<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR47915_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening gemeente Wijk bij Duurstede 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Wijkse Courant en www.wijkbijduurstede.nl</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening gemeente Wijk bij Duurstede 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet en Monumentenwet 1988</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-02-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-02-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Monumentenverordening gemeente Wijk bij Duurstede 2004, vastgesteld bij besluit van de raad van 28 september 2004</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 14 en 15 en 38 van de Monumentenwet 1988</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening gemeente Wijk bij Duurstede 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Raadsbesluit</vet></al><al>De raad van de gemeente Wijk bij Duurstede;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders </al><al>d.d. 12 januari 2010, nummer 374;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 14 en 15 en
                        38 van de Monumentenwet 1988;</al><al>besluit:</al><lijst><li nr="I."><al>in te trekken de :</al><al>“Monumentenverordening gemeente Wijk bij Duurstede 2004”,
                                vastgesteld bij besluit van de raad van 28 september 2004;</al></li><li nr="II."><al>vast te stellen de:</al><al><vet>Erfgoedverordening </vet></al><al><vet>gemeente Wijk bij Duurstede 2010</vet></al><al/></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>– Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder: </al><lijst><li nr=""><al>amonument: </al><lijst><li nr="1."><al>zaak die van algemeen belang is wegens zijn
                                            schoonheid, betekenis voor de wetenschap en/of
                                            cultuurhistorische waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak als bedoeld onder 1; </al><lijst><li nr="b"><al>beschermd gemeentelijk monument: onroerend
                                                  monument, dat overeenkomstig de bepalingen van
                                                  deze verordening als beschermd gemeentelijk
                                                  monument is aangewezen;</al></li><li nr="c"><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop
                                                  zijn geregistreerd de overeenkomstig deze
                                                  verordening als beschermd gemeentelijk monument
                                                  aangewezen zaken;</al></li><li nr="d"><al>beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat
                                                  is ingeschreven in de ingevolge de Monumentenwet
                                                  1988 vastgestelde registers;</al></li><li nr="e"><al>Monumentencommissie: de op basis van artikel 15
                                                  Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als
                                                  taak het college op verzoek of uit eigen beweging
                                                  te adviseren over de toepassing van de
                                                  Monumentenwet 1988, de erfgoedverordening en het
                                                  monumentenbeleid;</al></li><li nr="f"><al>kerkelijk monument: onroerend monument, dat
                                                  eigendom is van een kerkgenootschap, kerkelijke
                                                  gemeente of parochie of van een kerkelijke
                                                  instelling en dat uitsluitend of voor een
                                                  overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening
                                                  van de eredienst;</al></li><li nr="g"><al>bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke
                                                  rapportage vastgelegd onderzoek naar de
                                                  bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit
                                                  van een monument;</al></li><li nr="h"><al>gemeentelijk archeologisch monument: monument,
                                                  bedoeld in onderdeel a, onder 2; </al></li><li nr="i"><al>archeologische monumentenzorg: zorg die zich
                                                  richt op het optimaal beheren van de bodem als
                                                  unieke bron van informatie over de geschiedenis
                                                  van Nederland;</al></li><li nr="j"><al>gemeentelijke archeologische meldingsgebieden:
                                                  terreinen waarvan op grond van historische
                                                  gegevens of door archeologische vondsten en
                                                  onderzoek vast staat of vermoed wordt dat zij van
                                                  algemeen belang zijn wegens hun betekenis voor de
                                                  archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="k"><al>gemeentelijke archeologische
                                                  meldingsgebiedenkaarten en lijsten: kaarten en
                                                  lijsten waarop de gemeentelijke archeologische
                                                  meldingsgebieden als bedoeld in onderdeel j. zijn
                                                  geregistreerd;</al></li><li nr="l"><al>stads- en dorpsgezicht: groep van onroerende
                                                  zaken die van algemeen belang is wegens haar
                                                  schoonheid, de onderlinge ruimtelijke of
                                                  structurele samenhang, dan wel haar
                                                  wetenschappelijke of cultuurhistorische
                                                  waarde;</al></li><li nr="m"><al>beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht:
                                                  stads- en dorpsgezicht dat overeenkomstig de
                                                  bepalingen van deze verordening als zodanig is
                                                  aangewezen; </al></li><li nr="n"><al>lijst van beschermde gemeentelijke stads- en
                                                  dorpsgezichten: de lijst waarop zijn geregistreerd
                                                  de overeenkomstig deze verordening als beschermde
                                                  gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aangewezen
                                                  zaken;</al></li><li nr="o"><al>licht-bouwvergunningplichtig bouwwerk: een
                                                  bouwwerk waarvoor een bouw-vergunning als bedoeld
                                                  in artikel 44, lid 2 Woningwet (Ww), juncto
                                                  artikel 4-6 van het Besluit Bouwvergunningvrije en
                                                  Licht-bouwvergunningplichtige Bouwwerken (Bblb) is
                                                  benodigd;</al></li><li nr="p"><al>college: college van burgemeester en wethouders
                                                  van Wijk bij Duurstede;</al></li><li nr="q"><al>raad: de gemeenteraad van Wijk bij
                                                  Duurstede;</al></li><li nr="r"><al>belanghebbende: als bedoeld in artikel 1:2 van
                                                  de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het</al><al>monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Monumentencommissie</titel></kop><al>Het college stelt een commissie in op grond van artikel 84 van de
                            Gemeentewet, met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging
                            te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de
                            erfgoedverordening en het monumentenbeleid. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>– Beschermde gemeentelijke monumenten</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1:</nr><titel>Aanwijzing en registratie beschermd gemeentelijk monument</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende
                                    (art 1:2 Awb), een onroerend monument aanwijzen als beschermd
                                    gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    het advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende gevallen
                                    (wanneer dreiging van sloop van een te beschermen object zich
                                    zou voordoen) kan het vragen van dit advies achterwege
                                    blijven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een onroerend
                                    monument als beschermd gemeentelijk monument bepalen dat
                                    bouwhistorisch onderzoek wordt verricht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college legt de raad eenmaal per jaar een verslag voor
                                    waarin zij uiteenzet op welke wijze zij toepassing heeft gegeven
                                    aan de aanwijzingen, alsook de wijzigingen en intrekkingen van
                                    een gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voordat het college een kerkelijk monument aanwijst, voert het
                                    overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                                    kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd
                                    gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de registratie
                                    als bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het
                                    monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en
                                    met 15 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op
                                    grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Termijn advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken
                                    na ontvangst van het verzoek van het college om advies ten
                                    behoeve van het aanwijzingsbesluit van een gemeentelijk
                                    monument. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het
                                    advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20
                                    weken na verzending van de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mededeling</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt
                                medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de
                                kadastrale legger bekend staan, alsmede aan de ingeschreven
                                hypothecaire schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college registreert het beschermde gemeentelijke monument op
                                    de gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                    aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale
                                    aanduiding, de tenaamstelling en een beschrijving van het
                                    beschermde gemeentelijke monument (de redengevende
                                    beschrijving).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een
                                    belanghebbende wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 4, tweede, derde, vierde en vijfde lid, alsmede artikel
                                    5 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing
                                    van artikel 4, tweede, derde, vierde en vijfde lid, alsmede
                                    artikel 5 achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Monumenten, welke na plaatsing op de gemeentelijke
                                    monumentenlijst worden ingeschreven in het register bedoeld in
                                    artikel 6 van de Monumentenwet, worden door het college van de
                                    gemeentelijke monumentenlijst afgevoerd, zodra vaststaat dat
                                    deze plaatsing onherroepelijk is geworden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 4, tweede lid, en artikel 5 zijn van overeenkomstige
                                    toepassing op de intrekking.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2:</nr><titel>Vergunningen tot wijziging of afbraak van beschermde gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen
                                of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college of in strijd met
                                bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a"><al>een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te
                                        verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te
                                        wijzigen;</al></li><li nr="b"><al>een beschermd gemeentelijk monument te herstellen, te
                                        gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat
                                        het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><al>De aanvraag van de vergunning als bedoeld in artikel 10, tweede lid,
                            wordt ingediend bij het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Advies van de monumentencommissie en beslissing op de aanvraag
                                ten behoeve van een regulier bouwvergunningplichtig bouwwerk</titel></kop><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr/><titel/></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Het college vraagt, binnen 2 weken na ontvangst van de aanvraag,
                                    voordat zij beslissen op de aanvraag, advies aan de
                                    monumentencommissie.</al></li><li nr="2"><al>Binnen 8 weken na de adviesaanvraag brengt de
                                    monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                    college.</al></li><li nr="3"><al>Het college beslist binnen 4 weken na ontvangst van het advies
                                    van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 10 weken
                                    na ontvangst van de aanvraag, op de aanvraag van de
                                    vergunning.</al></li><li nr="4"><al>Het college kan de in het derde lid genoemde termijn van 10
                                    weken met ten hoogste 10 weken verlengen, mits het de aanvrager
                                    daarvan kennis geeft binnen de in het derde lid genoemde termijn
                                    van 10 weken.</al></li><li nr="5"><al>Indien het college niet voldoet aan het derde of vierde lid,
                                    wordt de vergunning geacht te zijn verleend.</al></li><li nr="6"><al>Een vergunning ingevolge deze verordening blijft buiten werking
                                    tot de dag nadat de vergunning onherroepelijk is geworden.
