<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR471886_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Car/Uwo 20e wijziging</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hendrik-Ido-Ambacht</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hendrik-Ido-Ambacht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Car/Uwo 20e wijziging</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-01-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-11-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2017-11-07</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Car/Uwo 20e wijziging</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Standaardregeling voor de werktijden</titel></kop><structuurtekst><al>Toelichting op paragraaf 1</al><al>LOGA partijen hebben in de CAO 2011-2012 afspraken gemaakt over flexibilisering van</al><al>de werktijden, aansluitend bij de behoefte van werkgevers en werknemers. De</al><al>standaardregeling is de norm, de bijzondere regeling de uitzondering. Uitgangspunt bij de</al><al>standaardregeling is dat de ambtenaar (enige) vrijheid heeft bij het bepalen van zijn</al><al>werktijden. Dit betekent niet dat er sprake moet zijn van volledige zeggenschap van de</al><al>ambtenaar, dit zou ook strijdig zijn met de gezagsverhouding die de relatie werkgever en</al><al>werknemer typeert. De ambtenaar heeft een zekere vrijheid in het in het bepalen van zijn</al><al>werktijden. De ene dag werkt hij meer omdat hij een deadline moet halen, dit compenseert</al><al>hij door op een ander moment minder te werken. De werkgever kan wel van de ambtenaar</al><al>verlangen dat hij op aangewezen momenten aanwezig of beschikbaar is omdat dit bij de</al><al>uitoefening van zijn functie hoort. Dat strijdt niet met de standaardregeling. Uitgangspunt</al><al>is goed werkgeverschap en goed werknemerschap. De leidinggevende geeft ruimte en</al><al>vertrouwen, de medewerker draagt een grote professionele verantwoordelijkheid. De OR</al><al>heeft in dit proces een belangrijke rol; zij monitort of het proces rondom het individueel</al><al>vaststellen van de werktijden goed verloopt binnen de organisatie en past binnen de</al><al>kaders van de werktijdenregeling. Als blijkt dat dit niet het geval is kan de OR</al><al>verbetervoorstellen doen. Een verbetervoorstel kan bijvoorbeeld zijn dat alle medewerkers</al><al>van een afdeling, vanwege terugkerende problemen rondom de werktijden, onder de</al><al>bijzondere regeling geplaatst worden, tijdelijk of voor onbepaalde tijd.</al><al>Indien de functie van dien aard is dat er niet of nauwelijks sprake is van zeggenschap van</al><al>de ambtenaar, dat is bijvoorbeeld het geval wanneer in vaste roosterdienst gewerkt wordt,</al><al>dan kan de standaardregeling niet meer van toepassing zijn. In dat geval worden de</al><al>werktijden eenzijdig vastgesteld door het college en geldt de bijzondere regeling van</al><al>artikel 4:3 en verder.</al><al>Medewerkers die naast hun reguliere werktijden uit hoofde van hun functie</al><al>beschikbaarheidsdiensten verrichten, zoals ict-medewerkers en woordvoerders, vallen</al><al>niet om die reden onder de bijzondere regeling van de werktijden. Als deze medewerkers</al><al>(enige) vrijheid hebben bij het bepalen van hun reguliere werktijden dan vallen ook zij</al><al>onder de standaardregeling. Ook het werken in roosters heeft niet per definitie tot gevolg</al><al>dat medewerkers onder de bijzondere regeling van de werktijden vallen. Indien de</al><al>gemeente gebruik maakt van een systeem van zelfroostering, waardoor medewerkers</al><al>zeggenschap krijgen over hun werktijden, dan geldt ook voor deze medewerkers de</al><al>standaardregeling. De bijzondere regeling is uitsluitend van toepassing op medewerkers</al><al>die (vrijwel) geen zeggenschap hebben over hun werktijden.</al><al>Artikel 4:2</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het dagvenster.</al></li><li nr="2."><al>Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken</al></li></lijst><al>over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de</al><al>ambtenaar, voor het komende jaar.</al><al>4.Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat</al><al>a hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het</al><al>college;</al><al>b de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven;</al><al>c de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50 uren,</al><al>tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken.</al><al>5.Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de</al><al>werktijden aangepast worden.</al><al>6.De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden in</al><al>relatie tot de planning van de werkzaamheden.</al><al>7.Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd</al><al>voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding van de</al><al>arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast. Indien de</al><al>ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding van de</al><al>arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de</al><al>overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor elk</al><al>teveel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur</al><al>vakantieverlof.</al><al>8 de ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat</al><al>op grond van dienstbelang noodzakelijk is.. Voor de uren die de ambtenaar</al><al>buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstervergoeding als bedoeld in</al><al>artikel 3:8.