<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR48370_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Vlissingen 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-10-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2010, VII.02</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Vlissingen 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de lijkbezorging, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, lid 1 en 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2026-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Uitvoeringsbesluit voor de grafbedekkingen Vlissingen 2010</al><al>Uitvoeringsbesluit graven, asbezorging, en gedenkplaatsen Vlissingen 2010</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt de 'Verordening op het beheer en gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen”, vastgesteld op 21 december 2000 (sedert gewijzigd)</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Vlissingen
                2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>INLEIDENDE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colwidth="71*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>College:</al></entry><entry colname="col3"><al>het college van burgemeester en wethouders van
                                                Vlissingen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>Begraafplaatsen:</al></entry><entry colname="col3"><al>1.de Noorderbegraafplaats aan de President
                                                Rooseveltlaan;</al><al>2.de algemene begraafplaats aan de Molenweg te
                                                Oost-Souburg;</al><al>3.de algemene begraafplaats aan de
                                                Zuidwateringstraat te Ritthem;</al><al>4.de Joodse begraafplaats aan de Vredehoflaan;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>Graf:</al></entry><entry colname="col3"><al>een zandgraf;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>Asbus:</al></entry><entry colname="col3"><al>een bus ter berging van as van een overledene;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.</al></entry><entry colname="col2"><al>Urn:</al></entry><entry colname="col3"><al>een voorwerp ter berging van een of meer
                                                asbussen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.</al></entry><entry colname="col2"><al>Particulier graf:</al></entry><entry colname="col3"><al>een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of
                                                rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend
                                                tot:</al><al>1.het doen begraven en begraven houden van
                                                lijken;</al><al>2.het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen
                                                met of zonder urnen;</al><al>3.het doen verstrooien van as.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g.</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen graf:</al></entry><entry colname="col3"><al>een graf bij de gemeente in beheer waarin
                                                gelegenheid wordt</al><al>geboden tot het doen begraven van lijken;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>h.</al></entry><entry colname="col2"><al>Particulier urnengraf:</al></entry><entry colname="col3"><al>een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of
                                                rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend
                                                tot:</al><al>1.het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen
                                                met of zonder urnen;</al><al>2.het doen verstrooien van as.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>i.</al></entry><entry colname="col2"><al>Particuliere urnennis:</al></entry><entry colname="col3"><al>een nis waarvoor aan een natuurlijk persoon of
                                                rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot
                                                het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen
                                                met of zonder urnen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>j.</al></entry><entry colname="col2"><al>Verstrooiingsakker:</al></entry><entry colname="col3"><al>een plaats waarop as wordt verstrooid;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>k.</al></entry><entry colname="col2"><al>Gedenkplaats:</al></entry><entry colname="col3"><al>een plaats waarvoor aan een natuurlijk persoon of
                                                rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend om
                                                overledenen te gedenken;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>l.</al></entry><entry colname="col2"><al>Grafbedekking:</al></entry><entry colname="col3"><al>gedenkteken en grafbeplanting op een graf;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>m.</al></entry><entry colname="col2"><al>Beheerder:</al></entry><entry colname="col3"><al>de ambtenaar die belast is met de dagelijkse leiding
                                                van de begraafplaatsen of degene die hem
                                                vervangt;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>n.</al></entry><entry colname="col2"><al>Houder van de</al><al>begraafplaats-administratie:</al></entry><entry colname="col3"><al>de ambtenaar die belast is met het voeren van de
                                                administratie van de gemeentelijke
                                                begraafplaatsen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>o.</al></entry><entry colname="col2"><al>Rechthebbende:</al></entry><entry colname="col3"><al>natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een
                                                uitsluitend recht is verleend op een particulier
                                                graf, een particulier urnengraf of een gedenkplaats,
                                                dan wel degene die redelijkerwijze geacht kan worden
                                                in diens plaats te zijn getreden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>p.</al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiker:</al></entry><entry colname="col3"><al>natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een
                                                recht tot gebruik van een ruimte in een algemeen
                                                graf is verleend, dan wel degene die redelijkerwijze
                                                geacht kan worden in diens plaats te zijn
                                                getreden.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Uitbreiding begrippen particulier en algemeen graf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening
                                bepaalde wordt, voor zover van belang onder 'particulier graf' mede
                                verstaan: particulier urnengraf, particuliere urnennis en de
                                gedenkplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening
                                bepaalde wordt, voor zover van belang onder 'algemeen graf' mede
                                verstaan: algemeen kindergraf.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>OPENSTELLING, ORDE EN RUST OP DE BEGRAAFPLAATS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Openstelling begraafplaats(en)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De begraafplaatsen zijn voor eenieder dagelijks toegankelijk tussen
                                zonsopgang en zonsondergang.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter handhaving van de orde en rust op de begraafplaatsen kunnen de
                                toegangen tijdelijk worden gesloten, of kan een gedeelte van een
                                begraafplaats tijdelijk worden afgesloten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden gedurende de tijd dat de begraafplaatsen of een deel
                                van de begraafplaats niet voor het publiek geopend zijn, zich daarop
                                te bevinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ordemaatregelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bezoekers, personeel van uitvaartondernemingen en personen die
                                werkzaamheden op de begraafplaats(en) hebben te verrichten, zijn
                                verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden
                                aan de aanwijzingen van de beheerder.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beheerder kan personen die zich niet aan de in het eerste lid
                                bedoelde aanwijzing houden van de begraafplaats verwijderen of laten
                                verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden met (brom)fietsen op de begraafplaatsen te
                                rijden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden met motorrijtuigen op de begraafplaats(en) te
                                rijden:</al><lijst><li nr="a."><al>elders dan op de daartoe aangewezen rijwegen; motorrijtuigen
                                        zijn buiten de rijwegen (slechts) toegestaan voor
                                        begrafenissen of voor het vervoer van materialen;</al></li><li nr="b."><al>sneller dan tien km per uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in de
                                aanhef en onder a van het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Plechtigheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Herdenkingsbijeenkomsten, onthullingen van gedenktekens en
                                dergelijke plechtigheden op de begraafplaats kunnen slechts
                                plaatsvinden nadat deze ten minste zes werkdagen tevoren zijn gemeld
                                aan de beheerder. Datum en uur van de plechtigheid en de wijze
                                waarop deze zal plaatsvinden worden in overleg met de aanvrager door
                                de beheerder vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De deelnemers aan de plechtigheid, bedoeld in het eerste lid zijn
                                verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden
                                aan de aanwijzingen van de beheerder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Opgravingen en ruimen</titel></kop><al>Bij het opgraven van lijken en de ruiming van graven zijn geen andere
                            personen aanwezig</al><al>dan degenen die met deze werkzaamheden zijn belast.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>VOORSCHRIFTEN VOOR LIJKBEZORGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Kennisgeving begraven en asbezorging, openen en sluiten van het
                                graf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die wil doen begraven, as wil doen bijzetten of as wil doen
                                verstrooien, geeft daarvan uiterlijk om 12.00 uur van de werkdag
                                voorafgaande aan die waarop de begraving, bijzetting of verstrooiing
                                zal plaatsvinden, schriftelijk kennis aan de beheerder. De zaterdag
                                geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. Indien
                                de burgemeester toestemming heeft gegeven om het lijk binnen 36 uur
                                na het overlijden te begraven moet de kennisgeving aan de beheerder
                                zo tijdig mogelijk worden gedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het openen van een graf ter begraving of voor het bezorgen van as,
                                en het daarna sluiten van een graf, evenals het bedienen van de
                                hulpmiddelen mag uitsluitend geschieden door het personeel van de
                                begraafplaats op aanwijzingen en onder toezicht van de beheerder. De
                                nabestaanden kunnen deze werkzaamheden onder toezicht van de
                                beheerder geheel of gedeeltelijk zelf verrichten indien zij hun wens
                                daartoe uiterlijk om 12.00 uur van de voorafgaande werkdag mondeling
                                of schriftelijk aan de beheerder hebben kenbaar gemaakt. De zaterdag
                                geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. Zij
                                dienen bij deze werkzaamheden de aanwijzingen van de beheerder op te
                                volgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gebouwen en geluidsinstallatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tijdens een begrafenisplechtigheid op de Noorderbegraafplaats en de
                                begraafplaats Oost-Souburg kan gebruik worden gemaakt van de aula en
                                de geluidsinstallatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wens tot het gebruik van aula en de geluidinstallatie wordt
                                schriftelijk opgegeven in de kennisgeving als bedoeld in het eerste
                                lid van artikel 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Over te leggen stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot begraving wordt niet overgegaan dan nadat het verlof tot
                                begraven is overgelegd aan de beheerder.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de begraving of de bezorging van as in een particulier graf
                                zal plaatsvinden, dient een machtiging daartoe aan de beheerder te
                                worden overgelegd ondertekend door de rechthebbende of, indien deze
                                is overleden, door degene die in de uitvaart voorziet. Hierdoor
                                wordt deze automatisch rechthebbende op het betreffende particuliere
                                graf.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Begraving of bijzetting in een particulier graf waarvan de
                                uitgiftetermijn binnen de wettelijke minimum grafrusttermijn
                                afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van
                                de uitgiftetermijn met een zodanige periode dat de alsdan resterende
                                uitgiftetermijn ten minste gelijk is aan de wettelijke minimum
