<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR47678_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hardenberg</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-02-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hardenberg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2013, nr. 11</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>de Maatregelverordening IOAW en IOAZ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147 en 108, IOAW, art. 35 en 20, IOAZ, art. 35 en 20</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-26</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 1, 2, hoofdstuk 4</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelverordening IOAW en IOAZ</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Hardenberg;</al><al/><al>gelet op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid Gemeentewet,
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid IOAW,
                        alsmede artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, eerste lid
                        IOAZ;</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1. Begripsomschrijving </label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>De IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij
                                        op belanghebbende van toepassing zijn;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>Uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid
                                        IOAW/IOAZ;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>Uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde
                                        netto grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde lid
                                        IOAW/IOAZ;</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>Maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van
                                        artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ
                                        alsmede het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren
                                        van een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW
                                        en artikel 20, tweede lid IOAZ;</al></li></lijst><lijst><li nr="g."><al>Inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ;</al></li></lijst><lijst><li nr="h."><al>(vervallen);</al></li></lijst><lijst><li nr="i."><al>Belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op
                                        grond van de IOAW, voor zover hij is aangewezen op arbeid in
                                        dienstbetrekking, alsmede hij die recht heeft op een
                                        uitkering op grond van de IOAZ;</al></li></lijst><lijst><li nr="j."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Hardenberg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een
                                verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid
                                IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de
                                uitkering verbonden verplichting – anders dan de verplichting,
                                bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAZ - schendt, wordt
                                overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. Daarnaast
                                wordt tevens een maatregel opgelegd indien belanghebbende onder
                                omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van
                                de IOAW/IOAZ zich jegens het college zeer ernstig misdraagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3. Berekeningsgrondslag </label></kop><al>De maatregel wordt toegepast op bruto grondslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4. Hoogte en duur van de maatregel </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten
                                    en de omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald bedraagt de duur van
                                    de maatregel een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt
                                    verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden
                                    na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                                    opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                    van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarbij een
                                    maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan
                                    af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6,
                                    tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5. Het besluit tot opleggen van een maatregel </label></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                                vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                                percentage waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd,
                                het bedrag waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd en,
                                indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                                standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6. Horen van belanghebbende </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                            gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich
                                            sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan; of</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van
                                            het college of een door haar ingeschakelde derde, om
                                            binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken
                                            als bedoeld in artikel 13 van IOAW/IOAZ.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7. Afzien van het opleggen van een maatregel </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de gedraging meer dan <cursief>één jaar</cursief> vóór
                                            constatering van die gedraging door het college heeft
                                            plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                                            inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
                                            gedraging ten onrechte een uitkering is verleend. Een
                                            maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht
                                            wordt niet opgelegd na verloop van <cursief>vijf jaren
                                            </cursief>nadat de betreffende gedraging heeft
                                            plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien
                                    het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                    grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                    schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8. Ingangsdatum en tijdvak </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                    kalendermaand, volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                    opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                    geldende uitkeringsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met
                                    terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering
                                    nog niet is uitbetaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9. Samenloop van gedragingen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                    meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één
                                    maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen
                                    maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                    maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending
                                    opleveren van één of meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde
                                    verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke
                                    maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig
