<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR477106_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet gemeente Sittard-Geleen 2018</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-216649.html">gmb-2017-216649</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet gemeente Sittard-Geleen 2018</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Participatiewet, art. 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en d</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-11-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet gemeente Sittard-Geleen
            2018</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Sittard-Geleen;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2017</al><al>gelet op <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en d, van de
                            Participatiewet</extref></al><al>Gezien het advies van de Commissie Decentralisatie, Inkomensondersteuning,
                        Wijkgericht Werken, Zorg en Welzijn</al><al>besluit vast te stellen: de Afstemmingsverordening Participatiewet gemeente
                        Sittard-Geleen 2018</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Participatiewet</extref>.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>De wet: de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Participatiewet</extref>;</al></li><li nr="b."><al>Het college: het college van burgemeester en
                                        wethouders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het toepassen van een verlaging</titel></kop><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de wet
                            voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt dan wel
                            anderszins tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan betoont wordt overeenkomstig de wet en deze
                            verordening een verlaging toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging van de algemene bijstand wordt toegepast op de
                                bijstandsnorm, zoals die voor belanghebbende geldt in de periode
                                waarin de verlaging wordt opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan besluiten tot het verlagen van de bijzondere
                                bijstand op grond van artikel 10 indien de verwijtbare gedraging van
                                belanghebbende, in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand,
                                daartoe aanleiding geeft. In dat geval moet in plaats van
                                ‘bijstandsnorm’ worden gelezen ‘de verleende bijzondere
                                bijstand’.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit</titel></kop><al>In het besluit tot verlaging wordt vermeld: de reden, de duur en het
                            percentage van de verlaging. Een eventuele afwijking van de in deze
                            verordening vastgestelde standaardverlaging wordt in het besluit
                            gemotiveerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van een verlaging als</al><lijst><li nr="a)"><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="b)"><al>er op het moment van constateren van de gedraging door het
                                        college reeds meer dan een jaar is verstreken sinds het
                                        moment waarop de gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende
                                redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan volstaan met een schriftelijke waarschuwing indien
                                het een eerste verwijtbare gedraging betreft als bedoeld in
                                hoofdstuk 2 of hoofdstuk 4.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                redenen, wordt belanghebbende daarvan schriftelijk op de hoogte
                                gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast met ingang van de eerste dag van de
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot verlaging
                                aan belanghebbende wordt bekendgemaakt. Indien de verlaging op deze
                                wijze niet of niet volledig kan worden geëffectueerd wordt de
                                verlaging toegepast met ingang van de eerste dag van de gedraging of
                                van de periode waarop de gedraging betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de
                                uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad
                                of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een
                                verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de
                                uitkering is beëindigd of ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd
                                als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt
                                bij hernieuwde toekenning beoordeeld of de verlaging of dat deel van
                                de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog kan worden opgelegd.
                                Het alsnog opleggen van de verlaging of dat deel van de verlaging
                                dat nog niet is uitgevoerd, is alleen mogelijk als de gedraging op
                                het moment van de hernieuwde toekenning minder dan een jaar geleden
                                heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging toegepast vanaf
                                de ingangsdatum van de bijstand indien de gedraging wordt
                                geconstateerd bij de beoordeling van een aanvraag.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 9 en 9a en (voor personen jonger dan 27 jaar tijdens de
                            eerste vier weken na de melding) <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=55" struct="BWB">artikel 55
                                van de wet</extref> niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: </al><lijst><li nr="1°."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of
                                            het niet tijdig laten verlengen van die
                                            registratie;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>tweede categorie: </al><lijst><li nr="1°."><al> het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=44a" struct="BWB">artikel 44a van de wet</extref>; </al></li><li nr="2°."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=9" struct="BWB">artikelen 9, eerste lid</extref>, of
                                                <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=55" struct="BWB">55 van de wet</extref>, voor zover het
                                            gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende
                                            vier weken na een melding als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=43" struct="BWB">artikel 43, vierde en vijfde lid, van
                                                de wet</extref>, voor zover deze verplichtingen niet
                                            worden genoemd in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18, vierde lid, van de
                                                wet</extref>; </al></li><li nr="3°."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van
                                                de wet</extref> niet te willen nakomen, wat heeft