                                grafrusttermijn. De verlenging dient te worden aangevraagd door de
                                rechthebbende of, indien deze is overleden, door degene die in de
                                uitvaart voorziet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het vorige lid bedoelde periode van verlenging wordt naar
                                boven toe afgerond op gehele jaren.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De beheerder onderzoekt of de overgelegde stukken toereikend
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Tijden van begraven en asbezorging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tijd van begraven en het bezorgen van as is:</al><lijst><li nr="a."><al>op werkdagen van 9.00 uur. tot 15.00. uur;</al></li><li nr="b."><al>op zaterdagen van 9.00 uur. tot .12.00 uur;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zowel de begin- als eindtijd van de plechtigheid op de begraafplaats
                                dient tussen de in het eerste lid aangegeven tijden te liggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Per plechtigheid wordt uitgegaan van een tijdreservering van één
                                uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de begraafplaatsen mag slechts één begrafenis of asbezorging
                                tegelijkertijd plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college of gemandateerde manager kan in bijzondere gevallen van
                                deze tijden afwijken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>INDELING EN UITGIFTE VAN DE GRAVEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Indeling graven en asbezorging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de begraafplaats(en) kunnen worden uitgegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>particuliere graven;</al></li><li nr="b."><al>algemene graven en algemene kindergraven</al></li><li nr="c."><al>particuliere urnennissen en particuliere urnengraven ;</al></li><li nr="d."><al>ruimten voor het aanbrengen van een naamplaatje op de
                                        gedenkplaatsen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nader vast te stellen regels hoeveel lijken
                                en hoeveel asbussen met of zonder urnen er kunnen worden begraven of
                                bijgezet in de voorzieningen onder a, b. en c. van het eerste lid en
                                hoeveel verstrooiingen van as er op de particuliere graven kunnen
                                plaatshebben. Het college bepaalt tevens de afmetingen en de
                                uitgifteduur van de voorzieningen onder a. t/m d. van het eerste
                                lid. De uitgifteduur kan niet korter zijn dan de minimumtermijn
                                vastgesteld in de Wet op de lijkbezorging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzieningen onder c. en d. zijn niet beschikbaar op de Joodse
                                begraafplaats aan de Vredehoflaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan gedeelten van de begraafplaatsen aanwijzen voor
                                asverstrooiing. De verstrooiing dient altijd plaats te vinden onder
                                toezicht van de beheerder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Volgorde van uitgifte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle voorzieningen onder a. t/m d. van het eerste lid van artikel 11
                                worden slechts voor direct gebruik en in volgorde van ligging
                                uitgegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een particulier graf toewijzen anders dan voor
                                directe begraving en buiten de volgorde van uitgifte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Het college kan bij nader vast te stellen regels de algemene en
                            particuliere graven</al><al>onderverdelen in categorieën. Het college bepaalt voor de verschillende
                            categorieën de</al><al>situering en oppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Termijnen particuliere graven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent, voor zover de daartoe bestemde ruimte van de
                                begraafplaats(en) dat toelaat, op een daartoe bij hen schriftelijk
                                in te dienen aanvraag, voor de tijd van twintig, jaar recht op een
                                particulier graf. De termijn begint te lopen op de datum waarop het
                                particuliere graf is uitgegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde recht wordt op
                                aanvraag van de rechthebbende verlengd telkens met een termijn van
                                tien jaar, mits de aanvraag voor het verstrijken van de lopende
                                termijn wordt ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een recht als in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoeld,
                                kan slechts aan één rechthebbende worden verleend ten behoeve van
                                zichzelf en voor de personen genoemd in artikel 15, eerste lid.
                                Verlenging van het recht ten behoeve van een ander is slechts
                                mogelijk na een besluit van het college. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Overschrijving van verleende rechten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het recht op een particulier graf kan op aanvraag van de
                                rechthebbende worden overgeschreven op naam van de echtgenoot of
                                levenspartner dan wel een bloedverwant of aanverwant tot en met de
                                derde graad of rechtspersoon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na het overlijden van de rechthebbende kan het recht op het
                                particuliere graf worden overgeschreven op naam van de echtgenoot of
                                levenspartner dan wel een bloedverwant of aanverwant tot en met de
                                derde graad of rechtspersoon, indien de aanvraag daartoe wordt
                                gedaan binnen zes maanden na het overlijden van de rechthebbende.
                                Indien de overleden rechthebbende in het graf dient te worden
                                begraven, of indien de asbus met zijn resten in het graf dient te
                                worden bijgezet, dient het verzoek tot overschrijving daaraan
                                voorafgaand te worden gedaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien na het overlijden van de rechthebbende de aanvraag tot
                                overschrijving aan het college niet wordt gedaan binnen de in het
                                tweede lid van dit artikel gestelde termijn van zes maanden, is het
                                college bevoegd het recht op het particuliere graf te doen
                                vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na het verstrijken van de in het tweede lid genoemde termijn van zes
                                maanden kan het college of gemandateerde manager het particuliere
                                graf alsnog op naam stellen van een nieuwe rechthebbende, tenzij dit
                                recht betrekking heeft op een particulier graf dat inmiddels is
                                geruimd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Termijnen algemene graven</titel></kop><al>Het college stelt grafruimte ter beschikking voor algemene graven voor
                            een termijn van vijftien jaar. Verlenging van de termijn is niet
                            mogelijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Afstand doen van graven</titel></kop><al>Zonder aanspraak te kunnen maken op enige vergoeding kan de
                            rechthebbende schriftelijk afstand doen ten behoeve van de gemeente van
                            het recht op het particuliere graf. Van deontvangst van zodanige
                            verklaring doen burgemeester en wethouders schriftelijk mededeling aan
                            de rechthebbende.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>GRAFBEDEKKINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Vergunning grafbedekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het hebben van een grafbedekking is een schriftelijke
                                vergunning nodig van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende van een particulier graf vraagt de vergunning voor
                                het hebben van een grafbedekking aan. Een vergunning voor een
                                grafbedekking op een algemeen graf dient te worden aangevraagd door
                                de gebruiker.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen over de wijze van
                                aanvragen van de vergunning, de aard en de afmetingen van de
                                grafbedekking en de wijze van aanbrengen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan de vergunning weigeren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet voldaan wordt aan de vastgestelde nadere regels,
                                        genoemd in het derde lid;</al></li><li nr="b."><al>de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de
                                        begraafplaats;</al></li><li nr="c."><al>de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is;</al></li><li nr="d."><al>de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Onderhoud door de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het onderhoud van de grafoppervlakken zonder grafbedekking en de
                                winterharde grafbeplantingen gebeurt vanwege de gemeente. Onder
                                onderhoud wordt in dit geval verstaan het verwijderen van onkruid en
                                het in die mate snoeien dat overlast wordt voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van gemeentewege wordt er aan grafgedenktekens, urnen en sluitplaten
                                geen onderhoud verricht. Het jaarlijks schoonhouden van de steen en
                                banden van een grafgedenkteken kan vanwege de gemeente worden
                                uitgevoerd, wanneer daartoe schriftelijk een aanvraag is ingediend.
                                Hieraan zijn voor de aanvrager kosten verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Onderhoud door rechthebbende of gebruiker</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het (doen) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of
                                verwijderen van de grafbedekking geschiedt door, voor rekening van
                                en voor risico van de rechthebbende of de gebruiker.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende of de gebruiker is verplicht de grafbedekking
                                behoorlijk te onderhouden of te herstellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de rechthebbende of de gebruiker nalaat de grafbedekking
                                behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de
                                hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de gehele
                                grafbedekking doen verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende
                                dertien weken ter beschikking van de rechthebbende of de gebruiker
                                en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige
                                vergoeding verplicht is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verwijdering vindt niet plaats dan nadat het college de
                                rechthebbende of de gebruiker door middel van een verklaring
                                schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de toestand van de
                                grafbedekking. Wanneer het adres van de rechthebbende of de
                                gebruiker niet bekend is maakt het college de verklaring bij de
                                ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Bij het
                                graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende of de gebruiker per aanschrijving
                                verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen
                                binnen de door het college gestelde termijn indien de beschadiging
                                zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijk
                                aanzien van de begraafplaats schaadt of indien de beschadiging van
                                de grafbedekking gevaar op levert voor derden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Grafbeplanting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Niet blijvende en vaste beplantingen op een graf, die in
                                verwaarloosde staat verkeren of zodanig groot zijn geworden dat
                                naastliggende graven worden benadeeld, kunnen door de beheerder
                                worden verwijderd of gesnoeid, zonder dat aanspraak kan worden
                                gemaakt op schadevergoeding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke kunnen, wanneer zij
                                verwelkt zijn, door de beheerder worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden gedurende dertien
                                weken ter beschikking gehouden van degene die in de begrafenis of
                                asbestemming heeft voorzien en daartoe tevoren een mondelinge of
                                schriftelijke aanvraag heeft ingediend bij de beheerder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Verwijdering grafbedekking na verstrijken van de termijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De grafbedekking kan na het verstrijken van de termijn van uitgifte
                                van het graf door het college worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking maakt het
                                college ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de
                                grafbedekking zal worden verwijderd per brief aan de rechthebbende
                                of, wanneer het een algemeen graf betreft, aan de gebruiker bekend.
