<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR47609_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Gelderlander, 01-10-2010 (en in De Verbinding van 05-10-2010)</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Heumen 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art. 8 en 11</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gemeente Heumen</al><al>Bouwverordening <vet>2010</vet></al><al>Inclusief:</al><al>13e serie wijzigingen</al><al>i.v.m. invoering WABO</al><al><vet> Inhoudsopgave</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1 - inleidende
                    bepalingen</vet>008</al><al>1.1 Begripsomschrijvingen 008</al><al>1.2 Termijnen (vervallen) 008</al><al>1.3 Indeling van het gebied van de gemeente 008</al><al><vet>Hoofdstuk 2 - de aanvraag omgevingsvergunning voor het
                    bouwen</vet>010</al><al><vet>2.1</vet><vet> Gegevens en
                    bescheiden</vet>010</al><al>2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen) 010</al><al>2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen) 010</al><al>2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden (vervallen) 010</al><al>2.1.5 Bodemonderzoek 010</al><al>2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning
                    011</al><al>(vervallen)</al><al>2.1.7 Bouwregistratie (vervallen) 011</al><al>2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en
                    011 standplaatsen (vervallen)</al><al><vet>2.2</vet><vet> Behandeling van de aanvraag om
                    bouwvergunning</vet>011</al><al>2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen) 011</al><al>2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening (vervallen) 011</al><al>2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen) 011</al><al>2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening (vervallen)
                    011</al><al>2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen) 011</al><al>2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning (vervallen) 011</al><al><vet>2.3 </vet><vet>
                    Welstandstoetsing</vet>011</al><al>2.3.1 Welstandscriteria (vervallen) 011</al><al><vet>2.4</vet><vet> Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                    grond</vet>011</al><al>2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem 012</al><al>2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen 012</al><al><vet>2.5 </vet><vet> Voorschriften van stedebouwkundige
                    aard</vet>012</al><al>2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige
                    bepalingen 012 (vervallen)</al><al>2.5.2 Anti-cumulatiebepaling 012</al><al>2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer; brandblusvoorzieningen
                    012</al><al>2.5.3a Brandweeringang (vervallen) 013</al><al>2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten 013</al><al>2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn 013</al><al>2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn 013</al><al>2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn 014</al><al>2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de </al><al> voorgevelrooilijn 014</al><al>2.5.9 Bouwen op de weg 015</al><al>2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                    Afschuining van straathoeken 015</al><al>2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn 016</al><al>2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn 016</al><al>2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn 016</al><al>2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de </al><al> achtergevelrooilijn 017</al><al>2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen 018</al><al>2.5.16 Erf bij overige gebouwen 018</al><al>2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken 018</al><al>2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen 019</al><al>2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                    hoofdtransport- 019</al><al>leidingen </al><al>2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn 019</al><al>2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn 020</al><al>2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn
                    020</al><al>2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen 021</al><al>2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken 021</al><al>2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen 021</al><al>2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken 021</al><al>2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte 021</al><al>2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de </al><al> toegelaten bouwhoogte 022</al><al>2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de
                    rooilijnen </al><al> en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk </al><al> beleid 022</al><al>2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
                    023</al><al><vet>2.6 </vet><vet> Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties
                        (vervallen)</vet> 024</al><al>2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties (vervallen) 024</al><al>2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties (vervallen) 024</al><al>2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties (vervallen) 024</al><al>2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties (vervallen) 024</al><al>2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties vervallen) 024</al><al>2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties (vervallen) 024</al><al>2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties (vervallen) 024</al><al>2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen (vervallen) 024</al><al>2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen (vervallen) 024</al><al>2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen (vervallen) 024</al><al>2.6.11 Gelijkwaardigheid (vervallen) 024</al><al>2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten (vervallen)
                    024</al><al><vet>2.7</vet><vet> Aansluitplicht op de
                    nutsvoorzieningen</vet> 024</al><al>2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding 025</al><al>2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet 025</al><al>2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet 025</al><al>2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering 025</al><al>2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering 026</al><al>2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen
                    027</al><al>2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van
                    de 027 nutsvoorzieningen</al><al><vet>Hoofdstuk 3 - de melding
                    (vervallen)</vet>028</al><al>3.1 De wijze van melden (vervallen) 028</al><al>3.2 Welstandscriteria (vervallen) 028</al><al><vet>Hoofdstuk 4 - plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                    </vet>029 <vet>ingebruikneming van een bouwwerk</vet></al><al>4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van
                    bouwwerkzaamheden (vervallen) 029</al><al>4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden 029</al><al>4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen) 029</al><al>4.4 Het uitzetten van de bouw 029</al><al>4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de
                    bouwwerk-Zaamheden 029</al><al>4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen 030</al><al>4.7 Bemalen van bouwputten 030</al><al>4.8 Veiligheid op het bouwterrein 030</al><al>4.9 Afscheiding van het bouwterrein 030</al><al>4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder 031</al><al>4.11 Bouwafval 031</al><al>4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden 031</al><al>4.13 Melden van werken bij lage temperaturen 032</al><al>4.14 Verbod tot ingebruikneming 032</al><al><vet>Hoofdstuk 5 – staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                        nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk
                    gedierte</vet>033</al><al><vet>5.1</vet><vet> Staat van open erven en
                    terreinen</vet>033</al><al>5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen 033</al><al>5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer; brandblusvoorzieningen
                    033</al><al>5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten 034</al><al><vet>5.2</vet><vet> Staat van brandveiligheidsinstallaties
                    (vervallen)</vet>034</al><al>5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                    vluchtroute-aanduidingen </al><al>(vervallen) 034</al><al>5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen niet zijnde
                    woningen, 034 woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen
                    (vervallen)</al><al>5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen van
                    bijzondere aard 034 (vervallen)</al><al>5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in logiesverblijven en
                    logiesgebouwen 034</al><al>(vervallen)</al><al>5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in kantoorgebouwen
                    (vervallen) 034</al><al><vet>5.3</vet><vet> Aansluiting op de nutsvoorzieningen
                    (vervallen)</vet>034</al><al>5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding (vervallen) 034</al><al>5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet (vervallen) 034</al><al>5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (vervallen) 034</al><al>5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering (vervallen) 034</al><al>5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering (vervallen) 034</al><al>5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen
                    (vervallen) 034</al><al>5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van
                    de nutsvoorzieningen (vervallen) 035</al><al><vet>5.4</vet><vet> Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte;
                        reinheid</vet>035</al><al>5.4.1 Preventie 035</al><al><vet>Hoofdstuk 6 – brandveilig gebruik
                    (vervallen)</vet>036</al><al><vet>6.1</vet><vet> Gebruiksvergunning
                    (vervallen)</vet> 036</al><al>6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk (vervallen) 036</al><al>6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning (vervallen) 036</al><al>6.1.3 In behandeling nemen (vervallen) 036</al><al>6.1.4 Termijn van beslissing (vervallen) 036</al><al>6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning (vervallen) 036</al><al>6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning (vervallen) 036</al><al>6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden (vervallen) 036</al><al><vet>6.2 </vet><vet> Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                        brandgevaar</vet></al><al><vet>
                    (vervallen)</vet>036</al><al>6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen) 036</al><al>6.2.2 Verbod stoffen aanwezig te hebben (vervallen) 036</al><al>6.2.3 Opslag en verwerking stoffen (vervallen) 036</al><al><vet>6.3</vet><vet> Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                        brand</vet></al><al><vet>(vervallen)</vet> 036</al><al>6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen (vervallen) 036</al><al>6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen (vervallen) 036</al><al><vet>6.4</vet><vet> Hinder in verband met brandveiligheid
                    (vervallen)</vet>036</al><al>6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid (vervallen) 036</al><al><vet>Hoofdstuk 7 – overige
                    gebruiksbepalingen</vet>037</al><al><vet>7.1</vet><vet>
                    Overbevolking</vet>037</al><al>7.1.1 Overbevolking van woningen 037</al><al>7.1.2 Overbevolking van woonwagens 037</al><al><vet>7.2</vet><vet> Staken van het
                    gebruik</vet>037</al><al>7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid 037</al><al>7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en hygiëne 037</al><al>7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen (vervallen) 037</al><al><vet>7.3</vet><vet> Gebruik van bouwwerken, open erven en
                    terreinen</vet>037</al><al>7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf 037</al><al>7.3.2 Hinder 038</al><al><vet>7.4</vet><vet> Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte;
                        reinheid</vet>038</al><al>7.4.1 Preventie 038</al><al><vet>7.5</vet><vet>
                    Watergebruik</vet>038</al><al>7.5.1 Verboden gebruik van water 038</al><al><vet>7.6</vet><vet>
                    Installaties</vet>038</al><al>7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties 038</al><al><vet>Hoofdstuk 8 –
                    slopen</vet>039</al><al><vet>8.1</vet><vet> Omgevingsvergunning voor het
                    slopen</vet> 039</al><al>8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen 039</al><al>8.1.2 Aanvraag sloopvergunning (vervallen) 039</al><al>8.1.3 In behandeling nemen (vervallen) 041</al><al>8.1.4 Termijn van beslissing (vervallen) 041</al><al>8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen (vervallen) 042</al><al>8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen 042</al><al>8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen 042</al><al><vet>8.2</vet><vet> Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning
                        voor het </vet></al><al><vet>
                    slopen</vet>042</al><al>8.2.1 Sloopmelding 042</al><al>8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                    het slopen 043</al><al><vet>8.3</vet><vet> Verplichtingen tijdens het
                    slopen</vet>044</al><al>8.3.1 Veiligheid op sloopterrein 044</al><al>8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden 044</al><al>8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen 044</al><al>8.3.4 Plichten van degene die sloopt 044</al><al>8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest 045</al><al>8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen (vervallen) 045</al><al><vet>8.4</vet><vet> Vrij
                    slopen</vet>045</al><al>8.4.1 Sloopafval algemeen 045</al><al><vet>Hoofdstuk 9 –
                    welstand</vet>046</al><al>9.1 De advisering door de welstandscommissie 046</al><al>9.2 Samenstelling van de welstandscommissie 046</al><al>9.3 Benoeming en zittingsduur 046</al><al>9.4 Jaarlijkse verantwoording 047</al><al>9.5 Termijn van advisering 047</al><al>9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 047</al><al>9.7 Afdoening bij mandaat 048</al><al>9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 048</al><al>9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of standplaatsen 049</al><al><vet>Hoofdstuk 10 – overige administratieve
                    bepalingen</vet>050</al><al>10.1 De aanvraag om woonvergunning (vervallen) 050</al><al>10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar
                    verklaarde woning of woonwagen (vervallen) 050</al><al>10.3 Overdragen vergunningen (vervallen) 050</al><al>10.4 Overdragen mededeling (vervallen) 050</al><al>10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede
                    onbruikbaar verklaarde standplaatsen (vervallen) 050</al><al>10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften
                    050</al><al><vet>Hoofdstuk 11 –
                    handhaving</vet>051</al><al>11.1 Stilleggen van de bouw (vervallen) 051</al><al>11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming (vervallen) 051</al><al>11.3 Stilleggen van het slopen (vervallen) 051</al><al>11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen) 051</al><al><vet>Hoofdstuk 12 – straf-, overgangs- en
                    slotbepalingen</vet>052</al><al>12.1 Strafbare feiten (vervallen) 052</al><al>12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek 052</al><al>12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen
                    052</al><al>12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning 052</al><al>12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen) 052</al><al>12.6 Overgangsbepaling algemeen 052</al><al>12.7 Slotbepaling 053</al><al><vet>Bijlagen</vet></al><al>Bijlage 01 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning (vervallen) 054</al><al>Bijlage 02 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning (vervallen)
                    055</al><al>Bijlage 03 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeen- </al><al>schappelijke ruimten in woonfuncties (vervallen) 056</al><al>Bijlage 04 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeen- </al><al>schappelijke ruimten in woonfuncties (vervallen) 058</al><al>Bijlage 05 Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen (vervallen) 059</al><al>Bijlage 06 Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen) 060</al><al>Bijlage 07 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op </al><al>erven en terreinen 061</al><al>Bijlage 08 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                    vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest 062</al><al>Bijlage 09 Reglement van orde van de welstandscommissie 063</al><al>Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 Brandmeldinstallaties
                    070</al><al>Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 Ontruimings-alarminstallaties
                    071</al><al>Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 Vluchtroute-aanduidingen
                    072</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>- inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a,
                                    van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                                    artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken
                                    van een bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid,
