontvangst van de aanvraag een beslissing nemen op de aanvraag. Indien
                    toepassing is gegeven aan artikel 8.1.3 betekent dit, dat de termijn wordt
                    opgeschort. Zie hierover de toelichting bij artikel 8.1.3.</al><al>De termijnen in dit artikel zijn geen fatale termijnen, maar termijnen van orde.
                    Dit betekent dat ook na het verstrijken van een termijn burgemeester en
                    wethouders alsnog een beslissing kunnen nemen. Hierop hoeft een aanvrager niet
                    te wachten. Deze mag aannemen dat een vergunning is geweigerd indien na het
                    verstrijken van de termijnen geen beslissing is genomen. Tegen deze fictieve
                    weigering kan op grond van de Awb bezwaar en beroep worden ingesteld. </al><al>Het tweede lid bevat een uitzondering op de termijn van het eerste lid.</al><al>Het derde lid bevat een aanhoudingsregeling, die ten doel heeft te voorkomen dat
                    een sloopvergunning op grond van de bouwverordening wordt verleend en daarna een
                    andere noodzakelijke vergunning voor het slopen wordt geweigerd. Deze
                    verwarrende situatie zou tot onherstelbare schade kunnen leiden, zoals het
                    slopen van een beschermd monument.</al><al>Lid 2</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 introduceert in artikel 10, letter i een
                    termijn van vier weken waarbinnen moet zijn beslist omtrent een verzoek om
                    sloopvergunning voor het verwijderen van uitsluitend asbest. Het woord
                    uitsluitend is volgens de toelichting bij het besluit zeer bepalend. Dit houdt
                    in dat de termijn van vier weken niet geldt voor alle andere sloopsituaties
                    waarin geen asbest wordt verwijderd of waarin naast de asbestverwijdering ook
                    andere materialen worden gesloopt.</al><al>Een mogelijk nadeel van de korte termijn van vier weken is dat er geen tijd meer
                    is om - met gebruikmaking van art. 8.1.3 MBV - een aanvrager in de gelegenheid
                    te stellen een onvolledige aanvraag aan te vullen. Het aantal keren dat een
                    aanvraag niet in behandeling wordt genomen wegens onvolledigheid van de stukken
                    kan hierdoor toenemen (art. 4:5 Awb). Artikel 10 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 bevat geen regeling voor verlenging van de
                    termijn.</al><al>Hoewel het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geen relatie legt met de
                    Monumentenwet, een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening of met een
                    leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, gaan
                    wij ervan uit dat het niet verkeerd is om in de bouwverordening de koppeling die
                    bedoeld is om de beschermende werking te verzekeren, te handhaven ook indien
                    daarmee de termijn van vier weken aanmerkelijk wordt overschreden. Hoewel
                    monumenten zijn opgericht in een tijd dat asbest geen bouwmateriaal was, kan bij
                    een eerdere (meestal inpandige) verandering of restauratie asbest zijn
                    toegepast, dat nu weer wordt verwijderd.</al><al>Lid 3</al><al>De in bestemmingsplannen vereiste aanlegvergunning kan een rol vervullen bij het
                    al dan niet slopen van een bouwwerk. Voor het aanleggen van een weg kan een
                    aanlegvergunning zijn vereist. Indien de aanlegvergunning er niet is, mag die
                    weg niet worden aangelegd. Dan is het niet nodig een bouwwerk te slopen dat
                    staat in het tracé van die weg. Indien in artikel 8.1.6 een extra
                    weigeringsgrond voor een sloopvergunning wordt opgenomen onder de letter f. voor
                    het (nog) niet aanwezig zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 30 of
                    artikel 33 van de Huisvestingswet, dienen deze vergunningen ingevolge de
                    Huisvestingswet ook in de opsomming van artikel 8.1.4, tweede lid te worden
                    opgenomen als aanhoudingsgrondslag. </al><al>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</al><al>Men zij erop bedacht dat de regeling over het in behandeling nemen van de
                    aanvraag om sloopvergunning (zie artikel 8.1.3) afwijkt van die van de aanvraag
                    om bouwvergunning. Indien bij beide aanvragen gegevens ontbreken zal dat
                    praktisch tot gevolg hebben dat er eerder op de aanvraag om sloopvergunning moet
                    worden beslist, dan op de aanvraag om bouw¬vergunning. </al><al>Gelet op de samenhang van beide vergunningen, kan het onder omstandig¬heden de
                    voorkeur verdienen de beslistermijn ter zake van de sloop¬vergunning te
                    overschrijden in afwachting van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning.
                    Ter zake van de aanvraag om sloopvergunning gelden immers geen fatale termijnen.
                    Zie hierover ook de toelichting bij artikel 8.1.4.</al><al>Wanneer een bouwvergunning en een sloopvergunning nodig zijn voor één activiteit
                    zoals verbouwen en zowel een sloopveiligheidsplan als een bouw¬veiligheidsplan
                    wordt verlangd, kan een gecombineerd sloop- en bouw¬veiligheidsplan worden
                    ingediend.</al><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 8.1.2, eerste en tweede lid.</al><al>Een toepassing van de samenloopregeling is niet zinvol indien uitsluitend asbest
                    wordt verwijderd en daarop de termijn van vier weken van toepassing is als
                    bedoeld in het tweede lid van artikel 8.1.4.</al><al>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</al><al>Algemeen</al><al>De weigeringgronden vermeld in dit artikel zijn limitatief bedoeld.</al><al>Voorheen bevatten de artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de Woningwet 1962
                    een regeling over respectievelijk woningonttrekking en woningsplitsing. Per 1
                    juli 1993 is de Huisvestingswet in werking getreden. Artikel 89, eerste lid,
                    tweede zin, luidt: In de Woningwet 1962 vervallen de artikelen 56 en 56a tot en
                    met 56i. Dit geldt ook voor het overgangsartikel 124 in de Woningwet 1991. De
                    artikelen 30 tot en met 32 en 33 tot en met 39 regelen thans de mogelijkheid tot
                    het eisen van een onttrekkingvergunning respectievelijk een
                    splitsingsvergunning. Uitwerking geschiedt in een gemeentelijke
                    huisvestingsverordening.</al><al>Voor zover in de gemeentelijke bouwverordening nog wordt verwezen naar de
                    vervallen artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de Woningwet, dienen deze
                    verwijzingen te worden ingetrokken. Voor het weigeren van de sloopvergunning
                    hebben sommige gemeenten als weigeringgrond opgenomen het niet aanwezig zijn van
                    een toestemming als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Woningwet 1962.
                    Een formulering voor een dergelijke weigeringgrond kan nu luiden:</al><al>'f. een vergunning als bedoeld in artikel 30 of artikel 33 van de
                    Huisvestings¬wet (Stb. 1992, 548) is vereist en deze niet is verleend.'</al><al>Ad a en b</al><al>Meestal kan door het verbinden van voorschriften aan de sloopvergunning, als
                    bedoeld in artikel 8.1.1, derde lid, worden bereikt dat de veiligheid tijdens
                    het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken voldoende is
                    gewaarborgd. Indien ook door het stellen van voorschriften geen voldoende niveau
                    van veiligheid c.q. bescherming kan worden gewaarborgd, moet de sloopvergunning
                    worden geweigerd. Meestal zal in overleg met de aanvrager - vaak al vóór de
                    indiening van de aanvraag om sloopvergunning - worden gezocht naar een voor de
                    gegeven situatie veilige sloopmethode en zodanige maatregelen dat voldoende
                    bescherming van nabijgelegen bouwwerken is verzekerd. De weigeringgronden ad a
                    en b strekken ertoe een onveilige sloopwijze of een onvoldoende bescherming van
                    andere bouwwerken te kunnen tegenhouden. Het doel is niet om het slopen
                    onmogelijk te maken. Er moet van worden uitgegaan dat ooit ieder bouwwerk een
                    keer wordt gesloopt.</al><al>Ad c, d en e</al><al>Dezelfde andere voor het slopen vereiste vergunningen als besproken bij de
                    aanhouding onder artikel 8.1.4, tweede lid, gelden hier als weigeringgrond voor
                    de sloopvergunning indien één van deze andere vergunningen is geweigerd. Op deze
                    wijze wordt de sloopvergunning van de bouwverorde¬ning het sluitstuk van het
                    complex van vergunningen dat nodig kan zijn voor het slopen van een
                    bouwwerk.</al><al>Letter e. De relatie tussen een aanlegvergunning en een sloopvergunning, waarbij
                    het ontbreken van de eerste een weigeringsgrond oplevert voor de tweede
                    vergunning, is enkel van belang indien de aanlegvergunning een duidelijke
                    relatie vertoont met de reden waarop een sloopvergunning is gevraagd voor die
                    locatie. Dit is bijvoorbeeld het geval indien voor de aanleg van een weg een
                    bouwwerk moet worden gesloopt en voor die weg een aanlegvergunning is vereist en
                    niet is verleend. Dan bestaat een causaal verband tussen de sloopvergunning en
                    de aanlegvergunning en is het logisch dat de sloopvergunning wordt geweigerd
                    indien de reden voor de aanvraag is vervallen. Zonder aanlegvergunning komt de
                    weg er niet. Indien er geen relatie tussen een aanlegvergunning en een
                    sloopvergunning aanwezig is, maar beide om uiteenlopende redenen tegelijk in
                    hetzelfde gebied nodig zijn, geldt deze weigeringsgrond niet.</al><al>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</al><al>Voordat wordt besloten tot intrekking van een vergunning dient de houder van die
                    vergunning te worden gehoord. Dit is een eis van zorgvuldigheid. Indien de
                    houder aannemelijk kan maken dat hij binnen zeer afzienbare tijd met de
                    werkzaamheden begint, of deze voortzet, kan dit een reden zijn een besluit tot
                    intrekking nog niet te nemen.</al><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</al><al>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</al><al>Algemeen</al><al>De sloopmelding is geformuleerd als een afwijking van de vergunningplicht. Dit
                    betekent dat indien wordt gesloopt zonder mededeling naar aanleiding van een
                    melding, terwijl deze wel is vereist, overtreding plaatsvindt van artikel 8.2.1
                    juncto artikel 8.1.1 van de bouwverordening.</al><al>Een melding als hier bedoeld is gericht op het verkrijgen van de mededeling van
                    burgemeester en wethouders. Deze mededeling is een beschikking en vatbaar voor
                    bezwaar en beroep in de zin van de Algemene wet bestuurrecht.. Dit betekent
                    onder meer dat de melding schriftelijk moet worden ingediend bij het bevoegde
                    bestuursorgaan, dit is burgemeester en wethouders. Ingevolge het zesde lid moet
                    worden gebruik gemaakt van de door burgemeester en wethouders vastgestelde
                    formulieren. In het achtste lid is bepaald dat aan de mededeling voorschriften
                    kunnen worden verbonden.</al><al>Degene die een mededeling als hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de
                    sloopwerkzaamheden verrichten. Bij het opstellen van de regels is gekeken naar
                    de risico’s voor de gene die sloopt, naar de risico’s voor degenen die in de
                    woning verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheid). Het Ministerie van
                    Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (VROM) heeft een brochure
                    uitgebracht speciaal gericht op de burger die op basis van een ontvangen
                    mededeling zelf asbest verwijdert. Deze brochure bevat richtlijnen over de wijze
                    waarop de burger met dit asbest moet omgaan. Het is aan te raden deze brochure
                    aan de burger uit te reiken bij het verstrekken van de mededeling.</al><al>Naast de voorschriften bij de mededeling, staan in de artikelen 7 en 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 rechtstreeks werkende voorschriften waaraan
                    degene die asbest verwijdert anders dan in het kader van beroep of bedrijf – dus
                    de burger - zich moet houden. Op grond van het tweede lid van artikel 8 van dit
                    Besluit is de minister van VROM bevoegd om, in het kader van de bescherming van
                    mens en milieu tegen emissie van asbestvezels, aanvullende regels te stellen
                    voor de door particulieren toegestane verwijdering van asbest. Deze
                    voorschriften gelden dan naast artikel 7 en naast de voorschriften bij de
                    mededeling. Van deze mogelijkheid zal blijkens de toelichting bij artikel 8 van
                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005 slechts gebruik gemaakt worden als uit
                    praktijkervaringen blijkt dat de in artikel 7 opgenomen voorschriften
                    onvoldoende zijn.</al><al>Voor het zich ontdoen van het verpakte asbest staan thans drie mogelijk¬heden
                    open: zelf afvoeren naar een stortplaats of depot, door een aannemer laten
                    afvoeren en, indien de gemeente daarvoor een mogelijkheid aanbiedt, meestal
                    tegen betaling, meegeven met de inzameldienst op vergelijkbare wijze als het
                    grof huisvuil. Om te voorkomen dat asbest 'zoek raakt' verdient het aanbeveling
                    dat de gemeente voor het asbest afkomstig van particulieren een
                    inzamel-structuur creëert, waardoor ten minste op een van de vorenstaande wijzen
                    de particulier zich van dit afval kan ontdoen.</al><al>Lid 1</al><al>Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner zelf het asbest verwijdert.
