<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR47267_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Zwartewaterland 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwartewaterland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwartewaterland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.zwartewaterland.nl/Libraries/Gemeentepublicaties/Gemeentepublicatie_Zwartewaterland_22-09-2010.sflb.ashx">De Stadskoerier, 22-09-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005181&amp;artikel=8 en 11&amp;g=2010-10-25">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Gemeente Zwartewaterland (incl. 12e en
                13e serie wijzigingen) Bouwverordening Gemeente Zwartewaterland 2004
                vastgesteld 2 januari 2001, gewijzigd 22 november 2004, 19 december 2002, 27 mei
                2004 en 25 januari 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Raadsbesluit</vet></al><al>Besluit:</al><al>De raad van de gemeente Zwartewaterland;</al><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders, d.d. 6
                        juli 2010;</al><al>Gezien de ledenbrieven van de Vereniging van Nederlandse Gemeente, kenmerken
                        EGR/U200700406 d.d. 27 maart 2007 en ECGR/U201000875 d.d. 22 april
                        2010;</al><al>Gelet op het bepaalde in artikel 8 en 11 van de Woningwet, waarin is bepaald
                        dat de gemeenteraad een bouwverordening vaststelt;</al><al>Besluit:</al><al>Vast te stellen de volgende verordening tot wijziging van de
                        bouwverordening:</al><al><vet><onderstreept>Artikel A Wijzigingen in de
                                bouwverordening</onderstreept></vet></al><al>-De bouwverordening wordt gewijzigd conform de 12<sup>e</sup> en
                        13<sup>e</sup> serie wijzigingen van de bouwverordening, zoals omschreven in
                        de ledenbrieven van de VNG ;</al><al><vet><onderstreept>Artikel B Overgangsbepalingen</onderstreept></vet></al><al>-Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing, gebruiksvergunning of
                        toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze
                        wijzigingsverordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog
                        niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing,
                        zoals die luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens
                        te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al><al><vet><onderstreept>Artikel C Inwerkingtreding</onderstreept></vet></al><al>-Deze wijzigingsverordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>1 Inleidende bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1.1 begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="o"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                        letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al></li><li nr="o"><al>Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                                        artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het
                                        ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit
                                        artikellid, het bevoegd gezag;</al></li><li nr="o"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in <onderstreept>artikel 2</onderstreept> van de Woningwet;
                                    </al></li><li nr="o"><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid,
                                        van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw-
                                        en woningtoezicht;</al></li><li nr="o"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                        hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                        hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                                        bedoeld om ter plaatse te functioneren; </al></li><li nr="o"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen
                                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al></li><li nr="o"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in
                                        het Bouwbesluit. </al></li><li nr="o"><al>Hoogte van de weg: de hoogte van de as-weg zoals die door of
                                        namens Het bevoegd gezag is vastgesteld</al></li><li nr="o"><al>As-weg: is de hoogte van het putdeksel in de weg</al></li></lijst></li><li nr=""><al>Straatpeil: </al><al>a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                                grenst de hoogte van de as-weg ter plaatse van de hoofdtoegang;</al></li><li nr=""><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg
                                grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang
                                bij voltooiing van de bouw</al><lijst><li nr="o"><al>van gemeentewege aangegeven peil: is straatpeil zoals door
                                        Het bevoegd gezag is vastgesteld.</al></li><li nr="o"><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                        bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
                                        a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="o"><al>Omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een
                                        sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
                                        onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder: </al></li></lijst></li></lijst><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk; gebouw: een gedeelte van een
                        gebouw. </al><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen (</vet>vervallen)</al><al><vet> Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al>1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                        gemeente: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom; </al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven. </al></li></lijst><al><vet>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al><vet>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden </vet></al><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                            vergunningaanvragen</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet></al><al><vet>1. </vet>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                            <onderstreept>artikel 8</onderstreept>, vierde lid, van de Woningwet
                        bestaat uit: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                        verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming
                                        met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1; </al></li><li nr="b."><al>vervallen </al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet
                                indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                                omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                omgevingsrecht artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing
                                geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht
                                artikelen 2 en 3 van bijlage II. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de
                                plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel
                                2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor
                                toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruibare
                                recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. </al></li><li nr="4."><al>De tekst van het vierde lid wordt vervangen door: Het bevoegd gezag
                                kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een
                                onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van de
                                Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte
                                instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit
                                omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde
                                vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 2009 niet rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Het bevoegd gezag kunnen gedeeltelijk ontheffing verlenen van de
                                plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 1.2.6, onderdeel e van de Bijlage van het Besluit
                                indieningsvereisten voor een bouwwerk met een beperkte
                                instandhoudingstermijn als bedoeld in Het bevoegd gezag kunnen
                                gedeeltelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het indienen van
                                een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 1.2.6, onderdeel e van
                                de Bijlage van het Besluit indieningsvereisten voor een bouwwerk met
                                een beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld in
                                    <onderstreept>artikel 45</onderstreept>, eerste lid, van de
                                Woningwet, indien uit het in NVN 5725, uitgave 1999, bedoelde
                                vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 1999 niet rechtvaardigen. </al></li><li nr="6."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken
                                zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is
                                gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                            om omgevingsvergunning voor het bouwen (vervallen) Artikel 2.1.7
                            Bouwregistratie (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                            omgevingsvergunning voor het bouwen woonwagens en standplaatsen
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het
                            bouwen</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering omgevingsvergunning voor
                            het bouwenverlening (vervallen)Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en
                            bodemonderzoek (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende omgevingsvergunning
                            voor het bouwen (vervallen)</vet></al><al><vet>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</vet></al><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen)</vet></al><al><vet>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
                        </vet></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al>1. Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: </al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;
                            </al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                vereist; en </al></li><li nr="c."><lijst><li nr="1."><al>dat de grond raakt, of </al></li><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                        wordt gehandhaafd. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen </vet> In
                        afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in
                        artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag
                        voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het
                        geval zij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                        onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
                        op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                        bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
                        lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                        beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
                        worden gemaakt. </al><al><vet>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                            bereikbaarheidseisen</vet></al><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                            stedenbouwkundige bepalingen</vet> vervallen </al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                        aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking
                        worden genomen. </al><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>1. Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                        bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een
                        verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die
                        geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's
                        en het overige te verwachten verkeer. </al><lijst><li nr="1."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte
                                        van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven
                                        de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m; </al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                        motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                        zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en </al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                bouwwerken, voorzover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd is,
                                maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                gelegen. </al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen. </al></li><li nr="4."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening. </al></li><li nr="5."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de
                                ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.3A Brandweeringang (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al><vet>1. </vet> Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in <onderstreept>artikel
                                    4.3</onderstreept> van het Bouwbesluit; </al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit; </al></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare
                        weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. </al><al>2.Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: </al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; </al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en </al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij
                                dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het
                                bepaalde in de <onderstreept>artikelen 2.39</onderstreept> en
                                    <onderstreept>2.40</onderstreept> van het Bouwbesluit. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>De voorgevelrooilijn is: </al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig
                                aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                                aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande
                                bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                overeenkomstig de richting van de weg geeft; </al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van
                                ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel <onderstreept>2.5.7</onderstreept> is
                        het verboden een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                        is veriest, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn. </al><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet>
                        Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in veranderingen bedoeld in
                                artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen
                                onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht, te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten; </al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens
                                        van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al/><al>1. In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                        gelegen is dan het straatpeil; </al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld inartikel
                                        2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op een voor
                                        de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn; </al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                        overschrijden; </al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                        galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                        overschrijden; </al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                        reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                        bedoeld zijn in <onderstreept>artikel 2.5.7</onderstreept>;
                                    </al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                        bouwwerken; </al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleenafwijking worden toegestaan,
                                indien niet lager gebouwd wordt dan: </al><lijst><li nr="a."><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een
                                        strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;
                                    </al></li><li nr="b."><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en dan
                                        nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                        niet in gevaar komt. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag
                        de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor het bouwen op de weg
                        van: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld inartikel 2, onderdeel 18, sub
                                a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                inartikel 2, onderdeel 18, sub b, d en d, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines; </al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li><li nr="e."><al>andere omgevingsvergunning voor het bouwenplichtige bouwwerken, die
                                naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                        voorgevelrooilijn zijn geplaatst. </al><lijst><li nr="1."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: </al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in <onderstreept>artikel 2.5.7
                                        </onderstreept>en in die waarin de afwijking genoemd in de
                                            <onderstreept>artikelen 2.5.8</onderstreept> en
                                            <onderstreept>2.5.9</onderstreept> is verleend; </al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in <onderstreept>artikel
                                            2.5.13</onderstreept> en in die waarin de afwijking
                                        genoemd in <onderstreept>artikel 2.5.14</onderstreept> is
                                        verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                        achtergevelrooilijn is geplaatst; </al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen; </al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht bedoelde gebouwen; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                        woningen; </al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; </al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</vet></al><al/><al>1. De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt
                        zich: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                        vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal
                                        van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                        doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                        meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de
                                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de
                                        grootste; </al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                        een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van
                                        de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a
                                        bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een
                                        of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich
                                        zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                        nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                        rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                        tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                        elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                        bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                        zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan
                                        1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                                        beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                        bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                        afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                        beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit
                                        lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                                        dan 15 meter. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht -
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
                                en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.