                                    Indien, gedurende de daarvoor geldende termijn van 6 weken,
                                    bezwaar wordt gemaakt op grond van de Algemene wet bestuursrecht
                                    blijft de vergunning buiten werking totdat op het bezwaar is
                                    beslist.</al></li><li nr="7"><al>Het college kan ten behoeve van de beslissing op de aanvraag
                                    bepalen dat bouwhistorisch onderzoek dient te worden verricht.
                                    De in lid 1 tot en met 4 genoemde termijnen worden opgeschort
                                    tot het moment dat de resultaten van dit onderzoek bij de
                                    gemeente zijn ingediend. </al><al/></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Advies van de monumentencommissie en beslissing op de
                            aanvraag ten behoeve van licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college vraagt voordat zij beslissen op de aanvraag zo
                                    spoedig mogelijk, doch binnen 2 weken, advies aan de
                                    monumentencommissie.</al></li><li nr="2."><al>Binnen 2 weken na de adviesaanvraag brengt de
                                    monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                    college.</al></li><li nr="3."><al>Het college beslist binnen 2 weken na ontvangst van het advies
                                    van de monumenten-commissie, maar in ieder geval binnen 4 weken
                                    na ontvangst van de aanvraag, op de aanvraag van de vergunning.
                                </al></li><li nr="4."><al>Het college kan de in het derde lid genoemde termijn van 4 weken
                                    met ten hoogste 4 weken verlengen, mits het de aanvrager daarvan
                                    kennis geeft binnen de in het derde lid genoemde termijn van 4
                                    weken. </al></li><li nr="5."><al>Indien het college niet voldoet aan het derde lid of vierde lid,
                                    wordt de vergunning geacht te zijn verleend.</al></li><li nr="6."><al>Een vergunning ingevolge deze verordening blijft buiten werking
                                    tot de dag nadat de vergunning onherroepelijk is geworden.
                                    Indien, gedurende de daarvoor geldende termijn van 6 weken,
                                    bezwaar wordt gemaakt op grond van de Algemene wet bestuursrecht
                                    blijft de vergunning buiten werking totdat op het bezwaar is
                                    beslist.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Kerkelijk monument</titel></kop><al>Het college geeft met betrekking tot een beschermd kerkelijk monument
                            geen beschikking ingevolge de bepalingen van artikel 10, tweede lid, dan
                            in overeenstemming met de eigenaar, indien en voor zover het een
                            beschikking betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                            godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a"><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                        onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b"><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld
                                        in artikel 10 niet naleeft; </al></li><li nr="c"><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                        zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                        zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d"><al>niet binnen 1 jaar van de vergunning gebruik wordt
                                        gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De beschikking tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de
                                monumentencommissie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>BeschermdeRijksmonumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag, met de daarbij naar voren gebrachte zienswijzen, om
                                vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de
                                monumentencommissie </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt
                                de monumenten-commissie geacht geadviseerd te hebben.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>– Gemeentelijke archeologische meldingsgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>De aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, een
                                terrein aanwijzen als gemeentelijk archeologisch
                                meldingsgebied.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college besluit over de aanwijzing nadat de monumentencommissie
                                om advies is gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988, of dat op grond van een
                                provinciale verordening is ingeschreven in een provinciaal
                                register.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert binnen tien weken na de dag van
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien een belanghebbende heeft verzocht om aanwijzing als
                                gemeentelijk archeologisch meldingsgebied, beslist het college
                                binnen zestien weken na de dag van ontvangst van het advies van de
                                monumentencommissie, maar in ieder geval binnen vierentwintig weken
                                na de dag waarop de monumentencommissie om advies is gevraagd.
                                Indien de aanwijzing als gemeentelijk archeologisch meldingsgebied
                                geschiedt op initiatief van het college, beslist het college binnen
                                zestien weken nadat het voornemen tot aanwijzing kenbaar is
                                gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan de in het vijfde lid genoemde termijn met ten
                                hoogste zestien weken verlengen, mits het belanghebbenden daarvan in
                                kennis stelt binnen de in het vijfde lid genoemde termijn van
                                zestien weken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De aanwijzing, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, wordt
                                medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de
                                kadastrale legger bekend staan, aan de ingeschreven hypothecaire
                                schuldeisers en, indien om aanwijzing is verzocht, aan de
                                verzoeker.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college geeft het aangewezen gemeentelijk archeologisch
                                meldingsgebied aan op een door het college te vervaardigen
                                kaart.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Op een, bij de in het achtste lid bedoelde kaart, gevoegde lijst
                                worden de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de
                                kadastrale aanduiding, de tenaamstelling en een beschrijving van het
                                aangewezen gemeentelijk archeologisch meldingsgebied
                                aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Wijziging van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op verzoek van een
                                belanghebbende wijzigen. Indien de aanwijzing ambtshalve wordt
                                gewijzigd wordt belanghebbende van deze wijziging in kennis
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Artikel 17, tweede, vierde, vijfde, zesde en zevende lid zijn van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is blijft overeenkomstige toepassing van
                                artikel 17 achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de kaart met de
                                kadastrale aanduiding in de lijst van gemeentelijke archeologische
                                meldingsgebieden aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Artikel 17, tweede en vierde tot zevende lid zijn van
                                overeenkomstige toepassing op de intrekking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3, zesde lid van de Monumentenwet 1988, of
                                indien een gemeentelijk archeologisch meldingsgebied op grond van
                                een provinciale verordening wordt ingeschreven in een provinciaal
                                register.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De datum van de intrekking wordt op de kaart en de lijst van
                                gemeentelijke archeologische meldingsgebieden aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden in een door het college beschermd gemeentelijk
                                archeologisch meldingsgebied graafwerk te verrichten op een diepte
                                van meer dan 0,30 m onder het maaiveld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college is bevoegd nadere eisen te stellen indien is komen vast
                                te staan, dan wel vermoed wordt, dat sprake is van archeologische
                                waarden en vondsten op een geringere diepte. Indien vast is komen te
                                staan, dan wel wordt vermoed, dat deze genoemde waarden en vondsten
                                zich op een grotere diepte dan 0,30 m bevinden, kan het college in
                                onderhavig geval een grotere dieptegrens vaststellen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Aanvraag om ontheffing</titel></kop><al>1 Het college verleent ontheffing van het bepaalde in artikel 20 eerste
                            lid, en van het tweede</al><al> lid, eerste volzin, indien:</al><lijst><li nr="a"><al>aan door het college aan te wijzen personen de mogelijkheid van
                                    toegang tot het terrein wordt geboden, en:</al></li><li nr="b"><al>aan de onder a. genoemde personen de mogelijkheid wordt geboden
                                    om (al dan niet voorafgaand) archeologisch onderzoek te