                    Wanneer dit kan bij een woning, kan het ook gelden voor de bijgebouwen of met de
                    woning vergelijkbare bouwwerken. Daarom zijn naast de woning ook genoemd het
                    logiesverblijf (recreatiewoning), de woonkeet en de woonwagen alsmede de op het
                    daarbij behorende erf staande bijgebouwen. </al><al>Genoemd artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot woningen en bijgebouwen
                    bij woningen, waardoor voor dezelfde handeling in een woonwagen of woonkeet wel
                    een sloopvergunning is vereist. De begripsbepaling voor woning in het tweede lid
                    van artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit geeft hiervoor geen oplossing,
                    omdat onduidelijk is wat daar onder ‘mede’ wordt verstaan en omdat in de
                    Woningwet het begrip woning niet is omschreven. Voor zover bedoeld is met dit
                    Asbestverwijderingsbesluit op dit punt geen wijziging in het beleid noch in de
                    uitvoering van de regels te brengen, mag worden geconcludeerd dat onder woning
                    mede wordt verstaan een woonwagen, een woonkeet en een logiesverblijf zoals is
                    genoemd in het eerste lid van art. 8.2.1 MBV.</al><al>De tekst van het derde lid van artikel 4 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    geeft niet duidelijk aan of de asbesthoudende golfplaten op een schuurtje bij
                    een woning vergunningvrij door de burger verwijderd mogen worden onder het
                    nieuwe Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Er staat ‘geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                    hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf
                    van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in
                    het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                    bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                    asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal
                    perceel bedraagt’.</al><al>Een schuur is een bijgebouw bij een woning. En hoewel de dakplaten niet
                    letterlijk ‘uit’ het bijgebouw komen, mag worden aangenomen dat bedoeld is – net
                    als onder de regeling van vóór het Asbestverwijderingsbesluit 2005 - dit wel
                    mogelijk te maken. De Nota van toelichting geeft niet aan dat een wijziging is
                    bedoeld. Er staat in de toelichting bij het derde lid van artikel 4: ‘De in het
                    onderhavige besluit opgenomen uitzonderingen zijn gebaseerd op de uitzonderingen
                    die zijn opgenomen in de modelbouwverordening van de VNG, die door het merendeel
                    van de gemeenten in hun regelgeving zijn overgenomen.’ Daarom heeft de VNG thans
                    bij de implementatie van meergenoemd derde lid in de model-bouwverordening, de
                    bestaande toevoegingen van met een woning gelijk te stellen bouwwerken
                    ‘woonkeet, woonwagen of logiesverblijf’ gehandhaafd.</al><al>Beleidsmatig verdient het de voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het is
                    beter dan de andere uitleg, dat een burger het verwijderen van het asbest van
                    een schuurtje niet zelf mag doen. De kans is groot dat dan toch door de burger
                    het asbest golfplaten dakje van de schuur wordt verwijderd, maar illegaal. En
                    illegaal verwijderd asbest kun je moeilijk legaal inleveren, dus bestaat kans
                    dat dit eveneens illegaal wordt weggewerkt. Met de voorgestelde ruime uitleg is
                    de burger legaal bezig en kan hij de asbestplaten legaal inleveren.</al><al>Met de inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet meer
                    toegestaan om anders dan in het kader van beroep of bedrijf over te gaan tot het
                    verwijderen van:</al><lijst><li nr="-"><al>gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking. De oude voorschriften met
                            betrekking tot het verwijderen van gelijmde vloerbedekking bleken
                            zodanig complex dat ze voor particulieren niet goed waren na te leven.
                            Minder vergaande voorschriften leiden echter tot een risico op
                            blootstelling aan asbestvezels.</al></li><li nr="-"><al>dakleien. Bij het werken met deze leien is het risico van breuk groot.
                            Bij breuk van asbesthoudende dakleien komen asbestvezels vrij, hetgeen
                            leidt tot een onaanvaardbaar risico op inademing van asbestvezels en
                            verontreiniging van het milieu met deze vezels.</al></li></lijst><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Lid 9</al><al>De tweede zin van dit lid verwijst naar 'in de gemeente geldende voorschriften'
                    die de burger in acht moet nemen ter zake van de afvoer van asbest bevattende
                    vloerbedekking en andere afvalstoffen die hij zelf mag verwijderen na een
                    melding. Met deze voorschriften zijn bijvoorbeeld bedoeld de voorschriften over
                    het meegeven van afval met en de wijze van aanbieden aan de ophaaldienst voor
                    grof huisvuil of die over het aanbieden van deze afvalstoffen bij de
                    gemeentewerf of andere inzamelplaats.</al><al>Lid 10</al><al>Na het slopen van het asbest mag dit niet worden bewerkt. Dus de platen mogen
                    niet worden gebruikt voor andere toepassingen en niet worden verkleind opdat zij
                    in een huisvuilzak passen. Asbest dat niet wordt gesloopt kan wel worden
                    onderhouden door verven of coaten. Het is af te raden, hetzij voorafgaand aan
                    verven, hetzij anderszins, te schuren of schoon te spuiten onder hoge druk.</al><al>Lid 11</al><al>De sloopmelding is een aanvraag om beschikking. Dit betekent dat de procedure
                    van artikel 4:5 jo. 4:15 Algemene wet bestuursrecht van toepassing is: Indien de
                    aanvraag niet voldoet aan de gestelde eisen, kunnen burgemeester en wethouders
                    besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat kan pas als de aanvrager
                    in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag binnen een door burgemeester en
                    wethouders te stellen termijn aan te vullen. In dit artikellid is ervoor gekozen
                    die termijn kort te houden (één week), mede gelet op de korte beslistermijn op
                    de sloopmelding. </al><al>Men zij erop bedacht dat door de korte beslistermijn het gevaar van
                    termijnoverschrijding groot is.</al><al>Zie voor een uitgebreid overzicht van de procedure de toelichting bij artikel
                    3.1, achtste lid.</al><al>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning </al><al>Dit artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder sloopvergunning als
                    bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder sloopmelding als bedoeld in artikel 8.2.1 mag
                    gebeuren. Deze uitzonderingen hebben geen betrekking op andere regelingen waarin
                    bepaalde sloophandelingen mogelijk aan een vergunning, ontheffing of melding
                    zijn gebonden, zoals de Monumentenwet of monumentenverordening.</al><al>Sinds de inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat ook het
                    verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen als
                    vergunningvrij genoemd. Voorheen werd de hier bedoelde kit ook wel aangeduid als
                    voegkit.</al><al>Dit artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede lid, letter a bedoelde
                    waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen, voor
                    zover zij deel uitmaken van het ondergrondse openbare gas-, water- en
                    rioolleidingnet. Het verwijderen van gas-, water-, riool- en mantelbuizen in
                    bouwwerken moet wel plaatsvinden door een deskundig asbestverwijderingsbedrijf.
                    Bij het verwijderen van deze buizen die zich in (of in de kruipruimte van) een
                    bouwwerk bevinden is geen sprake van routinematig verwijderen met een
                    beheersbaar risico.</al><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</al><al>Artikel 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein</al><al>Zie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel 8.1.1. De artikelen
                    4.8 tot en met 4.10 komen overeen met de artikelen 382, 383 en 384 van de MBV
                    1965. Ook die bepalingen waren van toepassing op het bouwen en op het
                    slopen.</al><al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Deze eis is nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de
                    aanwezigheid van de vergunning of een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                    of oplegging van een last onder dwangsom dat leidt tot het slopen mag degene die
                    de werkzaamheden verricht - in de regel een ander dan de houder van de
                    vergunning - geacht worden de voorwaarden te kennen.</al><al>Artikel 8.3.3, tweede lid, bepaalt dat de houder van de sloopvergunning, indien
                    deze mede betrekking heeft op asbest, een afschrift van deze vergunning ter hand
                    stelt aan de sloopaannemer.</al><al>Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 Asbest</al><al>De artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben betrekking op het slopen van asbest.
                    De betekenis van de artikelen kan als volgt worden onderscheiden. Artikel 8.3.3
                    schept verplichtingen voor de houder van de sloopvergunning. Artikel 8.3.4 geldt
                    voor de gevallen dat vooraf de aanwezigheid van asbest niet bekend was. Deze
                    situatie kan zich voordoen in alle gevallen dat wordt gesloopt. Artikel 8.3.5
                    geldt voor alle situaties dat asbest wordt gesloopt, dus zowel op grond van een
                    sloopvergunning als op grond van een mededeling naar aanleiding van een melding.
                    De eis dat bij het slopen de beste bestaande technieken worden toegepast geldt
                    krachtens het derde lid van dit artikel echter niet voor het slopen op grond van
                    een mededeling.</al><al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning</al><al>De leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 10, letters k,
                    l, m en n van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Deze leden bevatten
                    verplichtingen voor de houder van de sloopvergunning.</al><al>Volledigheidshalve merken wij op dat in artikel 5 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat dat degene die opdracht geeft tot het
                    slopen voor de aanvang van de werkzaamheden aan een afschrift van het
                    asbestinventarisatierapport verstrekt aan degene die de handeling verricht.
                    Voorheen stond dit in artikel 8.3.3, derde lid. De plicht is er nog, maar staat
                    op een andere plek en behoeft niet te worden herhaald in de
                    bouwverordening.</al><al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</al><al>Lid 1</al><al>Het kan gebeuren dat tijdens sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest wordt
                    aangetroffen. Dit artikel stelt een meldingplicht in. Vanaf het moment dat
                    asbest wordt gevonden moet voor het (verder) slopen daarvan een daarop gerichte
                    sloopvergunning of mededeling naar aanleiding van een melding aanwezig zijn. Die
                    moet er eerst komen, voordat het asbest mag worden gesloopt.</al><al>Handhaving van deze bepaling kan geschieden door middel van het stilleggen van
                    de sloopwerkzaamheden als bedoeld in het derde lid van artikel 100 van de
                    Woningwet.</al><al>Lid 2</al><al>De strekking van het tweede lid is het bouwtoezicht de gelegenheid te geven tot
                    tijdige controles tijdens en bij het voltooien van het sloopwerk. Hetzelfde
                    geldt voor de Arbeidsinspectie op grond van artikel 8.3.3, vierde lid, indien
                    tijdens het slopen tevens asbestverwijdering plaatsvindt. </al><al>Indien burgemeester en wethouders de ontvangst van een melding van de voltooiing
                    van een sloopwerk bevestigen, bijv. door de melding af te stempelen en van de
                    ontvangstdatum te voorzien, is die bevestiging een administratieve handeling die
                    niet meer inhoudt dan een bewijs dat er is gesloopt. De gemeente aanvaardt
                    daarmee geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden bij het slopen en
                    het scheiden en gescheiden houden van het sloopafval.</al><al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</al><al>Artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de voorschriften
                    voor de wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest voorzover dit gebeurt
                    anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.</al><al>Voor het beroepsmatig of bedrijfsmatig verrichten van deze handelingen gelden
                    regels op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de desbetreffende
                    certificering.</al><al>Voor degenen die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf een
                    handeling als hiervoor bedoeld verrichten, geeft artikel 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 een vergelijkbare verplichting. Van de
                    bevoegdheid om op grond van het tweede lid van artikel 8 een ministeriële
                    regeling te doen uitgaan heeft de minister van VROM geen gebruik gemaakt en is
                    thans mei 2006 evenmin een aanvang gemaakt om dit binnen afzienbare tijd alsnog
                    te doen.</al><al>De leden 1 en 2 van dit artikel strekken ertoe te bereiken dat verspreiding van
                    asbest wordt voorkomen althans tot een minimum wordt beperkt. Indien de minister
                    op grond van het tweede lid van artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005 regels stelt, treedt vanwege de verhouding hogere en lagere regelgeving
                    vanzelf artikel 8.3.5 buiten werking.</al><al>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</al><al>Vervallen</al><al>Paragraaf 4 Vrij slopen</al><al>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</al><al>Zoals hiervoor bij artikel 8.1.1 toegelicht, waren er redenen om de plicht tot
                    het hebben van een sloopvergunning te koppelen aan een ondergrens van 10 m3
                    sloopafval. Dit betekent niet dat al het sloopafval dat minder dan 10 m3
                    bedraagt, niet gescheiden zou behoeven te worden. </al><al>Voorheen bestond tussen het onderhavige artikel en artikel 4.11 een nauwe
                    relatie. Met ingang van de vierde serie wijzigingen van de MBV 1992,
                    gepubliceerd in 1997, is dit niet meer het geval. De fracties waarin het
                    sloopafval verplicht moet worden gescheiden, uiteraard voorzover die stoffen
                    daarin voorkomen, betreffen gevaarlijke of verontreinigde stoffen die niet mogen
                    worden gemengd met het overige afval. In de opsomming is asbest niet opgenomen,
                    omdat dit immers nooit zonder vergunning of zonder melding mag worden
                    verwijderd.</al><al>Preventief toezicht op de naleving van het onderhavige artikel is niet voorzien.
