<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR475982_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet Inburgering 2017 gemeente Geertruidenberg</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Geertruidenberg</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Geertruidenberg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-216150.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3dwet%2binburgering%2b2017%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26spd%3d20180109%26epd%3d20180109%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dGeertruidenberg%26orgt%3dgemeente%26ap%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=1&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad 2017, 216150</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet Inburgering 2017 gemeente Geertruidenberg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=8">Wet inburgering, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=19">Wet inburgering, art. 19, lid 5 en 6</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=23">Wet inburgering, art. 23, lid 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=24e">Wet inburgering, art. 24e</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=24f">Wet inburgering, art. 24f</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=35">Wet inburgering, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-11-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-12-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2017-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet Inburgering 2017 gemeente Geertruidenberg</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Geertruidenberg;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 oktober 2017
                        inzake de verordening wet inburgering 2017;</al><al/><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde en zesde lid, 23, derde lid, 24 e, 24f
                        en 35 van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012 en
                        artikel X van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet
                        inburgering (2012, 430);</al><al>tevens gelet op Artikel I Wet inburgering van de wet tot wijziging van de
                        Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met het toevoegen van het
                        onderdeel participatieverklaring aan het inburgeringsexamen en de wettelijke
                        vastlegging van de maatschappelijke begeleiding;</al><al/><al>overwegende dat de raad bij verordening regels dient te stellen over de
                        informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, het
                        aanbieden van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan
                        inburgeringsplichtigen en de rechten en plichten van de
                        inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening is vastgesteld, alsmede dat de raad bij verordening
                        het bedrag dient vast te stellen van de bestuurlijke boete die voor de
                        verschillende overtredingen kan worden opgelegd;</al><al>overwegende dat als gevolg van de wijziging van de Wet inburgering de taken
                        van gemeenten op het terrein van inburgering beëindigd zijn;</al><al>overwegende dat gedurende een overgangsperiode gemeenten nog een aantal
                        taken op het terrein van inburgering zullen uitoefenen;</al><al/><al>overwegende dat met ingang van 1 oktober 2017 ingaat, de wet tot wijziging
                        van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met het toevoegen
                        van het onderdeel participatieverklaring aan het inburgeringsexamen en de
                        wettelijke vastlegging van de maatschappelijke begeleiding</al><al/><al>overwegende dat daarom de onder de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31
                        december 2012, opgestelde verordening dient te worden gewijzigd;</al><al/><al><vet>besluit </vet></al><al/><al>vast te stellen: de “Verordening Wet Inburgering 2017 gemeente
                        Geertruidenberg”.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente: </al></li><li nr="b."><al> de wet: de Wet inburgering zoals deze luidde op 31 december
                                        2012 en artikel X van de wet van 13 september 2012 tot
                                        wijziging van de Wet inburgering (2012, 430);</al></li><li nr="c."><al> de wetswijziging: Artikel I van de wet tot wijziging van de
                                        Wet Inburgering en enkele andere wetten in verband met het
                                        toevoegen van het onderdeel participatieverklaring aan het
                                        inburgeringsexamen en de wettelijke vastlegging van de
                                        maatschappelijke begeleiding.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een
                            doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun rechten
                            en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en de toegang
                            tot inburgeringsvoorzieningen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>I:</nr><titel>Periode tot en met 31 december 2012 Wet Inburgering 2007</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroepen en samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening </titel><subtitel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inburgeringsaanbod</titel></kop><al>Het college biedt een inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening aan de inburgeringsplichtige, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel
                                        28 van de Vreemdelingenwet 2000, en</al></li><li nr="2."><al>de geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel g
                                        van de wet, die geen oudkomer is als bedoeld in artikel 1,
                                        onderdeel c, van de wet, </al></li></lijst><al>voor zover deze uiterlijk 31 december 2012 inburgeringsplichtig zijn
                                geworden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de inburgeringsvoorziening of de
                                    taalkennisvoorziening aan de inburgeringsplichtige bedoeld in
                                    artikel 3 af op het startniveau en de vaardigheden, de
                                    persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van
                                    de inburgeringsplichtige;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 een
                                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt aangeboden,
                                    draagt het college er zorg voor dat de inburgeringsvoorziening
                                    op de voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt
                                    afgestemd;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 kan het
                                    college maatschappelijke begeleiding aanbieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college legt in een beschikking de eigen bijdrage, bedoeld
                                    in artikel 23, tweede lid, van de wet en de wijze van betaling
                                    daarvan vast. Als het college de eigen bijdrage wil verrekenen
                                    met de algemene bijstand , wordt dat ook in de beschikking
                                    vastgelegd;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inning van de eigen bijdrage vindt alleen plaats indien de
                                    inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening niet
                                    (tijdig) wordt afgerond</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college sluit bij de inning van de eigen bijdrage aan bij de
                                    geldende invorderingssystematiek van het taakgebied Sociale
                                    Zaken;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien er sprake is van vrijwillige inburgering dan wordt
                                    afgezien van het opleggen van de eigen bijdrage, bedoeld in
                                    artikel 23, tweede lid, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 bij
                                beschikking een of meer van de volgende verplichtingen
                                opleggen:</al><lijst><li nr="1."><al>het deelnemen aan de inburgeringsvoorziening of
                                        taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="2."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="3."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="4."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                        staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een