                                    opgelegd, tenzij dit gelet op artikel 4, eerste lid, niet
                                    verantwoord is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10. Indeling in categorieën </label></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op
                                grond van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting,
                                bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAW/IOAZ, niet of
                                onvoldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                                categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                                        het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet
                                        tijdig laten verlengen van de registratie.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen
                                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te
                                                aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                                onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                                arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Derde categorie</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                                belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door
                                                het college aangeboden voorziening gericht op
                                                arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale
                                                activering.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11. De hoogte en duur van de maatregel </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel
                                    vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van
                                            de eerste categorie;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>tien procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van
                                            de tweede categorie;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>twintig procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen
                                            van de derde categorie.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3 Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid, alsmede het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 12. Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4 legt het college, met in achtneming van
                                    artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, een maatregel op indien de
                                    belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband
                                    met arbeid is verloren en:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een
                                            dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel
                                            678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van
                                            de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan
                                            zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                            redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden
                                            gevergd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel bedraagt 100% gedurende één
                                    maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13. Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 4 legt het college een maatregel op
                                        indien de belanghebbende een uitkering ontvangt op basis van
                                        de IOAW en hij weigert hem aangeboden algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te aanvaarden.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de maatregel bedraagt 100% gedurende één
                                        maand</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4 (vervallen)</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5 Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 17. Zeer ernstige misdragingen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een
                                    maatregel op van veertig procent van de uitkeringsnorm, indien
                                    belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college
                                    of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                                    verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan,
                                    indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden
                                    volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing,
                                    tenzij het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van
                                    twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere
                                    een schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige
                                    misdragingen is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van artikel 4, derde lid bedraagt de maatregel 100%
                                    van de uitkeringsnorm, indien binnen twaalf maanden na
                                    bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel als bedoeld
                                    in het eerste lid, is opgelegd, sprake is van eenzelfde als
                                    verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een
                                    maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om af te
                                    zien van het opleggen van een maatregel op grond van dringende
                                    redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 6 Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 18. De inwerkingtreding </label></kop><al>De verordening treedt inwerking op de dag volgend van bekendmaking
                                en werkt terug tot 1 juli 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19. Citeertitel </label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelverordening IOAW
                                en IOAZ.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>ALGEMENE TOELICHTING</label><nr/><titel/></kop><al/><al>Op 15 december 2009 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Wetsvoorstel
                    bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG). Met de
                    inwerkingtreding van de Wet BUIG per 1 januari 2010 krijgt de gemeente een
                    grotere beleidsmatige rol en financiële verantwoordelijkheid rond de uitvoering
                    van de IOAW, IOAZ, WWIK en Bbz2004.</al><al/><al>De IOAW, IOAZ en het Bbz 2004 kenden tot 1 januari 2010 een
                    financieringssystematiek waarbij 75% bij het Rijk kon worden gedeclareerd en 25%
                    drukte op het gemeentelijke budget; de WWIK kende daarnaast een
                    financieringssystematiek waarbij 100% kon worden gedeclareerd. Per 1 januari
                    2010 is een systeem van volledige budgetfinanciering ingevoerd, zoals dit nu van
                    toepassing is op het WWB-inkomensdeel. Met de Wet BUIG worden de financiële
                    middelen van de ‘kleine inkomensregelingen’ gebundeld in het volledig
                    gebudgetteerde I-deel dat de gemeente ontvangt voor de bijstandsverstrekking op
                    grond van de WWB.</al><al>Gemeenten krijgen door de wet aldus een grotere verantwoordelijkheid en lopen
                    ook meer financieel risico.</al><al/><al><cursief>Opmerking:</cursief></al><al><cursief>Niet gebundeld met het I-deel wordt de financiering van de kosten van
                        levensonderhoud van gevestigde, </cursief><cursief>oudere en beëindigende
                        zelfstandigen en van bedrijfskapitaal vanuit het Bbz 2004. Hiervoor blijft
                        aparte </cursief><cursief>financiering bestaan.</cursief></al><al/><al>Door de Wet BUIG wordt het aantal landelijke regels verder sterk teruggedrongen.