                                Wanneer het adres van de rechthebbende of gebruiker niet bekend is,
                                maakt het college het voornemen tot verwijdering van de
                                grafbedekking gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het
                                tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd bekend. Dit
                                door bij de ingang van de begraafplaats en bij het graf een bordje
                                te plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de grafbedekking niet binnen dertien weken na de verwijdering
                                er af is gehaald, dan vervalt deze aan de gemeente, zonder dat de
                                gemeente tot enige vergoeding verplicht is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>RUIMING VAN GRAVEN, URNENGRAVEN EN URNENNISSEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Ruiming, bezorging van overblijfselen en as</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het voornemen van het college om een graf te ruimen wordt ten minste
                                een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop het graf geruimd zal
                                worden per brief aan de rechthebbende of, wanneer het een algemeen
                                graf betreft, aan de gebruiker bekend gemaakt. Wanneer het adres van
                                de rechthebbende of gebruiker niet bekend is maakt het college het
                                voornemen tot ruiming van het graf gedurende ten minste een jaar
                                voorafgaande aan het tijdstip van ruiming door middel van een bij
                                het graf te plaatsen bordje en bij de ingang van de begraafplaats op
                                het mededelingenbord bekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beheerder draagt er zorg voor dat met de bij de ruiming van het
                                graf nog aanwezige menselijke resten te allen tijde respectvol wordt
                                omgegaan en dat bezoekers van de begraafplaats niet met menselijke
                                resten worden geconfronteerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bij de ruiming van het graf nog aanwezige menselijke resten
                                worden begraven en de as wordt verstrooid op een van de daartoe
                                bestemde gedeelten van de begraafplaats(en).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabestaanden van een overledene die begraven is in een algemeen graf
                                kunnen gedurende de in het eerste lid bedoelde termijn bij de
                                beheerder een schriftelijke aanvraag indienen om bij ruiming de
                                menselijke resten, indien mogelijk, bijeen te doen brengen voor
                                crematie of voor herbegraving elders. Nabestaanden van een
                                overledene waarvan een asbus al of niet met een urn is bijgezet in
                                een algemeen graf kunnen bij de beheerder een schriftelijke aanvraag
                                indienen om deze ter beschikking te houden voor herbegraving of
                                verstrooiing elders.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De rechthebbende op een particulier graf kan bij de beheerder een
                                schriftelijke aanvraag indienen om de menselijke resten te doen
                                verzamelen om deze opnieuw in dezelfde grafruimte te doen plaatsen
                                dan wel om deze te cremeren of elders opnieuw te doen begraven. De
                                rechthebbende op een particulier urnengraf of particuliere urnennis
                                kan bij de beheerder een schriftelijke aanvraag indienen de asbus
                                ter beschikking te houden om elders bij te zetten of om de as te
                                doen verstrooien.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>GEDEELTE VOOR KERKGENOOTSCHAP</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Afwijkende regels en kennisgeving onderhoudsbehoefte van
                                graven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan na overleg met het bestuur van het kerkgenootschap
                                ten aanzien van de openstelling van het gedeelte, de indeling van
                                graven, de onderverdeling van graven in categorieën en de eisen voor
                                de grafbedekking op het ter beschikking van het kerkgenootschap
                                gestelde deel van de begraafplaats nadere regels stellen die
                                afwijken van de regels krachtens de artikelen 3, eerste lid, 11,
                                tweede lid, 13 en 18, derde lid, van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt het bestuur van het kerkgenootschap schriftelijk
                                ervan in kennis dat de grafbedekking van een of meer graven
                                onderhoud en herstel behoeft, wanneer het kerkgenootschap
                                schriftelijk om een dergelijke kennisgeving heeft verzocht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kennisgeving laat de bevoegdheid van het college onverlet om de
                                rechthebbende op of de gebruiker van een graf ervan in kennis te
                                stellen dat de grafbedekking moet worden onderhouden of
                                hersteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8.</nr><titel>IN STAND HOUDEN HISTORISCHE GRAVEN EN OPVALLENDE
                            GRAFBEDEKKING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Lijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeente houdt een lijst bij van graven die van historische
                                betekenis zijn of waarvan de grafbedekking een opvallende kwaliteit
                                heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alvorens tot ruiming van graven wordt overgegaan onderzoekt de
                                gemeente of er graven zijn die in aanmerking komen om op de lijst te
                                worden bijgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>College en gemeenteraad beslissen over het ruimen van graven en het
                                verwijderen van grafbedekkingen die op de in het eerste lid bedoelde
                                lijst staan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9.</nr><titel>INRICHTING REGISTER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Voorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt voorschriften vast voor het register van de
                                begraven lijken, alsmede de uitgevoerde vormen van asbezorging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het register wordt bijgehouden door de houder van de
                                begraafplaatsadministratie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>10.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening “Verordening op het beheer en gebruik van de
                            gemeentelijke begraafplaatsen”, vastgesteld op 21 december 2000 (sedert
                            gewijzigd), wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de ingevolge
                                artikel 27 ingetrokken verordening gelden als besluiten genomen
                                krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de ingevolge artikel 27
                                ingetrokken verordening is ingediend en voor het tijdstip van
                                inwerkingtreding van deze verordening niet op de aanvraag is
                                beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Hij die handelt in strijd met artikel 3, derde lid en artikel 4 wordt
                            gestraft met een geldboete van de eerste categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 21 oktober 2010. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Beheersverordening gemeentelijke
                            begraafplaatsen gemeente Vlissingen 2010.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 30 september
                        2010.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. F. Vermeulen drs. W.J.A. Dijkstra</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>A. Algemene toelichting</titel></kop><al/><al><vet>INLEIDING</vet></al><al>De huidige beheersverordening begraafplaatsen is voor het laatst uitgebreid
                    herzien in 2000.</al><al>In 2002 en 2008 hebben er een paar kleine aanpassingen plaatsgevonden. Nieuwe
                    ontwikkelingen maken een volgende herziening van de verordening noodzakelijk.
