<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR468303_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Financiële verordening gemeente Texel 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Texel</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Texel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://www.texel.nl/mozard/!suite86.scherm0325?mVrg=6019&amp;mNch=6116738">Gemeenteblad Texel 2017 nr 26</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële verordening gemeente Texel 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=212">Gemeentewet </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-09-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-09-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-01-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>063</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Financiële verordening gemeente Texel 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Texel;</al><al/><al>Gelezen het advies van burgemeester en wethouders van 13 juni 2017;</al><al/><al>Gehoord de raadscommissie van 5 september 2017;</al><al/><al>Gelet op</al><al>artikel 212 Gemeentewet; </al><al/><al>Besluit</al><al>vast te stellen de</al><al/><al>Financiële verordening gemeente Texel 2017</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>administratie</al></entry><entry><al>het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken
                                                en verstrekken van informatie ten behoeve van het
                                                besturen, functioneren en beheersen van de
                                                gemeentelijke organisatie en de verantwoording die
                                                daarover moet worden afgelegd</al></entry></row><row><entry><al>afdeling</al></entry><entry><al>iedere organisatorische eenheid binnen de
                                                gemeentelijke organisatie met een eigen
                                                rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het
                                                college</al></entry></row><row><entry><al>inkomsten</al></entry><entry><al>totaal van de baten voor toevoegingen en
                                                onttrekkingen van reserves</al></entry></row><row><entry><al>netto schuld per inwoner</al></entry><entry><al>bruto schuld minus de omvang van de geldelijke
                                                bezittingen gedeeld door het aantal inwoners op 31
                                                december van het begrotingsjaar. Onder bruto schuld
                                                wordt verstaan het totaal van langlopende leningen,
                                                kortlopende schulden, crediteurenvorderingen en
                                                overlopende passiva. Onder geldelijke bezittingen
                                                wordt verstaan het totaal van leningen aan
                                                deelnemingen, leningen aan overige verbonden
                                                partijen, leningen aan derden, langlopende
                                                uitzettingen, kortlopende uitzettingen,
                                                debiteurenvorderingen, liquide middelen en
                                                overlopende activa</al></entry></row><row><entry><al>onbenutte belastingcapaciteit onroerende
                                                zaakbelasting</al></entry><entry><al>verschil tussen de opbrengst onroerende
                                                zaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig
                                                zijn voor toegang tot de procedure van artikel 12
                                                van de Financiële-verhoudingswet en de (geraamde)
                                                opbrengst onroerende zaakbelasting</al></entry></row><row><entry><al>overheidsbedrijf</al></entry><entry><al>onderneming met privaatrechtelijke
                                                rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een
                                                personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid,
                                                waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of
                                                meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in
                                                staat is het beleid te bepalen of een onderneming in
                                                de vorm van een personenvennootschap, waarin een
                                                publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Begroting en verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Programma-indeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt een programma indeling vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt op voorstel van het college de beleidstaken per
                                programma vast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad stelt op voorstel van het college per programma de
                                beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten
                                minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25,
                                tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording
                                provincies en gemeenten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad stelt vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen
                                naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken
                                kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inrichting begroting en jaarstukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Bij de begroting en de jaarstukken worden het overzicht van
                                algemene dekkingsmiddelen en het overzicht van de overhead
                                weergegeven. </al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt
                                van de nieuwe investeringen en vervangingsinvesteringen per
                                investering het benodigde investeringskrediet weergegeven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie wordt via de
                                liquiditeitsbegroting in de begroting in aanvulling op het bepaalde
                                in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en
                                verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de
                                ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de
                                meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de programmarekening en de halfjaarrapportage wordt van de
                                investeringen de uitputting van de geautoriseerde
                                investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en
                                inkomsten weergegeven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Kaders begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het Het college biedt vóór 15 juli aan de raad een nota aan met een
                                voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting
                                voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad
                                stelt deze nota vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de begroting wordt een post onvoorzien van € 33.000
                                opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Autorisatie begroting en investeringskredieten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en
                                de lasten per programma.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de raad een activiteit welke
                                onderdeel is van een taakveld, als prioriteit aanwijzen en daarvoor
                                de baten en lasten apart autoriseren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe
                                investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor
                                autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige
                                nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het
                                vaststellen van de financiële positie geautoriseerd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college informeert de raad als ze verwacht, dat de lasten van
                                een beleidstaak of prioriteit de geautoriseerde lasten dreigen te
                                overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet
                                het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden, of
                                de baten van een beleidstaak of een prioriteit de geautoriseerde
                                baten dreigen te onderschrijden. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad bedoeld in
                                artikel 6, lid 1, doet het college voorstellen voor het wijzigen van
                                de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de
                                geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het
                                beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet
                                het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van
                                geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de
                                geautoriseerde investeringskredieten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het
                                vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college
                                voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een
                                investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een
                                investeringskrediet aan de raad voor. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de raad door middel van een
                                halfjaarrapportage over de realisatie van de begroting van de
                                gemeente over het eerste halfjaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Daarnaast bevat de tussentijdse rapportage</al><lijst><li nr="a."><al>de realisatie en raming van de uitputting van de
                                        investeringskredieten</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>een voorstel van dekkingsmiddelen</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de stand van de algemene reserve</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>actuele zaken</al></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Informatieplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit niet over:</al><lijst><li nr="a."><al>het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties. In
                                        afwijking hiervan besluit het college wel conform de
                                        investeringskedietregeling stichtingen en verenigingen
                                        gemeente Texel over het toekennen van leningen tot max. €
                                        50.000 aan stichtingen en verenigingen met een culturele of
                                        sportieve doelstelling en welke gevestigd zijn op Texel.
                                    </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het verstrekken van kapitaal aan instellingen en
                                        ondernemingen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>EMU saldo</titel></kop><al>Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het
                            collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel
                            3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben
                            overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de
                            begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het
                            college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Financieel beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Waardering en afschrijving vaste activa</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de
                                methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage
                                afschrijvingsbeleid bij deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste
                                van de exploitatie gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een saldo voor agio of disagio wordt lineair in 4 jaar
                                afgeschreven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Voorziening voor oninbare vorderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Oninbare vorderingen worden jaarlijks ten laste van de exploitatie
                                gebracht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Reserves en voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en
                                de programmarekening vindt geen toerekening van rente over de
                                reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt de raad eens in de 2 jaar een nota reserves en
                                voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en
                                behandelt: </al><lijst><li nr="a."><al>de vorming en besteding van reserves;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de vorming en besteding van voorzieningen;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>actualisatie en overzicht stille reserves;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>voorstellen voor het instellen c.q. opheffen reserves en
                                        voorzieningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor
                                een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het specifieke doel van de reserve;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de voeding van de reserve;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de maximale hoogte van de reserve; en</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>de maximale looptijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen niet heeft
                                geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt
                                deze aan de algemene reserve toegevoegd via programmarekening en de
                                nota reserves en voorzieningen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Kostprijsberekening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen
                                waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken
                                en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden,
                                wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd.
