<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR46846_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Reintegratieverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Noorderkrant,d.d 02-06-10</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reintegratieverordening Wet werk en wijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-05-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-03-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>dat de gemeenteraad op grond van het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8 2 WWB">artikel 8, eerste lid, sub a van de Wet werk en bijstand</extref> verplicht is bij verordening regels te stellen aangaande de ondersteuning bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      RE-INTEGRATIEVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>1:</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>De wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li>
              <li nr="b."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li>
              <li nr="c."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li>
              <li nr="d."><al>Uitkeringsgerechtigden : personen met een uitkering ingevolge de
                                    wet, de IOAW of de IOAZ; </al></li>
              <li nr="e."><al>Awb: de Algemene wet bestuursrecht;</al></li>
              <li nr="f."><al>Anw-ers: personen met een uitkering volgens de Algemene
                                    nabestaandenwet die ingeschreven zijn bij het UWV Werkbedrijf;
                                </al></li>
              <li nr="g."><al>Nuggers: personen die als werkzoekenden zijn ingeschreven bij
                                    het UWV Werkbedrijf en die geen uitkeringsgerechtigden
                                    zijn;</al></li>
              <li nr="h."><al>Belanghebbende: de persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                    onderdeel a, van de wet, of artikel 34, eerste lid, onderdeel a,
                                    van de IOAW of de IOAZ, die woonachtig is in de gemeente Ten
                                    Boer;</al></li>
              <li nr="i."><al>Het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Ten Boer;</al></li>
              <li nr="j."><al>De raad: de gemeenteraad van de gemeente Ten Boer;</al></li>
              <li nr="k."><al>Gesubsidieerde werknemer: de persoon als bedoeld in artikel 10,
                                    tweede lid van de wet.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>2:</nr>
            <titel>Beleid en financiën</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Opdracht college</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college biedt aan bijstandsgerechtigden tot 65 jaar, aan
                                personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering,
                                niet-uitkeringsgerechtigden, personen als bedoeld in artikel 10,
                                tweede lid van de wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en,
                                voor zover het college dat noodzakelijk acht, een voorziening
                                gericht op die arbeidsinschakeling. Artikel 40, eerste lid van de
                                wet is van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt,
                                waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet
                                op de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende, het meest
                                doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                                ondersteuning en voorzieningen. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het college kan een vergoeding geven voor flankerende kosten die
                                noodzakelijk zijn om de voorziening te kunnen starten en
                                volgen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Het college biedt Anw-ers en niet-uitekeringsgerechtigde personen
                                aanpsraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Geen
                                ondersteuning wordt ingezet als belanghebbende gehuwd is en het
                                netto inkomen meer bedraagt dan 130% van het WML.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Indien de persoon, bedoeld in het vorige lid 5, een reeds gestart
                                re-integratietrajecet tussentijds verwijtbaar beëindigt, kan het
                                college de ondersteuningskosten geheel of gedeeltelijk
                                terugvorderen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Programmabegroting</titel>
            </kop>
            <al>De raad stelt ter nadere uitvoering van deze verordening jaarlijks in de
                            programmabegroting een beleidsplan vast, waarin beleidsdoelen worden
                            aangegeven. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Aanspraak op ondersteuning</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Iedere belanghebbende heeft aanspraak op ondersteuning bij
                                arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college
                                noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
                            </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college betrekt bij zijn oordeel over de noodzaak om een
                                voorziening aan te bieden:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>De mogelijkheden tot arbeidsinschakeling van de
                                        belanghebbende;</al></li>
                <li nr="b."><al>De beschikbaarheid van de benodigde voorziening of
                                        alternatieven daarvoor;</al></li>
                <li nr="c."><al>De financiële middelen die beschikbaar zijn ten behoeve van
                                        de voorziening;</al></li>
                <li nr="d."><al>De zienswijze van de belanghebbende.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld
                                zijn in deze verordening, de in artikel 3 genoemde
                                programmabegroting en in de op grond van deze verordening
                                vastgestelde uitvoeringsbesluiten. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Ontheffingen arbeidsverplichtingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan met inachtneming van artikel 9, tweede lid van de
                                wet, onderscheidenlijk artikel 37a van de IOAW en de IOAZ bepalen
                                dat aan belanghebbende tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, ontheffing
                                wordt verleend van de in artikel 9, eerste lid van de wet genoemde
                                verplichtingen. Ontheffing vindt in ieder geval plaats indien
                                belanghebbende ouder is dan 57,5 jaar en de afstand tot de
                                arbeidsmarkt dermate groot is dat het opleggen van de
                                arbeidsverplichtingen niet reëel is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Ontheffing van de arbeidsverplichtingen wordt slechts voor een door
                                het college vast te stellen periode verleend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een
                                ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te verlengen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien de alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een
                                tot zijn last komend kind tot vijf jaar een verzoek om ontheffing
                                van de arbeidsverplichting indient, verleent het college op grond
                                van artikel 9a van de wet algehele ontheffing van de verplichting
                                tot het verkrijgen en aanvaarden van algemene geaccepteerde arbeid
                                als bedoeld in artikel 9, eerste lid onderdeel a, van de wet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>In aanvulling op artikel 9a, lid 9 van de wet kan het college ten
                                aanzien van een alleenstaande ouder die reeds beschikt over een
                                startkwalificatie na overleg met belanghebbende beoordelen of
                                scholing of opleiding die toeleidt naar een hoger kwalificatieniveau
                                dan MBO4-niveau de toegang tot de arbeidsmarkt verder bevordert en
                                bepalen dat die opleiding als voorziening geldt.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Budget- en subsidieplafonds</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit een of meer subsidie- of
                                    budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen.
                                    Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt
                                    een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke
                                    voorziening.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit een plafond instellen
                                    voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een
                                    specifieke voorziening.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>3:</nr>
            <titel>Voorzieningen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>algemene bepalingen over voorzieningen</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Aan voorzieningen met een werkcomponent wordt de voorwaarde
                                    gesteld dat de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord
                                    worden beïnvloed en dat verdringing niet of zo min mogelijk
                                    plaatsvindt.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het college kan besluiten een voorziening te beëindigen, als
                                    naar het oordeel van het college:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de voorziening niet langer noodzakelijk is voor de
                                            arbeidsinschakeling;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de voorziening onvoldoende blijkt bij te dragen aan de
                                            arbeidsinschakeling;</al></li>
                  <li nr="c."><al>de belanghebbende onvoldoende medewerking verleent aan
                                            zijn arbeidsinschakeling.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="3."><al>Het college kan besluiten een voorziening te beëindigen,
                                    als:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de belanghebbende niet meer behoort tot de doelgroep van
                                            de wet dan wel deze verordening;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid
                                            aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze
                                            voorziening.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="4."><al>Met inachtneming van hetgeen daarover in deze verordening of de
                                    programmabegroting is bepaald, kan het college met betrekking
                                    tot voorzieningen, nadere regels stellen. Deze regels kunnen
                                    betrekking hebben op:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                            aangeboden;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het stellen van nadere verplichtingen bij het
                                            gebruikmaken van een voorziening;</al></li>
                  <li nr="c."><al>de weigeringsgronden bij het aanbieden van
                                            voorzieningen;</al></li>
                  <li nr="d."><al>de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of
                                            vaststelling;</al></li>
                  <li nr="e."><al>de aanvraag, van en de besluitvorming over subsidies en
                                            premies;</al></li>
                  <li nr="f."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                            voorschotten;</al></li>
                  <li nr="g."><al>het vaststellen van een eigen bijdrage;</al></li>
                  <li nr="h."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en
                                            het verstrekken van subsidies of premies.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>werkstages</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden een werkstage
                                    aanbieden, gericht op arbeids-inschakeling.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het doel van de werkstage is het kwalificeren voor de
                                    arbeidsmarkt dan wel het voorbereiden op reguliere arbeid.</al></li>
              <li nr="3."><al>De werkstage duurt maximaal zes maanden en vindt plaats met
                                    behoud van uitkering. Een werkstage kan eenmaal met een zelfde
                                    periode worden verlengd indien dit noodzakelijk is voor
                                    arbeidsinschakeling.</al></li>
              <li nr="4."><al>Gedurende de werkstage vindt begeleiding plaats.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>Participatieplaats</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan aan een uitkeringsgerechtigde voor wie de kans
                                    op inschakeling in het arbeidsproces gering is, een
                                    participatieplaats als bedoeld in artikel 10a van de wet
                                    aanbieden, met als doel belanghebbende dichter bij de
                                    arbeidsmarkt te brengen. </al></li>