                            </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel 2.5.13</onderstreept> is
                        het verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                        vereist, te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn. </al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen; </al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt; </al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het
                                bnouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, artikel 3,
                                onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen
                                vergunning is vereist; </al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in de <onderstreept>artikel 3</onderstreept>, eerste
                                lid, onder k, van het Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking vanartikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten; </al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden; </al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van
                                bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt; </al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de <onderstreept>artikelen 2.5.3</onderstreept> en
                                    <onderstreept>2.5.4</onderstreept>, is verzekerd; </al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                omgevingsrecht; </al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend; </al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist; </al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw;
                            </al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in <onderstreept>artikel
                                    2.5.13</onderstreept>; </al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een
                        strook grond omvat die: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                        achtergevel, en </al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                        begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte
                                        heeft van ten minste 5 meter. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in <onderstreept>artikel 2.5.13</onderstreept>, en de balkons en
                                veranda's buiten beschouwing blijven. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in: </al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is; </al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan: </al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                aanwezig; </al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan
                                                twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan
                                                wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen,
                                                mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                                afmetingen tot stand wordt gebracht; </al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                                bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen
                                                van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                                                toestand verbeterd. </al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning
                        is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte
                        van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het
                        gebouw en over de volle breedte daarvan. </al><al>1.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel
                                vormen; </al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot
                                overschrijding van de achtergevelrooilijn. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                        zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk
                        en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten
                        ontstaan die: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder
                                        dan 1 meter breed zijn; </al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.
                            </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in <onderstreept>artikel
                            2</onderstreept>, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit
                        omgevingrecht, van het Besluit bouwwerken, zijn niet toegelaten. </al><al>1.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of
                        terrein. </al><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen </vet></al><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding
                        bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen
                        bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel uitmaken van de
                        hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden
                        gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                        hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale
                        elektrische spanning van 1.000 volt of meer. </al><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen omgevingsvergunning voor het
                                bouwenplichtige bouwwerken worden gebouwd. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van: </al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                        hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert; </al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                        ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.
                                    </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet>
                        Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel 2.5.24</onderstreept>
                        bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de voorgevelrooilijn 1
                        meter, vermeerderd met: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg; </al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter. </al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn. </al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.
                                Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de
                                beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.
                            </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet>
                        Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel 2.5.24</onderstreept>
                        bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de achtergevelrooilijn 1
                        meter, vermeerderd met: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;
                                    </al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.
                                    </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                                elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
                                van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien
                                een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
                                tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                voorgevelrooilijn. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. </al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                            achtergevelrooilijn </vet></al><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen
                        aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere
                        weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt -
                        onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel 2.5.24</onderstreept> -
                        de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan
                        laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze
                        zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort.
                        Deze afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is in
                            <onderstreept>artikel 2.5.21</onderstreept>, tweede lid, voor de
                        bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. </al><al>1.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel. </al><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel 2.5.24</onderstreept> mag
                        een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
                        tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de
                        vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                        achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de <onderstreept>artikelen
                            2.5.20</onderstreept> en <onderstreept>2.5.21 </onderstreept>- maximale
                        bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen van: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom; </al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft
                                die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de - krachtens <onderstreept>artikel 2.5.22</onderstreept> -
                                maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt
                                van 56 graden. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15 meter.
                            </al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen weg. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge
                                    <onderstreept>artikel 2.5.3</onderstreept> of
                                    <onderstreept>artikel 2.5.14 </onderstreept>toegestane afwijking
                                wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet
                                meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van
                                een goothoogte van genoemde maat - daarboven een zadeldak met
                                hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van
                                de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van de
                                as-weg (het straat-peil). </al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in <onderstreept>artikel
                                    2.5.27</onderstreept>, onder d, en <onderstreept>artikel
                                    2.5.28</onderstreept>, onder h, i, j en k, moeten - voor zover
                                zij de maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden
                                gelaten. </al></li><li nr="3."><al>In voorkomende gevallen kunnen Het bevoegd gezag ontheffing verlenen
                                van het gestelde in 2.5.26 en lid 1, 2, 3 en 4.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Het bepaalde in <onderstreept>artikel 2.5.20</onderstreept>, eerste lid,
                            <onderstreept>artikel 2.5.21</onderstreept>, eerste en derde lid,
                            <onderstreept>artikel 2.5.22</onderstreept>, eerste lid,
                            <onderstreept>artikel 2.5.23</onderstreept> en <onderstreept>artikel
                            2.5.24</onderstreept> is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld inartikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan
                                het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht; </al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of
                                de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse; </al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.
                            </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de toegelaten bouwhoogte.</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                        2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor; </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                                gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen;
                            </al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                                welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat; </al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels-
                                en industrieterrein; </al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen; </al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                                anders dan bedoeld in <onderstreept>artikel 3</onderstreept>,
                                onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en
                                indien: </al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat; </al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan
                                        de bestaande; </al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                16 en 18 ban bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard; </al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;
                            </al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                                meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet
                                minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan
                                1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;
                            </al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame; </al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen; </al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in
                            geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</vet></al><al>De tekst wordt vervangen door: In andere gevallen dan bedoeld in de
                        artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de
                        verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                        achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        maximale bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
                                en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                bevat.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden
                                    bij of in gebouwen</vet></al></li><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding
                                geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in
                                voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw,
                                dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik
                                of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden
                                met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's
                                moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste
                                        1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;
                                    </al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                        voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de
                                        lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m
                                        bij 5,00 m bedragen. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het derde lid: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                        omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of </al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                        stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
                                    </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties (Vervallen)Artikel
                            2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties (Vervallen)Artikel 2.6.3
                            Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties
                        (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties
                            (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties
                            (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties
                            (Vervallen)Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen
                            (Vervallen)Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen
                            (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen (Vervallen)Artikel
                            2.6.11 Gelijkwaardigheid (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten
                            (Vervallen)</vet></al><al><vet>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in <onderstreept>artikel 3.119</onderstreept> van het Bouwbesluit
                        bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten
                        zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in <onderstreept>artikel 2.46 </onderstreept>van het Bouwbesluit
                        bedoelde, in bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn
                        aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 100 m. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in <onderstreept>artikel 2.68</onderstreept> van het Bouwbesluit
                                bedoelde, in bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn
                                aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. Niet
                                        van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen,
                                        waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas
                                        aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting
                                        van gastoevoer nodig is. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m2; </al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;
                                    </al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke
                                        of publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in
                                        artikel 2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet).
                                    </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke
                            voorziening voor verwarming</vet></al><al>Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor verwarming
                        van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit
                        (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te bouwen bouwwerk zijn
                        aangesloten op die publieke voorziening: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is gelegen; of
                            </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                de publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 40 m. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in <onderstreept>artikel 3.31</onderstreept> van het Bouwbesluit
                                bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer
                                van afvalwater en faecaliën, alsmede de in <onderstreept>artikel
                                    3.41</onderstreept> van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van
                                toepassing is het bepaalde in dit lid: </al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                        aanwezig is; </al></li><li nr="b."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: </al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                        binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting
                                        noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het gebouw
                                        dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten
                                        kruisen; </al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                        moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                        terugvloeien van afvalwater, faecaliën en hemelwater,
                                        ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke
                                        wijze op het openbaar riool te lozen. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer
                                moet worden bepaald of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde
                                aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van
                                de goede werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel
                                ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar
                                riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen
                                daartoe aanleiding geeft. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere
                                wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is: </al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                        openbaar riool zijn gelegen; </al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de in <onderstreept>artikel 3.31</onderstreept> van het
                                Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen
                                voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in
                                    <onderstreept>artikel 3.41 </onderstreept>van het Bouwbesluit
                                bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de
                                afvoer van hemelwater niet aan een openbaar riool worden
                                aangesloten, gelden de volgende bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort;
                                    </al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                        waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een beerput
                                        zonder overstort, een gierput of een rottingput met
                                        overstort; </al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden; </al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingput. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op
                                andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht
                                mogelijk is. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                                plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt.