                                    burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
                                    artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van
                                    de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene
                                    bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en
                                    woningtoezicht;</al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                    hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij
                                    direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                    plaatse te functioneren;</al></li><li nr="-"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen daaronder
                                    wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                                    Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="-"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                                    Bouwbesluit;</al></li><li nr="-"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens
                                    burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                    uitgegeven norm;</al></li><li nr="-"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                    uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="-"><al>omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                    bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,
                                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een
                                    sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a,
                                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>straatpeil:</al><lijst><li nr="a"><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct
                                    aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;</al></li><li nr="b"><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij
                            voltooiing van de bouw;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of
                            paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de
                            wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                            liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="-"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><al>1 Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                            gemeente:</al><al> a het gebied binnen de bebouwde kom;</al><al> b het gebied buiten de bebouwde kom.</al><al>2 Als gebied, bedoeld in het eerste lid onder a, geldt het gebied, dat
                            op de bij het bestemmings-plan ‘Buitengebied 1997, herziening 2003’
                            behorende kaart als ‘gebied, vallend buiten het bestemmingsplan’ is
                            aangemerkt.</al><al>3 Als gebied, bedoeld in het eerste lid onder b, geldt het gebied,
                            waarop volgens de betreffende </al><al>plankaart de voorschriften van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1997,
                            herziening 2003’ van toepassing zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>- de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>– gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Bij de aanvraag in te dienen bescheiden (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><al>1 Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><al>a de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het
                                onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.</al><al>b (vervallen)</al><al>c Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels,
                                -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek
                                mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al><al>2 De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet
                                indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                                omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                omgevings-recht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing
                                geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
                                artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al><al>3 Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de
                                plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel
                                2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor
                                toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruibare
                                recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al><al>4 Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot
                                het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5,
                                onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk
                                met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009,
                                bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 2009 niet rechtvaardigen.</al><al>5 Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden
                                nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt be-gonnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                    bouwver-gunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Bouwregistratie (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                    woonwa-gens en standplaatsen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>– behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Ontvangst van de aanvraag (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Bekendmaking van termijnen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>– welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Welstandscriteria (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>– het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouw-werk: </al><al>a waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven; </al><al>b voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                vereist; en </al><al>c 1 dat de grond raakt, of </al><al> 2 waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                                gehandhaafd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht kan
                                het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen in het geval zij op grond van het in de Regeling
                                omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen
                                bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig
                                het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                                goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van
                                die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                                beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt
                                kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>– voorschriften van stedebouwkundige aard</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen, mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer;
                                    brandblusvoorzieningen</titel></kop><al>1 Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare
                                weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare
                                wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's,
                                vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te
                                verwachten verkeer.</al><al>2 Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voor-schriften
                                heeft vastgesteld:</al><al>a een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten
                                minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de
                                weg hebben van ten minste 4,2 m;</al><al>b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met
                                een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige
                                kunstwerken; en</al><al>c op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><al>3 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al><al>4 Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd,
                                moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn,
                                dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de
                                bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al><al>5 Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening.</al><al>6 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de
                                ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3a</nr><titel>Brandweeringang (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al>1 Tussen de toegang van enerzijds:</al><al>a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit;</al><al>b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                gehan-dicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al>2 Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al><al>a ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al><al>b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al>c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet
                                aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het
                                Bouwbesluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><al>a langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig
                                aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                                aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande
                                bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al><al>b langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van
                                ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
                                te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><al>a onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht.</al><al>b andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7, van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><al> 1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al><al> 2 stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de
                                weg met niet </al><al>meer dan 0,3 m overschrijden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>1 In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van
                                de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan
                                het straatpeil;</al><al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                die naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn
                                gelegen erf toelaatbaar zijn;</al><al>c laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                overschrijden; uitgeverij d erkers, serres en andere uitbouwen,
                                alsmede balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer
                                dan 1,50 m overschrijden;</al><al>e trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor
                                reclames dan bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al><al>f overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                bouwwerken.</al><al>g bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het
                                oog op de in historisch- esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                het karakter van de bestaande omgeving.</al><al>2 Voor het bouwen boven een weg kan afwijking alleen worden
                                toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan: </al><al>-4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook
                                van 0,50 m breedte ter</al><al>weerszijden van die rijweg; </al><al>-2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en dan nog
                                voor zover de veiligheid</al><al>van de gebruikers van de weg niet in gevaar komt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd
                                gezag de 0mgevingsvergun-ning voor het bouwen verlenen voor het
                                verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevel-rooilijn voor
                                het bouwen op de weg van:</al><al>a gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18,
                                sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht;</al><al>c vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al><al>d reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al><al>e andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar
                                zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><al>1 Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><al>a de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de afwijking
                                genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;</al><al>b in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het
                                bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al><al>c in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al><al>3 Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al><al>4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><al>a gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al><al>b gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al><al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel
                                3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht
                                bedoelde gebouwen;</al><al>e gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen, en de daarbijbehorende woningen;</al><al>f gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al><al>g gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                gebaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><al>1 De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al><al>a in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                vierhoekig of regelmatig veelhoek-ig bouwblok op een afstand van de
                                voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de
                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen
                                grotere afstand van de voor-gevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer
                                dan Eén ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooi-lijnen kan
                                worden beschreven, geldt de grootste;</al><al>b in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een
                                andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de
                                voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
                                genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm
                                van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand
                                van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>c in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
                                bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de
                                voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende
                                bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen
                                grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>d in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of
                                te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een
                                afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op
                                geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>e in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand
                                die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn
                                neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op geen grotere
                                afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al><al>2 Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht -
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al><al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
                                en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit
                                toelaten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><al>a buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen;</al><al>b buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al><al>c onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw voor het bouwen
                                waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is
                                vereist;</al><al>d onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al><al>e andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><al> 1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al><al> 2 terrassen, bordessen en bordestreden;</al><al>f antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van