                                    verrichten of te doen verrichten.</al><al>Hoofdstuk 5 – Gemeentelijke Stads- en dorpsgezichten</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>De aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende een
                                stads- en dorpsgezicht aanwijzen als beschermd stads- of
                                dorpsgezicht. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college besluit over de aanwijzing nadat de monumentencommissie
                                om advies is gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat is
                                aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert binnen twaalf weken na de dag van
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college beslist binnen zestien weken nadat het voornemen tot
                                aanwijzing kenbaar is gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college kan de in het vijfde lid genoemde termijn met ten
                                hoogste zestien weken verlengen, mits het belanghebbenden daarvan in
                                kennis stelt binnen de in het vijfde lid genoemde termijn van
                                zestien weken.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het college registreert het beschermd gemeentelijk stads- of
                                dorpsgezicht op de lijst van beschermde gemeentelijke stads- en
                                dorpsgezichten.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De lijst van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten bevat
                                de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de kadastrale
                                gebiedsaanduiding van het beschermde stads- of dorpsgezicht en een
                                beschrijving van de daarin vervatte cultuurhistorische waarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>De wijziging en intrekking van de aanwijzing</titel></kop><al>De artikelen 8 en 9 van deze verordening zijn van overeenkomstige
                            toepassing, met dien verstande dat voor de gemeentelijke monumentenlijst
                            moet worden gelezen lijst van beschermde gemeentelijke stads- en
                            dorpsgezichten, en dat in artikel 9, derde lid, voor artikel 3, zesde
                            lid van de Monumentenwet 1988, moet worden gelezen artikel 35 van de
                            Monumentenwet 1988.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Beschermend bestemmingsplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd
                                gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, een bestemmingsplan vast als
                                bedoeld in afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijk ordening (Wro). Bij
                                het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht
                                kan hiertoe een termijn worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd gemeentelijk stads-
                                of dorpsgezicht wordt door het college bepaald in hoeverre geldende
                                bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het eerste lid
                                kunnen worden aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Alvorens het college de gemeenteraad ter zake een voorstel doet,
                                wordt de monumentencommissie gehoord.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert binnen veertien weken na de dag van
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten is het verboden
                                een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in
                                afwijking van een vergunning van het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor het afbreken van een bouwwerk
                                ingevolge een aanschrijving van het college.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Aanvraag om vergunning</titel></kop><al>Op het aanvragen en verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel
                            25, eerste lid, zijn totdat een beschermend bestemmingsplan
                            onherroepelijk is geworden, de artikelen 11 tot en met 15 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>- Schadevergoeding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>1Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van: </al><lijst><li nr="a"><al>de weigering van het college een vergunning tot wijziging,
                                    afbraak of verwijdering van een gemeentelijk monument te
                                    verlenen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van deze
                                    verordening; </al></li><li nr="b"><al>voorschriften door het college verbonden aan een vergunning tot
                                    wijziging, afbraak of verwijdering van een gemeentelijk
                                    monument; </al></li></lijst><al>schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te
                            zijnen laste behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag
                            een naar billijkheid te bepalen schade-vergoeding toe.</al><al>2Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen “Tegemoetkoming
                            in schade” van de Afdeling 6.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>2Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>– Slot- en overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Hij, die handelt in strijd met artikel 10, 20 en 25 van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie,
                            als bedoeld in artikel 23 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht
                            (WvS).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Opsporingsbevoegdheid</titel></kop><al>De opsporing van de in artikel 28 strafbaar gestelde feiten is, naast de
                            in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde
                            opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door het college met de
                            zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, ieder voor zover
                            het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Toezicht</titel></kop><al>1.Het college machtigt hen die zijn belast met het toezicht op de
                            naleving van deze verordening, om al dan niet besloten ruimte en plaatsen, met
                            uitzondering van woningen, te betreden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr/><titel/></kop><structuurtekst><al>2.Deze betreding kan desnoods tegen de wil van de rechthebbende, bewoner
                            of gebruiker, plaatsvinden.</al><al>3.Van deze machtiging mag slechts, en zo dikwijls als nodig is, gebruik
                            worden gemaakt indien de zorg voor de naleving van deze verordening dit vereist.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ‘Erfgoedverordening gemeente Wijk bij Duurstede 2010’ treedt in
                                werking op 18 februari 2010.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ‘Monumentenverordening gemeente Wijk bij Duurstede 2004’ vervalt
                                op de dag dat de verordening genoemd onder lid 1 in werking
                                treedt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De op grond van de ingevolge het tweede lid vervallen verordening
                                geregistreerde beschermde gemeentelijke monumenten worden geacht
                                aangewezen te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De beschermde gemeentelijke monumenten, geregistreerd op de
                                monumentenlijst van de ingevolge het tweede lid genoemde vervallen
                                verordening, worden geacht geregistreerd te zijn overeenkomstig de
                                bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning, die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening, worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                het tweede lid genoemde verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Erfgoedverordening gemeente
                            Wijk bij Duurstede 2010’.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 2 februari 2010,</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting: Erfgoedverordening </tussenkop><tussenkop> gemeente Wijk bij Duurstede 2010</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek vormen
                    een belangrijke basis voor de bepalingen van de verordening.</al><al>Drie hoofdpunten zijn in de verordening geregeld:</al><al>1.de aanwijzing van zaken tot gemeentelijk beschermd monument. Dit betreft
                    ook</al><al> archeologische monumenten;</al><lijst><li nr="2."><al>het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke beschermde
                            monumenten;</al></li><li nr="3."><al>de verwijzing naar het vergunningenstelsel voor beschermde
                            rijksmonumenten in de</al></li></lijst><al> Monumentenwet 1988. </al><al>Daarnaast is beoogd het bouwhistorisch onderzoek een nadrukkelijke rol te laten
                    spelen bij de bepaling van het gemeentelijk monumentenbeleid.</al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><tussenkop>Sub a </tussenkop><al>Bij de omschrijving van het begrip ‘monument’ is aansluiting gezocht bij de
                    omschrijving in de Monumentenwet 1988. Cultuurhistorische waarde is volgens de
                    Memorie van Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde,
                    gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop
                    van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. </al><al>Bij de beoordeling of een gebouwd object, die de in de definitie genoemde
                    waarden heeft, worden de volgende aspecten betrokken:</al><lijst><li nr="1."><al>cultuurhistorische en wetenschappelijke waarde</al></li><li nr="2."><al>architectuurhistorische en esthetische waarde</al></li><li nr="3."><al>ensemblewaarde</al></li><li nr="4."><al>gaafheid</al></li><li nr="5."><al>herkenbaarheid</al></li><li nr="6."><al>zeldzaamheid</al></li></lijst><al>Het begrip cultuurhistorische waarde is dermate ruim dat het ook betrekking kan