                                Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de
                                overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen voor de
                                financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de directe kosten worden betrokken de afschrijvingskosten van de
                                in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee
                                kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de
                                compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de
                                gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten
                                die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels
                                worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie en in de
                                desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan
                                die activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten
                                die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting en
                                voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de
                                vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van
                                rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en
                                van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan
                                overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als
                                bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van
                                een aandeel in de totale overheadkosten. Voor de berekening van de
                                tarieven wordt er rekening gehouden met de toerekening van
                                overheadkosten. </al><al>De overheadkosten worden berekend door een opslag op de personele
                                omvang die zich met desbetreffende product bezighoudt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking afwijking van het vijfde lid wordt voor toerekening van
                                de overheadkosten aan tarieven voor afval een riool een percentage
                                van de overhead toegerekend. Dit percentage wordt zodanig bepaald,
                                dat de tarieven voor riool en afval niet onnodig stijgen door
                                veranderende comptabiliteitsvoorschriften. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor
                                de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het
                                eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het
                                percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen
                                gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de
                                rentekosten op de opgenomen langlopende leningen, kortlopende
                                leningen en kredieten. De uitkomst van dit percentage van de
                                omslagrente wordt op een half procent afgerond.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>In afwijking van het zevende lid wordt bij een verstrekte lening
                                voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen
                                in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de
                                financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente
                                wordt verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid worden bij
                                vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties
                                alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de
                                kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de
                                werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt
                                uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de
                                portefeuille leningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Prijzen economische activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente
                                aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie
                                met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde *integrale
                                kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek
                                belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten
                                afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek
                                belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of
                                werken wordt gemotiveerd.</al><al>*) Met uitzondering van het Werkbedrijf De Bolder, werkt niet met
                                integrale kostprijzen maar met marktprijzen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan
                                overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale
                                kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek
                                belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit,
                                waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt
                                gemotiveerd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan
                                overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding
                                van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte
                                middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college
                                vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang
                                van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld
                                in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale
                                kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>leveringen van goederen, diensten of werken en het
                                        verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere
                                        overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn
                                        bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die
                                        andere overheid;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij
                                        wet opgedragen publiekrechtelijke taak;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een
                                        toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor
                                        prijsvoorschriften gelden;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>een bevoordeling van sociale werkplaatsen;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>een bevoordeling van onderwijsinstellingen;</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>een bevoordeling van publieke media-instellingen; en</al></li></lijst><lijst><li nr="g."><al>een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de
                                        staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese
                                        Unie en daarmee verenigbaar is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen
                            </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van
                                de gemeentelijke tarieven, belastingen, leges en rechten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren
                                en erfpachten ten opzichte van de door de raad vastgestelde kaders
                                vooraf een besluit voor aan de raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Financieringsfunctie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen
                                de volgende kaders in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het aantrekken van financieringen met een looptijd
                                        langer dan 1 jaar worden ten minste 2 prijsopgaven bij
                                        verschillende financiële instellingen gevraagd; en</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als
                                        bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering
                                        decentrale overheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en
                                het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college
                                indien mogelijk zekerheden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Paragrafen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Lokale heffingen</titel></kop><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                            lokale heffingen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10
                            van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in
                            ieder geval op:</al><lijst><li nr="a."><al>de kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde
                                    overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in
                                    rekening worden gebracht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Financiering</titel></kop><al>In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt
                            het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van
                            het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder
                            geval op:</al><lijst><li nr="a."><al>Leningenportefeuille meerjarig;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Liquiditeitsplanning meerjarig.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Weerstandsvermogen &amp; risicobeheersing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de
                                begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte
                                onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en
                                verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: </al><lijst><li nr="a."><al>de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het saldo van de baten en lasten voor toevoegingen en
                                        onttrekkingen van reserves als percentage van de
                                        inkomsten;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de onbenutte belastingcapaciteit onroerende zaakbelasting
                                        als percentage van de inkomsten.</al><al/></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het in beeld brengen van de weerstandscapaciteit van de
                                gemeente wordt 1 keer per collegeperiode aan de hand van het
                                houdbaarheidstekort beoordeeld of de gemeente bij een risicoscenario
                                de schuldverplichtingen in de toekomst kan blijven nakomen zonder
                                dat de uitgaven aan en de investeringen in noodzakelijke publieke
                                voorzieningen in de knel komen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college laat jaarlijks een risico-inventarisatie uitvoeren. De
                                uitkomsten hiervan presenteert het college via de programmabegroting
                                aan de raad. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college legt via de programmarekening verantwoording af over de
                                risico’s die in de programma-begroting zijn benoemd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college meldt de raad in de halfjaarrapportage welke risico’s,
                                ten opzichte van de begroting, nieuw zijn of die significant
                                afwijken.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een Nota
                                Risicomanagement en weerstandsvermogen aan. Het plan bevat de visie
                                en het beleid ten aanzien van risicomanagement en
                                weerstandsvermogen. De raad stelt het plan vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Onderhoud kapitaalgoederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                                onderhoud kapitaalgoederen de verplichte onderdelen op grond van
                                artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en
                                gemeenten in ieder geval op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een
                                onderhoudsplan openbare ruimte aan. Het plan geeft het kader weer
                                voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en
                                de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen,
                                kunstwerken en straatmeubilair. De raad stelt het plan vast. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een
                                rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde
                                onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van
                                de riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele
                                uitbreidingen. De raad stelt het plan vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een
                                onderhoudsplan gebouwen aan. Het plan bevat voorstellen voor het te
                                plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke
                                gebouwen. De raad stelt het plan vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Bedrijfsvoering</titel></kop><al>In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en of de jaarstukken
                            neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14
                            van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in
                            ieder geval op:</al><lijst><li nr="a."><al>Organisatieontwikkeling;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Kwaliteitszorg;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>Informatieveiligheid;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>Integriteitsbeleid;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>Onderzoeken art. 213a;</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>Interbestuurlijk toezicht;</al></li></lijst><lijst><li nr="g."><al>Juridisch;</al></li></lijst><lijst><li nr="h."><al>De omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en