                                        tijdstip dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="5."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                        omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking
                                        kan worden voldaan;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ontheffing inburgeringsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op schriftelijke aanvraag ontheffing verlenen
                                    aan een inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 die naar zijn
                                    mening voldoende is ingeburgerd, maar geen vrijstellend document
                                    kan overleggen en uit principiële gronden niet bereid is tot het
                                    afleggen van een toets. Ontheffing wordt alleen verleend als
                                    naar het oordeel van het college de inburgeringsplichtige
                                    bedoeld in artikel 3 aantoonbaar voldoende is ingeburgerd;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 kan op grond van
                                    onvoldoende leervermogen bij het college een verzoek tot
                                    ontheffing van de inburgeringsplicht aanvragen. Dit onvoldoende
                                    leervermogen dient te blijken uit:</al><lijst><li nr="-"><al>een verklaring van een deskundige waaruit blijkt dat het
                                            de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 aan
                                            leervermogen ontbreekt om met goed gevolg het
                                            inburgeringstraject te doorlopen, of</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de resultaten van het afgelegde examen aanleiding geven
                                            te veronderstellen dat de inburgeringsplichtige bedoeld
                                            in artikel 3 blijvend niet in staat zal zijn het
                                            inburgeringsexamen te halen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op schriftelijke aanvraag ontheffing verlenen
                                    aan een inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3, indien die
                                    inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of
                                    lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap,
                                    blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te
                                    behalen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Kosten medische keuring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 kan op verzoek van
                                    de gemeente Geertruidenberg een medisch onderzoek ondergaan ten
                                    behoeve van een ontheffingsverzoek. De kosten van dit medisch
                                    onderzoek worden door het college betaald;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 kan ook op eigen
                                    verzoek een medisch onderzoek ondergaan ten behoeve van een
                                    ontheffingsverzoek. De kosten van het medisch onderzoek worden
                                    enkel door het college vergoed indien uit het advies blijkt dat
                                    tot ontheffing geadviseerd wordt;</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het aanbod van een inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede
                                lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het
                                adres waar de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 in de
                                gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven.</al><lijst><li nr="1."><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                                        inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening die wordt
                                        aangeboden en worden de rechten en verplichtingen vermeld
                                        die aan die voorziening worden verbonden;</al></li><li nr="2."><al>De inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 aan wie een
                                        aanbod wordt gedaan, deelt binnen 2 weken het college
                                        schriftelijk mee of hij het aanbod al dan niet
                                        aanvaardt;</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Wanneer de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 het
                                        aanbod aanvaardt, neemt het college binnen 6 weken na
                                        ontvangst van deze mededeling het besluit tot vaststelling
                                        van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening
                                        overeenkomstig het gedane aanbod.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="1."><al>een beschrijving van de inburgeringsvoorziening of
                                        taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="2."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                        inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3;</al></li><li nr="3."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                        Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>de wijze van betaling.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                    overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250, indien de
                                    inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 geen of onvoldoende
                                    medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25,
                                    vierde lid van de wet;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500, indien de
                                    inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 geen of onvoldoende
                                    medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem
                                    vastgestelde inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening,
                                    bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de
                                    verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze verordening;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500, indien de
                                    inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 niet binnen de in
                                    artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde termijn of binnen de
                                    door het college op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel
                                    a, van de wet verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft
                                    behaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in de leden 1,
                                    2 en 3 van dit artikel, wordt verdubbeld, indien de
                                    inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 zich binnen twaalf
                                    maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte overtredingen
                                    bedoeld in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel, opnieuw schuldig
                                    maakt aan dezelfde overtreding.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>II:</nr><titel>Periode van 1 januari 2013 tot en met 30 september 2017</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>De Wet Inburgering 2013</titel></kop><al>Voor personen die vanaf 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn
                            geworden geldt dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van de
                            inburgeringsplichtige behoort om te bepalen hoe hij aan zijn
                            inburgeringsplicht voldoet en dat hij daarvoor zelf de kosten draagt.
                            Daarmee vervalt de plicht van gemeenten om voor
                            inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen te zorgen. De
                            gemeente is nog wel verantwoordelijk voor de trajectregie en handhaven
                            van de inburgeringsplichtigen van voor 2013. De gemeente kan enkel nog
                            aan een beperkte doelgroep (geestelijke bedienaren en asielgerechtigden
                            die voor 1 januari 2013 hun verblijfsvergunning hebben gekregen maar
                            zich na 1 januari 2013 in de gemeente hebben gevestigd) een aanbod doen.