                    De handhaving vindt bij deze geringe hoeveelheden, in totaal niet meer dan 10
                    m3, uitsluitend repressief plaats.</al><al>Asbestverwijderingsbesluit 2005 Model-bouwverordening incl. 11e serie wijz.</al><al>Art. 3 H 8, Toelichting Algemeen</al><al>Art. 3, lid 3 H 8, Toelichting calamiteit</al><al>Art. 4, lid 1, sub a 8.1.2, lid 3, sub c</al><al>Art. 4, lid 1, sub b 8.2.2, lid 1, sub c</al><al>Art. 4, lid 2, sub b, c, d en e 8.2.2, lid 1, sub a, b, d en e</al><al>Art. 4, lid 3, sub a, b en c 8.2.1, lid 1, sub a en b</al><al>Art. 5 8.3.3, lid 3 vervallen</al><al>Art. 6 1.1 (Begripsbepaling)</al><al>Art. 7 H. 8, Toelichting Algemeen brochure VROM nog niet gereed</al><al>Art. 8, lid 1 8.3.5, lid 1 en 2</al><al>Art. 8, lid 2 Min. Besluit is er nog niet</al><al>Art. 10, letter a 8.1.1</al><al>Art. 10, letter b 8.1.2, lid 3, sub c</al><al>Art. 10, letter c 8.2.1</al><al>Art. 10, letter d 8.2.1, lid 7</al><al>Art. 10, letter e 8.2.1, lid 8</al><al>Art. 10, letter f 8.2.1, lid 9</al><al>Art. 10, letter g 8.2.1, lid 8</al><al>Art. 10, letter h 8.2.1, lid 12</al><al>Art. 10, letter i 8.1.4, lid 2</al><al>Art. 10, letter j 8.1.2, lid 4</al><al>Art. 10, letters k, l, m en n 8.3.3, lid 1 t/m 4</al><al>Art. 11 12.1, lid 1 en 2</al><al>9.Het welstandstoezicht</al><al>Algemeen</al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn sinds de achtste serie wijzigingen van de
                    Model-bouwverordening zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                    betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde
                    lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                    samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie. </al><al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de Model-bouwverordening niet
                    concreet uitgewerkt vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen
                    nadrukkelijk zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien
                    een gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke
                    keuze dient ook door te klinken in de werkwijze van de provinciale
                    welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief te nemen en is het
                    aan de provinciale welstands¬commissie om deze keuze te onderschrijven.</al><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                    situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                    stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk
                    reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel
                    dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke bouwverordening. </al><al>Welstandscriteria en welstandsnota</al><al>De werking van het begrip 'redelijke eisen van welstand' heeft met de gewijzigde
                    wet opgehouden te bestaan. Alleen als in een welstandsnota aan de hand van
                    criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand
                    kunnen burgemeester en wethouders een vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op
                    aspecten van welstand en kan de welstandscommissie hierover adviseren. Ook
                    bouwvergunningvrije bouwwerken moeten aan minimale welstandseisen voldoen.
                    Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de
                    eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen
                    van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria
                    hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is
                    geen welstandstoezicht meer mogelijk. </al><al>Voor het uitwerken van de welstandscriteria alsmede de samenstelling van en de
                    besluitvorming over de welstandsnota geldt een overgangstermijn van 18 maanden
                    na 1 januari 2003. Tot het moment dat een gemeentelijke welstandsnota van kracht
                    wordt, blijft de zelfstandige werking van de in de bouwverordening aangeduide
                    'redelijke eisen van welstand' in stand. Als er op 1 juli 2004 geen door de
                    gemeenteraad aangenomen welstandsnota ligt, vervalt van rechtswege de
                    mogelijkheid om bouwplannen te toetsen aan redelijke eisen van welstand.</al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. </al><al>In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze criteria 'zo veel
                    mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën bouwwerken en
                    standplaatsen en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar
                    een bouwwerk of standplaats is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria
                    per samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de
                    bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en
                    ten aanzien van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die
                    vastliggen in een bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld
                    in het kader van landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of
                    architectuurbeleid. De bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst
                    zullen in de meeste gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid.
                    In het ene gebied is aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander
                    gebied is juist verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is
                    nauwelijks sprake van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend
                    welstandsregime acceptabel zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de
                    schop en is een intensieve beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist. </al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure
                    (inspraak ex artikel 150 Gemeentewet en vaststelling door de raad) wordt
                    gevolgd.</al><al>Indien burgemeester en wethouders de welstandscriteria in bijzondere gevallen
                    buiten toepassing laten als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door
                    burgemeester en wethouders te worden gemotiveerd.</al><al>Het werken met deelnota's ten aanzien van welstand, zoals dat in de praktijk
                    wordt toegepast, heeft met name in de overgangsperiode tot 1 juli 2004
                    belangrijke consequenties. Indien voor een deel van de gemeente een
                    welstandsnota wordt vastgesteld, zal vanaf dat moment immers in het deel van de
                    gemeente waarin een deel-welstandsnota wordt vastgesteld artikel 9.1 (oud) MBV
                    niet meer gelden op grond van artikel VII, tweede lid van de Wet van 18 oktober
                    2001 (Stb. 2001, 518). U kunt hierbij gebruik maken van de bij artikel 1.3 MBV
                    behorende kaart.</al><al>De welstandscriteria uit de welstandsnota spelen een rol bij: </al><lijst><li nr="-"><al>de toetsing van aanvragen om bouwvergunning;</al></li><li nr="-"><al>het toepassen van bestuursdwang tegen bouwen in strijd met hetgeen bij
                            of krachtens de Woningwet is bepaald.</al></li></lijst><al>Relatie bestemmingsplan en welstand</al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 gaat uit van de voorrangs¬regel
                    uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten
                    naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.</al><al>De welstandsnorm is in 1991 door de wetgever van artikel 34 van de
                    (Model)bouwverordening 1965 overgeheveld naar artikel 12 van de Woningwet en het
                    welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van die wet omschreven als
                    zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van artikel
                    9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit
                    stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april
                    1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000,
                    Gst.2000, 7119). </al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen thans uitdrukkelijk geregeld in artikel 12, derde lid van de
                    Woningwet. Daarin is tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften
                    van de bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b,
                    eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de
                    welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het
                    bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet
                    op de Ruimtelijke Ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg,
                    aan gronden een bestemming is gegeven en de daarbijbehorende bebouwings- en
                    gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet
                    mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond
                    toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl.
                    ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die
                    situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer
                    mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.</al><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet)
                    naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en
                    welstand.</al><al>Tot het moment dat de gemeentelijke welstandsnota van kracht wordt, blijft de
                    zelfstandige werking van de tot de achtste serie wijzigingen van de MBV
                    aangeduide 'redelijke eisen van welstand' in stand (zie ook artikel VII, tweede
                    lid van de Wet van 18 oktober 2001, Stb. 2001, 518). Voor de overige bepalingen
                    van hoofdstuk 9 geldt geen overgangstermijn.</al><al>Tabel oude/nieuwe welstandsbepalingen</al><al>Artikelnummer oud Titel oud Artikelnummer nieuw Titel nieuw</al><lijst><li nr="9."><al>1 Welstandscriteria - -</al></li><li nr="9."><al>2 Advisering door commissie van onafhankelijke deskundigen 9.1
                            Advisering door welstandscommissie</al></li><li nr="9."><al>3 Termijn van advisering 9.5 Termijn van advisering</al></li><li nr="9."><al>4 Openbaarheid van vergaderen 9.6 Openbaarheid van vergaderen en
                            mondelinge toelichting</al></li><li nr="9."><al>5 Afdoening bij mandaat 9.7 Afdoening bij mandaat</al></li><li nr="9."><al>6 Mondelinge toelichting - -</al></li><li nr="9."><al>7 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 9.8 Vorm waarin het advies
                            wordt uitgebracht</al></li><li nr="9."><al>8 gebieden 9.9 Uitsluiting gebieden en categorieën bouwwerken en
                            stand--plaatsen</al><lijst><li nr="-"><al>- 9.2 Samenstelling van de welstands-commissie</al></li><li nr="-"><al>- 9.3 Benoeming en zittingsduur</al></li><li nr="-"><al>- 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</al><al>Evenals onder het regime van de Woningwet 1991 is inschakeling van een
                    welstandscommissie bij een aanvraag om reguliere bouwvergunning verplicht indien
                    een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert,
                    burgemeester en wethouders beslissen. </al><al>In de herziene Woningwet is bij amendement de figuur van de stadsbouw¬meester
                    opgenomen. Vanaf 1 januari 2003 kan de gemeenteraad ervoor kiezen om in plaats
                    van een welstandscommissie een stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient
                    de bouwverordening voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                    stadsbouwmeester. De figuur van de stadsbouwmeester is niet nader uitgewerkt in
                    de Model-bouwverordening, omdat de doelstellingen van het vernieuwde
                    welstandstoezicht, vermaatschappelijking, grotere transparantie rondom de
                    welstands¬advisering en openbaarheid lijken met de figuur van de
                    stadsbouwmeester niet te worden bereikt. Bovendien ontbreekt de waardevolle
                    collectieve oordeelsvorming bij de keuze van een stadsbouwmeester, terwijl deze
                    in kwesties van smaak, zoals deze meespelen bij de welstandsadvisering,
                    onontbeerlijk kan worden geacht. Voorts bieden de Kamerstukken geen
                    aanknopingspunten hoe de figuur van de stadsbouwmeester verder aangekleed moet
                    worden. Naar verwachting zal een zeer beperkt aantal gemeenten kiezen voor een
                    stadsbouwmeester.</al><al>In de welstandsnota kan de gemeenteraad evenwel vaststellen dat de
                    welstandstoets voor de categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken niet
                    door de volledige welstandscommissie plaatsvindt, maar door een of meer
                    gemandateerde leden van de commissie als bedoeld in artikel 9.2
                    Model-bouwverordening dan wel door burgemeester en wethouders. </al><al>De huidige adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan
                    wel provinciale welstandscommissies.</al><al> Ook onder het nieuwe regime van de Woningwet kan de gemeenteraad ervoor kiezen
                    om voor de welstandsadvisering gebruik te (blijven) maken van een provinciale
                    welstandsorganisatie, die het resultaat is van een gemeenschappelijke regeling
                    of een privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van
                    een provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                    welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                    artikel 9.2.</al><al>Alternatief 1</al><al>In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van de
                    diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan
                    hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze
                    vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als welstandscommissie te
                    worden aangewezen. De vereniging of stichting draagt uit haar midden personen
                    voor aan B&amp;W om door de gemeenteraad te worden benoemd. De
                    welstandscommissie adviseert over alle bouw¬vergunningplichtige bouwwerken.</al><al>Alternatief 2</al><al>Evenals in alternatief 1 wordt in dit alternatief provinciale
                    welstands¬organisatie, die de rechtspersoon kan hebben van een
                    gemeenschappelijke regeling, een vereniging of stichting door de gemeenteraad
                    aangewezen voor de advisering over redelijke eisen van welstand. Burgemeester en
                    wethouders oordelen zonder advies van de welstandscommissie over strijdigheid
                    met redelijke eisen van welstand ten aanzien van licht-bouwvergunningplichtige
                    bouwwerken.</al><al>Alternatief 3</al><al>In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie, die adviseert
                    over alle bouwvergunningplichtige bouwwerken.</al><al>Alternatief 4</al><al>Evenals in alternatief 3 is er sprake van een lokale welstandscommissie.
                    Burgemeester en wethouders oordelen zonder advies van deze commissie over
                    strijdigheid met redelijke eisen van welstand ten aanzien van
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken.</al><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</al><al>Onafhankelijkheid</al><al>Sinds de Woningwet 1991 geldt de onafhankelijkheidsvereiste voor elk
                    afzonderlijk lid van deze commissie. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien
                    de leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook
                    is het raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te
                    zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college
                    van burgemeester en wethouders aan de welstandscommissie voor de eigen gemeente
                    is in dit verband uitgesloten. </al><al>Deskundigen en burgers</al><al>In afwijking van de Woningwet 1991 geldt sinds 1 januari 2003 niet langer de eis
                    dat in de welstandscommissie uitsluitend 'deskundigen' zitting kunnen hebben.
                    Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding kwalificeren om
                    zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige commissieleden mag
                    worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve beroepspraktijk kunnen
                    oordelen over plannen van collega's. Onder niet-deskundige leden worden
                    vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking verstaan, geen architecten of
                    anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken
                    zijnde, die door het gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden
                    benoemd. De gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er
                    is geen wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de
                    welstandscommissie.</al><al>Er zijn meerder alternatieven denkbaar.</al><al>Alternatief 1</al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De secretaris is
                    geen lid van de welstandscommissie.</al><al>Alternatief 2</al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                    burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                    provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit alternatief denkbaar, maar
                    minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners
                    deelnemen.</al><al>De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de
                    welstands¬commissie.</al><al>Alternatief 3</al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik wordt
                    gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de
                    rayonarchitect.</al><al>Alternatief 4</al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                    burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                    provinciale welstandsorganisatie is het denkbaar, maar minder werkbaar dat uit
                    elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien een provinciale
                    welstandsorganisatie is aangewezen als commissie, is dit veelal de
                    rayonarchitect.</al><al>Alternatief 5</al><al>In plaats van een welstandscommissie biedt de Woningwet de mogelijkheid om een
                    stadsbouwmeester te benoemen. Dit alternatief is vooralsnog niet uitgewerkt in
                    de MBV. </al><al>Enerzijds omdat de doelstellingen van het vernieuwde welstandstoezicht,
                    vermaatschappelijking, grotere transparantie rondom de welstands¬advisering en
                    openbaarheid met de figuur van de stadsbouwmeester juist niet lijken te worden
                    bereikt. De waardevolle collectieve oordeelsvorming ontbreekt bovendien bij de
                    keuze voor een stadsbouwmeester, terwijl deze in kwesties van smaak, zoals deze
                    meespelen bij de welstandsadvisering, onontbeerlijk kan worden geacht.