                    hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige waarde. </al><al>De grens van vijftig jaar die voor rijksmonumenten geldt, is niet voor
                    gemeentelijke monumenten overgenomen. Daardoor biedt de verordening ook de
                    mogelijkheid om monumenten die (nog) niet op de rijkslijst kunnen komen omdat ze
                    te jong zijn, reeds op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><tussenkop>Sub b en d</tussenkop><al>Sub b en sub d spreken van onroerende monumenten. Roerende monumenten worden
                    derhalve niet beschermd. Reden hiervoor is dat het handhaven van de bescherming
                    een </al><al>probleem vormt. Roerende monumenten kunnen meestal eenvoudig worden verplaatst
                    en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de </al><al>verordening worden gebracht. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld schepen,
                    voertuigen, schilderijen, kerkschatten en gebruiksvoorwerpen. </al><al>Een zaak die naar zijn aard onroerend is, zoals een kerkorgel, wordt in deze
                    verordening gelijkgesteld aan een onroerend monument en kan daardoor wel de
                    beschermde status verkrijgen, ook op basis van de redengevende
                    omschrijving.</al><tussenkop>Sub c</tussenkop><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. In tegenstelling tot de VNG-modelverordening
                    1988 heeft het plaatsen op de monumentenlijst geen rechtsgevolg. Dit betreft nu
                    slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst
                    is het de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument die rechtsgevolg
                    beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit
                    elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 4 lid 1 en artikel
                        7<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Sub d</tussenkop><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een ‘beschermd rijksmonument’ in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Hier wordt namelijk het
                    verschil duidelijk gemaakt tussen gemeentelijke en rijksmonumenten. Daardoor
                    verkrijgt het college de bevoegdheid gemeentelijke monumenten aan te wijzen. </al><al>Op de vergunningverlening voor beschermde rijksmonumenten zijn met name de
                    artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet 1988 van toepassing.</al><tussenkop>Sub f</tussenkop><al>In overeenstemming met artikel 2, lid 2, van de Monumentenwet wordt ingeval van
                    aanwijzing van een kerkelijk monument tot beschermd gemeentelijk, dan wel
                    rijksmonument, overleg met de eigenaar vereist. </al><al>Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de
                    godsdienstuitoefening in het kerkelijke monument. Voor bijvoorbeeld een
                    pastorie, een catechisatieruimte of verblijven van kloosterlingen geldt deze
                    verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de regel dan ook niet. Zij vallen
                    onder de voorschriften die voor de andere monumenten gelden.</al><tussenkop>Sub h</tussenkop><al>De term ‘gemeentelijk archeologisch monument’ wordt apart gedefinieerd in
                    verband met de enigszins afwijkende positie die een archeologisch monument
                    inneemt ten aanzien van de vergunningverlening. Ten eerste is er verschil in
                    behandeling tussen een rijks- of gemeentelijk beschermd archeologisch monument
                    bij een vergunningaanvraag. De vergunningverlening </al><al>voor het verstoren of in enig opzicht wijzigen van een beschermd gemeentelijk
                    monument is een bevoegdheid van het college. Als er echter sprake is van een
                    beschermd archeologisch rijksmonument beslist de minister op de
                    vergunningaanvraag.</al><al>Ten tweede regelt de Monumentenwet 1988 dat het doen van een opgraving alleen
                    plaats mag vinden met vergunning van de minister. Deze verplichting geldt in
                    zijn algemeenheid voor alle archeologische monumenten. Het maakt dus niet uit of
                    er sprake is van rijks- of gemeentelijke bescherming, het doen van opgravingen
                    is vergunningplichtig. </al><al>Deze vergunning tot het doen van opgravingen kan onder bepaalde voorwaarden
                    alleen worden toegekend aan de rijksdienst, een instelling voor wetenschappelijk
                    onderwijs of een gemeente. Vanwege deze twee aspecten wordt in deze verordening
                    een onderscheid gemaakt tussen een ‘normaal’ en een (gemeentelijk)
                    ‘archeologisch’ monument.</al><al>In het geval van een opgraving regelt de Monumentenwet 1988 (artikelen 42 tot en
                    met 49) de eigendom van roerende monumenten die men daarbij aantreft. Deze
                    regels gelden in alle gevallen dat opgravingen worden gedaan of men bij toeval
                    op een vondst stuit waarvan men kan vermoeden dat het om een monument gaat. Er
                    wordt geen onderscheid gehanteerd tussen rijks- en gemeentelijke
                    monumenten.</al><tussenkop>Sub o</tussenkop><al>In het ‘Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken’
                    zijn in de artikelen 4 tot en met 6 aangegeven welke bouwwerken in relatie tot
                    monumenten vallen onder licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Deze bepaling volgt uit artikel 2, lid 1 van de Monumentenwet. Het betreft hier
                    niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming maar de normale,
                    gangbare gebruiksmogelijkheid. Een en ander mede gelet op de constructie en
                    ligging van het pand. Dit artikel is van belang als een motivatieplicht bij de
                    aanwijzing van monumenten en bij de vergunningverlening.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>De taken van de Monumentencommissie komen voort uit deze verordening en de
                    Monumentenwet 1988. Door de Monumentencommissie in deze begripsomschrijving
                    bevoegd te verklaren het college te adviseren over de toepassing van de
                    Monumentenwet 1988, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15 van de
                    Monumentenwet 1988.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>In vergelijking tot de VNG-modelverordening 1988 zijn de aanwijzing tot
                    beschermd gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst uit elkaar
                    getrokken. De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de
                    gemeentelijke monumentenlijst is nu slechts een administratieve handeling. Het
                    is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te
                    trekken.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). </al><al>De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert
                    immers over het algemeen niets aan het gebruik van het monument (zie artikel
                    27). Wel worden de publiekrechtelijke mogelijkheden tot wijziging of sloop van
                    het pand beperkt. Dit is niet langer vanzelfsprekend indien wordt voldaan aan de
                    Woningwet. Desalniettemin wordt ruimschoots rekening gehouden met de wens van de
                    eigenaar en/of gebruiker in de periode van aanwijzing. Derhalve is geen
                    schadevergoedingregeling bij aanwijzing opgenomen.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie. De verordening
                    bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. De
                    regeling die de taak en </al><al>werkwijze van de monumentencommissie regelt is daarvoor de aangewezen plaats. </al><al>De verordening bevat voorschriften voor de bescherming van het monument
                    gedurende de tijd dat de aanwijzingsprocedure loopt, vanaf het moment dat de
                    ‘kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing tot beschermd gemeentelijk
                    monument’ wordt ontvangen (zie artikel 4, lid 6). Toch kan de spoedprocedure in
                    situaties die ernstige gevolgen voor het aan te wijzen monument hebben,
                    bewerkstelligen dat binnen een nog kortere tijd de verbods- bepalingen van de
                    verordening van toepassing zijn. Er moeten dan gegronde redenen aanwezig zijn om
                    de spoedprocedure te kunnen gebruiken.</al><al>Er wordt niet bepaald dat de aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord
                    voordat het college over een aanwijzing een besluit neemt, omdat dit is geregeld
                    in de artikelen 4:8 en 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een gebouw geeft meer inzicht in de historische
                    geschiedenis van een gebouw. In de brochure ‘Richtlijnen Bouwhistorisch
                    Onderzoek’, een uitgave in samenwerking met o.a. de Rijksdienst voor het
                    Cultureel Erfgoed (RCE), wordt bouwhistorisch onderzoek gedefinieerd als: “het
                    zoeken naar alle relevante gegevens en de analyse en de interpretatie daarvan,
                    die kunnen leiden tot de beschrijving van de bouw- en gebruiksgeschiedenis van
                    bouwwerken of structuren.” Het doel ervan wordt als volgt verwoord: </al><lijst><li nr="1."><al>signalering van historische bouwwerken en structuren; </al></li><li nr="2."><al>documentatie van historische bouwwerken en structuren, ten einde hun
                            bouw-, verbouwings- en gebruiksgeschiedenis te boekstaven; </al></li><li nr="3."><al>bouwhistorische waardestelling van historische bouwwerken en structuren,
                            ten behoeve van een (in cultuurhistorisch opzicht) beter beheer of als
                            voorbereiding van een restauratie, verbouwing of herbestemming. Door het
                            bepalen en vastleggen van bouwhistorische waarden kan men voorkomen dat