                                bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de</titel></kop><al><vet>achtergevelrooilijn</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al><al>b binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al><al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; </al><al>e gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al><al>f bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                omgevingsrecht;</al><al>g gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al><al>h bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist;</al><al>i ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al><al>j erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>k trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwan-den, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al><al>l bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><al>1 Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die:</al><al>a over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel,
                                en</al><al>b voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van
                                ten minste 5 meter.</al><al>2 De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing
                                blijven. </al><al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in:</al><al>a het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de
                                gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;</al><al>b het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt
                                voldaan:</al><al> 1 een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al><al> 2 het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover
                                elkaar liggende </al><al>zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat
                                terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens
                                een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;</al><al>3bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te
                                bouwen </al><al>woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de
                                bestaande toestand verbeterd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><al>1 Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid:</al><al>a indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel
                                vormen;</al><al>b indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod
                                tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><al>1 De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die:</al><al>a vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1
                                meter breed zijn;</al><al>b niet toegankelijk zijn.</al><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende
                                erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al><al>2Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                                ruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><al>1 Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                niet toegelaten.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><al>1 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel
                                uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand
                                moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten
                                gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel
                                verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1000
                                volt of meer.</al><al>2 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan
                                een omgevingsvergunning is vereist, worden gebouwd.</al><al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van:</al><al>a het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6
                                meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn
                                daarvoor geen bezwaar oplevert;</al><al>b het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6
                                meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde
                                ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de
                                voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al>a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen langs de desbetref-fende weg;</al><al>b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al><al>3 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al><al>4 Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtstbij gelegen tegenoverliggende rooilijn.</al><al> Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                geldt ter plaatse van die onder-breking de verstverwijderde van de
                                beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende
                                rooilijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de
                                achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al>a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                                achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al><al>b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.</al><al> Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig
                                lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het
                                bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                achtergevelrooilijnen.</al><al> Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt
                                gemeten tot de dichtstbij-zijnde tegenover de achtergevelrooilijn
                                gelegen voorgevelrooilijn.</al><al>3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al>4 Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>1 Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste
                                bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal
                                de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor
                                de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. </al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is
                                dan de voorgevel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor
                                het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de
                                voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken
                                die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
                                hoek vormen van:</al><al>a 45 graden in de bebouwde kom;</al><al>b 37 graden buiten de bebouwde kom.</al><al>2 Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het
                                horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><al>1 De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15
                                meter.</al><al>2 Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagstgelegen weg. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><al>1 De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                                artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan
                                een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met
                                dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat
                                - daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                toegelaten is.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van
                                de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><al>1 De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouw-werk, moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil. </al><al>2 De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en
                                artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de
                                maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden
                                gelaten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><al>a onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al><al>b het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken anders
                                dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard als
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al><al>c topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn
                                of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al><al>d plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de</titel></kop><al><vet>toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor:</al><al>a gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al><al>b gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien
                                de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al><al>c gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                handels- en industrieterrein;</al><al>d agrarische bedrijfsgebouwen;</al><al>e het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien:</al><al>1 de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                gebaat;</al><al>2 bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen
                                andere hoogte-afmetingen kleiner &lt; worden dan de bestaande;</al><al>f bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de </al><al> energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, anders dan
                                bedoeld in artikel.2, onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht;</al><al>g topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al><al>h plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al><al>i dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan
                                1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand
                                niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet
                                minder dan 1,5 meter bedraagt.</al><al> Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die
                                tot verschillende gebouwen behoren;</al><al>j draagconstructies voor een reclame;</al><al>k vrijstaande schoorstenen;</al><al>l bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte
                                    in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</titel></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag </al><al>afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor-
                                en van de achtergevelrooilijn, </al><al>en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                bouwhoogte, indien:</al><al>a er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al><al>b geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al><al>c de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                toekomstig ruimtelijk beleid;</al><al>d de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                ordening, en</al><al>e de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                bevat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel></kop><al>1 Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van
                                auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het
                                gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat
                                gebouw behoort (conform handboek CROW-ASVV, versie 2004). Deze
                                ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de
                                bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met
                                de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. </al><al>2 De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's
                                moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: </al><al>a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2,50 m
                                bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen; </al><al>b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                                gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan
                                een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen. </al><al>3 Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort. </al><al>4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het derde lid: </al><al>a indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of </al><al>b voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>– voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen (van rechtswege vervallen)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Beginsel inzake brandmeldinstallaties (van rechtswege
                                    vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties (van rechtswege
                                    vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties (van
                                    rechtswege</titel></kop><al><vet>vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties (van rechtswege
                                    vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties (van rechtswege
                                    vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties (van rechtswege
                                    vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties (van rechtswege
                                    vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen (van rechtswege
                                    vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen (van rechtswege
                                    vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen (van rechtswege
                                    vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Gelijkwaardigheid (van rechtswege vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten
                                    (van</titel></kop><al><vet>rechtswege vervallen) </vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>– aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in artikel 3.119, 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.46 en 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn
                                aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het elektriciteitsdistribu-tienet dan onder a bedoeld, maar de
                                kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouw-werk niet hoger
                                zijn dan bij een afstand van 100 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>1 De in artikel 2.68 en 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan
                                het openbare distributienet voor aardgas:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het aardgasdistributie-net dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 40 m. </al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid:</al><al>a voor woningen waarin voor het kunnen koken een andere energiebron
                                dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting
                                van gastoevoer nodig is;</al><al>b voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m²
                                ;</al><al>c voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;</al><al>d voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of
                                publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69
                                van het Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3A</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                                    verwarming</titel></kop><al>Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor
                                verwarming van bouwwerken, als </al><al>bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet),
                                aanwezig is, moet een aldaar te </al><al>bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is gelegen;
                                of</al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van de publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 40 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al>1 De in artikel 3.31 en 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                afvalwater en faecaliën, moeten zijn aangesloten aan een openbaar
                                riool en voldoen aan de in de NTR 3216 (meest recente versie)
                                gegeven richtlijnen voor ontwerp en uitvoering van binnenriolering
                                en aan de door SBR/ISSO uitgegeven publicatie 70.1 (hemelwater
                                binnen de perceelgrens; meest recente versie).</al><al>2 Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><al>a op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de
                                voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen
                                de gevel van het gebouw, dan wel de grens van het erf of terrein
                                moet of moeten kruisen;</al><al>b of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten
                                worden tussengeschakeld ter </al><al> voorkoming van het terugvloeien van afvalwater en faecaliën;
                                lozingspunten die lager zijn gelegen dan 150 mm boven straatpeil
                                moeten via een rioolpomp rechtstreeks worden aangesloten.</al><al>c op welke plaats en hoeveel ontstoppingspunten dienen te worden
                                aangebracht; op plaatsen waar de rioolleiding een perceelsgrens
                                passeert, dient een niet-gemetselde ontstoppingsput te worden
                                geplaatst.</al><al>3 Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al
