<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR46875_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Baarn</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-04-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Baarn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Baarns Weekblad, Gemeentenieuws, 19 april 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147, eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8, eerste lid, onderdeel c en artikel 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>12RV000003</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>In 2012 gewijzigd ivm de tijdelijke aanscherping Wet werk en bijstand</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Voorstelnummer: 10RV000011</al><al>Onderwerp: Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010.</al><al>De raad van de gemeente Baarn </al><lijst><li nr="-"><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 mei
                                2010;</al></li><li nr="-"><al>gehoord de commissie Samenleving, Bestuur &amp; Financiën d.d. 1
                                juni 2010;</al></li><li nr="-"><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en
                                het verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden van 27 jaar
                                of ouder doch jonger dan 65 jaar bij verordening te regelen;</al></li><li nr="-"><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikel 8,
                                eerste lid, onderdeel c en 30 van de Wet werk en bijstand;</al><al>en gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17
                                januari 2012, </al><al>overwegende dat intrekking van de Wet investeren in jongeren en
                                wijziging van de Wet werk en bijstand per 1 januari 2012 het
                                noodzakelijk maakt om de verordeningen die hun grondslag vinden in
                                de Wet werk en bijstand aan te passen en voorts dat het gewenst
                                wordt geacht het bestaande gemeentelijk beleid als vastgelegd in
                                deze verordeningen zoveel mogelijk in stand te laten in afwachting
                                van toekomstige wetgeving die de gemeentelijke sociale zekerheid
                                betreft; </al></li><li nr="-"><al>gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 8
                                van de Wet werk en bijstand;</al></li></lijst><al/><al/><al><onderstreept>b e s l u i t :</onderstreept></al><al>vast te stellen de “Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010” en de
                        ingangsdatum vast te stellen op 1 juli 2010;</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>TOESLAGENVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2010</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel c,
                                    van de wet;</al></li><li nr="c."><al>verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op verzorging
                                    ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                                    verzorgingstehuis.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Reikwijdte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                    belanghebbenden van 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In
                                    geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening
                                    alleen indien beide echtgenoten 27 jaar of ouder doch jonger dan
                                    65 jaar zijn.</al></li><li nr="2."><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing artikel
                                    18, eerste lid, van de wet onverlet.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2. Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 Toeslagen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de
                                    alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander
                                    zijn of haar hoofdverblijf heeft. </al></li><li nr="2."><al>De toeslag bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de
                                    alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning één of meer
                                    anderen hun hoofdverblijf hebben.</al></li><li nr="3."><al>De toeslag bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de
                                    alleenstaande en alleenstaande ouder die een woning bewonen als
                                    onderhuurder/kamerbewoner, kostganger of kind.</al></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen
                                    niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning
                                    zijn hoofdverblijf heeft:</al></li><li nr="a."><al>kinderen met een inkomen van ten hoogste 70 procent van de
                                    gehuwdennorm;</al></li><li nr="b."><al>verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden
                                    verzorgd;</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3. Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of
                            toeslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4 Verlaging gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor
                                    gehuwden in wiens woning één of meer anderen hun hoofdverblijf
                                    hebben.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging bedraagt 10 % van de gehuwdennorm voor gehuwden die
                                    een woning bewonen als onderhuurders/kamerbewoners, kostgangers