                    Hier dient de wijziging van de Wet op de lijkbezorging van 12 juni 2009 te
                    worden genoemd, naast andere nieuwe of gewijzigde wet- en regelgeving, zoals de
                    Europese Dienstenrichtlijn.</al><al>Hoofdstuk 3 van de Algemene toelichting gaat hier nader op in. Ook om andere
                    redenen was een herziening van de verordening gewenst. Zo kwam uit de
                    (landelijke) praktijk de behoefte de rechten en plichten van zowel beheerder als
                    gebruikers van begraafplaatsen nauwkeuriger te omschrijven. Het taalgebruik en
                    de formulering was in sommige artikelen enigszins verouderd. Voor de verordening
                    en deze toelichting is gebruik gemaakt van de Modelverordening van de VNG, welke
                    3 februari 2010 is verschenen. Waar nodig zijn beide aangepast aan de situatie
                    en gebruiken binnen de gemeente Vlissingen. </al><al/><al><vet>1. De verordenende bevoegdheid</vet></al><al/><al><vet>1.1 Begraafplaats op grondgebied van de eigen gemeente</vet></al><al>In artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat gemeentelijke
                    verordeningen door de raad worden vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe
                    niet bij de wet of door de raad krachtens de wet aan het college of burgemeester
                    is toegekend. Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt de raad de
                    verordening die de raad in het belang van de gemeente nodig acht. Sinds de
                    inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur op 7 maart 2002 zijn in
                    de gemeente de bevoegdheden van de raad en het college ontvlecht. In het kader
                    hiervan zijn de bestuursbevoegdheden van de Gemeentewet geconcentreerd bij het
                    college en zijn de kaderstellende en controlerende bevoegdheden van de raad
                    versterkt. De grondslag voor de verordenende bevoegdheid voor begraafplaatsen
                    berust op artikel 149 van de Gemeentewet. Daarnaast moet worden genoemd artikel
                    35 van de Wet op de lijkbezorging dat een verordening eist voor de dagen en uren
                    dat de gemeente gelegenheid moet geven tot begraven.</al><al/><al><vet>2. Gemeentelijk begraafplaatsenbeleid</vet></al><al>De beheersverordening begraafplaatsen bevat verschillende regels die de
                    gemeenten hanteren voor de instandhouding van en de dienstverlening op de
                    gemeentelijke begraafplaatsen. In dit hoofdstuk schenken wij aandacht aan enkele
                    van deze regels. De burgers hebben vaak een emotionele betrokkenheid met de
                    begraafplaatsen en alles wat zich daarop afspeelt. Daarbij stelt de
                    dienstverlening hen voor financiële lasten. Dit maakt het nodig om de rechten en
                    verplichtingen duidelijk vast te leggen. Er is naar gestreefd om overbodige
                    regelgeving te voorkomen en procedures kort te houden. De verantwoordelijkheid
                    van de gemeente voor de begraafplaats kan worden vergeleken met de
                    verantwoordelijkheid die zij heeft bij de zorg voor andere collectieve
                    voorzieningen zoals wandelgebieden en fietspaden. De verschillende aspecten van
                    de begraafplaatsen vragen in bestuurlijk opzicht om een speciale aanpak. De
                    waarde die aan de begraafplaatsen wordt toegekend maakt het nodig dat de
                    inventarisatie wordt bijgehouden van de historische en culturele waarden die op
                    de begraafplaats aanwezig zijn. Het opstellen en bijhouden van een lijst van
                    gedenkwaardige graven en bijzondere gedenktekens wordt verzorgd door de gemeente
                    en gemeentearchief. Deze lijst geeft uitdrukking aan de waarden van de
                    begraafplaats als zodanig. Ten aanzien van de op de begraafplaats gelegen
                    erevelden gelden aparte regels. Dit laat onverlet dat de verordening van
                    toepassing is op deze erevelden. De rechten en plichten worden vervuld door het
                    Rijk, in de praktijk het ministerie van Defensie.</al><al>Voor de dienstverlening op begraafplaatsen geeft het model een uitgebreid</al><al>voorzieningenpakket. In deze regeling is vastgelegd dat de gemeente in beginsel
                    bereid is om de voorzieningen te treffen. Van belang is om met algemene
                    publicatie bekend te maken dat de gemeente in principe bereid is om deze
                    voorzieningen te bieden. De regeling noemt algemene en particuliere graven,
                    bestemmingen voor as en gedenkplaatsen voor vermisten of voor overledenen in den
                    vreemde in geval het lichaam niet naar Nederland is vervoerd. <cursief>Dit
                        </cursief><cursief>is een uitbreiding van de mogelijkheid tot het aanbrengen
                        van een gedenkplaatje op de </cursief><cursief>gedenkplaatsen bij de
                        strooivelden. </cursief>Hiermee wordt voldaan aan datgene waar de
                    samenleving om vraagt. De beheersverordening geeft het college de bevoegdheid om
                    de graven en urnennissen in te delen in categorieën. Het verdient aanbeveling om
                    daarbij niet in de eerste plaats de verschillende soorten graven als
                    uitgangspunt te nemen, maar zo veel mogelijk aan te sluiten bij de natuurlijke
                    situatie van het park en de daar aanwezige beplanting en kunstvoorwerpen. Op
                    deze wijze kan een te strakke en starre inrichting worden voorkomen en behoudt
                    het park zijn aantrekkelijkheid voor veel ingezetenen. Het is voor nabestaanden,
                    maar ook voor uitvaartondernemers, hoveniers en steenhouwers gewenst dat de
                    overboeking van een grafruimte of de goedkeuring voor een grafbedekking snel
                    verloopt. Daarom kunnen de aanvragen om grafuitgiften en vergunningen voor
                    grafbedekking worden ingediend bij de gemeentelijke begraafplaatsadministratie.
                    Door mandaat van de beslissingsbevoegdheid te verlenen aan de manager van de
                    afdeling Beheer Leefomgeving kunnen de verzoeken door deze worden behandeld en
                    afgewikkeld onder verantwoordelijkheid van het college.</al><al/><al><vet>3. Wijzigingen in wet- en regelgeving</vet></al><al/><al><vet>3.1. Wet op de lijkbezorging</vet></al><al>De Wet op de lijkbezorging is op 12 juni 2009 gewijzigd. De wijziging werd van
                    kracht op 1 januari 2010. Deze wijziging heeft gevolgen voor de
                    beheersverordening begraafplaatsen, zoals deze was vastgesteld in 2000. De
                    wijzigingen die aanpassing van het model noodzakelijk maken betreffen de
                    volgende wetsartikelen:</al><al/><al>Artikel 16: ‘Begraving of verbranding geschiedt niet eerder dan 36 uren na het
                    overlijden en uiterlijk op de zesde werkdag na het overlijden.’</al><al>In de oude wetstekst werd als laatst mogelijke dag de vijfde dag na het
                    overlijden genoemd. De verlenging van deze termijn heeft gevolgen voor de
                    termijn van aanmelding van herdenkingsbijeenkomsten e.d. op de begraafplaats,
                    die doorgaans niet kunnen samenvallen met een begrafenis. Dit wordt geregeld in
                    artikel 5 (‘Plechtigheden’) van de Beheersverordening.</al><al/><al>Artikel 23, tweede lid: ‘Begraving geschiedt in een algemeen graf, waarbij de
                    houder van de begraafplaats bepaalt wie daarin wordt begraven, dan wel in een
                    particulier graf, zijnde een graf waarop een uitsluitend recht is gevestigd,
                    waarbij de rechthebbende bepaalt wie daarin wordt begraven.’</al><al>De term ´algemeen graf´ kwam in de oude wetstekst niet voor, maar werd al wel
                    gebruikt in de beheersverordening. Daarentegen sprak de verordening van een
                    ´eigen graf´ wanneer het een graf betrof waarop een uitsluitend recht was
                    gevestigd. In de nieuwe verordening</al><al>wordt de terminologie van de gewijzigde wet gevolgd.</al><al/><al>Artikel 27a. In dit nieuwe artikel wordt bepaald dat de houder van de
                    begraafplaats ten minste zes maanden en ten hoogste twaalf maanden voor het
                    verstrijken van de termijn van uitgifte van een algemeen graf schriftelijk
                    mededeling daarvan doet aan de belanghebbende bij het graf. Nu dit bij wet is
                    geregeld is de noodzaak dit op te nemen in de beheersverordening vervallen.</al><al/><al>Artikel 28. </al><al>Het eerste lid van dit artikel is gewijzigd in die zin, dat de minimumtermijn
                    voor verlening van het uitsluitend recht op een graf van twintig jaar is
                    teruggebracht tot tien jaar. De laatste zin van dit lid betreft de verlenging en
                    luidt: ‘Het voor bepaalde tijd verleende recht wordt op verzoek, mits gedaan
                    binnen twee jaar voor het verstrijken van de termijn, telkens verlengd, met dien
                    verstande dat de houder van de begraafplaats kan bepalen dat een periode van
                    verlenging niet korter is dan vijf jaar en niet langer is dan twintig jaar.’Een
                    en ander heeft gevolgen voor artikel 14 (‘Termijnen particuliere graven’) van de
                    beheersverordening.</al><al/><al>Het vierde, vijfde, zesde en zevende lid van artikel 28 bevatten nieuwe
                    bepalingen betreffende kennelijke verwaarlozing van het onderhoud van een
                    graf:</al><al>Lid 4: ‘In geval van kennelijke verwaarlozing van het onderhoud van een
                    particulier graf, kan de houder van de begraafplaats, voor zover de plicht tot
                    onderhoud niet bij hem ligt, deze verwaarlozing vastleggen in een schriftelijke
                    verklaring, die hij toezendt aan de rechthebbende, die binnen één jaar na
                    ontvangst in het onderhoud voorziet.’</al><al>Lid 5: ‘Indien de ontvangst van de verklaring, bedoeld in het vierde lid, niet
                    bevestigd wordt, maakt de houder van de begraafplaats de verklaring bekend bij
                    het graf en bij deingang van de begraafplaats, gedurende een periode van vijf
                    jaar dan wel totdat in die periode in het onderhoud is voorzien.’</al><al>Lid 6: ‘Indien toepassing is gegeven aan het vierde of vijfde lid en niet alsnog
                    in het onderhoud van het graf is voorzien, vervalt het recht op het graf op het
                    moment dat de periode van één dan wel vijf jaar, bedoeld in het vierde
                    respectievelijk vijfde lid, is verstreken.’</al><al>Lid 7: ‘Indien het recht op het graf nog geen twintig jaar is gevestigd op het
                    moment dat de periode, bedoeld in het vijfde lid is verstreken, blijft de
                    bekendmaking in stand totdat de periode van twintig jaar is verstreken dan wel
                    totdat in die periode in het onderhoud is voorzien. Indien niet voordien in het
                    onderhoud van het graf is voorzien, vervalt het recht op het graf zodra de
                    termijn van twintig jaar is verstreken.’ Deze bepalingen geven de houders van de
                    begraafplaatsen de mogelijkheid de grafrechten</al><al>van verwaarloosde graven vijf jaar na constatering en bekendmaking te laten
                    vervallen, met dien verstande dat de minimale uitgiftetermijn (tien jaar) wordt
                    gerespecteerd. Vóór dewetswijziging kon het recht pas dertig jaar na de laatste
                    begraving vervallen. Voor de beheersverordening heeft dit overigens geen directe
                    gevolgen. Wel wordt de formulering van de wijze van bekendmaking steeds gevolgd
                    in de verordening.</al><al/><al>Artikel 32. Dit artikel gaf in de ongewijzigde wet de minister de mogelijkheid
                    bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen omtrent de wijze van
                    begraven, de inrichting van het graf en de afstand van de graven onderling. Dit
                    is uitgebreid met de mogelijkheid regels te stellen omtrent het ruimen van de
                    graven, het verwijderen van de grafmonumenten en de</al><al>teraardebestelling van de overblijfselen der lijken. Deze wijziging kwam tot
                    stand nadat was gebleken dat de samenleving behoefte had aan bepaalde
                    richtlijnen voor vooral het ruimen en de teraardebestelling van de
                    overblijfselen. Met het oog hierop is in de verordening een lid toegevoegd aan
                    het artikel betreffende de ruiming en de bezorging van overblijfselen (artikel
                    23). Volgens dit lid heeft de beheerder de plicht er zorg voor te dragen dat er
                    altijd met respect en piëteit wordt omgegaan met</al><al>menselijke resten. </al><al/><al>Artikel 32a. In dit nieuwe artikel wordt bepaald dat gedurende de periode dat
                    een graf niet geruimd mag worden het artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e
                    en f, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is op wat op het
                    graf is geplaatst. Dit artikel van het Burgerlijk Wetboek betreft de natrekking.
