<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR47773_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelastingen 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ommelander courant, 22-1-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">gemeentewet, artikelen 220 tot 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-11-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-12-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelastingen 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Loppersum;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 oktober
                        2010;</al><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>vast te stellen de:</al><al/><al><vet> "VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN</vet></al><al><vet> ONROERENDEZAAKBELAST</vet><vet>ING</vet><vet>EN 2011".</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam 'onroerendezaakbelastingen' worden voor binnen de gemeente
                            gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: </al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot
                                    woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt
                                    recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:
                                    gebruikersbelasting; </al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                    eigenarenbelasting. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de gebruikersbelasting wordt: </al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                    gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als
                                    gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven;
                                    degene die het deel in gebruik heeft gegeven (verder: de
                                    gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als
                                    zodanig te verhalen op de gebruiker; </al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                    volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                                    belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter
                                    beschikking is gesteld. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld,
                            tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens
                            eigendom, bezit of beperkt recht is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien voor tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de
                            voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                            heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                            tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij het bepalen van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten voor zover dit niet reeds is
                            gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde
                            van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                            daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van
                            glasopstanden, die bedrijfmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt
                            van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te
                            gebruiken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt
                            van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in
                            onderdeel a bedoelde grond;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                            eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                            levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van
                            zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de
                            Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden
                            genoemd in artikel 8 van de Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van
                            de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                            zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                            volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
                            uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                            worden;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail,
                            een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                            organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,
                            met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als
                            woning;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater
                            en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van
                            publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                            zodanige werken die dienen als woning;</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder
                            dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en
                            die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de
                            publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige
                            onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                            onderwijs;</al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al>straatmeubilair, waaronder worden begrepen alle zodanige gebouwde
                            eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of
                            in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter
                            verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties,
                            standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en
                            palen;</al></lid><lid><lidnr>l.</lidnr><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn
                            of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
                            beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken
                            die dienen als woning;</al></lid><lid><lidnr>m.</lidnr><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, een en ander met
                            uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als
                            woning.</al></lid><lid><lidnr>n.</lidnr><al>onroerende zaken met een waarde in het economische verkeer van minder
                            dan € 2.500,00;</al></lid><lid><lidnr>o.</lidnr><al>gebouwde eigendommen, welke in hoofdzaak worden gebruikt voor de
                            sportbeoefening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid
                            bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor
                            zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan de
                            woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de gebruikersbelasting 0,1351%;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de eigenaren belasting</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1295%;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                            0,1746%.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>voor belastingbedragen tot maximaal € 10,00 vindt geen invordering
                            plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op
                            een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen
                            onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                            belastingbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in tien gelijke termijnen waarvan de
                            eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de
                            maand, die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, en elk
                            van de volgende termijnen telkens een maand later. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ingeval het totaalbedrag van het aanslagbiljet waarop de aanslagen staan
                            vermeld € 4.000,00 of meer bedraagt, moet dit bedrag, in afwijking van
                            het bepaalde in het eerste lid, worden betaald op de laatste dag van de
                            maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                            vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval het totaalbedrag van het aanslagbiljet waarop de aanslagen staan
                            vermeld € 30,00 of minder bedraagt, moet dit bedrag, in afwijking van
                            het bepaalde in het eerste lid, worden betaald op de laatste dag van de
                            maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                            vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de bovengenoemde
                            termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al> Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        onroerende-zaakbelastingen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>De "Verordening onroerende-zaakbelastingen Loppersum 2010" van 9 november
                        2009, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 1 februari 2010 wordt
                        ingetrokken met ingang van de in artikel 10, tweede lid genoemde datum van
                        ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op
                        de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                            van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2011.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als <vet>"Verordening
                            Onroerende-zaakbelasting</vet><vet>en 2011".</vet></al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad van de gemeente Loppersum,</ondertekening><ondertekening>gehouden op 8 november 2010, nr. 5.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>A.Rodenboog, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>R.S. Bosma, griffier.</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>