<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR46814_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winterswijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winterswijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Achterhoek Nieuws, 2-10-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=149&amp;g=2010-01-28">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0024779&amp;artikel=2.2&amp;g=2010-01-28">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.2 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-09-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-10-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-03-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Art. 1.1, 1.2, 1.5, 2.1, 2.3, 2.4, 2.5, 2.26a, 2.35, 2.41, 2.42, 3.5, 4.8, 4.9, 4.10, 4.11, 4.12, 5.11, 5.15, 5.15a, 5.16</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012, nr. IX-6</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Aanwijzingsbesluit artikel 4.13 APV (beschermde planten), in werking getreden op 20-10-2010</al><al>Aanwijzingsbesluit verbod gebruik alcoholhoudende drank in centrumgebied, in werking getreden op 23-3-2011</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Winterswijk;</al><al/><al>overwegende dat:</al><al/><al>het in het streven naar vermindering van de regeldruk voor burgers en
                        ondernemers wenselijk is de Algemene Plaatselijke Verordening te
                        wijzigen;</al><al/><al>in dat kader verschillende vergunningstelsels en gebodsbepalingen afgeschaft
                        of vereenvoudigd worden;</al><al/><al>deze verordening ook geactualiseerd moet worden in verband met o.m. de
                        inwerkingtreding van de Europese Dienstenrichtlijn en het vervallen van de
                        Wet op de Openluchtrecreatie;</al><al/><al>het voorts gewenst is om in navolging van de model-APV van de VNG de
                        hoofdstukindeling en nummering van de Algemene Plaatselijke Verordening aan
                        te passen;</al><al/><al>in verband met de vele wijzigingen een nieuwe verordening onder de naam
                        Algemene Plaatselijke Verordening 2010 is opgesteld;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al/><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders van 18 januari 2010, nr.
                        I-7;</al><al/><al><vet>b e s l u i t</vet></al><al/><al>1. vast te stellen de Algemene Plaatselijke Verordening 2010 (APV),
                        overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage;</al><al/><al>2. in te trekken de Algemene Plaatselijke Verordening 2007, vastgesteld bij
                        raadsbesluit van 25 oktober 2007, nr. X-9. </al><al/><al>Aldus besloten door de raad van de gemeente Winterswijk in</al><al>zijn openbare vergadering gehouden op 28 januari 2010,</al><al/><al>de voorzitter, de griffier,</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel </label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><al><vet>A Weg:</vet></al><lijst><li nr="1."><al>de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als
                                    zodanig aangeduide parkeerterreinen;</al></li><li nr="2."><al>de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                    toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen,
                                    speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en
                                    aanlegplaatsen voor vaartuigen;</al></li><li nr="3."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken,
                                    gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor
                                    bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet
                                    afsluitbaar zijn;</al></li><li nr="4."><al>andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare
                                    stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de
                                    afsluitbare plaatsen alleen gedurende de tijd dat zij niet door
                                    of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is,
                                    zijn afgesloten.</al></li></lijst><al><vet>B Openbaar water:</vet></al><al>alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                            bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.</al><al><vet>C Bebouwde kom:</vet></al><al>de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten de grenzen hebben
                            vastgesteld overeenkomstig artikel 20a van de Wegenwet.</al><al><vet>D Rechthebbende:</vet></al><al>een ieder die over enig goed enige zeggenschap heeft krachtens een
                            zakelijk of persoonlijk recht.</al><al><vet>E Voertuigen:</vet></al><al> alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder 1a van het
                            Reglement </al><al> verkeersregels en verkeerstekens 1990.</al><al><vet>F Bouwwerk:</vet></al><al>elk bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening.</al><al><vet>G Gebouw:</vet></al><al>elk gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c van de
                            Woningwet.</al><al><vet>H Vee:</vet></al><al>dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage II behorend bij
                            artikel 55 van de Meststoffenwet.</al><al><vet>I Pluimvee:</vet></al><al>klein- en pluimvee, eenden en ganzen.</al><al><vet> J Handelsreclame:</vet></al><al>iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk
                            beoogd wordt een commercieel belang te dienen.</al><al><vet>K Geluidsapparaat:</vet></al><al>een apparaat, bestemd of mede bestemd voor het voortbrengen van
                            geluid</al><al><vet>L Samenscholing:</vet></al><al>het groepsgewijze bij elkaar komen van mensen die een dreigende
                            houding</al><al> aannemen of kwade bedoelingen hebben.</al><al><vet>M Bevoegd gezag</vet></al><al>bestuursorgaan als bedoeld in artkel 1,1, eerste lid, van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al>bestuursorgaan als bedoeld in artkel 1,1, eerste lid, van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.2 Beslistermijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn als bedoeld in het eerste lid voor
                                ten hoogste acht weken verlengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing, indien beslist wordt op
                                een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.4, lid 1 of
                                artikel 4.9, lid 1 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indiening van aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken voor het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde
                                orgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen
                                vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde
                                termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
                                Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming
                                van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of
                                ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen na te komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</label></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><al>a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens
                            zijn verstrekt;</al><al>b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                            inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing,
                            moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door
                            het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                            ontheffing is vereist;</al><al>c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al><al>d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                            binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een
                            dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;</al><al>e. indien de houder van de vergunning of ontheffing dit verzoekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.7 Termijnen</label></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.8 Weigeringsgronden</label></kop><al>Tenzij anders is vermeld kan de vergunning of ontheffing door het
                            bevoegde gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het
                            belang van:</al><al>a. de openbare orde;</al><al>b. de openbare veiligheid;</al><al>c. de volksgezondheid;</al><al>d. de bescherming van het milieu.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.9</nr><titel>Fictieve beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                toepassing op de volgende artikelen van deze verordening: </al><lijst><li nr="-"><al>artikel 2.4, lid 1 : vergunning aanleg of veranderen van een
                                        weg </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>artikel 2.5, lid 1 : vergunning maken of veranderen van een
                                        uitweg </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 2.24, lid 4 : ontheffing verbod betreden gesloten
                                        woning of lokaal </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 2.28, lid 3 : ontheffing verbod gebruik
                                        alcoholhoudende drank op de weg </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 2.32, lid 2 : ontheffing verbod slapen op of aan de
                                        weg </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 2.34, lid 3 : ontheffing verbod loslopende honden
                                    </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 2.41, lid 4 : ontheffing verbod carbid schieten
                                    </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 4.4, lid 2 : ontheffing veroorzaken geluidhinder
                                    </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 4.11, lid 3 : ontheffing verbod recreatief
                                        nachtverblijf buiten kampeerterreinen </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 5.2, lid 4 : ontheffing verbod parkeren voertuigen
                                        van autobedrijven e.d. </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 5.6, lid 2 : ontheffing verbod caravans e.d. op de
                                        weg </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 5.7, lid 2 : ontheffing verbod parkeren
                                        reclamevoertuigen op de weg </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 5.8, lid 4 : ontheffing verbod parkeren grote
                                        voertuigen op de weg </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 5.10, lid 3 : ontheffing verbod betreden
                                        groenvoorzieningen met voertuigen </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 5.12, lid 1 : vergunning inzameling van geld of
                                        goederen </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 5.16, lid 5 : ontheffing verbod toegang
                                        natuurgebieden </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 5.18, lid 2 : ontheffing verbod verbranden van
                                        afval en stoken van vuur in de openlucht </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                                toepassing op de volgende artikelen van deze verordening: </al><lijst><li nr="-"><al> artikel 2.3, lid 1 : vergunning gebruik openbare weg </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 2.14, lid 1 : vergunning organiseren evenement
                                    </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 2.23, lid 1 : vergunning exploitatie
                                        speelgelegenheid</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> artikel 3.4, lid 1 : vergunning exploitatie
                                        seksinrichting</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling 1: Bestrijding van ongeregeldheden </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing,
                                    onnodig op te dringen, of door uitdagend gedrag aanleiding te
                                    geven tot ongeregeldheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor
                                    er ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een
                                    tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor
                                    er ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich
                                    bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op
                                    een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn
                                    weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen,
                                    wegen of weggedeelten, die door of vanwege het bevoegd gezag in
                                    het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    ongeregeldheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in het
                                    derde lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                    vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                    samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1a</nr><titel>Vechten op straat</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op of aan de weg of daaraan gelegen voor het