                                dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden
                                tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede
                                staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor
                                andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid
                                of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
                                geeft.</al><al>4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere
                                wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk
                                is:</al><al>a voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                openbaar riool zijn gelegen;</al><al>b voor agrarische bedrijven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>1 Indien de in artikel 3.31 en 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar riool worden
                                aangesloten, geldt de eis tot aansluiting aan een systeem voor de
                                individuele behandeling van afvalwater (IBA). Dit IBA systeem moet
                                voldoen aan de door de SBR/ISSO uitgegeven publicatie 70.2 (IBA
                                systemen; meest recente versie).</al><al>2 De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                bouwwerken aan te brengen voor-zieningen voor de afvoer van
                                hemelwater moeten:</al><al>a zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en lucht
                                kan optreden, en</al><al>b zijn aangesloten aan een op of in de grond aangebrachte opvang- en
                                bezinkingsvoorziening van voldoende capaciteit. De capaciteit dient
                                aan de hand van de grootte van de te ontwa-teren oppervlakken en de
                                bodemgesteldheid ter plaatse te worden bepaald. Daarnaast moet
                                genoemde voorziening zijn gelegen op voldoende afstand van de
                                perceelsgrenzen en de bebouwing op het perceel;</al><al>c voldoen aan de door de SBR/ISSO uitgegeven publicatie 70.1
                                (hemelwater binnen de perceelgrens; meest recente versie).</al><al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                afwijking:</al><al>a van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op andere
                                wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk
                                is;</al><al>b van het bepaalde in het tweede lid, indien de bodemgesteldheid en
                                de grondwaterafvoer ter </al><al> plaatse, dan wel de omvang van het perceel de infiltratie van
                                hemelwater niet toelaten en </al><al> bovendien de afvoervoorziening voor hemelwater niet wordt
                                aangesloten aan een rottingput.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al>1 Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                scheidingsconstructies van </al><al> bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden. </al><al>2 De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid
                                van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het
                                bouwwerk of de buitenriolering.</al><al>3 In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                rottingputten voorkomen.</al><al>4 Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                                vernauwingen in de </al><al> stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop hebben,
                                alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een voldoende
                                binnenwerkse middellijn.</al><al>Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, meest recente
                                versie.</al><al>5 Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor
                                de afvoer van afvalwater en faecaliën ter plaatse waar zij de grens
                                van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste
                                125 mm.</al><al>6 Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
                                leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten
                                doeltreffend zijn.</al><al> Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan
                                het bepaalde in de NEN-</al><al> normen die zijn opgenomen in bijlage 7.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen</titel></kop><al><vet>van het openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kort-ste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerk-en die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>– de melding (vervallen)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De wijze van melden (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Welstandscriteria (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>– plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij</titel></kop><structuurtekst><al><vet>ingebruikneming van een bouwwerk</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:</al><al>a de omgevingsvergunning voor het bouwen;</al><al>b andere toestemmingen;</al><al>c het bouwveiligheidsplan;</al><al>d een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b van de
                            Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of
                            oplegging van een last onder dwangsom.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag
                            - onverminderd </al><al>het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde - niet worden
                            begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders voor zover
                            nodig:</al><al>a het straatpeil is aangegeven;</al><al>b de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                            uitgezet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>1 Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                            een omgevingsvergun-ning voor het bouwen is verleend en onverminderd het
                            bepaalde in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen -
                            ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen
                            onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld:</al><al>a de aanvang der werkzaamheden, ontgravingswerkzaamheden daaronder
                            begrepen;</al><al>b de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van
                            proefpalen daaronder begrepen;</al><al>c de aanvang van de grondverbeteringswerkzaamheden;</al><al>d het aanbrengen van een infiltratievoorziening;</al><al>e het aanbrengen van dragende constructieonderdelen.</al><al>2 Het bouwtoezicht dient ten minste twee dagen van tevoren in kennis te
                            worden gesteld van het storten van beton.</al><al>3 De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien
                            het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><al>1 Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                            moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                            veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de
                            weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige
                            bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al><al>2 Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd moeten,
                            wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de dagelijkse
                            werktijd niet inbegrepen:</al><al>a de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering
                            van het bouw- en grond-werk, in hun geheel op zodanige wijze zijn
                            uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de installaties door
                            anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al><al>b machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand,
                            dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan
                            de daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;</al><al>3 Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                            elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                            aangedreven bemalingspompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                            voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                            gewaarborgd.</al><al>4 Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen
                            of andere veilig-heidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                            veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><al>1 Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke
                            werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding
                            van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden
                            indien gevaar of hinder te duchten is. Van gevaar of hinder moet in
                            ieder geval worden uitgegaan als zich binnen 100 meter vanaf de
                            bouwlocatie woningen of een school bevinden. </al><al>2 De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst
                            en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en
                            de toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals
                            leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al><al>3 Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                            niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                            afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                            tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><al>1 Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen
                            en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft,
                            voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van
                            onderhoud verkeren.</al><al>2 Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                            werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                            omgeving optreedt.</al><al>3 Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of
                            ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                            verbieden.</al><al>4 Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                            gebruiken krachtwerktuig:</al><al>a uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of</al><al>b de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al><al>c het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden
                            gebruikt.</al><al>5 Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing
                            indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu
                            waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde milieuwet van
                            toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><al>1 Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de
                            volgende fracties:</al><al>a de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                            Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                            (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al><al>b steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al>c glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al>d overig afval.</al><al>2 Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                            fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de
                            bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al><al>3 Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                            bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3,
                            mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval
                            meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>1 Van het gereedkomen:</al><al>a van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering,
                            alsmede van leiding- </al><al> doorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden
                            straatpeil;</al><al>b van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de
                            thermische isolatie in andere besloten constructies</al><al> moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b
                            bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al><al>2 Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                            mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden
                            onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving. </al><al>3 Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                            die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht tot
                            kennisgeving van voltooiing is bepaald. </al><al>4 Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het einde
                            van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al><al>5 De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                            bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><al>1 Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                            buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste
                            twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in kennis worden
                            gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van:</al><al>a het niet verwerken van bevroren materialen;</al><al>b het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al><al>c de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen
                            vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog
                            beneden 2 graden Celsius is.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                            bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>Na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is verleend, is </al><al>het verboden dit bouwwerk in gebruik te geven of te nemen indien één van
                            de volgende </al><al>omstandigheden zich voordoet:</al><al>a het bouwwerk is niet gereed gemeld bij het bouwtoezicht;</al><al>b er is niet gebouwd overeenkomstig de omgevingsvergunning voor het
                            bouwen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>– staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>– staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><al>1 Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al><al>2 Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de
                                veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de
                                gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><al>a drassigheid;</al><al>b stank;</al><al>c verontreiniging;</al><al>d aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al><al>e aanwezigheid van begroeiing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer;
                                    brandblusvoorzieningen</titel></kop><al>1 Indien de toegang van een gebouw meer dan 20 meter is verwijderd
                                van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en
                                het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het
                                overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het
                                gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al><al>2 Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voor-schriften
                                heeft vastgesteld:</al><al>a een breedte hebben van ten minste 4,5 meter, over een breedte van
                                ten minste 3,25 meter zijn verhard en een vrije hoogte boven de
                                kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 meter;</al><al>b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met
                                een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige
                                kunstwerken; en</al><al>c op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><al>3 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al><al>4 Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                brandweerauto's aanwezig zijn, </al><al>dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de
                                bluswatervoorziening kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging
                                en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al><al>5 Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al>1 Tussen de toegang van enerzijds:</al><al>a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit;</al><al>b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit; </al><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al>2 Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al><al>a ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al><al>b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al>c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet
                                aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.