              <li nr="2."><al>Een participatieplaats bestaat uit het met behoud van uitkering
                                    onbeloond verrichten van additionele werkzaamheden.</al></li>
              <li nr="3."><al>Een participatieplaats duurt maximaal zes maanden. Een
                                    participatieplaats kan maximaal driemaal met een zelfde periode
                                    worden verlengd, tot in totaal 24 maanden, indien dit
                                    noodzakelijk is voor een grotere kans op
                                    arbeidsinschakeling.</al></li>
              <li nr="4."><al>Gedurende in het kader van de participatieplaats verrichte
                                    werkzaamheden vindt begeleiding plaats.</al></li>
              <li nr="5."><al>Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een
                                    startkwalificatie, beoordeelt het college binnen zes maanden na
                                    aanvang van de werkzaamheden in hoeverre scholing of opleiding
                                    de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert. </al></li>
            </lijst>
            <al>Het college betrekt bij deze beoordeling:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>in hoeverre belanghebbende de krachten en bekwaamheden bezit om
                                    scholing of opleiding te volgen; </al></li>
              <li nr="b."><al>het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende de
                                    werkzaamheden uitvoert;</al></li>
              <li nr="c."><al>de scholingswens van belanghebbende.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>participatieplaatsbijdrage</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Indien de uitkeringsgerechtigde twaalf maanden of meer
                                    werkzaamheden in het kader van een participatieplaats als
                                    bedoeld in artikel 9 heeft verricht, kan van degene in opdracht
                                    van wie hij deze werkzaamheden uitvoert iedere zes maanden een
                                    bijdrage worden verlangd.</al></li>
              <li nr="2."><al>De bijdrage bedraagt 50 procent van de in artikel 23 bedoelde
                                    premie.</al></li>
              <li nr="3."><al>De bijdrage wordt enkel verlangd voor zover aan de
                                    uitkeringsgerechtigde de premie als bedoeld in artikel 23 is
                                    uitgekeerd.</al></li>
              <li nr="4."><al>Geen bijdrage wordt verlangd als degene in wiens opdracht de
                                    werkzaamheden zijn verricht op andere wijze heeft
                                    bijgedragen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>Detacheringsbanen</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan aan een belanghebbende een dienstverband
                                    aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling of participatie.</al></li>
              <li nr="2."><al>De werknemer wordt gedetacheerd bij een onderneming of
                                    welzijnsinstelling. De detachering wordt vastgelegd in een
                                    schriftelijke overeenkomst tussen zowel werkgever en inlenende
                                    organisatie als tussen werknemer en inlenende organisatie.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het college kan als werkgever van de belanghebbende optreden,
                                    dan wel een organisatie aanwijzen die in opdracht van, of namens
                                    de gemeente het werkgeversschap voor de dienstverbanden, bedoeld
                                    in het eerste lid, uitvoert.</al></li>
              <li nr="4."><al>Op het dienstverband, bedoeld in het eerste lid, is een
                                    bijzondere arbeidsvoorwaardenregeling van toepassing. Wanneer
                                    een organisatie wordt aangewezen om in opdracht van de gemeente
                                    het werkgeversschap uit te voeren, worden in ieder geval
                                    schriftelijke afspraken gemaakt over de van toepassing zijnde
                                    rechtspositie.</al></li>
              <li nr="5."><al>Indien de detacheringsbaan is gericht op participatie, wordt in
                                    overleg met de werknemer en de werkgever eenmaal per jaar bezien
                                    of voor de betreffende werknemer toch mogelijkheden zijn voor
                                    arbeidsinschakeling.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Loonkostensubsidies en premies</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan subsidie verstrekken aan de werkgever die met de
                                    belanghebbende een arbeidsovereenkomst sluit gericht op
                                    arbeidsinschakeling of participatie.</al></li>
              <li nr="2."><al>Indien de arbeidsovereenkomst is gericht op arbeidsinschakeling,
                                    kan het college aan de werkgever een premie verstrekken.</al></li>
              <li nr="3."><al>Indien de loonkostensubsidie is verstrekt met als doelstelling
                                    participatie, wordt in overleg met de werknemer en de werkgever
                                    eenmaal per jaar bezien of voor de betreffende werknemer toch
                                    mogelijkheden zijn voor arbeidsinschakeling.</al></li>
              <li nr="4."><al>De werknemer moet zijn werkzaamheden doorgaans binnen de
                                    gemeente Ten Boer verrichten. Het college kan afwijken van deze
                                    voorwaarde voor subsidieverlening.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel>werkgeversarragement</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan met een werkgever een overeenkomst sluiten over
                                    een pakket voorzieningen gericht op re-integratie ten behoeve
                                    van de arbeidsinschakeling van een of meer belanghebbenden. Dit
                                    pakket kan bestaan uit verschillende voorzieningen zoals in de
                                    verordening en de uitvoeringsbesluiten zijn vastgelegd.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het college kan in de overeenkomst afwijken van hetgeen in de
                                    verordening of de uitvoeringsbesluiten is bepaald, voor zover
                                    dit de arbeidsinschakeling van een of meer belanghebbenden
                                    bevordert.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het college kan aan een werkgever die met een belanghebbende een
                                    arbeidsovereenkomst sluit van ten minste zes maanden een no risk
                                    verzekering aanbieden.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14</nr>
              <titel>vrijwiligerswerk</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde die
                                    naar het oordeel van het college langdurig zal zijn aangewezen
                                    op een uitkering, vrijwilligerswerk aanbieden of het uitvoeren
                                    van vrijwilligerswerk toestaan. </al></li>
              <li nr="2."><al>Vrijwilligerswerk heeft als doel dat deelnemers maatschappelijk
                                    actief worden of blijven.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15</nr>
              <titel>scholing</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan scholing aanbieden gericht op
                                    arbeidsinschakeling.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit regels stellen ten
                                    aanzien van de noodzakelijkheid van de scholing, de duur en de
                                    maximale kosten.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16</nr>
              <titel>persoongebonden re-integratie budget</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan een subsidie verstrekken in de vorm van een op
                                    arbeidsinschakeling gericht persoonsgebonden
                                    re-integratiebudget.</al></li>
              <li nr="2."><al>Onder een persoonsgebonden re-integratiebudget wordt verstaan
                                    een subsidie voor noodzakelijke kosten in verband met
                                    activiteiten die gericht zijn op arbeidsinschakeling.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17</nr>
              <titel>Schuldhulpverlening</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Schuldhulpverlening kan worden aangeboden als schulden naar het
                                oordeel van het college een belemmering kunnen vormen voor de
                                arbeidsinschakeling van de belanghebbende en de belanghebbende ook
                                overigens voldoet aan de voorwaarden die door het college voor
                                schuldhulpverlening worden gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Schuldhulpverlening kan tevens worden aangeboden als zelfstandige
                                voorziening wanneer schulden voor de belanghebbende een belemmering
                                vormen voor de inzet van andere re-integratievoorzieningen. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien de schulden van een uitkeringsgerechtigde naar het oordeel
                                van het college zijn arbeidsinschakeling belemmeren, is de
                                uitkeringsgerechtigde verplicht mee te werken aan door het college
                                aangeboden schuldhulpverlening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18</nr>
              <titel>nazorg</titel>
            </kop>
            <al>1.Het college kan aan werkgevers bij wie belanghebbende in dienst treedt
                            voor het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, niet zijnde een
                            voorziening als bedoeld in de artikelen 11, 12 en 13 voorzieningen
                            bieden gericht op nazorg.</al>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>4:</nr>
            <titel>Premies en vergoedingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19</nr>
              <titel>Inkomstenvrijlating</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voor de uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd heeft of
                                aanvaardt, waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt
                                dan de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde norm,
                                vindt vrijlating van inkomsten uit arbeid plaats zoals bedoeld in
                                artikel 31, tweede lid, onderdeel o van de wet waarbij het
                                percentage wordt bepaald op 25 procent en het maximumbedrag wordt
                                bepaald op het in de wet genoemde maximum. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De uitkeringsgerechtigde heeft het recht om de vrijlating op een
                                later moment in te laten gaan dan het eerste moment waarop inkomsten
                                zijn verdiend. De uitkeringsgerechtigde dient hiervan de gemeente
                                bij de eerste opgave van de inkomsten schriftelijk op de hoogte te
                                stellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een uitkeringgerechtigde kan eerst pas opnieuw aanspraak maken op de
                                vrijlatingsfaciliteit indien er gedurende twaalf maanden geen recht
                                is geweest op algemene bijstand.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20</nr>
              <titel>Uitstroompremie werknemer</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De uitkeringsgerechtigde met een volledige arbeidsverplichting komt
                                in aanmerking voor een uitstroompremie wanneer hij algemeen
                                geaccepteerde arbeid aanvaardt, niet zijnde arbeid waarbij sprake is
                                van een voorziening. De inkomsten uit arbeid dienen zodanig te zijn
                                dat geen beroep meer wordt gedaan op een uitkering op grond van de
                                wet, de IOAW of de IOAZ.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De uitkeringsgerechtigde met een beperkte arbeidsverplichting komt
                                in aanmerking voor een uitstroompremie wanneer hij algemeen
                                geaccepteerde arbeid aanvaardt, niet zijnde arbeid waarbij sprake is
                                van een voorziening. De omvang van het arbeidscontract dient zodanig
                                te zijn dat het minimaal het aantal uren bedraagt waarvoor de
                                uitkeringsgerechtigde de arbeidsverplichting was opgelegd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De premie wordt eenmalig toegekend aan een uitkeringsgerechtigde die
                                gedurende een aaneengesloten periode van zes maanden recht op
                                uitkering heeft gehad op grond van de wet, IOAW of IOAZ en die
                                aantoonbaar reguliere arbeid gaat verrichten hetzij in loondienst
                                hetzij als zelfstandige. De hoogte van de premie bedraagt €
                                600,--.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Uitkeringsgerechtigden die met betrekking tot ontvangen inkomsten
                                dan wel werkaanvaarding niet hebben voldaan aan de verplichting,