                    Anderzijds omdat naar verwachting een zeer beperkt aantal gemeenten zal kiezen
                    voor een stadsbouwmeester.</al><al>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</al><al>Het vierde lid van artikel 12b van de Woningwet beperkt de zittingsduur van de
                    leden van de welstandscommissie tot ten hoogste drie jaar met een eenmalige
                    mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens maximaal drie jaar in de commissie
                    die in de desbetreffende gemeente werkzaam is. Daarmee wordt beoogd de
                    doorstroming van de leden van de welstands¬commissie te bevorderen. Kennelijk is
                    op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking van de zittingsduur in
                    concrete situaties de continuïteit van de commissies in gevaar kan brengen. De
                    leden en voorzitter van een welstandscommissie die op 1 januari 2003 ten minste
                    drie jaar zitting hebben in die commissie, kunnen nog ten hoogste drie jaar na
                    die datum benoemd blijven in die commissie.</al><al>Het is onmogelijk en ongewenst om in algemene zin de benoemings¬procedure voor
                    (deskundige) leden op te nemen in de (Model)-verordening. Een reglement van orde
                    dat als bijlage 9 bij de bouwverordening dient te worden vastgesteld en
                    toegesneden is op de lokale situatie, is hiervoor geschikter. In een dergelijk
                    reglement van orde lijkt het zinvol om onder meer een benoemingsboekhouding te
                    regelen om in geval van bezwaren en beroepen tegen onbevoegd gegeven
                    welstandsadviezen zittingstermijnen van leden/voorzitter aan te kunnen
                    tonen.</al><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al><al>Jaarverslag welstandscommissie</al><al>In de afgelopen jaren is er sprake van een toegenomen kritiek op het
                    welstandstoezicht. De kritiek richt zich onder meer op het functioneren van de
                    welstandscommissies. De adviesprocessen van deze commissies zijn doorgaans aan
                    de openbare waarneming onttrokken. Ondanks de door de welstandscommissies gedane
                    inspanningen tot verbetering van deze negatieve maatschappelijke beeldvorming,
                    kan er nog steeds gesproken worden van een onvoldoende maatschappelijk draagvlak
                    voor de werkwijze van de welstandscommissies. Het besef is gegroeid voor het
                    aanscherpen van de politieke verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders
                    voor het functioneren van het welstandstoezicht. Ook bestaat het algemeen gevoel
                    om de functie van de gemeenteraad als algemeen controleorgaan van burgemeester
                    en wethouders, voorzover het betreft hun verantwoordelijk¬heid voor het
                    welstandstoezicht te versterken. Enerzijds zijn er de algemene uitgangspunten
                    zoals deze zijn opgenomen in de Wet Dualisering gemeentebestuur om de
                    controlefunctie van de gemeenteraad te versterken en te verduidelijken. </al><al>Anderzijds beoogt de nieuwe Woningwet te voorzien in het verbeteren van de
                    kwaliteit alsmede het transparanter maken van de welstandsadvisering. Een
                    jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstands¬nota als
                    beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling
                    en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in specifieke gevallen is
                    afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse verslagverplichting van de
                    welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b, derde lid van de Woningwet. </al><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van
                    het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                    welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het
                    jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan
                    uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/ oktober wordt
                    behandeld, zou het 'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni
                    tot juni.</al><al>Jaarverslag burgemeester en wethouders</al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                    welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                    welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                    artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de
                    toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit
                    jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                            welstandsadviezen;</al></li><li nr="-"><al>in welke categorieën van gevallen burgemeester en wethouders de aanvraag
                            voor een lichte bouwvergunning niet aan de welstandscommissie hebben
                            voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben
                            gegeven aan de welstandscriteria;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                            vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>in welke categorieën van gevallen burgemeester en wethouders een besluit
                            hebben genomen tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                            last onder dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke
                            eisen van welstand als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet en na dat
                            besluit tot uitvoering daarvan zijn overgegaan.</al></li></lijst><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                    ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al>Tezamen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                    gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                    bevorderd. </al><al>In de Woningwet wordt per 1 april 2007 een algemene verslagverplichting voor
                    burgemeester en wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                    bouwregelgeving.</al><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering</al><al>Gelet op de korte beslissingstermijnen is een beperkte adviestermijn met een
                    oplossing voor termijnoverschrijding noodzakelijk. </al><al>In de MBV is dit uitgangspunt als procedurevoorschrift uitgewerkt.</al><al>De adviestermijn laat de mogelijkheid van beoordeling van een schetsplan
                    onverlet, omdat het uitgangspunt voor de adviestermijn de beoordeling van een
                    aanvraag om bouwvergunning is.</al><al>De Woningwet formaliseert de behandeling van bouwplannen door de korte
                    beslissingstermijnen. Ook voor de welstandsadvisering houdt dit in dat de
                    behandeling snel moet leiden tot een positieve of negatieve conclusie, omdat in
                    beginsel binnen twaalf weken respectievelijk zes weken op de aanvraag om
                    bouwvergunning moet zijn beslist. Indien bij een verlening van een
                    bouwvergunning in twee fasen, de eerstefasetoetsing moet worden herhaald vanwege
                    een wijziging van het bouwplan in de tweede fase, zou in beginsel een relatief
                    korte termijn van twee weken kunnen gelden, omdat volgens de wetgever alleen de
                    wijzigingen van het bouwplan voorzover relevant door de welstandscommissie
                    opnieuw moeten worden beoordeeld. </al><al>Indien de commissie niet binnen de in dit artikel gestelde termijnen adviseert,
                    zullen burgemeester en wethouders zelf moeten beslissen of het bouwwerk waarop
                    de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft niet in strijd is met redelijke
                    eisen van welstand. Daarbij dienen zij de in de welstandsnota opgenomen
                    welstandscriteria in acht te nemen.</al><al>Indien er een aanvraag om bouwvergunning wordt ingediend, ten aanzien waarvan
                    een discussie over alternatieven verwacht kan worden, lijkt het raadzaam overleg
                    voorafgaand aan de indiening van een formele bouwaanvraag te stimuleren.</al><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat
                    nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de
                    Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in
                    openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een
                    beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige
                    aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat
                    openbaarheid te weigeren.</al><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstands¬vergadering
                    bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde
                    bouwplannen ter inzage te leggen bij de agenda en daarvan melding te maken in de
                    bekendmaking.</al><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van
                    betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het
                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het
                    welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer. </al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                    onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager
                    van de bouwvergunning en anderzijds andere belanghebbenden. </al><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de bouwvergunning. </al><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn bouwaanvraag
                    toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien
                    nodig - wellicht eerder tot alternatieve bouw¬oplossingen worden gekomen,
                    waardoor de noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden
                    verkleind.</al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                    geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                    spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2
                    Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen die tijdens de vergadering
                    van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele
                    rechterlijke procedure tegen de bouwvergunning geen 'recht van spreken' hebben
                    omdat zij geen belanghebbenden zijn. </al><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                    vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan
                    zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op
                    de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de
                    termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door
                    eventuele sprekers geen sprake is.</al><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de ver¬gaderingen
                    waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor
                    informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal
                    door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd.
                    De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient.</al><al>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                    mandaat. Behalve de keuze tussen álle bouwaanvragen voorleggen aan de
                    welstandscommissie (artikel 9.1, alternatief 1 en 3) en alleen reguliere
                    bouwaanvragen voorleggen aan de welstandscommissie (artikel 9.1, alternatief 2
                    en 4), blijkt in de praktijk behoefte te bestaan aan een tussenvorm voor
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, zoals bedoeld in alternatief 2 van
                    artikel 9.7 MBV. Het is evident dat deze tussenvorm niet kan worden gecombineerd
                    met een keuze voor artikel 9.1 MBV, alternatief 1 of 3, waarbij de advisering
                    ten aanzien van licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken immers aan de
                    welstandscommissie wordt opgedragen. Dit houdt in dat de welstandstoets van
                    bouwplannen voor licht-vergunning¬plichtige bouwwerken die voldoen aan de
                    welstandscriteria uit de welstandsnota wordt gemandateerd aan een ambtenaar. Het
                    mandaat kan slechts bestaan uit een positief welstandsoordeel. </al><al>Indien het bouwplan niet aan de criteria uit de nota voldoet, leggen
                    burgemeester en wethouders het bouwplan alsnog voor aan de
                    welstandscommissie.</al><al>Mandaat aan één persoon verdient in dit verband de meeste aandacht. Indien bij
                    artikel 9.2 gekozen is voor alternatief 1 of 2 kan aan een ambtelijk secretaris,
                    die geen lid is van de commissie, geen mandaat worden verleend. Mandaat aan een
                    subcommissie behoort uiteraard wel tot de mogelijkheden. </al><al>De meest voorkomende vorm van mandaat aan één persoon komt neer op de afdoening
                    van een welstandsadvies door een gemandateerde bij plannen waarvan de mening van
                    de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. </al><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor mandatering met
                    betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken (bijvoorbeeld
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken)</al><al>Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal uitgesloten.</al><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat vraagt met name ten aanzien van de
                    openbaarheid enige aandacht. Met name in geval van veelvoorkomende kleine
                    bouwplannen zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen
                    door de gemandateerde bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per
                    bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden
                    voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al><al>Voor een beknopte uiteenzetting over mandatering: zie de VNG-uitgave 'WRO 2000
                    in de praktijk', vragen en antwoorden gewijzigde WRO (3 april 2000), bijlage
                    3.</al><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><al>Lid 1 </al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt
                    vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat sinds 1 januari 2003 in artikel 12b,
                    eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet
                    ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete motivering
                    achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct zodra
                    bezwaar tegen de bouwvergunning wordt ingediend.</al><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                    standplaatsen</al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, wordt verwezen naar alternatief 3 of 4 van artikel 1.3
                    MBV.</al><al>10.Overige administratieve bepalingen</al><al>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</al><al>De aanvraag</al><al>Ook de Woningwet 1962 hanteerde de eis van een woonvergunning voor het in
                    gebruik geven of nemen van een gebouw als woning, waarin laatstelijk niet of
                    niet eerder legaal gewoond werd. Moet het gebouw voor het tot bewoning bruikbaar
                    maken verbouwd worden en is voor die verbouwing een bouwvergunning nodig, dan
                    wijkt de eis van een woonvergunning voor de eis van een bouwvergunning.</al><al>Met de Woningwet van 1991 verandert er in zoverre iets, dat de woonvergunning nu
                    in de wet is uitgewerkt in plaats van in de bouwverordening. In de nieuwe
                    bouwverordening is alleen nog plaats voor een invulling van de wijze van
                    indiening en inrichting van de aanvraag, zoals artikel 8, lid 2, onder e, van de
                    Woningwet verplichtend vaststelt. Volstaan is met het in artikel 10.1 opnemen
                    van de op basis van de oude bouwverordeningen gangbare aanvraagbescheiden voor
                    een woonvergunning.</al><al>De vergunning</al><al>Met het in de Woningwet 1991 uitwerken van de woonvergunning verdwijnt overigens
                    de regeling van de oude bouwverordening. Op grond van de op de Woningwet 1962
                    gebaseerde MBV kon een woonvergunning worden geweigerd als er sprake was van
                    strijd met het bestemmingsplan of de voor woningbouw geldende nieuwbouweisen. Op
                    grond van artikel 60 van de Woningwet 1991 mag en moet een woonvergunning alleen
                    worden geweigerd als de aanvraag strijd oplevert met het bestemmingsplan of de
                    bouwverordening.</al><al>Welk deel van de bouwverordening hiermee bedoeld kan zijn, is onduidelijk.</al><al>Het niet voldoen aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit is uitdrukkelijk geen
                    weigeringgrond voor de woonvergunning.</al><al>Uit het eerste lid van artikel 60 van de Woningwet valt af te leiden, dat het
                    gebouw in principe geschikt moet zijn voor bewoning. Is er geen uit het
                    bestemmingsplan of de bouwverordening voortvloeiende weigeringgrond en is het
                    gebouw bouw- en/of woontechnisch toch niet geschikt tot bewoning, dan zijn er
                    volgens het Ministerie van VROM twee manieren om af te dwingen, dat het gebouw
                    alsnog geschikt gemaakt wordt:</al><al>1 het op grond van artikel 60, vierde lid, verbinden van bouw- en/of
                    woontechnische voorwaarden aan de woonvergunning;</al><al>2 een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet.</al><al>Ad 1</al><al>Welke bouw- en/of woontechnische eisen kunnen redelijkerwijs nog als voorwaarden
                    aan de woonvergunning verbonden worden? Bij het eisen van uitgebreide technische
                    maatregelen wordt op een gegeven moment immers een bouwvergunning noodzakelijk
                    en de wetssystematiek gaat ervan uit, dat er of een woonvergunning of een
                    bouwvergunning noodzakelijk is.</al><al>Ad 2</al><al>Bij welk niveau van eisen is er sprake van ongeschiktheid tot bewoning?
                    Onderschrijdt de kwaliteit van het gebouw het niveau van eisen voor de bestaande
                    woningbouw, dan is er geen discussie. Dit niveau geeft in feite de
                    onbewoonbaardheidsgrens aan. Het nieuwe gebruik van het gebouw als woning kan
                    echter niet getoetst worden aan de nieuwbouweisen. Bij een besluit ingevolge
                    artikel 13 Woningwet gaat het immers om het aantonen van de noodzakelijkheid van
                    voorzieningen. Ten aanzien van gebouwen die over een voorzieningenniveau
                    beschikken, dat ligt tussen het niveau voor nieuwbouw en het niveau voor
                    bestaande bouw, zal de noodzakelijkheid van een besluit ingevolge artikel 13
                    Woningwet niet gauw aangetoond kunnen worden.</al><al>De praktijk zal de antwoorden uit moeten wijzen.</al><al>Het kiezen voor de tweede oplossing heeft overigens als nadeel, dat bewoning
                    wordt toegestaan voordat het gebouw geschikt is tot bewoning.</al><al>De woonvergunning is een beschikking. Dat betekent dat naast de eisen van de
                    bouwverordening, de algemene eisen van de Awb van toepassing zijn. De aanvraag
                    moet dus bijvoorbeeld schriftelijk worden ingediend bij het bestuursorgaan dat
                    bevoegd is op de aanvraag te beschikken (artikel 4:1 Awb). </al><al>Ingevolge artikel 60 van de Woningwet zijn burgemeester en wethouders het
                    bevoegde orgaan.</al><al>Worden de in de bouwverordening geeiste gegevens niet ingediend, dan is artikel
                    4:5 juncto artikel 4:15 Awb van toepassing.</al><al>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                    onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</al><al>Artikel 8, tweede lid, onder f, van de Woningwet, eist een voorschrift voor de
                    overdraagbaarheid van de aldaar genoemde op de Woningwet gebaseerde
                    vergunningen.</al><al>De op de Woningwet 1962 gebaseerde MBV bevatte een regeling voor de
                    overdraagbaarheid van bouwvergunningen. Deze bepaling is in de nieuwe MBV
                    overgenomen voor de overdraagbaarheid van alle op de Woningwet en
                    bouwverordening gebaseerde vergunningen.</al><al>Artikel 10.3 houdt in, dat burgemeester en wethouders verplicht zijn tot
                    overschrijving als daarom wordt gevraagd, zelfs al leidt overschrijving tot een
                    niet gewenste en planologisch niet juiste situatie. Zowel de rechtverkrijgende
                    onder bijzondere titel (bij voorbeeld de koper) als de rechtverkrijgende onder
                    algemene titel (bij voorbeeld de erfgenaam) moet om overschrijving vragen. Met
                    het recht van de verkrijgende wordt hier het recht bedoeld dat is neergelegd in
                    de vergunning.</al><al>De wet van 10 juni 2004 is onder de naam Aanpassingswet BIBOB verschenen in Stb.