                            </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>– staat van brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen (van rechtswege</titel></kop><structuurtekst><al><cursief>vervallen)</cursief></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                                    vluchtroute-aanduidingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen niet
                                    zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen
                                    of kantoorgebouwen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen
                                    van bijzondere aard (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    kantoorgebouwen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>– aansluiting op de nutsvoorzieningen (vervallen)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>– het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte;
                                reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>– brandveilig gebruik (vervallen)</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>– gebruiksvergunning (vervallen)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.1</nr><titel>Vergunning gebruik bouwwerk (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.2</nr><titel>Aanvraag gebruiksvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.3</nr><titel>In behandeling nemen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.5</nr><titel>Weigeren gebruiksvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.6</nr><titel>Intrekken gebruiksvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.7</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>– het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar (vervallen)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.1</nr><titel>Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.2</nr><titel>Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.3</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>– het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                brand (vervallen)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.2</nr><titel>Gebruik middelen en voorzieningen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>– hinder in verband met brandveiligheid (vervallen)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4.1</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>– overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>– overbevolking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen</titel></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m²
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woonwagens</titel></kop><al>Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een
                                woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m²
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>– staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken
                                of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en
                                wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband
                                met:</al><al>a bouwvalligheid van het bouwwerk;</al><al>b bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en
                                    hygiëne</titel></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het
                                bouwwerk te staken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>Staken van het gebruik van een woonwagen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>– gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr><titel>Bepaling aantal personen nachtverblijf</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het
                                Besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op 5.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder</titel></kop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor:</al><al>a op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet,
                                walm of stof wordt verspreid;</al><al>b overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van
                                het bouwwerk, het open erf of terrein;</al><al>c op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof
                                of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt
                                veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder
                                begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;</al><al>d instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt. Niet van
                                toepassing is het vorenstaan-de, indien en voor zover het betreft
                                nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieu-beheer of
                                enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>– het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte;
                                reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>1 Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al><al>2 Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt
                                aangetrokken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>- watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                                schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                                gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>- installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>Installaties in een gebouw, waarvan het Bouwbesluit het Besluit
                                brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid
                                verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan
                                een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>– slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>– Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>1 Het is verboden bouwwerken, woonwagens daaronder begrepen, te
                                slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd
                                gezag.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                bedragen dan 10 m³, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen
                                van asbest. </al><al> Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een
                                besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet, dan wel een
                                besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last
                                onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden
                                verbinden als bedoeld in het derde lid.</al><al>3 Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                                slopen slechts voorschriften over:</al><al>a de veiligheid tijdens het slopen;</al><al>b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al><al>c het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het
                                sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie
                                asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig
                                afval;</al><al>d het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de
                                gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor
                                zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al><al>4 De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op
                                het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het
                                sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de
                                omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest
                                voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de
                                afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                plaatsvinden.</al><al>5 De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor
                                een seizoengebonden bouwwerk, voorschriften zijn gesteld over het
                                slopen van het tijdelijke bouwwerk. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd
                                indien:</al><al>a de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook
                                door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                worden gewaarborgd;</al><al>b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het
                                slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van
                                voorschriften niet op een voldoende peil kan worden
                                gewaarborgd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken
                                indien: </al><al>a de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige
                                opgave van gegevens;</al><al>b binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;</al><al>c tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                stilliggen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>– uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                                het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding</titel></kop><al>1 In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan in
                                de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen
                                van:</al><al>a geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een
                                op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of
                                het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en
                                de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al><al>b asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning
                                staand bijgebouw, voor zover de woning of het bijgebouw niet in het
                                kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt
                                of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                                te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                                wethouders en door burge-meester en wethouders binnen acht dagen na
                                de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen is vereist. </al><al>2 Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden
                                gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en
                                wethouders vastgesteld formulier.</al><al>3 De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in tweevoud
                                worden ingediend.</al><al>4 De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al><al>5 In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard
                                en het gebruik van het bouwwerk.</al><al>6 Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al><al>7 Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is
                                de mededeling van rechtswege gedaan.</al><al>8 Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld
                                in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                verwijdering, opslag en afvoer van asbest. </al><al>9 De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                zevende lid is verplicht het gestelde in een door de minister van
                                volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer uitgegeven
                                publicatie ter zake van het slopen van asbest bevattende
                                vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder verplicht ter
                                zake van de afvoer van asbest bevattende vloerbedekking alsmede van
                                andere afvalstoffen waarop de mededeling betrekking heeft de in de
                                gemeente geldende voorschriften in acht te nemen.</al><al>10 Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                sloop vrijkomt is niet toege-staan.</al><al>11 Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot
                                en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen
                                burgemeester en wethouders degene die de melding heeft ge-daan in de
                                gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende
                                gege-vens over te leggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                                    omgevingsvergunning voor</titel></kop><al><vet>het slopen </vet></al><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen vereist, </al><al>indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest,
                                uitsluitend bestaat uit het in het kader </al><al>van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk
                                verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                        constructie van kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                        verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is
                                        dan 2250 kilowatt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>– verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of
                                een besluit tot toepassing van </al><al>bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het
                                slopen aanwezig zijn en op verzoek </al><al>aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen</titel></kop><al>1 De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het
                                slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een
                                deskundig bedrijf.</al><al>2 De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een
                                afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig
                                bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal
                                uitvoeren.</al><al>3 De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten
                                minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het
                                bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                plaatsvinden.</al><al>4 De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen
                                twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag
                                een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                artikel 9, eerste lid van het Asbest-verwijderingsbesluit 2005.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><al>1 Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het
                                slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen
                                asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan
                                terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht.</al><al>2 Aan het bouwtoezicht dienen tenminste twee dagen van tevoren de
                                aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op
                                de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van
                                die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten
                                genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><al>1 Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk
                                wordt gesloopt.</al><al>2 Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met
                                asbest te voorkomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>– vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen</titel></kop><al>1 Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens
                                artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden in
                                de navolgende fracties:</al><al>a de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                                Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz.
                                9);</al><al>b steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al><al>c bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al><al>d met PAKS verontreinigde materialen;</al><al>e asfalt;</al><al>f dakgrind;</al><al>g overig afval.</al><al>2 Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten
                                op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>– welstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><al>1 De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan het
                            Gelders Genootschap, die uit haar midden personen voordraagt als lid van
                            de welstandscommissie, hierna gezamen-lijk te noemen: de
                            welstandscommissie. </al><al>2 De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                            aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in
                            artikel 44, eerste lid onder d van de Woningwet. De welstandscommissie
                            baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde
                            welstandscriteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><al>1 De welstandscommissie bestaat tenminste uit vier leden, waaronder een
                            bestuurlijk voorzitter, de rayonarchitect van het Gelders Genootschap
                            (tevens secretaris-deskundige van de com-missie), en tenminste twee
                            externe deskundigen van buiten het bureau. Naast de rayonarchi-tect zijn
                            tenminste twee commissieleden deskundig op het terrein van architectuur,
                            stede-bouw en aanverwante vakgebieden.</al><al>2 Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen die hen bij
                            afwezigheid kunnen ver-vangen.</al><al>3 De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                            minste drie leden aan-wezig zijn (waaronder de rayonarchitect of zijn/
                            haar vervanger) en waarvan ten minste twee leden beschikken over
                            deskundigheid op het gebied van welstand. </al><al>4 De leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk ten opzichte van
                            het gemeentebe-stuur.</al><al>5 In de welstandscommissie kunnen maximaal twee ingezetenen van de
                            gemeente anders als bedoeld in het eerste lid zitting hebben
                            (burgerleden).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur</titel></kop><al>1 De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                            welstandscommissie en hun plaatsver-vangers worden op voorstel van de
                            burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                            gemeenteraad.</al><al>2 De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn
                            van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor
                            een periode van ten hoogste drie jaar.</al><al>3 Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij
                            deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de
                            voorgaande leden, nadere benoemingsprocedu-res.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeente-raad, waarin ten minste aan de orde komt: </al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Termijn van advisering</titel></kop><al>1 De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of
                            namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al><al>2 De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking
                            heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft,
                            uit binnen vier weken nadat door of namens burgemeester en wethouders
                            daarom is verzocht.</al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                            welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde
                            leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies.
                            Een langere termijn kan door burgemeester en wethou-ders worden gegeven
                            indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met
                            toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><al>1 De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar.
                            De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als
                            de adviezen.</al><al> De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt direct
                            nadat deze is vastge-steld door het Gelders Genootschap, ter inzage
                            gelegd op het gemeentehuis. Indien burge-meester en wethouders - al dan
                            niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare
                            behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                            re-denen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten
                            grondslag te leggen. </al><al>2 Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom
                            bij het indienen van de aanvraag heeft verzocht, wordt deze door of
                            namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                            toelichting op het bouwplan.</al><al>3 In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt
                            behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan,
                            wordt de aanvrager van de omgevings-vergunning voor het bouwen
                            (telefonisch) uitgenodigd voor de vergadering van de commissie, waarin
                            de aanvraag wordt behandeld.</al><al>4 Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement
                            van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze
                            verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij
                            er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de
                            beraadslagingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Afdoening bij mandaat</titel></kop><al>1 De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                            mandateren aan de rayonarchitect of diens/ haar vervanger – eventueel
                            bijgestaan door een ander commissielid – ten aanzien van het positief
                            adviseren over bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning voor het
                            bouwen is vereist, met dien verstande dat alleen plannen van relatief
                            geringe ruimtelijke betekenis worden beoordeeld en plannen waarvan –
                            gelet op meerdere vergelijkbare gevallen – het oordeel van de
                            welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al>2 In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog
                            voor aan de welstands-commissie.</al><al>3 De behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. De
                            openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de
                            adviezen. De agenda voor de mandaatverga-dering wordt ter inzage gelegd
                            op het gemeentehuis en op internet gepubliceerd. Via een
                            huis-aan-huisblad wordt eenieder op de hoogte gesteld van het tijdstip
                            en plaats van de vergadering. Indien burgemeester en wethouders - al dan
                            niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare
                            behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                            redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten
                            grondslag te leggen. </al><al>4 Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom
                            bij het indienen van de aanvraag heeft verzocht, wordt deze door of
                            namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                            toelichting op het bouwplan. In het geval dat het bouwplan in de
                            mandaatvergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot
                            het geven van een toelichting is gedaan, wordt de aanvrager van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen (telefonisch) uitgenodigd voor de
                            vergadering van de mandaatcommissie, waarin de aanvraag wordt
                            behandeld.</al><al>5 Tijdens de gemandateerde behandeling hebben zowel de aanvrager van de
                            omgevingsvergun-ning voor het bouwen als direct belanghebbenden
                            spreekrecht overeenkomstig het reglement van orde van de
                            welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is
                            vastgesteld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><al>1.De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.