                                    de loonkosten;</al></li></lijst><lijst><li nr="i."><al>De kosten van inhuur derden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Verbonden partijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                                verbonden partijen naast de verplichte onderdelen op grond van
                                artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en
                                gemeenten in ieder geval op:</al><lijst><li nr="a."><al>De De Solvabiliteitsindex van het voorgaande jaar
                                        (EV/TV);</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Ontwikkelingen bij de verbonden partij. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college binnen de
                                programma’s mee welke verbonden partijen binnen het betreffende
                                programma betrokken zijn bij welke taakvelden en op welke wijze zij
                                betrokken zijn bij de gemeentelijke doelrealisatie;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college voert jaarlijks een risicoanalyse uit ten aanzien van
                                verbonden partijen voor bestuurlijke en financiële aspecten. Op
                                basis van de risicoanalyse doet het college in de programmabegroting
                                een voorstel voor de omvang en intensiteit van bestuurlijke
                                informatie; </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college informeert de raad bij het aangaan, wijzigen en/of het
                                beëindigen van relatie met een verbonden partijen conform de
                                gestelde kaders in de nota verbonden partijen;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een Nota
                                Verbonden Partijen aan. Het plan bevat de visie en het beleid ten
                                aanzien van verbonden partijen. De raad stelt het plan vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Grondbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt
                                het college de verplichte onderdelen op grond van artikel van 16 van
                                het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in
                                op.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Financiële organisatie en financieel beheer </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Administratie</titel></kop><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval
                            dienstbaar is voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de
                                    gemeente als geheel en in de teams;</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang
                                    van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en
                                    contracten;</al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende
                                    budgetten en investeringskredieten en voor het maken van
                                    kostencalculaties;</al></li><li nr="d."><al>het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking
                                    tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de
                                    maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; </al></li><li nr="e."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                    doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                    relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante
                                    wet- en regelgeving;</al></li><li nr="f."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van
                                    de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de
                                    rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                    gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                    begroting en relevante wet- en regelgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><al/><al>Het college draagt zorgt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                                    eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken aan de teams;
                                </al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                    verantwoordelijkheden; </al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                    verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                    investeringskredieten; </al></li><li nr="d."><al>de interne regels voor taken en bevoegdheden, de
                                    verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening
                                    van de financieringsfunctie; </al></li><li nr="e."><al>de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren
                                    prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en
                                    frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten
                                    en uitputting van middelen; </al></li><li nr="f."><al>de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten
                                    en lasten aan de taakvelden;</al></li><li nr="g."><al>het beleid en de interne regels voor de inkoop en de
                                    aanbesteding van goederen, werken en diensten; </al></li><li nr="h."><al>het beleid en de interne regels voor de toekenning van subsidies
                                    aan ondernemingen en instellingen; </al></li><li nr="i."><al>het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik
                                    en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en
                                    eigendommen;</al></li><li nr="j."><al>opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en
                                    verantwoording wordt voldaan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Interne controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de
                                programmarekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a, van
                                de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de
                                balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b, van de
                                Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid
                                van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de
                                beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen
                                tot herstel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie
                                en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van
                                de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden,
                                de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten,
                                de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van
                                crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd. Bij afwijkingen in de
                                registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de
                                tekortkomingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De financiële verordening gemeente Texel 2012 wordt ingetrokken, met
                                dien verstande dat zij van toepassing blijft op de programmarekening
                                en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar
                                voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt
                                en op de begroting, programmarekening en jaarverslag en bijbehorende
                                stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin
                                deze verordening in werking treedt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die
                                voor 1 januari 2017 zijn gedaan, blijft de financiële verordening
                                gemeente Texel 2012 van toepassing zoals deze gold op de dag voor de
                                inwerkingtreding van deze verordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 22 september 2017.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening
                                gemeente Texel 2017.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 september 2017</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>Afschrijvingsbeleid bij artikel 9</nr></kop><al>Afschrijvingsbeleid immateriële vaste activa</al><al>De volgende immateriële vaste activa worden lineair afgeschreven in:</al><lijst><li nr="a."><al>maximaal 40 jaar: bijdragen aan activa in eigendom van derden;</al></li></lijst><al/><al>Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met economisch nut</al><al>Activa met met economisch nut en een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000
                    worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen
                    worden altijd geactiveerd.</al><al/><al>Start afschrijving gemeente: Op moment van betaling laatste rekening
                    (geautomatiseerd).</al><al>Start afschrijving het Werkbedrijf De Bolder: Eind van de maand van
                    ingebruikstelling. </al><al/><al>Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.</al><al/><al>De volgende materiële vaste activa met economisch nut worden lineair
                    afgeschreven in:</al><lijst><li nr="a."><al>maximaal 50 jaar: rioleringen;</al></li><li nr="b."><al>15-25 jaar: aanleg tijdelijke terreinwerken; </al></li><li nr="c."><al>40 jaar: nieuwbouw woonruimten en schoolgebouwen;</al></li><li nr="d."><al>40 jaar: nieuwbouw kantoren en bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>5-15 jaar: nieuwbouw tijdelijke woonruimten en tijdelijke
                            bedrijfsgebouwen; </al></li><li nr="f."><al>25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop woonruimten, en
                            schoolgebouwen;</al></li><li nr="g."><al>25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop kantoren en
                            bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="h."><al>15-20 jaar: technische installaties in bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="i."><al>10 jaar: veiligheidsvoorzieningen bedrijfsgebouwen; </al><al/></li><li nr="j."><al>10 jaar: telefooninstallaties;</al></li><li nr="k."><al>5 jaar: automatiseringsapparatuur en software;</al></li><li nr="l."><al>10 jaar: kantoormeubilair en schoolmeubilair;</al></li><li nr="m."><al>10 jaar: motorvaartuigen;</al></li><li nr="n."><al>5-12 jaar: zware transportmiddelen;</al></li><li nr="o."><al>5-12 jaar: aanhangwagens, personenauto’s en lichte motorvoertuigen;</al></li></lijst><lijst><li nr="p."><al>5-10 jaar: machines, apparaten en installaties van het Werkbedrijf De
                            Bolder.</al></li></lijst><al/><al>Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met maatschappelijk nut</al><al>De volgende materiële vaste activa met maatschappelijk nut worden lineair
                    afgeschreven in:</al><lijst><li nr="a."><al>15 jaar: parken, sportvelden en groenvoorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>15 jaar: wegen, pleinen en rotondes;</al></li><li nr="c."><al>15 jaar: tunnels, viaducten en bruggen;</al></li><li nr="d."><al>15 jaar: geluidswallen;</al></li><li nr="e."><al>25 jaar: openbare verlichting;</al></li><li nr="f."><al>10-15 jaar: straatmeubilair;</al></li><li nr="g."><al>30 jaar: havens, kades, sluizen en waterkeringen;</al></li><li nr="h."><al>30 jaar: waterwegen, waterbergingen en walbeschoeiing;</al></li><li nr="i."><al>15-25 jaar: pompen en gemalen.</al></li></lijst><al/><al>Afschrijvingsbeleid Openbare Scholengemeenschap De Hogeberg</al><al>Activa met economisch nut en een verkrijgingsprijs van minder dan € 750 worden
                    niet geactiveerd. </al><al/><al>Materiële vaste activa worden vanaf het moment van ingebruikneming afgeschreven
                    over de verwachte toekomstige gebruiksduur van het actief. </al><al>Indien een schattingswijziging plaatsvindt van de toekomstige gebruiksduur, dan
                    worden de toekomstige afschrijvingen aangepast.</al><al/><al>De materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijging- c.q.
                    vervaardigingprijs, verminderd met de afschrijvingen. De afschrijvingen vinden
                    lineair en naar de vastgestelde periode plaats op basis van de verwachte
                    economische levensduur.</al><al/><al>De activeringsgrens ligt voor inventaris en apparatuur op € 750.</al><al/><al>Met ingang van 01 januari 2015 zijn de volgende afschrijvingspercentages van
                    toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>5 jaar: hard- en software I.C.T.;</al></li><li nr="b."><al>5 jaar: audiovisuele apparatuur;</al></li><li nr="c."><al>10-20 jaar: machines meubilair lesruimten, inventaris lesruimte.</al></li></lijst><al/><al>Bijzondere waardeverminderingen van vaste activa</al><al>De school beoordeelt op iedere balansdatum of er aanwijzingen zijn dat een vast
                    actief aan een bijzondere waardevermindering onderhevig kan zijn. Indien
                    dergelijke indicaties aanwezig zijn, wordt de realiseerbare waarde van het
                    actief vastgesteld. Indien het niet mogelijk is de realiseerbare waarde voor het
                    individuele actief te bepalen, wordt de realiseerbare waarde bepaald van de
                    kasstroomgenererende eenheid waartoe het actief behoort. Van een bijzondere
                    waardevermindering is sprake als de boekwaarde van een actief hoger is dan de
                    realiseerbare waarde; de realiseerbare waarde is de hoogste van de
                    opbrengstwaarde en de bedrijfswaarde.</al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting op de artikelen</label></kop><lijst><li nr="NB."><al><cursief>Deze toelichting is geschreven met de (mogelijke) keuzes die in
                                de Model Financiële verordening 2016 gemaakt zijn, in gedachte. Als
                                een individuele gemeente op punten andere keuzes maakt, dan sluit
                                deze toelichting mogelijk niet aan. Wel kan deze uiteraard als basis
                                dienen voor een door de gemeente zelf op te stellen toelichting.