                            deze door onwetendheid verloren gaan; </al></li><li nr="4."><al>advisering bij verbouwing van bouwwerken en structuren; </al></li><li nr="5."><al>vergroting van de kennis van de geschiedenis van het bouwen in het
                            verleden. </al></li></lijst><al>In de Monumentenwet 1988 is geen bepaling over bouwhistorisch onderzoek
                    opgenomen. Het laten verrichten van bouwhistorisch onderzoek behoort daarmee tot
                    de beleidsvrijheid van de gemeente. Er is een tweetal momenten te onderscheiden
                    wanneer een gemeente bouwhistorisch onderzoek kan vragen:</al><lijst><li nr="1."><al>bij een (aanvraag tot) aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument
                            (art. 4, lid 3) alsook bij de wijziging van deze aanwijzing (art. 8, lid
                            2). De informatie over de bouwhistorische waarde van een gebouw kan van
                            invloed zijn op de beslissing van het college om het pand al dan niet
                            als beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen en op de wijze waarop
                            het pand in de registers wordt ingeschreven.</al></li><li nr="2."><al>bij aanvragen voor vergunning tot wijziging van een beschermd
                            gemeentelijk monument. </al></li></lijst><al>De bouwhistorische waarde die door een verbouwing of andere wijziging aangetast
                    wordt is van invloed op de beslissing van het college. </al><al>Alhoewel het er in beide gevallen gaat om informatie te krijgen over de
                    bouwhistorische waarde van een pand, zijn de mogelijkheden om het bouwhistorisch
                    onderzoek te kunnen uitvoeren verschillend. In het geval de eigenaar/gebruiker
                    geen medewerking wenst te </al><al>verlenen en wanneer het een woning betreft, is de gemeente niet toegestaan tegen
                    de wil van de rechthebbende binnen te treden (zie art. 30). </al><tussenkop> (Wijziging van de) aanwijzing tot beschermd monument:</tussenkop><al>De aanvraag tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument is in veel
                    gevallen niet afkomstig van de eigenaar van het pand. Veelal dient een
                    belangenvereniging voor </al><al>monumenten een aanvraag tot aanwijzing in. In die gevallen dat een ander dan de
                    eigenaar van een pand een aanvraag tot aanwijzing indient, dan wel de gemeente
                    ambtshalve aanwijzingsvoorstellen doet, kan de gemeente de eigenaar moeilijk
                    verplichten bouwhistorisch onderzoek uit te voeren. </al><al>Om het bouwhistorisch onderzoek uit te voeren moet men het gebouw betreden. Voor
                    het binnentreden is toestemming van de eigenaar nodig. Deze toestemming vormt
                    naast de kosten van het onderzoek het tweede mogelijke knelpunt voor het
                    bouwhistorisch onderzoek. Bij het binnentreden moet onderscheid worden gemaakt
                    tussen woningen en gebouwen anders dan woningen. Het binnentreden van woningen
                    is in verband met het huisvrederecht aan strengere voorwaarden gebonden dan het
                    binnentreden van andere gebouwen.</al><al>Op grond van de Gemeentewet kan de gemeente zich niet de toegang tot een woning
                    verschaffen ten behoeve van het verrichten van bouwhistorisch onderzoek. Het
                    binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoners is slechts
                    toegestaan in die gevallen dat het binnentreden tot doel heeft het handhaven van
                    de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van
                    personen. Bouwhistorisch onderzoek heeft dit niet tot doel.</al><al>Bij woningen is de gemeente dus afhankelijk van de bereidheid van de
                    woningeigenaar om bouwhistorisch onderzoek uit te laten voeren. Argumenten die
                    de gemeente kan gebruiken zijn het verkrijgen van zicht op de cultuurhistorische
                    waarde van een gebouw en het feit dat mogelijk anders bij een
                    wijzigingsvergunning bouwhistorisch onderzoek als voorwaarde kan worden
                    gesteld.</al><al>De situatie is anders in die gevallen dat het andere gebouwen dan woningen
                    betreft. In de verordening is in artikel 30 opgenomen dat door het bevoegd gezag
                    aangewezen personen in het kader van het toezicht op de naleving van de
                    verordening ruimten binnen kunnen treden. Dit geldt ook voor het doen van
                    bouwhistorisch onderzoek op grond van de verordening.</al><tussenkop>Vergunningverlening tot wijziging of (gedeeltelijke) sloop van een
                    beschermd monument</tussenkop><al>De gemeente kan voordat zij een besluit neemt over de vergunningverlening tot
                    wijziging of (gedeeltelijke) sloop van een beschermd monument bepalen dat
                    informatie over de bouwhistorische waarde van het gebouw nodig is. Het is niet
                    noodzakelijk om het vragen van bouwhistorisch onderzoek in de verordening vast
                    te leggen. De voorwaarden die de gemeente omtrent de afhandeling van aanvragen
                    om een beschikking op grond van de Awb (artikel 4:5) kan stellen bieden
                    voldoende houvast. </al><al>Argument hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische waarde van een gebouw
                    bij de beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een monument van belang is.
                    De gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot
                    de noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te
                    komen. Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid. De gemeente kan de
                    aanvrager bijvoorbeeld niet verplichten om voor het gehele pand bouwhistorisch
                    onderzoek uit te voeren als slechts voor een deel van het pand een
                    wijzigingsvergunning wordt aangevraagd. Daarnaast moet de gemeente bij het
                    stellen van voorwaarden rekening houden met de kosten die met het bouwhistorisch
                    onderzoek zijn gemoeid. Deze kosten moeten in redelijke verhouding tot de kosten
                    van de verbouwing staan. </al><al>In de toelichting op het aanvraagformulier kan de gemeente aangeven dat het
                    bouwhistorisch onderzoek door ter zake deskundigen moet worden uitgevoerd. De
                    gemeente kan hierbij aangeven welke personen of instanties in haar ogen
                    voldoende gekwalificeerd zijn. </al><al>Als de gemeente besluit om het bouwhistorisch onderzoek te subsidiëren kunnen
                    meer verplichtende kwalitatieve eisen aan het onderzoek of onderzoekers worden
                    gesteld. </al><al>Het feit dat het binnentreden van een woning niet afgedwongen kan worden is bij
                    een aanvraag tot vergunningverlening geen probleem. Indien de eigenaar weigert
                    om de personen die het bouwhistorisch onderzoek moeten verrichten binnen te
                    laten dan kan hij niet aan de verplichting van de vereiste bescheiden voldoen.
                    In die gevallen zal het college de aanvraag, na herhaald verzoek de verlangde
                    gegevens te leveren, niet ontvankelijk verklaren.</al><al>Bij de verlening van de vergunning kan de gemeente in de vergunningvoorwaarden
                    het doen van onderzoek en het verstrekken van documentatie tijdens de
                    bouwwerkzaamheden regelen, net als het veilig stellen van de afkomende
                    bouwhistorische elementen.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Dit lid geeft de gemeenteraad een rol bij de besluiten tot aanwijzing voor een
                    gemeentelijk monument. Door middel van dit lid kan de gemeenteraad haar
                    controlerende functie gemakkelijker uitvoeren. De aanwijzingsbesluiten voor de
                    gemeentelijke monumenten kunnen daardoor door de raad worden getoetst aan het
                    beleidskader.</al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in de Awb dat belanghebbenden zienswijzen
                    naar voren kunnen brengen (artikel 4:8). Overleg is immers meer dan het naar
                    voren kunnen brengen van zienswijzen<cursief>. </cursief>Bovendien wordt dit ook
                    vereist in art. 2, lid 2 van de Monumentenwet.</al><tussenkop>Lid 6</tussenkop><al>Dit lid regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt, indien geen sprake is van een
                    ‘spoedeisend geval’ (zie toelichting op art. 4, lid 2). Dat betekent dat in de
                    periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn) artikel 10 tot en met 15 van
                    deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere ook dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot beschermd gemeentelijk monument
                    niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een
                    gemeentelijke monumenten-vergunning.</al><tussenkop>Lid 7</tussenkop><al>Monumenten die al op een rijkslijst of een provinciale lijst staan, komen niet
                    voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking, aangezien voor deze
                    monumenten reeds voldoende bescherming wordt geboden. In de bijlagen behorende
                    bij deze toelichting zijn de in dit lid genoemde lijsten van deze monumenten
                    toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2).</al><al>Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten de aanvrager, eigenaar
                    en andere belanghebbenden beter waar ze aan toe zijn. De redactie van lid 2
                    heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet tijdig adviseert, het
                    college de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of
                    besluiten om het (te laat uitgebrachte advies) toch in hun overwegingen te
                    betrekken. Het risico bij de tweede genoemde keuze is, dat deze vertraging zou
                    kunnen leiden tot het niet tijdig nemen van een besluit betreffende de aanvraag.
                    In dat geval is namelijk op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering.
