<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR46879_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Baarn</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-03-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Baarn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Baarns Weekblad Gemeentenieuws, 04-03-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147, eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, artikel 12, eerste lid, onderdeel e en 35, eerste lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-03-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-03-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10RV000003</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Voorstelnummer: 10RV000003</al><al>Onderwerp: Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren.</al><al>De raad van de gemeente Baarn </al><lijst><li nr="-"><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 5 januari
                                2010;</al></li><li nr="-"><al>gehoord de commissie Samenleving, Bestuur &amp; Financiën d.d. 2
                                februari 2010;</al></li><li nr="-"><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en
                                het verlagen van uitkeringen van jongeren van 21 jaar of ouder doch
                                jonger dan 27 jaar bij verordening te regelen;</al></li><li nr="-"><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikel 12,
                                eerste lid, onderdeel e, en 35, eerste lid, van de Wet investeren in
                                jongeren;</al><al/><lijst><li nr=""><al><onderstreept>b e s l u i t :</onderstreept></al><al/></li><li nr="1."><al>vast te stellen de “Toeslagenverordening Wet investeren in
                                        jongeren 2010” en de ingangsdatum vast te stellen op 1 maart
                                        2010;</al><al/></li></lijst></li></lijst><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>TOESLAGENVERORDENING WET INVESTEREN IN JONGEREN 2010</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>de wet: de Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 28, eerste lid
                                    onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op verzorging
                                    ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                                    verzorgingstehuis;</al></li><li nr="d."><al>WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de jongere
                                    van toepassing zijnde norm;</al></li><li nr=""><al>e Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet investeren in jongeren en de Algemene wet
                                    bestuursrecht.</al></li><li nr="f."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Baarn.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                    belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In
                                    geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening
                                    alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar of ouder doch jonger
                                    dan 27 jaar zijn.</al></li><li nr="2."><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing van
                                    artikel 35, vierde lid van de wet onverlet.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2. Criteria voor het verhogen van de WIJ-norm</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 Toeslagen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens
                                    woning geen ander zijn of haar hoofdverblijf heeft. </al></li><li nr="2."><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens
                                    woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben.</al></li><li nr="3."><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de jongere die een
                                    woning bewoont als onderhuurder/kamerbewoner, kostganger of
                                    kind.</al></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van dit artikel worden verzorgingsbehoevenden
                                    die door belanghebbende worden verzorgd niet in aanmerking
                                    genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf
                                    heeft:</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Maximum toeslag alleenstaanden van 21 en 22
                                jaar</titel></kop><al>De toeslag voor alleenstaanden van 21 en 22 jaar wordt afwijkend aan
                            artikel 3 vastgesteld. De toeslag voor deze leeftijdscategorieën
                            bedraagt maximaal 10% van de gehuwdennorm. </al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3. Criteria voor het verlagen van de WIJ-norm of
                            toeslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5 Verlaging gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging als bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10
                                    procent van de gehuwdennorm voor gehuwden in wiens woning één of
                                    meer anderen hun hoofdverblijf hebben.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging bedraagt 10 % van de gehuwdennorm voor gehuwden die
                                    een woning bewonen als onderhuurders/kamerbewoners, kostgangers
                                    of als één van beiden een inwonend kind is.</al></li><li nr="3."><al>Het vierde lid van artikel 3 is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt:</al><al>a.20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan
                            voor</al><al>de jongere geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden zijn;</al><lijst><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond
                                    wordt.</al></li><li nr="c."><al>de verlagingen als genoemd onder a en b vinden bij voorrang op
                                    de toeslag plaats.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Maximering verlaging/anti cumulatiebepaling</titel></kop><al>Bij toepassing van een combinatie van een toeslag op grond van artikel 3
                            of 4 en/of een of meer verlagingen op grond van de artikelen 5 en 6
                            dient de jongere minimaal te blijven beschikken over 45% van de
                            gehuwdennorm, een alleenstaande ouder over minimaal 65% van de
                            gehuwdennorm en gehuwden over minimaal 75% van de gehuwdennorm. </al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4. Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8 Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college. In de
                            gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 - Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            investeren in jongeren 2010. </al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 - Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 maart 2010.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering, </ondertekening><ondertekening>op 17 februari 2010, </ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>Relatie met de WWB</vet></al><al>Bij het inrichten van de WIJ is op het punt van de inkomensvoorziening
                    uitdrukkelijk ervoor gekozen zoveel mogelijk aansluiting te zoeken met de WWB op
                    onderdelen als de normensystematiek, de middelentoets, verlaging van de norm en
                    terugvordering en verhaal. Hoewel die aansluiting niet in alle opzichten
                    volledig is gerealiseerd, is ten aanzien van het te voeren toeslagen- en
                    verlagingenbeleid sprake van een identiek wettelijk kader als thans in de WWB.
