<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR48049_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Dertiende serie wijzigingen modelbouwverordening 1992</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 21-10-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Waalwijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8 van de Woningwet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 11 van de Woningwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-06-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/020</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Dertiende serie wijzigingen modelbouwverordening 1992</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Waalwijk</al><al>Gezien de ledenbrief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, kenmerk
                        ECGR/U201000875, d.d. 22 april 2010</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 19 juli 2010</al><al>Gelet op de artikelen 8 en 11 van de Woningwet</al><al>Besluit:</al><al>Vast te stellen de volgende verordening tot wijziging van de
                        bouwverordening:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Artikel</label><nr>A</nr><titel>Wijzigingen in de bouwverordening</titel></kop><structuurtekst><al>De bouwverordening wordt gewijzigd conform de met II aangegeven, hierna
                            volgende ‘wijzigingen van de bouwverordening’.</al><al><vet>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1.1</vet><vet> Begripsomschrijvingen</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>De begripsomschrijving van ‘bevoegd gezag’ is opgenomen in de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en in de Woningwet. Daarom
                            moet ook in de bouwverordening het begrip ‘bevoegd gezag’ worden
                            opgenomen. De Wabo introduceert de omgevingsvergunning en schaft de
                            bouwvergunning af. Het Besluit indieningsvereisten aanvraag
                            bouwvergunning (Biab) alsmede het Besluit bouwvergunningvrije en licht
                            bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) is ingetrokken. De
                            indieningsvereisten zijn opgenomen in de Regeling omgevingsrecht (Mor).
                            De bouwvergunningvrije bouwwerken zijn in bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht (Bor) opgenomen. Voor de toepasbaarheid van de
                            verordening worden de begrippen ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ en
                            ‘omgevingsvergunning voor het slopen’ opgenomen. Uiteraard bestaat maar
                            één omgevingsvergunning, geen twee.</al><al><vet>II Wijziging van de bouwverordening</vet></al><al>In artikel 1.1, eerste lid, vervalt </al><al>‘- Besluit indieningsvereisten’ en de daarachter geplaatste tekst;</al><al>‘- Besluit bouwwerken’ en de daarachter geplaatste tekst. </al><al>Na ‘asbest’ wordt ingevoegd:</al><al>’- Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel
                            1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een
                            bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en
                            wethouders;</al><al>De tekst achter ‘Bouwtoezicht’ wordt vervangen door: degene die
                            ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in samenhang met
                            artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met
                            het bouw- en woningtoezicht;</al><al>Na ‘NVN’ wordt ingevoegd:</al><lijst><li nr="-"><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                    bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,
                                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>Omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een
                                    sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a,
                                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 2</vet><vet> De aanvraag bouwvergunning</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>De Invoeringswet Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) brengt
                            onder meer wijziging in de Woningwet. Dit heeft gevolgen voor de
                            bouwverordening. De bouwvergunning wordt omgevingsvergunning. </al><al>Omdat hoofdstuk 2 mede het toetsingskader vormt voor de
                            omgevingsvergunning, wordt dit hoofdstuk afgestemd op de Wabo.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In de titel van hoofdstuk 2 wordt ‘bouwvergunning’ vervangen door:
                            omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al><vet>Artikel 2.1.5</vet><vet> Bodemonderzoek </vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>In verband met de begripsomschrijving bevoegd gezag in de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht en in de in verband daarmee gewijzigde
                            Woningwet, wordt in de bouwverordening ‘burgemeester en wethouders’
                            vervangen door ‘bevoegd gezag’ en wordt ‘Besluit bouwwerken’ vervangen
                            door ‘Besluit omgevingsrecht, bijlage II’.</al><al>Het jaar van uitgave van NEN normen moet worden geactualiseerd. De
                            genoemde Protocollen zijn niet meer verkrijgbaar. Op grond van de
                            artikelen 11 Woningwet en 2.10 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                            wordt in de bouwverordening het begrip ontheffing vervangen door het
                            afwijken van een voorschrift. Deze verandering geldt naast dit artikel
                            ook voor een reeks andere artikelen uit deze verordening.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van lid 1 sub a wordt vervangen door: “de resultaten van een
                            recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740,
                            uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt
                            uit figuur 1.</al><al>De tekst van sub b wordt vervangen door: (vervallen).</al><al>In het tweede lid wordt: “paragraaf 1.2.5 onder e, van de bijlage bij
                            het Besluit indieningsvereisten” vervangen door: artikel 2.4, onder d
                            van de Regeling omgevingsrecht. </al><al>De woorden ‘Besluit bouwwerken’ worden tweemaal vervangen door: Besluit
                            omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al><al>Het derde lid wordt vervangen door: Het bevoegd gezag staat een geheel
                            of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een
                            onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling
                            omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het
                            bevoegd gezag reeds bruibare recente onderzoeksresultaten beschikbaar
                            zijn. </al><al>De tekst van het vierde lid wordt vervangen door: Het bevoegd gezag kan
                            een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een
                            onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling
                            omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte
                            instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit
                            omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde
                            vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid
                            blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                            volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                            rechtvaardigen. </al><al><vet>Artikel 2.2.6</vet><vet> Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Hoofdstuk IV van de Woningwet is vervallen bij de Invoeringswet Wabo.
                            Dit betekent dat ook artikel 58 over de mededeling van een van
                            rechtswege verleende bouwvergunning is vervallen. Daarmee is de
                            grondslag voor artikel 2.2.6 vervallen. Dit onderwerp is geregeld in
                            artikel 3.9 van de Wabo. </al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van artikel 2.2.6 wordt vervangen door: (Vervallen).</al><al><vet>Artikel 2.4.1</vet><vet> Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                            Wabo vervalt het onderscheid tussen een reguliere bouwvergunning en een
                            lichte bouwvergunning en wordt de bouwvergunning een omgevingsvergunning
                            voor het bouwen.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>Onder sub b wordt ‘reguliere bouwvergunning’ vervangen door:
                            omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al><vet>Artikel 2.4.2</vet><vet> Voorwaarden bouwvergunning</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (Wabo) wordt de bouwvergunning een omgevingsvergunning
                            voor het bouwen. </al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In de titel van artikel 2.4.2 wordt ‘bouwvergunning’ vervangen door
                            ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’. In de tekst wordt: ‘artikel 4 van
                            het Besluit indieningsvereisten en letter e van paragraaf 1.2.5 van de
                            bij dit besluit behorende bijlage‘ vervangen door: artikel 2.4, onder d,
                            van de Regeling omgevingsrecht.</al><al>Het zinsdeel ’kunnen burgemeester en wethouders’ wordt vervangen door:
                            kan het bevoegd gezag en ‘bouwvergunning’ vervangen door:
                            omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al>Het zinsdeel ‘het Besluit indieningsvereisten’ wordt vervangen door: de
                            Regeling omgevingsrecht.</al><al><vet>Artikel 2.5.2</vet><vet> Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (Wabo) wordt de bouwvergunning een omgevingsvergunning
                            voor het bouwen.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In de tekst van dit artikel wordt tweemaal ‘bouwvergunning’ vervangen
                            door: omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al><vet>Artikel 2.5.3</vet><vet> Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                Brandblusvoorzieningen</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>Het derde lid wordt vervangen door: Het bepaalde in het eerste lid is
                            niet van toepassing op een bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond
                            van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II
                            bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                            dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw
                            behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al><al>In het zesde lid wordt: 'Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing
                            verlenen" vervangen door: Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning
                            verlenen in afwijking. </al><al><vet>Artikel 2.5.3A</vet><vet> Brandweeringang</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van
                            gemeentelijke verordeningen "in wier onderwerp" door onder meer een
                            algemene maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn
                            vervallen. Het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327)
                            voorziet in het bepaalde van artikel 2.5.3A. Vanaf de inwerkingtreding
                            van het besluit per 1 november 2008 is de inhoud artikel 2.5.3A van
                            rechtswege vervallen.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van artikel 2.5.3A wordt vervangen door: (Vervallen).</al><al><vet>Artikel 2.5.6</vet><vet> Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (Wabo) wordt de bouwvergunning een omgevingsvergunning
                            voor het bouwen.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In de tekst wordt ‘bouwvergunningplichtig bouwwerk’ vervangen door:
                            bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist,. </al><al><vet>Artikel 2.5.7</vet><vet> Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Het Besluit bouwwerken (= Besluit bouwvergunningvrije en licht
                            bouwvergunningplichtige bouwwerken) wordt vervangen door het Besluit
                            omgevingsrecht (Bor), bijlage II.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>Onder sub a en onder sub b telkens ‘bouwvergunningplichtig bouwwerk’
                            vervangen door: bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is vereist.</al><al>Onder sub a wordt ‘veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld
                            in artikel 3, eerste lid, onder k van het Besluit bouwwerken’ vervangen
                            door: veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II
                            bij het Besluit omgevingsrecht.</al><al>Onder sub b wordt artikel 3, eerste lid, onder k van het Besluit
                            bouwwerken’ vervangen door: de veranderingen bedoeld in artikel 3,
                            onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al><al><vet>Artikel 2.5.8</vet><vet> Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (Wabo) worden enkele begrippen geactualiseerd.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De titel van dit artikel wordt vervangen door: <vet>Vergunningverlening
                                in afwijking van het verbod tot overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn.</vet></al><al>In het eerste lid wordt 'Burgemeester en wethouders tot en met voor’
                            vervangen door: </al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                            bouwen verlenen voor. </al><al>In het eerste lid, sub b, wordt ‘artikel 3, eerste lid, onder i, en
                            derde lid, van het Besluit bouwwerken’ vervangen door: artikel 2,
                            onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. </al><al>In het tweede lid wordt ‘ontheffing worden verleend’ door: afwijking
                            worden toegestaan.</al><al><vet>Artikel 2.5.9</vet><vet> Bouwen op de weg</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Het Besluit bouwwerken (= Besluit bouwvergunningvrije en licht
                            bouwvergunningplichtige bouwwerken) wordt vervangen door het Besluit
                            omgevingsrecht (Bor), bijlage II.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het eerste lid wordt ‘Burgemeester en wethouders tot en met van’
                            vervangen door: In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan
                            het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen
                            voor.</al><al>In de tekst wordt onder sub a ‘artikel 3, eerste lid, onder h, van het
                            Besluit bouwwerken’ vervangen door: artikel 2, onderdeel 18, sub a van
                            bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en onder sub b ‘artikel 3,
                            derde lid, onder a, b en e, van het Besluit bouwwerken’ vervangen door:
                            artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het Besluit
                            omgevingsrecht. </al><al>Onder sub e wordt ‘bouwvergunningplichtige bouwwerken’ vervangen door:
                            bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                            vereist,.</al><al><vet>Artikel 2.5.10</vet><vet> Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                                Afschuining van straathoeken</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5 en onder 2.5.7</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het tweede lid, onder sub a en sub b wordt telkens ‘ontheffing’
                            vervangen door: afwijking.</al><al>In het vierde lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing
                            verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning
                            verlenen in afwijking en onder sub d ‘artikel 2, onder b, van het
                            Besluit bouwwerken’ vervangen door: artikel 2, onderdeel 3, of artikel
                            3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en onder
                            sub g ‘bij het verlenen van de ontheffing’ vervangen door: bij het
                            toestaan van de afwijking.</al><al><vet> Artikel 2.5.11</vet><vet> Ligging achtergevelrooilijn</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het derde lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing
                            verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning
                            verlenen in afwijking.</al><al><vet>Artikel 2.5.12</vet><vet> Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                            </vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (Wabo) wordt de bouwvergunning een omgevingsvergunning
                            voor het bouwen.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In de tekst wordt ‘bouwvergunningplichtige bouwwerken’ vervangen door:
                            bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist,. </al><al><vet>Artikel 2.5.13</vet><vet> Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 2.5.6 en onder artikel 2.5.7.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>Onder sub c wordt ‘bouwvergunningplichtig bouwwerk’ vervangen door:
                            bouwwerk, voor het bouwen waarvaneen omgevingsvergunning is vereist, en
                            de tekst na ‘aan- of uitbouw’ wordt vervangen door: voor het bouwen
                            waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1
                            van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is
                            vereist.</al><al>Onder sub d en e wordt ‘bouwvergunningplichtig bouwwerk’ vervangen door
                            ‘bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist,’
                            en ‘artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken’
                            vervangen door: artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                            omgevingsrecht. Onder sub d vervalt ‘van niet ingrijpende aard’.</al><al>Onder sub f wordt ‘artikel 3, eerste lid, onder e en f van het Besluit
                            bouwwerken’ vervangen door: artikel.2, onderdeel 15 en 17 van bijlage II
                            bij het Besluit omgevingsrecht. </al><al><vet>Artikel 2.5.14</vet><vet> Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5 en onder artikel 2.5.7. De
                            terminologie wordt in overeenstemming gebracht met de Wabo.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De titel wordt vervangen door: <vet>Vergunningverlening in afwijking van
                                het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>‘Burgemeester en wethouders tot en met voor’ wordt vervangen door: In
                            afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                            het bouwen verlenen voor.</al><al>Onder sub f wordt de tekst na ‘bijgebouwen’ vervangen door: die niet
                            vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van
                            bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. .De tekst achter sub h
                            wordt vervangen door: bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen
                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist.Onder sub j wordt de
                            tekst na ‘erkers en overige uitbouwen’ vervangen door: anders dan de
                            uitbouwen die vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                            onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. </al><al><vet>Artikel 2.5.15</vet><vet> Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het derde lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing
                            verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning
                            verlenen in afwijking.</al><al><vet>Artikel 2.5.16</vet><vet> Erf bij overige gebouwen</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het tweede lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing
                            verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning
                            verlenen in afwijking en onder sub b ‘ontheffing is verleend’ vervangen
                            door: afwijking is toegestaan.</al><al><vet>Artikel 2.5.17</vet><vet> Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het tweede lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing
                            verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning
                            verlenen in afwijking.</al><al><vet>Artikel 2.5.18</vet><vet> Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5 en onder artikel
                            2.5.7.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het eerste lid wordt ‘artikel 2, onder e, van het Besluit bouwwerken’
                            vervangen door: artikel.2, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht.</al><al>In het tweede lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing
                            verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning
                            verlenen in afwijking.</al><al><vet>Artikel 2.5.19</vet><vet> Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                hoofdtransportleidingen</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het eerste en tweede lid wordt ‘bouwvergunningplichtige bouwwerken’
                            vervangen door: bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is vereist.</al><al>In het derde lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing
                            verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning
                            verlenen in afwijking..</al><al><vet>Artikel 2.5.20</vet><vet> Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 2.5.6.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>Onder alternatief 1 en onder alternatief 2 wordt in het eerste lid
                            ‘bouwvergunningplichtig bouwwerk’ vervangen door: bouwwerk, voor het
                            bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist.</al><al><vet>Artikel 2.5.21</vet><vet> Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 2.5.6.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>Onder alternatief 1 en onder alternatief 2 wordt in het eerste lid
                            ‘bouwvergunningplichtig bouwwerk’ vervangen door: bouwwerk, voor het
                            bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist. </al><al><vet>Artikel 2.5.22</vet><vet> Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                achtergevelrooilijn</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie hiervoor de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het tweede lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing
                            verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning
                            verlenen in afwijking.</al><al><vet>Artikel 2.5.23</vet><vet> Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie hiervoor de motivering onder artikel 2.5.6.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>Onder alternatief 1 en onder alternatief 2 wordt in het eerste lid
                            ‘bouwvergunningplichtig bouwwerk’ vervangen door: bouwwerk, voor het
                            bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist. </al><al><vet>Artikel 2.5.24</vet><vet> Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 2.5.6.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>Onder alternatief 1 en onder alternatief 2 wordt in het eerste lid
                            ‘bouwvergunningplichtig bouwwerk’ vervangen door: bouwwerk, voor het
                            bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist. </al><al><vet>Artikel 2.5.25</vet><vet> Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                terreinen</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie hiervoor de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het eerste lid wordt ‘verleende ontheffing’ vervangen door:
                            toegestane afwijking.</al><al>In het tweede lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing
                            verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning
                            verlenen in afwijking.</al><al><vet>Artikel 2.5.27</vet><vet> Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 2.5.6 en onder artikel 2.5.7.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>Onder sub a wordt ‘bouwvergunningplichtig bouwwerk’ vervangen door:
                            bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist. </al><al>Onder sub a en onder sub b wordt telkens ‘artikel 3, eerste lid, onder
                            k, van het Besluit bouwwerken’ vervangen door: artikel 3, onderdeel 7
                            van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Onder sub a vervalt ‘van
                            niet ingrijpende aard’.</al><al><vet>Artikel 2.5.28</vet><vet> Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                                bouwhoogte</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie hiervoor de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5 en onder artikel
                            2.5.6.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De titel wordt vervangen door: <vet>Vergunningverlening in afwijking van
                                het verbod tot overschrijding van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet>.</al><al>‘Burgemeester en wethouders tot en met van’ wordt vervangen door: In
                            afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                            toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                            2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan
                            het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor. </al><al>Onder sub b en sub e ad 1 wordt telkens ‘verlenen van de ontheffing’
                            vervangen door: toestaan van de afwijking en onder sub e ‘artikel 3,
                            eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken’ vervangen door: artikel
                            3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en onder
                            sub f ‘artikel 3, derde lid, van het Besluit bouwwerken’ vervangen door:
                            artikel.2, onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                            omgevingsrecht.</al><al><vet>Artikel 2.5.29 </vet><vet> Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de
                                toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw
                                ruimtelijk beleid.</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige
                            afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen
                            enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en
                            anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het
                            bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 MBV is te beschouwen als een
                            bestemmingsplan vervangende regeling met derhalve ook de behoefte aan
                            regels inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt
                            voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor
                            bouwen en gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit de
                            stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die uit een
                            bestemmingsplan. Een nieuwe tekst voor dit artikel blijkt nodig. Het
                            nieuwe artikel is afgestemd op artikel 2.12, eerste lid, sub 3 van de
                            Wabo. Voorheen was een verdagingstermijn opgenomen, thans dient een
                            verdagingsbesluit te zijn gebaseerd op artikel 3.9, tweede lid
                            Wabo.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De titel wordt vervangen door: <vet>Vergunningverlening in afwijking van
                                het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten
                                bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                                beleid</vet>.</al><al>De tekst wordt vervangen door: In andere gevallen dan bedoeld in de
                            artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de
                            verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                            achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van
                            de maximale bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                    beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                    is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                    toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                    ordening, en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                    bevat.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.30</vet><vet> Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                gebouwen.</vet></al><al><vet>I. Motivering</vet></al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                            parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als
                            uitwerking hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald
                            dat artikel 8, vijfde lid van de Woningwet vervalt. </al><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                            Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe
                            datum van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer
                            het ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien
                            op grond van de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin
                            niet is voorzien in een regeling over het parkeren. </al><al>Zie voor de gewijzigde terminologie ‘bevoegd gezag’ de motivering onder
                            artikel 1.1 en 2.1.5. De ontheffing is zoals elders in deze verordening
                            vervangen door afwijking. Deze afwijking wordt door het bevoegd gezag
                            toegestaan in de te verlenen omgevingsvergunning.</al><al>Wij gaan ervan uit dat aan de omgevingsvergunning en meer specifiek aan
                            deze afwijking financiële voorwaarden verbonden kunnen worden strekkende
                            tot het storten van geld in een parkeerfonds.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>In alternatief 1, zesde lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen
                            ontheffing verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de
                            omgevingsvergunning verlenen in afwijking.</al><al>In alternatief 2, vierde lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen
                            ontheffing verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de
                            omgevingsvergunning verlenen in afwijking.</al><al><cursief>Paragraaf 6</cursief><cursief> Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</cursief></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van
                            gemeentelijke verordeningen "in wier onderwerp"door onder meer een
                            algemene maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn
                            vervallen. Het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327)
                            voorziet in het bepaalde van paragraaf 2.6. Vanaf de inwerkingtreding
                            van het besluit per 1 november 2008 is de inhoud van paragraaf 2.6 en
                            die van de hierbij behorende bijlagen 10 tot en met 12 van rechtswege
                            vervallen.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van alle artikelen behorende tot paragraaf 2.6 wordt na de
                            vermelding van nummer en titel van elk artikel vervangen door:
                            (vervallen).</al><al><vet>Artikel 2.7.3</vet><vet> Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>De aanduiding ‘woningen voor bejaarden’ in het eerste lid wordt
                            vervangen door een aanduiding van woningen waar op andere wijze dan op
                            gas wordt gekookt en voor verwarming geen individuele aansluiting nodig
                            is. </al><al>In de toelichting wordt in het tweede lid, sub c, verwezen naar de
                            toelichting bij artikel 2.7.1. Echter, artikel 2.7.1 gaat over de
                            waterleiding en artikel 2.7.3 gaat over de gasaansluiting. Daarom is een
                            aanvulling van de toelichting op dit punt gewenst.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het eerste lid wordt in de laatste zin na ‘woningen’ een komma
                            geplaatst en wordt ‘voor bejaarden’ vervangen door: waarin voor het
                            kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor
                            verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is. </al><al>In het tweede lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing
                            verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning
                            verlenen in afwijking.</al><al><vet>Artikel 2.7.4</vet><vet> Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>De toelichting behoeft actualisering, omdat milieuregelgeving op het
                            vlak van de afvoer van afvalwater is gewijzigd. Wij wijzen op de VNG
                            ledenbrief van 16 juli 2009, Lbr. 09/091, over de nieuwe
                            Modelverordening afvoer hemelwater en grondwater.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>In alternatief 1, vierde lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen
                            ontheffing verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de
                            omgevingsvergunning verlenen in afwijking.</al><al>In alternatief 2, vierde lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen
                            ontheffing verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de
                            omgevingsvergunning verlenen in afwijking.</al><al><vet>Artikel 2.7.5</vet><vet> Aansluiting anders dan aan der openbare riolering</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie hiervoor de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5.</al><al>De uitzondering van de aansluitplicht wordt uitgebreid met mestkelder.