                                            geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in
                                                <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=9a" struct="BWB">artikel 9a, eerste lid, van de
                                                wet</extref>; </al></li><li nr="4°."><al> het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van
                                                de wet</extref>;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie: </al><lijst><li nr="1°."><al> het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen, voor zover dit niet voortvloeit
                                            uit een gedraging als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18, vierde lid, van de
                                                wet</extref>.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in artikel 7, wordt
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>5% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van
                                    de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van
                                    de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                    van de derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de wet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging
                            100 procent van de bijstandsnorm gedurende eén maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18, tweede lid, van de wet</extref>, anders dan door
                                gedragingen als bedoeld in hoofdstuk 2 en 3, vindt een verlaging
                                plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>met 10% van de bijstandsnorm gedurende de periode die
                                        belanghebbende niet op bijstand zou zijn aangewezen indien
                                        hij op verantwoordelijke wijze de middelen waarover hij
                                        beschikte of redelijkerwijze kon beschikken zou hebben
                                        aangewend, met dien verstande dat deze periode niet langer
                                        dan 36 maanden is.</al></li><li nr="b."><al>met 100 % van de bijstandsnorm gedurende maximaal 3 maanden
                                        als de bijstandsafhankelijkheid wordt veroorzaakt door een
                                        bestuurlijke boete als gevolg van het bij herhaling schenden
                                        van een in een andere uitkeringsregeling geldende
                                        inlichtingenverplichting, met dien verstande dat de
                                        verlaging zal worden gematigd in de situaties als omschreven
                                        in artikel 3 en 4 van de Verordening verrekening
                                        bestuurlijke boete bij recidive.</al></li><li nr="c."><al>met een op basis van de zich voordoende individuele
                                        omstandigheden door het college te bepalen bedrag, indien
                                        belanghebbende verwijtbaar de hem opgelegde verplichtingen
                                        niet of niet behoorlijk nakomt of door eigen schuld geen
                                        aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het college naar aanleiding van betoond van tekortschietend
                                besef van verantwoordelijkheid heeft besloten om op grond van
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=48" struct="BWB">artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de
                                    wet</extref> de bijstand in de vorm van een geldlening te
                                verstrekken, wordt daarmee rekening gehouden bij de toepassing van
                                onderdelen a tot en met c van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Niet nakomen medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17
                                lid 2 van de Participatiewet</titel></kop><al>Als de belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als
                            bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=17" struct="BWB">artikel 17 lid 2 van de wet</extref> niet of
                            onvoldoende nakomt, bedraagt de afstemming gedurende een maand:</al><lijst><li nr="a."><al>20% bij het niet tijdig voldoen aan het verzoek om binnen de
                                    gestelde termijn de gevraagde informatie in te leveren dan wel
                                    op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen. Onder niet
                                    tijdig wordt verstaan binnen 24 uur na het verstrijken van de
                                    gestelde termijn of het tijdstip van de afspraak.</al></li><li nr="b."><al>40% bij het voor een tweede maal niet voldoen aan het verzoek om
                                    binnen de gestelde termijn de gevraagde informatie in te leveren
                                    dan wel op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen. Onder
                                    niet wordt mede verstaan het wel reageren later dan 24 uur na
                                    het verstrijken van de gestelde termijn of het tijdstip van de
                                    afspraak.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verlagingen van uitkeringen krachtens het Besluit
                                bijstandsverleningzelfstandigen 2004</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de zelfstandige niet voldoet aan de verplichtingen zoals
                                bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015711&amp;artikel=38" struct="BWB">artikel 38,eerste en tweede lid, van het Besluit
                                    bijstandsverlening zelfstandigen 2004</extref>, wordt een op
                                basis van de zich voordoende individuele omstandigheden door het
                                college te bepalen tijdelijke verlaging van de bijstand
                                vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien aan de zelfstandige onder toepassing van <extref doc="1.0:v:BWBR0015711&amp;artikel=38" struct="BWB">artikel 38, derde lid, van het Besluit bijstandsverlening
                                    zelfstandigen 2004</extref> de verplichting tot
                                arbeidsinschakeling, zoals bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel
                                    9 van de wet</extref>, niet of onvoldoende nakomt, wordt de
                                verlaging vastgesteld onder toepassing van hoofdstuk 2 en 3 van deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet als bedoeld in
                                <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel 9, zesde lid, van die wet</extref>, wordt een verlaging
                            opgelegd van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Niet nakomen overige verplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als
                            bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=55" struct="BWB">artikel 55 van de wet</extref> niet of onvoldoende
                            nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op
                            25% van de bijstandsnorm gedurende één maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening of <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18, vierde lid, van de wet</extref> genoemde