                            Dit aanbod is gegrond op het aanbodstelsel, niet meer op het
                            vaststellingsstelsel. De inburgeraar hoeft het aanbod dus niet te
                            accepteren.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>III:</nr><titel>Periode vanaf 1 oktober 2017</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Participatieverklaring</titel></kop><al>Vanaf 1 oktober 2017 geldt, dat:</al><lijst><li nr="1."><al>het participatieverklaringstraject integraal onderdeel uitmaakt
                                    van het inburgeringsexamen;</al></li><li nr="2."><al>de inburgeringsplichtige binnen één jaar het
                                    participatieverklaringstraject afrondt door middel van deelname
                                    aan workshops en daaropvolgend het ondertekenen van de
                                    participatieverklaring;</al></li><li nr="3."><al>de termijn van één jaar, genoemd in het tweede lid, aanvangt op
                                    het moment dat de vreemdeling inburgeringsplichtig is en
                                    ingeschreven is in de basisregistratie personen, met dien
                                    verstande dat indien hij rechtmatig verblijf heeft op grond van
                                    een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd als bedoeld in
                                    artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, het gaat om de
                                    inschrijving in de gemeente waar hij op grond van artikel 28 van
                                    de Huisvestingswet 2014 is gehuisvest;</al></li><li nr="4."><al>de termijn van één jaar, genoemd in het tweede lid, verlengd kan
                                    worden indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem
                                    geen verwijt treft ter zake van het niet tijdig afronden van het
                                    participatieverklaringstraject;</al></li></lijst><lijst><li nr="5."><al>het college een bestuurlijk boete oplegt aan de
                                    inburgeringsplichtige die het participatieverklaringstraject
                                    niet binnen de in het tweede lid genoemde termijn, of de op
                                    basis van het vierde lid verlengde termijn, heeft afgerond;</al></li><li nr="6."><al>in de boetebeschikking, zoals bedoeld in het vijfde lid, een
                                    nieuwe termijn van ten hoogste één jaar wordt opgenomen,
                                    waarbinnen de inburgeringsplichtige na het bekendmaken van de
                                    boetebeschikking alsnog het participatieverklaringstraject moet
                                    afronden;</al></li><li nr="7."><al>het college de inburgeringsplichtige die niet binnen de
                                    krachtens lid 6 van dit artikel vastgestelde termijn het
                                    participatieverklaringstraject heeft afgerond, een bestuurlijke
                                    boete oplegt, waarna lid 6 opnieuw in werking treedt;</al></li><li nr="8."><al>zolang de inburgeringsplichtige na het verstrijken van de
                                    krachtens het zevende lid gestelde termijn het
                                    participatieverklaringstraject niet afrondt, het college ieder
                                    jaar een bestuurlijke boete oplegt ;</al></li></lijst><lijst><li nr="9."><al>de bestuurlijke boete niet hoger kan zijn dan € 340 voor het
                                    niet afronden van het participatieverklaringstraject, binnen de
                                    bij of krachtens de leden 3, 6 en 7 van dit artikel gestelde
                                    termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Maatschappelijke begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college voorziet in de maatschappelijke begeleiding van de
                                inburgeringsplichtige die rechtmatig verblijf heeft op grond van
                                een:</al><lijst><li nr="a."><al>verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, of</al></li><li nr="b."><al>verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend
                                        onder een beperking verbandhoudend met verblijf als familie-
                                        of gezinslid, voor verblijf bij:</al><al>1°. een houder van een verblijfsvergunning asiel voor
                                        bepaalde tijd,</al><al>2°. een houder van een verblijfsvergunning asiel voor
                                        onbepaalde tijd, of</al><al>3°. een houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig
                                        ingezetenen die is verleend met een aantekening inzake
                                        internationale bescherming als bedoeld in artikel 45c,
                                        eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatschappelijke begeleiding vangt aan op het moment dat de
                                vreemdeling inburgeringsplichtig is en ingeschreven is in de
                                basisregistratie personen, met dien verstande dat indien hij
                                rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel
                                bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet
                                2000, het gaat om de inschrijving in de gemeente waar hij op grond
                                van artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 is gehuisvest.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 5. Slotbepalingen</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie en werkt
                            terug tot en met 1 oktober 2017. De verordening Wet inburgering 2008
                            gemeente Geertruidenberg vastgesteld op 27 maart 2008 komt hiermee te
                            vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet Inburgering 2017
                            gemeente Geertruidenberg.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 30 november 2017, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad van Geertruidenberg,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>drs. K.M.C. Millenaar-Rammelaere drs. W. van Hees</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><al><vet><onderstreept>Algemene Toelichting</onderstreept></vet></al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet inburgering gewijzigd.</al><al>In de wet zoals die gold tot 31 december 2012 was aan gemeenten een aantal
                    belangrijke taken toebedeeld. Door de gewijzigde wet vervielen deze taken van de
                    gemeenten. Wel bleven de gemeenten op grond van het overgangsrecht met name de
                    eerste jaren na inwerkingtreding van de wetswijziging een aantal taken
                    uitoefenen. Dit betreft met name inburgeraars die al met een traject gestart
                    zijn in staat te stellen dit af te maken. Daarnaast blijven de gemeenten de oude
                    inburgeraars handhaven.</al><al/><al>De voor de gemeenten belangrijkste wijzigingen waren:</al><lijst><li nr="a."><al>De verantwoordelijkheid voor inburgering wordt bij de
                            inburgeringsplichtige gelegd. Dit betekent dat het tot de eigen
                            verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige behoort om te bepalen
                            hoe hij aan zijn inburgeringsplicht voldoet en dat hij daarvoor zelf de
                            kosten draagt. Daarmee vervalt de plicht van gemeenten om voor
                            inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen te zorgen. De taken
                            die de gemeente heeft ten aanzien van het oproepen van (potentieel)
                            inburgeringsplichtigen en het doen van een onderzoek (intake) vervallen
                            daarmee eveneens.</al></li><li nr="b."><al>De doelgroep wordt beperkt tot vreemdelingen die op of na de
                            inwerkingtreding van dit wetsvoorstel rechtmatig verblijf verkrijgen
                            voor verblijf in Nederland en (direct of in een later stadium) een
                            verblijfsvergunning voor bepaalde tijd krijgen voor een niet-tijdelijk
                            doel (asiel of gezinsvorming/hereniging) of als geestelijke
                            bedienaar.</al></li><li nr="c."><al>De mogelijkheid voor gemeenten om vrijwillige inburgeraars
                            (EU-onderdanen en genaturaliseerde Nederlanders) op grond van de Wet
                            inburgering een inburgeringsvoorziening aan te bieden vervalt.