                                    of als één van beiden een inwonend kind is.</al></li><li nr="3."><al>Het vierde lid van artikel 3 is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5- Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging bedraagt:</al><al>a.20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan
                            voor</al><al>belanghebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden
                            zijn;</al><lijst><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond
                                    wordt.</al></li><li nr="c."><al>de verlagingen als genoemd onder a en b vinden bij voorrang op
                                    de toeslag plaats.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6- Maximering verlaging</titel></kop><al>Bij toepassing van een combinatie van een toeslag op grond van artikel 3
                            en/of een of meer verlagingen op grond van de artikelen 4 en 5 dient een
                            alleenstaande minimaal te blijven beschikken over 45% van de
                            gehuwdennorm, een alleenstaande ouder over minimaal 65% van de
                            gehuwdennorm en gehuwden over minimaal 75% van de gehuwdennorm.</al><al/><al>-</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3a. Regelingen in verband met de wijzigingen in de Wet werk
                            en bijstand en de intrekking van de Wet investeren in jongeren per 1
                            januari 2012.</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6a Wijziging betekenis begrippen.</titel></kop><al> 1. Waar in deze verordening de begrippen “alleenstaande”,
                            “alleenstaande ouder” en “gezin” worden gebruikt, hebben deze vanaf 1
                            januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet. </al><al>2. Waar in deze verordening wordt gesproken van “gehuwde(n)” of
                            “gehuwdennorm” hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde
                            betekenis als “gezin” bedoeld in artikel 4, respectievelijk “gezinsnorm”
                            bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6b Wijziging verwijzingen.</titel></kop><al>Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel c,
                            van de wet moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden gelezen:
                            artikel 21, eerste lid, van de wet.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6c Intrekking Wet investeren in jongeren.</titel></kop><al> 1. In afwijking van artikel 2 zijn de bepalingen van deze verordening
                            vanaf 1 januari 2012 evenzo van toepassing op personen van 21 jaar of
                            ouder doch jonger dan 27 jaar. </al><al>2. In afwijking van artikel 3 wordt aan een alleenstaande van 21 of 22
                            jaar een toeslag van maximaal 10% van de gehuwdennorm toegekend.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4. Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7 - Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 - Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            werk en bijstand 2010. </al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 - Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli
                                    2010.</al></li><li nr="2."><al>De “Verordening betreffende toeslagen op en verlaging van de
                                    bijstandsnorm voor de categorieën van belanghebbenden aan wie
                                    bijstand kan worden verleend” vastgesteld in de raadsvergadering
                                    van 30 juni 2004 is ingetrokken met ingang van de datum van in
                                    werking treding van deze nieuwe verordening.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering, </ondertekening><ondertekening>op 23 juni 2010 en laatstelijk gewijzigd in de vergadering van de raad van
                        29 februari 2012,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de wet of Awb niet
                    afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de wet of Awb ook de Verordening moet
                    worden gewijzigd.</al><al>Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm (in plaats van netto minimumloon)
                    is gekozen, omdat de hoogte van deze norm in de wet zelf wordt gegeven in
                    artikel 21 onder c. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto
                    minimumloon.</al><al>Om een persoon als verzorgingsbehoevende in de zin van de Toeslagenverordening
                    aan te kunnen merken, moet belanghebbende aannemelijk maken, dat deze door hem
                    verzorgde persoon bij het ontbreken van de verzorging zou zijn aangewezen op een
                    verpleeg- of verzorgingstehuis. Er moet een duidelijke indicatie zijn op grond
                    waarvan de verzorgingsbehoevendheid kan worden aangenomen, bij voorkeur een
                    verklaring van deze strekking die is afgegeven door een arts. Het feit dat een
                    belanghebbende als verzorger van een verzorgingsbehoevende is aan te merken is
                    overigens geen reden om hem te ontheffen van de verplichting om algemeen
                    geaccepteerde arbeid te zoeken en te aanvaarden.</al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Het eerste lid heeft geen nadere toelichting nodig.</al><al>In het tweede lid staat de wettelijke individualiseringsplicht van het college
                    aangehaald. Op grond hiervan kan de hoogte van de bijstand afwijkend aan de