                    In 2002 heeft de Hoge Raad de uitspraak gedaan</al><al>dat graftekens (van graven met uitsluitend recht als bedoeld in artikel 28 Wet
                    op de lijkbezorging) middels natrekking in eigendom toebehoren aan de eigenaar
                    van de grond. De consequentie van deze uitspraak was dat de begraafplaats als
                    eigenaar van grafmonumenten aansprakelijk was voor de schade die het
                    grafmonument aan een ander grafmonument of aan een ander object, mens of dier
                    aanbrengt (risicoaansprakelijkheid). Het</al><al>nieuwe wetsartikel legt de eigendom en daarmee ook de risicoaansprakelijkheid
                    van de graftekens bij de rechthebbende.</al><al/><al><vet>3.2. Vermindering administratieve lasten</vet></al><al>Vele zaken zijn in de verordening geregeld door middel van een meldingsplicht,
                    zoals het houden van plechtigheden (art. 5), het doen begraven en het doen
                    bijzetten of doen verstrooien van as en het door de nabestaanden zelf openen en
                    sluiten van een graf (art.7). Een melding genereert weinig administratieve
                    lasten. Slechts in één geval dient in de verordening een vergunning te worden
                    aangevraagd, i.e. voor het aanbrengen en het hebben van een grafbedekking (art.
                    18). De vergunningsplicht voor het hebben van een grafbedekking is in de
                    verordening gehandhaafd. Controle voor- en achteraf is gewenst. Wanneer blijkt
                    dat het monument niet aan de eisen voldoet wordt nabestaanden alsnog gevraag het
                    gedenkteken aan te passen of te verwijderen. Het invoeren van slechts de
                    meldingsplicht voor het hebben van een</al><al>grafbedekking heeft negatieve financiële consequenties en leidt tot meer na
                    controle ter plekke. De vergunningsplicht wordt dan ook gehandhaafd.</al><al>De toestemming voor steenhouwers, hoveniers etc. die werkzaamheden op de
                    begraafplaats willen verrichten (art. 4 eerste lid van de oude verordening) kan
                    zonder verdere consequenties vervallen. De beheerder heeft immers al de
                    bevoegdheid tegen ongewenste praktijken op te treden, volgens artikel 4 eerste
                    en tweede lid van het nieuwe model. Afschaffing van de toestemmingsvereiste
                    leidt tot vermindering van administratieve en</al><al>bestuurlijke lasten.</al><al/><al><vet>3.3. Lex silencio positivo</vet></al><al>In een voorgestelde nieuwe wijziging van de Wet op de lijkbezorging wordt in
                    artikel 29 voor de vergunning tot opgraving een Lex silencio positivo (positieve
                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) opgenomen. Dat wil zeggen dat
                    wanneer op een aanvraag tot opgraving niet op tijd wordt beslist, de vergunning
                    van rechtswege is verleend. In deze verordening wordt afgezien van de Lex
                    silencio positivo. Op zich is hier tegen een</al><al>Lex silencio positivo weinig bezwaar. De vergunningen worden doorgaans tijdig
                    verleend of afgewezen. Bij de vergunning die de beheersverordening regelt (i.e.
                    voor het grafmonument) is niet voor een Lex silencio positivo gekozen, omdat
                    gemeenten één situatie wensen te vermijden, namelijk dat nabestaanden worden
                    geconfronteerd met een handhavingactie waarbij een grafmonument weer moet worden
                    verwijderd omdat het niet aan de regels van aanvragen voldoet. Er kunnen ook van
                    tevoren regels worden opgesteld die voor een vergunning van rechtswege gelden
                    (bijvoorbeeld over maatvoering en materiaalgebruik), echter bij gemeenten
                    bestaat de zorg over het ontstaan van situaties waarbij toch niet aan deze
                    regels wordt voldaan.</al><al/><al><vet>3.4. Europese Dienstenrichtlijn</vet></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG) schrijft de Lex silencio
                    positivo dwingend voor bij vergunningsstelsels die onder de reikwijdte van deze
                    richtlijn vallen. Dat is bij de vergunningen die in deze verordening zijn
                    opgenomen echter niet het geval. Het al dan niet toepassen van de Lex silencio
                    positivo is dus een autonome keuze van de gemeente. De vorige verordening
                    bevatte één bepaling die zich specifiek tot dienstverleners richtte, namelijk
                    tot steenhouwers, hoveniers en anderen die op de begraafplaats werkzaamheden
                    verrichten (artikel 4, eerste lid). Om te voorkomen dat de volle lasten van de
                    Dienstenrichtlijn op deze bepaling zouden komen te rusten (screening en
                    notificatie) is besloten de bepaling</al><al>te schrappen. Bovendien is voor de ordelijke gang van zaken deze bepaling niet
                    noodzakelijk, zoals hierboven is uiteengezet.</al><al/><al><vet>3.5. Verouderde regels</vet></al><al>Artikel 30 betreft de inwerkingtreding van de verordening. In het oude model
                    werd de inwerkingtreding gesteld op de eerste dag na het verstrijken van een
                    termijn van zes weken na de datum van uitgifte van het gemeenteblad waarin de
                    verordening is geplaatst. De</al><al>beheersverordening begraafplaatsen behoorde tot de verordeningen waarover op
                    grond van de Tijdelijke referendumwet (Trw) een referendum kon worden gehouden.
                    De termijn van zes weken was voorgeschreven in art. 22 van de Trw. De Trw is
                    echter per 1 januari 2005 vervallen. Vanaf dat tijdstip geldt artikel 142 van de
                    Gemeentewet: Alle verordeningen treden</al><al>in werking op de achtste dag na bekendmaking, tenzij daarvoor een ander tijdstip
                    was aangewezen.</al><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>B. Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr></kop><al>In dit artikel worden de gebruikte begrippen gedefinieerd.</al><al>f.Een particulier graf werd in het oude model aangeduid als ‘eigen’ graf.