                                genoemd in artikel 17 eerste lid van de wet dan wel artikel 13 IOAW
                                of IOAZ, worden van het recht op de premie, genoemd in het eerste en
                                tweede lid, uitgesloten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>De gesubsidieerde werknemer die gedurende tenminste zes maanden
                                werkzaam is geweest komt in aanmerking voor een uitstroompremie
                                wanneer hij algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, niet zijnde
                                arbeid waarbij sprake is van een voorziening. De inkomsten uit
                                arbeid dienen zodanig te zijn dat geen beroep wordt gedaan op een
                                uitkering op grond van de wet, de IOAW, de IOAZ, de Werkloosheidswet
                                of wachtgeldregelingen. De premie wordt eenmalig toegekend aan
                                diegene die aantoonbaar reguliere arbeid gaat verrichten, hetzij in
                                loondienst, hetzij als zelfstandige. De hoogte van de premie
                                bedraagt € 600,--.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>In het tweede, derde en vijfde lid wordt onder algemeen
                                geaccepteerde arbeid mede begrepen arbeid op grond van een
                                dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale
                                werkvoorziening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>Niet eerder dan drie jaar na de datum van uitstroom in verband
                                waarmee een uitstroompremie is toegekend kan, mits aan de overige
                                voorwaarden is voldaan, opnieuw recht op een uitstroompremie
                                ontstaan.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21</nr>
              <titel>Stimuleringspremie werkgever</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan een premie verstrekken aan een werkgever die met een
                                uitkeringsgerechtigde of een gesubsidieerde werknemer een
                                arbeidsovereenkomst sluit waarbij geen sprake is van een
                                voorziening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan een premie verstrekken aan een werkgever die
                                substantieel bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van een
                                gesubsidieerde werknemer die bij hem werkzaamheden verricht. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Bij uitvoeringsbesluit stelt het college regels ten aanzien van de
                                hoogte van de premie en de voorwaarden waaronder deze wordt
                                verstrekt.</al>
              <al/>
              <al/>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>22</nr>
              <titel>Deeltijdpremie alleenstaande ouder</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De uitkeringsgerechtigde alleenstaande ouder met kinderen in de
                                    leeftijd van 5 tot 12 jaar, komt in ieder kalenderjaar in
                                    aanmerking voor een deeltijdpremie indien hij inkomsten uit
                                    arbeid ontvangt ter hoogte van minimaal het netto minimumloon
                                    gedurende 20 uur per week, niet zijnde arbeid waarbij sprake is
                                    van een voorziening.</al></li>
              <li nr="2."><al>De hoogte van de premie wordt bepaald door het aantal maanden
                                    dat in het betreffende kalenderjaar aan de in het eerste lid
                                    genoemde voorwaarden is voldaan, vermenigvuldigd met een bedrag
                                    van € 50,--.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het vierde lid van artikel 20 is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>23</nr>
              <titel>premies participatieplaats</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De uitkeringsgerechtigde die met behoud van uitkering werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 9 verricht, komt telkens na zes maanden in
                                aanmerking voor een premie van 6/12 maal het maximum bedrag zoals
                                omschreven in de eerst zin van artikel 7 onder h van de Regeling
                                WWB, indien hij naar het oordeel van het college in die zes maanden
                                voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op
                                inschakeling in het arbeidsproces.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De participatieplaats wordt door het college aangeboden dan wel het
                                college verleent vooraf goedkeuring aan de participatieplaats die
                                voor een premie als bedoeld in het eerste lid in aanmerking
                                komt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Onverminderd artikel 9, vijfde lid, komt de uitkeringsgerechtigde
                                die werkzaamheden verricht als bedoeld in het eerste lid, na zes
                                maanden tevens in aanmerking voor een eenmalige kostenvergoeding ten
                                behoeve van scholing. De hoogte van de kostenvergoeding bedraagt
                                maximaal € 300,-- en wordt rechtstreeks uitbetaald aan het
                                scholingsinstituut.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>24</nr>
              <titel>premie doorstroom naar gesubsidieerd werk</titel>
            </kop>
            <al/>
            <al>De uitkeringsgerechtigde die arbeid aanvaardt waarbij sprake is van een
                            voorziening als bedoeld in artikel 11 en 12 komt in aanmerking voor een
                            eenmalige doorstroompremie van € 300,--.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>25</nr>
              <titel>Premie seniorenbaan</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De werknemer van 57,5 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die
                                    een door het college aangeboden dienstverband als bedoeld in
                                    artikel 11 eerste lid is aangegaan, heeft recht op een
                                    activeringspremie, indien de werknemer ten minste 24 uur per
                                    week, arbeid gaat verrichten.</al></li>
              <li nr="2."><al>De hoogte van de activeringspremie wordt bepaald door het aantal
                                    maanden dat in het betreffende kalenderjaar het dienstverband
                                    voortduurt vermenigvuldigd met een bedrag van € 50,--. De premie
                                    wordt in de maand december in een keer uitbetaald.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>26</nr>
              <titel>Overige vergoedingen</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De belanghebbende kan in aanmerking komen voor vergoeding van
                                    kosten die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn in
                                    het kader van de voorziening waarvan de belanghebbende gebruik
                                    maakt.</al></li>
              <li nr="2."><al>Aan uitkeringsgerechtigden, waarvan het college heeft
                                    vastgesteld dat een inschakeling in de arbeid vooralsnog niet
                                    tot de mogelijkheden behoort en die naar het oordeel van het
                                    college is aangewezen op alternatieve maatschappelijke
                                    activiteiten, waaronder vrijwilligerswerk zoals genoemd in
                                    artikel 14, kan een onkostenvergoeding worden verstrekt.</al></li>
              <li nr="3."><al>De uitkeringsgerechtigde komt in aanmerking voor deze vergoeding
                                    wanneer deze deelneemt aan activiteiten die naar het oordeel van
                                    het college bijdragen aan maatschappelijke participatie en de
                                    activiteiten minimaal gemiddeld vijf uren per week in beslag
                                    nemen, berekend over de periode van een maand.</al></li>
              <li nr="4."><al>De hoogte van de vergoeding bedraagt per maand 1/12 deel van de
                                    vrijgestelde kostenvergoeding op jaarbasis, zoals die is
                                    omschreven in de eerste zin van artikel 7 onder h Regeling
                                    WWB.</al></li>
              <li nr="5."><al>Indien door de vrijwilligersorganisatie een onkostenvergoeding
                                    wordt verstrekt, wordt deze in mindering gebracht op de in dit
                                    artikel bedoelde kostenvergoeding.</al><al/></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>5:</nr>
            <titel>Bijzondere bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>27</nr>
              <titel>Inburgering</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De voorzieningen, genoemd in deze verordening, kunnen onderdeel
                                uitmaken van een inburgeringsprogramma, waaraan de belanghebbende op
                                grond van de Wet inburgering verplicht dient deel te nemen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Activiteiten uit het inburgeringsprogramma kunnen onderdeel uitmaken
                                van voorzieningen, zoals genoemd in artikel 7 van de wet.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>28</nr>
              <titel>Hardheidsclausule</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>29</nr>
              <titel>Voorzieningen voor kunstenaars</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan op verzoek van een kunstenaar als bedoeld in artikel
                                1 van de Wet werk en inkomen kunstenaars, die woonachtig is in de
                                gemeente Ten Boer, een voorziening aanbieden gericht op het
                                bevorderen van de arbeidsinschakeling in het kader van de
                                uitoefening van een gemengde beroepspraktijk van de kunstenaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De kunstenaar kan aanspraak maken op een voorziening indien deze
                                naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor het realiseren
                                van een gemengde beroepspraktijk waarmee hij in de noodzakelijke
                                kosten van het bestaan kan voorzien.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien de kunstenaar een beroep doet op een voorziening, is hij
                                gehouden aan de voorwaarden of verplichtingen als bedoeld in artikel
                                    7<cursief>.</cursief></al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien de kunstenaar die een beroep doet op een voorziening, hiervan
                                niet of in onvoldoende mate gebruik maakt, dan wel een of meerdere
                                aan deze voorziening verbonden verplichtingen niet nakomt, kan het
                                college de uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars
                                verlagen op grond van artikel 22van de Wet werk en inkomen
                                kunstenaars.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>30</nr>
              <titel>Wet participatiebudget</titel>
            </kop>
            <al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet particpatiebudget met
                            ingang van 1 januari 2009, worden de participatievoorzieningen die door
                            het college met ingang van deze datum aan de personen zoals genoemd in
                            arikel 1 Wet participatiebudget zijn aangeboden, in aanmerking genomen
                            als voorzieningen gericht op participatie in welke kosten wordt voorzien
                            door het participatiebudget ingevolge de bepaling in artikel 2, eerste
                            lid, Wet participatiebudget.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>31</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Re-integratieverordening Wet
                            werk en bijstand”. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>32</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2010</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Met ingang van 1 juli 2010 vervalt: de Reintegratieverordening 2004,
                                door de raad vastgesteld bij besluit van 24 november 2004.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </paragraaf>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <tussenkop>Toelichting </tussenkop>
        <al>Volgens de WWB krijgt het college de opdracht voor de re-integratie van
                    bijstandsgerechtigden, nuggers en Anw-ers. De WWB draagt aan de gemeenteraad op
                    om een verordening vast te stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien
                    van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Tevens wordt hierin de aanspraak
                    van burgers op ondersteuning bij re-integratie geregeld.</al>
        <tussenkop>Staatssteun</tussenkop>
        <al>De Europese regelgeving over staatssteun kan een beperking van de mogelijkheden
                    voor het gemeentelijke re-integratiebeleid (en het beleid m.b.t. het
                    werkleeraanbod) opleveren. Van belang is dat per 1 januari 2009 de Europese
                    vrijstellingsverordening werkgelegenheidssteun (nr. 2204/2002) is komen te
                    vervallen en vervangen door de Algemene groepsvrijstellingsverordening (nr.