                                    publiek toegankelijke plaatsen of in voor het publiek
                                    toegankelijke gebouwen te vechten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor plaatsen
                                    of gebouwen waar vechtsporten worden beoefend. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 2: Betogingen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging
                                    en tenminste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden,
                                    schriftelijk kennis aan de burgemeester. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al><al>a. naam en adres van degene die de betoging houdt;</al><al>b. het doel van de betoging;</al><al>c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip
                                    van aanvang en van de beëindiging;</al><al>d. de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats
                                    van beëindiging;</al><al>e. voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al><al>f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om
                                    een ordelijk verloop te bevorderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                    waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk 12.00 uur op de dag van dat tijdstip voorafgaande
                                    werkdag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                    eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge
                                    kennisgeving in behandeling nemen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 3: Bruikbaarheid van de weg </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.3 Voorwerpen of stoffen op, in of boven de weg</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders
                                    de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig
                                    de publiek functie daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:</al><al>a. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of
                                    hinder kunnen opleveren voor personen of goederen;</al><al>b. zonneschermen, voorzover ze zijn aangebracht boven het voor
                                    voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voorzover:</al><al> - elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven dat gedeelte
                                    bevindt, en</al><al>- elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op
                                    meer dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte
                                    van de weg bevindt, en</al><al>- elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder dan
                                    1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;</al><al>c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig
                                    op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen
                                    ervan;</al><al>d. voertuigen;</al><al>e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
                                    geopenbaard;</al><al>f. evenementen als bedoeld in artikel 2.12;</al><al>g. standplaatsen als bedoeld in artikel 5.14.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen voor bepaalde vormen van
                                    gebruik van de weg of een weggedeelte vrijstelling van het
                                    verbod in het eerste lid verlenen of hiervoor een meldingsplicht
                                    invoeren onder het stellen van algemene voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het
                                    bevoegde gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het
                                    eerste lid bedoeld gebruik, voor zover dit een activiteit
                                    betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of k.
                                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of
                                    stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te
                                    plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun
                                    omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging
                                    schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de
                                    bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                    daarvan, danwel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer
                                    en onderhoud van de weg.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg
                                    verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                    daaronder verstaat.</al><al/></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
                                    of het Gelders wegenreglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De vergunning wordt verleend: </al><lijst><li nr="a."><al> als omgevingsvergunning door het bevoegde gezag, indien
                                            de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                            beheersverordening, exploitatieplan of
                                            voorbereidingsbesluit, of </al></li><li nr="b."><al> door het college in de overige gevallen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
                                    opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke
                                    taken worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin
                                    wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Gelderse Wegenverordening, de
                                    waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5 Maken en veranderen van een uitweg</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering
                                    te brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien: </al><lijst><li nr="a."><al>daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;
                                        </al></li><li nr="b."><al>dat ten koste gaat van een doelmatig gebruik van
                                            openbare parkeerruimte; </al></li><li nr="c."><al> dat ten koste gaat van gemeentelijke
                                            groenvoorzieningen;</al></li><li nr="d."><al>de aanleg van de uitweg een nadelig effect op het
                                            uiterlijk aanzien van de gemeente heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot de
                                    verbodscriteria in lid 1 nadere regels vaststellen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20beheer%20Rijkswaterstaatswerken">Wet beheer Rijkswaterstaatswerken</extref> , de
                                    Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 4 : Veiligheid op de weg</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.6 Veroorzaken van gladheid</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water of andere
                                    vloeistoffen die gladheid kunnen veroorzaken op de weg te
                                    werpen, uit te storten of te laten lopen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427,
                                    aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5
                                    van de Wegenverkeerswet 1994.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7 Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp</label></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of op andere wijze hinder of gevaar voor het
                                wegverkeer wordt veroorzaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.8 Openen straatkolken e.d.</label></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.9 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden langs het voor voetgangers en/of (brom)fietsers
                                    bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad,
                                    schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te
                                    brengen of te hebben op een afstand van minder dan 0.25 meter
                                    uit de uiterste boord van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan
                                    hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.10 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk, voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet
                                    1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet
                                    Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.11 Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord
                                    of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer
                                    of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te
                                    beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 5 : Droppings</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.12 Dropping</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die voornemens is een dropping te houden moet hiervan
                                    tenminste 72 uur voordat de dropping gehouden zal worden
                                    schriftelijk kennis geven aan de burgemeester onder vermelding
                                    van:</al><al>- naam en adres van degene die de dropping organiseert;</al><al>- de datum en het tijdstip waarop de dropping zal plaatsvinden,
                                    en</al><al>- de plaats waar de deelnemers aan de dropping zullen worden
                                    gedropt</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en
                                    veiligheid en ter bescherming van de flora en fauna
                                    voorschriften geven die bij het houden van de dropping in acht
                                    genomen moeten worden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een dropping naar verwachting zal leiden tot een
                                    verstoring van de openbare orde of een aantasting van
                                    natuurgebieden of indien bij een dropping de veiligheid van de
                                    deelnemers aan de dropping of anderen onvoldoende gewaarborgd
                                    is, kan de burgemeester de te houden dropping verbieden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 6: Toezicht op evenementen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.13 Begripsomschrijving</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al><al>a. bioscoopvoorstellingen;</al><al>b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van
                                    de Gemeentewet;</al><al>c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de Kansspelen;</al><al>d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet
                                    gelegenheid geven tot dansen en het hier doen plaatsvinden van
                                    muziekoptredens;</al><al>e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de
                                    Wet openbare manifestaties;</al><al>f. activiteiten als bedoeld in artikel 2.12 van deze
                                    verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al><al>a. een braderie, rommelmarkt, snuffelmarkt, beurs of een andere
                                    voor het publiek toegankelijke markt waar verkoop van goederen
                                    plaatsvindt met uitzondering van een markt als bedoeld in het
                                    eerste lid onder b.;</al><al>b. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
                                    2.2,</al><al>c. een feest, muziekoptreden of wedstrijd op of aan de weg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.14 Evenementen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    venement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan vrijstelling van het verbod als bedoeld in
                                    het eerste lid verlenen of een meldingsplicht invoeren voor door
                                    hem aan te wijzen categorieën evenementen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan met betrekking tot een categorie evenementen
                                    waarvoor op grond van het tweede lid vrijstelling is verleend of
                                    een meldingsplicht is ingevoerd algemene voorschriften
                                    vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet, voor een wedstrijd op
                                    of aan de weg, voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.15 Ordeverstoring bij evenemente</label></kop><al>Het is verboden bij evenementen de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 7: Toezicht op horecabedrijven</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.16 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a. horecabedrijf: </al><al> de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies
                                wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen
                                voor directe consumptie worden bereid of verstrekt met inbegrip van