</al><al>9.Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege</al><al>dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing.</al><al>10.Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in</al><al>overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het dienstbelang</al><al>dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In</al><al>die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere</al><al>regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk.</al><al>11 Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel</al><al>verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de</al><al>afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de</al><al>ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de</al><al>ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de</al><al>buitendagvenstervergoeding, zoals omschreven in artikel 3:8, tweede lid, eerste</al><al>aandachtstreepje. Artikel 3:8, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al><al>12.Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de</al><al>werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om verbetervoorstellen</al><al>in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan afwijken.</al><al>13.Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer</al><al>dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft vanaf 1</al><al>januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden.</al><al><vet>Toelichting</vet></al><al>Algemeen</al><al>De standaardregeling heeft als uitgangspunt dat de ambtenaar met zijn leidinggevende</al><al>afspraken maakt over invulling van zijn werktijden. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling</al><al>van de standaardregeling dat voor iedere ambtenaar een individueel rooster wordt</al><al>opgesteld in overleg met de leidinggevende. Flexibiliteit en zeggenschap van de</al><al>ambtenaar zijn sleutelbegrippen. De leidinggevende laat een deel van de “control” los.</al><al>Daarvoor in de plaats komt verantwoordelijkheid van de medewerker.</al><al>De ruimte die de ambtenaar krijgt zal hij zoals het een goed ambtenaar betaamt moeten</al><al>invullen.</al><al>Lid 3, 4, 5, 6 en 7</al><al>Kern van de standaardregeling is dat de ambtenaar met zijn leidinggevende afspraken</al><al>maakt over zijn werkzaamheden, zijn verlof en de planning van zijn werkzaamheden.</al><al>Voorwaarde voor toepassing van de standaardregeling is dat de ambtenaar en zijn leidinggevende samen tot overeenstemming komen. Als dat uiteindelijk niet lukt dan stelt</al><al>het college eenzijdig de werktijden vast, maar dan kan de standaardregeling niet meer van</al><al>toepassing zijn. In die situatie valt de medewerker onder de bijzondere regeling. Het is</al><al>onwenselijk dat binnen een afdeling verschillende regimes gelden voor de werktijden.</al><al>Toch kan dit voorkomen indien een leidinggevende met een individuele medewerker niet</al><al>tot goede afspraken komt. Komt dit frequenter voor dan is de OR aan zet; zie hiervoor de</al><al>toelichting op lid 12.</al><al>De ambtenaar en zijn leidinggevende overleggen tweemaal per jaar over de werktijden en</al><al>de planning van de werkzaamheden. Het is niet gewenst dat de ambtenaar veel meer of</al><al>minder uren werkt dan zijn formele arbeidsduur. Op de ambtenaar rust een</al><al>verantwoordelijkheid om teveel of te weinig werk tijdig aan te kaarten zodat de afspraken</al><al>daarop afgestemd kunnen worden. In de situatie dat ambtenaar en leidinggevende het</al><al>erover eens zijn dat de formele arbeidsduur per jaar overschreden zal worden dan wordt</al><al>de omvang daarvan vastgesteld. De ambtenaar ontvangt een vergoeding ter hoogte van</al><al>het uurloon of een uur vakantieverlof over de teveel gewerkte uren. De ambtenaar en zijn</al><al>leidinggevende stellen vast welke vergoeding het meest passend is. Dit gebeurt in ieder</al><al>geval aan het einde van elk kalenderjaar en bij het einde van een dienstverband. Indien er</al><al>geen keuze wordt gemaakt dan worden de te veel gewerkte uren uitbetaald tegen de</al><al>vergoeding.</al><al>Lid 8</al><al>De toepassing van de standaardregeling sluit niet uit dat het dienstbelang werken buiten</al><al>het dagvenster noodzakelijk maakt. Hier staat een buitendagvenstervergoeding</al><al>tegenover.</al><al>Lid 10</al><al>In het derde lid is bepaald dat de ambtenaar en zijn leidinggevende afspraken maken over</al><al>de werktijden. Als dat niet lukt is dit lid van toepassing. Dit lid heeft geen betrekking op</al><al>incidentele gevallen; daarvoor geldt het bepaalde in het elfde lid.</al><al>Lid 11</al><al>Ten aanzien van de werktijden zijn de afspraken zoals bedoeld in het derde lid leidend.</al><al>Het kan incidenteel voorkomen dat een ambtenaar vanwege dienstbelang op andere</al><al>tijden moet werken. Het gaat in dit lid dan om tijden die binnen het dagvenster vallen.</al><al>Uitgangspunt is dat ook in deze situatie de ambtenaar en zijn leidinggevende tot goede</al><al>afspraken komen. Als dat niet mogelijk blijkt te zijn en het is om redenen van dienstbelang</al><al>noodzakelijk dat de ambtenaar werkzaamheden verricht dan heeft de ambtenaar recht op</al><al>een vergoeding ter hoogte van de laagste buitendagvenstervergoeding</al><al>Lid 12</al><al>Het individuele overleg over werktijden vraagt veel van leidinggevende en medewerker.