                            </al></li><li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid
                                van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het
                                bouwwerk of de buitenriolering. </al></li><li nr="3."><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen mestkelder of een
                                beerputten of rottingputten voorkomen. </al></li><li nr="4."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                                vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend
                                beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een
                                voldoende binnenwerkse middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen
                                wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde
                                in NEN 3215, uitgave 2007. </al></li><li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor
                                de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar
                                zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben
                                van ten minste 125 mm. </al></li><li nr="6."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
                                leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten
                                doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen
                                in bijlage 7. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de <onderstreept>artikelen 2.7.1</onderstreept>,
                            <onderstreept>2.7.2</onderstreept>, <onderstreept>2.7.3</onderstreept>
                        en <onderstreept>2.7.4</onderstreept> bedoelde afstand moet worden gemeten
                        langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden
                        gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.
                        </al><al><vet><onderstreept>3 De melding</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 3.1 De wijze van melden</vet></al><al><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria</vet></al><al><vet><onderstreept>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                                ingebruikneming van een bouwwerk</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 4.1 Intrekking omgevingsvergunning voor het bouwen bij
                            niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden
                            (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                        aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>De omgebingsvergunning voor het bouwen; </al></li><li nr="b."><al>andere toestemmingen; </al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan; </al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b van
                                de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                of oplegging van een last onder dwangsom.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen
                        is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van de
                        omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen alvorens
                        door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig: </al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven; </al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                uitgezet. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                            van) de bouwwerkzaamheden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd het
                                bepaalde in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen - ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te
                                noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden
                                        daaronder begrepen; </al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen; </al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton. </al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                            onderzoekingen</vet></al><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                        ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                        bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                        verordening en van het Bouwbesluit nodig acht. </al><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</vet></al><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                        ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                        wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                        grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                        naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid
                        van die bouwwerken schaadt. </al><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.
                            </al></li><li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen: </al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                        uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op
                                        zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik
                                        stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is; </al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                        toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder
                                        meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in
                                        werking kunnen worden gesteld; </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd. </al></li><li nr="4."><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is. </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd. </al></li><li nr="3."><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                            hinder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren. </al></li><li nr="2."><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kunnen het gebruik van een werktuig, dat schade of
                                ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                                verbieden. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kunnen voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                gebruiken krachtwerktuig: </al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of
                                    </al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of </al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet
                                        mag worden gebruikt. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties: </al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9); </al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;
                                    </al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;
                                    </al></li><li nr="d."><al>overig afval. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden. </al></li><li nr="3."><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                            bouwwerkzaamheden</vet></al><al>1.Van het gereedkomen van;</al><lijst><li nr="a."><al> putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering,
                                alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren
                                beneden straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de
                                thermische isolatie in andere besloten constructies moet het
                                bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b
                                bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving. </al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht
                                tot kennisgeving van voltooiing is bepaald. </al></li><li nr="6."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het
                                einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld. </al></li><li nr="7."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen; </al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding; </al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.14 </vet></al><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                        nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht.</al><al><vet><onderstreept>5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                                nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk
                                gedierte</onderstreept></vet></al><al><vet>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</vet></al><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                        terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden. </al></li><li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de
                                veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de
                                gebruikers of anderen, ten gevolge van: </al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid; </al></li><li nr="b."><al>stank; </al></li><li nr="c."><al>verontreiniging; </al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte; </al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan .. meter is verwijderd van
                                een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's,
                                vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te
                                verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van
                                het gebouw zulks niet vereisen. </al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte
                                        van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven
                                        de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m; </al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                        motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                        zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en </al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen. </al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet
                                vereisen. </al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>1.Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in <onderstreept>artikel
                                    4.3</onderstreept> van het Bouwbesluit; </al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit; </al></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare
                        weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. </al><al>2.Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: </al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en </al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en </al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij
                                dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het
                                bepaalde in de <onderstreept>artikelen 2.39</onderstreept> en
                                    <onderstreept>2.40</onderstreept> van het Bouwbesluit. </al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al><vet>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzakebrandveiligheids-installaties en
                            vluchtrouteaanduidingen (Vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in
                            gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                            logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                            woongebouwen van bijzondere aard (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                            logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                            kantoorgebouwen (vervallen)</vet></al><al><vet>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in de <onderstreept>artikelen 3.123</onderstreept> en
                            <onderstreept>3.124</onderstreept> van het Bouwbesluit bedoelde, in
                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten
                        aan het distributienet van de openbare waterleiding: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in <onderstreept>artikel 2.52</onderstreept> van het Bouwbesluit
                        bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn
                        aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 100 m. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>De in <onderstreept>artikel 2.72</onderstreept> van het Bouwbesluit
                        bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan
                        het openbare distributienet voor aardgas: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 40 m. </al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op: </al><lijst><li nr="a."><al>woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan
                                gas aanwezig is en voor verwarming geen individele aansluiting van
                                gastoevoer nodig is; </al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2; </al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd; </al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in <onderstreept>artikel 3.36</onderstreept> van het Bouwbesluit
                                bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken
                                aanwezige voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten,
                                onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                    5.3.6</onderstreept>, op een doeltreffende wijze zijn
                                aangesloten aan een openbaar riool. </al></li><li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                        aanwezig is; </al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                        openbaar riool zijn gelegen; </al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd; </al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                        bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende
                                        ruime mestkelder, gier- of mestkelder of een beerput
                                        aanwezig is. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</vet>
                        Indien het gestelde in <onderstreept>artikel 5.3.4</onderstreept>, tweede
                        lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,
                                tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden
                                gebruikt; </al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                waterspoeling, moeten een doeltreffende mestkelder of een beerput
                                zonder overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende
                                rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende
                                aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op
                                andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van
                                water, bodem of lucht kan optreden; </al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden; </al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
                            </al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><al><onderstreept>Artikel 2.7.6</onderstreept> en de bijbehorende
                            <onderstreept>bijlage 7</onderstreept> zijn van overeenkomstige
                        toepassing. </al><al><vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de <onderstreept>artikelen 5.3.1</onderstreept>,
                            <onderstreept>5.3.2</onderstreept>, <onderstreept>5.3.3</onderstreept>
                        en <onderstreept>5.3.4</onderstreept> bedoelde afstand moet worden gemeten
                        langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden
                        gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. </al><al><vet>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Artikel
                            5.4.1 Preventie</vet></al><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. </al><al><vet><onderstreept>6 Brandveilig gebruik
                        (Vervallen)</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>7 Overige gebruiksbepalingen</onderstreept></vet></al><al><vet>Paragraaf 1 Overbevolking </vet></al><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</vet></al><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning
                        wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte.
                            <vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen</vet></al><al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te bewonen met
                        of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een woonkeet wordt
                        bewoond door meer dan één persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte. </al><al><vet>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</vet></al><al><vet>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</vet></al><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te
                        doen gebruiken, indien door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld, dat
                        zulks gevaarlijk is in verband met: </al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk; </al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek
                            aan hygiëne</vet></al><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                        afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige
                        voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken
                        over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen
                        beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of
                        een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezagg gelasten het
                        gebruik van het bouwwerk te staken. </al><al><vet>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen
                            (Vervallen)</vet></al><al><vet>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</vet></al><al><vet>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit
                        omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op 10 personen. </al><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein
                        voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te
                        verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: </al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet,
                                walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het
                                bouwwerk, het open erf of terrein; </al></li><li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of
                                vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt
                                veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder
                                begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein; </al></li><li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt. </al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft
                        nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in
                        deze wet genoemde wet van toepassing is. </al><al><vet>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</vet></al><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. </al></li><li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt
                                aangetrokken. </al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 5 Watergebruik</vet></al><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                        schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken.