                    Toeslagenverordening worden vastgesteld indien de omstandigheden dat vergen en
                    rechtvaardigen. Dit geldt evenzeer in situaties waarin de Toeslagenverordening
                    niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van de Toeslagenverordening geen
                    misverstand te laten bestaan is er voor gekozen om deze plicht expliciet in de
                    Toeslagenverordening op te nemen.</al><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>De toeslaghoogte van 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of
                    alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft is
                    verplicht op grond van de wet. Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf
                    heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld
                    kunnen worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de
                    kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                    verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf. Zolang er geen sprake is van een
                    gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat niet alle
                    kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. In de toeslagen
                    verordening is gekozen voor een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm in
                    het geval één of meer anderen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Het
                    tweede lid bepaalt dat alleenstaanden en alleenstaande ouders die een woning
                    bewonen als onderhuurder/kamerhuurder, kostganger dan wel inwonend kind een
                    toeslag van 10% van de gehuwdennorm krijgen. In het vierde lid wordt geregeld
                    dat kinderen die niet (meer) in de norm begrepen zijn, maar die tevens in
                    omstandigheden verkeren waardoor het niet aannemelijk is, dat zij kunnen
                    bijdragen in de kosten van het huishouden, niet meetellen als personen die in de
                    woning hun hoofdverblijf hebben. De omstandigheden worden aanwezig geacht als
                    het inwonende kind dan wel de inwonende kinderen ieder voor zich geen hoger
                    inkomen hebben dan 70% van de gehuwdennorm (= de norm voor een alleenstaande van
                    21 tot 65 jaar met maximum toeslag). Aangezien betreffende kinderen niet in de
                    bijstand begrepen zijn, is het aan de alleenstaande ouder om zodanige
                    inlichtingen te verstrekken dat kan worden vastgesteld of onderdeel a van
                    toepassing is.</al><al>In onderdeel b van het vierde lid wordt geregeld dat zorgbehoevenden eveneens
                    niet worden meegeteld als personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf
                    hebben. Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbende
                    vanwege deze verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag. Deze
                    bepaling werkt zowel voor de zorgbehoevende als degene die de zorgbehoevende
                    verzorgt.</al><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten
                    de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de
                    woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de
                    kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                    verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf. In de toeslagenverordening is
                    gekozen voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval één
                    of meer anderen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Het tweede lid
                    bepaalt dat de bijstand voor gehuwden die een woning bewonen als
                    onderhuurder/kamerhuurder, kostganger dan wel inwonend kind verlaagd wordt met
                    10% van de gehuwdennorm. In het derde lid wordt geregeld dat kinderen die niet
                    (meer) in de norm begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren
                    waarin het niet aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het
                    huishouden, niet meetellen als personen die in de woning hun hoofdverblijf
                    hebben. De omstandigheden worden aanwezig geacht als het inwonende kind dan wel
                    de inwonende kinderen ieder voor zich geen hoger inkomen hebben dan 70% van de
                    gehuwdennorm. Aangezien de in het vierde lid bedoelde kinderen niet in de
                    bijstand begrepen zijn, is het aan de ouders om zodanige inlichtingen te
                    verstrekken, dat kan worden vastgesteld of onderdeel a van het vierde lid van
                    artikel 3 van toepassing is. Zorgbehoevenden worden eveneens niet meegeteld als
                    personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt daarbij
                    is dat het niet wenselijk is om belanghebbenden vanwege deze verzorgingstaken te
                    confronteren met een verlaging van de norm. </al><al/><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>Artikel 27 van de wet geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te
                    verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 van de wet is
                    aanvullend bedoeld op de artikelen 25 en 26 van de wet. In dit artikel is onder
                    a een verlaging opgenomen voor de situatie dat aan de woning voor belanghebbende
                    geen woonkosten zijn verbonden. Bijvoorbeeld indien een kraakpand wordt bewoond.