                    2004, 320, en krachtens Besluit van 31 augustus 2004 in werking getreden op 15
                    september 2004, Stb. 2004, 452. In de Woningwet zijn de artikelen 44a en 59
                    gewijzigd.</al><al>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</al><al>De tekst van de toelichting komt te vervallen.</al><al>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                    alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften</al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's), alsmede op de - bij ministeriële regeling
                    gepubliceerde - Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van
                    werken (UAV). Dit artikel maakt het mogelijk dat burgemeester en wethouders bij
                    toepassing van de voorschriften van de bouwverordening afwijken van een daarin
                    aangewezen NNI-publicatie of ander voorschrift, voor zover zij zich daarbij
                    houden aan de herziene tekst van die zelfde publicatie of dat zelfde
                    voorschrift. Bij een dergelijke herziening wordt door de daartoe bevoegde
                    instantie immers in het algemeen een zorgvuldige procedure in acht genomen,
                    waarbij een commissie van deskundigen - onder meer afkomstig uit gemeentelijke
                    kring - wordt ingeschakeld, een voorafgaande publicatie van een voorlopige
                    editie plaatsvindt met bijgevoegd verzoek om commentaar enz. Met het onderhavige
                    voorschrift wordt bereikt dat niet onmiddellijk na het verschijnen van een
                    gecorrigeerde, aangevulde of nieuwe uitgave van een norm, voornorm,
                    praktijkrichtlijn of ander voorschrift de bouwverordening moet worden gewijzigd
                    om de actuele versie van de aangewezen uitgave van kracht te doen zijn.</al><al>11.Handhaving</al><al>Algemeen</al><al>Dit hoofdstuk bevatte tot en met de elfde serie wijzigingen van de
                    Model-bouwverordening 1992 een nadere uitwerking van de bijzondere
                    bestuursdwangbevoegdheden van burgemeester en wethouders krachtens het
                    toenmalige artikel 8, tweede lid, onderdeel i juncto artikel 100, derde lid van
                    de Woningwet.</al><al>Sinds 1 april 2007 is de handhavingsystematiek en de regeling van de handhaving
                    integraal herzien. Het aanschrijfinstrumentarium voor bestaande bouwwerk vormt
                    niet langer een geïsoleerd deel van de Woningwet, maar sluit beter aan op de
                    voorschriften inzake het bouwen van bouwwerken. Qua systematiek is zoveel
                    mogelijk aangesloten bij het generieke instrumentarium van de Awb.</al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de
                    bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken
                    vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe
                    nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit
                    2003 gaat nu voor alle bouwwerken gelden (artikel 1b Woningwet), voor de
                    bouwverordening krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor
                    het welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet.
                    Met het generieke handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de
                    Awb kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw, ander
                    bouwwerk of standplaats gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003, dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open
                    erf of terrein in overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk
                    van een bouwwerk of standplaats niet in ernstige mate strijdig is met redelijke
                    eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die zijn vastgelegd in de
                    welstandsnota.</al><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient
                    vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003 het bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of
                    standplaats in strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de staat van
                    dat gebouw, ander bouwwerk of die standplaats weer in overeenstemming met die
                    voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde termijn
                    maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig artikel 5:24,
                    vierde lid, van de Awb de toepassing van bestuursdwang voorkomen dan wel
                    overeenkomstig artikel 5:32, vijfde lid, van de Awb het verbeuren van een
                    dwangsom voorkomen.</al><al>Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                    samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep
                    en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen).</al><al>Deze nieuwe systematiek betekent ook een vereenvoudigde regeling voor de
                    toepassing van bestuursdwang bestaande uit het stilleggen van de bouw- en
                    sloopwerkzaamheden. Op grond van artikel 125 van de Gemeenteweg blijft de
                    mogelijkheid bestaan om met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel
                    5:32 van de Awb met een last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen
                    illegale bouw- en sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze
                    werkzaamheden. Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste
                    vergunning wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende
                    aanleiding om spoedshalve bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel
                    5:25, zesde lid van de Awb. Het direct met bestuursdwang optreden tegen illegale
                    bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te voorkomen dat de illegale
                    situatie verder in omvang toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders mogelijk
                    voor voldongen feiten worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden
                    verwezen naar de uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11
                    juni 2003 (BR 2003, 893).</al><al>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</al><al>Dit onderwerp wordt thans geregeld in artikel 5:18 Awb. In het kader van
                    toezicht zijn voorts van belang: </al><lijst><li nr="-"><al>Het betreden en binnentreden van woningen met toestemming van de
                            bewoners, artikel 5:15 Awb.</al></li><li nr="-"><al>In artikel 5:15 Awb is tevens geregeld dat de toezichthouder zich kan
                            doen vergezellen van de 'sterke arm'.</al></li><li nr="-"><al>Idem, zonder toestemming van de bewoner, artikel 10, lid 5 Ww.</al></li><li nr="-"><al>Procedurele voorschriften over het binnentreden, Algemene wet op het
                            binnentreden.</al><lijst><li nr="12."><al>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</al></li></lijst></li></lijst><al>Algemeen</al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                    steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op
                    de economische delicten. Daarom is strafbaarstelling in de MBV niet langer
                    mogelijk.</al><al>Omdat in deze verordening onderwerpen van verschillende herkomst en structuur
                    zijn ondergebracht is het noodzakelijk voor elk daarvan een afzonderlijk
                    overgangsartikel op te nemen. </al><al>Artikel 12.1 Strafbare feiten</al><al>1.De artikelen 106 tot en met 111 van de Woningwet zijn per 1 april 2007
                    vervallen. Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening als bedoeld in
                    artikel 7b Woningwet zijn met ingang van deze datum strafbaar gesteld in artikel
                    1a, onder 2o van de Wet op de economische delicten (WED).</al><al>Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening op het terrein van
                    (brand)veiligheid en gezondheid valt eveneens hieronder. De wetgever heeft
                    gekozen voor het onder de WED brengen van deze overtredingen, omdat aan
                    overtredingen als bedoeld veelal een financieel-economisch belang ten grondslag
                    ligt. Door de indeling in artikel 1a, onder 2o van de WED wordt aangesloten bij
                    de strafbaarstelling van een groot aantal milieudelicten, die veelal een
                    vergelijkbare achtergrond hebben en waarmee inmiddels de nodige ervaring is
                    opgedaan door de politie, het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht. Voor
                    deze indeling heeft de wetgever mede gekozen vanwege het (potentiële) gevaar en
                    de (potentieel) zeer ernstige gevolgen die het niet naleven van deze
                    voorschriften met zich mee kan brengen. Indien opzettelijk gepleegd, zijn deze
                    delicten misdrijven; indien niet opzettelijk gepleegd, zijn het
                    overtredingen.</al><al>Overgangsrecht strafbare feiten: Artikel 132 van de Woningwet bepaalt dat
                    overtredingen van de oude bouwverordening worden afgedaan volgens de oude
                    Woningwet. Men zie artikel 97 oude Woningwet en artikel 394 oude MBV.</al><al>2.Het tweede lid van artikel 110 van de Woningwet bevat een uitzondering op het
                    bepaalde in het eerste lid aangaande de overtreding van een voorschrift gegeven
                    krachtens artikel 120 van de Woningwet. Artikel 120 gaat over voorschriften in
                    een a.m.v.b. ter nakoming van internationale verplichtingen. Overtreding van de
                    verbodsbepaling is in artikel 110, tweede lid van de Woningwet aangemerkt als
                    een economisch delict in de zin van de Wet op de Economische Delicten
                    (WED).</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is een nakoming van een Europese
                    internationale verplichting. Artikel 11 van dit Besluit en artikel 12.1, tweede
                    lid van de MBV legt de relatie met het tweede lid van artikel 110 van de
                    Woningwet. Overtreding van de artikelen genoemd in het tweede lid van artikel
                    12.1, voor zover deze betrekking hebben op het slopen van asbest, is een
                    economisch delict.</al><al>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</al><al>Dit artikel voorkomt dat na het van kracht worden van deze bouwverordening
                    opnieuw verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Deze regel geldt niet
                    wanneer burgemeester en wethouders van mening zijn dat het eerder uitgevoerde
                    indicatieve bodemonderzoek niet meer als recent kan worden aangemerkt.</al><al>Voor de vraag wat kan worden verstaan onder een recent onderzoek, zie de
                    toelichting bij artikel 2.4.1 van de Model-bouwverordening.</al><al>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                    terreinen</al><al>De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor bestaande
                    situaties. Er zijn veel bestaande situaties die niet aan deze eisen voldoen en
                    redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen worden. Voor nieuwe situaties - dat
                    wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van deze voorschriften -
                    lijkt de eis wel redelijk.</al><al>Wanneer een bestaand gebouw, dat krachtens deze overgangsbepaling niet aan de
                    nieuwe voorschriften behoeft te voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een
                    vergunning nodig is op grond van artikel 40 van de Woningwet, kunnen in die
                    vergunning eisen omtrent de bereikbaarheid van dat gebouw worden gesteld. Dit om
                    te voorkomen dat een eenmaal bestaand gebouw nimmer aan meer eigentijdse eisen
                    van bereikbaarheid zou behoeven te voldoen.</al><al>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</al><al>Deze overgangsbepaling strekt ertoe een gebruiksvergunning die is verleend
                    krachtens artikel 26 van de brandbeveiligingsverordening haar rechtskracht te
                    doen behouden. Het tweede lid heeft eveneens deze strekking, maar dan voor de
                    ontheffingen, toestemmingen, voorschriften, beperkingen krachtens de
                    brandbeveiligingsverordening.</al><al>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 12.6 Slotbepaling</al><al>Algemeen</al><al>De bepalingen voor de bekendmaking van verordeningen zijn gegeven in de
                    artikelen 139 e.v. van de Gemeentewet. Bekendmaking van verordeningen, zijnde
                    algemeen verbindende voorschriften, geschiedt door plaatsing van het besluit in
                    het gemeenteblad of in een andere, door de gemeente algemeen verkrijgbaar
                    gestelde uitgave. </al><al>Dit geldt ook voor een opnieuw vastgestelde verordening. Een (opnieuw)
                    vastgestelde verordening dient op grond van artikel 140 van de Gemeentewet
                    kosteloos voor eenieder ter inzage te liggen op de gemeentesecretarie, dan wel
                    op een andere, door de raad te bepalen plaats.</al><al>De inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na de
                    bekendmaking; zie artikel 142 van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan echter een