                            <vet>Paragraaf 6 Installaties</vet></al><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit , het Besluit
                        brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid
                        verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een
                        onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt. </al><al><vet><onderstreept>8 Slopen</onderstreept></vet></al><al><vet>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al><vet>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken, en woonwagens daaronder begrepen, te
                                slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd
                                gezag. </al></li><li nr="2."><al>Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een
                                belsuit op grond van artikel 13 van de Woningwet, dan wel een
                                besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last
                                onder dwangsom. Het beboegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden
                                verbinden als bedoeld in het derde lid. </al></li><li nr="3."><al>het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunninng voor het
                                slopen slechts voorschriften over: </al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen; </al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken; </al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van
                                        het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een
                                        fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie
                                        overig afval; </al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van
                                        de gegevens als bedoeld in <onderstreept>artikel
                                            8.1.2</onderstreept>, tweede lid, letter c, voor zover
                                        deze gegevens niet reeds zijn overgelegd. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid,
                                onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen,
                                de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het
                                sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het
                                sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest
                                voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de
                                afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                plaatsvinden. </al></li><li nr="5."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien
                                in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een
                                seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen
                                van het tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van artikel
                                45 van de Woningwet.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag omgevingsvergunning voor het slopen
                            (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook
                                door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                worden gewaarborgd; </al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen
                                onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften
                                niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; </al></li><li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten
                                ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een
                                gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is
                                verleend; </al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de
                                Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangrecht
                                van de Invoeringswet ruimtelijke ordening de werking heeft behouden,
                                is vereist en deze niet is verleend; </al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekking omgevingvergunningvoor het slopen</vet></al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige
                                opgave van gegevens; </al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                omgevingsvergunning voor het slopen geen begin met de werkzaamheden
                                is gemaakt; </al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                stilliggen. </al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning
                            voor het slopen</vet></al><al><vet>Artikel 8.2.1 omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>1.In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen omgevingsvergunning
                        voor het slopen vereist voor het anders dan in de uitoefening van een beroep
                        of bedrijf in zijn geheel slopen van: </al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een
                                op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of
                                het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en
                                de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt; </al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning
                                staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het
                                kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt
                                of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                                te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt; mits
                                het voornemen tot dit slopen is gemeld bij het bevoegd gezag en door
                                het bevoegd gezag binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld
                                is medegedeeld dat geen omgevingsvergunning voor het slopen is
                                vereist. </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden
                                gemeld met gebruikmaking van een door of namens het bevoegd gezag
                                vastgesteld formulier. </al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in ..voud
                                worden ingediend. </al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld. </al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en
                                het gebruik van het bouwwerk. </al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens het
                                bevoegd gezag een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt,
                                waarin de datum van ontvangst is vermeld. </al></li><li nr="7."><al>Indien het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde mededeling
                                niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de
                                mededeling van rechtswege gedaan. </al></li><li nr="8."><al>Het bevoegd gezag kunnen aan een mededeling als bedoeld in het
                                eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                verwijdering, opslag en afvoer van asbest. </al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                zevende lid is verplicht het gestelde in een door de minister van
                                volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer uitgegeven
                                publicatie ter zake van het slopen van asbest bevattende
                                vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder verplicht de
                                voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede de voorschriften
                                die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van het
                                Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te nemen.
                            </al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop
                                vrijkomt is niet toegestaan. </al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en
                                met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen het
                                bevoegd gezag degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid
                                om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende gegevens
                                over te leggen. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                            omgevingsvergunning voor het slopen </vet></al><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                        omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor zover
                        dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van
                        de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen
                        van: </al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; </al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van
                                kassen; </al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen; </al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren; </al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan
                                2250 kilowatt. </al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</vet></al><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</vet></al><al>Het bepaalde in de <onderstreept>artikelen 4.8 </onderstreept>tot en met
                        4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein. </al><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</vet>
                        Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of een
                        besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                        dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                        inzage worden gegeven. </al><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor
                            het slopen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het
                                slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een
                                deskundig bedrijf. </al></li><li nr="2."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een
                                afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig
                                bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.
                            </al></li><li nr="3."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten
                                minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het
                                bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                plaatsvinden. </al></li><li nr="4."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen
                                twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag
                                een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het
                                slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen
                                asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan
                                terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht. </al></li><li nr="2."><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op
                                de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van
                                die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten
                                genoemde meldingen schriftelijk geschieden. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                        asbest</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk
                                aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt
                                gesloopt. </al></li><li nr="2."><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met
                                asbest te voorkomen. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                            tuinbouwkassen</vet> Vervallen </al><al><vet>Paragraaf 4 Vrij slopen</vet></al><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning
                                krachtens <onderstreept>artikel 8.1.1</onderstreept>, noch een
                                melding krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te
                                worden gescheiden in de navolgende fracties: </al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9); </al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips; </al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking; </al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen; </al></li><li nr="e."><al>asfalt; </al></li><li nr="f."><al>dakgrind; </al></li><li nr="g."><al>overig afval. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten
                                op het sloopterrein gescheiden worden gehouden. </al></li></lijst><al><vet><onderstreept>9 Welstand</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan
                                .”Het Oversticht” die uit haar midden personen voordraagt als lid
                                van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de
                                welstandscommissie. </al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld
                                in <onderstreept>artikel 44</onderstreept>, eerste lid onder d
                                respectievelijk artikel 44, derde lid juncto eerste lid onder d van
                                de Woningwet. </al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder
                                een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden
                                deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit
                                dan wel cultuurhistorie. </al></li><li nr="2."><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen. </al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. </al></li><li nr="4."><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                gemeentebestuur. </al></li><li nr="5."><al>In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente anders
                                als bedoeld in het eerste lid zitting hebben. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de
                                het bevoegd gezag benoemd en ontslagen door de gemeenteraad. </al></li><li nr="2."><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar. </al></li><li nr="3."><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als
                                    <onderstreept>bijlage 9</onderstreept> bij deze verordening is
                                vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande leden,
                                nadere benoemingsprocedures. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
                        voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al><lijst><li nr="·"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                                welstandsnota; </al></li><li nr="·"><al>de werkwijze van de welstandscommissie; </al></li><li nr="·"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen; </al></li><li nr="·"><al>de aard van de beoordeelde plannen; </al></li><li nr="·"><al>de bijzondere projecten. </al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien
                        van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de
                        aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. </al><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door
                                of namens het bevoegd gezag daarom is verzocht. </al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen eerste fase, indien deze
                                vergunning betrekking heeft op een deel van ee project of een
                                gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of
                                namens burgmeester en wethouders daarom is verzocht. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kunnen in hun verzoek om advies de
                                welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                het welstandsadvies. Een langere termijn kan door het bevoegd gezag
                                worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag </al><lijst><li nr="a."><al>Is verlengd met toepasing van artikel 3.9, tweede lid van de
                                        Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.; </al></li><li nr="b."><al>Is verlengd met toepasing van artikel 3.9, tweede lid van de
                                        Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; </al></li><li nr="c."><al>Is verlengd met toepasing van artikel 3.9, tweede lid van de
                                        Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                        toelichting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie
                                wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                geschikte wijze. Indien het bevoegd gezag - al dan niet op verzoek
                                van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling,
                                dan dienen het bevoegd gezag daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de
                                beoordeling als de adviezen. </al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor
                                het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan. </al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. </al></li><li nr="4."><al>Alternatief 1: Belanghebbenden hebben in toelichtende zin
                                spreekrecht. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat
                                als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een
                                procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in
                                de toelichtende fase en de beraadslagingen. </al></li></lijst><al>Alternatief 2: Belanghebbenden hebben geen spreekrecht. </al><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De
                                aangewezen leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over
                                bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de
                                welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. </al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog
                                voor aan de welstandscommissie. </al></li><li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                                burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen. </al></li></lijst><al><vet> Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk. </al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het
                                bevoegd gezag gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning
                                voor het bouwen. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                            standplaatsen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van <onderstreept>artikel 12</onderstreept>
                                van de Woningwet het voornemen heeft een gebied van de gemeente of
                                een categorie bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt
                                de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat: </al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend; </al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens <onderstreept>artikel 150</onderstreept>
                                Gemeentewet vastgestelde verordening. </al></li></lijst><al><vet><onderstreept>10 Overige administratieve
                            bepalingen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 10.2 (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 10.5 (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften</vet></al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                        vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                        voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening
                        behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de
                        betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien
                        of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. </al><al><vet><onderstreept>11 Handhaving</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 11.1 (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 11.2 (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 11.3 (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (Vervallen)</vet></al><al><vet><onderstreept>12 Straf-, overgangs- en
                            slotbepalingen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 12.1 Vervallen</vet></al><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist in enig ander verband dan de aanvraag om
                        omgevingsvergunning voor het bouwen indicatief bodemonderzoek is verricht,
                        geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde
                        verkennende bodemonderzoek, tenzij het bevoegd gezag van mening zijn dat het
                        indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                        gezien. </al><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                            erven en terreinen</vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                        gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op
                        basis van een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 47,
                        eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere
                        vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de
                        bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld. </al><al><vet>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning
                            (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet> Vervallen </al><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de 1e dag na die waarop zij is
                                afgekondigd. </al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen: </al><lijst><li nr="a."><al>de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. .27
                                        mei 2004 en alle daarin aangebrachte wijzigingen; </al></li><li nr="b."><al>de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij
                                        raadsbesluit d.d. 2 janauri 2001 en alle daarin aangebrachte
                                        wijzigingen, voor zover deze brandbeveiligingsverordening
                                        eisen aan het brandveilig gebruik van bouwwerken stelt.