                    Voor de duidelijkheid: het gaat hier niet om situaties dat iemand als
                    kamerhuurder of onderhuurder een woning bewoont want die situaties kennen een
                    eigen toeslag of verlaging. Het wordt nodeloos ingewikkeld geacht om hier ook
                    nog onderscheid te maken naar de mate waarin woonkosten ontbreken. Indien een
                    belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten heeft, kan dat uiteraard wel
                    aanleiding zijn om met toepassing van artikel 18 lid 1 van de wet de bijstand
                    lager vast te stellen. In de verordening wordt overigens niet het begrip
                    'woonkosten' gehanteerd, maar 'kosten van huur of hypotheeklasten'. Daarmee
                    wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en dergelijke,
                    voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging van krachtens dit artikel
                    te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de Centrale Raad van
                    Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip woonkosten in de zin van
                    artikel 35 lid 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW en CRvB
                    06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.)</al><al>In onderdeel b wordt de verlaging ingeval er door belanghebbende in het geheel
                    geen woning bewoond vastgesteld op 10 procent van de gehuwdennorm. Dit is in
                    overeenstemming met de toelichting op artikel 27 van de wet. Een belanghebbende
                    die geen woning bewoond wordt geacht lagere algemeen noodzakelijke kosten van
                    het bestaan te hebben vanwege het ontbreken van woonkosten. Niettemin zijn de
                    kosten van het bestaan niet zoveel lager als voor een belanghebbende die
                    kosteloos woont in een woning. Een dakloze wordt immers geconfronteerd met de
                    hogere kosten van het op straat leven, zoals bijvoorbeeld de kosten van
                    nachtopvang. De hoogte van een verlaging krachtens dit artikel heeft geen
                    invloed op de wijze waarop de bijstand verleend moet worden. Indien bijstand
                    verleend wordt aan daklozen, kan het college gebruik maken van zijn bevoegdheid
                    om een budgetteringsplicht op te leggen of de bijstand in natura (in de vorm van
                    opvang) te verlenen. Overigens geschiedt de verlening van bijstand aan
                    belanghebbenden zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke
                    basisadministratie persoonsgegevens op grond van artikel 40 lid 1 en 2 van de
                    wet door bij amvb (Bijstandsbesluit adreslozen) aan te wijzen centrumgemeenten.
                    Maar niet elke belanghebbende zonder woning is een adresloze in de zin van
                    aangehaalde wet. Belanghebbende kan immers ook de beschikking hebben over een
                    postadres bij familie of een instantie. Onder c staat aangegeven dat een
                    verlaging bij voorrang op de toeslag plaats vindt als bedoeld in artikel 25 van
                    de wet. Formeel maakt het niet uit of de verlaging plaats vindt op de norm of
                    toeslag maar dit is zo in deze verordening bepaald om de eenheid van uitvoering
                    te bewaren.</al><al/><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Er zijn situaties denkbaar bij een combinatie van het niet hebben van woonkosten
                    en een kostendeling met anderen waarbij de uitkering die overblijft onvoldoende
                    is om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Om deze
                    reden zijn minimumuitkeringen vastgesteld waarover personen in ieder geval
                    dienen te beschikken. </al><al/><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Evenals de uitvoering van de wet ligt de uitvoering van de Toeslagenverordening
                    bij het college.</al><al/><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Dit artikel vraagt niet om een nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>Dit artikel vraagt niet om een nadere toelichting.</al><al>-</al><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al/><al>Inleiding</al><al>Op 1 januari 2012 is de ‘Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en