                                Bovendien worden enkel bepalingen behandeld voor zover die verdere
                                toelichting behoeven. Voor een goed beeld dient deze
                                modelverordening in samenhang met de hierbij behorende ledenbrief
                                gelezen te worden.</cursief></al></li></lijst><al/><al>Artikel 1 Begripsbepaling</al><al>Het begrip administratie is gedefinieerd ten behoeve van artikel 23 van de
                    verordening. </al><al>Het begrip afdeling is gedefinieerd ten behoeve van de artikelen 23 en 24 van de
                    verordening.</al><al>De begrippen inkomsten, netto schuld per inwoner en onbenutte
                    belastingcapaciteit zijn gedefinieerd ten behoeve van artikel 18 van de
                    verordening. Hiervoor zijn de definities gevolgd die www.waarstaatjegemeente.nl
                    toepast voor de financiële kengetallen over de gemeentefinanciën.</al><al>Tot slot is het begrip overheidsbedrijf gedefinieerd om in artikel 13 van de
                    verordening nadere invulling te kunnen geven aan de verplichtingen die volgen
                    uit de Mededingingswet voor het vaststellen van de hoogte van prijzen.</al><al/><al>Artikel 2 Programma indeling</al><al>Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de
                    jaarstukken. De indeling van de programma’s worden bij aanvang van iedere
                    raadsperiode door de raad vastgesteld. Het <cursief>Besluit begroting en
                        verantwoording provincies en gemeenten</cursief> (hierna: BBV) bepaalt in
                    aanvulling hierop, dat de taakvelden aan de programma’s moeten worden
                    toegewezen.</al><al>Het tweede lid regelt, dat de taakvelden op voorstel van het college aan de
                    programma’s worden toebedeeld. </al><al>Het derde lid bepaalt, dat op voorstel van het college de raad
                    beleidsindicatoren per programma vaststelt. Het is het zogenaamde SMART maken
                    van de begroting. Wat de verplichte beleidsindicatoren zijn, volgt uit de
                    (ministeriële) <cursief>Regeling vaststelling beleidsindicatoren door gemeenten
                        in programma’s en programmaverantwoording</cursief>, welke zijn grondslag
                    vindt in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV.</al><al>Overigens bepaalt dit artikel niet dat elke nieuwe raadsperiode de gehele
                    begroting en jaarstukken moeten worden herzien. In de meeste gevallen is dat
                    niet raadzaam. Als de indeling en gebruikte beleidsindicatoren de vorige
                    raadsperiode goed zijn bevallen, kunnen deze ongewijzigd opnieuw worden
                    vastgesteld. In andere gevallen zijn (kleine) bijstellingen of wijzigingen
                    meestal voldoende</al><al>Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt
                    de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt,
                    geïnformeerd. Het vierde lid bepaalt, dat de raad bij aanvang van een nieuwe
                    raadsperiode kan aangeven, welke paragrafen hij nog meer wenst. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan een paragraaf subsidies of een paragraaf
                    duurzaamheid. </al><al/><al>Artikel 3 Inrichting begroting en jaarstukken </al><al>In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de
                    inrichting van de begroting. Het artikel schrijft voor, dat de baten en lasten
                    onder de programma’s in de begroting per taakveld worden weergegeven. </al><al>In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de
                    begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te
                    bepalen, dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van
                    de investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van
                    investeringskredieten mogelijk te maken. Bij investeringen moet ook worden
                    gedacht aan grondexploitaties. </al><al>Het derde lid bepaalt, dat in aanvulling op het bepaalde in het BBV de gevolgen
                    van de begroting en meerjarenraming voor de gemeentelijke schuldpositie
                    inzichtelijk worden gemaakt. </al><al>In het vierde lid wordt voor de jaarrekening het inzicht in de uitputting van
                    investeringskredieten geregeld.</al><al/><al>Artikel 4 Kaders begroting</al><al>Artikel 4 biedt de kaders voor het opstellen van de begroting en de
                    meerjarenraming. Hierin staan een aantal uitgangspunten die het college bij het
                    opstellen van deze stukken in acht moet nemen. Dit Dit in aanvulling op de
                    bepalingen van de artikelen 189 en 193 van de Gemeentewet en het BBV. </al><al>Het eerste lid van het artikel bepaalt, dat de gemeenteraad vooraf aan het
                    opstellen van de begroting een nota vaststelt, waarin de hoofdlijnen voor het
                    beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders
                    geven richting aan het college voor het opstellen van de begroting en de
                    meerjarenraming. Deze systematiek wordt in veel gemeenten toegepast en deze nota
                    draagt vaak de naam kadernota of voorjaarsnota.</al><al>Artikel 8 van het BBV zegt, dat het bedrag voor onvoorzien moet zijn opgenomen
                    in het programmaplan. In het tweede lid van artikel 4 wordt een nadere invulling
                    aan deze wettelijke verplichtingen gegeven door de omvang van het bedrag voor
                    onvoorzien vast te leggen. </al><al/><al>Artikel 5 Autorisatie begroting en investeringskredieten </al><al>Artikel 5 bevat regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de
                    begroting en van de investeringskredieten. Op Op grond van artikel 189 van de
                    Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de
                    beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting
                    beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel
                    192 van de Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De De
                    gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting
                    zijn gebracht (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet). De raad kan kiezen
                    op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Autorisatie door de raad van de
                    baten en de lasten vindt plaats op het niveau van taakvelden (eerste lid). </al><al><cursief>[In het tweede lid is opgenomen dat de raad binnen een taakveld een
                        activiteit als prioriteit kan bestempelen, waarvoor hij apart de baten en
                        lasten wil autoriseren.]</cursief></al><al/><lijst><li nr="NB."><al> In afwijking van deze modelverordening kan de raad er ook voor kiezen
                            de budgetten per programma te autoriseren. Dan moet in het eerste lid en
                            het tweede lid het woord taakveld worden vervangen door programma. Juist
                            dan is de mogelijkheid om een activiteit onder een programma als
                            prioriteit te bestempelen waarvoor de raad de baten en lasten apart de
                            baten en lasten wil autoriseren, als aanvullende bepaling aan te
                            raden</al></li></lijst><al/><al>Naast lopende uitgaven doet een gemeenten investeringen, waaronder investeringen
                    in grondexploitaties. </al><al>Ook uitgaven voor investeringen moeten door de raad worden geautoriseerd. Voor
                    de autorisatie van deze investeringskredieten is er voor gekozen deze bij de
                    begrotingsbehandeling mee te nemen (derde lid). Wel kan de raad bij de
                    begrotingsbehandeling aangegeven, welke investeringskredieten hij op een later
                    tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van politiek
                    belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant
                    van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft
                    wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de
                    uitgaaf nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen voor de
                    investering aan te gaan.</al><al>Het college dient dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en
                    investeringskredieten en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten
                    bij het bekend worden aan de raad te melden, zodat de raad kan besluiten of het
                    budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld. Voor het
                    behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen van
                    beleid is er voor gekozen deze mee te nemen bij de behandeling van de