                    Normen die specifiek betrekking hebben op jong-meerderjarigen zijn uit de WWB
                    overgeheveld naar de WIJ. </al><al>Omdat het oogmerk van de WIJ niet is geweest het inkomen voor jongeren te
                    verlagen is, gelet op de gewenste aansluiting met de WWB en uit overwegingen van
                    uitvoerbaarheid, in deze Toeslagenverordening WIJ aansluiting gezocht bij de
                    BaarnseToeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004.</al><al/><al><vet>Een toeslagenverordening Wet investeren in jongeren</vet></al><al>Evenals in de WWB heeft de wetgever in de WIJ het college en de gemeenteraad
                    afzonderlijke taken toebedeeld. Het college is verantwoordelijk voor de
                    uitvoering van de WIJ, terwijl de gemeenteraad de opdracht heeft gekregen
                    ondermeer regels vast te stellen tot het verhogen en verlagen van de normen die
                    voor de inkomensvoorziening gelden. </al><al>De toeslagenverordening heeft een categoriaal karakter, dat wil zeggen dat voor
                    een aantal categorieën uitkeringsgerechtigden de hoogte van de toeslag dan wel
                    verlaging van de norm of de toeslag in de verordening is beschreven. Het is
                    daarbij niet nodig c.q. mogelijk om alle mogelijke situaties uitputtend te
                    beschrijven. In niet geregelde gevallen is het college immers bevoegd én
                    verplicht om de inkomensvoorziening bij wijze van individualisering afwijkend
                    vast te stellen (artikel 35, vierde lid, WIJ). </al><al/><al><vet>Normen</vet></al><al>Uit overwegingen van uitvoerbaarheid heeft de wetgever ervoor gekozen ook de
                    normensystematiek die thans is vastgelegd in de WWB zoveel mogelijk over te
                    nemen in de WIJ. Dat betekent enerzijds dat onderscheid is gemaakt tussen de
                    normen die gelden voor jongmeerderjarigen (jongeren van 18 tot 21 jaar) en
                    oudere jongeren (21 tot 27 jaar). Anderzijds zijn de normen voor beide
                    leeftijdsgroepen identiek aan de normen die thans in de WWB voor beide groepen
                    gelden. Hetzelfde geldt voor de normen die van toepassing zijn bij het verblijf
                    in een inrichting. De overgang naar de WIJ leidt op dit onderdeel dus niet tot
                    een wijziging van de financiële positie van de jongeren die afhankelijk worden
                    van een inkomensvoorziening. </al><al/><al><vet>Toeslagen en verlagingen</vet></al><al>Voor jongeren in de leeftijd van 21 tot 27 jaar geldt dat de normen verhoogd
                    en/of verlaagd kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als thans in de WWB is
                    vastgelegd. Kort gezegd betreft het de verplichting om de norm voor
                    alleenstaanden en alleenstaande ouders te verhogen met een toeslag als deze een
                    woning bewonen zonder medebewoner. Omdat de kosten van het bestaan dan niet
                    gedeeld kunnen worden met een ander bedraagt de toeslag het maximale bedrag,
                    zijnde 20% van de norm voor gehuwden in die leeftijdscategorie. Kunnen de
                    bestaanskosten wel met een ander gedeeld worden dan kan de toeslag worden
                    verlaagd. De bevoegdheid om de uitkering te verlagen bij medebewoning geldt ook
                    voor de norm voor gehuwden Voorts kan de norm of toeslag worden verlaagd als de
                    woonsituatie, los van medebewoning, lagere bestaanskosten met zich meebrengt.