                    samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op
                    bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
                    verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden’ (kortweg: Wet Aanscherping WWB)
                    in werking getreden. </al><al>Uitgangspunten van deze wetswijziging zijn:</al><al>Grotere nadruk op eigen verantwoordelijkheid burger in de voorziening in het
                    bestaan;</al><al>Versterking van het activerende karakter en de vangnetfunctie van de Wet werk en
                    bijstand (WWB);</al><al>Aanscherping van de verplichtingen voor bijstandsgerechtigden;</al><al>Beperking van de doelgroep voor de categoriale bijzondere bijstand.</al><al>Deze uitgangspunten leiden ertoe dat het wettelijk bijstandsregime substantieel
                    van inhoud verandert. Zo gaat voor jongeren een wettelijke zoektijd van vier
                    weken gelden en hebben zij, anders dan onder het regime van de Wet investeren in
                    jongeren (WIJ), geen recht meer op een werkleeraanbod, maar op begeleiding bij
                    de vormgeving van hun eigen verantwoordelijkheid op weg naar economische
                    zelfstandigheid. </al><al>Een belangrijke wijziging in de regelgeving betreft voorts het afschaffen van de
                    bijstand voor inwonende meerderjarige kinderen en ouders en de invoering van een
                    toets op het huishoudinkomen. Verder worden enkele nieuwe verplichtingen in de
                    WWB opgenomen en wordt de doelgroep voor de categoriale bijzondere bijstand
                    beperkt tot de groep minima met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm. </al><al/><al>Consequenties voor ons beleid</al><al>Mede vanwege de intrekking van de WIJ per 1 januari 2012 hebben de genoemde
                    ontwikkelingen aanzienlijke consequenties voor het gemeentelijk beleid. Deze
                    consequenties kunnen als volgt worden gecategoriseerd:</al><al>De WIJ-verordeningen vervallen per 1 januari 2012. Doordat de WIJ wordt
                    ingetrokken, vervallen de daarop gebaseerde verordeningen eveneens per 1 januari
                        2012<extref doc="#_ftn1">[1]</extref>. Jongeren vallen door de wetswijziging
                    voortaan onder het WWB-regime (overgangssituaties daargelaten). Dit roept de
                    vraag op of de huidige WWB-verordeningen adequaat voorzien in het regeltechnisch
                    kader voor jongeren, of dat in die verordeningen nog aanpassingen nodig zijn.
                    Dit is een vraag van regeltechnische maar ook van beleidsinhoudelijke aard; </al><al>Door herdefiniëring van de leefvormen die als afzonderlijk bijstandssubject voor
                    bijstand in aanmerking komen alsmede de totstandkoming van de toets op het
                    huishoudinkomen wordt de kring van rechthebbenden kleiner, hebben meerderjarige
                    kinderen en ouders nog slechts gezamenlijk recht op bijstand en treffen
                    misdragingen van deze belanghebbenden het gezamenlijk inkomen. Dit heeft
                    gevolgen voor ons toeslagenbeleid, het maatregelenbeleid en het minimabeleid en
                    roept de vraag op welke aanpassingen aan de verordeningen noodzakelijk en/of
                    gewenst zijn;</al><al>De nieuwe verplichtingen voor bijstandsgerechtigden hebben gevolgen voor het
                    maatregelenbeleid en het re-integratiebeleid en roepen evenzeer de vraag op
                    welke aanpassingen aan de verordeningen noodzakelijk en/of gewenst zijn;</al><al>De normering van de categoriale bijzondere bijstand tot maximaal 110% van de
                    bijstandsnorm heeft gevolgen voor de doelgroepomschrijving in de verordening
                    langdurigheidstoeslag. De normering kan tevens consequenties hebben voor andere
                    delen van het minimabeleid.</al><al/><al>Gelijkstellingsbepaling</al><al>In dit Raadsbesluit wordt bij elke te wijzigen verordening een bepaling
                    voorgesteld die regelt dat de begrippen ‘alleenstaande’, ‘alleenstaande ouder’
                    en ‘gezin’ per 1 januari 2012 in die verordening dezelfde betekenis hebben als
                    in de gewijzigde WWB. Uit een oogpunt van duidelijkheid is dit opgenomen.