                    800/2008). Daarnaast is de de-minimisverordening (Verordening (EG) nr. 69/2001)
                    van toepassingsteun. De vraag die dan opkomt is of bij het toekennen van
                    subsidies (bijv. in de vorm van loonkostensubsidies of detacheringsbanen) sprake
                    is van staatssteun. In dat geval is de gemeente namelijk gehouden om die
                    activiteiten te melden bij de Europese commissie en gelden er allerlei
                    voorwaarden en (informatie)verplichtingen.</al>
        <al>In de eerste plaats geldt dat subsidies/steun aan organisaties die geen
                    economische activiteiten verrichten (bijv. bepaalde welzijnsinstellingen), geen
                    staatssteun in de zin van Europese regelgeving betreffen.</al>
        <al>In de tweede plaats zijn subsidies met een <vet>generiek</vet> karakter niet aan
                    te merken als staatssteun. Generiek wil zeggen, dat <cursief>niet op
                        voorhand</cursief> bepaalde bedrijven of groepen van bedrijven of sectoren
                    expliciet in de verordening worden uitgesloten van subsidiëring. </al>
        <al>De redactie van de artikelen uit de modelverordening (versie 16-06-2004) die
                    gaan over detacheringsbanen en loonkostensubsidies is zodanig, dat sprake is van
                    een generieke regeling. De gemeente Ten Boer baseert zich in principe nog steeds
                    op deze modelverordening.</al>
        <al>Mede gelet op de stand van zaken in de jurisprudentie op dit punt, kan worden
                    aangenomen dat de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand in principe
                    slechts generieke regelingen bevat op het gebied van re-integratiesubsidies aan
                    organisaties.</al>
        <al>Mocht onverhoopt in een enkel geval toch sprake zijn van een niet-generieke
                    subsidie, dan zal de gemeente ervoor kiezen de groepsvrijstellingsverordening
                    dan wel de de-minimis-verordening toe te passen. Volgens de Handreiking Wet
                    investeren in jongeren van Stimulansz, opgesteld in opdracht van het Ministerie
                    van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (juni 2009), is dan evenmin een aanmelding
                    noodzakelijk, mits men uiteraard aan de gestelde voorwaarden voldoet.</al>
        <tussenkop>
          <vet>Toelichting artikelsgewijs</vet>
        </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop>
        <al>Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wet
                    werk en bijstand. </al>
        <tussenkop>Artikel 2 Opdracht college</tussenkop>
        <al>In het eerste lid is de opdracht aan het college vormgegeven analoog aan artikel
                    7 van de WWB. </al>
        <al>In de WWB is in artikel 10, derde lid aangegeven dat de aanspraak op
                    voorzieningen alleen geldt voor die personen die ook daadwerkelijk inwoners van
                    de gemeente zijn, door middel van een verwijzing naar artikel 40, eerste lid van
                    de wet. </al>
        <al>Het tweede lid is de vertaling van de opdracht uit de WWB dat de gemeente
                    evenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden. In het
                    beleidsplan en de uitvoeringsbesluiten komt vervolgens tot uiting hoe dit punt
                    uitgewerkt wordt.</al>
        <al>Het derde lid geeft het college de specifieke opdracht een zodanig aanbod van
                    voorzieningen te realiseren, dat zoveel mogelijk personen ondersteund kunnen
                    worden. </al>
        <al>In het vierde lid staat aangegeven dat het college flankerende voorzieningen kan
                    treffen. Om het re-integratieproces van de belanghebbende te bevorderen, zijn
                    soms extra voorzieningen noodzakelijk. Dat zijn de zogeheten flankerende
                    voorzieningen gericht op het wegnemen van belemmeringen, zodat men kan deelnemen
                    aan een traject. </al>
        <al>De verordening bevat geen uitputtende opsomming van voorzieningen. </al>
        <al>Ondersteuning kan worden geboden door het aanbieden van een traject, waarbij
                    zonodig re-integratie-instrumenten kunnen worden ingezet, of door het bieden van
                    praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere instanties. De
                    ondersteuning kan bestaan uit: het aanbieden van kinderopvang; het zorgdragen
                    voor scholing en/of opleiding; de mogelijkheid tot werken met behoud van
                    uitkering door middel van stage of leerwerkplaatsen; het tijdelijk geheel dan
                    wel tijdelijk gedeeltelijk verlenen van ontheffing van de plicht tot
                    arbeidsinschakeling; het aanbieden van een gesubsidieerde arbeidsplaats waarbij
                    loonkostensubsidie verstrekt kan worden; het verstrekken van vergoedingen die
                    bij kunnen dragen aan de arbeidsinschakeling danwel aan de terugkeer naar de
                    reguliere arbeidsmarkt en die niet door de werkgever worden vergoed. Bij de
                    inzet van reïntegratie-instrumenten wordt gekozen voor dat instrument
                    datbeschikbaar is en dat adequaat en toereikend is voor het doel dat beoogd
                    wordt. Re-integratie-instrumenten die gericht zijn op de arbeidsinschakeling
                    worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid niet mogelijk is.</al>
        <tussenkop>Artikel 3 Programmabegroting</tussenkop>
        <al>Niet alle regels met betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en
                    het aanbieden van voorzieningen staan in de verordening vermeld. Onderdelen van
                    het re-integratiebeleid worden in de programmabegroting opgenomen. Er kan ook
                    gebruik worden gemaakt van aparte beleidsplannen en uitvoeringsbesluiten. In de
                    programmbegroting worden de beleidsprioriteiten aangegeven alsmede de hoogte en
                    wijze van financiering. </al>
        <tussenkop>Artikel 4 Aanspraak op ondersteuning</tussenkop>
        <al>Lid 1. Deze bepaling komt overeen met artikel 7, eerste lid, sub a van de WWB.
                    Dit is de grondslag voor het uitoefenen van de re-integratietaak en wordt daarom
                    hier herhaald. Om aanspraak te kunnen maken op een voorziening, dient eerst
                    vastgesteld te worden of een voorziening voor belanghebbende noodzakelijk is.
                    Het college bepaalt of dit het geval is. De criteria die daarbij gehanteerd
                    worden, staan beschreven in het tweede lid.</al>
        <al>In het derde lid wordt de koppeling gelegd tussen de algemene aanspraak van de
                    cliënt en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden van voorzieningen.