                    Voor de verlagingsmogelijkheden is in Baarn gekozen in zowel de
                    Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004 als de Toeslagenverordening Wet
                    investeren in jongeren 2010. </al><al>Daarnaast is verlaging van de norm of toeslag mogelijk als de jongere een
                    schoolverlater is. Hiervoor is in Baarn niet gekozen in de Toeslagenverordening
                    Wet werk en bijstand 2004 en dus ook niet in de Toeslagenverordening Wet
                    investeren in jongeren 2010. Ten slotte kan het college bij een 21- of 22-jarige
                    alleenstaande de toeslag verlagen om de uitkering in de pas te laten lopen met
                    het wettelijk minimumjeugdloon. Hiervoor is in Baarn gekozen in beide
                    verordeningen. </al><al/><al><vet>Zelfstandigen</vet></al><al>Jongeren met een zelfstandig bedrijf of beroep komen niet in aanmerking voor een
                    werkleeraanbod of inkomensvoorziening. Zij kunnen een beroep doen op de WWB. Dat
                    geldt voor de voorbereidingskosten, de periodieke bijstand voor levensonderhoud
                    en voor bedrijfskapitaal. Aandachtspunt bij de algemene bijstand voor
                    levensonderhoud is wel dat voor die jongeren de normensystematiek uit de WIJ van
                    toepassing is. </al><al/><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de wet of Awb niet
                    afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de wet of Awb ook de Verordening moet
                    worden gewijzigd.</al><al>Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm (in plaats van netto minimumloon)
                    is gekozen, omdat de hoogte van deze norm in de wet zelf wordt gegeven in
                    artikel 28, eerste lid onder d. Dit bedrag is gelijk aan het netto
                    minimumloon.</al><al>Om een persoon als verzorgingsbehoevende in de zin van de Toeslagenverordening
                    aan te kunnen merken, moet belanghebbende aannemelijk maken, dat deze door hem
                    verzorgde persoon bij het ontbreken van de verzorging zou zijn aangewezen op een
                    verpleeg- of verzorgingstehuis. Er moet een duidelijke indicatie zijn op grond
                    waarvan de verzorgingsbehoevendheid kan worden aangenomen, bij voorkeur een
                    verklaring van deze strekking die is afgegeven door een arts. </al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Hoewel de wet ook categoriale verlagingen mogelijk maakt voor belanghebbenden
                    van 18, 19 of 20 jaar, wordt dat niet gedaan. De normen in de wet zijn voor deze
                    leeftijden laag vastgesteld, vanwege de onderhoudsplicht van de ouders.
                    Bovendien zou het de verordening onnodig ingewikkeld maken. </al><al>In het tweede lid staat de wettelijke individualiseringsplicht van het college
                    aangehaald. Op grond hiervan kan de hoogte van de norm afwijkend aan de
                    Toeslagenverordening worden vastgesteld indien de omstandigheden dat vergen en
                    rechtvaardigen. Dit geldt evenzeer in situaties waarin de Toeslagenverordening
                    niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van de Toeslagenverordening geen
                    misverstand te laten bestaan is er voor gekozen om deze plicht expliciet in de
                    Toeslagenverordening op te nemen.</al><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>De toeslaghoogte van 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of
                    alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft is
                    verplicht op grond van de wet. Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf
                    heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld
                    kunnen worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de
                    kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                    verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf. Zolang er geen sprake is van een
                    gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat niet alle
                    kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. In de toeslagen
                    verordening is gekozen voor een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm in
                    het geval één of meer anderen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Het
                    tweede lid bepaalt dat alleenstaanden en alleenstaande ouders die een woning
                    bewonen als onderhuurder/kamerhuurder, kostganger dan wel als inwonend kind een
                    toeslag van 10% van de gehuwdennorm krijgen. In het vierde lid wordt geregeld
                    dat zorgbehoevenden eveneens niet worden meegeteld als personen die in dezelfde
                    woning hun hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk
                    is om belanghebbende vanwege deze verzorgingstaken te confronteren met een
                    lagere toeslag. Deze bepaling werkt zowel voor de zorgbehoevende als degene die
                    de zorgbehoevende verzorgt.</al><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>Artikel 34 van de wet geeft het college de bevoegdheid om de toeslag afwijkend