                        Ook in het algemeen spraakgebruik wordt de term ‘eigen graf’ nog altijd
                        gebruikt. Het nieuwe model volgt echter de terminologie van de Wet op de
                        lijkbezorging.</al><al>f.en h. De mogelijkheid wordt geboden as te doen verstrooien in of op de
                        particuliere graven en in of op particuliere urnengraven. Regels voor het
                        verstrooien van as op particulieregraven kunnen desgewenst worden opgenomen
                        in artikel 11 (Indeling graven en asbezorging).</al><al>g.en i. In het oude model was bij de definitie van algemene graven opgenomen
                        dat ‘aan eenieder’ gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van
                        lijken. De passage ‘aan eenieder’ is overbodig en daarom geschrapt. Volgens
                        artikel 23, tweede lid van de Wet op de</al><al>lijkbezorging is het aan de houder van de begraafplaats te bepalen wie in
                        een algemeen graf wordt begraven.</al><al>o.en p. De termen rechthebbende en gebruiker zijn nader gedefinieerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr></kop><al>Voor een particulier graf, particulier urnengraf, particuliere urnennis en
                        de gedenkplaats gelden vrijwel dezelfde rechten en plichten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr></kop><al>Dit artikel maakt het de beheerder tevens mogelijk de begraafplaats geheel
                        of gedeeltelijk te sluiten wanneer dit voor het opgraven en overbrengen van
                        stoffelijke overschotten en het ruimen van graven noodzakelijk is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr></kop><al>De beheersverordening bevat gedragsvoorschriften voor hen die van de
                        begraafplaats gebruik maken, in het belang van orde, rust en netheid. Tegen
                        overtreding van de voorschriften is straf bedreigd. De politie kan als
                        gevolg van de strafbedreiging tegen ordeverstoringen optreden en zo nodig
                        proces verbaal opmaken. De in de oude verordening opgenomen bepaling dat
                        personen die werkzaamheden aan grafbedekkingen op de begraafplaats hebben te
                        verrichten daarvoor toestemming van het college dienen te vragen is
                        geschrapt. De eis was gesteld in het kader van de openbare</al><al>orde: Steenhouwers en hoveniers moeten zich er steeds van bewust zijn dat
                        hun werkzaamheden storend kunnen zijn voor rouwenden en tijdens
                        uitvaartplechtigheden. De bevoegdheid van de beheerder om personen weg te
                        sturen als zij zich niet aan zijn aanwijzingen houden biedt echter, samen
                        met de verbodsbepalingen, voldoende mogelijkheden om tegen ongewenste
                        activiteiten op te treden. Hiertoe kan ter controle worden gevraagd naar een
                        bewijs dat men in opdracht van de rechthebbende van het graf aan het werk
                        is. Aan een uitzondering op de regel als bedoeld in het derde lid onder a
                        bestaat behoefte omdat men soms dichtbij een graf moet kunnen komen met een
                        motorrijtuig. Aangezien een dergelijke handeling niet overeenstemt met het
                        beeld van orde en rust dient met het verlenen van de ontheffing uiterst
                        terughoudend te worden omgegaan. De situatie kan uiteraard per</al><al>begraafplaats verschillen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr></kop><al>Met dit artikel wordt beoogd plechtigheden ordelijk te doen verlopen. Door
                        te eisen dat de mededeling zes werkdagen vooraf moet plaatshebben, kan
                        worden voorkomen dat de plechtigheid samenvalt met een begrafenis. Een
                        begrafenis dient volgens de wet uiterlijk op de zesde werkdag na het
                        overlijden te geschieden. Bijeenkomsten die het karakter van een
                        plechtigheid te buiten gaan, kunnen het karakter hebben van een openbare
                        manifestatie. Hiervan moet vooraf kennisgeving worden gedaan aan de
                        burgemeester volgens de Wet openbare manifestaties van 1988 en mogelijk van
                        toepassing zijnde APV-bepalingen, zoals artikel 2.1 van de APV Vlissingen
                        2009.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr></kop><al>Uitdrukkelijk is gesteld dat bij opgraving van een lichaam of bij ruiming
                        van een of meer graven alleen de personen aanwezig mogen zijn die met de
                        werkzaamheden zijn belast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr></kop><al>Een schriftelijke kennisgeving is nodig omdat duidelijk vast moet liggen wat
                        voor graf er wordt gevraagd. De as kan volgens artikel 62 van de Wet op de
                        lijkbezorging worden bijgezet in of op een graf dan wel op een afzonderlijke
                        plaats, meestal een urnennis. In de vorige verordening was de bepaling
                        opgenomen dat het lijk bij aankomst op de begraafplaats voorzien diende te
                        zijn van een identiteitskenmerk. Deze bepaling is nu geschrapt, aangezien
                        dit vereiste volgt uit artikel 8 van de Wet op de lijkbezorging. Indien de
                        nabestaanden alle of bepaalde werkzaamheden zelf willen verrichten zijn, ook
                        om redenen van veiligheid, toch de aanwijzingen en de hulp van het personeel
                        van de begraafplaats nodig. Het gaat dan vooral om het openen en sluiten van
                        het graf. De werkzaamheden kunnen eventueel door de nabestaanden en het
                        personeel van de begraafplaats samen worden verricht. Zo kunnen de
                        nabestaanden bijvoorbeeld een begin maken. Vervolgens kan het personeel de
                        handelingen verrichten waar ervaring voor nodig is of die van de
                        nabestaanden te zware lichamelijke inspanning vragen. Werkzaamheden als het
                        aanbrengen van de grafranden ter stutting van de grond om het geopende graf
                        en het verwijderen van die randen voor het sluiten van het graf zullen door
                        het personeel moeten worden verricht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr></kop><al>Geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr></kop><al>De Wet op de lijkbezorging schrijft voor dat de behandelende arts of de
                        gemeentelijke lijkschouwer een verklaring van overlijden afgeeft aan de
                        ambtenaar van de burgerlijke stand (artikel 12). Vervolgens geeft deze
                        schriftelijk verlof tot begraven of cremeren (artikel 11). Dit verlof dient
                        te worden overlegd aan de beheerder. Door de medewerking aan de begrafenis
                        te weigeren wanneer dit verlof niet in zijn bezit is voldoet de beheerder
                        aan de wettelijke vereisten. De bezorging van as omvat zowel het bijzetten
                        als de verstrooiing. Er mag van worden uitgegaan dat het stoffelijk
                        overschot van de rechthebbende zelf in het particuliere graf mag worden
                        bijgezet (lid 2). Het verzoek tot overschrijving van het recht dient in dit
                        geval wel vóór de bijzetting te worden gedaan volgens artikel 15, tweede
                        lid. De wettelijke minimum grafrusttermijn (lid 3) is de termijn dat een
                        lijk volgens de wet ten minste begraven moet blijven voordat het mag worden
                        geruimd. Het is voorgekomen dat in particuliere graven begravingen of
                        bijzettingen betrekkelijk kort voor het aflopen van de uitgiftetermijn
                        plaatsvonden. Daarom is vastgelegd dat in dergelijke gevallen begraving of
                        bijzetting alleen kan plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de
                        uitgiftetermijn. Uiteraard zal die verlenging dan een periode moeten
                        omvatten die de alsdan resterende uitgiftetermijn ten minste gelijk maakt
                        aan de wettelijke minimum grafrusttermijn, i.e. tien jaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr></kop><al>Artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging verplicht tot de mogelijkheid van
                        begraven op iedere dag gedurende een bij gemeentelijke verordening te
                        bepalen tijd, met uitzondering van zon- en feestdagen.</al><al>Een bijzonder geval kan zich voordoen als de burgemeester toestemming heeft
                        gegeven om een lijk binnen 36 uur te begraven. Sommige nabestaanden vragen
                        om deze toestemming om godsdienstige redenen. Daarnaast kan spoed geboden
                        zijn in geval van lijkvinding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr></kop><al>Naast de particuliere graven noemt dit artikel de verschillende andere
                        soorten van voorzieningen op de begraafplaats. Gedenkplaatsen kunnen
                        bijvoorbeeld worden uitgegeven voor vermisten of als de persoon in het
                        buitenland is overleden en het stoffelijk overschot niet naar Nederland is
                        vervoerd. Lid 2 van dit artikel geeft het college de bevoegdheid om te
                        bepalen hoeveel lijken en hoeveel asbussen er kunnen worden begraven of
                        worden bijgezet in de diverse grafsoorten. Het Besluit op de lijkbezorging
                        van 4 december 1997 bevat in artikel 5 de bepaling dat er ten hoogste drie
                        lijken boven elkaar mogen worden begraven.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr></kop><al>Een graf kan door het College en op verzoek buiten de volgorde van ligging
                        worden toegewezen als dit niet bezwaarlijk is voor de situatie op de
                        begraafplaats. Hierbij kan worden gedacht aan het aanzien van de
                        begraafplaats en de gesteldheid van de bodem.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr></kop><al>Een indeling in categorieën is nodig als het college verschillende regels
                        wil vaststellen voor de grafbedekkingen op de graven die liggen op de
                        verschillende delen (categorieën) van de begraafplaats.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr></kop><al>Volgens artikel 28, eerste lid van de Wet op de lijkbezorging kan het recht
                        op een graf voor ten minste tien jaar worden verleend. In de oude situatie
                        was die termijn 20 jaar. Sinds 1971 word deze termijn in gemeente Vlissingen
                        al aangehouden. In de praktijk blijkt dat goed te werken en daarom wordt
                        deze termijn ook gehandhaafd. Voorts wordt de termijn, waarmee het recht op
                        een particulier graf, telkens kan worden verlengd gehandhaafd op 10 jaar. De
                        uitgiftetermijn begint te lopen op het moment van de eerste begraving of
                        bijzetting in een graf of nis. Daarom is de laatste zin in het eerste lid
                        van artikel 14, betreffende de aanvang van de termijn, opgenomen. Dit is een
                        logisch voortvloeisel van artikel 12 van deze</al><al>verordening. De Wet op de lijkbezorging bepaalt in artikel 28 dat vanaf twee
                        jaar voor het verstrijken van de lopende termijn verlenging van de termijn
                        kan worden aangevraagd. Binnen een jaar na het begin van deze periode moet,
                        volgens het tweede lid van genoemd wetsartikel, het college de rechthebbende
                        op het graf mededelen dat de termijn gaat aflopen. Volgens het oude
                        wetsartikel diende deze mededeling schriftelijk te geschieden ‘aan de
                        rechthebbende wiens adres de houder van de begraafplaats bekend is of
                        redelijkerwijs bekend kan zijn’. Het laatste deel van de zin (‘of
                        redelijkerwijs bekend kan zijn’) is bij de wijziging van de wet geschrapt.