                    Hierbij wordt verwezen naar de documenten waar deze criteria geformuleerd
                    zijn.</al>
        <al>Waar belanghebbenden gebruik maken van voorzieningen hebben zij een aantal
                    rechten, die wij hebben beschreven in de kaderstellende nota's. Zo hebben zij er
                    recht op dat bij de aangeboden voorziening rekening wordt gehouden met de
                    belastbaarheid en dat de aangeboden voorziening hen daadwerkelijk voorbereidt op
                    reguliere arbeid. </al>
        <tussenkop>Artikel 5 Ontheffingen arbeidsverplichtingen</tussenkop>
        <al>In dit artikel wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid om aan
                    belanghebbenden geheel of gedeeltelijk ontheffing te verlenen van de in artikel
                    9 van de wet aangegeven verplichtingen. Het gaat dan met name om alleenstaande
                    ouders die arbeid of voorziening en zorg niet kunnen combineren en
                    belanghebbenden die ouder zijn dan 57,5 jaar en die een zeer grote afstand tot
                    de arbeidsmarkt hebben.</al>
        <al>Aan de alleenstaande ouder met een kind tot vijf jaar die een verzoek om
                    ontheffing van de arbeidsverplichting indient, verleent het college op grond van
                    artikel 9a van de wet volledige ontheffing van de verplichting om arbeid te
                    verkrijgen en te aanvaarden. De gemeente acht het daarbij van groot belang dat
                    die alleenstaande ouder in die periode zoveel mogelijk ondersteund wordt met
                    scholing of opleiding, ook als die ouder al een startkwalificatie bezit. In het
                    laatste geval kan het college bezien na overleg met de alleenstaande ouder of
                    scholing of opleiding op een hoger niveau mogelijk is, waarbij maatwerk het
                    uitgangspunt is. Op deze wijze wordt bevorderd dat de kans op
                    arbeidsinschakeling maximaal is op het moment dat de ontheffing is
                    afgelopen.</al>
        <tussenkop>Artikel 6 Budget- en subsidieplafonds</tussenkop>
        <al>De gemeentelijke middelen voor re-integratie zijn beperkt. Om financiële
                    risico’s te beheersen kan het college een verdeling maken van de middelen over
                    de verschillende voorzieningen, bijvoorbeeld in de programmabegroting of het
                    beleidsplan. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter geen reden zijn
                    om aanvragen voor een voorziening te weigeren. Ook de memorie van toelichting
                    bij de WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing van een aanvraag. Wel is het mogelijk om per voorziening
                    een plafond in te bouwen. Hiermee kunnen financiële risico’s worden voorkomen en
                    behoudt het college de mogelijkheid om bij het bereiken van het plafond naar
                    alternatieven te zoeken.</al>
        <al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds
                    in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt
                    verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan of in de begroting voor de
                    verschillende voorzieningen worden gereserveerd.</al>
        <al>Een budgetplafond geldt voor de uitgaven die het college doet in het kader van
                    voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies
                    inhouden. Een subsidieplafond moet wel bekendgemaakt worden vóór de periode
                    waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb). Hiermee kunnen we bijvoorbeeld het
                    aantal loonkostensubsidies in aantal beperken.</al>
        <tussenkop>Artikel 7 Algemene bepalingen over voorzieningen </tussenkop>
        <al>In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe enkele
                    zaken te regelen die te maken hebben met alle voorzieningen, ook die
                    voorzieningen die niet met name in de verordening zijn opgenomen. </al>
        <al>Het eerste lid regelt dat er bij de inzet van voorzieningen met een
                    werkcomponent geen verdringing plaatsvindt, of dat de concurrentieverhoudingen
                    niet nadelig worden beïnvloed. Bij de wijze waarop wordt vastgesteld of er al
                    dan niet sprake is van verdringing, zal het college de werkwijze volgen die bij
                    de voormalige vormen van gesubsidieerde arbeid gebruikelijk was. Dat betekent
                    dat een werkgever dient te verklaren dat de ondernemingsraad (of andere vorm van
                    personeelsvertegenwoordiging) akkoord is met de plaatsing en dat er niet
                    recentelijk ontslag van een medewerker met een zelfde soort functie op
                    economische gronden heeft plaatsgehad. Met het UWV Werkbedrijf is afgesproken
                    dat zij (steekproefsgewijs) deze toets op recent ontslag zal uitvoeren.</al>
        <al>Het tweede en derde lid geven aan dat het college een voorziening kan beëindigen
                    en in welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook
                    verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen. Met dit artikel wordt tevens beoogd dat het college niet opnieuw een
                    voorziening aanbiedt aan personen die gedurende een bepaalde - nader vast te
                    stellen periode - gebruik van één of meerdere voorzieningen hebben gemaakt.</al>
        <al>Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere
                    verplichtingen te verbinden. Dit heeft met name tot doel om bij
                    subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het college over te
                    laten. De verplichtingen kunnen van diverse aard zijn. Zo kan bepaald worden dat
                    een klant gedurende de deelname aan de voorziening op gezette tijden met de
                    consulent de voortgang bespreekt.</al>
        <al>De bepaling over het vaststellen van een eigen bijdrage heeft betrekking op de
                    doelgroep Nuggers. Immers, van deze groep is het niet vanzelfsprekend dat zij op
                    een laag inkomensniveau zitten. Het vragen van een eigen bijdrage, eventueel
                    gerelateerd aan de hoogte van het inkomen, kan dan op zijn plaats zijn.
                    Vooralsnog kiezen wij hier overigens niet voor, gezien de ervaring dat op dit
                    moment het grootste deel van de Nuggers wel op een laag inkomensniveau zit. De
                    hoogte van het inkomen zullen wij monitoren.</al>
        <tussenkop>Artikel 8 </tussenkop>
        <tussenkop> Werkstages </tussenkop>
        <al>Werkstages zijn een betrekkelijk nieuw instrument voor gemeenten om langdurig
                    werklozen te re-integreren. Voor de term werkstage is gekozen om te benadrukken
                    dat het gaat om een soort scholingsinstrument: niet de arbeid zelf, maar het
                    leren werken staat centraal. </al>
        <al>Het eerste lid van artikel 8 geeft de algemene bepaling voor het aanbieden van
                    een werkstage. </al>
        <al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. </al>
        <al>In de eerste plaats kan het gaan om het kwalificeren voor de arbeidsmarkt. Het
                    gaat dan om werkplekken die bedoeld zijn om mensen kennis en vaardigheden op te
                    laten doen om ze voor te bereiden op een plek op de arbeidsmarkt. Deze
                    werkplekken maken altijd onderdeel uit van een re-integratietraject dat gericht
                    is op uitstroom naar regulier werk. In de tweede plaats kan het gaan om het
                    opdoen van werkervaring direct voorafgaand aan een reguliere baan.</al>
        <al>Het derde lid geeft de maximale duur van de werkstage aan. In beginsel gaat het
                    daarbij om een periode van zes maanden. Dit is bedoeld om ervoor te zorgen dat
                    de re-integratieactiviteiten gericht blijven op de inschakeling in de arbeid en
                    dat wordt voorkomen dat er vormen van productieve arbeid ontstaan. In sommige
                    gevallen kan een verlenging van deze periode noodzakelijk zijn om de kans op
                    werk te vergroten. Bij een verlenging wordt uitdrukkelijk getoetst of deze
                    noodzakelijk is om kennis en vaardigheden gericht op arbeidsinschakeling van de
                    belanghebbende te vergroten.</al>
        <al>In het vierde lid wordt bepaald dat er sprake moet zijn van een vorm van
                    begeleiding. Hiermee wordt nog eens onderstreept dat het bij een werkstage niet
                    gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al>
        <tussenkop>Artikel 9 Participatieplaats </tussenkop>
        <al>Dit artikel verwijst naar artikel 10a van de wet waarin een kader voor
                    participatieplaatsen is geschapen, waarbij het mogelijk is deze voor langere
                    tijd te laten voortduren. Participatieplaatsen zijn alleen bedoeld voor
                    bijstandsgerechtigden, die vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt
                    omdat ze een grote afstand tot die arbeidsmarkt hebben ten gevolge van
                    persoonlijke belemmeringen. </al>
        <al>De werkzaamheden in een participatieplaats moeten aan twee voorwaarden voldoen,
                    namelijk (1) dat de werkzaamheden in het kader van de re-integratie van
                    betrokkene worden verricht en (2) dat het om additionele werkzaamheden gaat.
                    Additioneel houdt in dat het een speciaal gecreëerde functie betreft of een
                    reeds bestaande functie, mits "bovenformatief" die een uitkeringsgerechtigde
                    alleen met speciale begeleiding kan verrichten. Het kan dus zowel een functie in
                    het publieke als private domein zijn. Een participatieplaats is een opstap naar
                    regulier werk, geen gewoon werk.</al>
        <al>Het verschil met de werkstage van artikel 8 is dat, hoewel het uiteindelijke
                    doel het verkrijgen van regulier werk is, de inzet van participatieplaatsen
                    doorgroei van belanghebbende naar een volgende trede op de re-integratieladder
                    beoogt. Op de volgende trede zal het accent dan meer liggen op arbeidsactivering
                    (bijv. leerwerktrajecten, scholing, taalcursussen) of arbeidstoeleiding (bijv.