                                    </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'bouwverordening gemeente
                                Zwartewaterland 2006'. </al><al/><al/></li></lijst></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Zwartewaterland van 9 september 2010.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>A. J. Kastelein-Renkema J. van Dijk</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Bijlage 1</vet> Gegevens en bescheiden aanvraag omgevingsvergunning voor
                    het bouwen</al><al>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1 </al><al><vet>Artikel 1 De bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen
                        behorende bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2 De bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen
                        behorende gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de
                        bouwverordening (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 3 Funderingsplan (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)Artikel 5
                        Bouwveiligheidsplan (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)</vet></al><al><vet>Bijlage 2 (Vervallen)</vet></al><al><vet>Bijlage 3 (Vervallen)</vet></al><al><vet>Bijlage 4 (Vervallen)</vet></al><al><vet>Bijlage 5 (Vervallen)</vet></al><al><vet>Bijlage 6 (Vervallen)</vet></al><al><vet>Bijlage 7</vet> Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de
                    buitenriolering op erven en terreinenBijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De
                    NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende: </al><lijst><li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen'
                            (met correctieblad d.d. december 1979); </al></li><li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                            correctieblad d.d. december 1979); </al></li><li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                            buitenrioleringen'; </al></li><li nr="d."><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                            buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel 1. Eisen voor
                            buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig); </al></li><li nr="e."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                            aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3,
                            uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig); </al></li><li nr="f."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                            aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en
                            monstername' (Engelstalig); </al></li><li nr="g."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3.
                            Beproevingsmethoden' (Engelstalig). </al></li></lijst><al><vet>Bijlage 8(Vervallen)</vet></al><al><vet><onderstreept>Bijlage 9 Reglement van orde van de
                            welstandscommissie</onderstreept></vet></al><al><vet>overeenkomst Welstands- en Monumentenadvisering </vet></al><al><vet>Het Oversticht</vet></al><al><vet>ingaande 1 januari 2006</vet></al><al><vet>Inhoud</vet></al><al><vet>1. Onafhankelijkheid</vet></al><al><vet>2. Benoeming en samenstelling van de commissie </vet></al><al>2.1.Benoemingsprocedure</al><al>2.2.Samenstelling van de commissie</al><al><vet>3. Taakomschrijving</vet></al><lijst><li nr="3.1."><al>Taken van de commissie</al></li><li nr="3.1.1."><al>Wettelijke taken</al></li><li nr="3.1.2."><al>Niet wettelijk verplichte taken</al></li><li nr="3.2."><al>Taakomschrijving commissieleden</al></li><li nr="3.2.1."><al>Taken voorzitter</al></li><li nr="3.2.2."><al>Taken van de gewone leden van de commissie</al></li><li nr="3.2.3."><al>Taken van de rayonarchitect</al></li><li nr="3.2.4."><al>Taken lokale leden</al></li><li nr="3.2.5."><al>Taken externe deskundigen</al></li><li nr="3.2.6."><al>Taken ambtelijk secretaris</al></li></lijst><al><vet>4. Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</vet></al><al><vet>5. Werkwijze van de commissie</vet></al><lijst><li nr="5.1."><al>Vooroverleg</al></li><li nr="5.2."><al>Gemandateerde behandeling</al></li><li nr="5.2.1."><al>Mandaat kleine commissie</al></li><li nr="5.2.2."><al>Het mandaatadvies</al></li><li nr="5.2.3."><al>Toelichting opdrachtgever / ontwerper</al></li><li nr="5.2.4."><al>Spreekrecht</al></li><li nr="5.3."><al>Openbare vergadering van de commissie</al></li><li nr="5.3.1."><al>Locatie jaarrooster en agenda</al></li><li nr="5.3.2."><al>Toelichting opdrachtgever / ontwerper</al></li><li nr="5.3.3."><al>Spreekrecht</al></li><li nr="5.4."><al>Het advies</al></li><li nr="5.4.1."><al>Welstandsadvies</al></li><li nr="5.4.2."><al>Monumentenadvies</al></li></lijst><al><vet>6. Afwijking van het advies / secondopinion</vet></al><al><vet>7. Evaluatie en aanpassing van de welstandsnota</vet></al><al><vet>8. Excessenregeling</vet></al><al><vet>9. Tarieven advisering overeenkomst</vet></al><al><vet>1. Onafhankelijkheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie is een door de gemeenteraad benoemde commissie die
                            aan het bevoegd gezag advies uitbrengt over de vraag of het uiterlijk of
                            de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen is ingediend, in strijd is met
                            redelijke eisen van welstand.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie voert haar taak uit in onafhankelijkheid.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk
                            welstandsbeleid en baseert haar advies uitsluitend op de in de
                            welstandsnota genoemde welstandscriteria.</al></li></lijst><al><vet>2. Benoeming en samenstelling van de commissie</vet></al><al><vet>2.1. Benoemingsprocedure</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad wijst op voordracht van het bevoegd gezag de vereniging
                            'Het Oversticht' aan als deskundig orgaan voor de welstandsadvisering
                            (welstandscommissie).</al></li><li nr="2."><al>Het Oversticht legt de gemeente een lijst voor met de beoogde
                            commissieleden. Indien gewenst vindt hierover overleg plaats tussen de
                            gemeente en Het Oversticht.</al></li><li nr="3."><al>Voor de lokale leden en hun plaatsvervangers geldt een afwijkende
                            procedure. Alvorens deze leden worden benoemd, overleggen het bevoegd
                            gezag met Het Oversticht over het profiel van deze lokale leden. Er
                            mogen maximaal twee lokale leden in de commissie worden benoemd. Lokale
                            leden ontvangen via de gemeente een onkostenvergoeding.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter, de gewone leden en de rayonarchitecten en hun
                            plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de
                            mogelijkheid van verlenging met nog eens drie jaar.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van de voorzitter, de gewone leden en de lokale leden
                            van de commissie treden plaatsvervangers op in de
                            commissievergadering.</al></li><li nr="6."><al>De rayonarchitect kan zich door een collega rayonarchitect laten
                            vervangen.</al></li><li nr="7."><al>De voorzitter, de gewone leden, de lokale leden en de rayonarchitect en
                            hun plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het
                            gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen
                            bindingen of relaties op basis waarvan het advies over de
                            welstandsaspecten wordt beïnvloed.</al></li></lijst><al><vet>2.2. Samenstelling van de commissie.: integrale welstands- en
                        monumentencommissie </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente wijst Het Oversticht aan om naast het adviseren over de
                            welstandsaspecten van bouwplannen ook adviezen uit te brengen over
                            wijzigingsplannen voor monumenten. Dit vindt plaats door een integrale
                            welstands- en monumentencommissie.</al></li><li nr="2."><al>De commissie bestaat uit een voorzitter, twee gewone leden, de
                            rayonarchitect van Het Oversticht en tenminste één monumentendeskundige.