                    tussenrapportages (vijfde lid). Bij </al><al>investeringen met een meerjarig karakter waaronder ook grondexploitaties,
                    bepaalt het vijfde lid ook, dat bij elke begroting een actualisatie van de
                    ramingen plaatsvindt en het college aan de raad voorstellen doet voor het
                    wijzigen van de investeringskredieten. Meestal komen gedurende het
                    begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op tafel, die bij het opstellen van
                    de begroting niet waren voorzien. Het vijfde lid van het artikel regelt de
                    autorisatie van de investeringskredieten anders dan bij vaststelling van de
                    begroting. Dus ook voor investeringen die pas in de loop van het begrotingsjaar
                    worden voorzien. Daarbij draagt dit lid aan het college op bij grote
                    investeringen aan te geven wat het effect is op de schuldpositie van de
                    gemeente.</al><al/><al>Artikel 6 Tussentijdse rapportage </al><al>De tussenrapportages zijn een belangrijk onderdeel van de planning- en
                    controlcyclus voor de raad. Op basis van tussenrapportages wordt de raad
                    geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de
                    voortgang van de uitvoering van het beleid. </al><al>Er is gekozen voor 2 tussenrapportages, waarvan de eerste op tijd is om te
                    gebruiken als input voor de voorjaarsnota. </al><al>Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van de rapportage,
                    waarbij informatie over de grondexploitatie valt onder de investeringskredieten. </al><al>Het derde lid bepaalt, welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het
                    college in de tussenrapportages moet toelichten. Deze afwijking kunnen ook als
                    een percentage worden gedefinieerd.</al><al/><al>Artikel 7 Informatieplicht </al><al>In artikel 7 van de financiële verordening is een nadere invulling van de
                    informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een
                    uitwerking van het vierde lid van artikel 169 van de Gemeentewet. Dat artikel
                    verplicht het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad
                    inlichtingen te verstrekken, indien de raad daar om verzoekt of indien de
                    uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft
                    voor de gemeente. </al><al>In artikel 7 verzoekt de raad het college om informatie vooraf aan het aangaan
                    van de opgesomde rechtshandelingen met een financieel gevolg, indien het aangaan
                    van deze verplichtingen de in het artikel genoemde bedragen overschrijden. </al><al>De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht
                    in andere gevallen.</al><al>Ook moeten besluiten van het college voor het doen van privaatrechtelijke
                    rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat door de raad is
                    uiteengezet. Het artikel schept slechts duidelijkheid tussen het college en de
                    raad over wanneer de raad in elk geval vóóraf wenst te worden geïnformeerd en in
                    de gelegenheid wil worden gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college
                    kenbaar te maken.</al><al/><al>Artikel 8 EMU-saldo </al><al>Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd, dat ze een
                    aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt
                    dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten
                    overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of
                    tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt doorvertaald. Maar het kan ook
                    zijn, dat de overschrijding niet tot aanvullend beleid van het Rijk of Europa
                    leidt. </al><al>Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk
                    aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt
                    te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is
                    gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel
                    EMU-saldo hoger dan de gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting
                    neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan
                    te maken.</al><al>In het artikel is opgenomen, dat het college de raad informeert als de gemeente
                    van het Rijk een bericht heeft ontvangen dat het toegestane EMU-tekort voor alle
                    gemeenten dreigt te worden overschreden. Als daarop actie nodig is van de
                    gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.</al><al/><al>Artikel 9 Waardering &amp; afschrijving vaste activa </al><al>In het tweede lid, onder a, van artikel 212 van de Gemeentewet is opgenomen, dat
                    de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving
                    van activa bevat. Hieraan is in artikel 9 invulling gegeven. Voor de bepalingen
                    over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de immateriële en
                    materiële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar de bijlage bij de
                    verordening. In de bijlage zijn naast de methodiek de afschrijvingstermijnen
                    voor de verschillende categorieën immateriële vaste activa, materiële vaste
                    activa met economisch nut en materiële vaste activa met maatschappelijk nut
                    opgenomen. Deze vorm sluit aan bij de voorheen gebruikelijke werkwijze in
                    sommige gemeenten om de afschrijvingstermijnen in een apart document vast te
                    leggen. </al><al>Een mogelijk is om voor bepaalde vaste activa een maximale afschrijvingstermijn
                    op te nemen in plaats van een vaste afschrijvingstermijn. Van een maximale
                    afschrijvingstermijn kan met de afschrijvingstermijn naar beneden worden
                    afgeweken. Reden hiervoor is, dat de economische levensduur van bijvoorbeeld
                    nieuwe riolering langer is dan die van oude riolering. </al><al>Door het opnemen van de maximale afschrijvingstermijn kan voor oude riolering
                    een kortere afschrijvingstermijn worden toegepast zonder hiervoor in de
                    verordening een aparte bepaling op te nemen.</al><al>Vanaf 1 januari 2017 is ook het activeren van investeringen met maatschappelijk
                    nut verplicht. Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor
                    het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en
                    afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten
                    de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten
                    afstemmen op de verwachte gebruiksduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het
                    getrouwe beeld van de jaarrekening aangetast.</al><al/><al>Artikel 10 Voorziening voor oninbare vorderingen </al><al>Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen.
                    Dit artikel bevat regels voor het vaststellen van de hoogte van deze
                    voorziening. Bij het artikel is onderscheid gemaakt tussen gemeentelijke
                    aanslagen en heffingen die het karakter hebben van bulkfacturen en overige
                    vorderingen. Vorderingen van de gemeente worden individueel beoordeeld op
                    oninbaarheid. Maar voor de in het tweede lid genoemde gemeentelijke aanslagen,
                    heffingen en bijstandsverstrekkingen wordt een voorziening getroffen op basis
                    van het historisch percentage van oninbaarheid. Een individuele beoordeling per
                    aanslag of heffing is bij dit soort vorderingen namelijk zeer bewerkelijk. Wel
                    zal een accountant eisen, dat de grote bedragen onder deze vorderingen toch
                    individueel worden beoordeeld. Hiervoor is een aanvullende bepaling opgenomen. </al><al>Op zich zijn de bepalingen van artikel 10 niet noodzakelijk. De accountant
                    controleert bij zijn controle van het getrouwe beeld van de jaarrekening sowieso
                    de hoogte van deze voorziening. Hij zal indien over de waarderingsgrondslagen
                    geen afspraken bestaan, mogelijk aandringen op het hanteren van een methodiek
                    voor het onderbouwen van de hoogte van deze voorziening. </al><al/><al>Artikel 11 Reserves en voorzieningen </al><al>Met de wijziging van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart
                    worden verantwoord. Daarom is het noodzakelijk geworden kostprijzen van rechten
                    en heffingen en van gemeentelijke goederen, werken en diensten die worden
                    geleverd aan overheidsbedrijven en derden, extracomptabel te onderbouwen.