                    In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de gemeente. Daardoor wordt de
                    gemeente ook gevorderd om op een aantal punten zelf beleid te ontwikkelen.</al><al>Bijgaande verordening voorziet hierin. </al><al>In deze verordening is er daarbij voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en
                    IOAZ te komen tot een zo veel mogelijk analoog aan het WWB-regime toe te passen
                    afstemmingsbeleid. </al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                    omschrijvingen verdient enige extra aandacht.</al><al><cursief>Onder c. de IOAW/IOAZ</cursief></al><al>Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten verwijst nu een
                    groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is qua nummering en inhoud
                    en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek naar elke afzonderlijke wet
                    verwezen moet worden.</al><al><cursief>Onder e. uitkeringsnorm</cursief></al><al>De WWB werkt met verlagingen op de netto bijstand. Om een identiek systeem in de
                    IOAW en IOAZ te creëren is het wenselijk om een begrip te introduceren dat
                    verwijst naar een netto norm.</al><al><cursief>Onder f. maatregel</cursief></al><al>In afwijking van de WWB wordt ook het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk)
                    weigeren van de uitkering binnen deze verordening als maatregel aangemerkt. Dit
                    houdt verband met de extra mogelijkheden binnen de IOAW en IOAZ op dit vlak. Van
                    de blijvende verlaging wordt overigens geen gebruik gemaakt om de analogie
                    tussen WWB en IOAW/Z zoveel mogelijk intact te houden. </al><al><cursief>Onder g. inkomen</cursief></al><al>Qua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de IOAW en
                    IOAZ. Dit wijkt af van het binnen de WWB gehanteerde inkomensbegrip.</al><al><cursief>Onder i. belanghebbende</cursief></al><al>Daar de in artikel 20, tweede lid IOAW opgenomen bevoegdheden tot het opleggen
                    van een maatregel, blijkens dat artikel,daar enkel gelden voor de persoon die is
                    aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, is ook het begrip belanghebbende in
                    die zin ingeperkt.</al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Dit artikel bundelt het bepaalde in artikel 20, eerste lid IOAZ en artikel 20,
                    tweede lid IOAW.</al><al>Bij schending van de inlichtingenplicht voorziet de Wet aanscherping voor de
                    IOAW en IOAZ in een verplichting tot het opleggen van een bestuurlijke boete.
                    Een en ander houdt in dat de maatregelverordening na inwerkingtreding van de wet
                    aanscherping niet meer ziet op sancties vanwege schending van de
                    inlichtingenplicht. In artikel 13, eerste lid, van zowel de IOAW, als de IOAZ is
                    de inlichtingenplicht opgenomen. Bij verwijzing naar de verplichtingen opgenomen
                    in artikel 13 van de IOAW en de IOAZ dient het eerste lid daarom te worden
                    uitgesloten. </al><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>Zoals reeds aangegeven wordt de maatregel toegepast op bruto grondslag.</al><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>Dit artikel bepaalt de algemene duur van een maatregel op 1 maand. Door de duur
                    van de maatregel in de algemene bepalingen op te nemen, wordt voorkomen dat
                    overal waar een maatregel wordt genoemd steeds weer moet worden aangegeven dat
                    deze voor 1 maand wordt opgelegd. Het derde lid maakt hier een algemene
                    uitzondering op, door bij recidive de duur te verdubbelen.</al><al/><al><vet>Artikel 5 tot en met 9</vet></al><al>Deze artikelen zijn (nagenoeg) identiek aan hetgeen hierover in de
                    Afstemmingsverordening WWB is opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>Ten opzichte van de WWB afstemmingsverordening zijn in deze bepaling geen
                    gedragingen opgenomen die verband houden met het niet aanvaarden dan wel het
                    door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid. Dit houdt
                    verband met het feit dat juist bij deze gedragingen de IOAW en IOAZ de
                    mogelijkheid biedt tot tijdelijke of blijvende (gedeeltelijke) weigering van de
                    uitkering. De sanctie bij deze vorm van gedragingen is daarom in een apart
                    hoofdstuk opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>Spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 12 en 13</vet></al><al>In deze bepalingen zijn de mogelijkheden die de IOAW en IOAZ biedt om de
                    uitkering (tijdelijk geheel of gedeeltelijk) te weigeren volledig
                    uitgewerkt.</al><al/><al><vet>Artikel 14 tot en met 16 (vervallen)</vet></al><al>Het hoofdstuk inzake maatregelen inzake het niet nakomen van de
                    inlichtingenplicht en de daarin opgenomen bepalingen komt te vervallen. </al><al>Zo schending van de inlichtingenplicht wordt geconstateerd, levert dit een
                    beboetbare gedraging op. De in de verordening opgenomen bepalingen rond de
                    maatregel vanwege schending inlichtingenplicht kunnen daarom komen te vervallen. </al><al/><al><vet>Artikel 18</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Bij inwerkingtreding na 1 juli 2010 is vanwege
                    het sanctiekarakter van deze regelgeving geen terugwerkende kracht
                    mogelijk.</al><al/><al><vet>Artikel 19</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>