<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR478369_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Weert houdende belastingregels omtrent OZB Verordening onroerende-zaakbelastingen 2018</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Weert</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Weert</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-227370.html">Gemeenteblad 2017, 227370</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2018</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220">artikel 220 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220a">artikel 220a Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220b">artikel 220b Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220c">artikel 220c Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220d">artikel 220d Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220e">artikel 220e Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220f">artikel 220f Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220g">artikel 220g Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220h">artikel 220h Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RAD-001465</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de <extref doc="1.1:CVDR430153_1">Verordening op de heffing en invordering onroerende-zaakbelastingen 2017</extref>.</al><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen
            2018</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Weert;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders</al><al>van 7 november 2017;</al><al/><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al/><al><vet>Besluit </vet></al><al/><al>vast te stellen in de openbare raadsvergadering van 13 december 2017 de</al><al/><al><vet>Verordening op de heffing en de invordering van
                            onroerende-zaakbelastingen 2018</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de
                            gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een <onderstreept>gebruikersbelasting</onderstreept> van degene
                                    die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die
                                    niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens
                                    eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt,
                                    verder te noemen: gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een <onderstreept>eigenarenbelasting</onderstreept> van degene
                                    die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak
                                    het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht,
                                    verder te noemen: eigenarenbelasting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                    gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat
                                    deel in gebruik heeft gegeven. Degene die het deel in gebruik
                                    heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen
                                    op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                    volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                                    belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter
                                    beschikking is gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het
                            begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is
                            vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld
                            op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt
                            de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, en 20,
                            tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                            geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                            waarde van:</al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                                    cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
                                    ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt
                                    voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de
                                    ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek
                                    of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat
                                    uit de in onderdeel a bedoelde grond;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                    eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten
                                    van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de
                                    voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet
                                    aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het
                                    Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van
                                    de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                    heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door
                                    rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich
                                    uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon
                                    ten doel stellen, beheerd worden;</al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                    rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li><li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd
                                    door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                    rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                    werken die dienen als woning;</al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                    afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                    diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering
                                    van de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                    afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die
                                    werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                                    gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></li><li nr="j."><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt
                                    voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden
                                    gebruikt voor het geven van onderwijs;</al></li><li nr="k."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                    eigendommen - nietzijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten
                                    gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het
                                    verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
                                    verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                                    banken, abri's, hekken en palen;</al></li><li nr="l."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in
                                    beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van
                                    zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="m."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="n."><al>sportvelden, zijnde ongebouwde eigendommen die bestemd zijn voor
                                    hetbeoefenen van sport en wedstrijden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid
                            bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor
                            zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                            woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                        heffingsmaatstaf.</al><lijst><li nr="a."><al>bij de gebruikersbelasting 0,1307 % (0,1222% : 2017)</al></li><li nr="b."><al>bij de eigenarenbelasting</al><lijst><li nr="1°"><al> voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen
                                        0,1208 %; (0,1303% : 2017)</al></li><li nr="2°"><al> voor onroerende zaken die <onderstreept>niet</onderstreept>
                                        in hoofdzaak tot woning dienen 0,2149 % (0,2032 % :
                                        2017).</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Termijnen van betalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet
                            de aanslag worden betaald</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>bij niet-automatische incasso</onderstreept></al><al>in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de
                                    laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
                                    dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede een
                                    maand later.</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>Bij automatische incasso</onderstreept></al><al> in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van de
                                    dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in
                                    het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal
                                    termijnen tenminste vier en maximaal tien bedraagt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, onder b geldt, dat de aanslagen moeten
                            worden betaald in twee gelijke betaaltermijnen, ingeval het totaalbedrag
                            van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het
                            aanslagbiljet maar een aanslag bevat, het bedrag van deze aanslag hoger
                            is dan € 20.000,00. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de
                            maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet
                            is vermeld en de tweede termijn een maand later;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van
                            de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde
                            beschikking inzake een bestuurlijke boete zijn het eerste en tweede lid
                            van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig worden
                            opgelegd met de vaststelling van de aanslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                            leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Overgangsbepaling, inwerkingtreding, ingang van heffing en
                            citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De "Verordening op de heffing en invordering onroerende-zaakbelastingen
                            2017", vastgesteld door de raad der gemeente Weert in de openbare
                            vergadering van 21 december 2016, wordt ingetrokken met ingang van de in
                            het tweede lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande
                            dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die
                            datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2018.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het in de voorgaande leden bepaalde,
                            blijven, indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt
                            na de in het tweede lid genoemde datum, de ingetrokken verordening
                            gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare
                            feiten voor zover ter zake daarvan de heffing van
                            onroerende-zaakbelastingen in die periode plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening
                            onroerende-zaakbelastingen 2018".</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 13 december 2017,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, </ondertekening><ondertekening>M. Wolfs</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening> A.A.M.M. Heymans</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>