                    ander tijdstip van inwerkingtreding in de verordening vaststellen of
                    burgemeester en wethouders in de verordening de bevoegdheid geven om de
                    inwerkingtreding van de veror-dening op een nader tijdstip te bepalen.</al><al>De verordening moet na de bekendmaking worden medegedeeld aan het parket van het
                    arrondissement waarin de gemeente is gelegen; zie artikel 143 van de
                    Gemeentewet. Een termijn daarvoor is niet opgenomen, doch spoedige mededeling
                    ligt in de rede. Tevens dient tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de
                    bekendmaking een afschrift van de verordening te worden gezonden aan de
                    inspecteur van de Volkshuisvesting binnen wiens ambtsgebied de gemeente ligt;
                    zie artikel 95 van de Woningwet.</al><al>Alternatief 1 (inwerkingtreding ineens)</al><al>Als na de vaststelling door de gemeenteraad de bouwverordening in zijn geheel op
                    dezelfde datum in werking treedt dient alternatief 1 in de bouwverordening
                    opgenomen te worden.</al><al>Alternatief 2 (gefaseerde inwerkingtreding)</al><al>De mogelijkheid bestaat om de bouwverordening gefaseerd in werking te laten
                    treden. Aangeraden wordt om hier zo min mogelijk gebruik van te maken. Met
                    betrekking tot een aantal onderwerpen kan het organisatorisch echter wenselijk
                    zijn om de artikelen omtrent deze onderwerpen op een later tijdstip in werking
                    te laten treden.</al><al>In beginsel komen drie onderwerpen in aanmerking: de bodembepalingen, de
                    sloopbepalingen (inclusief de bouwafvalbepaling) en de bepalingen omtrent het
                    brandveilig gebruik.</al><al>Van een of meerdere van deze onderwerpen kan de inwerkingtreding worden
                    uitgesteld. </al><al>De gewenste artikelen kunnen bij lid 1 gekozen worden.</al><al>Bij lid 2, sub a, dient, in het geval dat ervoor gekozen is de inwerkingtreding
                    van (mede) de sloopbepalingen uit te stellen, de aangegeven toevoeging plaats te
                    vinden.</al><al>Lid 2, sub b, mag niet opgenomen worden voor het geval dat de inwerkingtreding
                    van (mede) de bepalingen voor het brandveilig gebruik uitgesteld worden.</al><al>Het moment van inwerkingtreding van de desbetreffende artikelen dient te zijner
                    tijd bij raadsbesluit vastgesteld te worden. Desgewenst kunnen voor de diverse
                    artikelen verschillende momenten van inwerkingtreding bepaald worden.</al><al>Indien de gemeente reeds bij de vaststelling van de MBV 1992 het tijdstip wil
                    bepalen waarop de desbetreffende artikelen in werking treden, kan zij een
                    bepaling ter zake aan dit artikel 12.6 toevoegen.</al><al>De inwerkingtreding van alle artikelen dient vóór 1 oktober 1993 te geschieden,
                    zo bepaalt de Woningwet 1991. </al><al>Bijlage 1</al><al>Toelichting verordening</al><al>Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen.</al><al>Figuur 1 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c)</al><al>Figuur 2 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8)</al><al>Figuur 3 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al>Figuur 4 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al>Figuur 5 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al>Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    b)</al><al>Figuur 7 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c)</al><al>Figuur 8 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c)</al><al>Figuur 9 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    d)</al><al>Figuur 10 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    e)</al><al>Figuur 11 Teruglegging met het oog op de daglicht toetreding van
                    achtergevelrooilijn die een scherpe hoek met elkaar vormen (ingevolge artikel
                    2.5.11, lid 2)</al><al>Figuur 12 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). </al><al>Binnen de bebouwde kom</al><al>Figuur 13 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). </al><al>Buiten de bebouwde kom</al><al>Figuur 14 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.24, alternatief 2). </al><al>Binnen grootstedelijke delen van de bebouwde kom</al><al>Figuur 15 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    eerste alinea)</al><al>Figuur 16 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    tweede alinea)</al><al>Figuur 17 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.21, tweede lid,
                    eerste alinea)</al><al>Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.20, tweede lid,
                    tweede alinea)</al><al>Figuur 19 Hoogte van een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn (artikelen
                    2.5.22)</al><al>Bijlage 2</al><al>Voorbeeldvoorwaarden bij een gebruiksvergunning</al><al>Bijlage bij toelichting op hoofdstuk 6 van de Model-bouwverordening</al><al>Voor zover in deze vergunning niet anders is bepaald, gelden de eisen inzake
                    brandveilig gebruik uit de bijlagen 3 en 4 van de bouwverordening.</al><al>Gebruikseisen afhankelijk van de bestemming</al><al>Voor het vaststellen van de vergunningvoorwaarden per bouwwerk wordt
                    gebruikgemaakt van de matrix in deze bijlage. </al><al>Categorieën bouwwerken</al><al>Matrix ter vaststelling van mogelijke vergunningsvoorwaarden per bouwwerk
                    categorie </al><al>Bouwwerk -art/.nr. categorie/lid.nr. 1.1 1.2 2 3.1 3.2 3.3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
                    13 14</al><al>woongebouwen </al><al>(niet zelfredzaam) x x x x x </al><al>kantoorgebouwen x x x x x</al><al>logiesgebouwen en logiesverblijven x x x x x x</al><al>onderwijsgebouwen x x x x x</al><al>sportgebouwen x x x x x x</al><al>cellen en celgebouwen x x x x x x </al><al>gezondheidszorg-gebouwen x x x x x </al><al>bijeenkomstgebouwen x x x x x x x x x x x x x</al><al>winkels(gebouwen) x x x x x x x x</al><al>stationsgebouwen x x x x x</al><al>horecagebouwen x x x x x x</al><al>industriegebouwen x x x x x x</al><al>Voorbeeldteksten voor vergunningvoorwaarden</al><al>Artikel 1 Stoffering en versiering</al><al>1 De toegepaste materialen moeten voldoen aan:</al><lijst><li nr="-"><al>NEN 1775, uitgave 1991, en NEN 1775/A1, uitgave 1997, klasse T1 ten
                            aanzien van vloeren;</al></li><li nr="-"><al>NEN 6065, uitgave 1991, en NEN 6065/A1, uitgave 1997, klasse 1 ten
                            aanzien van overige aankleding en versiering;</al></li><li nr="-"><al>de eis ten aanzien van gordijnen van een navlamduur van ten hoogste 15
                            seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden, bepaald volgens
                            NEN- EN-ISO 6940 en 6941, uitgave 1995;</al></li><li nr="-"><al>NEN 6066, uitgave 1991, en NEN 6066/A1, uitgave 1997, optische
                            rookdichtheid &lt; 5,4 m-1.</al></li></lijst><al>2 Decors, rekwisieten e.d. mogen niet makkelijk ontvlambaar zijn en mogen bij
                    brand geen grote rookontwikkeling geven.</al><al>Artikel 2 Uitgangen en vluchtwegen</al><al>1 In de portiersloge/centraalpost dient voor het geval het cellengedeelte onder
                    de rook staat en betreden ervan zonder gebruik van adembeschermende apparatuur
                    niet verantwoord is een speciale kast aanwezig te zijn, die toegankelijk is voor
                    de brandweer en waarin zich een voldoende aantal moedersleutels bevindt waarmee
                    alle deuren in het cellencomplex kunnen worden geopend. Het aantal dient in
                    overleg met de plaatselijke brandweer te worden vastgesteld.</al><al>2 Waar op de bij de gebruiksvergunning behorende tekening(en) als zodanig is
                    aangegeven, dient duidelijk zichtbaar het opschrift: 'NOODDEUR VRIJHOUDEN' en/of
                    'NOODUITGANG' te zijn aangebracht met ten minste 8 centimeter hoge letters,
                    volgens NEN 3011, uitgave 1986.</al><al>Artikel 3 Installaties</al><al>1 In de woningen met een bijzondere bestemming moet het elektrisch komfoor zijn
                    voorzien van een tijdschakelaar met een instelbare tijdsduur van ten hoogste 30
                    minuten.</al><al>2 a Wanneer het omwille van een voorstelling noodzakelijk is dat met de
                    decorstukken onder het brandscherm wordt doorgebouwd, moet hiervoor schriftelijk
                    toestemming worden gevraagd aan de commandant van de brandweer.</al><al>b Het brandscherm mag tijdens de aanwezigheid van publiek in de zaal alléén
                    geopend zijn, indien er een door de commandant van de brandweer erkende
                    theaterwacht bij het bedieningsmechanisme aanwezig is.</al><al>c Op aanwijzing van de met controle belaste functionarissen van de gemeentelijke
                    brandweer moet het brandscherm worden neergelaten.</al><al>3 Het op de plattegrondtekening als zodanig aangegeven telefoontoestel moet te
                    allen tijde voor onmiddellijk gebruik beschikbaar zijn.</al><al>Artikel 4 Standbouw, podia, kramen e.d.</al><al>1 a Voor standbouw, podia e.d. mogen uitsluitend onbrandbare materialen en/of de
                    volgende stoffen worden toegepast onder voorwaarde dat de hoedanigheid van deze
                    stoffen overeenkomt met de volgende nadere omschrijving.</al><al> b Hout, hardboard, triplex, multiplex, spaanplaat.</al><al>Het materiaal moet ten minste 3.5 millimeter dik zijn.</al><al>Het materiaal moet ten aanzien van vlamuitbreiding kunnen worden ingedeeld in
                    klasse 3, als bedoeld in NEN 6065, uitgave 1991, en NEN 6065/A1, uitgave
                    1997.</al><al>c Glas in buitenwanden en scheidingswanden tussen stands. Deze glasbezetting
                    moet bestaan uit veiligheidsglas of glas met een ingegoten kruiswapening met een
                    maximale maaswijdte van 16 millimeter.</al><al>d Glas in plafonds.</al><al>Deze glasbezetting moet bestaan uit glas met een ingegoten kruiswapening met een
                    maximale maaswijdte van 16 millimeter.</al><al> e Textiel in verticale toepassing.</al><al> Vrijhangend textiel moet ten minste 10 centimeter boven de vloer hangen.</al><al>Onbrandbaar textiel mag na behandeling voor speciale doeleinden niet brandbaar
                    zijn geworden.</al><al>Brandbaar textiel moet door impregneren moeilijk brandbaar zijn gemaakt, of
                    moeilijk brandbaar zijn geworden door het materiaal op een van de hiervoor
                    genoemde materialen te plakken.</al><al>De moeilijk brandbare hoedanigheid moet blijken uit een navlamduur van ten
                    hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden, bepaald
                    volgens NEN-EN-ISO 6940 en 6941, uitgave 1995, en moet vallen in de klasse 'niet
                    gemakkelijk ontvlambaar'. </al><al> f Textiel in horizontale toepassing.</al><al>Moeilijk brandbare natuurvezel en moeilijk brandbare kunstvezel moeten
                    onderspannen zijn met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 35
                    centimeter of zijn onderspannen met een metaaldraad in twee richtingen met een
                    maaswijdte van ten hoogste 70 centimeter.</al><al>Brandbaar textiel moet tevens door impregneren moeilijk brandbaar zijn
                    gemaakt.</al><al>De moeilijk brandbare hoedanigheid moet door een proef kunnen worden
                    aangetoond.</al><al>g Kunststoffen in dit geval foliemateriaal eventueel voorzien van een zogenaamde
                    textielrug.</al><al>Het materiaal moet op een ondergrond van onbrandbaar materiaal zijn geplakt of
                    op board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas in de hiervoor aangegeven
                    hoedanigheid.</al><al> h Kunststoffen in dit geval plaatmateriaal.</al><al>Deze stoffen en alle hiervoor genoemde stoffen en materialen moeten voldoen aan
                    NEN 6065, uitgave 1991, en NEN 6065/A1, uitgave 1997, klasse 3. </al><al>Deze stoffen en materialen mogen nadat zij in aanraking zijn gekomen met vuur of
                    nadat zij aan hoge temperaturen hebben blootgestaan geen prikkelende of voor de
                    gezondheid schadelijke gassen of dampen ontwikkelen en mogen niet druipen.</al><al> i Papier zoals behangpapier, crêpepapier en fotopapier.</al><al>Het papier moet zijn geplakt op een ondergrond van onbrandbaar materiaal of op
                    board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas in de hiervoor omschreven
                    hoedanigheid, dan wel het papier moet door impregneren voldoen aan NEN 6065,
                    uitgave 1991, en NEN 6065/A1, uitgave 1997, klasse 3. </al><al>j Doeken, gordijnen e.d. welke moeilijk brandbaar zijn gemaakt, moeten zijn
                    voorzien van een stempel of label waarop het waarmerk van de gemeentelijke
                    brandweer en het jaar van impregneren zijn aangegeven.</al><al>k Het impregneren moet ten minste 24 uren voor de aanvang van het evenement
                    gereed zijn. De doeken, gordijnen e.d. welke niet zijn geïmpregneerd, moeten
                    voor de aanvang van het evenement zijn verwijderd.</al><al>l De gangpaden binnen de opstellingsruimte waarlangs de stands, kramen e.d. zijn
                    opgesteld moeten ten minste 1,10 meter breed zijn.</al><al>Artikel 5 Verbrandingsmotoren</al><al>Bij het tentoonstellen van voertuigen, vaartuigen en/of machines met een
