<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR47230_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken (Inspraakverordening).</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemer Nieuws, d.d. 08-05-2008, pagina 7.</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 150.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-04-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-05-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09-19</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de “Inspraakverordening 1985”.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken (Inspraakverordening).</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Opmerkingen m.b.t. de regeling</vet></al><al/><al>Deze regeling vervangt de “Inspraakverordening 1985”.</al><al/><al/><al><vet>Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is
                            gebaseerd</vet></al><al/><al>1.Gemeentewet, artikel 150.</al><al/><al/><al><vet>Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde
                            regelgeving)</vet></al><al/><al>Geen.</al><al/><al/><al><vet>Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</vet></al><al/><al/><al><vet>Datum</vet></al><al><vet>inwerkingtreding</vet></al><al>09-05-2008</al><al/><al><vet>Terugwerkende kracht t/m</vet></al><al/><al><vet>Betreft</vet></al><al>nieuwe regeling</al><al/><al><vet>Datum ondertekening</vet></al><al><vet>Bron bekendmaking</vet></al><al>24-04-2008</al><al>Diemer Nieuws</al><al>d.d. 08-05-2008, pagina 7.</al><al/><al><vet>Kenmerk voorstel</vet></al><al>nr. 08-19</al><al/><al/><al><vet>Inspraakverordening gemeente Diemen 2008</vet></al><al/><al>Nr.: 08 - 19</al><al>De raad der gemeente Diemen; </al><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18
                        maart 2008;</al><al>gelet op artikel 150 van de Gemeentewet;</al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen de:</al><al>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de
                        voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken
                        (Inspraakverordening).</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Inspraak : het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de
                                voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al></li><li nr="b."><al>Inspraakprocedure : de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                                gegeven;</al></li><li nr="c."><al>Beleidsvoornemen : het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                                vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden
                                of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                                beleid.</al></li><li nr="2."><al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al></li><li nr="3."><al>Geen inspraak wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                        vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li><li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                        uitgesloten;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving
                                        waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks
                                        beleidsvrijheid heeft;</al></li><li nr="d."><al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                        dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van
                                        de Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                        spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li><li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang
                                        van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare
                                        groepen in de samenleving.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                            bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                            inspraakprocedure vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eindverslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag
                            op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of
                            schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt
                            aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het
                            beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                            openbaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn burgerjaarverslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Inspraakverordening 1985, eenmalig gewijzigd op 27 april 2000, wordt
                        ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad op 24 april 2008.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop>Bijlage met wetteksten Gemeentewet en Algemene wet
                    bestuursrecht</tussenkop><al>A.De tekst van artikel 150 Gemeentewet luidt als volgt:</al><tussenkop>Artikel 150</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt een verordening vast waarin regels worden gesteld met
                            betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de
                            voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing
                            van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover in de
                            verordening niet anders is bepaald.</al></li><li nr="B."><al>De tekst van de nieuwe afdeling 3.4 Awb luidt als volgt:</al></li></lijst><al>AFDELING 3.4 UNIFORME OPENBARE VOORBEREIDINGSPROCEDURE</al><tussenkop>Artikel 3:10</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Deze afdeling is van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien
                            dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is
                            bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Afdeling 4.1.1 is mede van toepassing op andere besluiten dan
                            beschikkingen, indien deze op aanvraag worden genomen en voorbereid
                            overeenkomstig deze afdeling.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:11</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de
                            daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor
                            een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige
                            toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage
                            worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.</al></li><li nr="3."><al>Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten verstrekt het bestuursorgaan
                            afschrift van de ter inzage gelegde stukken.</al></li><li nr="4."><al>De stukken liggen ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid,
                            bedoelde termijn.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:12</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in een of
                            meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte
                            wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van
                            de zakelijke inhoud.</al></li><li nr="2."><al>Indien het een besluit van een tot de centrale overheid behorend
                            bestuursorgaan betreft, wordt de kennisgeving in ieder geval in de
                            Staatscourant geplaatst, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