                            Vrijwillige inburgeraars kunnen net als iedere andere burger via het
                            reguliere onderwijs de noodzakelijke (taal)vaardigheid en kennis
                            verwerven om volledig deel te kunnen nemen aan de samenleving.</al></li><li nr="d."><al>Het vervallen van bovengenoemde bevoegdheden van gemeenten en het
                            verschuiven van de resterende bevoegdheden van gemeenten naar de
                            Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK).</al></li><li nr="e."><al>Een overgangsregeling, die erin voorziet:</al><al>- dat gemeenten diegenen die al een aanbod hebben gehad en zich
                            momenteel voorbereiden op het inburgeringsexamen in staat stellen dit
                            voort te zetten en het examen af te leggen;</al><al>- dat gemeenten handhaven dat inburgeraars die vóór 1 januari 2013
                            inburgeringsplichtig zijn geworden aan hun inburgeringsplicht
                            voldoen;</al><al>- dat gemeenten een aanbod doen aan asielgerechtigden en geestelijke
                            bedienaren die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden
                            maar nog geen aanbod hebben gehad voor die datum. Daarbij blijft
                            ongewijzigd dat voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen een
                            inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening ook uit
                            maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid van de wet) bestaat.
                        </al></li></lijst><al/><al>Met ingang van 1 januari 2013 zullen de gemeenten per nieuwe
                    inburgeringsplichtige asielgerechtigde van de regering een eenmalige bijdrage
                    ontvangen van € 1000. Dat bedrag was tijdelijk verhoogd naar € 2000 (alleen voor
                    inburgeringsplichtige asielgerechtigden en inburgeringsplichtige nareizende
                    gezinsleden die gedurende 2013 hun verblijfsvergunning kregen; daarna werd de
                    bijdrage weer € 1000).</al><al/><al>Na 1 januari 2013 kan de gemeente alleen een aanbod doen aan asielgerechtigden
                    en geestelijk bedienaren, die uiterlijk 31 december 2012 inburgeringsplichtig
                    zijn geworden en nog geen voorziening hebben aangeboden gekregen. Aan anderen
                    kunnen gemeenten nog wel voorzieningen aanbieden maar niet meer op grond van de
                    Wet inburgering.</al><al>Gemeenten blijven de opdracht houden om de inburgeringsplichtigen in de gemeente
                    die onder het overgangsrecht vallen goed te informeren over de rechten en
                    plichten die voortvloeien uit deze wet.</al><al>Ook moeten gemeenten de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen handhaven
                    die onder het overgangsrecht vallen. Dit betreft inburgeringsplichtigen die voor
                    1 januari 2013 hun inburgeringsplicht opgelegd hebben gekregen en voor die datum
                    een gemeentelijk aanbod hebben gekregen. </al><al/><al>Omdat na 1 januari 2013 zich nog geschillen kunnen voordoen tussen gemeenten en
                    degenen die op grond van de wet zoals die gold tot en met 31 december 2012
                    inburgeringsplichtig zijn werken deze handhavingsbepalingen ook door na 1
                    januari 2013.</al><al>In verband met deze taken draagt de wetswijziging gemeenten op om bij
                    verordening regels te stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="1."><al>Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde
                            van deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot
                            inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 van de wet).</al></li><li nr="2."><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen of
                            taalkennisvoorziening en over de rechten en plichten van de
                            inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening is vastgesteld (artikel 19, vijfde lid, en artikel
                            23, derde lid, van de wet).</al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                            verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 van de
                            wet).</al></li></lijst><al/><al>Ad 1. Regels over de informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen. </al><al>Artikel 8 van de wet bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                    inburgeringsplichtigen. Het gaat dan om informatie over de rechten en plichten
                    uit hoofde van de WI en informatie over het aanbod van inburgeringsvoorzieningen
                    en de toegang tot die voorzieningen.</al><al/><al>Ad 2. Regels met betrekking tot het aanbieden van
                    inburgeringsvoorzieningen.</al><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                    inburgeringsexamen. Gemeenten kunnen inburgeringsplichtigen ondersteunen door
                    het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening. Onder
                    het overgangsrecht zijn gemeenten verplicht een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening aan te bieden aan alle asielgerechtigde
                    inburgeringsplichtigen en een inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren
                    (artikel 19, tweede lid van de wet) die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig
                    zijn geworden en nog geen voorziening hebben aangeboden gekregen. Een
                    inburgeringsvoorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen of het
                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II en omvat het eenmaal kosteloos
                    afleggen van dat examen. De inburgeringsplichtige is verplicht een eigen
                    bijdrage van € 270 te betalen. Een taalkennisvoorziening is gericht op de
                    verwerving van de kennis van de Nederlands taal die noodzakelijk is voor het
                    kunnen afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 (artikel 19, derde lid,
                    van de wet).</al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een inburgeringsvoorziening
                    of een taalkennisvoorziening ook uit maatschappelijke begeleiding (artikel 19,
                    zesde lid van de wet).</al><al>Met ingang van 1 januari 2013 zullen de gemeenten per inburgeringsplichtige
                    asielgerechtigde van de regering een eenmalige bijdrage ontvangen van € 1000.