                    vast te stellen indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum
                    jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Om deze reden
                    wordt de toeslag voor deze leeftijden gemaximeerd op 10%. Bij combinatie van
                    toeslag en verlaging moet bij de berekening van de uiteindelijke toeslag
                    uitgegaan worden van de toeslag op basis van artikel 3 zonder rekening te houden
                    met de leeftijd, waarna vervolgens uiteindelijk (en zo nodig) de toeslag wordt
                    afgetopt op het maximum dat bij de leeftijd hoort. Wettelijk mag de verlaging
                    voor 21- en 22-jarigen niet gelijktijdig worden toegepast met een
                    schoolverlatersverlaging. Deze verordening kent echter geen
                    schoolverlatersverlaging.</al><al/><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten
                    de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de
                    woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de
                    kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                    verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf. In de toeslagenverordening is
                    gekozen voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval één
                    of meer anderen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Het tweede lid
                    bepaalt dat de norm voor gehuwden die een woning bewonen als
                    onderhuurder/kamerhuurder, kostganger dan wel inwonend kind verlaagd wordt met
                    10% van de gehuwdennorm. Zorgbehoevenden worden niet meegeteld als personen die
                    in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt daarbij is dat het
                    niet wenselijk is om belanghebbenden vanwege deze verzorgingstaken te
                    confronteren met een verlaging van de norm. </al><al/><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Artikel 32 van de wet geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te
                    verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. In dit artikel is onder a een
                    verlaging opgenomen voor de situatie dat aan de woning voor belanghebbende geen
                    woonkosten zijn verbonden. Het wordt nodeloos ingewikkeld geacht om hier ook nog
                    onderscheid te maken naar de mate waarin woonkosten ontbreken. Indien een
                    belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten heeft, kan dat uiteraard wel
                    aanleiding zijn om met toepassing van artikel 35, vierde lid van de wet de
                    inkomensvoorziening lager vast te stellen. In de verordening wordt overigens
                    niet het begrip 'woonkosten' gehanteerd, maar 'kosten van huur of
                    hypotheeklasten'. Daarmee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water,
                    gas, licht en dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging
                    van krachtens dit artikel te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling
                    die de Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip
                    woonkosten in de zin van artikel 35 lid 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7
                    en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.)</al><al>In onderdeel b wordt de verlaging ingeval er door belanghebbende in het geheel
                    geen woning wordt bewoond vastgesteld op 10 procent van de gehuwdennorm. Dit is
                    in overeenstemming met de toelichting op artikel 32 van de wet. Een
                    belanghebbende die geen woning bewoond wordt geacht lagere algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben vanwege het ontbreken van
                    woonkosten. Niettemin zijn de kosten van het bestaan niet zoveel lager als voor
                    een belanghebbende die kosteloos woont in een woning. Overigens kunnen jongeren
                    zonder adres een aanvraag om een leerwerkaanbod doen bij een centrumgemeente die
                    ook bijstandsaanvragen voor daklozen doet (artikel 13,derde lid van de wet.
                    Onder c staat aangegeven dat een verlaging bij voorrang op de toeslag plaats
                    vindt Formeel maakt het niet uit of de verlaging plaats vindt op de norm of
                    toeslag maar dit is zo in deze verordening bepaald om de eenheid van uitvoering
                    te bewaren.</al><al/><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Er zijn situaties denkbaar bij een combinatie van het niet hebben van woonkosten
                    en een kostendeling met anderen waarbij de uitkering die overblijft onvoldoende
                    is om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Om deze
                    reden zijn minimumuitkeringen vastgesteld waarover personen in ieder geval
                    dienen te beschikken. </al><al/><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Evenals de uitvoering van de wet ligt de uitvoering van de Toeslagenverordening
                    bij het college.</al><al/><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>