                                het bij dit bedrijf behorende terras en de andere
                                aanhorigheden;</al><al>b. terras:</al><al>een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het
                                horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar
                                tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor
                                directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt;</al><al>c. exploitant:</al><al>degene die een horecabedrijf exploiteert of, indien de exploitant
                                een rechtspersoon is, de natuurlijke persoon die bestuurder van die
                                rechtspersoon is;</al><al>d. bezoekers:</al><al>degenen die in het horecabedrijf verblijven met uitzondering
                                van:</al><al>- de gezinsleden van de exploitant alsmede zijn elders wonende bloed
                                en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en
                                met de derde graad;</al><al>- de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel
                                438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in
                                artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;</al><al>- de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende
                                redenen noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.17 Terrassen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.3, eerste lid beslist
                                    de burgemeester op een vergunningsaanvraag tot de ingebruikname
                                    van de weg indien dit gebruik betrekking heeft op een of meer
                                    bij het horecabedrijf behorende terrassen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Gelders
                                    wegenreglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.18 Sluitingstijden </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de exploitant verboden zijn horecabedrijf voor bezoekers
                                    geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten
                                    verblijven tussen 02.00 en 06.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan aan een exploitant ontheffing van het
                                    bepaalde in het eerste lid verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in dit
                                    onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde
                                    voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.19 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</label></kop><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere
                                omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer
                                horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.18
                                geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijke sluiting
                                bevelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.20 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</label></kop><al>Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd
                                dat dit bedrijf krachtens artikel 2.18 of ingevolge een op grond van
                                artikel 2.19 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of
                                aldaar te bevinden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.21 Ordeverstoring</label></kop><al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.21a</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                    bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op
                                    grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van
                                    Strafrecht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant van een horecabedrijf staat niet toe dat een
                                    handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig
                                    voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze
                                    overdraagt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 8 : Toezicht op speelgelegenheden </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.22 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al>a.speelgelegenheid:</al><al>een voor het publiek toegankelijke gelegenheid, waar
                                bedrijfsmatig</al><al>of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt
                                geboden enig</al><al>spel te beoefenen, waarbij premies, geld of in geld inwisselbare
                                goederen kunnen worden gewonnen en verloren;</al><al>b.exploitant:</al><al>degene die een speelgelegenheid exploiteert of, indien de exploitant
                                een rechtspersoon is, de natuurlijke persoon die bestuurder is van
                                die rechtspersoon.</al><al>c.beheerder:</al><al>de natuurlijke persoon die de dagelijkse en onmiddellijke leiding
                                geeft aan de exploitatie van een speelgelegenheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.23 Exploitatievergunning speelgelegenheid </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een speelgelegenheid te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op:</al><al>a. speelcasino’s, waarvoor op grond van artikel 27h van de Wet
                                    op de kansspelen een vergunning is vereist;</al><al>b. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                    eerste lid, onder c van de Wet op de kansspelen een vergunning
                                    is vereist;</al><al>c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden het
                                    kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                    Kansspelen te beoefenen of waar gelegenheid wordt gegeven te
                                    spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op
                                    de Kansspelen of waar gelegenheid wordt gegeven tot de in
                                    artikel 1 onder a van de Wet op de Kansspelen omschreven
                                    handeling.</al><al>d. de door de burgemeester aangewezen soorten
                                    speelgelegenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 weigert de
                                    burgemeester de vergunning:</al><al>a. indien de woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                                    speelgelegenheid en/of de openbare orde of veiligheid door de
                                    exploitatie van de speelgelegenheid naar zijn oordeel op
                                    ontoelaatbare wijze nadelig zullen worden beïnvloed;</al><al>b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is
                                    met het geldende bestemmingsplan. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 9 : Maatregelen tegen overlast en baldadigheid </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.24 Betreden gesloten woning of lokaal</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten
                                    woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die
                                    woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden in het eerste en tweede lid gelden niet voor
                                    personen wier aanwezigheid in de woning of lokaal wegens
                                    dringende redenen noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                    bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.25 Plakken en kladden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerend goed
                                    dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerend
                                    goed dat vanaf de weg zichtbaar is:</al><al>a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                    aanduiding, aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze
                                    aan te brengen of te doen aanbrengen;</al><al>b. met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige
                                    afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen
                                    aanbrengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien:</al><al>a. gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift of </al><al>b. gebruik wordt gemaakt van de daartoe door burgemeester en
                                    wethouders aangewezen plakgelegenheden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.26 Vervoer inbrekerswerktuigen en geprepareerde tassen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen
                                    niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de
                                    toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                    sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van
                                    braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.26a</nr><titel>Geprepareerde tassen</titel></kop><al> Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels, gedurende de
                                openingstijden daarvan, een tas of ander voorwerp bij zich te dragen
                                die of dat ertoe uitgerust is om het plegen van winkeldiefstal te
                                vergemakkelijken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.27 Hinderlijk gedrag op of aan de weg</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><al>a. op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld,
                                    monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                    voertuig, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en
                                    daarvoor niet bestemd straatmeubilair;</al><al>b. zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan
                                    weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen
                                    onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de artikelen 424,
                                    426 bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van
                                    de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.28 Hinderlijk drankgebruik</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen
                                    wegen of weggedeeltes alcoholhoudende drank te nuttigen of
                                    aangebroken flessen of aangebroken blikjes gevuld met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al><al>a. een terras dat behoort tot een horecabedrijf, als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al><al>b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder
                                    a, waarvoor een ontheffing krachtens artikel 35 van de Drank- en
                                    Horecawet is verleend;</al><al>c. de plaats waar een evenement plaatsvindt waarvoor op grond
                                    van artikel 2.14 vergunning is verleend of een vrijstelling of
                                    meldingsplicht geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing van het verbod in het eerste lid
                                    verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.29 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</label></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor
                                de desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.30 Neerzetten van fietsen e.d.</label></kop><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek,
                                indien:</al><al>a, dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al><al>b. daardoor de toegang tot dat gebouw of de ingang van dat portiek
                                versperd wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.31 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.</label></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.32 Slapen op of aan de weg </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken of op of aan
                                    de weg een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk of ander
                                    onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten
                                    dan wel gelegenheid daartoe te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod in het eerste
                                    lid ontheffing verlenen of plaatsen aanwijzen waar het verbod
                                    niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor
                                    vrachtwagenchauffeurs die bij de uitoefening van hun beroep in
                                    de cabine van hun vrachtwagen overnachten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde voorts geldt niet voorzover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                    Woonwagenwet of door artikel 4.11.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.33 Bedelarij</label></kop><al>Het is verboden op of aan een door burgemeester en wethouders
                                aangewezen weg of voor het publiek toegankelijk gebouw te