                    Dat bedrag is tijdelijk verhoogd naar € 2000 (alleen voor inburgeringsplichtige
                    asielgerechtigden en inburgeringsplichtige nareizende gezinsleden die gedurende
                    2013 hun verblijfsvergunning krijgen; daarna wordt de bijdrage weer €
                    1000).</al><al>De wet draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen met
                    betrekking tot het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of een
                    taalkennisvoorziening. In de wet is ook vastgelegd over welke onderwerpen in
                    ieder geval regels moeten worden gesteld:</al><lijst><li nr="-"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een
                            aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a
                            van de wet).</al></li><li nr="-"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan
                            inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a van de
                            wet).</al></li><li nr="-"><al>De vaststelling door het college van een passende
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, met inbegrip van de
                            totstandkoming en de samenstelling van die voorziening (artikel 19,
                            vijfde lid, onderdeel b van de wet).</al></li><li nr="-"><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld. Deze
                            regels hebben in ieder geval betrekking op de inning van de eigen
                            bijdrage door het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen
                            (artikel 23, derde lid, van de wet).</al></li></lijst><al/><al>Ad 3. Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete.</al><al>Artikel 35 van de wet draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het bedrag dat ten hoogste als
                    bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><al/><al>Vanaf 1 oktober 2017 moet alle nieuwkomers als onderdeel van hun
                    inburgeringsexamen eerst het traject rond de participatieverklaring doorlopen
                    bij de gemeente. Doel is om hen zo snel mogelijk bekend te maken met de normen,
                    waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving. </al><al>Door de wetswijziging is vanaf 1 oktober 2017 het participatieverklaringstraject
                    verplicht voor nieuwkomers. Het gaat daarbij om asielmigranten, maar ook om
                    migranten die naar ons land komen in het kader van gezinsvorming of
                    gezinshereniging. Het participatieverklaringstraject bestaat onder meer uit een
                    inleiding in de Nederlandse kernwaarden. Minister Asscher: ‘Met de
                    participatieverklaring maken nieuwkomers kennis met de ononderhandelbare rechten
                    en plichten en de fundamentele waarden van de Nederlandse samenleving. Voor ons
                    zijn deze spelregels vanzelfsprekend, voor nieuwkomers vaak niet. Het is daarom
                    belangrijk dat we hier vanaf de eerste dag heel duidelijk over zijn.’ </al><al>Het traject wordt afgesloten met het ondertekenen van een verklaring. Daarmee
                    verklaart de nieuwkomer kennis te hebben genomen van de waarden en regels van de
                    Nederlandse samenleving, deze te respecteren en actief een bijdrage te willen
                    leveren aan die samenleving. Met de wijziging van de Wet inburgering is ook
                    vastgelegd dat gemeenten asielmigranten maatschappelijke begeleiding gaan
                    aanbieden. Daarmee worden deze migranten wegwijs gemaakt in hun woonplaats en
                    krijgen ze hulp bij de start van de inburgering. Gemeenten hebben de ruimte om
                    deze maatschappelijke begeleiding deels zelf in te vullen. Zo krijgen zij ook
                    meer regie op de start van de inburgering van lokale nieuwkomers. Het budget
                    voor gemeenten is eerder al verhoogd van 1000 euro naar 2370 euro per
                    asielmigrant.</al><al/><al>Inburgeringsplichtigen die verwijtbaar weigeren de verklaring te ondertekenen,
                    kunnen een boete van maximaal 340 euro krijgen. Deze boete kan herhaald worden.
                    Daarnaast betekent het niet voldoen aan het gehele inburgeringsexamen dat er
                    geen permanente verblijfsvergunning wordt verstrekt en dat het Nederlanderschap
                    niet verkregen kan worden.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikelsgewijze toelichting</onderstreept></vet></al><al/><al>In de Wet inburgering worden de begrippen “inburgeringsvoorziening” en
                    “taalkennisvoorziening” gebruikt. In de hieronder staande toelichting worden
                    beide begrippen waar mogelijk afzonderlijk genoemd. In een enkel geval wordt uit
                    overweging van leesbaarheid het woord “voorziening” gehanteerd, waarmee zowel
                    inburgeringsvoorziening als taalkennisvoorziening wordt aangeduid.</al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al/><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                    gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en de
                    Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 2 De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</vet></al><al/><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente goed te
                    informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de Wet inburgering.