                            De rayonarchitect en de gewone leden zijn deskundig op het terrein van
                            architectuur, stedenbouw en aanverwante vakgebieden. De commissie kan
                            zich naar eigen inzicht laten bijstaan door externe deskundigen van het
                            bureau van Het Oversticht of daarbuiten. Dit betreft disciplines als
                            architectuurhistorie, bouwhistorie en landschapsarchitectuur.
                            Afhankelijk van het type plan dat moet worden beoordeeld nemen de extra
                            deskundigen deel aan de vergadering. Zij hebben geen stemrecht, tenzij
                            ze als commissielid zijn benoemd door de gemeente.</al></li></lijst><al><onderstreept>a. .</onderstreept> in de integrale welstands- en
                    monumentencommissie heeft één lokaal lid zitting</al><lijst><li nr="3."><al>De integrale commissie brengt bij wijzigingsplannen voor monumenten een
                            advies uit, waarin zowel de aspecten op grond van de Woningwet 2002
                            (welstandsbeleid), als aspecten op grond van de Monumentenwet 1988 en de
                            gemeentelijke en provinciale monumentenverordeningen worden betrokken.
                            In het geïntegreerde advies komt duidelijk naar voren welke aspecten
                            betrekking hebben op de welstand en welke op de aanvraag om een
                            monumentenvergunning. De commissie formuleert één gezamenlijke
                            conclusie.</al></li><li nr="4."><al>De integrale commissie kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste
                            drie leden aanwezig zijn (waaronder de rayonarchitect of zijn
                            plaatsvervanger) en waarvan twee leden deskundig zijn op het gebied van
                            welstand. Voor de behandeling van monumentenplannen is daarnaast altijd
                            de aanwezigheid van de monumentendeskundige of zijn plaatsvervanger
                            vereist.</al></li></lijst><al><vet>3. Taakomschrijving</vet></al><al><vet>3.1. Taken van de commissie </vet></al><al>De commissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk
                    verplichte taken. De wettelijk verplichte taken worden uitgevoerd op grond van
                    de Woningwet.</al><al>De wettelijk verplichte taken van (de integrale) welstands- en
                    monumentencommissie worden uitgevoerd op grond van de Woningwet 2002, de
                    Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke en provinciale
                    monumentenverordeningen.</al><al>De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid,
                    zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota. </al><al><vet>3.1.1 Wettelijke taken</vet></al><al>1.<onderstreept>Toetsing van vergunningplichtige bouwwerken</onderstreept></al><al>De commissie is bevoegd om het bevoegd gezag te adviseren over de
                    welstandsaspecten van reguliere en gefaseerde aanvragen om omgevingsvergunning
                    voor het bouwen als bedoeld in artikel 44, lid 1 van de Woningwet 2002.</al><al>2.<onderstreept>Toetsing van licht-vergunningplichtige
                    bouwwerken</onderstreept></al><al>De commissie is bevoegd om het bevoegd gezag te adviseren over de
                    welstandsaspecten van aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen als
                    bedoeld in artikel 44, lid 2 van de Woningwet 2002. </al><lijst><li nr="q"><al> de gemeente legt vergunningplichtige adviesaanvragen voor aan de
                            gemandateerde rayonarchitect</al><lijst><li nr=""><al>3. <onderstreept>Jaarverslag commissie</onderstreept></al></li><li nr=""><al>De commissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag
                                    voor van de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag
                                    zet de commissie tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing
                                    heeft gegeven aan de welstandscriteria.</al></li><li nr=""><al>Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het
                                    jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een
                                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de commissie.</al></li><li nr=""><al>4. <onderstreept>Toetsing van monumentenaanvragen door de
                                        welstands- en monumentencommissie</onderstreept></al></li><li nr=""><al>De commissie adviseert inzake wijzigingsplannen voor monumenten
                                    en de directe omgeving. (zie verder onder: 2.2. Samenstelling
                                    van de commissie, mogelijkheid 2, punt 3).</al></li><li nr=""><al><vet>3.1.2 Niet wettelijk verplichte taken</vet></al></li><li nr=""><al>De commissie krijgt de opdracht om naast de wettelijke, ook niet
                                    wettelijk verplichte taken uit te voeren. Het betreft hier
                                    bijvoorbeeld:</al></li></lijst></li><li nr="q"><al>de beoordeling van aanvragen voor reclames;</al></li><li nr="q"><al>onder de regie van de gemeente, en op verzoek van de commissie, de
                            gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht overleg voeren met
                            betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen;</al></li><li nr="q"><al>desgevraagd adviezen uitbrengen aan het bevoegd gezag over de
                            welstands-, monumenten- en landschapsaspecten van in voorbereiding
                            zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen,
                            stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken;</al></li><li nr="q"><al>desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische
                            ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de
                            gemeente </al></li><li nr="q"><al>desgevraagd adviseren in het geval van excessen; buitensporigheden in
                            het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident
                            zijn</al></li><li nr="q"><al>voorlichting geven inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad, het
                            bevoegd gezag en burgers. </al></li></lijst><al><vet>3.2 Taakomschrijving commissieleden</vet></al><al><vet>3.2.1.Taken voorzitter</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie
                            en de kwaliteit van de advisering. De voorzitter waakt er voor dat de
                            commissie adviseert binnen de kaders van het gemeentelijke
                            welstandsbeleid. Tijdens de openbare vergadering treedt de voorzitter op
                            als gastheer voor alle aanwezigen. Hij legt in het kort de
                            vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezigen bij een
                            bepaald plan wil inspreken. Indien een plan in vooroverleg is besproken,
                            geeft de voorzitter (of de rayonarchitect) een korte samenvatting van
                            hetgeen in dat stadium van het planproces is besproken.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang
                            van de agenda. In de discussies draagt hij er zorg voor dat alle
                            commissieleden hun mening voldoende naar voren kunnen brengen. Hij geeft
                            na de inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag voor alle
                            aanwezigen een korte en heldere samenvatting.</al></li><li nr="3."><al>Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de
                            pers treedt de voorzitter namens de commissie naar buiten.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter organiseert met de commissie een jaarlijkse, inhoudelijke
                            evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten worden opgenomen in het
                            jaarlijkse verslag van de commissie aan de gemeenteraad.</al></li></lijst><al><vet>3.2.2. Taken van de gewone leden van de commissie </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gewone leden geven op basis van hun deskundigheid een onafhankelijke
                            visie op de adviesaanvragen.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer een gewoon lid een zakelijke binding heeft met een plan waarvoor
                            advies wordt gevraagd, treedt hij voor de duur van de behandeling van de
                            aanvraag terug uit de commissie, dan wel wordt hij voor de betreffende
                            vergadering vervangen.</al></li><li nr="3."><al>De gewone leden overleggen ter vergadering met aanvragers, architecten
                            en andere ontwerpers.</al></li></lijst><al><vet>3.2.3. Taken van de rayonarchitect</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De rayonarchitect van Het Oversticht onderhoudt de contacten met de
                            relevante gemeentelijke diensten, neemt de adviesaanvragen in, verzamelt
                            relevante informatie en bereidt de behandeling in de commissie
                            voor.</al></li><li nr="2."><al>Indien de adviesaanvragen niet zijn voorzien van de in artikel 4.1.
                            genoemde bescheiden, neemt de rayonarchitect de adviesaanvraag niet voor
                            behandeling in de commissie aan.</al></li><li nr="3."><al>De rayonarchitect stelt namens de voorzitter de agenda voor de
                            commissievergaderingen op en geeft die door aan de ambtelijk secretaris.