                            Een gier- of beerput komt nauwelijks nog voor, een mestkelder wel.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>In alternatief 1, eerste lid, sub b wordt voor ‘beerput’ ingevoegd:
                            mestkelder of een. </al><al>In alternatief 1, tweede lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen
                            ontheffing verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de
                            omgevingsvergunning verlenen in afwijking.</al><al>In alternatief 2, eerste lid, sub b wordt voor ‘beerput’ ingevoegd
                            ‘mestkelder of een.</al><al>In alternatief 2, derde lid wordt 'Burgemeester en wethouders kunnen
                            ontheffing verlenen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan de
                            omgevingsvergunning verlenen in afwijking. </al><al><vet>Artikel 2.7.6</vet><vet> Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven en
                                terreinen</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Het jaartal van de uitgave van de NEN 3215 wordt geactualiseerd. </al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het vierde lid wordt het jaar van uitgave van NEN 3215 veranderd van
                            "1997" in: 2007. </al><al><vet>Artikel 4.1</vet><vet> Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Dit artikel vervalt, omdat de inhoud is geregeld in artikel 2.33 van de
                            Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van dit artikel wordt vervangen door: (Vervallen).</al><al><vet>Artikel 4.2</vet><vet> Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Onder sub d dient naast artikel 13 Woningwet ook te worden genoemd de
                            artikelen 13a en 14, tweede lid, sub b van de Woningwet. Zie ook de
                            motivering onder artikel 2.5.6.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In de tekst van sub a wordt ‘bouwvergunning’ vervangen door
                            ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’.</al><al>In de tekst van sub b wordt ‘andere vergunningen en ontheffingen’
                            vervangen door: andere toestemmingen’.</al><al>In de tekst van sub d wordt na ‘artikel 13’ ingevoegd: ‘,13a en 14,
                            tweede lid, sub b van de’. </al><al><vet>Artikel 4.4</vet><vet> Het uitzetten van de bouw</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5 en artikel 2.5.6.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In de tekst wordt ‘bouwvergunning’ en ‘de bouwvergunning’ telkens
                            vervangen door: een omgevingsvergunning voor het bouwen en 'burgemeester
                            en wethouders’ vervangen door: het bevoegd gezag. </al><al><vet>Artikel 4.5</vet><vet> Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 2.5.6.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het eerste lid wordt ‘bouwvergunning’ en ‘de bouwvergunning’ telkens
                            vervangen door: een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al><vet>Artikel 4.10</vet><vet> Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie hiervoor de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5. Hoewel de
                            besluiten van burgemeester en wethouders als bedoeld in het derde en
                            vierde lid van dit artikel, niet zijn gericht op een vergunning of
                            ontheffing en meer het karakter hebben van een nadere regel, verdient
                            het systematisch gezien de voorkeur ook hier het begrip bevoegd gezag in
                            te voeren.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het derde en vierde lid wordt “Burgemeester en wethouders kunnen"
                            vervangen door: Het bevoegd gezag kan.</al><al><vet>Artikel 4.12</vet><vet> Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 2.5.6. </al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het derde en vierde lid wordt telkens ‘bouwvergunning’ vervangen door
                            ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’</al><al><vet>Artikel 4.14</vet><vet> Verbod tot ingebruikneming </vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Op aandrang vanuit de praktijk en gelet op de uitspraak rechtbank
                            Leeuwarden van 22 september 2008, LJN BF2263 wordt het verbod tot
                            ingebruikneming van een bouwwerk dat niet is gereed gemeld opnieuw
                            ingevoerd.</al><al>Hierbij is uitgegaan van de oude tekst van artikel 4.14 uitsluitend ten
                            aanzien van het niet gereed melden.</al><al>Voorkomen moet worden dat onveilige situaties ontstaan als gevolg van
                            het in gebruik nemen van onvoltooide bouwwerken of van bouwwerken waarin
                            niet alle noodzakelijke bouwtechnische voorzieningen zijn aangebracht
                            (ABRS 23 december 2009, LJN: BK7451).</al><al><vet>II Wijziging van de verordening </vet></al><al>Vervang ‘(Vervallen)’ door: Het is verboden na de bouw van een bouwwerk,
                            voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is verleend, het
                            bouwwerk in gebruik te geven of te nemen, indien het bouwwerk niet
                            gereed is gemeld bij het bouwtoezicht.</al><al><vet>Hoofdstuk 5. </vet><vet>Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidsinstallaties,
                                aansluitingen op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
                                hinderlijk gedierte</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>De paragraaf over brandveiligheidinstallaties en vluchtroute
                            aanduidingen vervallen van rechtswege, de titel van dit hoofdstuk moet
                            daaraan worden aangepast.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De titel van hoofdstuk 5 wijzigen in: “<vet>Staat van open erven en
                                terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van
                                schadelijk en hinderlijk gedierte</vet>"</al><al><vet>Artikel 5.1.2</vet><vet> Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer,
                                Brandblusvoorzieningen</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 2.5.3. Hetzelfde tekstvoorstel als bij
                            artikel 2.5.3 geldt ook voor artikel 5.1.2.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>Het derde lid wordt vervangen door: Het bepaalde in het eerste lid is
                            niet van toepassing op een bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond
                            van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II
                            bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                            dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw
                            behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al><al><cursief>Paragraaf 2 </cursief><cursief> Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</cursief></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van
                            gemeentelijke verordeningen "in wier onderwerp"door onder meer een
                            algemene maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn
                            vervallen. Het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327)
                            voorziet in het bepaalde van paragraaf 5.2. Vanaf de inwerkingtreding
                            van het besluit per 1 november 2008 is de inhoud van paragraaf 5.2 van
                            rechtswege vervallen.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van alle in paragraaf 5.2 opgenomen artikelen wordt vervangen
                            door: (vervallen).</al><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>De aanduiding ‘woningen voor bejaarden’ in het eerste lid wordt
                            vervangen door een aanduiding van woningen waar op andere wijze dan op
                            gas wordt gekookt en voor verwarming geen individuele aansluiting nodig
                            is. </al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>Onder ‘Niet van toepassing is voorgaande eis op ‘ wordt onder sub a na
                            ‘woningen’ een komma geplaatst en wordt ‘voor bejaarden’ vervangen door
                            ‘waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is
                            en voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig
                            is’. </al><al><vet>Artikel 5.3.4</vet><vet> Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>De uitzondering van de aansluitplicht wordt uitgebreid met mestkelder.
                            Een gier- of beerput komt nauwelijks nog voor, een mestkelder wel.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het tweede lid, sub d wordt na ‘voldoende ruime’ ingevoegd:
                            mestkelder,.</al><al><vet>Hoofdstuk 6</vet><vet> Brandveiligheid gebruik</vet></al><al><vet>I. Motivering </vet></al><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van
                            gemeentelijke verordeningen "in wier onderwerp" door onder meer een
                            algemene maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn
                            vervallen. Het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327)
                            voorziet in het bepaalde van hoofdstuk 6. Vanaf de inwerkingtreding van
                            het besluit per 1 november 2008 is de inhoud van hoofdstuk 6 en die van
                            de hierbij behorende bijlagen 2 tot en met 5 van rechtswege vervallen. </al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van hoofdstuk 6 wordt vervangen door: (vervallen).</al><al><vet>Artikel 7.1.2</vet><vet> Overbevolking van woonwagens en woonketen</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Met de Invoeringswet Wabo worden de woonwagen en woonkeet uit de
                            Woningwet gehaald.</al><al>Het begrip woonwagen staat voortaan in artikel 1 van bijlage II bij het
                            Besluit omgevingsrecht. Het Bouwbesluit bevat de technische eisen voor
                            een woonwagen.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet>In de titel vervalt: en
                            woonketen.</al><al>In de tekst vervalt tweemaal: respectievelijk een woonkeet.</al><al><vet>Artikel 7.2.1</vet><vet> Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>De standplaats voor een woonwagen komt in artikel 8 Woningwet niet meer
                            voor. Daarom wordt in de bouwverordening standplaats verwijderd. </al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In de eerste zin vervalt: een standplaats,.</al><al><vet>Artikel 7.2.2</vet><vet> Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en hygiëne</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 1.1</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In de tekst wordt ‘kunnen burgemeester en wethouders’ vervangen door:
                            kan het bevoegd gezag.</al><al><vet>Artikel 7.2.3</vet><vet> Staken van het gebruik van een woonwagen</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Het staken van het gebruik is gekoppeld aan de voorzieningen op een
                            standplaats. Aangezien de standplaats uit de regeling is verdwenen,
                            vervalt dit artikel.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van artikel 7.2.3 wordt vervangen door: (vervallen).</al><al><vet>Artikel 7.3.1 </vet></al><al>(tevens wijziging tekstvoorstel ledenbrief 08/166 d.d. 6 oktober 2008 ) </al><al><vet>I. Motivering </vet></al><al>In onze ledenbrief van 6 oktober 2008 (Lbr. 08/166) meldden wij dat
                            artikel 2.11.1, tweede lid van het Besluit brandveilig gebruik
                            bouwwerken (Stb. 2008, 327) de raad de mogelijkheid geeft om van het in
                            artikel 2.11.1, eerste lid, onderdeel a, genoemde aantal personen af te
                            wijken. De raad kan indien afwijking van dit artikel is gewenst, het
                            volgende nieuwe artikel in de bouwverordening vaststellen. Het hierna
                            gepresenteerde tekstvoorstel luidt anders dan dat in de ledenbrief van 6
                            oktober 2008, Lbr. 08/166.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>Aan artikel 7.3.1 wordt een aanhef toegevoegd luidende: “<vet>Bepaling
                                aantal personen nachtverblijf</vet>”</al><al>De tekst van artikel 7.3.1 wordt vervangen door: In afwijking van het
                            bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht,
                            wordt het aantal personen bepaald op … (<cursief>N.B. Hier invullen bij
                                welk gewenst aantal personen de vergunningsplicht geldt</cursief>). </al><al><vet>Artikel 7.3.2</vet><vet> Hinder</vet></al><al><vet>I. Motivering </vet></al><al>Met de 10e serie van wijzigingen van de MBV, ledenbrief van 15 december
                            2004,. Lbr. 04/161, is om systematische redenen het aspect
                            brandveiligheid uit artikel 7.3.2 gehaald en overgebracht naar een nieuw
                            artikel 6.4.1 MBV. In dat artikel stond in onderdeel a 'op voor de
                            omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt
                            verspreid'.</al><al>Op 1 november 2008 trad het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken, Stb.
                            2008, 327, (Gebruiksbesluit) in werking. Gelet op artikel 122
                            Gemeentewet zijn per die datum de artikelen uit de bouwverordening van
                            rechtswege vervallen. Gebleken is dat het Gebruiksbesluit geen
                            voorschrift bevat over het tegengaan van hinder tengevolge van rook,
                            roet, walm of stof. Daarom wordt het genoemde onderdeel a
                            teruggeplaatst.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>De letter a, b en c worden gewijzigd in b, c en d.</al><al>Ingevoegd wordt een nieuw letter a met daarachter de tekst: op voor de
                            omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt
                            verspreid;.</al><al><vet>Artikel 7.5.1</vet><vet> Verboden gebruik van water</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Deze wijziging houdt verband met het vervallen van artikel 7.2.3 MBV. </al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In de tekst wordt ‘burgemeester en wethouders’ vervangen door: het
                            bevoegd gezag.</al><al><vet>Artikel 7.6.1</vet><vet> Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>De wijziging betreft een aanpassing aan het per 1 november 2008 van
                            kracht geworden Besluit brandveilig gebruik bouwwerken.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst "en/of" wordt vervangen door: , het Besluit brandveilig gebruik
                            bouwwerken of.</al><al><vet>Hoofdstuk 8 </vet><vet> Slopen</vet></al><al><cursief>Paragraaf 1</cursief><cursief> Sloopvergunning</cursief></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>In verband met de komst van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                            wordt de terminologie aangepast. Het begrip sloopvergunning wordt
                            vervangen door omgevingsvergunning voor het slopen.</al><al><vet>II Wijziging in de verordening</vet></al><al>De titel van deze paragraaf komt te luiden: Omgevingsvergunning voor het
                            slopen.</al><al><vet>Artikel 8.1.1</vet><vet> Sloopvergunning</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                            omgevingsvergunning. Als gevolg hiervan wordt de sloopvergunning een
                            omgevingsvergunning voor het slopen en wanneer deze exclusief betrekking
                            heeft op asbest een omgevingsvergunning voor het slopen van asbest.</al><al>De Wabo bevat in artikel 3.1, tweede en derde lid, een zendplicht voor
                            de ontvangstbevestiging van de aanvraag en voor de mededeling over de te
                            volgen procedure naar aanleiding van een ontvangen verzoek om
                            vergunning. De huidige praktijk van het plaatsen van een datumstempel op
                            de aanvraag is niet langer voldoende. De toelichting wordt aangepast.