                                verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van
                                de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging
                                waarop de hoogste verlaging is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18, vierde lid, van de wet</extref> genoemde
                                verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke
                                verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd,
                                tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van
                                verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet
                                verantwoord is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een
                                in deze verordening of <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18, vierde lid, van de wet</extref> genoemde
                                verplichting als een in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=17" struct="BWB">artikel 17, eerste lid, van de wet</extref> genoemde
                                verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die
                                schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                zowel een in deze verordening of <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18, vierde lid, van de wet</extref> genoemde
                                verplichting als een in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=17" struct="BWB">artikel 17, eerste lid, van de wet</extref> genoemde
                                verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd,
                                wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd,
                                tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van
                                verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet
                                verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18, vierde lid, van de wet</extref>, de eerste keer
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18, vierde lid, van de wet</extref> wordt
                                de termijn van de verlaging zoals bedoeld in artikel 9 van deze
                                verordening vastgesteld op twee maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging anders dan bedoeld in het eerste lid opnieuw schuldig
                                maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van
                                de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 5 lid
                                2 is afgezien van het opleggen van een verlaging, moet in het eerste
                                en tweede lid in plaats van de tekst ‘een besluit waarmee een
                                verlaging is toegepast vanwege’ worden gelezen ‘een besluit waarin
                                toepassing is gegeven aan artikel 5 lid 3 in verband met’.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Inwerkingtreding en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Afstemmingsverordening Participatiewet Sittard-Geleen 2015 wordt
                                ingetrokken per 1 januari 2018.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op gedragingen begaan voor 1 januari 2018 die leiden tot een besluit
                                op of na 1 januari 2018, is deze verordening onverkort van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                            Participatiewet gemeente Sittard-Geleen 2018.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al/></slotformulering><gegeven><dagtekening><datum isodatum="2017-11-30">Aldus besloten in de openbare raadsvergadering
                            van 30 november 2017</datum></dagtekening></gegeven><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>Drs. J.Vis</ondertekening><ondertekening><functie>voorzitter</functie></ondertekening><ondertekening>drs. G.J.M.Cox</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel> Toelichting Afstemmingsverordening Participatiewet gemeente
                        Sittard-Geleen 2018</titel></kop><tussenkop>Algemeen deel</tussenkop><tussenkop>Opdracht aan gemeenteraad</tussenkop><al>Op grond van artikel 8, eerste lid, onder a, van de Participatiewet is de
                    gemeenteraad verplicht om bij verordening regels te stellen over het verlagen
                    van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid en de periode van de
                    verlaging van de bijstand bedoeld in artikel 18, vijfde en zesde lid. Daarnaast
                    moet de raad bij verordening regels vaststellen met betrekking tot het verlagen
                    van de bijstand, bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid van de
                    Participatiewet.</al><al>Met de Afstemmingsverordening Participatiewet gemeente Sittard-Geleen 2018 wordt
                    aan deze verplichting gevolg gegeven.</al><tussenkop>Verschil met de Afstemmingsverordening Participatiewet 2015</tussenkop><al> Inhoudelijk is het verschil voor de cliënten in Sittard-Geleen dat het college
                    kan volstaan met een schriftelijke waarschuwing indien het een eerste
                    verwijtbare gedraging betreft als bedoeld in hoofdstuk 2 of hoofdstuk 4 (artikel
                    5 lid3)</al><tussenkop>Rechten en plichten in de Participatiewet</tussenkop><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen
                    worden verwacht, spelen ook een rol.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien
                    als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht. Daarnaast is voor
                    een aantal verwijtbare gedragingen de mogelijkheid van het geven van een
                    waarschuwing vastgelegd (zie artikel 14 en de toelichting daarop).</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending
                    van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met
                    honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening moet de duur
                    van de verlaging worden vastgelegd (artikel 18, vijfde lid van de
                    Participatiewet.</al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende
                    redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden
                    gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte
                    of duur bij te stellen.<noot id="d10661e615"><noot.nr>1 </noot.nr><noot.al>CRvB
                            19-04-2011, nr. 10/4882 WWB, ECLI:nl:crvb:2011:bq3002.</noot.al></noot>Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het
                    ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake
                    is van schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel
                    18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van
                    toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van
                    de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als
                    belanghebbende daarom vraagt.</al><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen.<noot id="d10661e623"><noot.nr>2 </noot.nr><noot.al>CRvB
                            31-12-2007, nrs. 06/4510 WWB, ECLI:NL:CRVB:2007:BC1811, CRvB 29-07-2008,
                            nrs. 07/2262 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BD9023, CRvB 19-08-2008, nrs.