                    Daarmee vervalt ook de noodzaak de rentevergoeding over reserves en
                    voorzieningen in de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag
                    en de jaarrekening aan de taakvelden toe te rekenen. Het eerste lid bepaalt
                    daarom, dat voor de toerekening van rentelasten en rentebaten in de
                    beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening
                    aan de taakvelden geen rentevergoeding over reserves en voorzieningen wordt
                    meegenomen.</al><al>Het tweede lid bepaalt, dat het college eens in de […] jaar een nota over de
                    reserves en voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van deze
                    nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en voorzieningen. </al><al>Voor een investeringsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een
                    deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee wordt op de
                    balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht, dat een toekomstige investering
                    in de loop van de jaren middels de afschrijvingen een beslag op het eigen
                    vermogen gaat leggen. In het derde lid zijn de voorwaarden voor een voorstel
                    voor een dergelijke bestemmingsreserve opgenomen.</al><al>Investeringsvoornemens leiden niet altijd tot investeringen. Er bestaat het
                    gevaar, dat bestemmingsreserves op de balans blijven staan waar tegenover in het
                    geheel geen investeringsvoornemen meer bestaan. Door voor elke nieuwe
                    bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen een maximale
                    “houdbaarheidsdatum” op te nemen kan dit worden voorkomen. Hiervoor is in de
                    verordening de bepaling opgenomen dat bestemmingsreserves die de
                    houdbaarheidsdatum hebben overschreden, vervallen en weer aan de algemene
                    reserve worden toegevoegd (vierde lid).</al><al/><al>Artikel 12 Kostprijsberekening </al><al>Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening
                    in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het
                    gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als
                    bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet
                    milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij
                    overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten
                    en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de
                    opbouw van de kostprijs. </al><al>Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart
                    worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet meer doorberekend aan de
                    taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de
                    administratie van de baten en lasten op taakvelden van de beleidsbegroting, de
                    financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening in beeld te brengen. De
                    kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend en vastgelegd. </al><al>Het eerste lid van artikel 13 bepaalt, dat de kostprijsberekeningen
                    extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe
                    kosten en een opslag voor de overhead en voor de rente over de inzet van vreemd
                    vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van (vaste) activa die
                    voor desbetreffende rechten en heffingen en voor de desbetreffende goederen,
                    werken en diensten worden ingezet. </al><al>Het tweede lid bepaalt, dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen
                    voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de
                    afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de
                    kostprijsberekening. Voor de gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten
                    in rekening worden gebracht zoals de rioolheffing, worden in de
                    kostprijsberekening ook de compensabele BTW en de gederfde inkomsten van het
                    kwijtscheldingsbeleid meegenomen. </al><al>Het derde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan
                    specifieke uitkeringen en subsidies, apart onder het taakveld overhead in de
                    administratie worden afgezonderd en in de desbetreffende verantwoordingen over
                    de besteding aan specifieke uitkeringen en subsidies worden toegerekend. Dit
                    afzonderen kan door voor deze kosten aparte (hulp-)kostenplaatsen aan te maken
                    en de kosten voortaan op deze (hulp-)kostenplaatsen te boeken. </al><al>Het vierde, vijfde en zesde lid gaan over de toerekening van de overheadkosten
                    aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden
                    gebracht, en over de kostprijs van prijzen van goederen, diensten en werken die
                    worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden. </al><al>Het vierde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend
                    aan de activiteiten die onder de vennootschapsbelastingplicht vallen, apart
                    onder het taakveld overhead in de administratie worden afgezonderd en in de
                    belastingaangifte aan deze activiteiten worden toegerekend. Dit afzonderen kan
                    door voor deze kosten aparte (hulp-)kostenplaatsen aan te maken en de kosten
                    voortaan op deze (hulp-)kostenplaatsen te boeken. </al><al>Het vijfde lid geeft de definitie van de kostenverdeelsleutel voor de
                    toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van rechten en heffingen
                    waarmee de gemeente kosten in rekening brengt zoals de afvalstoffenheffing, en
                    voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van goederen,
                    werken en diensten die door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden
                    geleverd. Er wordt voor de toerekening van de overheadkosten bepaalt, dat deze
                    plaatsvindt naar rato van het aandeel van de personeelslasten inclusief inhuur
                    derden in de totale personeelslasten inclusief inhuur derden. </al><al><cursief>[In de verordening is er voor gekozen om voor de rioolheffing een
                        afwijkende kostenverdeelsleutel voor de toerekening van overheadkosten toe
                        te passen, omdat de directe kosten zeer kapitaalintensief zijn en weinig
                        directe personeelslasten bevatten. In het zesde lid wordt voor de
                        toerekening van overheadkosten aan de kostprijs van de rioolheffing bepaald,
                        dat deze plaatsvindt naar rato van het aandeel directe kosten in de
                        rioolheffing in de totale directe kosten op de taakvelden. Deze methode
                        benadert beter de overheadkosten die met de riolering zijn gemoeid.]
                    </cursief></al><al/><lijst><li nr="NB."><al>Gemeenten die andere verdeelsleutels willen hanteren voor het
                            extracomptabel toerekenen van de overheadkosten aan de kostprijzen,
                            moeten de leden 5 en 6 aanpassen. De methodiek van de modelverordening
                            is een voorbeeld van een eenvoudige methode waarmee de overheadkosten
                            aan de kostprijzen kunnen worden toegerekend.</al></li></lijst><al/><al>Het zevende, achtste, negende, tiende en elfde lid handelen over de toerekening
                    van rente over de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de
                    financiering van activa aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten
                    in rekening worden gebracht, en aan de kostprijs van goederen, werken en
                    diensten die aan overheidsbedrijven en derden worden geleverd. Deze regels
                    wijken af van de omslagrente voor de toerekening van rentekosten en
                    renteopbrengsten aan de taakvelden van de begroting, het jaarverslag en de
                    jaarrekening uit het eerste lid van artikel 11 van deze verordening. Het eerste
                    lid van artikel 11 handelt niet over de onderbouwing van de kostprijzen, maar
                    over de toerekening van de werkelijke rente aan de taakvelden in de
                    verslaglegging. </al><al>Het zevende lid van artikel 12 geeft de berekeningswijze van de omslagrente voor
                    het toerekenen van de rente aan de kostprijs voor de inzet van vreemd vermogen,
                    reserves en voorzieningen voor de financiering van activa. Het percentage van de
                    omslagrente wordt afgeleid van de bij de begroting geraamde rentekosten over het
                    vreemd vermogen als percentage van het aangetrokken vreemd vermogen voor de
                    financiering en het in het achtste en negende lid bepaalde rentepercentage voor
                    de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen.</al><al>Het achtste lid geeft de berekeningswijze van het rentepercentage voor de
                    rentevergoeding over de reserves en voorzieningen voor het berekenen van de
                    omslagrente van het zevende lid. Als de uitkomst van dit rentepercentage voor de
                    rentevergoeding voor reserves en voorzieningen onder het niveau van een
                    redelijke vergoeding voor de inzet van reserves en voorzieningen komt, dan geeft
                    het negende lid een bodem voor deze rentecomponent in de omslagrente voor de
                    kostprijsberekening. </al><al>Deze bodem is in elk geval nodig voor de levering van goederen, diensten of
                    werken aan derden die economische activiteiten betreffen, en die niet door de
                    gemeente zijn aangemerkt als publiek belang. De integrale kostprijs moet dan een
                    redelijk vergoeding voor de inzet van reserves en voorzieningen bevatten. De
                    voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen is in deze verordening
                    ook van toepassing voor de hoogte van de kostprijs van rechten en
                    heffingen.</al><al/><lijst><li nr="NB."><al>Het kan zijn dat een gemeente een andere methodiek voor het bepalen van