                    De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke wijze de
                    informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt georganiseerd. Wel
                    bepaalt artikel 8 van de wet dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                    inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze
                    wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot
                    inburgeringsvoorzieningen.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Inburgeringsaanbod</vet></al><al/><al>Vanaf 1 januari 2013 is het college alleen verplicht een inburgeringsvoorziening
                    of een taalkennisvoorziening aan te bieden aan asielgerechtigden en een
                    inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren die voor 1 januari 2013
                    inburgeringsplichtig zijn geworden.</al><al/><al><vet>Artikel 4 De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening</vet></al><al/><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                    vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en samenstelling van
                    die voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In dit artikel worden
                    de kaders vastgesteld waarbinnen het college de opdracht heeft voor de
                    asielgerechtigde inburgeringsplichtige, een op de persoon toegesneden
                    inburgeringsvoorziening samen te stellen.</al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een passende
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening moet vaststellen. Bij het
                    bepalen van de geschiktheid van een voorziening kunnen de volgende factoren een
                    rol spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal en de
                            Nederlandse samenleving en zijn of haar leercapaciteit.</al></li><li nr="-"><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of gaat
                            vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht aan
                            het verrichten van betaalde arbeid en/of het opvoeden van kinderen.</al></li><li nr="-"><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij kan
                            bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                            inburgeringsplichtige moet vervullen.</al></li><li nr="-"><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke
                            bedienaren wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben
                            dus niet de mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan
                            geestelijke bedienaren aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven. </al></li></lijst><al/><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen opleveren de
                    inburgeringsvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt is wel, zo blijkt
                    uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat een aanbod voor een
                    inburgeringsvoorziening aan een uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtige niet
                    wordt gedaan, indien dat diens arbeidsinschakeling belemmert.</al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd moet
                    worden met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                    (re-integratievoorziening) als een inburgeringsvoorziening wordt aangeboden aan
                    een inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een uitkering ontvangt
                    op grond van een andere socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling én die
                    verplicht is om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid
                    van de wet). Het college is verantwoordelijk voor het aanbieden van de
                    gecombineerde inburgeringsvoorziening (artikel 20, tweede lid van de wet). Het
                    tweede lid van artikel 4 van deze verordening draagt het college op om er voor
                    te zorgen dat de inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de
                    re-integratievoorziening. Aangezien deze voorzieningen in het kader van de
                    uitkeringsverstrekking op grond van socialezekerheidswetten of –regelingen ook
                    door andere partijen dan het college (kunnen) worden verstrekt, zal het college
                    afspraken moeten maken met de verantwoordelijke uitvoerders van de
                    socialezekerheidswet of –regeling: het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen (UWV), eigenrisicodragers of overheidswerkgevers
                    (artikel 21 van de wet).</al><al/><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel
                    van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan opnemen. Voor
                    asielgerechtigde inburgeringsplichtigen kan ook maatschappelijke begeleiding een
                    onderdeel uitmaken van de inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening
                    (artikel 19, zesde lid van de wet). </al><al/><al><vet>Artikel 5 De inning van de eigen bijdrage</vet></al><al/><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                    inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het college en de
                    mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid van de wet). De
                    hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt</al><al>€ 270. Dit bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd
                    (artikel 23, tweede lid van de wet). Er is voor gekozen om de eigen bijdrage
                    alleen op te boeken en slechts tot inning over te gaan als het
                    inburgeringsexamen niet wordt behaald.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Opleggen van verplichtingen</vet></al><al/><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid van de wet dat bepaalt
                    dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en plichten van
                    de inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening is vastgesteld. Dit artikel delegeert de bevoegdheid aan
                    het college om de verplichtingen die in het artikel worden genoemd aan
                    inburgeringsplichtigen in het kader van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening op te leggen. Het college legt in de beschikking tot de
                    vaststelling van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening deze
                    verplichtingen vast.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Ontheffing inburgeringsplicht</vet></al><al/><al>Het college heeft de bevoegdheid om op schriftelijke aanvraag ontheffing te
                    verlenen aan inburgeringsplichtigen, die naar hun mening voldoende zijn
                    ingeburgerd, maar geen vrijstellend document kunnen overleggen en uit
                    principiële overwegingen niet bereid zijn tot het afleggen van een toets.