                            07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919 en CRvB 19-01-2010, nr.
                            08/1012 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0052.</noot.al></noot>Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan
                    belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en de
                    strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch
                    te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een
                    ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer
                    ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet
                    op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><al>In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet worden niet afzonderlijk
                    gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn ook van toepassing op deze
                    verordening.</al><tussenkop>Artikel 2. Het toepassen van een verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van een uitkering vindt met inachtneming van de wettelijke
                    bepalingen en deze verordening plaats door middel van een aan een belanghebbende
                    gericht besluit.</al><tussenkop>Artikel 3 Berekeningsgrondslag</tussenkop><al>De verlaging kan zowel op de algemene als de bijzondere bijstand betrekking
                    hebben.</al><al>De hoogte van de bijstandsnorm in de algemene bijstand is geldende bijstandsnorm
                    als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet vermeerderd met
                    toeslagen, en verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag.</al><al>Deze norm kan tijdens de periode van verlaging wijzigen, bij voorbeeld. in
                    verband met de indexering van de bijstandsnorm of in verband met wijziging van
                    de woonsituatie. De verlaging wordt dan toegepast op de in de betreffende
                    periode (eventueel gewijzigde) norm.</al><al>Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen als algemene bijstand een lage
                    jongerennorm, die indien noodzakelijk op grond van artikel 12 van de
                    Participatiewet wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand
                    in de kosten van levensonderhoud. In dat geval ligt het voor de hand dat de
                    verlaging wordt toegepast op zowel de bijstandsnorm als op de verleende
                    bijzondere bijstand.</al><al>Ook in andere gevallen waarin bijzondere bijstand aan de orde is kan een
                    verlaging worden toegepast. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de
                    gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand.</al><tussenkop>Artikel 4 Het besluit</tussenkop><al>De eisen waaraan een besluit moet voldoen vloeien rechtstreeks voort uit de
                    Algemene wet bestuursrecht. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat
                    een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is voorzien. Tegen een
                    besluit kan een belanghebbende bezwaar en beroep indienen.</al><tussenkop>Artikel 5. Afzien van verlaging</tussenkop><tussenkop>Afzien van verlagen</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Participatiewet. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij
                    evidente afwezigheid van verwijtbaarheid.<noot id="d10661e666"><noot.nr> 3 </noot.nr><noot.al>CRvB
                            24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, ECLI:NL:CRVB:2001:AD4887.</noot.al></noot>Het is aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid
                    ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm
                    van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij
                    toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 14 van deze
                    verordening). Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van
                    de Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen
                    om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd.</al><al>Om deze reden regelt artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening
                    dat het college geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar
                    geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een
                    uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag
                    of het college overgaat tot het opleggen van een verlaging.</al><tussenkop>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen</tussenkop><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of
                    sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                    een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een
                    uitkering.</al><tussenkop>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een
                    afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie
                    maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet het
                    college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de
                    omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                    verwerven. Dit als - volgens het college - dringende redenen daartoe noodzaken,
                    gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan
                    het college besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of
                    op nul vast te stellen.</al><tussenkop>Waarschuwing</tussenkop><al>In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om te volstaan met een
                    waarschuwing. Dit betreft een éénmalige uitzondering gedurende de gehele
                    uitkeringsperiode. De belanghebbende wordt hiermee eenmalig de kans geboden zijn