                            bepaald.</al></li><li nr="3."><al>In de kennisgeving wordt vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen;</al></li><li nr="b."><al>wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren
                                    te brengen;</al></li><li nr="c."><al>op welke wijze dit kan geschieden;</al></li><li nr="d."><al>indien toepassing is gegeven aan artikel 3:18, tweede lid: de
                                    termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:13</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht,
                            zendt het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp
                            toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:14</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan vult de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe
                            relevante stukken en gegevens.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3:11, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:15</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of
                            mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.</al></li><li nr="2."><al>Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald
                            dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze
                            naar voren te brengen.</al></li><li nr="3."><al>Indien het een besluit op aanvraag betreft, stelt het bestuursorgaan de
                            aanvrager zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren
                            gebrachte zienswijzen.</al></li><li nr="4."><al>Indien het een besluit tot wijziging of intrekking van een besluit
                            betreft, stelt het bestuursorgaan degene tot wie het te wijzigen of in
                            te trekken besluit is gericht zo nodig in de gelegenheid te reageren op
                            de naar voren gebrachte zienswijzen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:16</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen
                            van adviezen als bedoeld in afdeling 3.3, bedraagt zes weken, tenzij bij
                            wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald.</al></li><li nr="2."><al>De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage
                            is gelegd.</al></li><li nr="3."><al>Op schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen zijn de artikelen 6:9
                            en 6:10 van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:17</tussenkop><al>Van hetgeen overeenkomstig artikel 3:15 mondeling naar voren is gebracht, wordt
                    een verslag gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 3:18</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien het een besluit op aanvraag betreft, neemt het bestuursorgaan het
                            besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van
                            de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft,
                            kan het bestuursorgaan, alvorens een ontwerp ter inzage te leggen,
                            binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid
                            bedoelde termijn met een redelijke termijn verlengen. Voordat het
                            bestuursorgaan een besluit tot verlenging neemt, stelt het de aanvrager
                            in de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid neemt het bestuursorgaan het besluit
                            uiterlijk twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp, indien
                            het een besluit betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>inzake intrekking van een besluit;</al></li><li nr="b."><al>inzake wijziging van een besluit en de aanvraag is gedaan door
                                    een ander dan degene tot wie het te wijzigen besluit is
                                    gericht.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht doet het bestuursorgaan
                            daarvan zo spoedig mogelijk, nadat de termijn voor het naar voren
                            brengen van zienswijzen is verstreken, mededeling op de wijze, bedoeld
                            in artikel 3:12, eerste en tweede lid. In afwijking van het eerste of
                            derde lid neemt het bestuursorgaan het besluit in dat geval binnen vier
                            weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is
                            verstreken.</al></li></lijst></bijlage><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Inspraakverordening gemeente Diemen 2008</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 150 van de Gemeentewet</tussenkop><al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                    verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. De VNG heeft in
                    1993 daarvoor een modelinspraakverordening opgesteld. Vele gemeenten hebben dit
                    model overgenomen. In 2003 heeft de VNG deze verordening grondig herzien. De
                    Modelinspraakverordening is aangepast aan diverse wetswijzigingen op nationaal
                    niveau, bijvoorbeeld aan het klachtrecht dat inmiddels in hoofdstuk 9 van de Awb
                    is opgenomen, de dualisering van het gemeentebestuur (Wet dualisering
                    gemeentebestuur) en de inspraakverplichtingen in verschillende bijzondere wetten
                    (zoals artikel 118 van de Algemene bijstandswet en artikel 7a van de Wet
                    stedelijke vernieuwing). Tevens is het model aangepast aan de Aanwijzingen voor
                    de decentrale regelgeving (Adr).</al><tussenkop>Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb</tussenkop><al>Met deze herziening is tevens beoogd de inspraakverordening aan te passen aan de
                    Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54). Met de
                    inwerkingtreding van deze wet op 1 juli 2005 is afdeling 3.4 van de Awb grondig
                    herzien en artikel 150 van de Gemeentewet gewijzigd.</al><tussenkop>Afdeling 3.4 Awb (oud/nieuw)</tussenkop><al>Afdeling 3.4 Awb heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de
                    wetgeving en het systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving. Bij het
                    inwerkingtreden van de Awb in 1994 bestond naast deze afdeling nog een afdeling
                    3.5 die een uitgebreidere voorbereidingsprocedure kende.</al><al>Met de nieuwe Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb is beoogd deze
                    twee procedures ineen te schuiven en tegelijkertijd te vereenvoudigen. De nieuwe
                    afdeling 3.4 is in verschillende bijzondere wetten van toepassing verklaard. In
                    de Algemene wet bestuursrecht zelf is afdeling 3.4 (nieuw) niet alleen van
                    toepassing verklaard op de voorbereiding van (Awb-)besluiten maar ook op de
                    inspraak bij provincies en gemeenten. De tekst van afdeling 3.4 Awb (nieuw)
                    alsmede de tekst van het nieuwe artikel 150 Gemeentewet zijn als bijlage bij
                    deze toelichting gevoegd.</al><al>Uit de laatste zinsnede van het tweede lid van artikel 150 van de Gemeentewet
                    blijkt dat afwijkingen van afdeling 3.4 Awb zijn toegestaan (zie ook de memorie
                    van antwoord (MvA) Eerste Kamer, 2000-2001, 27 023, nummer 177b, blz. 3). In de
                    memorie van toelichting (MvT) op de wet (TK 1999-2000, 27 023, nummer 3, blz.