                    Voorwaarde hiervoor is dat de inburgeringsplichtige die de ontheffing aanvraagt,
                    naar het oordeel van het college aantoonbaar voldoende is ingeburgerd. Die
                    beoordeling is aan het college en zal per geval moeten worden gemaakt. Het ligt
                    voor de hand dat het college zijn oordeel onderbouwt met verschillende bewijzen
                    waaruit een voldoende mate van inburgering van betrokkene blijkt. Te denken valt
                    aam documenten als een arbeidscontract of een verklaring van de werkgever (met
                    duur dienstverband en niveau Nederlandse taal), of bewijzen van publieke
                    optredens of bestuurs- of vrijwilligersfuncties, waaruit blijkt dat de aanvrager
                    in zijn functie-uitoefening mondeling en schriftelijk in het Nederlands
                    communiceert. Tevens kan de aanvrager documenten overleggen die aantonen dat met
                    goed gevolg een opleiding is gevolgd die weliswaar niet wordt erkend als
                    vrijstellingsgrond, maar waaruit wel een voldoende mate van inburgering blijkt
                    (artikel 2.8a, eerste lid, Besluit inburgering).</al><al/><al>Vrijstelling van de plicht tot inburgering kan eveneens verleend worden indien
                    de inburgeringsplichtige kan aantonen dat het behalen van het inburgeringsexamen
                    op grond van onvoldoende leervermogen niet haalbaar is. De inburgeringsplichtige
                    zal hierbij aan moeten tonen alles in het werk te hebben gesteld het examen wel
                    te behalen. De uitslag van het afgelegde examen kan in voldoende mate aangeven
                    dat het behalen van het examen ook in de toekomst niet haalbaar is. Daarnaast
                    kan uit een verklaring van een deskundige tijdens de aanloop naar het examen toe
                    al blijken dat de inburgeringsplichtige het examen nimmer zal behalen. Ook
                    hierbij geldt dat het college zijn oordeel onderbouwt met verschillende bewijzen
                    waaruit het ontbreken van leervermogen blijkt (artikel 31, tweede lid onder c,
                    WI).</al><al/><al>In de lijn van bovenstaande kunnen ook medische redenen aanleiding zijn om tot
                    ontheffing van de inburgeringsplicht over te gaan. Deze medische redenen dienen
                    in voldoende mate te zijn aangetoond, bijvoorbeeld door verklaringen van
                    behandelend (huis)artsen en specialisten (artikel 6, eerste lid, WI).</al><al/><al><vet>Artikel 8 Kosten medische keuring</vet></al><al/><al>Een inburgeringsplichtige kan ontheffing worden verleend van zijn
                    inburgeringsplicht op grond van psychische, lichamelijke en/of verstandelijke
                    beperkingen. Deze ontheffing kan op initiatief van de gemeente en/of op
                    initiatief van de inburgeringsplichtige worden verleend, de beperkingen moeten
                    worden aangetoond. Het aantonen dient te gebeuren aan de hand van een medisch
                    advies van een onafhankelijk arts/medisch adviseur, die is ingeschreven in het
                    BIG-register (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg). De arts/medisch
                    adviseur dient op de hoogte te zijn van relevante wet- en regelgeving ten
                    aanzien van het inburgeringsexamen en van de mogelijke examenomstandigheden en
                    het door het ministerie opgestelde Protocol medische advisering. Hiervoor heeft
                    de arts/medisch adviseur een speciale cursus moeten volgen.</al><al/><al>Wanneer de gemeente opdracht geeft tot het opvragen van een medisch advies, zijn
                    de kosten ook voor rekening van de gemeente. Vraagt de inburgeringsplichtige om
                    een advies dan komen de kosten ook voor rekening van de gemeente tenzij uit het
                    medisch advies blijkt dat er geen ontheffing verleend hoeft te worden. De kosten
                    komen dan voor rekening van de inburgeringsplichtige zelf.</al><al/><al><vet>Artikel 9 De procedure van het doen van een aanbod</vet></al><al/><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat
                    het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang omdat
                    zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het goed is – leidt tot een
                    besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening.</al><al>In dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod van een
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan de inburgeringsplichtige op
                    schriftelijke wijze doet en dat het aanbod wordt toegestuurd naar het adres waar
                    de inburgeringsplichtige staat ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er geen
                    onduidelijk ontstaan over het feit dat het college de inburgeringsplichtige een
                    aanbod heeft gedaan.</al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de uiteindelijke
                    beschikking. Hierdoor kan de instemming met het aanbod tevens worden opgevat als
                    instemming met de beschikking tot het vaststellen van de inburgeringsvoorziening
                    of taalkennisvoorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd). Deze
                    beschikking moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod.</al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige het
                    aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente
                    meedeelt. Het meest praktisch is dat deze schriftelijke mededeling geschiedt in
                    de vorm van het laten ondertekenen door de inburgeringsplichtige van een
                    verklaring die door de gemeente is opgesteld.</al><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente meldt
                    dat hij wel een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening wil, maar dat
                    hij gelet op zijn situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in
                    het aanbod van de gemeente. Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het
                    gedane aanbod moeten aanpassen.</al><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de
                    inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                    voorbereiden op het inburgeringsexamen.</al><al/><al><vet>Artikel 10 De inhoud van de beschikking</vet></al><al/><al>Het besluit tot het vaststellen van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening is een beschikking. Dit betekent dat de
                    inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit in bezwaar en
                    beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld welke onderwerpen in ieder geval
                    in de beschikking moeten worden neergelegd.</al><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan verbonden
                    rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten worden
                    vermeld (onderdelen 1 en 2). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn
                    medewerking te verlenen aan de uitvoering van de inburgeringsvoorziening
                    (artikel 23, eerste lid, van de wet). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als
                    de verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan
                    de betrokkene (onder andere door middel van de beschikking) bekend zijn