</al><al>Daarom is het belangrijk dat binnen de organisatie gevolgd wordt hoe dit proces verloopt.</al><al>De OR is hiervoor het aangewezen orgaan. Als de OR problemen signaleert, bijvoorbeeld</al><al>binnen een specifieke afdeling, dan kan de OR verbetervoorstellen doen aan het college.</al><al>Lid 13</al><al>Er zijn gemeenten waar voor inwerkingtreding van de nieuwe regels over werktijden een</al><al>dagvenster gold dat op onderdelen ruimer was dan het dagvenster zoals omschreven in</al><al>artikel 4:2, tweede lid. Met dagvenster wordt in dit verband gedoeld op uren/dagen</al><al>waarvoor geen onregelmatigheidstoelage verstrekt wordt. Op grond van de regels over de</al><al>ort en werktijden zoals deze golden op 31 december 2013 was het bijvoorbeeld mogelijk</al><al>om de ambtenaar op zaterdag voor ten hoogste drie uren in te roosteren zonder</al><al>aanspraak op een ort. Als de gemeente op 31 december 2013 een werktijdenregeling met</al><al>een ruimer dagvenster had en die in overeenstemming met de regels van de CAR-UWO</al><al>was, dan blijft dit ruimere dagvenster ook gelden vanaf 1 januari 2014.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Bijzondere regeling voor de werktijden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4:3 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd eenzijdig wordt</al><al>vastgesteld door het college.</al><al><vet>Toelichting</vet></al><al>De bijzondere werktijdenregeling geldt voor medewerkers die geen of heel geringe</al><al>zeggenschap hebben over hun werktijden; hun werktijden worden eenzijdig vastgesteld</al><al>door het college. Het gaat in deze situatie in elk geval om medewerkers die in een rooster</al><al>werken en geacht worden op vaste tijden hun werk te verrichten.</al><al>Als de ambtenaar die valt onder de standaardregeling geen overeenstemming bereikt met</al><al>zijn leidinggevende over zijn werktijden dan is de bijzondere regeling op hem van</al><al>toepassing. Zijn werktijden worden dan eenzijdig vastgesteld.</al><al><vet>Bijzondere regeling</vet></al><al>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast.</al></li><li nr="2."><al>De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college</al></li></lijst><al>deze vast in een rooster.</al><lijst><li nr="4."><al>Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend</al></li></lijst></li></lijst><al>gemaakt aan de ambtenaar.</al><al>b.De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op een</al><al>wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Werken op zon- en feestdagen</titel></kop><al>1.De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het</al><al>dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts mogelijk voor</al><al>ten hoogste 26 zondagen per jaar.</al><al>2.Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk</al><al>gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke</al><al>feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig</al><al>mogelijk wordt beperkt.</al><al>3.Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is</al><al>bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de</al><al>tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide</al><al>Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd.</al><al>4.Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten</al><al>aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of</al><al>nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die</al><al>door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de</al><al>gemeente is gesloten</al><al>5.Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat</al><al>de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige</al><al>toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al>Lid 2</al><al>Als in het belang van de dienst op een zondag/feestdag arbeid moet worden verricht,</al><al>moet de ambtenaar zo veel mogelijk In de gelegenheid worden gesteld de kerk te</al><al>bezoeken en dient de arbeid zo beperkt mogelijk te worden gehouden. Hoe moet worden</al><al>omgegaan met degene die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op</al><al>de sabbat of de zevende dag viert, is geregeld in het vijfde lid van dit artikel.</al><al>Lid 3</al><al>Het verrichten van arbeid op de genoemde feestdagen wordt voor dit artikel gelijkgesteld</al><al>aan het verrichten van arbeid op zondag.</al><al>Voor de bepaling van de hoogte van de overwerkvergoeding voor gewerkte tijd op</al><al>bijvoorbeeld tweede paasdag geldt dat - op grond van artikel 3:2:1, vijfde lid, onder b, van</al><al>de UWO - deze feestdag gelijk wordt gesteld aan een zondag. Voor een</al><al>berekeningsvoorbeeld van de overwerkvergoeding wordt verwezen naar de toelichting bij</al><al>artikel 3:2:1, vijfde lid, onder a, van de UWO.</al><al>Lid 4</al><al>Voorbeelden van door het college aangewezen feestdagen zijn de carnavalsmaandag,</al><al>maar ook de 5-meiviering in de jaren dat geen sprake is van de officiële lustrumviering.</al><al>Dergelijke aangewezen dagen moeten in de berekening van de arbeidsduur op jaarbasis</al><al>worden meegenomen Wat het recht op overwerkvergoeding op dergelijke feestdagen</al><al>betreft geldt hetzelfde als in de toelichting bij het derde lid is aangegeven De hoogte van</al><al>de overwerkvergoeding is in dit geval afhankelijk van de dag waarop de feestdag valt. Zo</al><al>geldt voor de bepaling van de hoogte van de overwerkvergoeding voor gewerkte tijd op</al><al>een carnavalsmaandag hetgeen in artikel 3:2:1, vijfde lid, onder a, van de UWO is</al><al>geregeld ten aanzien van een "gewone" maandag.