                    31) is te lezen dat in de inspraakverordening zowel geheel als gedeeltelijk kan
                    worden afgeweken van afdeling 3.4 Awb. Dit laatste kan bijvoorbeeld geschieden
                    in gevallen waarin het wenselijk is om wel een ontwerp ter inzage te leggen,
                    maar de inspraak daarover op andere wijze te organiseren dan via het mondeling
                    naar voren brengen van zienswijzen of om te werken met andere termijnen, aldus
                    de MvT.</al><tussenkop>Inspraakprocedure/deregulering</tussenkop><al>Aan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren worden vormgegeven. De VNG heeft
                    gekozen voor een sobere regeling mede met het oog op het door haar ondersteunde
                    dereguleringsstreven van opeenvolgende kabinetten. Door het van toepassing
                    verklaren van de procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb en het weghalen
                    van overbodige bepalingen (zoals het beklagrecht) en de onnodige
                    paragraafindeling, is de verordening in 2003 nog verder gedereguleerd. Nu
                    resteert een bondige en goed leesbare verordening van slechts acht artikelen.
                    Bovendien maakt een globale raamregeling het mogelijk dat recht wordt gedaan aan
                    de behoefte van insprekers en gemeentebestuur mede in relatie tot aard, schaal
                    en reikwijdte van het beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. Een
                    gedetailleerde en daardoor rigide wijze van regelgeving dient niet de belangen
                    van insprekers. </al><tussenkop>Alternatieven voor inspraak</tussenkop><al>Inspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en
                    strekking begrensde fase daarin. Er moet onderscheid worden gemaakt met de
                    andere mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te wenden. Te
                    denken valt hierbij aan het spreekrecht bij raads- en commissievergaderingen
                    (regeling via het reglement van orde of een commissieverordening). Andere
                    mogelijkheden die buiten de inspraak vallen zijn: het schrijven van brieven, het
                    bezoeken van spreekuren, het houden van informatiebijeenkomsten, referenda enz.
                    Inspraak is uiteraard ook van een andere orde dan de mogelijkheid om de
                    uitkomsten van de beleidsvaststelling aan te vechten door middel van bezwaar en
                    beroep. </al><al>Inspraak kan ook worden onderscheiden van interactieve beleidsvorming.
                    Interactieve beleidsvorming is een werkwijze, met name bedoeld voor complexe
                    beleidsprocessen waarbij meerdere actoren betrokken zijn, waarbij een
                    overheidsorganisatie in een zo vroeg mogelijk stadium burgers, maatschappelijke
                    organisaties, bedrijven of andere overheden bij het beleid betrekt om zo in een
                    open en evenwichtige wisselwerking of samenwerking met hen tot de voorbereiding,
                    bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te komen. Interactieve
                    beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis en steun van betrokkenen bij
                    beleidsproblemen waarvan de overheid op voorhand niet weet - of nog niet wil
                    bepalen - hoe deze opgelost zullen worden.</al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Inspraak:</al><al>Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in dit artikel
                    opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst van artikel 150 van de
                    Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van
                    het gemeentelijk beleid en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan
                    belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens
                    kenbaar te maken. Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk
                    hulpmiddel in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke
                    belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig artikel 150 van de Gemeentewet
                    'eenzijdig' gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen gedachtewisseling met het
                    bestuursorgaan is inbegrepen. De VNG adviseert echter het tweezijdige element
                    van gedachtewisseling zo mogelijk wel onder de inspraakprocedure te brengen,
                    omdat hiermee een derde doel kan worden gediend, te weten het creëren van
                    draagvlak voor beleidsvoornemens (zie ook de algemene toelichting, onder
                    Alternatieven voor inspraak, over interactieve beleidsvorming).</al><al>Inspraakprocedure:</al><al>De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over inspraak ligt
                    ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de raad. Zoals in de algemene
                    toelichting is vermeld, is in de modelverordening afdeling 3.4 Awb van
                    toepassing verklaard. Artikel 4, tweede lid, van het model geeft het
                    bestuursorgaan ruimte om een andere procedure te volgen. Het bestuursorgaan is
                    immers verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere regeling en organisatie van
                    de inspraak.</al><al>Beleidsvoornemen:</al><al>Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het
                    bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk
                    zijn dat het hierbij niet gaat om de voorbereiding van concrete besluiten of
                    maatregelen (waarvoor voorbereiding met toepassing van afdeling 3.4 Awb ook
                    verplicht kan zijn), maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden
                    gebaseerd.</al><tussenkop>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</tussenkop><al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen
                    bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                    gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1,
                    eerste lid, van de Awb. Het omvat in elk geval raad, college en burgemeester.