                            de omslagrente voor de inzet van vreemd vermogen, reserves en
                            voorzieningen voor de financiering van activa hanteert. In dat geval
                            moet de gemeente voor het zevende, achtste en negende lid andere regels
                            opnemen. De methodiek van de modelverordening is een voorbeeld hoe de
                            rentetoerekening voor het extracomptabel bepalen van de kostprijzen kan
                            worden vormgegeven.</al></li></lijst><al/><al>Het tiende lid geeft voor de omslagrente voor de kostprijs van verstrekte
                    leningen een afwijkend voorschrift. Die kostprijs wordt gebaseerd op de rente
                    van de lening die is aangetrokken voor de verstrekte lening Die rente moet
                    worden verhoogd met een risico-opslag voor de kans dat de (een deel van) de
                    lening niet wordt terugbetaald. Dit heet het debiteurenrisico. Daarnaast moeten
                    voor het bepalen van die kostprijs natuurlijk als directe kosten ook de
                    afsluitkosten e.d. worden meegenomen.</al><al>Het elfde lid van artikel 12 bepaalt tenslotte, dat in de kostprijs van
                    vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties geen rente
                    over de inzet van reserves en voorzieningen wordt meegenomen. Die rente wordt
                    door de rijksbelastingdienst niet als kosten geaccepteerd. </al><al>Grondexploitaties vallen bij de meeste gemeenten ook onder de
                    vennootschapsbelastingplichtige activiteiten, maar dit hoeft altijd het geval te
                    zijn. Voor de methodiek van het bepalen van de omslagrente wordt in dit lid
                    aangesloten bij de Notitie Grondexploitaties (bijlage 3) van de Commissie BBV. </al><al/><al>Artikel 13 Prijzen economische activiteiten </al><al>Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of
                    derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische
                    activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee
                    de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt. </al><al>Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale
                    kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van
                    leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht.</al><al>Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid
                    in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een
                    raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het
                    raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene
                    strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in een van overheidswege
                    uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en moet open staan
                    voor bezwaar en beroep. </al><al>Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk 6 weken na bekendmaking van het
                    besluit een bezwaarschrift indienen bij de gemeente (artikel 6:7 van de Algemene
                    wet bestuursrecht). De gemeente moet binnen 6 weken een besluit nemen over het
                    bezwaarschrift of – indien een commissie als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2013-10-17">artikel 7:13</extref>
                    van de Algemene wet bestuursrecht is ingesteld – binnen 12 weken, gerekend vanaf
                    de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is
                    verstreken. Bij afwijzing van de bezwaren kan de belanghebbende beroep instellen
                    bij de bestuursrechter.</al><al>Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor
                    de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van
                    leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen. Deze
                    uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd. </al><al/><al>Artikel 14 Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen </al><al>Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is
                    een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd
                    (artikel 156 van de Gemeentewet). Het eerste lid van artikel 14 bepaalt, dat de
                    raad de tarieven voor de belastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffing
                    jaarlijks vaststelt. Een gemeenteraad die ook voor andere rechten, leges en
                    heffingen de tarieven jaarlijks wenst vast te stellen, kan het eerste lid met
                    deze rechten, leges en heffingen uitbreiden. Het betekent, dat de bijbehorende
                    verordeningen jaarlijks moeten worden herzien. Eventueel kan overwogen worden om
                    ook de verordening ‘kwijtschelding gemeentelijke belastingen’ jaarlijks te
                    herzien. </al><al>Het vaststellen van prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen,
                    diensten of werken die niet vallen onder artikel 229 van de Gemeentewet, is een
                    privaatrechtelijke besluit. Deze besluiten zijn een bevoegdheid van het college
                    (eerste lid, onder e, van artikel 160 van de Gemeentewet), maar hebben wel
                    invloed op de hoogte van de inkomsten en raken daarom ook het budgetrecht van de
                    raad. </al><al>Het tweede lid bepaalt, dat het college aan de raad jaarlijks een nota aanbiedt
                    met daarin de kaders voor de te hanteren prijzen, huren en tarieven voor
                    erfpacht. De raad stelt deze nota vast. </al><al>Het derde lid bepaalt, dat tussentijdse wijzigingen van besluiten voor het
                    vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen die afwijken van de
                    kaders uit de nota, vooraf ter besluitvorming aan de raad worden aangeboden. </al><al/><al>Artikel 15 Financieringsfunctie </al><al>Artikel 212 van de Gemeentewet bevat de bepaling, dat de financiële verordening
                    in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen
                    en limieten van de financieringsfunctie bevat. Artikel 15 geeft invulling aan
                    deze plicht. Het artikel bevat kaders voor het financieringsbeleid. De kaders
                    voor de financiële organisatie van de financieringsfunctie staan in artikel 25
                    van deze verordening. </al><al>In aanvulling op de regels uit de Wet financiering decentrale overheden en
                    daarop gebaseerde besluiten en regelingen stelt het eerste lid een aantal
                    aanvullende kaders. Zo mag geen gebruik worden gemaakt van financiële
                    derivaten</al><al/><lijst><li nr="NB"><al>Als in een gemeente wel gebruik mag worden gemaakt van bepaalde soorten
                            financiële derivaten, dan moet deze bepaling uit de verordening worden
                            aangepast.</al></li></lijst><al/><al>Gemeenten mogen alleen leningen en garanties verstrekkenen en financiële
                    participaties aangaan voor het behartigen van een publiek belang (artikel 2 van
                    de Wet fido). Daarbij bepaalt het tweede lid van artikel 160 van de Gemeentewet,
                    dat een besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen,
                    maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge
                    waarborgmaatschappijen niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een
                    ontwerpbesluit is toegezonden en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van
                    het college heeft kunnen brengen. </al><al>Het tweede lid draagt het college op bij het verstrekken van leningen, garanties
                    en kapitaal zo mogelijk zekerheden te bedingen om zo het financiële risico
                    waaraan de gemeente bloot komt te staan, te verminderen. Dit is zeker als het om
                    grote bedragen gaat, iets om op te letten. Als instellingen bij een gemeente
                    aankloppen voor een lening of garantiestelling dan hebben de banken er in de
                    regel niet al te veel vertrouwen meer in.</al><al><cursief>[Het derde lid bepaalt, dat voor het verlenen van garanties een
                        voorziening wordt gevormd voor het risico dat de gemeente loopt. Daarmee
                        komt de verlening van garanties expliciet onder het budgetrecht van de raad
                        te vallen en is voor ook de verlening van garanties tegen marktconforme
                        tarieven instemming van de raad vereist.]</cursief></al><al/><al>Hoofdstuk 4. Paragrafen</al><al>Het BBV geeft in de artikelen 16 tot en met 21 aan wat er in de paragrafen
                    lokale heffingen, weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud
                    kapitaalgoederen, financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen en
                    grondbeleid ten minste moet staan. In de financiële verordening kan de raad
                    bepalen, dat hij ook over aanvullende zaken in de paragrafen wil worden
                    geïnformeerd. Hoofdstuk 4 van de financiële verordening geeft hier invulling
                    aan.</al><al/><al>Artikel 16 Lokale heffingen </al><al>In het BBV staat in artikel 10, welke informatie de paragraaf lokale heffingen
                    in elk geval moet bevatten. In dit artikel wordt de aanvullende informatievraag
                    van de raad gedefinieerd. Een deel van de aanvullende informatie dient voor het
                    met de begroting vaststellen van de gehanteerde omslagrente voor de
                    kostprijsberekening van rechten en leges waarmee kosten in rekening worden
                    gebracht. Ook wordt gevraagd de toerekening van de rente en de toerekening van
                    de overheadkosten aan de verschillende rechten, leges en heffingen in beeld te
                    brengen.</al><al/><al>Artikel 17 <cursief>[Financiering</cursief></al><al><cursief>In het BBV staat in artikel 13, welke informatie de paragraaf
                        financiering in elk geval moet bevatten. In aanvulling daarop is in dit
                        artikel de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf
                        gedefinieerd].</cursief></al><al/><al>Artikel 18 Weerstandsvermogen &amp; risicobeheersing </al><al>In het BBV staat in artikel 11, welke informatie de paragraaf weerstandsvermogen