</al><al>Artikel 4:6</al><al>Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3, arbeid op zaterdag of zondag wordt</al><al>verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een</al><al>werkdag ter vrije beschikking toegekend.</al><al>Artikel 4:7 Nadere regels</al><al>Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere regels stellen.</al><tussenkop>Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</tussenkop><al>Artikel 4:8</al><al>1.De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die bij de</al><al>brandweer werkzaam is in een dienstrooster.</al><al>2.Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit artikel een</al><al>werktijdenregeling vast.</al><al>3.Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor dat de</al><al>arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden.</al><tussenkop>Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid</tussenkop><al>Artikel 4:9</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het</al></li></lijst></li></lijst><al>kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid;</al><al>b kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het</al><al>opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een</al><al>bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen</al><al>geldende uurloon van de ambtenaar.</al><al>2.Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het</al><al>college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De</al><al>ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode.</al><al>3.De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed.</al><al>Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan</al><al>enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de</al><al>levensloopregeling en waneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op</al><al>zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed</al><al>gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent</al><al>de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde</al><al>verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een</al><al>volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende</al><al>opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden</al><al>voldaan.</al><al>4.In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde</al><al>verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In</al><al>overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn</al><al>zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het</al><al>aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te</al><al>verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed</al><al>uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</al><al>5.In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8, 8:10 of 8:11 wordt de</al><al>ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het</al><al>resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is,</al><al>wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het</al><al>bepaalde in het tiende lid.</al><al>6.In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht</al><al>het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat</al><al>het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in</al><al>op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed.</al><al>7.In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende</al><al>opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid.</al><al>8.In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met</al><al>inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde</al><al>verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</al><al>9.In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag</al><al>betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt</al><al>over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed.</al><al>10 Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het</al><al>op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.</al><al>K De eerste zin in de toelichting op artikel 6:2, tweede lid wordt gewijzigd en komt als volgt</al><al>te luiden: Een ambtenaar kan verzoeken in enig jaar maximaal 50,4 uur op jaarbasis (bij een volledige betrekking) meer te werken dan de maximale arbeidsduur van 1836 uur.</al><al>L In artikel 6:2:2, tweede lid, wordt de verwijzing naar artikel 4:2:1, derde lid vervangen door:</al><al>4:5 lid 3.</al><al>M In artikel 6a:6, onderdeel f wordt de verwijzing naar artikel 4:3, derde lid vervangen door:</al><al>4:9 lid 3.</al><al> N Artikel 19b:12, eerste en tweede lid worden gewijzigd en komen als volgt te luiden:</al><al>1.In afwijking van artikel 4:4 lid 2, is op de ambtenaar artikel 5.7 van de</al><al>Arbeidstijdenwet van toepassing.</al><al>2.In aanvulling op artikel 4:4 lid 3 verstrekt het college zo snel mogelijk maar in</al><al>ieder geval binnen twee maanden na ingang van een cursusjaar een rooster van</al><al>de in dat cursusjaar te werken uren.</al><al>Aldus besloten in de vergadering van 30 januari 2014.</al><al>Het College van Burgemeester en Wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht</al><al>secretaris burgemeester </al><al>A.J.M. Martens J. Heijkoop</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>