                        In het kader van de vermindering van administratieve lasten komt de
                        verantwoordelijkheid voor het geven van het juiste adres nu uitdrukkelijk
                        bij de rechthebbende te liggen. Van de houder van de begraafplaats wordt dan
                        niet méér verlangd dan dat hij het adres uit zijn eigen administratie
                        gebruikt. Tevens ontslaat dit de beheerder van de plicht het GBAnetwerk te
                        (doen) raadplegen. Wanneer niet binnen drie maanden om verlenging van het
                        recht is verzocht, dient de mededeling bekend te worden gemaakt bij het graf
                        en bij de</al><al>ingang van de begraafplaats tot aan het einde van de periode dat de
                        rechthebbende om verlenging van de termijn van uitgifte kan vragen. Zie
                        verder voor de bekendmakingen de toelichting op artikel 23. Indien er ten
                        tijde van de opheffing van de begraafplaats nog rechten op particuliere
                        graven bestaan, zal in overleg met de rechthebbenden moeten worden bezien
                        welke beslissingen er ten aanzien van die graven zullen worden genomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr></kop><al>Het recht op een particulier graf wordt verleend door een beschikking van
                        het college. Hierin wordt aan de aanvrager het uitsluitend recht gegeven om
                        lijken in een bepaald graf te doen begraven. Het recht kan op verzoek van de
                        rechthebbende worden overgeschreven op een ander. In het vorige model was
                        bepaald dat het recht op een graf slechts kon worden overgeschreven op naam
                        van de echtgenoot of levenspartner van de (overleden) rechthebbende dan wel
                        op naam van een bloedverwant of aanverwant tot en met de derde graad.
                        Slechts wanneer er gewichtige redenen bestonden was overschrijving op naam
                        van een ander mogelijk. Uit de praktijk bleek dat deze beperking niet of
                        lastig te handhaven is en bovendien administratieve lasten veroorzaakt.
                        Daarom is deze regel geschrapt. Wel wordt nu de mogelijkheid geboden het
                        recht over te schrijven op naam van een rechtspersoon. Het is gewenst dat er
                        na overlijden van een rechthebbende een nieuwe rechthebbende wordt</al><al>aangewezen die de verantwoordelijkheid voor de grafruimte en de daaraan
                        verbonden kosten op zich neemt. De termijn, waarbinnen de aanvraag tot
                        overschrijving kan worden gedaan, is gesteld op zes maanden na het
                        overlijden van de rechthebbende. Er is geen reden een langere termijn (in de
                        oude verordening 1 jaar) aan te houden. Het vierde lid van dit artikel geeft
                        het college de mogelijkheid zo nodig van de genoemde termijn af te wijken.
                        In het geval dat de stoffelijke resten van de rechthebbende in het graf
                        moeten worden bijgezet dient het verzoek tot overschrijving vóór de
                        bijzetting te worden gedaan. Doorgaans worden, na een overlijden, door de
                        nabestaanden meteen al de noodzakelijke regelingen getroffen. Logischerwijs
                        is dan het aanwijzen van een nieuwe rechthebbende daar één van. In artikel
                        9, tweede lid van de verordening is dit aspect ook opgenomen. Wanneer
                        nabestaanden ontbreken is er de mogelijkheid de rechten over te schrijven op
                        naam van de notaris die de nalatenschap beheert, of op naam van de Stichting
                        Grafzorg Nederland.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr></kop><al>De termijn van vijftien jaar is vastgesteld bij raadsbesluit van september
                        2000 bij de behandeling van de nota “Begraven en bestemmen van as” Deze
                        termijn eindigt vijftien jaar nadat de laatste bijzetting in het betreffende
                        algemene graf heeft plaatsgevonden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr></kop><al>Dit artikel is opgenomen om buiten twijfel te stellen dat de rechthebbende
                        afstand van het</al><al>graf kan doen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr></kop><al>De gemeente is verantwoordelijk voor het aanzien van de begraafplaats. Het
                        is nodig een minimaal aantal regels vast te leggen. Vooral de
                        veiligheidsaspecten dienen te worden genoemd. De verordening geeft de
                        burgers de nodige vrijheid; deze beperkt zich tot het aangeven van
                        minimumeisen voor de afmetingen, constructie en materiaalkeuze waaraan de
                        grafbedekking moet voldoen. Deze eisen zijn uitgewerkt in de nadere regels.
                        Zie ook de Algemene toelichting, hoofdstuk 3.2 (‘Vermindering
                        administratieve lasten’). De vergunningseis geldt voor de grafbedekkingen op
                        algemene en op particuliere graven en particuliere urnengraven, en omvat
                        zowel het gedenkteken als de winterharde beplantingen. De mogelijkheid tot
                        het verlenen van een ontheffing van de vastgestelde nadere regels voor de
                        grafbedekking, zoals was opgenomen in artikel 17 van de eerdere verordening
                        is vervallen. Als er geen grafbedekking wordt aangebracht moet na een
                        periode van maximaal acht maanden door de uitvoerend beheerder, middels een
                        bordje, worden aangeduid dat er</al><al>iemand begraven ligt om te voorkomen dat bezoekers ongewild over het graf
                        lopen. Uit een simpele (gemeentelijke) aanduiding bij het graf en uit zal
                        voorts moeten blijken wie daar begraven is. Dit graf is altijd in de
                        begraafplaatsadministratie opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr></kop><al>In dit artikel is duidelijk omschreven welke onderdelen van het onderhoud
                        door de gemeente worden verzorgd. Het onderhoud door de gemeente is een
                        minimale zorg met de bedoeling dat de begraafplaats als geheel een verzorgd
                        aanzien heeft. Op de graven kunnen winterharde beplantingen worden
                        aangebracht, zoals rozen, coniferen en buxushagen. De zorg voor deze
                        blijvende beplantingen kan omvatten het snoeien en het verwijderen van
                        onkruid. In de meeste gevallen is het voldoende dat de gedenktekens eenmaal
                        per jaar worden gereinigd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr></kop><al>In dit artikel worden de rechten en de plichten van de rechthebbende of, in
                        het geval van algemene graven, van de gebruiker ten aanzien van de
                        grafbedekking omschreven. Alleen in dit artikel is sprake van plichten voor
                        (bepaalde) nabestaanden van overledenen die zijn bijgezet in een algemeen
                        graf. Daarom wordt hier de in artikel 1 (‘Begripsbepalingen’) gedefinieerde
                        term ‘gebruiker’ gebruikt in plaats van de ruimer op te vatten term</al><al>‘belanghebbende’, die voorkomt in verband met het begrip ‘algemeen graf’ in
                        de Wet op de lijkbezorging (artikel 27a). De eigendom en daarmee ook de
                        risicoaansprakelijkheid van wat op het graf is geplaatst ligt, volgens art.
                        32a van de Wet op lijkbezorging, bij de rechthebbende. Van natrekking is
                        geen sprake zolang het graf niet geruimd mag worden. Indien er sprake is van
                        verwaarlozing van de grafbedekking kan de beheerder van de begraafplaats de
                        rechthebbende of de gebruiker aanspreken en sommeren tot het verrichten van
                        herstelwerkzaamheden aan de grafbedekking. De Wet op de lijkbezorging
                        bepaalt in artikel 28, het vierde tot en met het zevende lid, dat het recht
                        op het graf vervalt wanneer vijf jaar na constatering en bekendmaking van de
                        verwaarlozing niet in het onderhoud is voorzien. Hierbij wordt rekening
                        gehouden met de termijn van grafrust en de uitgiftetermijn van het graf. Zie
                        ook de algemene toelichting, hoofdstuk 3.1.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr></kop><al>Het beleid ten aanzien van de planten en bloemen wordt vanaf heden bekend
                        gemaakt op het mededelingenbord op de begraafplaats. Dit beleid behelst dat
                        het gewenst is om verwelkte bloemen en eenjarige planten, zoals afrikanen en
                        geraniums tijdig te verwijderen. Dit omdat gesteld mag worden dat het
                        aanzien van en de sfeer van de begraafplaats wordt aangetast door verwelkte
                        planten en bloemen. De gemeente verwijderd actief bloemen en planten als
                        deze te lang blijven liggen. Omdat de bloemen en planten eigendom zijn van
                        de rechthebbenden of de belanghebbenden is een waarschuwing vooraf op zijn
                        plaats. Dit gebeurt middels mededelingen op de borden op de
                        begraafplaats.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr></kop><al>De rechthebbende dient volgens artikel 28, tweede lid van de Wet op de
                        lijkbezorging ten minste een jaar voor het verstrijken van de termijn van
                        het recht op de hoogte te worden gesteld van dit feit, en van de
                        mogelijkheid verlenging van het recht te vragen. In veel gevallen kan dan
                        gelijktijdig de mededeling worden gedaan dat, wanneer niet om
                        verlenging</al><al>wordt verzocht, het college opdracht zal geven de grafbedekking na het
                        verstrijken van de termijn te verwijderen en het graf te ruimen. Tevens kan
                        worden medegedeeld dat de grafbedekking dertien (was twaalf) weken na
                        verwijdering aan de gemeente vervalt. Ook nabestaanden van overledenen die
                        zijn begraven in een algemeen graf dienen, volgens artikel 27a van de Wet op
                        de lijkbezorging, op hoogte te worden gesteld van het verstrijken</al><al>van de termijn van uitgifte. Deze mededeling dient volgens de wet ‘ten
                        minste zes maanden en ten hoogste twaalf maanden voor het verstrijken van de
                        termijn van uitgifte’ aan de belanghebbende bij dat graf te worden gedaan.