                                bedelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.34 Loslopende honden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al><al>a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
                                    aangelijnd is;</al><al>b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                    zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of
                                    op een andere c. oor burgemeester en wethouders aangewezen
                                    plaats;</al><al>d. buiten de bebouwde kom zonder deze hond onder geleide of
                                    direct toezicht te houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waar het
                                    verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing van het verbod in
                                    het eerste lid onder a verlenen indien van de eigenaar of houder
                                    in redelijkheid niet verwacht kan worden dat de hond aangelijnd
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.35 Verontreiniging door honden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al><al>a. op wegen binnen de bebouwde kom;</al><al>b. op een voor het publiek toegankelijke en als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats;</al><al>c. op andere door burgemeester en wethouders aangewezen
                                    plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven, indien de in dit lid bedoelde
                                    persoon ervoor zorgt dat de uitwerpselen van de hond
                                    onmiddellijk worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht, indien hij zich
                                    met die hond op een plaats als bedoeld in het eerste lid
                                    bevindt:</al><al>a. een geschikt en doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben om
                                    de uitwerpselen van die hond te verwijderen, en</al><al>b.dit hulpmiddel op eerste vordering te tonen aan een
                                    opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 6.2 van deze
                                    verordening of aan een toezichthouder als bedoeld in artikel
                                    6.2a van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op de
                                    eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap
                                    door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in
                                    het eerste lid niet geldt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.36 Gevaarlijke honden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het
                                    terrein van een ander:</al><al>a. anders dan kort aangelijnd, nadat burgemeester en wethouders
                                    de eigenaar of de houder schriftelijk hebben meegedeeld dat zij
                                    die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijngebod
                                    in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vinden;</al><al>b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf,
                                    nadat burgemeester en wethouders de eigenaar of de houder
                                    schriftelijk hebben medegedeeld, dat zij die hond gevaarlijk of
                                    hinderlijk achten en zij een aanlijn- en muilkorfgebod in
                                    verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al><al>a. muilkorf: een korf vervaardigd van stevige kunststof, of van
                                    stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een
                                    stevige leren riem rond de hals van de hond zodanig is
                                    aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet
                                    mogelijk is en die zodanig gevormd is dat de hond door het
                                    dragen hiervan geen mens of dier kan bijten,</al><al>b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een
                                    lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan
                                    1,50 meter.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.37 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om een of meer dieren te houden op een voor de
                                    omgeving hinderlijke of schadelijke wijze.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar of houder van een
                                    of meer dieren verplichten maatregelen te treffen ter voorkoming
                                    van hinder of schade voor de omgeving.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    Milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.38 Loslopend vee en pluimvee</label></kop><al>De rechthebbende op vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een
                                weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden
                                door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat
                                zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die
                                weg niet kan bereiken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 10: Vuurwerk/carbid </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.39 Begripsomschrijving</label></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:</al><al>vuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe
                                regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk
                                (het Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.40 Bezigen van vuurwerk</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door
                                    burgemeester en wethouders ter voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een
                                    voor het publiek toegankelijke plaats te bezigen, indien
                                    hierdoor gevaar, schade of ernstige overlast wordt
                                    veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en het tweede lid bepaalde geldt niet voor
                                    zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.41 Carbid schieten </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder carbidschieten wordt in dit artikel verstaan: het in een
                                    bus/container/opslagvat op explosieve wijze verbranden van
                                    acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide
                                    (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare
                                    eigenschappen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht met carbid te schieten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid geldt niet indien wordt voldaan aan
                                    de volgende voorschriften:</al><al>a. het carbidschieten vindt plaats op 31 december tussen 10.00
                                    uur en 1 januari 02.00 uur;</al><al>b. bij het carbidschieten wordt gebruik gemaakt van bussen met
                                    een maximale inhoud van 40 liter die niet met metalen deksels
                                    afgesloten mogen worden;</al><al>c. het carbidschieten vindt plaats buiten de bebouwde kom op een
                                    afstand van</al><al> tenminste:</al><al>- 100 meter van woningen;</al><al>- 300 meter van gebouwen of andere voorzieningen waarin dieren
                                    verblijven;</al><al>d. het vrijschootsveld bedraagt tenminste 100 meter en binnen
                                    dit schootsveld bevindt zich geen publiek of andere personen en
                                    zijn geen openbare wegen of paden gelegen;</al><al>e. degene die met carbid schiet neemt alle redelijkerwijs
                                    mogelijke maatregelen om elk gevaar voor mens en dier te
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing van het verbod in
                                    het tweede lid verlenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 11 : Drugsoverlast</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.42 Verbod drugshandel op straat</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een
                                openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 12 : Veiligheidsrisicogebieden </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.43 Veiligheidsrisicogebieden </label></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied met
                                inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen
                                en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.44 Cameratoezicht op openbare plaatsen </label></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet
                                besluiten tot de plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur
                                ten behoeve van het toezicht op een weg of andere voor het publiek
                                toegankelijke plaats.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>PROSTITUTIE EN SEKSINRICHTINGEN</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling 1: Begripsomschrijvingen en nadere regels </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a. prostitutie:</al><al> het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele
                                handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>b. prostituee:</al><al> degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele
                                handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>c. seksinrichting:</al><al> de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
                                seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
                                erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                                worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder
                                tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in
                                combinatie met elkaar;</al><al>d. escortbedrijf:</al><al> de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die
                                bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de
                                bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al><al>e. sekswinkel:</al><al> de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan
                                particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;</al><al>f. exploitant:</al><al> de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                                rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert
                                of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
                                rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al><al>g. beheerder:</al><al> de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke
                                leiding uitoefent of uitoefenen in een seksinrichting of
                                escortbedrijf;</al><al>h. bezoeker:</al><al>degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering
                                van:</al><al>1. de exploitant;</al><al>2. de beheerder;</al><al>3. de prostituee;</al><al>4. het personeel dat in de inrichting werkzaam is;</al><al>5. toezichthouders als bedoeld in artikel 6.2;</al><al>6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens
                                dringende redenen noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2 Bevoegd bestuursorgaan</label></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: </al><al>burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft voor het
                                publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld
                                in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.3 Nadere regels</label></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.12 lid 2 genoemde belangen kunnen
                                burgemeester en wethouders over de uitoefening van de bevoegdheden
                                in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 2: Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.4 Exploitatievergunning seksinrichtingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al><al>a.de persoonsgegevens van de exploitant;</al><al>b. de persoonsgegevens van de beheerder;</al><al>c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.5 Gedragseisen exploitant en beheerder</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al><al>a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                    ouderlijke macht of de voogdij;</al><al>b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al><al>c. hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid zijn de exploitant en
                                    de beheerder niet:</al><al>a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                    Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met
                                    toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter
                                    beschikking gesteld;</al><al>b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot
                                    een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer
                                    door de rechter in Nederlanddan wel door een andere rechter