                    Ingevolge artikel 6:2 van die Wet staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid
                    van bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een reëel
                    weigeringsbesluit open zou staan<cursief>.</cursief></al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>De mededeling van het college is voor de eigenaar en de anderszins zakelijk
                    gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook zaak dat de mededeling door
                    de geadresseerde wordt ontvangen. In de regel zal de mededeling bij aangetekend
                    schrijven uitgaan. In latere instantie kan hij zich er dan niet op beroepen van
                    niets te weten.</al><al>Indien een aangetekend schrijven retour gezonden wordt, dient voor andere
                    (mogelijke persoonlijke) overhandiging gezorgd te worden. </al><al>Dit artikel regelt niet dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en
                    de aanvrager, omdat de Awb zulks bepaalt (afdeling 3.6). Is artikel 4:8
                    toegepast (het horen van geadresseerde en van derde belanghebbenden) en is van
                    de daar geboden mogelijkheid gebruik gemaakt, dan dienen de betrokkenen op grond
                    van het bepaalde in artikel 3:43 Awb een mededeling te ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Door aanwijzing als gemeentelijk monument is het gehele pand, inclusief het
                    interieur, onder de werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die zich
                    op het perceel van het beschermde monument bevinden, zoals bijgebouwen,
                    tuininrichting en bomen moeten expliciet worden aangegeven, willen zij onder de
                    werking van de verordening vallen. Voor elke wijziging van het beschermde
                    monument is dus een vergunning nodig. Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in
                    verband met kadastrale vernummering, kan ook een plattegrond worden
                    aangehecht.</al><al>De registratie van de aanwijzing is in tegenstelling tot hetgeen in de VNG
                    model-monumentenverordening 1988 is opgenomen een administratieve handeling. De
                    bedoeling van de aldus bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken om welke reden als beschermd gemeentelijk
                    monument zijn aangewezen.</al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke beschermde
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    (advies van de monumentencommissie of overleg met de eigenaar van een kerkelijk
                    monument) als voor de aanwijzing (lid 2 en 5), tenzij de wijziging van
                    ondergeschikte betekenis is (lid 3). </al><al>Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke
                    monumentenlijst (lid 4). </al><al>In tegenstelling tot de VNG-monumentenverordening 1988 zijn de begrippen
                    wijziging en intrekking uit elkaar getrokken. Dit sluit aan bij de nieuwe
                    methodiek (om rechtsgevolg te verbinden aan de aanwijzing, niet aan de plaatsing
                    op de monumentenlijst) en bevordert de duidelijkheid.</al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke beschermde
                    monumenten in te trekken (lid 1). Ook hiervoor geldt dat het advies van de
                    monumentencommissie nodig is, tenzij het gaat om spoedeisende gevallen (lid 2).
                    Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is
                    ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor zijn gegaan),
                    worden door het college van de monumentenlijst gehaald. </al><al>Sub 2 regelt dat monumenten die na aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                    monument worden geregistreerd als beschermd rijksmonument, vanaf dat tijdstip
                    geacht worden niet meer te zijn aangewezen, aangezien vanaf dat moment op een
                    andere wijze voldoende wordt voorzien in bescherming. </al><al>Hierbij moet worden aangetekend dat gedeeltelijke intrekking van de aanwijzing
                    moet worden bezien als de wijziging van de aanwijzing, en valt als zodanig
                    derhalve onder art. 8.</al><al>Voor de situatie waarin een provinciale monumentenlijst bestaat is een
                    vergelijkbare regeling</al><al>opgenomen. Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot
                    intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen.
                    Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds
                    wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis
                    gedocumenteerd. Ten derde kan het de verzoeker ontmoedigen aan te dringen op
                    intrekking van de aanwijzing, in welk geval het monument langer behouden kan
                    worden voor toekomstige generaties.</al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>De opbouw en inhoud van dit artikel vertoont gelijkenis met artikel 11 van de
                    Monumenten-wet 1988. De verordening legt de vergunningverlening ten aanzien van
                    rijksmonumenten op basis van de Monumentenwet 1988 in handen van het college. </al><al>De Monumentenwet 1988 regelt de vergunningverlening voor de wijziging van
                    rijks-monumenten door het college in de artikelen 11 tot en met 21, juncto
                    artikel 16 van de monumentenverordening. In dit artikel gaat het derhalve alleen
                    over beschermde gemeentelijke monumenten. </al><al>Het artikel regelt dat een vergunning nodig is om een beschermd monument te
                    verstoren (lid 2). Dit geldt ook voor archeologische monumenten. Over
                    opgravingen en vondsten is niets in de verordening geregeld. Reden hiervoor is
                    dat deze aspecten uitputtend in de Monumentenwet 1988 zijn geregeld.</al><al>De Monumentenwet 1988 regelt:</al><lijst><li nr="·"><al>dat voor opgravingen een vergunning nodig is;</al></li><li nr="·"><al>dat een rechthebbende van een terrein moet dulden dat de
                            opgravingsbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen
                            verricht;</al></li><li nr="·"><al>de eigendomskwestie van vondsten;</al></li><li nr="·"><al>een schaderegeling.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>Het artikel dat de vergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten betreft, is
                    zeer kort gehouden omdat het verlangen van gegevens en ontbrekende gegevens is
                    geregeld in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15).</al><al>In een aanvraagformulier voor de vergunning kan de gemeente aangeven welke
                    gegevens zijn vereist. Wat betreft de eventueel benodigde gegevens voor
                    bouwhistorisch onderzoek wordt verwezen naar de toelichting van artikel 4 lid
                    3.</al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>Als het college de aanvraag in behandeling neemt, moet door hen op grond van de
                    verordening advies gevraagd worden aan de monumentencommissie. Nadat dit advies
                    aan het college is uitgebracht moet zij ermee rekening houden dat artikel 4:7 of
                    artikel 4:8 Awb van toepassing kan zijn. Over het voornemen de beschikking af te
                    geven, dan wel geheel of gedeeltelijk af te wijzen moeten de aanvrager en de
                    belanghebbenden in de gelegenheid gesteld worden om hun zienswijze in te dienen.
                    Deze kunnen naar keuze hun zienswijzen schriftelijk of mondeling via een
                    hoorzitting naar voren brengen op grond van artikel 4:9 Awb. De
                    monumentencommissie adviseert het college binnen acht weken na de adviesaanvraag
                    (lid 2). Vervolgens, dus na ontvangst van het advies, beslist het college binnen
                    vier weken (lid 3). De redactie van lid 3 heeft tot gevolg dat, wanneer de
                    monumentencommissie niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan
                    maken: zonder advies een beslissing nemen of besluiten om het (te laat
                    uitgebrachte advies) toch in hun overwegingen te betrekken. Risico bij de tweede
                    genoemde optie, is dat hierdoor het tijdig afhandelen van bijvoorbeeld een
                    bouwaanvraag met een fatale termijn in gevaar komt.</al><al>De totale termijn kan met maximaal tien weken worden verlengd, mits het een
                    bouwwerk betreft dat in strijd is met het bestemmingsplan, en de aanvrager
                    tijdig van het uitstel op de hoogte wordt gesteld (lid 4). De totale termijn van
                    10 weken spoort met die voor de bouwvergunning (artikel 46, lid 1, sub b
                    Woningwet), welke 12 weken bedraagt. Als het college niet tijdig beslist, wordt
                    de vergunning geacht te zijn verleend (lid 5). Hierbij is niet aangesloten bij
                    de Awb (die kent immers de fictieve weigering), maar bij de bouwvergunning en
                    rijksmonumentenvergunning. Deze kennen namelijk ook een fictieve
                    vergunningverlening bij overschrijding van de fatale
                        termijnen<cursief>.</cursief></al><al>De bepaling van lid 6 komt overeen met die in de Monumentenwet 1988 maar niet
                    met hetgeen geregeld is voor de bouwvergunning en de Awb. De werking van een
                    bouw-vergunning wordt bijvoorbeeld niet opgeschort totdat een bezwaar- of
                    beroeptermijn is </al><al>afgelopen, en zelfs niet door indiening van een bezwaar- of beroepschrift. Toch
                    wordt ervoor gekozen de werking van de vergunning, na verlening, uit te stellen,
                    om te voorkomen dat er onherstelbare ontwikkelingen aan een monument
                    plaatsvinden, voordat overige belanghebbenden de rechtsgang volledig hebben
                    kunnen benutten. Op deze manier is het niet langer nodig om bij de rechter om
                    voorlopige voorziening te verzoeken. </al><al>In tegenstelling tot de Model Monumentenverordening van de VNG is er niet voor
                    gekozen de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.6 van de Awb
                    van toepassing te verklaren. Dit komt mede omdat art. 44 lid 1, sub e van de
                    Woningwet bepaalt dat een bouwvergunning moet worden geweigerd ‘indien voor een
                    vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988, of een provinciale of gemeentelijke
                    monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend’. Art. 54 van de
                    Woningwet geeft alleen een aanhoudings-grond (en dus een opschorting van de
                    fatale termijn ) wanneer het een rijksmonument betreft. </al><al>Gezien het feit dat het gemeentelijk monumentschap geen grond is voor
                    aanhouding, wordt een korte procedure voorgestaan. Dit is tevens de reden waarom
                    de termijnen van aanvragen van advies, advisering en besluit op de aanvraag
                    korter zijn dan in de Model Monumenten-verordening van de VNG wordt
                    weergegeven.</al><al>Mocht in het voorkomende geval het college de bouwvergunning niet binnen de in
                    art. 46 Woningwet genoemde termijn hebben geweigerd, dan is sprake van een
                    fictieve bouw-vergunning. Echter, van deze bouwvergunning kan pas dan gebruik
                    gemaakt worden indien ook de monumentenvergunning is verleend. Om deze situatie
                    te voorkomen kan de bouwvergunning tijdig worden geweigerd, of ingetrokken
                    worden door de aanvrager, in afwachting van de monumentenvergunning.</al><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al>In het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken
                    (Bblb) zijn in de artikelen 4 tot en met 6 aangegeven voor welke bouwwerken, in
                    relatie tot monumenten, een lichte bouwvergunning verplicht is. Voor de
                    verstrekking van een bouwvergunning voor deze bouwwerken geldt een termijn van
                    zes weken conform artikel 46 lid 1 sub a van de Woningwet, welke niet kan worden
                    verlengd. Indien tevens een vergunning ex artikel 10 lid 2 van deze verordening
                    is benodigd, zal door het college binnen vier weken moeten worden beslist op een
                    aanvraag ex artikel 11 van deze verordening. Dit betekent dat de
                    monumentencommissie binnen twee weken een schriftelijk advies moet uitbrengen
                    aan het college, opdat het college vervolgens voldoende tijd heeft een besluit
                    te nemen op de aanvraag.</al><al>Evenals bij artikel 12 zijn ook hier de termijnen wat verkort ten opzichte van
                    wat de Model Monumentenverordening van de VNG aangeeft. Zie de toelichting op
                    artikel 12. </al><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><al>In dit artikel wordt een wezenlijk verschil aangegeven in verband met de invloed
                    die een eigenaar of gebruiker kan hebben op het besluit van het college. Bij het
                    besluit tot aanwijzing (artikel 4, lid 5) wordt slechts overleg vereist, terwijl
                    in het geval van vergunningverlening daadwerkelijk overeenstemming wordt
                    vereist. Het verschil is dat in het uiterste geval de gemeente is toegestaan een
                    beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen, maar niet om</al><al>een vergunning te verlenen, indien de eigenaar/gebruiker hier strikt tegen is.