                            Tijdens de commissievergadering introduceert de rayonarchitect de
                            plannen.</al></li><li nr="4."><al>De rayonarchitect legt de beraadslaging en conclusie over een bouwplan
                            vast in een schriftelijk advies.</al></li></lijst><al>De directeur van Het Oversticht is verantwoordelijk voor de inhoud van het
                    uitgebrachte advies.</al><lijst><li nr="5."><al> De rayonarchitect voorziet de plannen, waarvoor hij een mandaat heeft,
                            van een advies.</al></li><li nr="6."><al>De rayonarchitect voert als gemandateerd lid van de commissie het
                            vooroverleg en het overleg naar aanleiding van een schriftelijk advies,
                            met de gemeente, de planindieners, de ontwerpers en andere
                            belanghebbenden.</al></li><li nr="7."><al>De rayonarchitect is verantwoordelijk voor het spreekuur dat daarvoor in
                            de gemeente bestaat en legt van elk gevoerd gesprek puntsgewijs de
                            gemaakte afspraken vast.</al></li></lijst><al><vet>3.2.4. Taken lokale leden </vet></al><al>De in de commissie zitting hebbende lokale leden geven op basis van hun ervaring
                    met en inzicht in de ruimtelijke kwaliteit van de lokale samenleving een
                    onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Wanneer een lokaal lid een zakelijke
                    binding heeft met een plan waarvoor advies wordt gevraagd, dan laat hij zich
                    voor de betreffende commissievergadering vervangen. </al><al><vet>3.2.5. Taken externe deskundigen</vet></al><al>De in de commissie zitting hebbende externe deskundigen geven vanuit hun
                    ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de
                    adviesaanvragen. Wanneer een extern deskundige een zakelijke binding heeft met
                    een plan waarvoor advies wordt gevraagd, dan laat hij zich voor de betreffende
                    commissievergadering vervangen. Bij langlopende projecten waarbij de inbreng van
                    de commissie wordt verwacht en waarbij de extern deskundige een zakelijke
                    binding heeft, treedt deze in overleg met de commissie en Het Oversticht
                    tijdelijk terug. </al><al><vet>3.2.6. Taken ambtelijk secretaris</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtelijk secretaris voorziet de commissie van de benodigde
                            bescheiden. Relevante informatie voor het beoordelen van plannen is /
                            zijn;</al></li><li nr="·"><al>de gemeentelijke welstandsnota</al></li><li nr="·"><al>de bestemmingsplanbepalingen</al></li><li nr="·"><al>de beeldkwaliteitplannen</al></li><li nr="·"><al>luchtfoto’s (indien mogelijk)</al></li><li nr="·"><al>het stedenbouwkundig advies of advies ruimtelijke ontwikkeling</al></li><li nr="·"><al>vergelijkbare aanvragen die door de commissie zijn beoordeeld.</al></li><li nr="2."><al>De ambtelijk secretaris is verantwoordelijk voor het openbaar maken van
                            de agenda van de vergaderingen van de commissie.</al></li></lijst><al><vet>4. Werkwijze 'BOUW- EN WONINGTOEZICHT'</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar van BWT draagt er zorg voor dat alleen bouwplannen waarvan
                            de planologische aanvaardbaarheid vaststaat, voor advies aan de
                            commissie worden voorgelegd.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar van BWT controleert of plannen (inclusief plannen die
                            worden aangeboden voor vooroverleg) voldoen aan de indieningvereistenals
                            genoemd in de Ministriele Regelning Omgevinsrecht (Mor)
                            indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen. Onder
                            “Gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan welstandscriteria”
                            zijn hier als vereiste besc</al></li></lijst><al>heiden aangegeven:</al><lijst><li nr="·"><al>Tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van de
                            belendende bebouwing</al></li><li nr="·"><al>Detailtekeningen van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk</al></li><li nr="·"><al>Foto’s van de bestaande situatie en omliggende bebouwing</al></li><li nr="·"><al>Opgave materiaal- en kleurgebruik van toe te passen bouwmaterialen
                            (uitwendige scheidingsconstructie).</al><al>Andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling zijn:</al></li><li nr="·"><al>bouwkundige tekeningen met adequate informatie over plattegronden en
                            doorsnedes.</al></li><li nr="·"><al>een situatietekening waarop aangegeven de locatie, de rooilijnen, de
                            belendingen en de inrichting van het bouwterrein.</al></li><li nr="·"><al>een volledig ingevuld adviesaanvraagformulier van Het Oversticht
                            (inclusief de bouwsom)</al></li><li nr="·"><al>een volledig ingevulde kleur- en/of materiaalstaat van Het
                            Oversticht</al></li></lijst><al><vet>5. WERKWIJZE VAN DE COMMISSIE</vet></al><al><vet>5.1. Vooroverleg </vet></al><al>1. De gemeente kan een nog niet formeel ingediende aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen ter advisering voorleggen aan de
                    commissie.</al><al>2. Van het vooroverleg wordt altijd een verslag gemaakt, dat met de besproken
                    bescheiden wordt opgenomen in een projectdossier. Dit verslag wordt openbaar als
                    het plan formeel aan de commissie wordt voorgelegd.</al><al>3. Het vooroverleg vindt in principe in beslotenheid plaats. Hiervan kan worden
                    afgeweken na overleg tussen de gemeente, de aanvrager en de commissie, c.q.
                    diens gemandateerde.</al><al><vet>5.2 Gemandateerde behandeling</vet></al><al>1. De rayonarchitect behandelt in de regel om de twee weken op locatie de
                    adviesaanvragen. Hij heeft een mandaat van de commissie om zelfstandig
                    adviesaanvragen af te handelen. Het uitgangspunt voor de mandaatverlening is dat
                    de rayonarchitect alleen die aanvragen beoordeelt van een relatief geringe
                    ruimtelijke betekenis, of van aanvragen waar gelet op meerdere vergelijkbare
                    gevallen, de mening van de commissie als bekend mag worden verondersteld. In
                    geval van twijfel legt de gemandateerde de aanvraag alsnog voor aan de
                    welstandscommissie. </al><al>2. De rayonarchitect heeft voor vergunningplichtige plannen alleen het mandaat
                    om positieve adviezen uit te brengen. Bij kleine vergunningplichtige plannen mag
                    de rayonarchitect ook negatief adviseren.</al><al>3. De directeur van Het Oversticht is eindverantwoordelijk voor het onder
                    mandaat uitgebrachte welstandsadvies. Tenminste één maal per jaar vindt overleg
                    plaats tussen de directeur, de rayonarchitect en de welstandscommissie over het
                    mandaat. </al><al>4. De behandeling van adviesaanvragen onder mandaat is niet openbaar.</al><al><vet>5.2.1. Mandaat kleine commissie</vet></al><al>De gemandateerde rayonarchitect kan -op verzoek van de welstandscommissie, de
                    gemeente of op eigen verzoek- worden bijgestaan door een ander commissielid.
                    Deze 'kleine commissie' beschikt over hetzelfde mandaat als de
                    rayonarchitect.</al><al><vet>5.2.2. Het mandaatadvies</vet></al><al>De rayonarchitect brengt welstandsadviezen uit aan het bevoegd gezag over de
                    vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats,
                    zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten
                    ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand'
                    (artikel 12, lid 1, Woningwet 2002). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de
                    criteria zoals opgenomen in de welstandsnota.</al><al>Een positief mandaat-welstandsadvies wordt uitgebracht door een stempel
                    'akkoord' op het adviesformulier te plaatsen. Een negatief
                    mandaat-welstandsadvies (alleen bij licht-vergunningplichtige plannen) wordt
                    schriftelijk gemotiveerd met een verwijzing naar de relevante criteria uit de
                    welstandsnota.</al><al><vet>5.2.3. Toelichting opdrachtgever / ontwerper</vet></al><al>Alleen de aanvrager of diens gemachtigde wordt altijd in de gelegenheid gesteld
                    om de gemandateerde behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten.