                                    wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot
                                    voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het
                                    Wetboek van Strafvordering is toegelaten;</al><al>c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een voorwaardelijke
                                    geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al><al>1. bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet,
                                    de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                    vreemdelingen;</al><al>2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                    249, 250a, 252, 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426,
                                    429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;</al><al>3. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 jo
                                    artikel 8 of jo artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;</al><al>4. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet
                                    op de kansspelen;</al><al>5. de artikelen 2 en 3 van de Wet particuliere
                                    beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;</al><al>6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al><al>a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel
                                    74, tweede lid onder a van het Wetboek van strafrecht of artikel
                                    76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake
                                    rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan duizend gulden
                                    bedraagt;</al><al>b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                    straf.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><al>a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                    datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al><al>b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                    datum van de intrekking van deze vergunning.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld
                                    in artikel 3.2.1 is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem
                                    terzake geen verwijt treft.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien de exploitant een rechtpersoon is, dan geldt het bepaalde
                                    in de vorige leden</al><al>voor de natuurlijke personen die tot vertegenwoordiging van die
                                    rechtspersoon bevoegd zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.6 Sluitingstijden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                    tussen 02.00 en 06.00 uur;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegde orgaan kan door middel van een voorschrift als
                                    bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4,
                                    eerste lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor
                                    zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door op
                                    de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.7 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3.13, tweede lid, genoemde belangen
                                    of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk
                                    kan het bevoegde bestuursorgaan:</al><al>a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.6, eerste of
                                    tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al><al>b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                    gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht maakt het bevoegde bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig
                                    artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben zonder dat de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe, dat in
                                    de seksinrichting:</al><al>a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval
                                    de feiten als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de
                                    zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van
                                    het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet
                                    en in de Wet wapens en munitie;</al><al>b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd
                                    met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                    Vreemdelingenwet bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.9 Raam- en straatprostitutie</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken op of aan door burgemeester en
                                    wethouders aangewezen wegen of voor het publiek toegankelijke
                                    plaatsen gedurende door hen vastgestelde tijden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.10 Sekswinkels</label></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door burgemeester en wethouders in het
                                belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen
                                gebieden of delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen:</al><al>a. indien het bevoegde bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                    bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                    aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    in gevaar brengt;</al><al>b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegde bestuursorgaan
                                    in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    gestelde regels.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de
                                    Grondwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 3: Weigeringsgronden </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.12 Weigeringsgronden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al><al>a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                    3.5 gestelde eisen;</al><al>b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                    stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al><al>c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd
                                    met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij
                                    of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                    bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning
                                    als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid worden geweigerd:</al><al>a.in het belang van de openbare orde;</al><al>b. in het belang van het voorkomen of beperken van
                                    overlast;</al><al>c. in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting
                                    van het woon- en leefklimaat;</al><al>d. in het belang van de veiligheid van personen of
                                    goederen;</al><al>e. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al><al>f. in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;</al><al>g. in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                    prostituee.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 4: Beëindiging exploitatie; wijziging beheer </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.13 Beëindiging exploitatie</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de exploitant op de vergunning
                                    vermelde, de exploitatie van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegde
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.14 Wijziging beheer</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.1 onder g. het
                                    beheer in de seksinrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de
                                    exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging
                                    van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegde
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegde bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.5
                                    is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN DE ZORG VOOR HET
                            UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling 1 : Geluidhinder </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>- Besluit<vet> :</vet></al><al> het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer;</al><al>- nrichting :</al><al> een inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit;</al><al>- ouder van een inrichting :</al><al> degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins
                                een inrichting drijft;</al><al>- collectieve festiviteit :</al><al> festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal
                                inrichtingen is verbonden;</al><al>- incidentele festiviteit :</al><al> festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein
                                aantal inrichtingen.</al><al>- geluidsgevoelige gebouwen:</al><al>woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet
                                geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met
                                uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende
                                inrichting;</al><al>- geluidsgevoelige terreinen:</al><al>terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden
                                aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van
                                terreinen behorende bij de betreffende inrichting;</al><al>- onversterkte muziek:</al><al> muziek die niet elektronisch is versterkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17 , 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit gelden niet voor door burgemeester en wethouders
                                    aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan
                                    te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kunnen
                                    burgemeester en wethouders bepalen dat de aanwijzing slechts
                                    geldt voor een of meer gebiedsdelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geldt dat het
                                    langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L<inf>Ar,LT</inf>)
                                    tengevolge van muziekactiviteiten niet meer bedraagt dan 65
                                    dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte
                                    van 1,5 meter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De geluidswaarde als bedoeld in het derde lid is inclusief
                                    onversterkte muziek.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de vaststelling van het langtijdgemiddelde
                                    beoordelingsniveau (LAr,LT) als bedoeld in lid 3 wordt geen
                                    toeslag muziekcorrectie berekend. Tevens wordt de
                                    bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore
                                    brengen van muziek met een geluidsniveau hoger dan de
                                    geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit uiterlijk om 24 uur te worden beëindigd, tenzij
                                    burgemeester en wethouders anders hebben bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is de houder van een inrichting toegestaan in zijn
                                    inrichting maximaal 6 incidentele festiviteiten van per
                                    kalenderjaar te doen plaatsvinden waarbij de geluidsnormen als
                                    bedoeld in de artikelen 2.17 , 2.19 en 2.20 van het Besluit niet
                                    van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting tenminste
                                    3 weken voor de aanvang van de festiviteit burgemeester en
                                    wethouders daarvan in kennis heeft gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De houder van de inrichting dient bij festiviteiten als bedoeld
                                    in lid 1 de volgende voorschriften in acht te nemen: </al><lijst><li nr="-"><al>het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau
                                            (L<inf>Ar,LT</inf>) tengevolge van muziekactiviteiten in
                                            de inrichting mag niet meer bedragen dan: </al><lijst><li nr="-"><al>65 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige
                                                  gebouwen op een hoogte van 1,5 meter, </al></li></lijst></li><li nr=""><al>en </al><lijst><li nr="-"><al>45 dB(A), gemeten in de binnenruimte van
                                                  aanpandige gevoelige gebouwen; </al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de hiervoor genoemde normen gelden ook voor onversterkte
                                            muziek; </al></li><li nr="-"><al>het bepaalde in het eerste lid geldt uitsluitend voor
                                            muziekactiviteiten die in de binnenruimte van de
                                            inrichting plaatsvinden; </al></li><li nr="-"><al>de muziekactiviteiten moeten op vrijdag- en