                    In beide gevallen dienen echter slechts de wezenlijke belangen van de
                    godsdienstuitoefening mee te wegen in het besluit. In het geval van
                    andersoortige belangen, geldt deze invloed niet. </al><al>(Zie de toelichting op artikel 1, sub e, alsook artikel 4 lid 5)</al><tussenkop>Artikel 15</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke intrekkinggronden. De bepaling onder c heeft
                    de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten
                    aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een
                    nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument
                    behoren voor te gaan. In dat geval moet de vergunningverlener (het college) de
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken, mede gezien het feit dat
                    het in deze verordening niet wordt toegestaan ambtshalve een verleende
                    vergunning aan te passen. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Gelet op de taak van de monumentencommissie, ligt het voor de hand dat een
                    afschrift van de intrekking aan die commissie wordt gezonden. Er kunnen zich
                    omstandigheden voordoen waarin het aanbeveling verdient om de
                    monumentencommissie om advies te vragen. De monumentencommissie kan ook
                    ongevraagd adviseren. </al><tussenkop>Artikel 16</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten is de Uniforme Openbare
                    Voorbereidings-procedure (UOV) (afdeling 3.4 Awb) van toepassing (zie art. 14a
                    Monumentenwet 1988). Deze procedure voorziet in het ter inzage leggen van de
                    aanvraag en het indienen van zienswijzen tegen de aanvraag. Derhalve is in dit
                    artikel toegevoegd de zin: “met de daarbij naar voren gebrachte zienswijzen”,
                    zodat de Monumentencommissie dit kan laten meewegen in hun advies, voor zover
                    deze zienswijzen de belangen van de zorg voor het rijksmonument betreft, dan wel
                    de belangen van belanghebbenden. </al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en, buiten de bebouwde kom, ook
                    gedeputeerde staten (GS) moeten binnen twee maanden na verzending van de
                    adviesaanvraag adviseren (art. 16 lid 3 Monumentenwet 1988). Het definitieve
                    besluit moet binnen 4 maanden na ontvangst van de laatste van de adviezen van
                    RCE en GS plaatsvinden (art. 16 lid 4 Monumentenwet 1988). Omdat de mogelijkheid
                    is opgenomen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen, is tegen het
                    definitieve besluit alleen nog maar beroep mogelijk. Een volgende beperking is
                    dat alleen de aanvrager en belanghebbenden die tijdig een zienswijze naar voren
                    hebben gebracht (Awb 3:41 en 3:43) of belanghebbenden die een goede reden hebben
                    geen zienswijzen te hebben ingebracht (Awb 6:13) beroep kunnen instellen.</al><tussenkop>Leden 2 en 3</tussenkop><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om vergunning voor beschermde rijksmonumenten wordt ingeschakeld. Om te
                    voorkomen dat dit wettelijke vereiste door het ontbreken van het advies van de
                    monumentencommissie tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is
                    in lid 3 bepaald dat de monumentencommissie geacht wordt te hebben geadviseerd
                    na het verstrijken van de in lid 2 gestelde adviestermijn.</al><tussenkop>Artikel 17</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>In art. 1, lid c, van de Monumentenwet 1988 worden archeologische
                    Rijksmonumenten gedefinieerd als ‘terreinen welke van algemeen belang zijn
                    wegens een daar aanwezige zaak, vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de
                    wetenschap of hun cultuurhistorische waarde’. Deze worden gelijkgesteld aan
                    monumenten. </al><al>In deze verordening is echter niet gekozen over te gaan tot het aanwijzen van
                    gemeentelijke archeologische monumenten, alhoewel volgens artikel 1, sub a onder
                    2 aangeeft dat hier wel sprake van kan zijn. In plaats daarvan biedt dit artikel
                    de mogelijkheid om gemeentelijke archeologische gebieden aan te wijzen waarvan
                    een gegrond vermoeden bestaat dat bij graafwerk bodemsporen of vondsten zullen
                    worden aangetroffen aan de hand waarvan wetenschappelijk onderzoek naar de
                    ontstaansgeschiedenis van stad, dorp of buitengebied kan plaatsvinden. Dit komt
                    overeen met de bevoegdheden voortkomend uit artikel 38 lid 1 Monumentenwet 1988. </al><al>Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan worden overwogen of Onze
                    Minister wordt verzocht tot aanwijzing als beschermd monument in de zin van art.
                    3, lid 2 van de Monumentenwet 1988.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>De in dit lid genoemde - op grond van art. 3 Monumentenwet 1988, of op grond van
                    een provinciale verordening - aangewezen gronden, worden weergegeven op kaarten
                    en in lijsten die in de bij deze toelichting behorende bijlagen zijn
                    toegevoegd.</al><tussenkop>Lid 8</tussenkop><al>In de bijlagen behorende bij deze toelichting zijn de kaarten en lijsten
                    gevoegd, voor zover van toepassing, waarover in dit lid wordt gesproken.</al><tussenkop>Artikel 18</tussenkop><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Binnen welke marges het college zich mag bevinden bij het beoordelen of een
                    bepaalde wijziging van ondergeschikte betekenis is, en dus mag worden toegepast
                    zonder acht te slaan op het verbod in artikel 17, wordt niet genoemd. Wel zal
                    altijd rekening moeten worden gehouden met wat in recente jurisprudentie is
                    komen vast te staan als zijnde ‘wijzigingen van ondergeschikte betekenis’.