                    Indien zij bij de behandeling aanwezig willen zijn, vermelden zij dit op het
                    daartoe bestemde formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De
                    gemeente zorgt voor de uitnodigingen.</al><al><vet>5.2.4. Spreekrecht</vet></al><lijst><li nr="q"><al><onderstreept>mogelijkheid 1.</onderstreept> Tijdens de gemandateerde
                            behandeling wordt de aanvrager of diens gemachtigde de mogelijkheid tot
                            spreekrecht geboden</al></li><li nr="q"><al><onderstreept>mogelijkheid 2.</onderstreept> Tijdens de gemandateerde
                            behandeling wordt de aanvrager of diens gemachtigde niet de mogelijkheid
                            tot spreekrecht geboden.</al></li></lijst><al><vet>5.3 Openbare vergadering van de commissie </vet></al><al><vet>5.3.1. Locatie, jaarrooster en agenda</vet></al><al>1.De commissie vergadert in de regel eenmaal per twee weken op een vaste
                    locatie, een vaste dag en een vast tijdstip, volgens een tevoren, per
                    kalenderjaar vast te stellen rooster.</al><al>De rayonarchitect behandelt in de tussenliggende periode de kleinere
                    adviesaanvragen ( zie punt 5.2.1.)</al><lijst><li nr="2."><al>De data en tijdstippen van de vergaderingen worden opgenomen in het
                            jaarrooster. Deze data en tijdstippen en de locatie van iedere
                            vergadering worden tijdig vóór de vergadering openbaar gemaakt in een
                            van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                            huis-aan-huisblad dan wel op een andere, naar het oordeel van het
                            college van het bevoegd gezag, geschikte wijze.</al></li><li nr="3."><al>De agenda van de vergadering van de commissie wordt tijdig vóór die
                            vergadering bekend gemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of
                            een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad dan wel op een andere, naar het
                            oordeel van het college van het bevoegd gezag, geschikte wijze.</al></li><li nr="4."><al>De behandeling van plannen door de commissie is openbaar, tenzij de
                            voorzitter, het bevoegd gezag, of de belanghebbende van oordeel is dat
                            er op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur klemmende
                            redenen aanwezig zijn voor geheimhouding. De openbaarheid geldt zowel
                            voor de beraadslagingen als voor het formuleren van de conclusie, c.q.
                            het advies.</al></li></lijst><al><vet>5.3.2. Toelichting opdrachtgever / ontwerper</vet></al><al>De aanvrager of diens gemachtigde kan (al dan niet op verzoek van de commissie)
                    in de vergadering van de commissie waarin het betreffende plan wordt behandeld,
                    dit plan nader toelichten. Zij kunnen dit vermelden op het daarvoor bestemde
                    formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de
                    uitnodigingen.</al><al><vet>5.3.3. Spreekrecht </vet></al><al>Alleen de aanvrager of diens gemachtigde heeft tijdens de openbare vergadering
                    van de commissie waarin het betreffende plan wordt behandeld spreekrecht.</al><al><vet>5.4 Het advies</vet></al><al><vet>5.4.1. Welstandsadvies </vet></al><al>1.De commissie toetst het plan aan het gemeentelijk welstandsbeleid
                    (welstandsnota).</al><al>Indien de commissie van oordeel is dat bijzondere omstandigheden nopen tot
                    afwijking van dit beleid, geeft zij bij het uitbrengen van het advies aan het
                    bevoegd gezag gemotiveerd en schriftelijk aan op grond waarvan een afwijking is
                    gerechtvaardigd.</al><lijst><li nr="2."><al>De commissie formuleert het uit te brengen in heldere en duidelijk
                            toetsbare bewoordingen. Het gebruik van abstracte taal en jargon wordt
                            vermeden.</al></li><li nr="3."><al>Een welstandsadvies kan de volgende uitkomsten hebben:</al></li></lijst><al><vet>akkoord</vet>: </al><al>De commissie adviseert positief aan het bevoegd gezag omdat het plan niet
                    strijdig is met redelijke eisen van welstand.</al><al>Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk. Bij het gunstige
                    advies kan de commissie aanbevelingen doen voor aanpassingen van het plan.</al><al><vet>niet akkoord, tenzij</vet>: </al><al>De commissie is van mening dat het plan op onderdelen niet voldoet aan de
                    toetsingscriteria uit de welstandsnota, tenzij aan de in het advies nauwkeurig
                    nader omschreven voorwaarden (verwijzend naar de welstandscriteria) wordt
                    voldaan.</al><al>De commissie geeft nauwkeurig aan welke onderdelen van het plan gewijzigd moeten
                    worden.</al><al>De aanvrager krijgt vervolgens de gelegenheid zijn plan aan te passen, voor
                    zover de gemeente van oordeel is dat dit nog binnen de resterende
                    vergunningtermijn kan worden gerealiseerd.</al><al>Het bevoegd gezag kunnen ook besluiten om de voorwaarden van het welstandsadvies
                    op te nemen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al><vet>niet akkoord</vet>: </al><al>De commissie is van oordeel dat het plan strijdig is met redelijke eisen van
                    welstand. Een negatief welstandsadvies betekent dat een bouwplan ingrijpend
                    gewijzigd moet worden. Adviseert de commissie negatief, dan geeft ze een
                    nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het
                    ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria
                    en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten.</al><al><vet>aanhouden</vet>:</al><al>De commissie kan het advies aanhouden wanneer meer informatie of een toelichting
                    van de ontwerper noodzakelijk is. Bouw- en Woningtoezicht geeft daarbij aan of
                    en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende vergunningtermijn.</al><al><vet>5.4.2. monumentenadvies</vet></al><al>De commissie beoordeelt naast de welstandsaspecten de gevolgen voor de
                    monumentale</al><al>waarden en adviseert het college van het bevoegd gezag gemotiveerd over het al
                    dan niet verlenen van de monumentenvergunning.</al><al><vet>6. Afwijking van het advies / second opinion </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag kan bij het besluit tot verlening van een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van het advies van de
                            commissie, indien zij van mening zijn dat de commissie de van toepassing
                            zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd of toegepast. De
                            redenen voor de afwijking worden bij de bekendmaking van het besluit
                            vermeld. Alvorens definitief te besluiten, bieden het bevoegd gezag de
                            commissie de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder uitgebrachte
                            advies.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag heeft op grond van artikel 44, lid 1 van de Woningwet
                            de mogelijkheid om bij strijdigheid van een bouwplan met de redelijke
                            eisen van welstand toch een omgevingsvergunning voor het bouwen te
                            verlenen, indien zij van oordeel zijn dat daarvoor gewichtige redenen
                            zijn. De afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan eventueel op advies van de commissie gemotiveerd
                            afwijken van de in de gemeentelijke welstandsnota vastgelegde
                            welstandscriteria. Dat kan in het geval dat een bouwplan niet voldoet
                            aan de welstandscriteria, maar wel aan redelijke eisen van welstand. In
                            die gevallen moet worden verwezen naar algemene beoordelingscriteria die
                            in de welstandsnota zijn opgenomen.</al></li><li nr="4."><al>Indien het bevoegd gezag zich niet kan verenigen met het advies van de
                            commissie, kan zij een 'second opinion' inwinnen bij een andere
                            commissie. Alvorens daartoe over te gaan, stellen het bevoegd gezag de
                            commissie en de Federatie Welstand daarvan op de hoogte.</al></li></lijst><al><vet>7. Evaluatie en aanpassing van de welstandsnota</vet>1. Het bevoegd gezag
                    brengen aan de gemeenteraad jaarlijks verslag uit over de uitvoering van het
                    welstandsbeleid. Voor de aspecten die in dit verslag tenminste aan de orde
                    moeten komen, wordt verwezen naar artikel I, onderdeel F, lid 12c van de
                    Woningwet. (zie bijlage)</al><lijst><li nr="2."><al>Tenminste eenmaal per jaar vindt een evaluatiegesprek plaats tussen een
                            vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de commissie.</al></li><li nr="3."><al>De gemeenteraad beslist op grond van de jaarverslagen en evaluaties over
                            eventuele aanvullingen en/of aanpassingen van de gemeentelijke
                            welstandsnota.</al></li></lijst><al><vet>8. Excessenregeling</vet></al><al>Het bevoegd gezag kunnen de commissie op grond van artikel 19 van de Woningwet
                    vragen te adviseren over vergunningvrije bouwwerken die in ernstige mate in
                    strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Dat is het geval wanneer het gaat
                    om buitensporigheden in het uiterlijk van een bouwwerk die ook voor
                    niet-deskundigen evident zijn. Hiervoor zijn in de welstandsnota algemene
                    criteria opgenomen. </al><al><vet>9. Tarieven advisering</vet></al><al>De tarieven voor de advisering worden jaarlijks door de <vet>Algemene
                        Ledenvergadering </vet>van Het Overstichtvastgesteld.</al><al>Deze overeenkomst is onderdeel van de 'Dienstverleningsovereenkomst'.</al><al>Zwolle, 22 oktober 2002.</al><al>Vastgesteld op: </al><al>Namens het dagelijks bestuur van Het Oversticht,</al><al>Drs. J. Jansen.</al><al><vet>Bijlage 10 (Vervallen)</vet></al><al><vet>Bijlage 11 (Vervallen)</vet></al><al><vet>Bijlage 12 (Vervallen)</vet></al></bijlage></regeling></body></cvdr>