                    bemiddeling, sollicitatiecursus) en uiteindelijk reguliere arbeid. De
                    participatieplaatsen dienen perspectief te bieden aan uitkeringsgerechtigden die
                    nog niet bemiddelbaar zijn voor regulier werk.</al>
        <al>Het tweede lid geeft aan dat het onbeloonde werkzaamheden betreft die met behoud
                    van uitkering worden verricht.</al>
        <al>Het derde lid geeft de maximale uitkeringsduur aan: 24 maanden.</al>
        <al>Het vierde lid geeft aan dat begeleiding plaatsvindt. Begeleiding is een
                    belangrijk aspect van de participatieplaats. Het is logisch dat de gemeente
                    regelmatig kijkt naar het functioneren van belanghebbende en beziet of de
                    betreffende participatieplaats nog steeds de juiste weg naar werk is. Daarnaast
                    is het belangrijk dat er goede begeleiding plaatsvindt bij het uitvoeren van de
                    werkzaamheden. Dit is de verantwoordelijkheid van de partij bij welke
                    belanghebbende de werkzaamheden verricht.</al>
        <al>Het vijfde lid is een uitwerking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel
                    f en artikel 10a, vijfde lid van de wet. Wanneer een uitkeringsgerechtigde niet
                    over een startkwalificatie beschikt, dient de gemeente nadat belanghebbende zes
                    maanden werkzaamheden op een participatieplaats heeft verricht, scholing aan te
                    bieden die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij een dergelijke
                    scholing of opleiding de krachten en bekwaamheden van de belanghebbende te boven
                    gaat.</al>
        <tussenkop>Artikel 10 Participatieplaatsbijdrage </tussenkop>
        <al>In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp Wet stimulering
                    arbeidsparticipatie wordt aangegeven dat de regering er vanuit gaat dat degene
                    voor wie de werkzaamheden in het kader van de participatieplaats worden verricht
                    na het eerste jaar een vergoeding betaalt aan het college. Immers het college
                    heeft dan beoordeeld dat belanghebbende vooruitgang heeft laten zien en het is
                    niet meer dan vanzelfsprekend dat de derde - die daarvan profijt heeft - een
                    financiële bijdrage daarvoor levert (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009,
                    31577, nr. 6, p. 29). Artikel 10 is een uitwerking van dit uitgangspunt. Er kan
                    een bijdrage in de toegekende premie worden verlangd. Wanneer de opdrachtgever
                    op andere wijze een bijdrage heeft geleverd, bijvoorbeeld door financiering van
                    de (bedrijfs)scholing of levert een flinke investering in de vorm van
                    begeleiding, hoeft geen bijdrage in de premie te worden betaald.</al>
        <tussenkop>Artikel 11 Detacheringsbanen</tussenkop>
        <al>De WWB houdt de mogelijkheid open om evenals in de WIW gebruikelijk was,
                    personen een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op
                    te doen. </al>
        <al>Het eerste lid biedt het mogelijk tot het aangaan van het dienstverband.</al>
        <al>In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                    werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de
                    hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt
                    vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken
                    gemaakt over werktijden, verlof, de inhoud van het werk, etc.</al>
        <al>In het derde lid wordt aangegeven dat de gemeente zelf als werkgever op kan
                    treden, maar dit ook over kan laten aan een derde (bijvoorbeeld een
                    re-integratiebedrijf).</al>
        <al>Voor het vierde lid wordt verwezen naar de toelichting bij het artikel over
                    werkstages. De WWB geeft aan dat gesubsidieerde arbeid geen einddoel meer kan
                    zijn. Toch heeft Ten Boer ervoor gekozen om personen, waarvoor dat nodig blijkt
                    te zijn, een langduriger vorm van gesubsidieerde arbeid aan te bieden. </al>
        <al>Daarvoor is in het eerste lid de mogelijkheid opgenomen om een dienstverband aan
                    te bieden dat specifiek gericht is op participatie. </al>
        <tussenkop>Artikel 12 Loonkostensubsidies en premies </tussenkop>
        <al>Het eerste lid geeft de basis voor de loonkostensubsidie, waarbij expliciet
                    wordt aangeven dat het gaat om een voorziening voor arbeidsinschakelijking of
                    participatie. Deze loonkostensubsidie kan primair bedoeld zijn als een
                    participatie-instrument dat meerdere jaren in beslag kan nemen. Maar dat
                    betekent niet dat de bemoeienis van de gemeente op hoeft te houden na het
                    plaatsen van de werknemer. Daarom is in het derde lid de bepaling opgenomen dat
                    in dat geval minimaal eens per jaar in overleg met de werknemer én de werkgever
                    wordt bezien of er niet toch mogelijkheden tot uitstroom aanwezig zijn.</al>
        <al>Voor het tweede lid wordt verwezen naar de toelichting bij het artikel over
                    werkstages. </al>
        <tussenkop>Artikel 13 Werkgeversarrangement</tussenkop>
        <al>De gemeente werkt met de UWV aan een gezamenlijke benadering van werkgevers met
                    het doel afspraken te maken over het inzetten van werkzoekenden bij het
                    vervullen van vacatures. Omdat in veel gevallen een perfecte match nog niet tot
                    stand kan worden gebracht zullen arrangementen met werkgevers (moeten) worden
                    afgesloten. Deze arrangementen kunnen bijvoorbeeld inhouden dat aan </al>
        <al>bijstandsgerechtigden een vorm van scholing wordt aangeboden of extra
                    begeleiding in de eerste periode of dat de kosten en risico’s voor een werkgever
                    gedurende een bepaalde periode worden beperkt. Ook leerwerkconstructies maken
                    hier onderdeel van uit. Dit is in het eerste lid geregeld.</al>
        <al>In het tweede lid wordt de mogelijkheid geboden maatwerkafspraken met werkgevers
                    te maken doordat in bijzondere gevallen kan worden afgeweken van hetgeen over
                    premies, subsidies etc. in de verordening en de uitvoeringsbesluiten geregeld
                    is.</al>
        <al>Het derde lid biedt de mogelijkheid om een zogenoemde no risk verzekering aan te
                    bieden. Deze verzekering dekt het risico van doorbetaling van loon bij ziekte
                    van werknemers. </al>
        <tussenkop>Artikel 14 Vrijwilligerswerk</tussenkop>
        <al>Daar waar duidelijk is geworden dat activiteiten gericht op de inschakeling in
                    de arbeid (vooralsnog) geen succes zullen hebben, wordt de belanghebbende
                    gestimuleerd en in de gelegenheid gesteld om vrijwilligerswerk te gaan
                    verrichten. Daar waar mensen zelf in staat zijn om zinvolle activiteiten te
                    zoeken, zal het college kunnen volstaan om hieraan toestemming te verlenen. Daar
                    waar mensen ondersteund moeten worden bij het zoeken naar zinvolle activiteiten,
                    zal het college stappen nemen om zoveel mogelijk van dergelijke activiteiten te
                    creëren en/of toegankelijk te maken. Doel van het vrijwilligerswerk is dat
                    mensen zoveel mogelijk maatschappelijk actief moeten worden of blijven. </al>
        <tussenkop>Artikel 15 Scholing</tussenkop>
        <al>Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument, waarbij het moeilijk is vooraf
                    algemene richtlijnen te geven die in de verordening moeten worden opgenomen.
                    Daarom is dit artikel alleen nodig indien de gemeente op het niveau van de
                    verordening een aantal randvoorwaarden wil formuleren, zoals die genoemd zijn in
                    het tweede lid. </al>
        <al>Het college kan alleen scholing aanbieden indien er geen voorliggende
                    voorzieningen bestaat op grond van andere wetten en /of regelgeving. </al>
        <tussenkop>Artikel 16 Persoonsgebonden re-integratiebudget</tussenkop>
        <al>Als gemeente kunnen we ervoor kiezen om onze klanten een persoonsgebonden
                    re-integratiebudget te verstrekken. De belanghebbende krijgt daarbij zelf de
                    mogelijkheid om onder voorwaarden een </al>
        <al>re-integratiebedrijf te kiezen. </al>
        <tussenkop>Artikel 17 Schuldhulpverlening </tussenkop>
        <tussenkop>Schulden kunnen een grote belemmering vormen voor arbeidsinschakeling.
                    Daarom kan schuldhulp-verlening ook als voorziening worden aangeboden. De
                    uitkeringsgerechtigde kan worden verplicht tot het meewerken aan deze vorm van
                    hulpverlening. </tussenkop>
        <al>Uit de praktijk is gebleken dat er behoefte bestaat om schuldhulpverlening ook
                    als zelfstandig re-integratie-instrument in te zetten. Het proberen rond te
                    komen met schulden neemt belanghebbenden vaak dermate in beslag dat ze geen tijd
                    en/of aandacht hebben voor deelname aan een regulier re-integratietraject.