                                            zaterdagavond uiterlijk om 01.00 uur en op andere dagen
                                            uiterlijk om 24.00 uur zijn beëindigd; </al></li><li nr="-"><al>de tijdsduur van een muziekactiviteit bedraagt maximaal
                                            4 uur; </al></li><li nr="-"><al>tijdens het ten gehore brengen van muziek moeten ramen
                                            en deuren van de inrichting gesloten blijven, behoudens
                                            voor het onmiddellijk doorlaten van personen of
                                            goederen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de vaststelling van het langtijdgemiddelde
                                    beoordelingsniveau (LAr,LT) als bedoeld in het tweede lid wordt
                                    geen toeslag muziekcorrectie berekend. Tevens wordt de
                                    bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere omstandigheden
                                    op verzoek van de houder van de inrichting toestaan dat van de
                                    voorschriften in het tweede lid wordt afgeweken. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de voorschriften als bedoeld in het tweede lid bij
                                    voorgaande festiviteiten niet zijn nageleefd, kunnen
                                    burgemeester en wethouders de festiviteiten verbieden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.4 Overige vormen van geluidhinder</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting, in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, met toestellen of geluidsapparaten dan wel op
                                    andere wijze handelingen te verrichten, waardoor voor een
                                    omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt
                                    veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod in het eerste
                                    lid ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen voor bepaalde door hen aan te
                                    wijzen activiteiten vrijstelling van het verbod in het eerste
                                    lid verlenen of hiervoor een meldingsplicht invoeren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot
                                    activiteiten waarvoor op grond van het derde lid vrijstelling is
                                    verleend of een meldingsplicht is ingevoerd algemene
                                    voorschriften vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet, het
                                    Reglement Verkeerstekens en verkeersregels, de Luchtvaartwet,
                                    het Wetboek van Strafrecht, het Vuurwerkbesluit of de Wet
                                    milieugevaarlijke stoffen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 2: Maatregelen tegen verontreiniging, stankoverlast en ontsiering</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.5 Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of
                                    voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden de weg wordt
                                    verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht,
                                    alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever
                                    verplicht:</al><al>a. indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het
                                    verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de weg
                                    terstond na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen of
                                    te doen reinigen;</al><al>b. indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van
                                    het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de weg
                                    terstond na de beëindiging van de werkzaamheden of, indien deze
                                    langer dan een dag duren, elke dag terstond na beëindiging van
                                    de werkzaamheden op die dag te reinigen of te doen
                                    reinigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of het Gelders wegenreglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.6 Natuurlijke behoefte doen</label></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.7 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen</label></kop><al>Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.8 Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op door burgemeester en wethouders in het
                                    belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming
                                    of opheffing van overlast dan wel ter voorkoming van schade aan
                                    de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een
                                    inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of
                                    buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te
                                    plaatsen of aanwezig te hebben: </al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
                                        </al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
                                        </al></li><li nr="c."><al> kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of
                                            onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel; of </al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                            metalen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij de aanwijzing nadere
                                    regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet
                                    ruimtelijke ordening of de Ruimtelijke Verordening
                                    Gelderland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.9 Handelsreclame</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om zonder vergunning van het bevoegde gezag op
                                    of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te hebben
                                    met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in
                                    welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor onverlichte:</al><al>a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig
                                    gedeelte van een onroerende zaak;</al><al>b. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken
                                    welke daartoe zijn aangewezen door de overheid;</al><al>c. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de
                                    langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op:</al><al>- een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur
                                    of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij
                                    feitelijke betekenis hebben;</al><al>- het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de
                                    onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is
                                    bestemd; </al><al>d opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in
                                    uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij
                                    het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn,
                                    mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in
                                    uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij
                                    feitelijke betekenis hebben;</al><al>e. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken
                                    dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn
                                    aangebracht ten dienste van dat vervoer. </al><al>f. plaatsen die door burgemeester en wethouders zijn aangewezen
                                    voor de plaatsing van borden ten behoeve van de aankondiging van
                                    evenementen,</al><al>mits door het opschrift of de aankondiging de veiligheid van het
                                    verkeer niet in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de
                                    omgeving wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning
                                    bedoeld als in het eerste lid worden geweigerd:</al><al>a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in
                                    verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                    welstand;</al><al>b. in het belang van de verkeersveiligheid;</al><al>c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast
                                    voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende
                                    zaak.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet
                                    milieubeheer of de Provinciale landschapsverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 3: Kamperen buiten kampeerterreinen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.10 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.11 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te doen plaatsen of geplaatst te houden buiten
                                    een kampeerterrein dat zodanig in het bestemmingplan is bestemd
                                    of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    verbod als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van:</al><al>a. de bescherming van natuur en landschap;</al><al>b. het voorkomen of beperken van overlast;</al><al>c. de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of
                                    goederen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.12 Aanwijzing kampeerplaatsen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het verbod van artikel 4:11, eerste lid is niet van toepassing
                                    op door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen daarbij nadere regels stellen
                                    ter bescherming van de belangen in artikel 4.11, vierde lid.
                                </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 4: Beschermde planten </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.13 Beschermde planten</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waar het
                                    ter bescherming van het natuur-, landschaps- of dorpsschoon
                                    verboden is daarbij aangeduide planten te plukken, van hun
                                    plaats te verwijderen en/of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een door burgemeester en wethouders krachtens
                                    het eerste lid aangewezen plaats de daarbij aangeduide planten
                                    te plukken, van hun plaats te verwijderen en/of bij zich te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Flora- en
                                    Faunawet van toepassing is.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling 1: Parkeerexcessen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>- wegen :</al><al>de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b van de
                                Wegenverkeerswet 1994;</al><al>- voertuigen :</al><al>alle voertuigen als bedoeld in artikel 1 onder al van het Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van
                                kruiwagens, rolstoelen, kinderwagens en andere kleine voertuigen; </al><al>- parkeren:</al><al>parkeren als bedoeld in artikel 1 onder ac van het Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijven e.d.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                    op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25
                                    meter met als middelpunt een dezer voertuigen dan wel</al><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                    verstaan:</al><al>a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                    lessen;</al><al>b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                    personen tegen betaling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                    gerekend:</al><al>a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                    verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks
                                    gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze
                                    werkzaamheden;</al><al>b. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het
                                    eerste lid genoemde persoon.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3 Te koop aanbieden van voertuigen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen
                                    wegen of weggedeelten voertuigen te parkeren met het kennelijke
                                    doel deze te koop aan te bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    bedoelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.4 Defecte voertuigen</label></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.5 Voertuigwrakken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch
                                    in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk
                                    verwaarloosde toestand verkeert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.6 Caravans e.d.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een camper, woonwagen, caravan, keetwagen,
                                    aanhanger of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan
                                    wel voor andere doeleinden dan vervoer wordt gebruikt of is
                                    bestemd:</al><al>a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op een weg of
                                    openbare grond te plaatsen of geplaatst te hebben;</al><al>b. op een door burgemeester en wethouders bij persoonlijke
                                    aanschrijving aangewezen plaats te plaatsen of geplaatst te
                                    hebben waar dit naar hun oordeel schadelijk is voor het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente of hinderlijk voor anderen is
                                    danwel de verkeersveiligheid in gevaar brengt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Gelders
                                    wegenreglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke
                                    doel om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig, dat met inbegrip van de lading een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte heeft van meer
                                    dan 2,4 meter te parkeren op door burgemeester en wethouders
                                    aangewezen plaatsen, waar dit parkeren naar hun oordeel
                                    schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig, dat met inbegrip van de lading een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter, te parkeren op door
                                    burgemeester en wethouders aangewezen wegen, waar dit parkeren
                                    naar hun oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van
                                    de beschikbare parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de in het eerste en tweede lid
                                    gestelde verboden beperken naar tijd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van de in het eerste en tweede
                                    lid gestelde verboden ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de
                                    tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
                                    werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter
                                    plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden
                                    dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen
                                    of op een niet van de weg deel uitmakende, van gemeentewege
                                    aangelegde beplanting of groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                    toepassing:</al><al>a. op wegen als bedoeld in artikel 5.1;</al><al>b. op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
                                    uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid;</al><al>c. op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op
                                    terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.11 Overlast van fietsen en bromfietsen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op door burgemeester en wethouders in het
                                    belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente of ter
                                    voorkoming of opheffing van overlast aangewezen plaatsen fietsen
                                    of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of
                                    plaatsen te laten staan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op door burgemeester en wethouders in het belang
                                    van het uiterlijk aanzien van de gemeente of ter voorkoming of
                                    opheffing van overlast aangewezen plaatsen fietsen of
                                    bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode
                                    onafgebroken te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in
                                    onvoldoende staat van onderhoud en/of in een verwaarloosde
                                    toestand verkeren op de weg te laten staan. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 2 : Collecteren en verkopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.12 Inzameling van geld of goed</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders
                                    een openbare inzameling van geld of goederen te houden of
                                    daartoe een intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan
                                    het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven stukken
                                    worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten
                                    aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt
                                    gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten
                                    dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een
                                    inzameling die in besloten kring gehouden wordt.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen onder door hen te stellen
                                    voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door
                                    daarbij aangewezen instellingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.13 Venten e.d.</label></kop><al>Het is verboden op of aan de weg, aan een huis dan wel op een andere
                                - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke
                                en in de openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te
                                verkopen of af te geven danwel diensten aan te bieden, indien
                                daardoor de verkeersveiligheid in gevaar wordt gebracht of het
                                verkeer ernstig gehinderd wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.14 Standplaatsen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders
                                    op of aan de weg dan wel op een andere - al dan niet met enige
                                    beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht
                                    gelegen plaats met een voertuig, een kraam, een tafel of enig
                                    ander middel een standplaats in te nemen of te hebben met het
                                    doel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te
                                    verstrekken dan wel diensten aan te bieden;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><al>a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in
                                    artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                    Gemeentewet;</al><al>b. een verkoopplaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                    2.13</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet ten
                                    aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven
                                    stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als
                                    bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders weigeren de vergunning indien de
                                    standplaats in strijd met een geldend bestemmingsplan wordt
                                    ingenomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kunnen burgemeester en
                                    wethouders de vergunning weigeren:</al><al>a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband
                                    met de omgeving niet voldoet aan de eisen van redelijke
                                    welstand;</al><al>b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                    gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te
                                    verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een
                                    standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk
                                    verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien de aanvraag om een standplaatsvergunning een activiteit
                                    betreft waarvoor tevens een milieuvergunning is vereist, houden
                                    burgemeester en wethouders de beslissing op deze aanvraag aan
                                    tot op de dag waarop een beslissing omtrent de aanvraag om deze
                                    milieuvergunning is genomen, tenzij de standplaatsvergunning op
                                    één van de gronden in het vorige lid of in artikel 1.8 zal
                                    worden geweigerd.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 3 : Crossterreinen en natuurgebieden </label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.15</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al> In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al> motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel
                                        1, onder z, van het Reglement verkeersregels en
                                        verkeerstekens 1990; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                        eerste lid onder e van de Wegenverkeerswet 1994. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.15a Crossterreinen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                    voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                    houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel
                                    een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel
                                    daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast; </al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden; </al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de
                                            in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van
                                            het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het
                                    Besluit geluidproductie sportmotoren. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.16 Beperking verkeer in natuurgebieden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden binnen door burgemeester en wethouders
                                    aangewezen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken,
                                    plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te
                                    rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets,
                                    een fiets of een paard. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het gebruik
                                    van de gebieden en terreinen als genoemd in het eerste lid
                                    regels stellen:</al><al>a. in het belang van het voorkomen van overlast;</al><al>b. in het belang van de bescherming van natuur- of
                                    milieuwaarden;</al><al>c. in het belang van de openbare orde en veiligheid, en</al><al>d. in het belang van de volksgezondheid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en voor
                                    berijders van paarden</al><al>a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                    hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid RVV
                                    1990 aangewezen hulpverleningsdiensten;</al><al>b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                    exploitatie van de door burgemeester en wethouders aangewezen
                                    plaatsen;</al><al>c. die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens
                                    wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al><al>d. van de zakelijke gerechtigden en huurders en pachters van
                                    percelen gelegen binnen de door burgemeester en wethouders
                                    aangewezen plaatsen;</al><al>e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging
                                    van de onder d. bedoelde personen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al><al>a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b van de
                                    Wegenverkeerswet 1994;</al><al>b. binnen de bij of krachtens de provinciale verordening
                                    "Stiltegebieden" aangewezen stiltegebieden ten aanzien van
                                    motorrijtuigen, die bij of krachtens die verordening zijn
                                    aangewezen als "toestel";</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.17</nr><titel>Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 5.16 kunnen burgemeester en
                                wethouders ten aanzien van door hen bij openbaar besluit aangewezen
                                voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of
                                voor recreatief gebruik bedoelde terreinen voorschriften