                    gedrag te verbeteren. Bovendien geldt deze mogelijkheid niet voor de
                    geüniformeerde arbeidsplicht (hoofdstuk 3).</al><tussenkop>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</tussenkop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college
                    afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang
                    in verband met eventuele recidive (artikel 5, derde lid). Het opleggen van een
                    verlaging bij recidive is geregeld in artikel 16, waarbij in lid 3 wordt
                    verwezen naar de situatie waarbij is afgezien van het opleggen van een maatregel
                    wegens dringende redenen.</al><tussenkop>Artikel 6. Ingangsdatum en tijdvak van een
                    verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te
                    worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te
                    veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging
                    wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op
                    de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Bij de beoordeling van
                    een aanvraag om periodieke algemene of bijzondere bijstand vindt de verlaging
                    plaats vanaf de ingangsdatum van de uitkering, omdat in die situaties geen
                    sprake kan zijn van een herziening van een eerder toegekend recht. Ook bij
                    aanvragen om eenmalige bijzondere bijstand vindt bij een verwijtbare gedraging
                    de verlaging onmiddellijk plaats.</al><tussenkop>Verlagen met terugwerkende kracht (tweede lid)</tussenkop><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                    gevallen kan de verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast. Het
                    afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van
                    herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte
                    uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit te veel is
                    verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet worden teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is
                    echter niet altijd mogelijk. Als alle uitkering over de betreffende periode is
                    ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen. Is geen
                    duidelijke datum te koppelen aan de gedraging van een belanghebbende of is de
                    verlaging het gevolg van een gedraging voorafgaande aan de aanvraag, dan is
                    verlagen met terugwerkende kracht evenmin mogelijk en kan de verlaging
                    uitsluitend naar de toekomst toe worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het
                    nalaten om voldoende te solliciteren.</al><tussenkop>Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkering (derde lid)</tussenkop><al>Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen
                    van een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand
                    (meer) heeft.<noot id="d10661e706"><noot.nr>4 </noot.nr><noot.al>CRvB
                            07-08-2012, nr. 10/3435 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3978.</noot.al></noot>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als
                    gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het ook mogelijk om
                    de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog op
                    te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde termijn na beëindiging van de
                    uitkering opnieuw een uitkering op grond van de wet ontvangt. Het college moet
                    wel rekening houden met de vervaltermijn voor het opleggen van een maatregel
                    zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b. Met andere woorden, op het
                    moment dat er opnieuw uitkering wordt toegekend mag de gedraging niet ouder zijn
                    dan een jaar.</al><al>Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet
                    bij voorbaat worden opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het
                    recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een
                    verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit en staat
                    de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open.<noot id="d10661e714"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>CRvB
                            08-09-2009, nrs. 07/6337 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7732 en CRvB
                            07-12-2010, nr. 09/1094 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6721.</noot.al></noot></al><tussenkop>Verlaging na beoordeling aanvraag</tussenkop><al>In het vierde lid is een specifieke bepaling opgenomen met betrekking tot de
                    ingangsdatum van een maatregel wanneer het verwijtbaar gedrag wordt
                    geconstateerd bij de afhandeling van de aanvraag.</al><tussenkop>Artikel 7. Gedragingen Participatiewet</tussenkop><al>De artikelen 7 en 8 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 7
                    worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd voor
                    zover deze niet zien op de geüniformeerde arbeidsplicht (art. 18 lid 4 van de
                    Participatiewet). De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7 zijn
                    ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 8 een gewicht
                    toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn
                    gerangschikt naar toenemende zwaarte.</al><tussenkop>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</tussenkop><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet
                    nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg.