                    verbrandingsmotor moeten:</al><lijst><li nr="-"><al>de reservoirs zijn afgetapt met uitzondering van de reservoirs voor de
                            dieselolie;</al></li><li nr="-"><al>de accuklemmen van de polen zijn verwijderd.</al></li></lijst><al>Het aftappen van de reservoirs mag uitsluitend buiten het bouwwerk
                    plaatsvinden.</al><al>Artikel 6 Verbod voor open vuur en vuurwerk</al><al>1 a Voor het gebruik van vuurwerk is vooraf toestemming nodig van de commandant
                    van de brandweer.</al><al>De toestemming dient minimaal 14 dagen voorafgaand aan het evenement te worden
                    aangevraagd.</al><al>b Voor het gebruik van fakkels tijdens een voorstelling is vooraf toestemming
                    nodig van de commandant van de brandweer. De toestemming dient minimaal 14 dagen
                    voorafgaand aan het evenement te worden aangevraagd.</al><al>2 Het is verboden te roken of open vuur te hebben in ruimten waarvoor dit op de
                    bij de gebruiksvergunning behorende tekening als zodanig is aangegeven.</al><al>Artikel 7 Bewaking en controle</al><al>In verband met de brandveiligheid kan de commandant van de brandweer bepalen dat
                    tijdens de openingsuren een wachtdienst moet worden ingesteld. Deze bewaking
                    dient te geschieden door gediplomeerd en ter zake geïnstrueerd personeel.</al><al>Artikel 8 Ventilatie en werkzaamheden</al><al>a De ventilatieopeningen mogen niet afgesloten worden.</al><al>b Werkzaamheden, waaronder die voor onderhoud, herstel en sloop, dienen zodanig
                    te worden uitgevoerd dat de goede werking van ventilatiesystemen daardoor niet
                    wordt verstoord.</al><al>Artikel 9 Brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende
                    stoffen</al><al>1 In het bouwwerk mogen brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar
                    opleverende stoffen slechts in dagvoorraad aanwezig zijn. De lay-out van het
                    bouwwerk dient zodanig te zijn, dat deze stoffen zich niet bevinden in de
                    nabijheid van nooduitgangen en trappen. Voor spuitbussen, waarvan de inhoud aan
                    brandbare stoffen meer dan 250 gram, dan wel meer dan 45 gewichtsprocenten
                    bedraagt, mag in de winkel het gezamenlijk volume van deze bussen niet meer dan
                    veertig liter bedragen.</al><al>2 Buiten de daartoe op de bij de gebruiksvergunning behorende tekening
                    aangegeven ruimten mogen in het bouwwerk geen brandbare, brandbevorderende en
                    bij brand gevaar opleverende stoffen aanwezig zijn.</al><al>Artikel 10 Opstellingsplannen</al><al>1 Het bouwwerk moet een door de commandant van de brandweer goedgekeurd
                    opstellingsplan bezitten.</al><al>2 De naar de uitgangen lopende gangpaden moeten een breedte hebben van ten
                    minste de op de bij de gebruiksvergunning behorende tekening aangegeven
                    breedte.</al><al>Artikel 11 Afval</al><al>Voor iedere voorstelling moet de ruimte onder de tribunes van papier en ander
                    afval zijn ontdaan.</al><al>Artikel 12 Doorlopend toezicht</al><al>1 a Gedurende de tijd dat personen in het bouwwerk aanwezig zijn, moet een voor
                    de naleving van de eisen van de gebruiksvergunning verantwoordelijk persoon
                    aanwezig zijn die de aanwijzingen van de met controle belaste ambtenaren op
                    eerste aanzegging uitvoert of doet uitvoeren.</al><al>b Door of namens de vergunninghouder moet er doorlopend worden toegezien, dat
                    voor zover van toepassing:</al><lijst><li nr="-"><al>vluchtwegen, of aanduidingen daarvan, goed zichtbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>vluchtwegen goed bereikbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>vluchtwegen en het als verlengstuk van de vluchtwegen aan te merken
                            gedeelte van het aansluitend terrein, met de daarbij behorende deuren en
                            (nood)uitgangen, niet versperd zijn door obstakels;</al></li><li nr="-"><al>de kunstverlichting goed functioneert;</al></li><li nr="-"><al>de vloeren stroef zijn;</al></li><li nr="-"><al>de traptreden stroef zijn;</al></li><li nr="-"><al>vloerbedekking goed vastligt en niet kan omkrullen of oprollen;</al></li><li nr="-"><al>telefoons, of aanduidingen daarvan, goed zichtbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>telefoons goed bereikbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>blusmiddelen, of aanduidingen daarvan, goed zichtbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>blusmiddelen goed bereikbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>het sluiten van rook- en/of brandwerende deuren c.q. luiken niet wordt
                            belemmerd en dat deze voortdurend gesloten zijn;</al></li><li nr="-"><al>elektrische snoeren, stekkers en toestellen in goede staat
                            verkeren;</al></li><li nr="-"><al>geen brandgevaarlijke situaties ontstaan door onveilig gebruik van vuur,
                            gas en/of elektriciteit;</al></li><li nr="-"><al>meldpunten t.b.v. de ontruimingsalarminstallatie goed bereikbaar
                            zijn;</al></li><li nr="-"><al>vluchtwegen worden vrijgehouden van begroeiing, sneeuw en ijs;</al></li><li nr="-"><al>buitentrappen, galerijen en balkons, die bij de vluchtwegen behoren,
                            worden vrijgehouden van begroeiing, sneeuw en ijs.</al></li></lijst><al>Gebreken dienen direct te worden hersteld.</al><al>Artikel 13 Brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de
                    bestaande interne organisatie</al><al>1 a De rechthebbende op het bouwwerk moet in overleg met de commandant van de
                    brandweer een brandveiligheidsinstructie samenstellen ten behoeve van het
                    personeel. De instructie 'Hoe te handelen bij brand' dient in overleg met de
                    commandant van de brandweer te zijn opgehangen.</al><al>b Het personeel dient geïnstrueerd te worden in de voor hun functie geldende
                    brandveiligheidsinstructies.</al><al>c De rechthebbende op het bouwwerk moet in overleg met de commandant van de
                    brandweer een ontruimingsplan opstellen ten behoeve van de in het bouwwerk
                    aanwezige personen.</al><al>Artikel 14 Openingstijden</al><al>De rechthebbende op een bouwwerk geeft aan, op welke tijden het beoogde gebruik
                    plaatsvindt.</al><al>Bijlage 3</al><al>Tabel maximaal toelaatbaar aantal personen in een ruimte van een gebouw met het
                    oog op de brandveiligheid</al><al>Aard van de ruimte Maximaal toelaatbaar aantal personen</al><al>Ruimte met één uitgang1 Brandgevaarlijke ruimte2 waarin: </al><al>a de interne loopafstand6 maximaal 15 m bedraagt, en</al><al>b gelegenheid tot ontkoming3 aanwezig is. 5</al><al> Niet-brandgevaarlijke ruimte2 waarin de interne loopafstand6 tot de
                    gegarandeerd te gebruiken uitgang maximaal 30 m is en met vanaf de buitenkant
                    van de uitgang slechts één vluchtweg4 0,9 x de breedte van de uitgang in cm,
                    doch maximaal 25</al><al> met vanaf de buitenkant van de uitgang, twee vluchtwegen4 0,9 x de breedte van
                    de uitgang in cm, doch maximaal 100</al><al>Ruimte met meer dan één uitgang1 de laagste van de twee uitkomsten uit de
                    berekeningen a en b:</al><al>a 0,9 x de gezamenlijke breedte van alle uitgangen, in cm;</al><al>b alleen indien vanaf de buitenkant van alle meegetelde uitgangen twee
                    vluchtwegen4 aanwezig zijn, en de uitgangen zo ver mogelijk uit elkaar liggen,
                    en de interne loop-afstand6 in een brandgevaarlijke ruimte2 maximaal 15 m
                    bedraagt en in een niet-brandgevaarlijke ruimte2 maximaal 30 m: het aantal
                    uitgangen x 200.5</al><al>1 Uitgang: minimumafmetingen: 2 m hoog en 0,60 m breed.</al><al>2 Brandgevaarlijke ruimte: een ruimte, duurzaam bestemd voor het bewaren van -
                    met betrekking tot brandgevaar - aanmerkelijke hoeveelheden stoffen, als bedoeld
                    in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), of een ruimte
                    voor het in voorraad hebben van de drukvaten met samengeperst, door samenpersen
                    tot vloeistof verdicht of onder druk in vloeistof opgelost, gas dan wel een
                    ruimte voor het verrichten van werkzaamheden die een aanmerkelijk brandgevaar
                    opleveren.</al><al>3 Gelegenheid tot ontkoming: een niet voor normaal gebruik bedoelde
                    vluchtmogelijkheid, zoals een raam, luik, brandladder, uitkomend op een veilige
                    plaats.</al><al>4 Vluchtweg: een weg, bestemd om de in een ruimte van een bouwwerk aanwezige
                    personen in geval van brand gelegenheid te geven vanuit die ruimte op een
                    veilige wijze een veilige plaats te bereiken.</al><al>5 Aantal uitgangen: bij ruimten waarin een zeer groot aantal personen
                    gelijktijdig aanwezig kan zijn, kan van de formule (aantal uitgangen x 200
                    personen) worden afgeweken, indien aan de voorwaarden voor de totale
                    uitgangsbreedte en de maximale interne loopafstand wordt voldaan.</al><al>6 Interne loopafstand: de in een ruimte af te leggen afstand naar een
                    uitgang.</al><al>Bijlage 4</al><al>Stroomschema aanvraag gebruiksvergunning</al><al>Bijlage 5</al><al>Activiteiten samenhangende met slopen en bedreigingen</al><al>Activiteit samenhangende met sloopproject Bedreiging</al><al>Sloopmethode </al><al>Beulen (slopen met behulp van slingeren, zwaaien, vallen van bal) - onvoldoende
                    afstand tot gebouwen</al><lijst><li nr="-"><al>stof bij instorten</al></li><li nr="-"><al>overmatige trillingen</al></li><li nr="-"><al>ongecontroleerd instorten</al></li></lijst><al>Omduwen/omtrekken (uitoefenen kracht haaks op lengterichting met als gevolg
                    breuk) - stof bij instorten</al><lijst><li nr="-"><al>wegspatten dommekracht (hefboom)</al></li><li nr="-"><al>ongecontroleerd instorten</al></li></lijst><al>Expanderen (sloopmethode die gebruik maakt van bepaalde stoffen die een
                    aanzienlijke volumevergroting vertonen; o.a. explosieven.) - rondvliegend
                    puin</al><lijst><li nr="-"><al>opslag e.d.</al></li><li nr="-"><al>trillingen</al></li><li nr="-"><al>stofproductie</al></li><li nr="-"><al>verzakkingen</al></li></lijst><al>Afhijsen (knijpen) - vallend materiaal/onvoldoende afstand</al><lijst><li nr="-"><al>omvallen kraan/maximum hijslast</al></li><li nr="-"><al>afbreken hijslast</al></li></lijst><al>Trekken (uitoefen kracht in de lengterichting) - kantelen trekapparatuur</al><al>-stapelen palen</al><al>Overige methoden: Slopen in het algemeen met de hand vanaf stellingen, al dan
                    niet met behulp van werktuigen. Hierbij kan indien het bouwhek niet vergenoeg
                    staat puin, gereedschap e.d. Buiten het sloopterrein vallen.</al><al>Materieel (bouwkranen, mobiele puinbrekers) - aan- en afvoer</al><lijst><li nr="-"><al>op- en afbouw</al></li><li nr="-"><al>afbreken hijslast of delen daarvan</al></li><li nr="-"><al>omvallen kraan</al></li><li nr="-"><al>overschrijden max. wegbelasting</al></li></lijst><al>Sloopobject -omvallende bouwdelen</al><lijst><li nr="-"><al>wegspattend/vallend puin en gereedschap</al></li><li nr="-"><al>verontreinigd sloopmateriaal</al></li></lijst><al>Activiteit samenhangende met sloopproject Bedreiging</al><al>Sloopterrein - afkalven, instorten bouwputten</al><lijst><li nr="-"><al>opslag van materialen en materieel</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende afgrenzing</al></li></lijst><al>Bouwputten en -sleuven - instorten/afkalven bouwputten en sleuven</al><al>-onjuiste bemaling</al><al>Bodemverontreiniging en afvoer van sloopmaterialen Veiligheidsaspecten reeds
                    gedekt: p-bladen arbeidsinspectie en APV's.</al><al>Bijlage 6 </al><al>Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten behoeve van de
                    opsteller van het sloopveiligheidsplan</al><al>Bedreigde functies en objecten Mogelijke maatregelen (bron-, pad- en object-
                    gericht) Aanbevelingen</al><al>Belendingen Bouwkundige staat - constructief scheiden Overleg met
                    eigenaar/beheerder</al><lijst><li nr="-"><al>trillingsarm slopen belending (in extremo: met de hand)</al></li><li nr="-"><al>stutten/stempelen bouwputten- en sleuven</al></li><li nr="-"><al>gecontroleerd bemalen</al></li><li nr="-"><al>voorzieningen i.v.m. gemeenschappelijke bouwmuren en funderingen</al><al> Gebruikers - trillingsarm slopen Voorlichten gebruikers</al></li><li nr="-"><al>stofarm slopen</al></li><li nr="-"><al>slopen op bepaalde dagen/tijden</al></li><li nr="-"><al>in extreme situaties (calamiteiten): ontruimen</al></li><li nr="-"><al>rekening houden met verontreinigd sloopmateriaal, zoals asbest -</al><al> Gebruiksfuncties - vrijhouden / toegankelijk houden van belendende
                            gebouwen - Overleg met gebruikers, eventueel koppelen aan
                            verkeerscirculatieplan</al></li><li nr="-"><al>aangepaste werktijden</al></li></lijst><al>Gedeeltelijk te slopen objecten Bouwkundige staat resterende constructie -
                    toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat betreft veiligheid Zie ook
                    bouwkundige staat belendingen Getoetst dient te worden aan de regelgeving met
                    betrekking tot veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voor bestaande situaties.