                            Een positief mandaat-advies wordt uitgebracht door een stempel ‘geen
                            bezwaar’ op het adviesformulier of de bouw-tekening te plaatsen. Een
                            negatief advies wordt schriftelijk gemotiveerd met een verwijzing naar
                            de relevante criteria uit de welstandsnota.</al><al>2 Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                            burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</titel></kop><al>1 Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen
                            heeft een gebied van de gemeente uit te sluiten van welstandstoezicht,
                            neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat op het
                            voornemen inspraak is verleend.</al><al>2 De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                            voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                            verordening. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>– overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om woonvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoon-baar verklaarde woning of woonwagen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overdragen mededeling</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de be-trokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herzie-ning of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>– handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Stilleggen van de bouw (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Stilleggen van het slopen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Onderzoek naar een gebrek (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>– straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten (vervallen)</titel></kop><al>1 Overtreding van de voorschriften genoemd in de artikelen 4.2, 4.5,
                            4.7, 4.8, 4.9, 4.10, eerste tot en met vierde lid, 4.11, 4.12, 4.13,
                            4.14, 5.2.1, 5.4.1, 6.1.1, eerste lid, 6.1.7, 6.2.1, eerste en tweede
                            lid, 6.2.2, eerste lid, 6.3.1, 6.3.2, 6.4.1, 7.1.1, 7.1.2, 7.2.1, 7.2.2,
                            7.2.3, 7.3.2, 7.4.1, 7.5.1, 7.6.1, 8.1.1, eerste lid, 8.2.1, negende en
                            tiende lid, 8.3.1, 8.3.2, 8.3.3, 8.3.4, 8.4.1, geldt als strafbaar feit
                            en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of
                            geldboete van de derde categorie.</al><al>2 Overtreding van de in het eerste lid genoemde artikelen 8.1.1, eerste
                            lid, 8.2.1, negende en tiende lid, 8.3.1, 8.3.2, 8.3.3, 8.3.4, 8.4.1,
                            geldt een strafbaar feit als bedoeld in artikel 110, tweede lid van de
                            Woningwet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                            in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                            bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het
                            in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodem-onderzoek, tenzij
                            burge-meester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve
                            bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                            gezien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
                            van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                            grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Overgangsbepaling algemeen</titel></kop><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing, gebruiksvergunning of
                            toestemming anderszins,</al><al>die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening van
                            kracht wordt en waarop op</al><al>genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de
                            bouwverordening van toepassing,</al><al>zoals die luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de
                            wens te kennen geeft dat de</al><al>gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al><al>Het bovenstaande is slechts van toepassing voorzover deze bepalingen in
                            overeenstemming zijn met</al><al>de Wet tot wijziging van de Woningwet en enkele andere wetten
                            (verbetering naleving,</al><al>handhaafbaarheid en handhaving bouwregelgeving) (Wet van 21 december
                            2006, Stb. 2007, 27).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.7</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><al>1 Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2010.</al><al>2 Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt:</al><al>de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 23 april 2009, en
                            alle daarin aange-brachte wijzigingen.</al><al>3 Deze verordening kan worden aangehaald als 'Bouwverordening gemeente
                            Heumen 2010'.</al><al>4 Waar de tekst van de verordening onduidelijkheden oproept of meerdere
                            interpretaties mogelijk zouden zijn, beslist ons college. Hierbij is de
                            tekst van de door de VNG opgestelde toelichting richtinggevend.</al><al><vet>Aldus vastgesteld in de openbare Raadsvergadering van:</vet></al><al><vet>de voorzitter,</vet></al><al><vet>de griffier,</vet></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><tussenkop>Bijlage 1 / Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning
                    (vervallen)</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1</tussenkop><al>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld
                    in artikel 2.1.3 van de bouwverordening </al><tussenkop> vervallen</tussenkop><al>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden
                    als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening</al><tussenkop> vervallen</tussenkop><al>Artikel 3 Funderingsplan</al><tussenkop> vervallen</tussenkop><al>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens</al><tussenkop> Vervallen</tussenkop><al>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan</al><tussenkop> vervallen</tussenkop><al>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen</al><tussenkop> vervallen</tussenkop><al>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen</al><tussenkop> vervallen</tussenkop><al>Toelichting bijlage 1 <cursief>vervallen</cursief></al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 2 / Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning </tussenkop><tussenkop> (vervallen)</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage behorende bij artikel 6.1.2 (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 (vervallen)</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 3 / Gebruikseisen voor bouwwerken </tussenkop><tussenkop> (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Elektrische installaties en toestellen (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden
                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen
                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 6 Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties
                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 7 Brandweerlift (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 8 Brandmeldinstallatie (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 10 Automatische brandblusinstallatie (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 11 Brandslanghaspels en de bijbehorende pompinstallatie
                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 12 Automatisch werkende deuren (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 12A Deuren van overdruktrappenhuizen (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 13 Kwaliteit van vluchtrouteaanduiding (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 14 Gasflessen (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 15 Rookbeheersingssystemen (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 16 Overdrukinstallatie (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen
                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 18 Brandweeringang (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 19 Logboek (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale
                    bedrijfsuitoefening (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 21 Rookmelders in woningen (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 22 Roltrap (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 23 Garantiecertificaat (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes
                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein (vervallen)</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 4 / Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-
                    gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Uitgangen en vluchtroutes (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Bekleding, stoffering en versiering (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 Elektrische verlichting (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 4 Aanduiding van blusmiddelen (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw
                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 6 Opstelling van inventaris (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 7 Afval (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 8 Periodieke controle van draagbare blustoestellen
                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 9 Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal
                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 10 Glas (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 11 Textiel in horizontale toepassing (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 12 Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier,
                    crêpepapier of fotopapier (vervallen)</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 5 / Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen
                    (vervallen)</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 6 / Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 7 / Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de
                    buitenriolering op erven en terreinen </tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</tussenkop><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><al>a NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met
                    correctieblad d.d. december 1979);</al><al>b NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                    correctieblad d.d. december 1979);</al><al>c NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                    buitenrioleringen';</al><al>d NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                    buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor buizen,
                    hulpstukken en het systeem' (Engelstalig);</al><al>e NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                    aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven
                    1999; - Deel 1. Eisen (Engelstalig)';</al><al>f NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                    aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999;- Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername
                    (Engelstalig);</al><al>g NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden
                    (Engelstalig).</al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 8 / Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                    vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest (vervallen)</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 9 / Reglement van orde van de welstandscommissie </tussenkop><tussenkop>Reglement op de welstandscommissie in Heumen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Benoeming en samenstelling van de welstandscommissie</al></li><li nr="1."><al>1 Benoemingsprocedure</al></li><li nr="1."><al>2 Samenstelling welstandscommissie</al></li><li nr="2."><al>Taakomschrijving</al></li><li nr="2."><al>1 Taakomschrijving welstandscommissie</al></li></lijst><al>2.1.1 Wettelijke taken</al><al>2.1.2 Niet wettelijk verplichte taken</al><al>2.2 Taakomschrijving commissieleden</al><al>2.2.1 Taken van de rayonarchitect</al><al>2.2.2 Taken van de voorzitter</al><al>2.2.3 Taken van externe commissieleden</al><lijst><li nr="3."><al>Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</al></li><li nr="4."><al>Werkwijze van de welstandscommissie</al></li><li nr="4."><al>1 Vooroverleg over bouwplannen</al></li><li nr="4."><al>2 Gemandateerde behandeling</al></li></lijst><al>4.2.1 Mandaat ‘kleine commissie’</al><al>4.2.2 Het mandaatadvies</al><al>4.2.3 Openbaarheid</al><al>4.2.4 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</al><al>4.2.5 Spreekrecht</al><al>4.3 Openbare commissievergadering</al><al>4.3.1 Locatie vergadering</al><al>4.3.2 Publicatie agenda</al><al>4.3.3 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</al><al>4.3.4 Spreekrecht</al><lijst><li nr="4."><al>4 Het welstandsadvies</al></li><li nr="4."><al>5 Afwijken van het welstandsadvies</al></li></lijst><al>4.5.1 Second opinion</al><lijst><li nr="5."><al>Evaluatie welstandstoezicht</al></li><li nr="5."><al>1 Jaarverslag B&amp;W</al></li><li nr="5."><al>2 Jaarverslag welstandscommissie</al></li></lijst><tussenkop>1 Benoeming en samenstelling van de welstandscommissie</tussenkop><tussenkop>1.1 Benoemingsprocedure</tussenkop><al>De gemeenteraad wijst op voordracht van het college van B&amp;W de vereniging
                    ‘Het Gelders Genoot-schap’ aan als de welstandscommissie. Het Gelders
                    Genootschap legt de gemeente een lijst voor met de beoogde commissieleden. Dit
                    betreft de voorzitter, de rayonarchitect, de externe deskundigen en hun
                    plaatsvervangers. Indien gewenst, vindt overleg plaats tussen het Gelders
                    Genootschap en de ge-meente. </al><al>Voor de (eventuele) benoeming van burgerleden en hun plaatsvervangers geldt een
                    afwijkende pro-cedure. De gemeente kan burgerleden voordragen ter benoeming.