                    Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                    beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 7
                    neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                    onvoldoende nakomen van de verplichtingen (met uitzondering van artikel 7 onder
                    b, 1<sup>e</sup> omdat het niet houden aan de betreffende verplichting leidt tot
                    uitsluiting van het recht op bijstand, zie art. 13 lid 2 onder d van de
                    Participatiewet).</al><tussenkop>Inspanningen in eerste vier weken na de melding (onderdeel b)</tussenkop><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                    eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar
                    geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na
                    de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen
                    enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid,
                    onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel
                    inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan
                    verlaagt het college de uitkering.</al><tussenkop>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen (onderdeel c)</tussenkop><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet
                    naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit
                    het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime, te weten verlaging van de
                    bijstand met honderd procent gedurende een in de afstemmingsverordening
                    vastgelegde duur van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel
                    18, vijfde lid, van de Participatiewet).</al><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 7,
                    onderdeel c, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>het niet naar vermogen verkrijgen van algemene geaccepteerde arbeid in
                            een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere
                            gemeente te verhuizen</al></li><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                            noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door
                            kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al></li></lijst><al>In deze verordening is de duur van maatregelen die niet onder de geüniformeerde
                    arbeidsplicht vallen vastgelegd in artikel 9.</al><tussenkop>Artikel 9. Hoogte en duur van de verlaging</tussenkop><al>Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij artikel 7.</al><al>Met de Wet Maatregelen WWB zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en
                    bijbehorende maatregelen geïntroduceerd (zie artikel 18, vierde en vijfde lid,
                    van de Participatiewet). Er is voor gekozen bij de zwaarte van de afstemming
                    voor de gedraging zoals omschreven in de derde categorie aan te sluiten bij de
                    maatregel voor het schenden van de geüniformeerde arbeidsverplichting tot het
                    naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere dan de
                    gemeente van inwoning, zoals omschreven in artikel 18, vierde lid, onder c van
                    de wet.</al><al>De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende een bij verordening vastgestelde periode
                    van minimaal een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid,
                    eerste volzin, van de Participatiewet).</al><al>De periode van de verlaging is in deze verordening vastgesteld op de minimale
                    duur van een maand. Voor de duur van de verlaging bij van gedragingen in de
                    eerste en tweede categorie is zoveel mogelijk aangesloten bij het onder de Wet
                    werk en bijstand geldend afstemmingsbeleid.</al><tussenkop>Artikel 10. Tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid</tussenkop><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                    mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen
                    alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt
                    een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag
                    is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand):</al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een andere
                            uitkering;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                            voorziening.</al></li></lijst><al>Op grond van artikel 10 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan.</al><al>De mate van afstemming is gebaseerd op het onder de Wet werk en bijstand geldend
                    afstemmingsbeleid.</al><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet
                    worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen
                    9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de
                    Participatiewet). In een dergelijke situatie is artikel 10 van deze verordening
                    dan ook niet van toepassing, maar moet afstemming plaatsvinden volgens de regels
                    van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 9 en 14, eerste lid, van deze
                    verordening.</al><tussenkop>Bijstand in de vorm van een geldlening</tussenkop><al>Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college
                    tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit
                    volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als het
                    college besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet
                    het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde.<noot id="d10661e792"><noot.nr>6 </noot.nr><noot.al>CRvB
                            20-03-2007, nrs. 06/515 NABW e.a.,
                            ECLI:NL:CRVB:2007:BA2344.</noot.al></noot>Dit is vastgelegd in het tweede lid van artikel 10.</al><tussenkop>Artikel 11. Niet nakomen medewerkingsplicht als bedoeld
                    in artikel 17 lid 2 van de Participatiewet</tussenkop><al>Artikel 17 lid 2: De belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd de
                    medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze
                    wet. Dit artikel 11 in de verordening is ook van toepassing op de situatie dat
                    een belanghebbende niet verschijnt bij de taaltoets zoals omschreven in de Wet
                    Taaleis Participatiewet cq. weigert de taaltoets af te leggen. De andere
                    afstemmingsmogelijkheden bij het niet meewerken aan een taalplan of bij
                    onvoldoende voortgang ten gevolge van gebrek aan motivatie zijn geregeld in de
                    Wet Taaleis Participatiewet zelf.</al><tussenkop>Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf.