                    Daarnaast moet worden opgemerkt dat de bescherming van archeologische
                    meldingsgebieden mogelijk minder zwaar zal wegen dan de bescherming van
                    aangewezen archeologische (rijks)monumenten, maar zwaarder dan gronden die niet
                    zijn aangewezen tot beschermd gebied. </al><tussenkop>Artikel 19</tussenkop><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>In de bijlagen behorende bij deze toelichting zijn de kaarten en lijsten
                    gevoegd, voor zover van toepassing, waarover in dit lid wordt gesproken.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Periodiek (bij voorkeur jaarlijks) worden de kaarten en lijsten up-to-date
                    gemaakt. Dit is pas het geval als de gemeente gemeentelijke archeologische
                    meldingsgebieden op haar grondgebied heeft.</al><tussenkop>Artikel 20</tussenkop><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Indien de aanvraag een verstoring van een gemeentelijk archeologisch monument
                    betreft kan de gemeente bij het afgeven van een vergunning bepalen dat de
                    belangen waardoor het terrein is aangewezen voldoende moeten zijn beschermd. Dit
                    kan zij regelen door in de vergunning voorwaarden op te nemen dat de
                    rechthebbende op het terrein toestemming moet verlenen aan door het college aan
                    te wijzen personen om het terrein te betreden en om graafwerk of
                    documentatiewerkzaamheden op het terrein te laten verrichten, alsook om de
                    werkzaamheden stil te leggen indien dit het archeologisch belang dient, maar dit
                    laatste alleen wanneer dit noodzakelijk is om het archeologische belang
                    voldoende te beschermen. Een en ander kan ook nodig zijn in verband met het
                    verkrijgen van voldoende gegevens om op de vergunning-aanvraag te kunnen
                    beschikken.</al><tussenkop>Artikel 21</tussenkop><al>Zie toelichting op de artikelen 11 tot en met 15.</al><tussenkop>Artikel 22</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Het eerste lid van dit artikel biedt de mogelijkheid gemeentelijke stads- en
                    dorpsgezichten aan te wijzen. Het gaat daarbij om delen van de stad en/of een
                    dorp waarin de ruimtelijke of structurele samenhang als bepalend element wordt
                    aangemerkt. Door het college aangewezen stads- en dorpsgezichten worden op de
                    gemeentelijke lijst, voor zover aanwezig, van stads- en dorpsgezichten
                    geplaatst. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>De stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35 van de
                    Monumentenwet 1988 zijn in de bijlage, behorende bij deze toelichting, gevoegd. </al><tussenkop>Lid 6</tussenkop><al>Het is de bedoeling om de bevoegdheid tot verlenging van deze termijn slechts
                    eenmalig bij een bepaald voornemen tot aanwijzing te gebruiken.</al><tussenkop>Artikel 23</tussenkop><al>Zie toelichting op de artikelen 8 en 9.</al><tussenkop>Artikel 24</tussenkop><al>Bij dit artikel is aangesloten op hetgeen is vermeld in artikel 36 van de
                    Monumentenwet 1988.</al><tussenkop>Artikel 25</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Komt overeen met lid 1 van artikel 10. De overige leden van artikel 10 komen
                    overeen met de overige leden van dit artikel. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De in dit artikel opgenomen verbodsbepaling dient om te voorkomen dat het door
                    de gemeenteraad aangewezen stads- en/of dorpsgezicht wordt aangetast. Het gaat
                    daarbij niet om een aangewezen stads- en/of dorpsgezicht, door deze bescherming,
                    te bevriezen in de huidige toestand. </al><al>Het streven is er op gericht, dat wenselijke of noodzakelijke veranderingen
                    slechts geschieden op zodanige wijze, dat het aspect van het geheel geen, of zo
                    weinig mogelijk, schade lijdt.</al><tussenkop>Artikel 26</tussenkop><al>Zie toelichting op de artikelen 11 tot en met 15.</al><tussenkop>Artikel 27</tussenkop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    Erfgoedverordening (een monumentenverordening) zonder een
                    schadevergoedingregeling rechtsgeldig is (BR 86,604). Dit artikel is dus niet
                    verplicht. Echter een schadevergoedingregeling heeft de volgende voordelen: </al><lijst><li nr="·"><al>een lage drempel voor de burger en meer mogelijkheden voor overleg
                            (administratieve voorprocedure);</al></li><li nr="·"><al>samenhang tussen monumenten en ruimtelijke ordening (afdeling 6.1 Wro).
                            Vandaar dat in lid 2 voor de behandeling van de aanvragen de bepalingen
                            van de verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van
                            afdeling 6.1 Wro van overeenkomstige toepassing zijn verklaard;</al></li><li nr="·"><al>Ten opzichte van de (on)rechtmatige-daadprocedure, heeft de
                            schadevergoeding-regeling de volgende nadelen:</al><lijst><li nr="a."><al>zoals vermeld is de regeling geen wettelijke verplichting;</al></li><li nr="b."><al>de regeling kan een aanzuigende werking hebben;</al></li><li nr="c."><al>er is een (civielrechtelijk) alternatief.</al></li></lijst></li></lijst><al>Het aanwijzen, wijzigen of intrekken van de aanwijzing als gemeentelijk monument
                    is uit het schadevergoedingsartikel weggelaten. Dit heeft als reden dat
                    eventuele schade pas optreedt als voor bepaalde activiteiten geen of niet de
                    gewenste vergunning is verleend.</al><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Geen schadevergoeding wordt toegekend wanneer het een weigering van een
                    vergunning op basis van art. 16 van deze verordening betreft, omdat deze
                    vergunning onder de verantwoordelijkheid van het Rijk valt, en deze derhalve
                    aansprakelijk is voor eventuele schadeloosstelling, zoals wordt vermeld in
                    paragraaf 3 van de Monumentenwet 1988. </al><tussenkop>Artikel 28</tussenkop><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat aan de gemeentelijke wetgever de
                    keuze-mogelijkheid om op overtreding van verordeningen een geldboete te stellen
                    van de tweede of </al><al>de eerste categorie. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de
                    geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare feiten in
                    de eerste categorie is maximaal </al><al>€ 227,00; in de tweede categorie maximaal € 2.269,00. Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al><al>In de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel 11 (het verbod om een
                    beschermd monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld aan
                    een geldboete van de vijfde categorie € 45.378,00.</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de
                    strafmaat voor beschermde gemeentelijke monumenten en de wens om enige
                    preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede
                    categorie voor de hand liggend. </al><al>In tegenstelling tot de VNG model-monumentenverordening 1988 (artikel 12 lid 2)
                    is nu niet gekozen voor de mogelijke straf om bij overtreding de rechterlijke
                    uitspraak openbaar te maken. Een dergelijke strafbepaling is overbodig, omdat
                    iedere rechterlijke uitspraak openbaar is<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Artikel 29</tussenkop><al>De artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering wijzen de ambtenaren
                    aan die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast. Artikel 141 noemt de
                    ambtenaren met een algemene opsporingsbevoegdheid, zoals politieagenten. Uit de
                    bewoordingen van artikel 142 blijkt dat de gemeentelijke wetgever bevoegd is om
                    in zijn verordeningen buitengewone opsporingsambtenaren aan te wijzen. Op basis
                    van deze bepaling kan het college medewerkers van de afdeling Dienstverlening
                    (cluster Bouwen, Wonen en Leefomgeving) aanwijzen als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 30</tussenkop><al>Dit artikel is de grondslag voor de betreding van open ruimten en het
                    binnentreden van beschermde gemeentelijke monumenten die geen woning zijn, tegen
                    de wil van de rechthebbende, bewoner of gebruiker, op grond van artikel 125, lid
                    4 Gemeentewet. Woningen zijn uitgezonderd in de Wet op het binnentreden.</al><tussenkop>Artikel 31</tussenkop><tussenkop>Lid 1 en 2</tussenkop><al>Het eerste lid is gebaseerd op artikel 139 van de Gemeentewet. Hierin wordt de
                    bekend-making van verordeningen geregeld. De datum van inwerkingtreding van de
                    nieuwe verordening en het vervallen van de oude verordening is geregeld in de
                    leden 1 en 2. </al><tussenkop>Lid 3 en 4</tussenkop><al>Vervolgens wordt bepaald dat de op grond van de oude verordening aangewezen en
                    op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerde monumenten geacht worden te
                    zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening (de
                    leden 3 en 4). </al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Tot slot is in lid 5 geregeld dat aanvragen om vergunning voor gemeentelijke
                    monumenten die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening,
                    worden afgehandeld op grond van de oude verordening. In dit artikel is geen
                    overgangsbepaling opgenomen ten aanzien van rijksmonumenten omdat artikel 16 van
                    de verordening, noch artikel 12 van de Monumentenwet 1988 is gewijzigd.</al><tussenkop>Artikel 32</tussenkop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>