                    en risicobeheersing in elk geval moet bevatten. In dit artikel wordt de
                    aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd. Er is
                    opgenomen, dat de raad voor het vormen van een oordeel van de weerstandsvermogen
                    in deze paragraaf ook wordt geïnformeerd over de ontwikkeling van de netto
                    schuld per inwoner, de ontwikkeling van het saldo van baten en lasten als
                    aandeel van de inkomsten en over de onbenutte belastingcapaciteit als aandeel
                    van de inkomsten. Met deze aanvulling op de wettelijk verplichte financiële
                    kengetallen komt de set financiële kengetallen overeen met die van
                    www.waarstaatjegemeente.nl.</al><al><cursief>[In het tweede lid wordt aangegeven op welke wijze in beeld moet worden
                        gebracht of de weerstandscapaciteit voldoende is. Hiervoor bestaan
                        verschillende methoden. Er is voor gekozen om de gevolgen van de financiële
                        risico’s met een kasstroommodel (houdbaarheidstest) in beeld te
                        brengen.]</cursief></al><al/><al>Artikel 19 Onderhoud kapitaalgoederen </al><al>In het BBV staat in artikel 12, welke informatie de paragraaf onderhoud
                    kapitaalgoederen in elk geval moet bevatten. In het eerste lid wordt de
                    aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf geformuleerd. Het
                    tweede, derde en vierde lid bevatten bepalingen waaruit volgt, dat het college
                    ten minste eens in de […] jaar de raad onderhoudsplannen aanbiedt over
                    respectievelijk het onderhoud openbare ruimte, het onderhoud riolering en het
                    onderhoud gebouwen. Hiermee kan de raad de kaders voor het toekomstig
                    onderhoudsniveau vaststellen.</al><al/><al>Artikel 20 <cursief>[Bedrijfsvoering</cursief></al><al><cursief>In het BBV staat in artikel 14, welke informatie de paragraaf
                        bedrijfsvoering in elk geval moet bevatten. In dit artikel is de aanvullende
                        informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd. Er is
                        opgenomen, dat de raad in de paragraaf bedrijfsvoering ook wordt
                        geïnformeerd over de kosten, de opbouw en het verloop van het
                        personeelsbestand, de kosten inhuur derden, de huisvestingskosten, de
                        automatiseringskosten en de budgetten voor de raad, de griffie, de
                        rekenkamer en de accountant].</cursief></al><al/><al><cursief>Artikel 21 <cursief>[Verbonden partijen</cursief></cursief></al><al><cursief>In het BBV staat in artikel 15, welke informatie de paragraaf verbonden
                        partijen in elk geval moet bevatten. In dit artikel is deze aanvullende
                        informatievraag van de raad voor deze paragraaf
                    gedefinieerd].</cursief></al><al/><al><cursief>Artikel 22 Grondbeleid </cursief></al><al><cursief>[In het BBV staat in artikel 16, welke informatie de paragraaf
                        grondbeleid in elk geval moet bevatten. In het eerste lid van artikel 22 is
                        de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf
                        gedefinieerd].</cursief></al><al>Het <cursief>tweede lid bepaalt, dat het college eens de […] jaar aan de raad
                        een nota grondbeleid aanbiedt. Met de nota kan de raad de kaders voor het
                        toekomstig grondbeleid vaststellen. </cursief></al><al/><al>Artikel 23 Administratie </al><al>Onder artikel 23 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de
                    gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens
                    systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de
                    vastlegging er van moeten voldoen. </al><al/><al>Artikel 24 Financiële organisatie </al><al>Artikel 24 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het
                    college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160 van
                    de Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze
                    bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie,
                    blijkt uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het
                    nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 van de Gemeentewet. </al><al>Artikel 24 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie
                    het college beleid en interne regels moet stellen. Om hier invulling aan te
                    geven ligt het voor de hand, dat het college een organisatiebesluit en een
                    treasurystatuut vaststelt en dat het college de volmachten en mandaten alsook de
                    kostenverdeelsleutels voor de (extracomptabele) kostentoerekening vastlegt. </al><al>Bij het beleid en de interne regels voor de inkoop en aanbesteding kan gedacht
                    worden aan een inkoopreglement en ook aan gemeentelijke inkoopvoorwaarden.</al><al>Bij het beleid en de interne regels voor steunverlening en subsidieverstrekking
                    gaat het om procedures die naleving van de Europese staatssteunregels en regels
                    voor diensten van algemeen economisch belang, de Algemene wet bestuursrecht en
                    de gemeentelijke subsidieverordening waarborgen.</al><al>In geval van misbruik en oneigenlijk gebruik gaat het bijvoorbeeld om het
                    treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een
                    aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk
                    worden verstrekt aan rechthebbenden. </al><al>De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het
                    financieel beheer en het financieel beleid aan de eisen voor rechtmatigheid,
                    controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden, waarop de
                    interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de
                    rechtmatigheid van de beheershandelingen met een financieel gevolg en de
                    getrouwheid van de jaarrekening.</al><al/><al>Artikel 25 Interne controle </al><al>De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft
                    van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die
                    eraan ten grondslag liggen, rechtmatig zijn verlopen. Het eerste lid van artikel
                    25 draagt het college op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of
                    vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de
                    administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen
                    die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen,
                    rechtmatig (zijn) verlopen. </al><al>Het tweede lid bepaalt, dat het college maatregelen treft, zodat wordt
                    gecontroleerd of de administratie van materiele bezittingen zoals gebouwen,
                    voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het financieel vermogen
                    zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen,
                    debiteurenvorderingen e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk
                    bezit. Voor veel van deze bezittingen wordt een jaarlijkse controle gevraagd. </al><al>Eens in […] jaar moet worden gecontroleerd of de administratie van
                    registergoederen en bedrijfsmiddelen overeenkomt met het daadwerkelijke bezit.
                    Advies is om deze laatste controle eens in de 4 of 5 jaar uit te voeren.</al><al/><al>Artikel 26 Intrekken oude verordening en overgangsrecht </al><al>Bij het inwerkingtreden van de nieuwe verordening moet de oude worden
                    ingetrokken. Volgens de Gemeentewet is een begrotingsjaar gelijk aan een
                    kalenderjaar. In begrotingsjaar t worden de jaarstukken uit het begrotingsjaar
                    t-1 vastgesteld, wordt uitvoering gegeven aan de begroting voor het jaar t en
                    wordt tot slot de begroting voor het jaar t+1 vastgesteld. De nieuwe verordening
                    is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar
                    t+1 en later.</al><al>De oude verordening is ondanks het intrekken nog wel van toepassing op de
                    jaarstukken van het begrotingsjaar t-1 en de begroting en jaarstukken van het
                    jaar t. Hiervoor is in artikel 26 een overgangsbepaling opgenomen.</al><al/><al>Artikel 27 Inwerkingtreding en citeertitel </al><lijst><li nr="NB"><al>Het verdient de voorkeur de nieuwe verordening in werking te laten
                            treden op een datum voor het vaststellen van de voorjaarsnota en anders
                            voor het vaststellen van de begroting van het jaar t+1. Anders moet
                            artikel 27 worden uitgebreid met een bepaling die voorziet in
                            terugwerkende kracht, zodat de bepalingen uit de nieuwe verordening ook
                            gelden voor de begroting voor het jaar t+1.</al></li></lijst><al/><al>Met ingang van 1 januari 2017 gelden vanwege de wijzigingen van het BBV andere
                    bepalingen voor het activeren en afschrijven van nieuwe investeringen met
                    maatschappelijk nut. In het tweede lid van artikel 27 is een overgangsbepaling
                    opgenomen. Voor investeringen met maatschappelijk nut voor 2017 zijn de
                    bepalingen uit de oude financiële verordening nog van kracht.</al><al/><al>Vaststelling</al><al>Uitgaande stukken van de raad moeten door de burgemeester worden ondertekend
                    (eerste lid artikel 75 van de Gemeentewet). De griffier moet de uitgaande
                    stukken van de raad medeondertekenen (artikel 107c van de Gemeentewet). De
                    financiële verordening moet worden gepubliceerd.</al><al>Binnen 2 weken na vaststelling door de raad moet het college de verordening aan
                    gedeputeerde staten zenden (artikel 214 van de Gemeentewet). Gedeputeerde staten
                    kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het beheer en de inrichting
                    van de financiële organisatie en de verordening ex artikel 212 van de
                    Gemeentewet (artikel 215 van de Gemeentewet).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>