                    Vervolgens is bepaald dat voor ‘gehuwden’ en ‘gehuwdennorm’ moet worden gelezen
                    ‘gezin’ respectievelijk ‘gezinsnorm’, om daarmee te verduidelijken dat onder het
                    nieuwe regime niet meer de gehuwden maar het gezin de norm is waarmee gewerkt
                    moet worden.</al><al/><al><extref doc="#_ftnref1">[1]</extref>Intrekking van een regeling brengt mee dat
                    de op die regeling gebaseerde uitvoeringsregelingen van</al><al>rechtswege vervallen, tenzij voor die regelingen een nieuwe wettelijke grondslag
                    in het leven wordt geroepen. Uitvoeringsregelingen van een ingetrokken wet
                    behoeven dus niet uitdrukkelijk te worden ingetrokken. </al><al>-</al><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ToeslagenverordeningWet werk en bijstand2010.</titel></kop><al>Algemeen</al><al>Voor de systematiek van het toeslagen- en verlagingenmodel in de WWB geldt dat
                    dit ongewijzigd blijft. Zo blijft het een verplichting om een alleenwonende
                    alleenstaande bijstandsgerechtigde een maximale toeslag toe te kennen (art. 25,
                    eerste lid WWB<extref doc="#_ftn1">[1]</extref>) en blijven de mogelijkheden om
                    verlagingen vast te stellen onaangetast. Niettemin leidt de wijziging van de
                    begrippen met betrekking tot de bijstandssubjecten en de invoering van de
                    huishoudtoets ertoe dat een beleidsmatige en wetstechnische heroverweging van
                    het toeslagen- en verlagingenbeleid op zijn plaats is. De beleidsmatige
                    heroverweging kan evenwel ook op een later tijdstip plaatsvinden en mocht de
                    onverkorte toepassing van het toeslagen- en verlagingenbeleid vanaf 1 januari
                    2012 in bepaalde gevallen onredelijke uitkomsten geven, dan kan altijd,
                    individualiserend, een hogere toeslag worden verleend of afgezien van
                        verlaging<extref doc="#_ftn2">[2]</extref>. Wat wel wijzigt is de doelgroep:
                    door intrekken van de WIJ vallen jongeren voortaan onder de Toeslagenverordening
                    WWB. Zie onderdeel D.</al><al/><al>Onderdelen A en B</al><al>De onderdelen A en B zijn reeds toegelicht in het algemene deel. </al><al/><al>Onderdeel C</al><al>In de toeslagenverordening wordt voor het bepalen van de hoogte van de toeslag
                    verwezen naar de norm, bedoeld in artikel 21 WWB. Omdat de wetswijziging ook
                    leidt tot een herpositionering van de normen in de WWB, is voorzien in een
                    gelijkstellingsbepaling, zodat ondubbelzinnig duidelijk is welke norm bedoeld
                    wordt. </al><al/><al>Onderdeel D</al><al>Dit onderdeel ziet specifiek op de gevolgen van de intrekking van de WIJ. Voor
                    jongeren geldt dat op grond van de WIJ genomen besluiten gelden als besluiten
                    genomen op grond van de WWB. Dat treft tevens de toeslagen en verlagingen die
                    binnen het kader van de WIJ zijn genomen. Deze worden vanaf 1 januari 2012
                    eveneens geacht ten titel van de WWB te zijn genomen. Voor de eerder
                    vastgestelde toeslagen en verlagingen op grond van de WIJ is geen specifiek
                    overgangsrecht bepaald. De Toeslagenverordening WWB geldt vanaf 1 januari 2012
                    ook voor jongeren, ten minste, als dit in de doelgroepomschrijving adequaat tot
                    uitdrukking wordt gebracht. In het eerste lid is dit vastgelegd. </al><al/><al>Bij invoering van de WIJ is artikel 29 WWB, dat regelde dat voor 21- en
                    22-jarigen de toeslag kon worden verlaagd, vervallen. De betreffende bepaling
                    werd opgenomen in de WIJ. Bij de wetswijziging wordt de klok weer teruggedraaid
                    en artikel 29 WWB weer gereactiveerd. Dat betekent ook dat als de gemeente
                    ervoor gekozen heeft om voor 21- en 22-jarigen in de Toeslagenverordening WWB
                    een lagere toeslag toe te kennen, dit nu geregeld moet worden. Bij de gemeente
                    Baarn was voor deze optie gekozen. Onderdeel D voorziet in het voortzetten van
                    het beleid dat voor 21-jarigen en 22-jarigen een toeslag van 10% geldt. </al><al><extref doc="#_ftnref1">[1]</extref>onverminderd verlagingen op andere
                    gronden</al><al><extref doc="#_ftnref2">[2]</extref> Artikel 18, eerste lid WWB blijft te allen
                    tijde als ‘slot op de deur’ de norm waaraan bijstandverlening moet worden
                    getoetst en kan aanleiding geven tot het afwijkend vaststellen van bijstand</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>