                            Zie voorts de motivering bij artikel 7.2.1.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De titel van dit artikel wordt vervangen door: <vet>Omgevingsvergunning
                                voor het slopen</vet>.</al><al>In het eerste lid vervalt:‘, standplaatsen’ en wordt 'burgemeester en
                            wethouders’ vervangen door: het bevoegd gezag en vervalt
                            ‘(sloopvergunning)’. </al><al>In het tweede lid, derde volzin wordt ‘Burgemeester en wethouders
                            kunnen’ vervangen door: Het bevoegd gezag kan.</al><al>In het derde lid wordt ‘Burgemeester en wethouders verbinden aan de
                            sloopvergunning’ vervangen door: het bevoegd gezag verbindt aan de
                            omgevingsvergunning voor het slopen.</al><al>In het vierde lid, tweede volzin wordt ‘Burgemeester en wethouders
                            verbinden aan de sloopvergunning’ vervangen door: Het bevoegd gezag
                            verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen.</al><al>In het vijfde lid wordt ‘bouwvergunning’ vervangen door:
                            omgevingsvergunning voor het bouwen en vervalt ‘als bedoeld in het zesde
                            lid van artikel 45 van de Woningwet’.</al><al><vet>Artikel 8.1.2 </vet><vet> Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al><vet>I. Motivering</vet></al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt geregeld in hoofdstuk 4
                            van het Besluit omgevingsrecht en de indieningsvereisten staan in
                            artikel 7.2 van de Regeling omgevingsrecht. Daarom vervalt dit
                            artikel.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van dit artikel wordt vervangen door: (Vervallen).</al><al><vet>Artikel 8.1.3</vet><vet> In behandeling nemen</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 8.1.2. Dit onderwerp wordt geheel
                            beheerst door de regelingen in de Awb, Wabo, Bor en Mor.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van dit artikel wordt vervangen door: (Vervallen).</al><al><vet>Artikel 8.1.4</vet><vet> Termijnen van beslissing</vet></al><al><vet>I. Motivering </vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 8.1.2. Dit onderwerp wordt geregeld in
                            de artikelen 3.9 en 3.10 van de Wabo.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van dit artikel wordt vervangen door: (Vervallen).</al><al><vet>Artikel 8.1.5</vet><vet> Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><al><vet>I. Motivering </vet></al><al>Artikel 8.1.5 is overbodig geworden, nu de Wabo met de
                            omgevingsvergunning voldoende voorziet in afstemming van bouwen en
                            slopen. </al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van dit artikel wordt vervangen door: (Vervallen).</al><al><vet>Artikel 8.1.6</vet><vet> Weigeren sloopvergunning</vet></al><al><vet>I. Motivering </vet></al><al>Zie de motivering bij artikel 8.1.1.</al><al>De Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing is per 1 juli 2008 vervallen. In
                            de Wro is de mogelijkheid opgenomen in een bestemmingsplan een
                            sloopverbod met sloopvergunning op te nemen. Krachtens overgangsrecht
                            (Invoeringswet Wro) blijven leefmilieuverordeningen nog enige tijd in
                            stand, waardoor het schrappen van de tekst nu niet aan de orde is. </al><al>Het niet beschikken over deze ‘planologische’ sloopvergunning, terwijl
                            deze volgens het bestemmingsplan nodig is, wordt een weigeringsgrond
                            voor de sloopvergunning uit de bouwverordening. De aanlegvergunning is
                            onderdeel geworden van de omgevingsvergunning. Coördinatie van
                            aanlegactiviteiten en sloopactiviteiten vindt plaats in het kader van de
                            voorbereiding van de omgevingsvergunning. Een afzonderlijke
                            weigeringsgrond voor het niet hebben van een aanlegvergunning vervalt. </al><al>Zowel de regeling over het aanleggen als de regeling over het slopen,
                            indien deze zijn opgenomen in een bestemmingsplan, zijn deel van de
                            omgevingsvergunning. Hierop zijn van toepassing de artikelen 2.1, eerste
                            lid, en 2.2, eerste lid, en de artikelen 2.10 tot en met 2.21 van de
                            Wabo. </al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>De titel van dit artikel wordt vervangen door: <vet>Weigeren
                                omgevingsvergunning voor het slopen</vet>. </al><al>In de eerste zin van dit artikel wordt ‘sloopvergunning’ vervangen door:
                            omgevingsvergunning voor het slopen.</al><al>In de tekst behorende bij letter c wordt na ‘vergunning’ ingevoegd: met
                            betrekking tot de archeologische monumenten.</al><al>Aan de tekst achter onderdeel d wordt na ‘dorpsvernieuwing’ ingevoegd: ,
                            die krachtens overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke
                            ordening de werking heeft behouden,.</al><al>Letter e en de daarbij behorende tekst vervalt.</al><al><vet>Artikel 8.1.7</vet><vet> Intrekken sloopvergunning</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Krachtens artikel 233, tweede lid, onder h, van de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht blijft het toetsingskader in de verordening
                            staan.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>De titel van dit artikel wordt vervangen door:
                                <vet>Intrekken</vet><vet>omgevingsvergunning voor het slopen</vet>. </al><al>In het eerste lid wordt ‘Burgemeester en wethouders kunnen een
                            sloopvergunning intrekken’ vervangen door: Een omgevingsvergunning voor
                            het slopen kan worden ingetrokken.</al><al>Het tweede lid vervalt. Het lidnummer 1 vervalt.</al><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 1.1.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>In de titel van deze paragraaf wordt ‘sloopvergunning’ vervangen door:
                            een omgevingsvergunning voor het slopen.</al><al><vet>Artikel 8.2.1</vet><vet> Sloopmelding</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Een melding valt niet onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
                            Een melding maakt geen deel uit van een omgevingsvergunning. Het
                            bestuursorgaan blijft burgemeester en wethouders.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het eerste lid wordt tweemaal ‘sloopvergunning’ vervangen door:
                            omgevingsvergunning voor het slopen. De laatste zin van het eerste lid
                            vervalt.</al><al><vet>Artikel 8.2.2</vet><vet> Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Een redactionele omissie wordt hersteld. </al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>In de titel wordt ‘sloopvergunning’ vervangen door: een
                            omgevingsvergunning voor het slopen.</al><al>In de tekst van dit artikel wordt ‘sloopvergunning’ vervangen door:
                            omgevingsvergunning voor het slopen en in de opsomming onder sub c
                                <vet>‘</vet>rem- frictiematerialen’ vervangen door: rem- en
                            frictiematerialen.</al><al><vet>Artikel 8.3.2 </vet><vet> Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering bij artikel 8.1.1.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>In de tekst van dit artikel wordt ‘sloopvergunning’ vervangen door:
                            omgevingsvergunning voor het slopen.</al><al><vet>Artikel 8.3.3</vet><vet> Plichten van de houder van de sloopvergunning</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie hiervoor de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5 en artikel
                            8.1.1.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>In de titel wordt ‘<vet>sloopvergunning</vet>’ vervangen door:
                                <vet>omgevingsvergunning voor het slopen</vet>.</al><al>In de leden 1, 2, 3 en 4 wordt telkens ‘sloopvergunning’ vervangen door:
                            omgevingsvergunning voor het slopen.</al><al>In het derde lid wordt ‘burgemeester en wethouders’ vervangen door: het
                            bevoegd gezag.</al><al>In het vierde lid wordt ‘burgemeester en wethouders’ vervangen door: het
                            bevoegd gezag.</al><al><vet>Artikel 8.3.4</vet><vet> Plichten van degene die sloopt</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie hiervoor de motivering bij artikel 8.1.1.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het eerste lid wordt ‘sloopvergunning’ vervangen door:
                            omgevingsvergunning voor het slopen.</al><al><vet>Artikel 9.1</vet><vet> De advisering door de welstandscommissie</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>De figuur van regulier en van licht-vergunningplichtige bouwwerken
                            vervalt bij de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht. De bouwvergunning wordt een omgevingsvergunning voor het
                            bouwen. De tekst van sommige alternatieve artikelen moet hieraan worden
                            aangepast. Andere alternatieve artikelen vervallen.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>Het tweede lid van <cursief>alternatief 1</cursief> wordt vervangen
                            door: De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                            aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al><cursief>Alternatief 2 </cursief>vervalt.</al><al><cursief>Alternatief 3</cursief> wordt vernummerd tot
                                <cursief>alternatief 2.</cursief> Het eerste lid van dit
                                <cursief>alternatief</cursief> (oud 3) wordt vervangen door: De
                            welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen
                            voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al><cursief>Alternatief 4 </cursief>vervalt.</al><al><vet>Artikel 9.5 </vet><vet> Termijn van advisering</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>De figuur van licht- vergunningplichtige bouwwerken vervalt bij de
                            inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De tekst
                            moet hieraan worden aangepast.</al><al>Burgemeester en wethouders blijven bevoegd als orgaan waaraan het
                            welstandadvies is gericht. Daarom wordt in dit artikel ‘burgemeester en
                            wethouders’ niet vervangen door ‘bevoegd gezag’.Dit volgt uit artikel
                            2.26, derde en vierde lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                            en artikel 6.2 van het Besluit omgevingsrecht.</al><al>De termijn van advisering over een ‘reguliere bouwvergunning’ betrof zes
                            weken. In verband met de verkorting van termijnen met de invoering van
                            de Wabo, moet de totale vergunningprocedure passen in acht weken. Daarom
                            wordt de termijn voor advisering door de welstandcommissie teruggebracht
                            naar vier weken.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van het eerste lid vervalt.</al><al>In het tweede lid wordt ‘reguliere bouwvergunning’ vervangen door:
                            omgevingsvergunning voor het bouwen en ‘zes weken’ vervangen door: vier
                            weken.</al><al>In het derde lid wordt “reguliere bouwvergunning eerste fase” vervangen
                            door: omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                            betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag
                            betreft. </al><al>In de tekst van het vierde lid vervalt het tweede woord ‘om’ en worden
                            de letteraanduidingen a, b en c met de telkens daarachter geplaatste
                            tekst vervangen door: is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede
                            lid van de Wat algemene bepalingen omgevingsrecht. </al><al>De leden 2, 3 en 4 worden vernummerd tot respectievelijk 1, 2 en 3.</al><al><vet>Artikel 9.6 </vet><vet> Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>De bijlagen zijn vernummerd, het artikel moet hieraan worden aangepast.
                            De tekst van alternatief 2 wordt gewijzigd, omdat het de bedoeling is
                            dat geen spreekrecht plaatsvindt, niet voor belanghebbenden en evenmin
                            voor anderen.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het tweede en het derde lid wordt ‘bouwvergunning’ telkens vervangen
                            door: omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al>De tekst van <cursief>alternatief 2</cursief> van het vierde lid wordt
                            vervangen door: Er is geen spreekrecht.</al><al><vet>Artikel 9.7</vet><vet> Afdoening bij mandaat</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>De figuur van licht-vergunningplichtige bouwwerken vervalt bij de
                            inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De tekst
                            van sommige alternatieve artikelen moet hieraan worden aangepast.