                    gemaakt.</al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                    hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid, van de wet). In de
                    beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden gemaakt
                    (onderdeel 3).</al><al>Onderdeel 4 bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd op welke wijze de
                    betaling van de eigen bijdrage plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening
                    met de bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 5 van de
                    verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 11 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                        overtredingen</vet></al><al/><al>Artikel 35 van de wet draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de verschillende overtredingen de
                    maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De gemeente kan deze
                    boetebedragen in haar verordening overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen
                    vaststellen.</al><al>De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn maximumbedragen en
                    géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke
                    boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan
                    de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zo
                    nodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd
                    (artikel 38, tweede lid van de wet). Deze bepaling brengt met zich mee dat het
                    college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete
                    passend is, gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                    inburgeringsplichtige.</al><al/><al>Lid 4 biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de overtreding een
                    hogere boete op te leggen dan op grond van artikel11 mogelijk is.</al><al/><al><vet>Artikel 12 De Wet Inburgering 2013</vet></al><al/><al>Dit artikel behoeft, buiten hetgeen reeds in de algemene toelichting is
                    omschreven, geen nadere toelichting</al><al/><al><vet>Artikel 13 Participatieverklaring</vet></al><al/><al>Inburgeringsplichtigen moeten op grond van de huidige Wet inburgering binnen
                    drie jaar na verkrijging van de verblijfsvergunning het inburgeringsexamen of
                    een vrijstellend examen behalen. De afgelopen jaren is de behoefte ontstaan om
                    inburgeringsplichtigen al op een eerder tijdstip niet-vrijblijvend met de
                    kernwaarden van de Nederlandse samenleving te laten kennismaken en hun
                    betrokkenheid met Nederland te laten uitspreken.</al><al>Met dit artikel wordt beoogd daarin te voorzien, door het
                    participatieverklaringstraject als nieuw onderdeel aan het inburgeringsexamen
                    toe te voegen.</al><al>Het participatieverklaringstraject zal uit twee onderdelen bestaan, te weten een
                    inleiding in de kernwaarden van de Nederlandse samenleving en de ondertekening
                    van de participatieverklaring.</al><al>In de participatieverklaring staan begrippen als vrijheid, gelijkwaardigheid en
                    solidariteit centraal. Met het ondertekenen van de participatieverklaring tonen
                    inburgeringsplichtigen hun betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving en hun
                    bereidheid om daar actief aan bij te dragen. Met de introductie van het
                    participatieverklaringstraject als verplicht onderdeel van het
                    inburgeringsexamen wordt uitvoering gegeven aan het voornemen van de regering om
                    het instrument van de participatieverklaring op een niet-vrijblijvende wijze in
                    te voeren.</al><al>De regering is zich ervan bewust dat zonder verplichtstelling de deelname aan
                    het participatieverklaringstraject slechts een gedeeltelijk bereik heeft. De
                    regering acht het echter van belang dat het bereik van het
                    participatieverklaringstraject onder inburgeringsplichtigen zo groot mogelijk
                    is. Hiermee wordt voorkomen dat er een groep burgers ontstaat die onvoldoende
                    kennis heeft van de Nederlandse kernwaarden. Inburgeringsplichtigen komen immers
                    veelal uit landen waar andere waarden kunnen gelden, die soms kunnen botsen met
                    de Nederlandse waarden.</al><al/><al><vet>Artikel 14 Maatschappelijke begeleiding</vet></al><al/><al>Sinds 1 januari 2013 geldt de inburgeringsplicht alleen nog voor nieuwkomers en
                    is de regierol van gemeenten beëindigd. Vanwege het beëindigen van deze regierol
                    van gemeenten in het inburgeringstraject, is met ingang van 1 januari 2013 ook
                    de wettelijke bepaling over de maatschappelijke begeleiding uit de Wet
                    inburgering geschrapt.</al><al>De regering achtte het desalniettemin wenselijk dat de maatschappelijke
                    begeleiding zou worden gecontinueerd. Daarom verstrekt vanaf 1 januari 2013 het
                    Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (hierna: COA) de bijdragen voor
                    maatschappelijke begeleiding aan gemeenten. Uitgangspunt is dat zodra een
                    asielmigrant of een gezinslid van een asielmigrant zich vestigt in een gemeente,
                    de gemeenten hiervan een schriftelijke bevestiging ontvangt van het COA. De
                    gemeente kan vervolgens in antwoord daarop aangeven in aanmerking te willen
                    komen voor een eenmalige vergoeding bestemd voor de maatschappelijke
                    begeleiding. Een gemeente was tot voor kort niet verplicht maatschappelijke
                    begeleiding aan te bieden.</al><al/><al>Met de wet tot wijziging van de Wet inburgering etc. die vanaf 1 oktober 2017
                    vigerend is, wordt de wettelijke verplichting tot maatschappelijke begeleiding
                    door gemeenten aan asielmigranten en hun gezinsleden opnieuw vastgelegd. Het
                    wettelijk vastleggen van de maatschappelijke begeleiding borgt de begeleiding
                    van asielmigranten en hun gezinsleden in de gemeente waar ze zich (regulier)
                    vestigen. Hiermee krijgen ze begeleiding in praktische zaken en begeleiding
                    gericht op integratie en actieve participatie in de Nederlandse samenleving. </al><al>Een wettelijke vastlegging voorziet ook in de mogelijkheid om aan de
                    maatschappelijke begeleiding een landelijke invulling op hoofdlijnen te
                    geven.</al><al/><al>Naast het participatieverklaringstraject (artikel 13 van deze verordening) is
                    ook de maatschappelijke begeleiding een middel ter bevordering van een snelle
                    integratie en participatie. De maatschappelijke begeleiding is specifiek gericht
                    op asielmigranten en hun gezinsleden. Ook het wettelijk vastleggen van de
                    maatschappelijke begeleiding vloeit voort uit de gemeenschappelijke wens van de
                    regering en gemeenten om het structurele belang van de begeleiding van
                    inburgeringsplichtigen, in het bijzonder asielmigranten en hun gezinsleden, door
                    gemeenten te onderstrepen. </al><al/><al><vet>Artikel 15 Inwerkingtreding</vet></al><al/><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Citeertitel</vet></al><al/><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>