                    Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen beleidsvoornemens aan inspraak
                    onderwerpen. In de MvT (TK 1999-2000, 27 023, nummer 3, blz. 20) is vermeld dat
                    het ter volledige beoordeling van de gemeenteraad blijft ten aanzien van welke
                    beleidsvoornemens inspraak wordt verleend. Omdat het in bepaalde gevallen
                    doelmatiger zal kunnen zijn als inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld
                    spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste
                    lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze
                    van inspraak wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen is
                    een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden gemaakt. </al><al>In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een
                    wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Hieronder hebben wij opgesomd welke
                    wettelijke verplichtingen gelden voor inspraak bij de voorbereiding van
                    beleidsvoornemens. Er is van afgezien om dit op te nemen in de tekst van artikel
                    2 zelf, omdat in de eerste plaats bij een nieuwe wettelijke verplichting direct
                    de verordening moet worden aangepast en in de tweede plaats het een dermate
                    uitgebreide opsomming is dat de verordening hiermee onoverzichtelijk wordt.</al><al>Wettelijke bijzondere verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan op dit
                    moment onder andere bij:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel 4.17,
                            derde lid, Wet milieubeheer);</al></li><li nr="b."><al>de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
                            afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10.21 WM (artikel 10.26,
                            tweede lid, Wet milieubeheer);</al></li><li nr="c."><al>de cliëntenparticipatie bij afzonderlijke verordening (artikel 11 Wet
                            maatschappelijke ondersteuning);</al></li><li nr="d."><al>de cliëntenparticipatie Wet werk en bijstand bij afzonderlijke
                            verordening (artikel 47 Wet werk en bijstand), evenals de
                            cliëntenparticipatie overeenkomstig de inspraakverordening op grond van
                            artikel 42 van zowel de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen als van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers;</al></li><li nr="e."><al>de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als
                            bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a en b, van de Woningwet
                            (artikel 12, vierde lid).</al></li></lijst><al>Vervallen zijn inmiddels de bijzondere wettelijke verplichtingen tot het bieden
                    van inspraak in achtereenvolgens de Wet op de Ruimtelijke Ordening (artikel 6a
                    WRO), de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing (artikel 8 Wsdv), de Wet
                    stedelijke vernieuwing (artikel 7a Wsv).</al><al>In het derde lid van de Inspraakverordening is opgenomen wanneer geen inspraak
                    wordt verleend.</al><tussenkop>Jurisprudentie </tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Er zijn geen wettelijke beletselen om bij het in procedure brengen van
                            het ontwerpplan af te wijken van het voorontwerp dat aan inspraak
                            onderworpen is geweest. Dit neemt niet weg dat, indien de afwijkingen
                            ten opzichte van het voorontwerp naar aard en omvang zodanig zijn dat
                            een geheel ander plan is ontstaan, dit aanleiding kan zijn de inspraak
                            opnieuw een aanvang te laten nemen. In dit geval oordeelde de Afdeling
                            bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) dat terecht geen nieuwe
                            inspraak is opengesteld (ABRS 22 januari 2003, inzake nummer
                            200001851/1, LJN-nummer AF3164).</al></li><li nr="·"><al>Uitwerkingsplan ex artikel 11 WRO is een ruimtelijk plan waarop artikel
                            6a WRO ziet en is dus inspraakplichtig. De goedkeuring van een deel van
                            een uitwerkingsplan dat de bouw van woningen mogelijk maakt, is in
                            strijd met artikel 6a WRO en de inspraakverordening nu aan omwonenden
                            geen inspraak is verleend met betrekking tot dit plandeel (ABRS 2 maart
                            2000, GS, 151 (2001) 7133, 7).</al></li><li nr="·"><al>Het is niet in strijd met de inspraakverordening noch met artikel 6a WRO
                            (vervallen op 1 juli 2005) noch met artikel 2:4 Awb dat de raad eerst
                            zelf de aanvaardbaarheid van de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling
                            heeft onderzocht en in het voorontwerp van het plan de voorkeur voor een
                            bepaalde ontwikkeling heeft laten blijken, alvorens in het kader van de
                            inspraakprocedure de bevolking daarover te raadplegen. De afdeling
                            concludeert dat de gevolgde inspraakprocedure correct is (ABRS 31
                            januari 2000, inzake nummer E01.98.0409, LJN-nummer AA5106).</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</tussenkop><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden 'in de gemeente een belang hebbende
                    natuurlijke en rechtspersonen' vervangen door: belanghebbenden. Het begrip
                    'belanghebbende' is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook
                    gelding voor wetgeving buiten de Awb.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>In dit geval is het projectdocument uitsluitend aan het wijkoverlegorgaan
                    voorgelegd. De kring van personen die ingevolge artikel 6a WRO (vervallen op 1
                    juli 2005) moeten worden betrokken bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen
                    is ruimer. Conclusie is dat de inspraak die niet overeenkomstig de
                    inspraakverordening is verleend, in strijd is met artikel 6a WRO (ABRS 14
                    augustus 2002, inzake nummer 200102132/1, LJN-nummer AE6455).</al><tussenkop>Artikel 4 Inspraakprocedure</tussenkop><al>Ter uniformering en deregulering is afdeling 3.4 van de Awb in het eerste lid
                    van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17 Awb is
                    de inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking van het
                    beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken schriftelijk of
                    mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste gevallen zal deze
                    procedure passend zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan op grond van het
                    tweede lid de inspraakprocedure worden aangepast. In bepaalde gevallen kan
                    bijvoorbeeld de genoemde zes-wekentermijn door het bestuursorgaan te lang worden
                    bevonden. Deze termijn zou in de verordening kunnen worden aangepast of bij
                    besluit van het bestuursorgaan op grond van het tweede lid. </al><al>In dit kader wordt voor twee punten aandacht gevraagd.</al><lijst><li nr="1."><al>Een inspraakprocedure kan ook het houden van een facultatief referendum
                            omvatten (uitvoering van de wijze waarop men zijn zienswijze naar voren
                            kan brengen). Dit middel zal echter, gezien de daaraan verbonden kosten,
                            op beperkte schaal worden toegepast. Daarnaast zijn wij ook van mening
                            dat aan de mogelijkheid een referendum te houden in een afzonderlijke
                            verordening moet worden vormgegeven.</al></li><li nr="2."><al>Het is uiteraard mogelijk een (of meer) standaardprocedure(s) te
                            ontwikkelen die wanneer nodig kan (kunnen) worden ingezet. Zo zou voor
                            artikel 19 WRO-procedures een aparte procedure kunnen worden ontwikkeld
                            met bijvoorbeeld een standaardtermijn van twee in plaats van zes
                            weken.</al></li></lijst><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Bij de behandeling van het beroep tegen de goedkeuring van een bestemmingsplan
                    wordt door de afdeling niet ingegaan op het bezwaar van appellant tegen de
                    beperking van de spreektijd tijdens de inspraakavond. Appellant had hiertegen
                    een klacht kunnen indienen en heeft dit niet gedaan, aldus de afdeling (ABRS 10
                    juli 2002, inzake nummer 200103950/1, LJN-nummer AE5107).</al><tussenkop>Artikel 5 Eindverslag</tussenkop><al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. In artikel
                    3:17 (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure: artikel 3:13, vijfde lid) Awb wordt namelijk slechts
                    bepaald dat een verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure
                    mondeling naar voren is gebracht.</al><al>Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde
                    inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is
                    afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage
                    gelegd enz.?</al><al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te
                    bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De
                    schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de MvT
                    bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met een korte
                    zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de
                    personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht.</al><al>Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het
                    bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan.</al><al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                    gebruikelijke wijze openbaar maakt. De bekendmaking van de resultaten van de
                    inspraak is uitermate belangrijk. Daarom wordt aan degenen die hebben
                    ingesproken een exemplaar van het eindverslag gestuurd. Daarnaast wordt de
                    terinzagelegging van het eindverslag algemeen gepubliceerd in het
                    huis-aan-huisblad en op de gemeentelijke website. Als het aantal insprekers
                    omvangrijk is, kan worden gekozen om te volstaan met een algemene bekendmaking.
                    Tijdens de inspraakavond wordt aan de aanwezigen/insprekers meegedeeld hoe de
                    communicatie met betrekking tot rapportage van de inspraak zal verlopen.</al><al>In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht om het eindverslag te
                    vermelden in zijn burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170, tweede lid,
                    aanhef en onder b, van de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 6 Intrekking oude verordening</tussenkop><al>Met deze bepaling wordt de bestaande inspraakverordening ingetrokken. De datum
                    waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de verordening in werking
                    treedt (zie artikel 7).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>