                    Alvorens dit te doen, overleggen B&amp;W met het Gelders Genootschap over het
                    gewenste profiel van het burgerlid of de burgerleden. Er mogen maximaal twee
                    burgerleden in de welstandscommissie worden benoemd. Alle leden van de
                    welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van
                    drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie jaar. Bij
                    afwezigheid van de voorzitter of de leden van de commissie, treden
                    plaatsvervangers op in de commissievergadering. De rayonarchitect kan zich door
                    een collega-rayonarchitect laten vervangen. De voorzitter, de rayonar-chitect,
                    de externe deskundigen, het (eventuele) burgerlid/de burgerleden en hun
                    plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en de
                    gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis
                    waarvan het advies over de welstandsaspecten wordt beïnvloed. De commissie is
                    beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid. De commissie streeft
                    naar voortdurende afstemming met het beleid inzake de ruimtelijke ontwikkeling
                    van de gemeente.</al><tussenkop>1.2 Samenstelling van de commissie</tussenkop><al>De welstandscommissie bestaat uit een bestuurlijk voorzitter, de rayonarchitect
                    van het Gelders Ge-nootschap en tenminste twee externe deskundigen van buiten
                    het bureau. De rayonarchitect fungeert tevens als secretarisdeskundige van de
                    commissie. Naast de rayonarchitect zijn tenminste twee com-missieleden deskundig
                    op het terrein van architectuur, stedenbouw en aanverwante vakgebieden. De
                    welstandscommissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door extra
                    deskundigen van het bureau van het Gelders Genootschap of daarbuiten. Dit
                    betreft disciplines als cultuur- en bouwhistorie, en landschapsarchitectuur.
                    Afhankelijk van het type plan dat moet worden beoordeeld, nemen de extra
                    deskundigen deel aan de vergadering. Zij hebben geen stemrecht, tenzij ze als
                    commissielid zijn benoemd door de gemeente. De welstandscommissie kan slechts
                    adviezen uitbrengen indien tenmin-ste drie leden aanwezig zijn (waaronder de
                    rayonarchitect of zijn/haar vervanger) en waarvan tenmin-ste twee leden
                    deskundig zijn op het gebied van welstand.</al><tussenkop>2 Taakomschrijving </tussenkop><tussenkop>2.1 Taakomschrijving welstandscommissie</tussenkop><al>De welstandscommissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet
                    wettelijk verplichte taken. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden
                    uitgevoerd op grond van de Woningwet 2002 en de gemeentelijke bouwverordening.
                    De commissie is bij de advisering beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk
                    welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota.</al><tussenkop>2.1.1 Wettelijke taken</tussenkop><al>1 Toetsing van bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                    vereist. De commissie adviseert B&amp;W over de welstandsaspecten van aanvragen
                    om een omgevingsver-gunning voor het bouwen als bedoeld in de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht. Een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen
                    wordt binnen vier weken na behandeling van een welstandsadvies voorzien. </al><al>2 Jaarverslag welstandscommissie.</al><al>De welstandscommissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van
                    de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste
                    uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria.
                    Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een
                    evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoor-diging van het gemeentebestuur
                    en de welstandscommissie. </al><tussenkop>2.1.2 Niet wettelijk verplichte taken</tussenkop><al>De welstandscommissie krijgt de opdracht om naast de reguliere taken de volgende
                    (niet wettelijk verplichte) taken uit te voeren:</al><al>a Beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning voor reclames (inzake de
                    gemeentelijke APV).</al><al>b Op verzoek en onder de regie van de gemeente, noodzakelijk geacht overleg
                    voeren met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen. </al><al>c Desgevraagd adviezen uitbrengen aan B&amp;W over de welstandsaspecten van in
                    voorbereiding zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen,
                    beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante
                    beleidsstukken. </al><al>d Desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische
                    ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de
                    gemeente.</al><al>e Desgevraagd adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden in het
                    uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn.</al><al>f Desgevraagd voorlichting verstrekken inzake ruimtelijke kwaliteit aan de
                    gemeenteraad, B&amp;W en burgers.</al><tussenkop>2.2 Taakomschrijving commissieleden</tussenkop><tussenkop>2.2.1 Taken van de rayonarchitect</tussenkop><al>De rayonarchitect van het Gelders Genootschap is secretaris-deskundige van de
                    commissie. Hij/zij voert als gemandateerd lid van de welstandscommissie de
                    mandaatgesprekken met de gemeente en –indien de gemeente daarom verzoekt –
                    informele gesprekken met planindieners, ontwerpers en andere belanghebbenden.
                    Daarnaast verzamelt hij/zij relevante informatie en bereidt de behandeling van
                    bouwplannen in de welstandscommissie voor. De plannen waarvoor de rayonarchitect
                    een man-daat heeft, worden door hem/haar van een advies voorzien (Zie verder 4.2
                    Gemandateerde behan-deling).</al><al>De rayonarchitect stelt de agenda voor de commissievergadering op en geeft die
                    door aan de wel-standssecretaris van de gemeente. Tijdens de
                    commissievergadering introduceert de rayonarchitect de bouwplannen en verstrekt
                    gegevens over het relevante welstandsbeleid voor het betreffende plan en/of
                    gebied. Onder de verantwoordelijkheid van de rayonarchitect wordt de
                    beraadslaging en con-clusie over een bouwplan uitgewerkt in een schriftelijk
                    advies, dat binnen vier weken na de commissievergadering verzonden wordt.</al><tussenkop>2.2.2 Taken voorzitter</tussenkop><al>De voorzitter van de welstandscommissie is in principe gekozen uit de kring van
                    gemeentebestuur-ders. Hij/zij is verantwoordelijk voor het functioneren van de
                    commissie en de kwaliteit van de advi-sering. Hij/zij let erop dat de commissie
                    adviseert binnen de kaders van het gemeentelijk welstands-beleid. Tijdens de
                    openbare vergadering treedt de voorzitter op als gastheer/-vrouw voor alle
                    aan-wezigen. Hij/zij legt in het kort de vergaderprocedure uit en informeert wie
                    van de aanwezigen bij een bepaald plan wil inspreken. Indien een plan in een
                    mandaatvergadering is besproken, geeft de voor-zitter (of de rayonarchitect) een
                    korte samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces besproken is. </al><al>De voorzitter leidt de discussie en biedt alle commissieleden de gelegenheid om
                    hun mening voldoen-de naar voren te brengen. Hij/zij zorgt ervoor dat na een
                    inhoudelijke discussie over een adviesaan-vraag een voor alle aanwezigen korte
                    en heldere samenvatting wordt gegeven. De voorzitter bewaakt verder de voortgang
                    van de agenda.</al><al>Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers
                    treedt de voorzitter namens de commissie naar buiten. De voorzitter organiseert
                    met de commissie een jaarlijkse inhou-delijke evaluatie van de werkzaamheden. De
                    resultaten van de evaluatie worden opgenomen in het jaarlijks verslag van de
                    welstandscommissie.</al><tussenkop>2.2.3 Taken externe deskundigen</tussenkop><al>In de commissies hebben tenminste twee externe deskundigen op het gebied van de
                    architectuur en stedenbouw zitting. Zij geven vanuit hun ervaring en inzicht in
                    het vakgebied een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Op het moment dat
                    een extern commissielid op de een of andere wijze een zakelijke binding heeft
                    met een bepaald bouwplan laat hij/zij zich voor de betreffende
                    commissiever-gadering vervangen. Bij langlopende projecten waarbij de inbreng
                    van de commissie verwacht wordt en waarbij de extern deskundige een zakelijke
                    binding heeft, treedt deze in overleg met de commissie en het bureau tijdelijk
                    terug.</al><tussenkop>3. Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</tussenkop><al>Aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen worden voorgelegd aan de
                    welstands-commissie. Bouw- en Woningtoezicht toetst een bouwplan eerst aan de
                    voorschriften in het bestemmingsplan en de bouwverordening. Ten behoeve van de
                    welstandstoets beoordeelt de ambtenaar of het bouwplan is voorzien van de
                    benodigde bescheiden om het te kunnen toetsen. Welke gegevens nodig zijn, is
                    vastgelegd in de ‘Regeling Omgevingsrecht’. </al><tussenkop>4. Werkwijze van de welstandscommissie</tussenkop><tussenkop>4.1 Informatief overleg over bouwplannen</tussenkop><al>De gemeente kan aanvragers de mogelijkheid bieden, om vooruitlopend op het
                    indienen van een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen, een informeel
                    gesprek met de rayon-architect aan te gaan. Aanvragers maken hiertoe een
                    afspraak met de welstandssecretaris van de gemeente.</al><tussenkop>4.2 Gemandateerde behandeling</tussenkop><al>De rayonarchitect behandelt in de regel om de twee weken op locatie de