                            Alternatief 2 vervalt omdat dit geen meerwaarde meer heeft ten opzichte
                            van alternatief 1.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>Het opschrift ‘Alternatief 2’en de bijbehorende tekst vervalt.</al><al>Het opschrift ‘Alternatief 1’ vervalt.</al><al><vet>Artikel 9.8</vet><vet> Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie hiervoor de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>In het tweede lid wordt ‘bouwvergunning’ vervangen door door:
                            omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al><vet>Artikel 9.9</vet><vet> Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                                standplaatsen</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering onder artikel 7.2.1.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>In de titel van dit artikel en in het eerste lid vervalt: of
                            standplaatsen.</al><al><vet>Artikel 10.1</vet><vet> De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al><vet>I Motivering</vet>Met de komst van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (Wabo) is de woonvergunning overbodig geworden. Artikel
                            2.1, eerste lid, onder c van de Wabo bepaalt dat gebruikssituaties die
                            strijdig zijn met het bestemmingsplan omgevingsvergunningplichtig zijn.
                            Zodra bestaande gebouwen in strijd met het bestemmingsplan voor bewoning
                            in gebruik genomen worden, geldt derhalve het vereiste van een
                            omgevingsvergunning en kan in dat verband worden gehandhaafd. Op grond
                            van artikel 9.15, letter W van de Invoeringswet Wabo, vervalt artikel 60
                            van de Woningwet. Daardoor wordt artikel 10.1 MBV overbodig.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van artikel 10.1 wordt vervangen door: (vervallen).</al><al><vet>Artikel 10.3</vet><vet> Overdragen vergunningen</vet></al><al><vet>I. Motivering</vet></al><al>Artikel 2.25, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                            (Wabo) bevat een regeling voor de wijziging van de tenaamstelling van
                            vergunningen. Hierdoor vervalt de regeling in de bouwverordening</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van artikel 10.3 wordt vervangen door: (vervallen).</al><al><vet>Artikel 10.6</vet><vet> Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Zie de motivering bij de artikelen 1.1 en 2.1.5.</al><al><vet>II. Wijziging van de verordening</vet></al><al>‘Burgemeester en wethouders zijn’ wordt vervangen door: Het bevoegd
                            gezag is.</al><al><vet>Hoofdstuk 12</vet><vet> Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 12.4</vet><vet> Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>De gebruiksbepalingen voor bouwwerken van de
                            brandbeveiligingsverordening zijn in 1992 vervallen. Een
                            overgangsbepaling voor vergunningen, die zijn verleend op grond van de
                            brandbeveiligingsverordening van voor 1992 is niet meer relevant.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De titel en de tekst van het artikel wordt vervangen door:
                            (vervallen).</al><al><vet>Bijlagen</vet></al><al><vet>I Motivering</vet></al><al>Een aantal bijlagen is vervallen. Het jaartal van de uitgave van
                            NEN-normen wordt geactualiseerd.</al><al><vet>II Wijziging van de verordening</vet></al><al>De tekst van de bijlagen 2, 3, 4, 5, 10, 11 en 12 wordt na de vermelding
                            van nummer en titel van de bijlage steeds vervangen door:
                            (vervallen).</al><al>De tekst van lid d van bijlage 7 wordt gewijzigd in: NEN-EN 1401-1,
                            uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering
                            – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken
                            en het systeem' (Engelstalig);.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>B</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming anderszins,
                            die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening van
                            kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de
                            bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals die luidden vóór
                            de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft
                            dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>C</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><structuurtekst><al>De wijzigingen van deze verordening treden in werking met ingang van de
                            dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend
                            gemaakt.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 oktober 2010,</al><al>DE RAAD VAN WAALWIJK</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>G.H. Kocken drs. A. M. P. Kleijngeld</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Model Bouwverordening</al><al><vet>1</vet><vet> Inleidende bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1.1</vet><vet> Begripsomschrijvingen</vet></al><al>1 In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a, van het -
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al><al>Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste
                    lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld
                    in dit artikellid, burgemeester en wethouders;</al><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de
                    Woningwet;</al><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in
                    samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast
                    is met het bouw- en woningtoezicht;</al><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                    materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de
                    grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                    bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen daaronder wordt verstaan
                    in artikel 6, eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit;</al><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en
                    wethouders is vastgesteld;</al><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven
                    norm;</al><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven
                    voornorm;</al><al>straatpeil:</al><al>a voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte
                    van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;</al><al>b voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de
                    hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de
                    bouw;</al><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden
                    daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of
                    paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als
                    zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een bouwactiviteit als
                    bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht;</al><al>Omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een sloopactiviteit als
                    bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht;</al><al>2 In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al><al><vet>Artikel 1.2</vet><vet> Termijnen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 1.3</vet><vet> Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al>1 Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                    gemeente:</al><al>a het gebied binnen de bebouwde kom;</al><al>b het gebied buiten de bebouwde kom.</al><al>2 Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij deze
                    verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al><al><vet>2</vet><vet> De </vet><vet>omgevingsvergunning </vet><vet>voor het
                        bouwen</vet>.</al><al><cursief>Paragraaf 1</cursief><cursief> Gegevens en bescheiden</cursief></al><al><vet>Artikel 2.1.1</vet><vet> Aanvraag bouwvergunning </vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.2</vet><vet> In de aanvraag op te nemen gegevens </vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.3</vet><vet> Aanvraag bouwvergunning </vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.4</vet><vet> Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen </vet><vet> (vervallen)</vet></al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</al><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8,
                            vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><al>a.de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht
                            volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het
                            onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.</al><lijst><li nr="b."><al> (vervallen)</al></li><li nr="c."><al> Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                    veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                    asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vind
                                    het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707,
                                    uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                            artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien
                            het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang
                            gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht,
                            artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></li></lijst><al>Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                    omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II..</al><lijst><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de
                            plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel
                            2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing
                            van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruibare recente
                            onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het
                            indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d
                            van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een
                            beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit
                            omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde
                            vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid
                            blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                            volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                            rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken
                            zijn</al></li></lijst><al>gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat
                    met de bouw wordt begonnen.</al><al><vet>Artikel 2.1.6</vet><vet> Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning </vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.7</vet><vet> Bouwregistratie </vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.8</vet><vet> Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en
                        standplaatsen </vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><cursief>Paragraaf 2</cursief><cursief> Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</cursief></al><al><vet>Artikel 2.2.1</vet><vet> Ontvangst van de aanvraag </vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.2</vet><vet> Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening </vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.3</vet><vet> Bekendmaking van termijnen </vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.4</vet><vet> In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening </vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.5</vet><vet> In behandeling nemen en bodemonderzoek </vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.6</vet><vet> Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Paragraaf 3</cursief><cursief> Welstandstoetsing</cursief></al><al><vet>Artikel 2.3.1</vet><vet> Welstandscriteria</vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><cursief>Paragraaf 4</cursief><cursief> Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</cursief></al><al><vet>Artikel 2.4.1</vet><vet> Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten
                    voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat
                    bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><al>a waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;</al><al>b voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist;
                    en</al><al>c 1 dat de grond raakt, of</al><al>2 waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                    gehandhaafd.</al><al><vet>Artikel 2.4.2</vet><vet> Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in
                    artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag
                    voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval
                    zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht, bedoelde onderzoeksrapport
                    en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                    overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                    goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van
                    oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het
                    stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al><al><cursief>Paragraaf 5</cursief><cursief> Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidseisen</cursief></al><al><vet>Artikel 2.5.1</vet><vet> Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige
                        bepalingen</vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.5.2</vet><vet> Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                    aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                    bouwvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al><al><vet>Artikel 2.5.3</vet><vet> Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>1 Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                    bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een
                    verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die
                    geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en
                    het overige te verwachten verkeer.</al><al>2 Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de
                    gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een
                    verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld:</al><al>a een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25
                    m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten
                    minste 4,2 m; </al><al>b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa
                    van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al><al>c op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><al>3 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw voor
                    het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                    1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist,
                    voor zover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                    hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al><al>4 Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, moeten
                    zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een
                    doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan worden
                    gelegd.</al><al>5 Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden
                    zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al><al>6Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de ligging en het
                    gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.</al><al><vet>Artikel 2.5.3A </vet><vet> Brandweeringang</vet></al><al> (vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.5.4</vet><vet> Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>1 Tussen de toegang van enerzijds:</al><al>a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                    Bouwbesluit;</al><al>b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als
                    bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of
                    begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al>2 Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><al>a ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al><al>b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al>c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                    plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de
                    artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al><al><vet>Artikel 2.5.5</vet><vet> Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><al>a langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de
                    voorgevels van de bestaande bebouwing:</al><al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                    aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een
                    zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting
                    van de weg geeft;</al><al>b langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en
                    waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de
                    as van de weg;</al><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as
                    van de weg.</al><al><vet>Artikel 2.5.6</vet><vet> Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk, voor
                    het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.7</vet><vet> Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van
                    toepassing op:</al><al>a onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                    is vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                    het aanbrengen van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage
                    II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>b andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                    omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen
                    onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><al>1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                    rioolputten;</al><al>2 stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met niet
                    meer dan 0,3 m overschrijden.</al><al><vet>Artikel 2.5.8</vet><vet> Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn.</vet></al><al>1 In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                    verlenen voor:</al><al>a ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits
                    de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil;</al><al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 9,
                    16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en
                    bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn;</al><al>c laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                    overschrijden;</al><al>d erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de
                    voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden;</al><al>e trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                    stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende
                    schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                    bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al><al>f overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken.</al><al>g bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan
                    wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks
                    niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                    aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al>2 Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden toegestaan, indien
                    niet lager gebouwd wordt dan:</al><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m
                    breedte ter weerszijden van die rijweg;</al><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar
                    komt.</al><al><vet>Artikel 2.5.9</vet><vet> Bouwen op de weg</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening,
                    het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan
                    bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                    omgevingsrecht;</al><al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                    waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede
                    straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d,
                    van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>c vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al><al>d reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al><al>e andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
                    , die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.10</vet><vet> Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                        Afschuining van straathoeken</vet></al><al>1 Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de voorgevelrooilijn
                    zijn geplaatst.</al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><al>a de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de afwijking genoemd in
                    de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;</al><al>b in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de afwijking genoemd
                    in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                    achtergevelrooilijn is geplaatst;</al><al>c in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al><al>3 Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van 90
                    graden of minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide
                    wegen of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3
                    meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken – over een hoogte op een
                    dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil – worden afgerond
                    of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                    oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al><al>4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste lid voor:</al><al>a gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al><al>b gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al><al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                    1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al><al>e gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                    begrepen, en de daarbijbehorende woningen;</al><al>f gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al><al>g gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat.</al><al><vet>Artikel 2.5.11</vet><vet> Ligging achtergevelrooilijn</vet></al><al>1 De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt
                    zich:</al><al>a in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of
                    regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk
                    aan de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                    voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan
                    15 meter. Indien meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen
                    kan worden beschreven, geldt de grootste;</al><al>b in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan
                    onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op
                    de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een
                    of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk
                    de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand van
                    de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>c in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok,
                    langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4
                    van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                    bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                    afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>d in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te bebouwen
                    rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de
                    voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen
                    van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van
                    het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                    meter;</al><al>e in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die wordt
                    bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en
                    met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                    meter.</al><al>2 Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een
                    scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing – in het belang van
                    de toetreding van daglicht – over een afstand van ten minste 5 meter ter
                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van
                    beide achtergevelrooilijnen.</al><al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van
                    de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten. </al><al><vet>Artikel 2.5.12</vet><vet> Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor het
                    bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding
                    van de achtergevelrooilijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.13</vet><vet> Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van
                    toepassing op:</al><al>a buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
                    voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                    begrepen;</al><al>b buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden
                    van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de
                    afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al><al>c onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                    is vereist,die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                    een aan- of uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                    3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen
                    vergunning is vereist;</al><al>d onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                    is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                    het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>e andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                    omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen
                    onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                    omgevingsrecht, te weten:</al><al>1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                    rioolputten;</al><al>2 terrassen, bordessen en bordestreden;</al><al>f antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van bijlage II
                    bij het Besluit omgevingsrecht.</al><al><vet>Artikel 2.5.14</vet><vet>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                    verlenen voor: </al><al>a buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden
                    van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de
                    afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al><al>b binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al><al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen
                    aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan
                    een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die zijden mag
                    worden bebouwd; </al><al>e gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de
                    artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al><al>f bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                    onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;</al><al>g gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of
                    industrieterrein omvattend;</al><al>h bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                    omgevingsvergunning is vereist;</al><al>i ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen,
                    mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein
                    ter plaatse bij voltooiing van de bouw;</al><al>j erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder artikel
                    2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                    omgevingsrecht;</al><al>k trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                    stortbuizen, balkons en veranda’s, alsmede andere luifels, afdaken,
                    dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                    bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al><al>l bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan
                    wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks
                    niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                    te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al><vet>Artikel 2.5.15</vet><vet> Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>1 Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een
                    strook grond omvat die:</al><al>a over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en</al><al>b voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het
                    verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter.</al><al>2 De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                    achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het
                    gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13,
                    en de balkons en veranda’s buiten beschouwing blijven. </al><al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in:</al><al>a het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de
                    gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;</al><al>b het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:</al><al>1 een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al><al>2 het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                    liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                    weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts
                    aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                    afmetingen tot stand wordt gebracht;</al><al>3 bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen
                    woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                    toestand verbeterd.</al><al><vet>Artikel 2.5.16</vet><vet> Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>1 Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning
                    is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte van
                    ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en
                    over de volle breedte daarvan.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste lid:</al><al>a indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel
                    vormen;</al><al>b indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.17</vet><vet> Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>1 De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                    zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de
                    op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan
                    die:</al><al>a vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed
                    zijn;</al><al>b niet toegankelijk zijn.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor
                    reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al><al><vet>Artikel 2.5.18</vet><vet> Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>1 Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 12
                    van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn niet toegelaten.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of
                    terrein.</al><al><vet>Artikel 2.5.19</vet><vet> Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                        hoofdtransportleidingen </vet></al><al>1 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding
                    bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen
                    bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                    is vereist dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen
                    van deze afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden
                    ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan
                    een lijn met een nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al><al>2 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                    hoofdtransportleiding mogen geen andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                    omgevingsvergunning is vereist, worden gebouwd.</al><al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van:</al><al>a het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien
                    de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                    oplevert;</al><al>b het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien
                    daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                    bezwaar bestaat. </al><al><vet>Artikel 2.5.20</vet><vet> Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van
                    andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist in
                    het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al>a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de
                    desbetreffende weg;</al><al>b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen
                    langs de desbetreffende weg.</al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan
                    wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in
                    welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg
                    is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk aan de
                    afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch over geen grotere
                    lengte dan 15 meter.</al><al>3 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de desbetreffende
                    voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het bouwwerk of de projectie
                    daarvan op de voorgevelrooilijn.</al><al>4 Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt ter
                    bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid, de
                    dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.</al><al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter
                    plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden
                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al><al><vet>Artikel 2.5.21</vet><vet> Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van
                    een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, in het
                    vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al>a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al><al>b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.</al><al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                    elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de
                    gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen.</al><al>Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                    dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                    voorgevelrooilijn.</al><al>3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van een
                    bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de
                    maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                    achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al>4 Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil ligt,
                    moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een maat, gelijk
                    aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein
                    ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al><al><vet>Artikel 2.5.22</vet><vet> Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn </vet></al><al>1 Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen aan
                    de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en
                    bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt – onverminderd
                    het bepaalde in artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de zijgevel van het
                    eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de
                    afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde
                    weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven
                    is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee
                    achtergevelrooilijnen. </al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel. </al><al><vet>Artikel 2.5.23</vet><vet> Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</vet></al><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het bouwen
                    waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor- en de
                    achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale
                    vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de –
                    krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 – maximale bouwhoogte en die met het
                    horizontale vlak een hoek vormen van:</al><al>a 45 graden in de bebouwde kom;</al><al>b 37 graden buiten de bebouwde kom.</al><al>2 Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die
                    gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit
                    bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak
                    door die zijgevel snijdt ter hoogte van de – krachtens artikel 2.5.22 – maximale
                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden. </al><al><vet>Artikel 2.5.24</vet><vet> Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al>1 De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                    vereist mag niet meer bedragen dan 15 meter.</al><al>2 Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op verschillende
                    hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst gelegen weg. </al><al><vet>Artikel 2.5.25</vet><vet> Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</vet></al><al>1 De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel
                    2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend
                    terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat –
                    uitgaande van een goothoogte van genoemde maat – daarboven een zadeldak met
                    hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende
                    bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al><al><vet>Artikel 2.5.26</vet><vet> Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>1 De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak van
                    een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil. </al><al>2 De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden
                    bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke verhogingen,
                    als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k,
                    moeten – voor zover zij de maximale hoogte overschrijden – buiten beschouwing
                    worden gelaten. </al><al><vet>Artikel 2.5.27</vet><vet> Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid,
                    artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet van
                    toepassing op:</al><al>a onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                    is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                    het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>b het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken als bedoeld in
                    artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>c topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de
                    achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de
                    geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan
                    het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                    plaatse;</al><al>d plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.</al><al><vet>Artikel 2.5.28</vet><vet>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de toegelaten
                    bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid, 2.5.21, eerste en
                    derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het bevoegd gezag de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen
                    bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen;</al><al>b gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand
                    bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al><al>c gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en
                    industrieterrein;</al><al>d agrarische bedrijfsgebouwen;</al><al>e het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders
                    dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                    omgevingsrecht, en indien:</al><al>1 de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en de
                    welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al><al>2 bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere
                    hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al><al>f bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                    waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, anders
                    dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                    omgevingsrecht;</al><al>g topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke aard;</al><al>h plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;</al><al>i dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter, de
                    hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en
                    de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste
                    voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende
                    gebouwen behoren;</al><al>j draagconstructies voor een reclame;</al><al>k vrijstaande schoorstenen;</al><al>l bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in
                    de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet
                    bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                    verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al><vet>Artikel 2.5.29</vet><vet>Vergunningverlening in afwijking van het
                        verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte
                        in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</vet>.</al><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan het
                    bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van de
                    voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                    overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="f."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                            beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="g."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al></li><li nr="h."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                            toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="i."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
                            en</al></li><li nr="j."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                            bevat.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.30</vet><vet> Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</vet></al><al>1 Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft,
                    moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte
                    zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                    terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet
                    op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden
                    gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s moet
                    afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s.</al><al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><al>a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m
                    en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al><al>b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte
                    – voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst – ten
                    minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al><al>3 Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten
                    behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte
                    in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder
                    het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.</al><al>4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><al>a indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op
                    overwegende bezwaren stuit; of</al><al>b voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel
                    laad- of losruimte wordt voorzien.</al><al><cursief>Paragraaf 6</cursief><cursief> Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</cursief></al><al>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.2</vet><vet> Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.3</vet><vet> Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.4</vet><vet> Kwaliteit van brandmeldinstallaties</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.5</vet><vet> Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties</vet></al><al> (vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.6</vet><vet> Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties</vet></al><al> (vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.7</vet><vet> Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.8</vet><vet> Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.9</vet><vet> Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.10</vet><vet> Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.11</vet><vet> Gelijkwaardigheid</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.12</vet><vet> Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Paragraaf 7</cursief><cursief> Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</cursief></al><al><vet>Artikel 2.7.1</vet><vet> Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen
                    voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van
                    de openbare waterleiding:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde
                    leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde
                    leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor
                    het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.</al><al><vet>Artikel 2.7.2</vet><vet> Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen
                    elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet
                    voor elektriciteit:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde
                    leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                    elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting
                    voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100
                    m.</al><al><vet>Artikel 2.7.3</vet><vet> Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>1 De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen
                    gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor
                    aardgas:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde
                    leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                    aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor
                    het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al><al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen, waarin voor het
                    kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen
                    individuele aansluiting van gastoevoer nodig is.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste lid:</al><al>a voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al><al>b voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;</al><al>a.voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of publieke
                    voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit
                    (warmtedistributienet).</al><al><vet>Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke
                        voorziening voor verwarming</vet></al><al>Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor verwarming van
                    bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit
                    (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te bouwen bouwwerk zijn
                    aangesloten op die publieke voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtstbijzijnde
                            leiding van die publieke voorziening is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van de
                            publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting
                            voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van
                            40 m. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.4</vet><vet> Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>1 De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen
                    voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel
                    3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een
                    openbaar riool.</al><al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid:</al><al>a in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is;</al><al>b voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al><al>2 Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><al>a op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de voor het
                    maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het
                    gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten kruisen;</al><al>b of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden
                    tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater, faecaliën
                    en hemelwater, ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op
                    het openbaar riool te lozen.</al><al>3 Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer moet worden
                    bepaald of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten
                    worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede staat
                    van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere
                    aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de
                    af te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft.</al><al>4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder
                    verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is:</al><al>a voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool
                    zijn gelegen;</al><al>b voor agrarische bedrijven.</al><al><vet>Artikel 2.7.5</vet><vet> Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</vet></al><al>1 Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                    brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in
                    artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar riool worden
                    aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al><al>a leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten
                    lozen op een rottingput met overstort;</al><al>b leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten
                    lozen op een mestkelder of een beerput zonder overstort, een gierput of een
                    rottingput met overstort;</al><al>c leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                    zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat
                    geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al><al>d leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                    zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op andere wijze zonder
                    verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is. </al><al><vet>Artikel 2.7.6</vet><vet> Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                        terreinen</vet></al><al>1 Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                    scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden.