                    Bovendien motiveert het hebben van schulden niet tot het aangaan van een
                    dienstverband omdat schuldeisers meteen het salaris afromen. Aangezien
                    werkgevers vaak huiverig zijn om werknemers met (niet-gesaneerde) schulden in
                    dienst te nemen, kan schuldhulp-verlening ook voor op zichzelf bemiddelbare
                    belanghebbenden met schulden een noodzakelijk traject zijn.</al>
        <tussenkop>Artikel 18 Nazorg</tussenkop>
        <al>Mede gezien de beperkte budgetten is het belangrijk ervoor te zorgen dat
                    belanghebbenden na uitstroom niet na een korte periode terugvallen in de
                    uitkering. De gemeente kan ertoe besluiten veel aandacht te besteden aan nazorg,
                    met als doel een werkelijk duurzame plaatsing te realiseren. Bij dit artikel is
                    ervan uitgegaan dat nazorg geboden kan worden ná acceptatie van algemeen
                    geaccepteerde arbeid, dus niet bij gesubsidieerde arbeid. Bij gesubsidieerde
                    arbeid maakt begeleiding en advisering normaalgesproken al onderdeel uit van het
                    traject.</al>
        <tussenkop>Artikel 19 Inkomstenvrijlating</tussenkop>
        <al>Inkomsten moeten op het moment dat deze verordening in werking treedt opgegeven
                    worden op de maandelijkse verklaring. Mogelijk dat deze verplichting over enige
                    tijd vervalt. Voor de maandelijkse verklaring komt dan een "Mutatieformulier" in
                    de plaats. De inkomsten moeten dan worden opgegeven op door middel van dat
                    formulier. Op dit formulier kan door de uitkeringsgerechtigde dan ook het moment
                    worden aangegeven waarop de vrijlating moet ingaan. In het toegevoegde derde lid
                    is geregeld dat een persoon niet na een zeer korte tijd na afloop van de
                    vrijlatingsfaciliteit weer gebruik kan maken van de vrijlating. Er bestaat
                    opnieuw recht op de vrijlating als er gedurende een aaneengesloten periode van
                    twaalf maanden geen beroep is gedaan op een bijstandsuitkering.</al>
        <tussenkop>Artikel 20 Stimuleringspremie werknemer</tussenkop>
        <al>In de WWB is in artikel 31 tweede lid onderdeel j geregeld dat jaarlijks een
                    activeringspremie kan worden verstrekt. Deze premie is onbelast, en telt dus ook
                    niet mee bij de toepassing van inkomensonafhankelijke regelingen. Dit is alleen
                    het geval als in datzelfde jaar geen onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk
                    is verstrekt. In dit artikel is geregeld dat een uitkeringsgerechtigde die
                    langer dan zes maanden een uitkering heeft gehad en die uitstroomt naar
                    reguliere arbeid, een eenmalige premie ontvangt van € 600,--.</al>
        <al>In het tweede lid wordt aangegeven dat deze premie ook wordt verstrekt aan een
                    uitkeringsgerechtigde met beperkte belastbaarheid die voor het aantal uren dat
                    hij in staat wordt geacht te werken, regulier werk vindt.</al>
        <al>In het vierde lid is geregeld dat klanten die hebben gefraudeerd, worden
                    uitgesloten van de uitstroompremie.</al>
        <al>In het vijfde lid is geregeld dat niet alleen uitkeringsgerechtigden in
                    aanmerking komen voor een uitstroompremie, maar ook werknemers die met een
                    loonkostensubsidie of door middel van detachering arbeid verrichten en gaan
                    uitstromen naar regulier werk.</al>
        <al>In het zesde lid is geregeld dat ook uitkeringsgerechtigden die uitstromen naar
                    een dienstbetrekking in het kader van de Wet sociale werkvoorziening recht
                    hebben op een uitstroompremie.</al>
        <al>Ten slotte wordt in het zevende lid geregeld dat een bijstandsgerechtigde of
                    gesubsideerde werknemer hooguit een keer in de drie jaar in aanmerking komt voor
                    een uitstroompremie. De termijn van drie jaar begint te lopen op de dag van
                    uitstroom op grond waarvan eerder recht op uitstroompremie bestond. </al>
        <tussenkop>Artikel 21 Stimuleringspremie werkgever</tussenkop>
        <al>Het eerste lid van dit artikel voorziet in de mogelijkheid een premie toe te
                    kennen aan een werkgever die een reguliere arbeidsovereenkomst sluit met een
                    (langdurig) werkloze of een werknemer die een gesubsidieerd dienstverband heeft.
                    Dit kan zowel gaan om een loonkostensubsidie als om een detacheringbaan. Het
                    tweede lid biedt de mogelijkheid om aan een werkgever een premie te verstrekken
                    wanneer door zijn inspanningen de gesubsidieerde werknemer kan uitstromen naar
                    een reguliere baan bij een andere werkgever of wanneer hij anderszins een
                    substantiële bijdrage aan de inschakeling in de arbeid van de betreffende
                    werknemer heeft geleverd. De hoogte van de premie en de voorwaarden waaronder
                    deze premie wordt verstrekt worden in een uitvoeringsbesluit geregeld.</al>
        <tussenkop>Artikel 22 Deeltijdpremie alleenstaande ouder</tussenkop>
        <al>Uitkeringsgerechtigde alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5 jaar worden
                    via de belastingen gecompenseerd (artikel 31 lid 2 sub c) WWB). Voor deze groep
                    geldt dat de aanvullende alleenstaande ouderkorting en de combinatiekorting niet
                    in mindering worden gebracht op de verstrekte uitkering. Een extra premie is
                    voor deze doelgroep om het aanvaarden van deeltijdarbeid te stimuleren is dus
                    niet nodig.</al>
        <al>Uitkeringsgerechtigde alleenstaande ouders met kinderen in de leeftijd van 5 tot
                    12 jaar die deeltijdwerk verrichten, worden via de belastingen niet extra
                    gecompenseerd. Wanneer zij in staat zijn volledig uit te stromen uit de
                    uitkering profiteren zij wel weer van de bovengenoemde aanvullende alleenstaande
                    ouderkorting en de combinatiekorting.</al>
        <al>Teneinde ook uitkeringsgerechtigde alleenstaande ouders met kinderen jonger dan
                    12 jaar te stimuleren arbeid en zorg te combineren is hiervoor een premie
                    ingesteld. De premie is bedoeld als overbrugging in de jaren dat de kinderen
                    jong zijn, gericht op uitstroom uit de uitkering op langere termijn. Bij de
                    vaststelling van de hoogte van de premie is aansluiting gezocht bij de fiscale
                    regeling die geldt voor alleenstaande ouders met kinderen om het effect van de
                    armoedeval als gevolg van het verstrekken van een premie te voorkomen.</al>
        <al>Als voorwaarde wordt gesteld dat de alleenstaande ouder met kinderen jonger dan
                    12 jaar minimaal 20 uur per week deeltijdarbeid moet verrichten om in aanmerking
                    te kunnen komen voor de arbeidsinschakelingspremie.</al>
        <tussenkop>Artikel 23 Premies participatieplaats</tussenkop>
        <al>Wanneer een uitkeringsgerechtigde werkzaamheden in het kader van een
                    participatieplaats verricht, komt hij iedere zes maanden in aanmerking voor een
                    premie. Het betreft uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt die op termijn wel tot arbeidsinschakeling in staat worden geacht
                    (zie ook de toelichting bij artikel 9).Voor hen worden onder meer activiteiten
                    georganiseerd die zorgen voor gewenning aan arbeid en arbeidsritme zoals
                    aangekondigd in de nota "Werken, meedoen, erbij horen". Vanwege de afstand tot
                    de arbeidsmarkt komen deze uitkeringsgerechtigden nog niet in aanmerking voor
                    een traject dat is gericht op arbeidsactivering of arbeidstoeleiding. De
                    afbakening van de doelgroep ten opzichte van vergoeding voor vrijwilligerswerk
                    ligt in het feit dat alleen die vrijwilligers voor een vergoeding in aanmerking
                    komen die zijn ontheven van de arbeidsplicht.</al>
        <al>Teneinde diegenen die werken met behoud van uitkering te stimuleren om na afloop
                    van zes maanden zelf het initiatief te nemen om actief te blijven is in het
                    derde lid een eenmalige vergoeding voor scholing geregeld tot maximaal € 300,--.