                    Voor mogelijke maatregelen en aanbevelingen zie 'belendingen'</al><al> Gebruikers resterende constructie - toetsen aan Bouw besluit en Bouwveror
                    dening wat betreft veiligheid en gezondheid </al><al>Zie ook gebruikers belendingen. </al><al> Gebruiksfuncties resterende constructie (school, ziekenhuis, e.d.) - toetsen
                    aan Bouw besluit en Bouwverordening wat betreft bruikbaarheid </al><al>Zie ook gebruiksfuncties belendingen </al><al>Infrastructuur Kabels, leidingen en rioleringen - aangepaste sloopmethode
                    Regelen in vooroverleg met betreffende nutsbedrijven</al><lijst><li nr="-"><al>stutten</al></li><li nr="-"><al>beschermen</al></li><li nr="-"><al>(afdekken)</al></li><li nr="-"><al>afsluiten</al></li><li nr="-"><al>omleggen</al></li><li nr="-"><al>hijsplan bij grote hijsklussen</al><al> Straatmeubilair (lantaarnpalen e.d.) - beschermen </al></li><li nr="-"><al>afsluiten</al></li><li nr="-"><al>verwijderen</al><al> Wegen, bruggen, viaducten, e.d. - afdekken (schotten, rijplaten, zand)
                            Overleg met verantwoordelijke instanties</al></li><li nr="-"><al>aangepaste sloop methode</al><al> Waterstaatkundige werken (kanalen, sluizen, dijken e.d.) Overleg met
                            verantwoordelijke instanties</al><al> Overig (tunnels e.d.) Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke
                            instantie</al></li></lijst><al>Verkeerssituatie Voetgangers en fietsers - afdoende afgrenzen sloopterrein Bij
                    complexe situaties: verkeerscirculatieplan </al><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en gemeentediensten</al><lijst><li nr="-"><al>uitstekers (valschermen)</al></li><li nr="-"><al>voetgangerstunnels</al></li><li nr="-"><al>afzetten weggedeelte met hekwerk</al></li><li nr="-"><al>(tijdelijk) afzetten van de gehele weg</al><al> Overig wegverkeer (openbaar vervoer, auto's) - afdoende afgrenzen
                            sloopterrein Bij complexe situaties:</al></li><li nr="-"><al>vrijhouden en waarbor gen veiligheid boven leidingen trams en trolleys
                            Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                            gemeentediensten</al></li><li nr="-"><al>uitstekers</al></li><li nr="-"><al>afzetten weg verkeerscirculatieplan</al><al> Routes voor brandweer- en ziekenhuis auto's e.d. - vrijhouden weg Bij
                            complexe situaties: verkeerscirculatieplan</al></li><li nr="-"><al>aangepaste sloop methode Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke
                            instanties en gemeentediensten</al></li><li nr="-"><al>beperken overige verkeersstroom</al><al> Spoorwegen Regelen in vooroverleg met NS </al><al> Scheepvaart Regelen in vooroverleg met waterbeheerder (RWS, provincie,
                            waterschap, gemeente) </al></li></lijst><al>Bijzondere omstandigheden Veel omstanders - aanbrengen extra
                    veiligheidsvoorzieningen Vooraf informeren omwonenden</al><lijst><li nr="-"><al>afzetten wegen Bij grote manifestaties overleg met gemeente</al><al> Calamiteiten (slopen na brand, explosies e.d) - afzetten weg Overleg
                            met deskundige instanties</al></li><li nr="-"><al>ontruimen belendende percelen</al><al> Vandalen en daklozen - extra afscheiding </al></li><li nr="-"><al>verscherpt toezicht</al></li></lijst><al>Bijlage 7 </al><al>Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><al>Voorbeeld inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><al>1 Naam en correspondentieadres van de aannemer</al><al>2 Ligging van het te slopen perceel</al><al>3 Doel en opzet sloopveiligheidsplan</al><al>4 Beschrijving werkzaamheden</al><al>5 Beschrijving toe te passen sloopmethode(n) en materialen, materieel en hulp-
                    en beveiligingsmiddelen</al><al>6 Verantwoordelijkheden en verantwoordelijke personen met betrekking tot externe
                    veiligheid</al><al>7 Betrokken instanties</al><al>8 Dagindeling werkzaamheden</al><al>9 Instructies aan werknemers</al><al>10 Instructies/voorlichting omwonenden</al><al>11 Voorgenomen veiligheidsmaatregelen</al><al>12 Uitvoering toezicht op maatregelen</al><al>13 Logboek</al><al>Bijlagen bij het sloopveiligheidsplan</al><al>a belangrijke telefoonnummers</al><al>b tekening waarop staat aangegeven: </al><lijst><li nr="-"><al>de situering van het sloopobject;</al></li><li nr="-"><al>de plaats van de bouwkranen;</al></li><li nr="-"><al>de aan- en afvoerwegen;</al></li><li nr="-"><al>de laad-, los- en hijszones;</al></li><li nr="-"><al>de plaats van de bouwketen;</al></li><li nr="-"><al>de situering van het sloopobject ten opzichte van aangrenzende wegen,
                            bouwwerken e.d.;</al></li><li nr="-"><al>de grenzen van het sloopterrein, waarbinnen alle sloopwerkzaamheden, het
                            laden en lossen daaronder begrepen, plaatsvinden;</al></li><li nr="-"><al>de in of op de bodem van het bouwperceel aanwezige leidingen;</al></li><li nr="-"><al>de plaats van ander hulpmaterieel.</al></li></lijst><al>De schaal van deze tekening mag niet kleiner zijn dan 1:1.000. (indien nodig bij
                    detailleringen niet kleiner dan 1:100).</al><al>c controlelijst ten behoeve van externe veiligheid op de werken</al><al>d transportroutes afkomende materialen</al><al>Bijlage 8 </al><al>Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop</al><al>niveau I minimumscheiding niveau I-plus minimumscheiding niveau II niveau III
                    maximumscheiding</al><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch verontreinigde
                    afvalstromen) gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch
                    verontreinigde afvalstromen) olieproducten </al><al>overig gevaarlijk afval afgewerkte olie brandstofrestanten</al><al> batterijen </al><al> accu's</al><al> schoorsteenkanalen</al><al> rookkanalen</al><al> overig chemisch belast puin</al><al> verontreinigde leidingen</al><al> oliehoudende elementen</al><al> coatings, kitten</al><al> bitumineuze materialen</al><al> zeefzand</al><al> tl-buizen/starters</al><al> halogeen lampen</al><al> niet uitputtende lijst, voor</al><al> overzicht zie EURAL</al><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen asbest en asbesthoudende afvalstromen
                    asbestproducten golfplaat spouwbladen brandwerende platen isolatiemateriaal
                    producten niet elders genoemd</al><al> met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval met asbest en asbeststof
                    verontreinigd sloopafval</al><al>metalen metalen ferro constructiebalken e.d.</al><al> metalen trappen e.d.</al><al> betonijzer</al><al> schroot </al><al> tanks, silo's </al><al> ferro niet elders genoemd</al><al> non ferro aluminium (kozijnen, instructies) lood (buis, slabben)</al><al> zink (regenpijp, dakgoot) koperbuis</al><al> non ferro niet elders genoemd</al><al> elektriciteitskabels kabels 220 V </al><al> kabels &gt; 220 V</al><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin steenachtig afval i.c.
                    betonpuin en baksteenpuin beton gewapend beton</al><al> schuimbeton</al><al> gasbeton</al><al> staalvezelbeton</al><al> hoge sterkte beton betonproducten</al><al> beton niet elders genoemd</al><al> metselwerk metselwerkpuin </al><al> metselmortel</al><al> kalkzandsteen metselwerkpuin </al><al> bouwblokken</al><al> dakpannen/ bedekking (beton, keramiek, leisteen) intacte dakpannen</al><al> gebroken dakpannen </al><al> dakleien</al><al> keramiek wandtegels</al><al> plavuizen </al><al> sanitair</al><al> gipshoudende elementen gipsplaat</al><al> stucwerk </al><al> anhydriet</al><al> vloeren</al><al> gipsvezelplaat</al><al> gipshoudende elementen</al><al> asfalt asfaltbeton</al><al> asfaltpuin </al><al> freesafval</al><al> steenwol steenwol steenwol</al><al> glaswol glaswol glaswol</al><al>massief hout(zonder verduurzamings- middelen, direct herbruikbaar) massief
                    hout(zonder verduurzamings-middelen, direct herbruikbaar) massief hout (direct
                    herbruikbaar) balken</al><al> vloerdelen</al><al> trapelementen</al><al> dakbeschot</al><al> regels/tengels</al><al> pallets </al><al> schoon hout niet elders genoemd</al><al> geverfd /gelakt hout gevelelementen</al><al> kozijnen </al><al> deuren</al><al> parketvloeren</al><al> geverfd/gelakt hout niet elders genoemd</al><al> verlijmd hout (plaatmateriaal) spaanplaat</al><al> multiplex</al><al> hardboard</al><al> vezelplaat </al><al> houtwolcementplaat </al><al> bekistingmateriaal </al><al> vloerplaat </al><al> plaatmateriaal niet elders genoemd</al><al> geïmpregneerd hout tuinhout </al><al> bielzen </al><al> geïmpregneerd hout</al><al> niet elders genoemd</al><al>overig afval kunststof gevelelementen kunststof gevelelementen kunststof
                    gevelelementen</al><al> PVC- en PE-leidingen PVC leidingsystemen(riolering, afvoer)</al><al> PP en PE leidingsystemen</al><al> (riolering, afvoer) </al><al> dakfolies </al><al> wandfolies</al><al> vlak glas vlak glas vlak glas </al><al> draadglas </al><al> spiegelglas </al><al> dubbelglas </al><al> HR- en LE-glas</al><al> papier en karton papier en karton papier </al><al> karton</al><al> overig afval LDPE / HDPE dakfolies </al><al> wandfolies </al><al> leidingsystemen</al><al> XPS / EPS vloerisolatie </al><al> dakisolatie </al><al> wandisolatie</al><al> PUR isolatieplaten </al><al> PUR-producten niet elders genoemd</al><al> overige kunststoffen gemengd EPDM</al><al> overige kunststoffen gemengd</al><al> cellulose isolaties cellulose isolaties</al><al> textiel gordijnen vloerbedekking</al><al> door vuil voor hergebruik ongeschikte materialen folies met aanhangend</al><al> papier/karton met aanhangend vuil textiel met aanhangend vuil glas met
                    kitresten</al><al> composiet-materialen beton met PS-platen sandwichpanelen metselwerk met
                    stucwerk beton met stucwerk</al><al> thermohardende kunststoffen meterkasten </al><al> deurknoppen</al><al> overig afval overig afval</al><al>Toelichting tabel</al><al>In de tabel worden drie niveaus onderscheiden. Niveau I en niveau I-plus staan
                    voor de vereiste minimumscheiding zoals bedoeld in artikel 8.4.1. Dit
                    minimumniveau correspondeert met artikel 4.11 waarin de vereiste
                    minimumscheiding van bouwafval is vastgelegd. Het bestaan van twee niveaus,
                    respectievelijk I en I-plus, is nodig omdat de gemeenteraad bij de vaststelling
                    van artikel 4.11 juncto 8.4.1, een keuze heeft uit twee alternatieven.</al><al>Niveau III geeft een optimaal scenario weer, waarin sprake is van een maximale
                    scheiding.</al><al>Niveau II is te beschouwen als een tussenstap, waarmee een verder inzicht wordt
                    verkregen in het opsplitsen naar de verschillende afvalstromen. De verschillende
                    categorieën van afvalstoffen die in niveau II worden onderscheiden, kunnen niet
                    worden opgevat als definitieve oplossingen met betrekking tot scheiden. </al><al>Hierna wordt kort beschreven op welke wijze de tabel kan worden gebruikt als
                    hulpmiddel.</al><al>-Gevaarlijke afvalstoffen; chemische en chemisch belaste afvalstromen:</al><al>Op het gevaarlijke afval is het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen van
                    toepassing (EURAL). Het scheiden van de herbruikbare componenten uit het
                    gevaarlijke afval heeft alleen zin indien deze gescheiden worden op niveau
                    III.</al><al>-Asbest en asbesthoudende afvalstromen</al><al>Het scheiden van asbestproducten tot op niveau III is niet zinvol. Volstaan kan
                    worden met het apart houden van asbest en asbesthoudende producten in één
                    afvalstroom, omdat asbest altijd moet worden gestort.</al><al>-Overige afvalstromen</al><al>Het scheiden van de diverse componenten is alleen zinvol indien hiermee een
                    afvalstroom wordt verkregen die in aanmerking komt voor hergebruik en waarvoor
                    inzamel- en verwerkings- of bewerkingscapaciteit bestaan.</al><al>Voor sommige componenten betekent dit dat gescheiden dient te worden tot niveau
                    III (bijvoorbeeld bepaalde betonproducten, steenachtige isolatiematerialen,
                    dakpannen, metalen, kunststoffen, glas, schoon hout). Voor andere componenten
                    kan ook worden volstaan met scheiding op niveau II (asfalt, metselwerk,
                    kalkzandsteen, geverfd en gelakt hout, verlijmd hout, papier en karton, textiel,
                    kabels).</al><al>-Niet-herbruikbare niet-gevaarlijke (c.q. chemisch verontreinigde)
                    afvalstromen</al><al>In verband met het stortverbod voor bouw- en sloopafval, moet ook deze categorie
                    worden beschouwd als overig afval en worden afgevoerd naar de sorteerinrichting. </al><al>De tabel is niet meer dan een hulpmiddel voor de gemeente bij het bepalen van de
                    mate van scheiding die zal worden voorgeschreven in de sloopvergunning.</al><al>Er is bewust voor gekozen om geen indicatie te geven voor de verschillende
                    inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze regionaal
                    of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn.</al><al>Het is daarom noodzakelijk dat de desbetreffende ambtenaar, verantwoordelijk
                    voor de controle van de vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en
                    regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al>Al dan niet verontreinigde grond is niet in deze tabel opgenomen. Grond die
                    tijdens of na het slopen wordt afgevoerd, is geen sloopafval en kan dus geen
                    onderwerp zijn in een voorschrift van de sloopvergunning. Toch verdient het
                    aanbeveling alert te zijn op de afvoer van (verontreinigde) grond.</al><al>Voor informatie betreffende de bewerkings- en verwerkingscapaciteit en locaties
                    van bewerkings- en verwerkingsinstallaties kunnen onder meer de volgende
                    publicaties worden geraadpleegd:</al><lijst><li nr="-"><al>Vademecum voor afvalverwerkingsdiensten (uitgeverij VAD BV, Alphen aan
                            den Rijn, 1993)</al></li><li nr="-"><al>SBR-brochure 230-b Bouw-afvalstoffengids, Rotterdam 1991.</al></li></lijst><al>Bijlage 9</al><al>Reglement van orde van de welstandscommissie</al><al>In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de (provinciale)
                    welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is om een universeel
                    toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in de
                    modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het al dan
                    niet werken met rayonarchitecten, het al dan niet gebruik van subcommissies en
                    het al dan niet samenwerken met een monumentencommissie. Een reglement van orde,
                    afgestemd op de eigen werkwijze, stelden gemeenten in het algemeen op in
                    samenwerking met de provinciale welstandsorganisatie waarbij zij zijn
                    aangesloten.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>