                    De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt.</al><al>2 De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen van
                    de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting
                    gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of de
                    buitenriolering.</al><al>3 In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting aan een
                    openbaar riool, mogen geen beerputten of rottingputten voorkomen.</al><al>4 Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen vernauwingen
                    in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een
                    voldoende lucht- en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse
                    middellijn.</al><al>Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt
                    voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 2007.</al><al>5 Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de afvoer
                    van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg
                    kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125 mm.</al><al>6 Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van leidingen
                    van de buitenriolering op erven en terreinen moeten doeltreffend zijn.</al><al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde
                    in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage 7.</al><al><vet>Artikel 2.7.7</vet><vet> Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van
                        de nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden
                    gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                    worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                    leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                    tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al><al><vet>3</vet><vet> De melding</vet></al><al><vet>Artikel 3.1</vet><vet> De wijze van melden</vet></al><al><vet>Artikel 3.2</vet><vet> Welstandscriteria</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van
                        een bouwwerk</vet></al><al><vet>Artikel 4.1</vet><vet> Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking
                        van bouwwerkzaamheden</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 4.2</vet><vet> Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig
                    zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven:</al><al>a omgevingsvergunning voor het bouwen;</al><al>b andere toestemmingen;</al><al>c het bouwveiligheidsplan;</al><al>d een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b van de
                    Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van
                    een last onder dwangsom.</al><al><vet>Artikel 4.3</vet><vet> Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.4</vet><vet> Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen
                    is verleend mag – onverminderd het in de voorwaarden van de omgevingsvergunning
                    voor het bouwen bepaalde – niet worden begonnen alvorens door of namens het
                    bevoegd gezag voor zover nodig:</al><al>a het straatpeil is aangegeven;</al><al>b de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet.</al><al><vet>Artikel 4.5</vet><vet> Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de
                        bouwwerkzaamheden</vet></al><al>1 Het bouwtoezicht dient – voor zover het betreft bouwwerken waarvoor een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd het bepaalde in
                    de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen – ten minste twee
                    dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces
                    in kennis te worden gesteld:</al><al>a de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder begrepen;</al><al>b de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen
                    daaronder begrepen;</al><al>c de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al><al>2 Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te worden
                    gesteld van het storten van beton.</al><al>3 De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                    bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al><al><vet>Artikel 4.6</vet><vet> Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</vet></al><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                    ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht
                    in het kader van de controle op de naleving van deze verordening en van het
                    Bouwbesluit nodig acht.</al><al><vet>Artikel 4.7</vet><vet> Bemalen van bouwputten</vet></al><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen
                    ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de
                    bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving
                    plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden
                    aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al><al><vet>Artikel 4.8</vet><vet> Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><al>1 Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet
                    geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                    veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg
                    gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open
                    erven en terreinen en hun gebruikers.</al><al>2 Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd moeten, wanneer
                    er niet wordt gewerkt – rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd niet
                    inbegrepen:</al><al>a de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering van het
                    bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het
                    weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan daartoe bevoegde
                    personen niet zonder meer mogelijk is;</al><al>b machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat deze
                    dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan de daartoe
                    bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;</al><al>3 Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een elektrische
                    verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch aangedreven
                    bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt
                    onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd.</al><al>4 Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of
                    andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt
                    nodig zijn.</al><al><vet>Artikel 4.9</vet><vet> Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><al>1 Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke
                    werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van de
                    weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar
                    of hinder te duchten is. </al><al>2 De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en
                    ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de toegang
                    tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door
                    wordt belemmerd.</al><al>3 Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet van de
                    weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet, wanneer
                    er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig
                    acht.</al><al><vet>Artikel 4.10</vet><vet> Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</vet></al><al>1 Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen en
                    ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan
                    de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren.</al><al>2 Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een werktuig of
                    een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving optreedt.</al><al>3 Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of ernstige
                    hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken, verbieden.</al><al>4 Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te gebruiken
                    krachtwerktuig:</al><al>a uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of</al><al>b de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al><al>c het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden
                    gebruikt.</al><al>5 Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing indien
                    en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet
                    milieubeheer of enige in deze wet genoemde milieuwet van toepassing is.</al><al><vet>Artikel 4.11</vet><vet> Bouwafval</vet></al><al>1 Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de
                    volgende fracties:</al><al>a de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                    Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL;
                    Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al><al>b steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al>c glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al>d overig afval.</al><al>2 Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de fracties,
                    bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de bouwplaats
                    gescheiden worden gehouden.</al><al>3 Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject minder
                    bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3, mag degene die bedrijfsmatig
                    bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor
                    tijdelijke opslag.</al><al><vet>Artikel 4.12</vet><vet> Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</vet></al><al>1 Van het gereedkomen:</al><al>a.van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering, alsmede
                    van</al><al>leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden
                    straatpeil;</al><al>b.van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de thermische
                    isolatie in</al><al>andere besloten constructies </al><al>moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b bedoelde
                    werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al><al>2 Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft, mogen
                    niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken
                    gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving. </al><al>3 Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die
                    onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de omgevingsvergunning voor het
                    bouwen verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing is
                    bepaald. </al><al>4 Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het einde van die
                    werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al><al>5 De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit
                    verlangt, schriftelijk geschieden.</al><al><vet>Artikel 4.13</vet><vet> Melden van werken bij lage temperaturen</vet></al><al>1 Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                    buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste twee dagen
                    vóór het begin van het desbetreffende werk in kennis worden gesteld van de te
                    treffen maatregelen ten behoeve van:</al><al>a het niet verwerken van bevroren materialen;</al><al>b het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al><al>c de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen vorstschade,
                    zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden 2 graden
                    Celsius is.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht
                    dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al><al><vet>Artikel 4.14</vet><vet> Verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                    omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te nemen,
                    indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht.</al><al><vet>5</vet><vet> Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en
                        het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</vet></al><al><cursief>Paragraaf 1</cursief><cursief> Staat van open erven en terreinen</cursief></al><al><vet>Artikel 5.1.1</vet><vet> Staat van onderhoud van open erven en terreinen</vet></al><al>1 Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming,
                    voldoende staat van onderhoud bevinden.</al><al>2 Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid,
                    noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen, ten
                    gevolge van:</al><al>a drassigheid;</al><al>b stank;</al><al>c verontreiniging;</al><al>d aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al><al>e aanwezigheid van begroeiing.</al><al><vet>Artikel 5.1.2</vet><vet> Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>1 Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd van een
                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare
                    wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s,
                    ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten verkeer, tenzij de
                    aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al><al>2 Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de
                    gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een
                    verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld:</al><al>a een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25
                    m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten
                    minste 4,2 m; </al><al>b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa
                    van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al><al>c op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><al>3 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw voor
                    het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                    1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist,
                    voor zover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                    hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al><al>4 Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s
                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de
                    bluswatervoorziening kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het
                    gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al><al>5 Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden
                    zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al><al><vet>Artikel 5.1.3</vet><vet> Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>1 Tussen de toegang van enerzijds:</al><al>a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; </al><al>b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als
                    bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of
                    begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al>2 Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><al>a ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al><al>b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al>c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                    plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de
                    artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al><al><cursief>Paragraaf 2</cursief><cursief> Staat van brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</cursief></al><al><vet>Artikel 5.2.1</vet><vet> Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al> (vervallen)</al><al><vet>Artikel 5.2.2</vet><vet> Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen, niet zijnde
                        woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                        kantoorgebouwen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 5.2.3</vet><vet> Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in woongebouwen van
                        bijzondere aard</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 5.2.4</vet><vet> Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in logiesverblijven en
                        logiesgebouwen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 5.2.5</vet><vet> Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in kantoorgebouwen</vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><cursief>Paragraaf 3</cursief><cursief> Aansluiting op de nutsvoorzieningen</cursief></al><al><vet>Artikel 5.3.1</vet><vet> Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                    aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het
                    distributienet van de openbare waterleiding:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde
                    leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde
                    leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor
                    het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m. </al><al><vet>Artikel 5.3.2</vet><vet> Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                    elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet
                    voor elektriciteit:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde
                    leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                    elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting
                    voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100
                    m.</al><al><vet>Artikel 5.3.3</vet><vet> Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                    gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor
                    aardgas:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde
                    leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                    aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor
                    het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><al>a woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig
                    is en voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is;</al><al>b woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al><al>c woningen die niet worden verhuurd;</al><al>d woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al><al><vet>Artikel 5.3.4</vet><vet> Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>1 De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                    voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel
                    in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van hemelwater
                    moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze
                    zijn aangesloten aan een openbaar riool.</al><al>2 Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><al>a in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is;</al><al>b op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn
                    gelegen;</al><al>c voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al><al>d op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor bedrijfsdoeleinden worden
                    gebruikt en een daartoe voldoende ruime mestkelder, gier- of beerput aanwezig
                    is.</al><al><vet>Artikel 5.3.5</vet><vet> Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</vet></al><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden de
                    volgende bepalingen:</al><al>a voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moet
                    een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar die
                    toiletten aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden
                    worden gebruikt;</al><al>b voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling,
                    moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput of
                    een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                    doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op
                    andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of
                    lucht kan optreden;</al><al>c leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                    zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat
                    geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al><al>d leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                    zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al><al><vet>Artikel 5.3.6</vet><vet> Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                        terreinen</vet></al><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                    toepassing.</al><al><vet>Artikel 5.3.7</vet><vet> Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van
                        de nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden
                    gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                    worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                    leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                    tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al><al><cursief>Paragraaf 4</cursief><cursief> Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. </cursief></al><al>Reinheid</al><al><vet>Artikel 5.4.1</vet><vet> Preventie</vet></al><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                    bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al><al><vet>6</vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><vet>7</vet><vet> Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al><cursief>Paragraaf 1 </cursief><cursief> Overbevolking </cursief></al><al><vet>Artikel 7.1.1</vet><vet> Overbevolking van woningen</vet></al><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt
                    bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte.</al><al><vet>Artikel 7.1.2</vet><vet> Overbevolking van woonwagens</vet></al><al>Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een woonwagen
                    wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.</al><al><cursief>Paragraaf 2</cursief><cursief> Staken van het gebruik</cursief></al><al><vet>Artikel 7.2.1</vet><vet> Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</vet></al><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te doen
                    gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat
                    zulks gevaarlijk is in verband met:</al><al>a bouwvalligheid van het bouwwerk;</al><al>b bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al><al><vet>Artikel 7.2.2</vet><vet> Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                        hygiëne</vet></al><al>Indien tengevolge van het niet functioneren – hieronder begrepen het afgesloten
                    zijn – van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige voorzieningen tot
                    het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken over drinkwater, het
                    kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over
                    gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende
                    hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het bouwwerk
                    te staken.</al><al><vet>Artikel 7.2.3</vet><vet> Staken van het gebruik van een woonwagen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Paragraaf 3</cursief><cursief> Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</cursief></al><al><vet>Artikel 7.3.1</vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 7.3.2</vet><vet> Hinder</vet></al><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein
                    voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te
                    verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of
                            stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het
                            bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of
                            vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt
                            veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder
                            begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                            verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft
                    nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze
                    wet genoemde wet van toepassing is. </al><al><cursief>Paragraaf 4</cursief><cursief> Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</cursief></al><al><vet>Artikel 7.4.1</vet><vet> Preventie</vet></al><al>1 Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                    bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al><al>2 Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard dat
                    schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken.</al><al><cursief>Paragraaf 5</cursief><cursief> Watergebruik</cursief></al><al><vet>Artikel 7.5.1</vet><vet> Verboden gebruik van water</vet></al><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag schriftelijk
                    is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken.</al><al><cursief>Paragraaf 6</cursief><cursief> Installaties</cursief></al><al><vet>Artikel 7.6.1</vet><vet> Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het Besluit
                    brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht
                    stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik
                    kan worden gemaakt.</al><al><vet>8</vet><vet> Slopen</vet></al><al><cursief>Paragraaf 1</cursief><cursief> Omgevingsvergunning voor het slopen</cursief></al><al><vet>Artikel 8.1.1</vet><vet> Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>1 Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder
                    of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar redelijke
                    schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m3, tenzij het
                    slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning
                    vereist voor het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de
                    Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van
                    een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden
                    verbinden als bedoeld in het derde lid.</al><al>3 Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen slechts
                    voorschriften over:</al><al>a de veiligheid tijdens het slopen;</al><al>b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al><al>c het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval,
                    ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie
                    gevaarlijk afval en een fractie overig afval;</al><al>d het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens als
                    bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens niet
                    reeds zijn overgelegd.</al><lijst><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid,
                            onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de
                            fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het
                            sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval
                            op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de
                            omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest
                            voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer
                            van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                            plaatsvinden.</al></li><li nr="5."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien in
                            een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een
                            seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van
                            het tijdelijke bouwwerk .</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.1.2</vet><vet> Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al> (vervallen)</al><al><vet>Artikel 8.1.3</vet><vet> In behandeling nemen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 8.1.4</vet><vet> Termijn van beslissing</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 8.1.5</vet><vet> Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 8.1.6</vet><vet> Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien:</al><al>a de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                    stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden
                    gewaarborgd;</al><al>b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen
                    onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een
                    voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al><al>c een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten ingevolge de
                    Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening
                    is vereist en deze niet is verleend;</al><al>d een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de
                    stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangsrecht van de Invoeringswet
                    Wet ruimtelijke ordening de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is
                    verleend;</al><al><vet>Artikel 8.1.7</vet><vet> Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al> Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien: </al><al>a de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van
                    gegevens;</al><al>b binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor
                    het slopen geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;</al><al>c tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden
                    langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen;</al><al>d de vergunninghouder daar om verzoekt;</al><al><cursief>Paragraaf 2</cursief><cursief> Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het
                        slopen</cursief></al><al><vet>Artikel 8.2.1</vet><vet> Sloopmelding</vet></al><al>1 In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen omgevingsvergunning voor
                    het slopen vereist voor het anders dan in de uitoefening van een beroep of
                    bedrijf in zijn geheel slopen van: </al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden
                            zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die
                            woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in
                            het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt
                            of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te
                            verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter
                            per kadastraal perceel bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                            vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning
                            staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader
                            van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld
                            zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                            asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal vijfendertig
                            vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al></li></lijst><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders en
                    door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld
                    is medegedeeld dat geen omgevingsvergunning voor het slopen is vereist.</al><al>2 Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden gemeld met
                    gebruikmaking van een door of namens burgemeester en wethouders vastgesteld
                    formulier.</al><al>3 De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in 2-voud worden
                    ingediend.</al><al>4 De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn
                    gesteld.</al><al>5 In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en het
                    gebruik van het bouwwerk.</al><al>6 Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester en
                    wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum
                    van ontvangst is vermeld.</al><al>7 Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde mededeling
                    niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de mededeling van
                    rechtswege gedaan.</al><al>8 Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het eerste
                    lid voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer
                    van asbest.</al><al>9 De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het zevende lid is
                    verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede de voorschriften
                    die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005
                    zijn gesteld, in acht te nemen.</al><al>10 Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop vrijkomt
                    is niet toegestaan.</al><al>11 Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en met het
                    vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en wethouders
                    degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door
                    hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al><al><vet>Artikel 8.2.2</vet><vet> Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                        het slopen </vet></al><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen omgevingsvergunning
                    voor het slopen</al><al>vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest,
                    uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of
                    bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van
                            kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen
                            met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt.</al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 3</cursief><cursief> Verplichtingen tijdens het slopen</cursief></al><al><vet>Artikel 8.3.1</vet><vet> Veiligheid op sloopterrein</vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                    toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al><al><vet>Artikel 8.3.2</vet><vet> Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopenof een
                    besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                    dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                    inzage worden gegeven.</al><al><vet>Artikel 8.3.3</vet><vet> Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen </vet></al><al>1 De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>moet het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een
                    deskundig bedrijf.</al><al>2 De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen</al><al> moet een afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf
                    dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al><al>3 De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten minste één week
                    voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het bevoegd gezag schriftelijk op de
                    hoogte van de data en tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat betrekking
                    heeft op asbest, zal plaatsvinden.’ </al><al>4 De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen twee weken
                    na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag een afschrift van de
                    resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al><vet>Artikel 8.3.4</vet><vet> Plichten van degene die sloopt</vet></al><al>1 Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het slopen is
                    verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt,
                    is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en
                    woningtoezicht. </al><al>2 Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang van
                    de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging
                    van de sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien het
                    bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden. </al><al><vet>Artikel 8.3.5</vet><vet> Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</vet></al><al>1 Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk aanwezige
                    asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt gesloopt.</al><al>2 Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken worden
                    toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te voorkomen.</al><al><vet>Artikel 8.3.6</vet><vet> Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</vet></al><al><cursief>Vervallen</cursief></al><al><cursief>Paragraaf 4</cursief><cursief> Vrij slopen</cursief></al><al><vet>Artikel 8.4.1</vet><vet> Sloopafval algemeen</vet></al><al>1 Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning krachtens
                    artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten
                    minste te worden gescheiden in de navolgende fracties:</al><al>a de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                    afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL;
                    Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al><al>b steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al><al>c bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al><al>d met PAKS verontreinigde materialen;</al><al>e asfalt;</al><al>f dakgrind;</al><al>g overig afval.</al><al>2 Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de fracties,
                    bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten op het sloopterrein
                    gescheiden worden gehouden.</al><al><vet>9</vet><vet> Welstand</vet></al><al><vet>Artikel 9.1</vet><vet> De advisering door de welstandscommissie</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen
                            voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></li><li nr="2"><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                            genoemde welstandscriteria.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.2</vet><vet> Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al>1 De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en 2 leden,
                    waarvan ten minste 2 leden deskundig zijn op het gebied van architectuur,
                    ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</al><al>2 Voor de voorzitter en leden wordt 1 plaatsvervanger aangewezen die hen bij
                    afwezigheid kunnen vervangen.</al><al>3 De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste twee
                    leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over
                    deskundigheid op het gebied van welstand. </al><al>4 De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk ten
                    opzichte van het gemeentebestuur.</al><al>5 De welstandscommissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens
                    plaatsvervanger.</al><al><vet>Artikel 9.3</vet><vet> Benoeming en zittingsduur</vet></al><al>1 De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de welstandscommissie en
                    hun plaatsvervangers worden op voorstel van de burgemeester en wethouders
                    benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.</al><al>2 De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van
                    drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode
                    van ten hoogste drie jaar.</al><al>3 Het reglement van orde van de welstandscommissie dat bij de vaststelling van
                    de welstandsnota 2004 is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de
                    voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.</al><al><vet>Artikel 9.4</vet><vet> Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor
                    de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al><al> op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                    welstandsnota;</al><al> de werkwijze van de welstandscommissie; </al><al> op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;</al><al> de aard van de beoordeelde plannen;</al><al> de bijzondere projecten.</al><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van
                    het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing
                    van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</al><al><vet>Artikel 9.5</vet><vet> Termijn van advisering</vet></al><al>1 De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens
                    burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al><al>2 De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op
                    een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie
                    weken nadat door of namens burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                    welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van
                    dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere
                    termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van
                    afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid
                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al><vet>Artikel 9.6</vet><vet> Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</vet></al><al>1 De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De
                    agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt
                    in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                    huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en
                    wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot
                    niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan
                    klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                    ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de
                    beoordeling als de adviezen.</al><al>2 Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het
                    indienen van de aanvraag om de omgevingsvergunning voor het bouwen heeft
                    verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot
                    het geven van een toelichting op het bouwplan.</al><al>3 In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt
                    behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de
                    aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te
                    ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt
                    behandeld.</al><al>4 Er is geen spreekrecht.</al><al><vet>Artikel 9.7</vet><vet> Afdoening bij mandaat</vet></al><al>1 De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies mandateren
                    aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter
                    en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van
                    de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al>2 In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als bedoeld in het
                    vorige lid alsnog voor aan de welstandscommissie.</al><al>3 Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien burgemeester en
                    wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot
                    niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan
                    klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                    ten grondslag te leggen.</al><al><vet>Artikel 9.8</vet><vet> Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al>1 De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.</al><al>2 Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en
                    wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen
                    .</al><al><vet>Artikel 9.9</vet><vet> Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken </vet></al><al>1 Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft
                    een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan
                    nadat:</al><al>a op het voornemen inspraak is verleend;</al><al>b het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al><al>2 De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien in
                    de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening.</al><al><vet>10</vet><vet> Overige administratieve bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 10.1</vet><vet> De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.2</vet><vet> De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar
                        verklaarde woning of woonwagen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.3</vet><vet> Overdragen vergunningen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.4</vet><vet> Overdragen mededeling </vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.5</vet><vet> Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede
                        onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.6</vet><vet> Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                        voorschriften</vet></al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                    vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                    voorschriften waarnaar in deze verordening – of in de bij deze verordening
                    behorende bijlagen – wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken
                    norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen
                    en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al><al><vet>11</vet><vet> Handhaving</vet></al><al><vet>Artikel 11.1</vet><vet> Stilleggen van de bouw</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 11.2</vet><vet> Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 11.3</vet><vet> Stilleggen van het slopen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 11.4</vet><vet> Onderzoek naar een gebrek</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>12</vet><vet> Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 12.1</vet><vet> Strafbare feiten</vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Artikel 12.2</vet><vet> Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al> (vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.3</vet><vet> Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                        terreinen</vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                    gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis
                    van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet
                    van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van
                    de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.</al><al><vet>Artikel 12.4</vet><vet> Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.5</vet><vet> Overgangsbepaling sloopmelding</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.6 Overgangsbepalingen</vet></al><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming anderszins, die is
                    ingediend vóór het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening van kracht wordt
                    en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de
                    bouwverordening van toepassing, zoals die luidden vóór de onderhavige wijziging,
                    tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden
                    toegepast.</al><al><vet>Artikel 12.7</vet><vet> Slotbepaling</vet></al><al>De wijzigingen van deze verordening treden in werking met ingang van de dag na
                    die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.</al><al><vet>Bijlage 1 </vet></al><al><vet>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning </vet>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 2</vet></al><al><vet>Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</vet> (vervallen)</al><al><vet>Bijlage 3 </vet></al><al><vet>Gebruikseisen voor bouwwerken </vet>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 4</vet></al><al><vet>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                        niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties </vet>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 5</vet></al><al><vet>Opslag brandgevaarlijke stoffen </vet>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 6</vet></al><al>Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</al><al><vet>Bijlage 7</vet></al><al>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en
                    terreinen</al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><al>a NEN 7002, uitgave 1968, ‘Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen’ (met
                    correctieblad d.d. december 1979);</al><al>b NEN 7003, uitgave 1968, ‘Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen’ (met
                    correctieblad d.d. december 1979);</al><al>c NEN 7013, uitgave 1980, ‘Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                    buitenrioleringen’;</al><al>d NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                    buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel 1. Eisen voor buizen,
                    hulpstukken en het systeem' (Engelstalig);</al><al>e NEN-EN 295-1, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                    aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven
                    1999 – Deel 1. Eisen’ (Engelstalig);</al><al>f NEN-EN 295-2, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                    aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 – Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername’
                    (Engelstalig);</al><al>g NEN-EN 295-3, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval – Deel 3. Beproevingsmethoden’
                    (Engelstalig).</al><al><vet>Bijlage 8</vet></al><al><vet>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                        bouwwerken op de aanwezigheid van asbest </vet>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 9</vet></al><al>Reglement van orde van de welstandscommissie</al><al>(Opgenomen in de welstandsnota 2004)</al><al>In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de (provinciale)
                    welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is om een universeel
                    toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in de
                    modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het al dan
                    niet werken met rayonarchitecten, het al niet gebruik van subcommissies en het
                    al dan niet samenwerken met een monumentencommissie. Een reglement van orde,
                    afgestemd op de eigen werkwijze, stellen gemeenten in het algemeen op in
                    samenwerking met de provinciale welstandsorganisaties waarbij zij zijn
                    aangesloten.</al><al>De tekst van het reglement van orde dient vanuit de specifiek lokale situatie te
                    worden opgesteld.</al><al><vet>Bijlage 10 </vet></al><al><vet>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)
                    </vet>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 11 </vet></al><al><vet>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie)
                    </vet>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 12 </vet></al><al><vet>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)
                    </vet>(vervallen)</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>