                    Dit bedrag kan door de uitkeringsgerechtigde naar eigen inzicht worden ingezet
                    voor het volgen van een opleiding of cursus. De vergoeding kan worden toegekend
                    naast de premie en staat los van het scholingsaanbod als bedoeld in het vijfde
                    lid van artikel 10a van de wet (uitgewerkt in artikel 9, lid 5 van deze
                    Re-integratieverordening).</al>
        <al>Op grond van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder c, van de wet dient aandacht
                    te worden besteed aan de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval.</al>
        <al>De gemeente Ten Boer gaat bij stimuleringspremies in principe uit van € 63,67
                    per maand, in geval van participatieplaatsen betekent dit € 382,-- telkens na
                    zes maanden. De staatssecretaris geeft tijdens de behandeling van het
                    wetsontwerp Wet stimulering arbeidsparticipatie zelf aan dat bij een dergelijke
                    premie geen armoedevaleffecten zijn te verwachten (Tweede Kamer, Handelingen </al>
        <al>2008-2009, 31577, nr. 21, p. 1700). Al in een eerder stadium van de behandeling
                    van dit wetsontwerp had de regering voorgerekend dat bij toekennen van de
                    maximale premie op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de WWB,
                    wel een armoedeval optreedt voor gezinnen bij uitstroom naar een voltijdbaan met
                    minimumloon, maar niet bij deelname aan een participatieplaats (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2008-2009, 31577, nr.6, p. 28 – 29).</al>
        <tussenkop>Artikel 24 Premie doorstroom naar gesubsidieerd
                    werk</tussenkop>
        <al>Wanneer een uitkeringsgerechtigde gesubsidieerde arbeid als bedoeld in de
                    artikelen 11 en 12 gaat verrichten betekent dit niet alleen een grote stap in de
                    richting van reguliere arbeid, maar ook een grote verandering in het leven van
                    een persoon die – wellicht jarenlang – was aangewezen op een uitkering. Om het
                    maken van die stap te stimuleren wordt eenmalig een activeringspremie van </al>
        <al>€ 300,-- verstrekt. Zoals gezegd is de premie alleen bedoeld voor de overstap
                    van uitkering naar gesubsidieerde arbeid: wanneer een gesubsidieerde werknemer
                    bijvoorbeeld overstapt naar een andere gesubsidieerde baan of van een door de
                    gemeente aangeboden baan op detacheringsbasis naar een baan met
                    loonkostensubsidie komt hij <cursief>niet</cursief> in aanmerking voor deze
                    premie. </al>
        <tussenkop>Artikel 25 Premie seniorenbaan</tussenkop>
        <al>Sinds enige tijd kent de gemeente de participatievoorziening: seniorenbaan. Dit
                    is een WWB-dienstverband dat de oudere bijstandsgerechtigde krijgt aangeboden
                    als deze persoon een substantieel aantal arbeidsuren kan/gaat verrichten in de
                    sfeer van maatschappelijk nuttige activiteiten. Dit in het kader van de in de
                    samenleving gevoelde behoefte om de oudere werknemer langer aan het werk te
                    houden dan wel te laten participeren in de samenleving. De senior heeft een
                    dienstverband met de Stichting WeerWerk tot maximaal zijn 65<sup>e </sup>jaar en
                    ontvangt het minimumloon. Aangezien het, ondanks de naar verwachting steeds
                    toenemende krapte op de arbeidsmarkt, voor deze groep gesubsidieerde werknemers
                    toch zeer moeilijk zal zijn om uit te stromen naar een reguliere baan (met de
                    daaraan verbonden voordelen als loonsverhoging en carrièrekansen), wordt een
                    activeringspremie van € 50,-- per maand, uit te betalen aan het einde van het
                    kalenderjaar op zijn plaats geacht.</al>
        <tussenkop>Artikel 26 Overige vergoedingen</tussenkop>
        <al>Het is denkbaar dat de gemeente, ter stimulering van de arbeidsinschakeling,
                    besluit diverse kosten te vergoeden voor activiteiten die daaraan bijdragen. Dit
                    is in het eerste lid geregeld.</al>
        <al>In het tweede lid is geregeld dat uitkeringsgerechtigden die geen
                    arbeidsverplichting meer hebben en andersoortige (maatschappelijke) activiteiten
                    gaan verrichten, een onkostenvergoeding kunnen krijgen ter hoogte van het bedrag
                    dat in de wet staat aangegeven als maximaal vrij te laten forfaitaire
                    onkostenvergoeding in het kader van vrijwilligerswerk.</al>
        <al>Deze activiteiten moeten dan wel door het college zijn erkend als zijnde
                    maatschappelijke activiteiten. Dit is geregeld in het derde lid.</al>
        <tussenkop>Artikel 27 Inburgering</tussenkop>
        <tussenkop>Voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling en voorzieningen in het
                    kader van de inburgering zullen steeds vaker gezamenlijk en in samenhang worden
                    aangeboden. Dat betekent dat - integratievoorzieningen, zoals die in deze
                    verordening zijn beschreven, ook deel uit kunnen maken van een
                    inburgeringsprogramma op grond van de Wet inburgering (WI). Omgekeerd geldt ook
                    dat delen van het inburgeringsprogramma of het volledige inburgeringsprogramma
                    onderdeel kunnen uitmaken van het re-integratietraject van belanghebbende. In
                    dat geval zullen (ten aanzien van uitkeringsgerechtigden) de verplichtingen die
                    verbonden zijn aan de WWB zich uitstrekken tot de activiteiten in het kader van
                    de WI.</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 28 Hardheidsclausule</tussenkop>
        <al>Met dit artikel wordt het voor het college mogelijk om in geval van “kennelijke
                    hardheid” af te wijken van de bepalingen uit deze verordening.</al>
        <tussenkop>Artikel 29 Voorzieningen voor kunstenaars</tussenkop>
        <al>In artikel 21, vierde lid van de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) is
                    bepaald, dat de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen met betrekking
                    tot het aanbieden van voorzieningen aan kunstenaars die daar om verzoeken,
                    gericht op het bevorderen van de arbeidsinschakeling in het kader van de
                    uitoefening van een gemengde beroepspraktijk. </al>
        <al>Door het opnemen van artikel 25 in de verordening wordt hieraan voldaan. Dit
                    artikel strekt ertoe dat kunstenaars in voorkomende gevallen een beroep kunnen
                    doen op activerende middelen uit het werkdeel van het WWB-budget ter versterking
                    van het niet-kunstgerelateerde deel van de gemengde beroepspraktijk. Een verzoek
                    hiertoe moet de kunstenaar indienen bij het college van de gemeente waar de
                    kunstenaar zijn woonplaats heeft (dus niet per definitie bij de
                    centrumgemeente!).</al>
        <al>Vaak zal een kunstenaar besluiten om een beroep te doen op deze middelen als
                    duidelijk is geworden dat het ook op termijn niet mogelijk is om uitsluitend via
                    inkomsten uit de aan kunst gerelateerde activiteiten in de kosten van het
                    levensonderhoud te voorzien. Indien het om de situatie gaat waarin de kunstenaar
                    niet woonachtig is in de centrumgemeente, ligt het voor de hand dat het college
                    van de woongemeente desgewenst advies vraagt aan de centrumgemeente waar de
                    kunstenaar uitkering ontvangt over de wenselijkheid van de toekenning van de
                    gevraagde voorziening.</al>
        <al>Anders dan in de WWB, waar een dergelijke voorziening verplichtend door het
                    college wordt opgelegd, heeft de voorziening in het kader van de WWIK een
                    vrijwillig karakter. De kunstenaar die een beroep doet op een voorziening is
                    uiteraard (wel) verplicht om van een aangeboden voorziening daadwerkelijk
                    gebruik te maken. Het is aan het college om te bepalen welk aanbod passend is.
                    Hierbij geldt dat het moet gaan om de kortste weg naar duurzame
                    arbeidsparticipatie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29 574, nr. 3).</al>
        <al>De kunstenaar die een beroep doet op een voorziening dient zich te houden aan de
                    in de overeenkomst of het besluit neergelegde bepalingen c.q. voorwaarden
                    (artikel 5, derde lid). Verder zijn de algemene bepalingen van artikel 7 van
                    toepassing. Maakt de kunstenaar niet of onvoldoende gebruik van de aangeboden
                    voorziening of voldoet hij niet aan andere opgelegde verplichtingen dan is het
                    op grond van artikel 22 van de WWIK mogelijk een maatregel op te leggen.
                    Daarnaast kan worden overeengekomen dat de kunstenaar bij voortijdig afbreken -
                    of niet voldoende nakomen - van het traject, de trajectkosten geheel of
                    gedeeltelijk terugbetaalt.</al>
        <tussenkop>Artikel 30 Wet participatiebudget</tussenkop>
        <al>Voor zover nodig voorziet dit artikel in een instemming van de raad om de kosten
                    voor een participatievoorziening in gevallen waarin deze voorziening het strikte
                    kader voor een re-integratievoorziening als bedoeld in artikel 3, vierde lid,
                    sub d, van de Wet participatiebudget te boven gaat, ten laste te brengen van het
                    particiaptiebudget. Deze wet biedt aan het college de mogelijkheid om aan een
                    ruimere doelgroep van personen participatievoorzieningen aan te bieden dan op
                    grond van de WWB, de IOAW of de IOAZ. Zoals wel voor de
                    re-integratievoorzieningen op grond van deze drie laatst genoemde wetten is
                    voorgeschreven, geldt hier niet de voorwaarde dat deze participatievoorzieningen
                    (inhoudelijk) bij verordening door de raad moeten worden vastgesteld. Overigens
                    is de verwachting dat het college van deze nieuwe bevoegdheid op grond van de
                    Wet particiaptiebudget slechts in bijzondere gevallen gebruik gaat maken. Met
                    betrekking tot het afgelopen kalenderjaar 2009 biedt deze bepaling (voor zover
                    nodig) een grondslag om reeds gemaakte kosten die niet onder het beperktere
                    begrip re-integratievoorziening maar wel onder het ruimere begrip
                    participatievoorziening gekwalificeerd kunnen worden, ten laste te brengen van
                    het participatiebudget. Over de besteding van daarmee gemoeide gelden zal het
                    college aan de raad verantwoording moeten afleggen. In de regel zal ook vooraf
                    in een beleidsplan of in een programma in de programmabegroting inhoudelijke
                    instemming van de raad worden gevraagd.</al>
        <tussenkop>Artikel 31 Citeertitel </tussenkop>
        <al>Behoeft geen nadere toelichting.</al>
        <tussenkop>Artikel 32 Inwerkingtreding</tussenkop>
        <al>Onder intrekking van de ‘oude’ verordening treedt de nieuwe
                    Re-integratieverordening WWB per 1 juli 2010 in werking.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>