                    bouwplannen. Hij/zij heeft een mandaat van de commissie om zelfstandig
                    bouwplannen af te handelen. Het uitgangspunt voor de mandaatverlening is dat de
                    rayonarchitect alleen de plannen beoordeelt van een relatief geringe ruimtelijke
                    betekenis, of plannen waar gelet op meerdere vergelijkbare gevallen, de mening
                    van de commissie als bekend mag worden verondersteld. Bij twijfel legt de
                    rayonarchitect het bouwplan voor aan de welstandscommissie. De commissie zelf is
                    eindverantwoordelijk voor het welstandsadvies. Tenminste één keer per jaar vindt
                    overleg plaats tussen de rayonarchitect en de welstandscommissie over het
                    mandaat.</al><tussenkop>4.2.1 Mandaat ‘ kleine commissie’</tussenkop><al>De gemandateerde rayonarchitect wordt – op verzoek van de welstandscommissie, de
                    gemeente of op eigen verzoek - bijgestaan door een ander commissielid. Deze
                    ‘kleine commissie’ beschikt over hetzelf-de mandaat als de rayonarchitect.</al><tussenkop>4.2.2 Het mandaatadvies</tussenkop><al>De rayonarchitect brengt welstandsadviezen uit aan B&amp;W over de vraag of 'het
                    uiterlijk en de plaat-sing van een bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband
                    met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet is strijd is met
                    redelijke eisen van welstand’ (art. 12 lid 1 Ww 2002). Dit wordt beoordeeld aan
                    de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Een positief
                    mandaat-welstandsadvies wordt uitgebracht door een stempel ‘geen bezwaar’ op het
                    adviesformulier en/ of de bouwtekening te plaatsen. </al><tussenkop>4.2.3 Openbaarheid gemandateerde behandeling</tussenkop><al>De behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. De openbaarheid geldt
                    zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. De agenda voor de
                    mandaatvergadering wordt ter inzage gelegd op het gemeentehuis en op internet
                    gepubliceerd. </al><tussenkop>4.2.4 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</tussenkop><al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden in de gelegenheid gesteld om de
                    gemandateerde behandeling van hun plan bij te wonen. Indien zij hun plan willen
                    toelichten, vermelden ze dit op het daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks
                    bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de uit-nodigingen.</al><tussenkop>4.2.5 Spreekrecht</tussenkop><al>Tijdens de gemandateerde behandeling wordt de mogelijkheid tot spreekrecht
                    geboden. Zowel op-drachtgevers/ontwerpers als direct belanghebbenden hebben
                    spreekrecht. </al><tussenkop>4.3 Openbare commissievergadering</tussenkop><al>De welstandscommissie vergadert in de regel één keer per twee weken. De
                    rayonarchitect behandelt in de tussenliggende periode de kleinere bouwplannen
                    (zie 2.2.1 t/m 2.2.3 voor taken rayonarchitect, voorzitter en externe
                    deskundigen tijdens de commissievergadering). De openbaarheid geldt voor de
                    beraadslaging over bouwplannen, de beoordeling daarvan en voor de adviezen. De
                    commissievergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen als
                    bedoeld in art. 10, eerste lid, van de Wet Openbaarheid van Bestuur en in
                    gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de in art. 10,
                    tweede lid, van die wet genoemde belangen.</al><tussenkop>4.3.1 Locatie vergadering</tussenkop><al>De welstandscommissie vergadert op een vaste locatie in het rayon. Bij de
                    behandeling van belang-rijke bouwplannen kan – op verzoek van de gemeente -
                    worden besloten om in de eigen gemeente te vergaderen.</al><tussenkop>4.3.2 Publicatie agenda</tussenkop><al>De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt direct nadat deze
                    is vastgesteld door het Gelders Genootschap, ter inzage gelegd op het
                    gemeentehuis. </al><tussenkop>4.3.3 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</tussenkop><al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden in de gelegenheid gesteld om de behandeling
                    van hun plan bij te wonen. Indien zij hun plan willen toelichten, vermelden ze
                    dit op het daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij Bouw- en
                    Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de uitnodigingen.</al><tussenkop>4.3.4 Spreekrecht</tussenkop><al>Tijdens de openbare vergadering wordt de mogelijkheid tot spreekrecht geboden.
                    Zowel opdracht-gevers/ontwerpers als direct belanghebbenden hebben spreekrecht. </al><tussenkop>4.4 Het welstandsadvies</tussenkop><al>De welstandscommissie brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan
                    B&amp;W over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een
                    standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te
                    verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van
                    welstand’ (art. 12 lid 1 Ww 2002). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de
                    criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Een welstandsadvies kan de
                    volgende uitkomsten hebben:</al><al>1 Accoord: De welstandscommissie is van oordeel dat het plan volgens de van
                    toepassing zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van
                    welstand. Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk. </al><al>2 Accoord ‘mits’: De welstandscommissie is van oordeel dat het plan volgens de
                    van toepassing zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen
                    van welstand, indien bij de uitvoering van het bouwplan op een aantal punten
                    alsnog aan enkele van toepassing zijnde criteria wordt voldaan. Een accoord
                    ‘mits’ wordt gegeven als de commissie van mening is dat de aanvrager kan
                    volstaan met enkele aanpassingen en deze daarin heeft toegestemd c.q. dit
                    redelijkerwijze is te verwachten. De gemeente neemt de door de
                    welstandscommissie gestelde eisen als voorwaarde(n) op in de te verlenen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al>3 Niet accoord: De commissie brengt een negatief advies uit aan B&amp;W omdat
                    het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet voldoet aan
                    redelijke eisen van welstand. Een negatief advies wordt gegeven als de commissie
                    van mening is dat een bouwplan ingrijpend moet worden aangepast. Adviseert de
                    commissie negatief, dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze
                    bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van
                    toepassing zijnde welstandscriteria en een samenvatting van de beoor-deling van
                    het plan op die punten. Het negatieve advies betekent, dat een nieuwe aanvraag
                    omgevingsvergunning voor het bouwen moet worden ingediend voor een bouwplan dat
                    op basis van het welstandsadvies is aangepast.</al><tussenkop>4.5 Afwijken van het welstandsadvies en/of -criteria</tussenkop><al>B&amp;W hebben de wettelijke mogelijkheid om ook op andere dan welstandsgronden,
                    af te wijken van een welstandsadvies. De redenen voor afwijking moeten bij de
                    bekendmaking van het besluit worden vermeld. B&amp;W kunnen, eventueel op advies
                    van de welstandscommissie, gemotiveerd (op welstands-gronden) afwijken van de
                    welstandscriteria zelf. Dat kan bij plannen die niet voldoen aan de vastge-legde
                    criteria maar wél aan redelijke eisen van welstand. B&amp;W verwijzen in dat
                    geval naar de alge-mene criteria in de welstandsnota.</al><tussenkop>4.5.1 Second opinion</tussenkop><al>Alvorens een second opinion te vragen, bieden B&amp;W eerst de vaste
                    welstandscommissie de moge-lijkheid tot heroverweging van het eerder
                    uitgebrachte advies. Indien alsnog een second opinion wordt gevraagd, wordt dit
                    gemeld aan de welstandscommissie. Bij een second opinion wordt de aanvraag om
                    omgevingsvergunning voor het bouwen voorgelegd aan een commissie buiten het
                    Gelders Genootschap. Hierover neemt de gemeente contact op met de Federatie
                    Welstand.</al><tussenkop>5. Evaluatie welstandstoezicht</tussenkop><tussenkop>5.1 Jaarverslag B&amp;W</tussenkop><al>B&amp;W leggen de gemeenteraad tenminste eenmaal per jaar een verslag voor
                    waarin zij uiteenzetten:</al><al>1 Op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
                    welstandscommissie;</al><al>2 In welke gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>zij tot aanschrijving op grond van art. 19 Ww 2002 zijn overgegaan en
                            daarbij de keuze hebben gelaten tussen ofwel het uitvoeren van de
                            aanschrijving, ofwel het slopen van het bouwwerk binnen de door hen te
                            bepalen termijn, en</al></li><li nr="-"><al>zij bij of na een aanschrijving op grond van artikel 19 Ww 2002 zijn
                            overgegaan tot toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 26 Ww
                            2002.</al></li></lijst><tussenkop>5.2 Jaarverslag welstandscommissie</tussenkop><al>Zie onder punt 2.1.1</al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 10 / Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1
                    Brandmeldinstallaties</tussenkop><tussenkop>(vervallen)</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 11 /Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5
                    Ontruimingsalarminstal-laties (vervallen)</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 12 /Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8
                    Vluchtrouteaanduiding-en (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Malden, RB/ 19 mei 2010</tussenkop></bijlage></regeling></body></cvdr>