                    Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige wet.<noot id="d10661e807"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>CRvB
                            06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0660.</noot.al></noot></al><al>In de verordening is de duur en mate van verlaging vastgelegd.</al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen.<noot id="d10661e816"><noot.nr> 8 </noot.nr><noot.al><extref doc="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33801-3.html" struct="INTERNET">Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz.
                                24</extref>.</noot.al></noot> Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'.<noot id="d10661e824"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al/></noot></al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college, SVB
                    en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.<noot id="d10661e830"><noot.nr>10 </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz.
                                55.</noot.al></noot>Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt
                    aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de
                    uitvoering van de Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten
                    werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.<noot id="d10661e836"><noot.nr>11 </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 25-26.</noot.al></noot>Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van
                    aangifte bij de politie.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="-"><al>verbaal geweld;</al></li><li nr="-"><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="-"><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="-"><al>mensgericht fysiek geweld.</al></li></lijst><al>In dit verband is het tevens relevant een onderscheid te maken tussen
                    instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als
                    iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><tussenkop>Artikel 15. Samenloop van gedragingen</tussenkop><tussenkop>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                    geschonden</tussenkop><al>Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending
                    oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening,
                    artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat
                    geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur
                    van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                    gesteld.</al><tussenkop>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere verplichtingen
                    worden geschonden</tussenkop><al>Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending
                    opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze
                    verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                    regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor
                    iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden
                    in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is.
                    Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor
                    moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging
                    wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</al><tussenkop>Samenloop met een bestuurlijke boete</tussenkop><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd
                    als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedraging is.</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening
                    opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat
                    schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                    bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van
                    samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het
                    individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse
                    samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of
                    al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging
                    meer opgelegd (derde lid).</al><al>Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door
                    het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging
                    waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval
                    nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo
                    nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere
                    maatregelen (vierde lid).</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de
                    inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 16. Recidive</tussenkop><tussenkop>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting</tussenkop><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende twee
                    maanden. Dit is geregeld in het eerste lid en valt binnen de in artikel 18,
                    zesde lid, van de Participatiewet gegeven marges.</al><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Recidive wegens herhaling andere verwijtbare gedragingen</tussenkop><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de duur van de verlaging.</al><al>Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die
                    aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen – op
                    grond van artikel 4, tweede lid, van deze verordening en eventueel 18, tiende
                    lid, van de Participatiewet – is afgezien van het opleggen van een verlaging.
                    Dit geldt ook als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de
                    Participatiewet is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de
                    afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is
                    het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen.
                    Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het
                    tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden.</al><tussenkop>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                    geüniformeerde arbeidsverplichting schendt is telkens een verdubbeling van de
                    duur van de verlaging van toepassing. Voor toepassing van de recidivebepaling is
                    vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen
                    twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is
                    toegepast.</al><al>Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.
                    Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er
                    is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te
                    verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de
                    oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de
                    verlaging voorkomen.</al><tussenkop>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</tussenkop><al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist er sprake moet
                    zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste
                    verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt
                    geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden
                    aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich
                    zeer ernstig misdragen (artikel 12) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is
                    opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7, onder a), dan is geen
                    sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft. Evenmin is
                    sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen van
                    een plan van aanpak (artikel 7, onder b, ten eerste) en vervolgens een
                    opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 7, onder b, ten vierde). Ook
                    dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende
                    verplichtingen zijn geschonden.</al><tussenkop>Artikel 17. Inwerkingtreding en
                    overgangsrecht</tussenkop><al>De ‘Afstemmingsverordening Participatiewet gemeente Sittard-Geleen 2018’ treedt
                    in werking per 1 januari 2018 en vervangt per die datum de
                    ‘Afstemmingsverordening participatiewet gemeente Sittard-Geleen 2015’’. De
                    nieuwe verordening is hiermee direct van toepassing op maatregelbesluiten
                    genomen op of na 1 januari 2018, ook wanneer het verwijtbare gedrag vóór 1
                    januari 2018 is begaan.</al><tussenkop>Artikel 18. Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>