                        Hierbij kan dan gelijktijdig de mededeling worden gedaan dat de mogelijk
                        aanwezige grafbedekking zal worden verwijderd en dat het</al><al>graf zal worden geruimd. Zie ook artikel 15, tweede lid, met de toelichting
                        en artikel 24 eerste lid. De grafbedekking kan ook worden verwijderd nadat
                        het college het grafrecht vervallen heeft verklaard omdat er na het
                        overlijden van de rechthebbende niet tijdig een nieuwe rechthebbende is
                        aangewezen (artikel 15, derde lid van de verordening), of omdat het
                        onderhoud van het graf is verwaarloosd (artikel 28, zesde lid van de Wet op
                        de lijkbezorging). In dat geval geldt eveneens het vereiste van de
                        voorafgaande mededeling per brief of door het plaatsen van een bordje bij
                        het graf gedurende minstens een jaar. In de vorige verordening was voor de
                        recht- of belanghebbende de mogelijkheid opgenomen een aanvraag in te dienen
                        om de grafbedekking na verwijdering een bepaalde periode ter</al><al>beschikking te houden. Dit bracht veel administratieve lasten met zich;
                        daarom is deze mogelijkheid in deze verordening niet meer opgenomen. Voor
                        relevante wetgeving omtrent eigendom van roerende zaken zie artikel 8,
                        Burgerlijk Wetboek Boek 5 en artikel 5:30 Algemene wet bestuursrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr></kop><al>Volgens artikel 31, tweede lid van de Wet op de lijkbezorging kan een
                        particulier graf alleen geruimd worden met toestemming van de rechthebbende.
                        Het recht op een graf kan echter vervallen na het verstrijken van de
                        termijn, of omdat er na het overlijden van de rechthebbende niet tijdig een
                        nieuwe rechthebbende is aangewezen (artikel 15, derde lid van dit model).
                        Ook kan het recht vervallen na verwaarlozing van het onderhoud, volgens
                        artikel 28, zesde lid van de Wet op de lijkbezorging. De mededeling dat het
                        college voornemens is om de graven te ruimen wordt gedaan zowel aan de
                        rechthebbenden op particuliere graven als aan de nabestaanden van
                        overledenen die zijn begraven in een algemeen graf. Zie verder hetgeen is
                        vermeld in de toelichting op artikel 22. Eenieder kan van zijn zienswijze
                        doen blijken, bijvoorbeeld omdat het graf van historische betekenis is (zie
                        artikel 25). Volgens het vijfde lid van artikel 23 kan de rechthebbende
                        vragen om de overblijfselen te doen verzamelen om deze te cremeren, dan wel
                        bij te zetten in een ander graf op dezelfde begraafplaats of over te brengen
                        naar een andere begraafplaats. Ook wordt de mogelijkheid gegeven om de
                        overblijfselen in dezelfde grafruimte te doen plaatsen (het zogenaamde
                        schudden). Het graf wordt dan extra diep uitgegraven, en de overblijfselen
                        worden onderin geplaatst. De rechthebbende kan dan vervolgens het graf
                        bestemmen voor andere overledenen. Op deze wijze kan het graf gedurende
                        langere tijd in dezelfde familie blijven. Het vierde lid van artikel 23
                        opent de mogelijkheid ook bij ruiming van algemene graven de stoffelijke
                        overblijfselen dan wel de as een andere bestemming te geven dan die welke
                        genoemd is in het derde lid. Met betrekking tot het ruimen is in de
                        verordening gekozen voor een zorgplicht voor de gemeente, als beheerder van
                        de begraafplaats. Op de beheerder rust de plicht er zorg voor te dragen dat
                        met de menselijke resten welke bij de ruiming van een graf worden
                        aangetroffen te allen tijde respectvol wordt omgegaan. Er worden (in de
                        uitvoering) maatregelen getroffen, zodat bezoekers van de begraafplaats niet
                        met de menselijke resten worden geconfronteerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr></kop><al>Het ter beschikking van een kerkgenootschap gestelde deel op een
                        gemeentelijke begraafplaats valt volgens artikel 39 van de Wet op de
                        lijkbezorging onder het beheer van de gemeente. Hierdoor is ook de
                        beheersverordening op dit gedeelte van de begraafplaats van toepassing. Het
                        college is dus verantwoordelijk voor de goede gang van zaken op het ter
                        beschikking van het kerkgenootschap gestelde gedeelte. Het college voorziet
                        ook in het minimale onderhoud van de grafbeplantingen op het kerkelijk deel
                        (artikel 19). Wegens het kerkelijk karakter kunnen er redenen bestaan om
                        voor dit deel ten aanzien van enkele onderwerpen nadere regels vast te
                        stellen die afwijken van de nadere regels die gelden voor het overige
                        gedeelte van de begraafplaats. Daarnaast kan het kerkbestuur er behoefte aan
                        hebben om de gemeentelijk beheerder</al><al>bericht te ontvangen als volgens het oordeel van de gemeente onderhoud of
                        herstel nodig is van de grafbedekking van een of meer graven op het
                        kerkelijk deel. Het betreft hier het onderhoud waartoe de rechthebbende of
                        de gebruiker verplicht is volgens artikel 20 van deze verordening. Soms
                        waakt een kerkgenootschap over de graven als er geen nabestaanden meer in
                        leven zijn. Als het kerkbestuur schriftelijk aan het college heeft gevraagd
                        om steeds als zich de noodzaak van onderhoud of herstel van grafbedekking
                        voordoet, te worden geïnformeerd zal aan dit verzoek moeten worden voldaan.
                        Het kerkgenootschap kan zich dan beraden hoe te handelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr></kop><al>Een graf kan van betekenis zijn vanwege de persoon die er is begraven, maar
                        ook uitsluitend vanwege het gedenkteken. De overledene kan voor de
                        plaatselijke gemeenschap van betekenis zijn geweest. Het gedenkteken kan
                        opvallen door zijn vormgeving en door het gebruikte materiaal. Als voorbeeld
                        kunnen gietijzeren gedenktekens worden genoemd, vaak</al><al>subtiel voorzien van symbolen van de dood. Het materiaal herinnert aan een
                        reeds lang verdwenen nijverheid en is alleen al daardoor van waarde.
                        Dergelijke graven en gedenktekens worden vermeld in de inventarisatielijst
                        van historisch en cultureel belangrijke graven. De intentie is om zeldzame
                        voorwerpen op een terrein dat zozeer aan het verleden herinnert te behouden.
                        Bij twijfel over de betekenis van het gedenkteken wordt een</al><al>deskundige geraadpleegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr></kop><al>Het register van de bezorgde as is opgenomen in de verordening, hoewel dat
                        volgens artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging van 4 december 1997
                        niet nodig zou zijn. In dat artikel staan nadere bepalingen voor de
                        registratie van de asbestemming welke gelden voor het crematorium. Voor de
                        eigen bedrijfsvoering en informatieverstrekking aan nabestaanden is</al><al>het wel zaak om over deze gegevens te beschikken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr></kop><al>In artikel 27 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt
                        ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling
                        vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr></kop><al>Geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr></kop><al>De beheersverordening begraafplaatsen is een besluit van de raad op
                        overtreding waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op
                        dezelfde wijze bekendgemaakt als alle overige besluiten van het
                        gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden (zie artikel
                        139 van de Gemeentewet). Voorts is de gemeente gehouden dit besluit mede te
                        delen aan het parket van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen,
                        volgens artikel 143 van de Gemeentewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr></kop><al>Hier geldt artikel 142 van de Gemeentewet: Alle verordeningen treden in
                        werking op deachtste dag na bekendmaking, tenzij daarvoor een ander tijdstip
                        was aangewezen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr></kop><al>In de citeertitel wordt een jaartal opgenomen om de betrokken regeling te
                        onderscheiden van</al><al>de voorgaande regel</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>