                                stellen:</al><al>a.in het belang van de openbare orde;</al><al>b. in het belang van de zedelijkheid;</al><al>c. ter voorkoming van gevaar, schade en overlast;</al><al>d. ter bescherming van het milieu;</al><al>e. in het belang van de volksgezondheid.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 4 : Verbod om vuur te stoken / rookverbod </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.18 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben, indien
                                    dit schadelijk is voor het milieu en/of indien dit gevaar,
                                    overlast of hinder voor de omgeving oplevert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van dit verbod ontheffing
                                    verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kunnen burgemeester en
                                    wethouders een ontheffing weigeren in het belang van de
                                    bescherming van flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste geldt niet voor het verbranden van
                                    snoeihout op het terrein waar het is vrijgekomen mits:</al><al>a. het terrein is gelegen buiten de bebouwde kom;</al><al>b. degene die snoeihout verbrandt hierop voldoende toezicht
                                    uitoefent ter voorkoming van brandgevaar;</al><al>c. het verbranden geen gevaar, overlast of hinder voor de
                                    omgeving veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het vierde lid kunnen
                                    burgemeester en wethouders het verbranden van snoeihout
                                    tijdelijk verbieden dan wel nadere regels stellen ter voorkoming
                                    van brandgevaar als gevolg van droogte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.19 Rookverbod</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is het verboden te roken in bossen en andere natuurgebieden
                                    dan wel binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende
                                    een door burgemeester en wethouders aangewezen periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover het roken
                                    plaatsvindt in gebouwen of aangrenzende erven die als tuin zijn
                                    ingericht.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 5: Verstrooiing van as </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.20 Begripsomschrijving</label></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele
                                asverstrooiïng:</al><al>het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaanden(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.21 Verbod incidentele asverstrooiing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><al>a. verharde delen van de weg;</al><al>b. gemeentelijke begraafplaatsen;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een besluit nemen waarin voor
                                    een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan
                                    genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van de nabestaande
                                    die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere
                                    omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste
                                    lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en
                                    crematoriumterreinen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.22 Verbod incidentele asverstrooiing ingeval van hinder of overlast</label></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden, indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 6.1 Strafbepaling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overtreding van het bepaalde in de artikelen van deze verordening en
                                de krachtens deze artikelen gegeven voorschriften en beperkingen
                                wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of
                                geldboete van de tweede categorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:</al><al>de artikelen 4.2 en 4.3 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.2 Toezichthouders</label></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast: </al><lijst><li nr="a."><al> de buitengewone opsporingsambtenaren als genoemd artikel 142,
                                    eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, </al></li><li nr="b."><al> de ambtenaren van de politie als bedoeld in artikel 3, eerste
                                    lid, onder a en c, en tweede lid van de Politiewet 1993, en
                                </al></li><li nr="c."><al> de bij besluit van burgemeester en wethouders dan wel door de
                                    burgemeester aangewezen personen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.3 Binnentreden van woningen</label></kop><al>Zij die zijn belast met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.4 Inwerkingtreding </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de dag van
                                bekendmaking hiervan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op het in het eerste lid genoemde tijdstip wordt de Algemene
                                Plaatselijke Verordening 2007, vastgesteld bij raadsbesluit van 25
                                oktober 2007, nr. X-9, ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.5 Overgangsbepaling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen verleend krachtens de Algemene
                                Plaatselijke Verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid
                                blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de
                                vergunning of ontheffing betrekking heeft ook vervat is in deze
                                verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of
                                ingetrokken - van kracht tot de termijn waarvoor zij worden verleend
                                is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de Algemene
                                Plaatselijke Verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid
                                blijven - indien en voor zover de bepalingen in gevolge welke deze
                                voorschriften en bepalingen zijn opgelegd ook zijn vervat in deze
                                verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of
                                ingetrokken - van kracht tot de termijn waarvoor zij worden verleend
                                is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op
                                grond van de Algemene Plaatselijke Verordening als bedoeld in
                                artikel 6.4, tweede lid is ingediend en voor het tijdstip van
                                inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is
                                beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige
                                verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een
                                vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een
                                voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na
                                het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen binnen
                                de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing
                                van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een
                                vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat
                                onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in
                                deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste,
                                vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken
                                voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het
                                bevoegde orgaan is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing
                                vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een
                                verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, zijn niet van
                                toepassing:</al><al>a. gedurende acht weken na het in werking treden van deze
                                verordening;</al><al>b. ook na de onder a bepaalde termijn, voor zover degene die de
                                vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een
                                aanvraag als bedoeld in artikel 1.2 heeft ingediend, totdat
                                onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid
                                heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die
                                verordening vastgestelde nadere regels, beleidsregels en
                                aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop
                                deze regels en besluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze
                                verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.6 Aanhalingstitel</label></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel Algemene
                            Plaatselijke Verordening 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Algemene Plaatselijke Verordening 2010 </titel></kop><al>Inhoudsopgave toelichting Algemene Plaatselijke Verordening 2010</al><al>Alinea </al><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen </al><al>Artikel 1.2 Beslistermijn </al><al>Artikel 1.3 Indiening aanvraag</al><al>Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen </al><al>Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing </al><al>Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</al><al>Artikel 1.7 Termijnen </al><al>Artikel 1.8 Weigeringsgronden </al><al>Alinea </al><al>Hoofdstuk 2 Openbare orde</al><al>Adeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden</al><al>Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden</al><al>Afdeling 2 Betogingen</al><al>Artikel 2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</al><al>Afdeling 3 Bruikbaarheid van de weg</al><al>Artikel 2.3 Voorwerpen of stoffen op, in of boven de weg</al><al>Artikel 2.4 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg </al><al>Artikel 2.5 Maken en veranderen van een uitweg </al><al>Afdeling 4 Veiligheid op de weg</al><al>Artikel 2.6 Veroorzaken van gladheid </al><al>Artikel 2.7 Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp</al><al>Artikel 2.8 Openen straatkolken e.d. </al><al>Artikel 2.9 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</al><al>Artikel 2.10 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</al><al>Artikel 2.11 Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en</al><al> verlichting</al><al>Afdeling 5 Droppings</al><al>Artikel 2.12 Droppings</al><al>Afdeling 6 Toezicht op evenementen</al><al>Artikel 2.13 Begripsomschrijving </al><al>Artikel 2.14 Evenementen</al><al>Artikel 2.15 Ordeverstoring bij evenementen</al><al>Afdeling 7 Toezicht op horecabedrijven</al><al>Artikel 2.16 Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 2.17 Terrassen </al><al>Artikel 2.18 Sluitingstijden</al><al>Artikel 2.19 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</al><al>Artikel 2.20 Aanwezigheid in gesloten inrichting</al><al>Artikel 2.21 Ordeverstoring </al><al>Afdeling 8 Toezicht op speelgelegenheden</al><al>Artikel 2.22 Begripsomschrijvingen </al><al>Artikel 2.23 Exploitatievergunning speelgelegenheid </al><al>Afdeling 9 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</al><al>Artikel 2.24 Betreden gesloten woning </al><al>Artikel 2.25 Plakken en kladden </al><al>Artikel 2.26 Vervoer inbrekerswerktuigen</al><al>Artikel 2.27 Hinderlijk gedrag op of aan de weg</al><al>Artikel 2.28 Hinderlijk drankgebruik </al><al>Artikel 2.29 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</al><al>Artikel 2.30 Neerzetten van fietsen e.d. </al><al>Artikel 2.31 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.</al><al>Artikel 2.32 Slapen op of aan de weg </al><al>Artikel 2.33 Bedelarij</al><al>Artikel 2.34 Loslopende honden</al><al>Artikel 2.35 Verontreiniging door honden</al><al>Artikel 2.36 Gevaarlijke honden </al><al>Artikel 2.37 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</al><al>Artikel 2.38 Loslopend vee en pluimvee</al><al>Afdeling 10 Vuurwerk/carbid</al><al>Artikel 2.39 Begripsomschrijving </al><al>Artikel 2.40 Bezigen van vuurwerk</al><al>Artikel 2.41 Carbidschieten </al><al>Afdeling 11 Drugsoverlast</al><al>Artikel 2.42 Verbod drugshandel op straat</al><al>Afdeling 12 Veiligheidsrisicogebieden</al><al>Artikel 2.43 Veiligheidsrisicogebieden</al><al>Artikel 2.44 Cameratoezicht op openbare plaatsen</al><al>Alinea </al><al>Hoofdstuk 3Prostitutie en seksinrichtingen</al><al>Afdeling 1 Begripsomschrijvingen en nadere regels</al><al>Artikel 3.1 Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 3.2 Bevoegd bestuursorgaan</al><al>Artikel 3.3 Nadere regels </al><al>Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d. </al><al>Artikel 3.4 Exploitatievergunning seksinrichtingen </al><al>Artikel 3.5 Gedragseisen exploitant en beheerder</al><al>Artikel 3.6 Sluitingstijden </al><al>Artikel 3.7 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting</al><al>Artikel 3.8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder </al><al>Artikel 3.9 Raam- en straatprostitutie </al><al>Artikel 3.10 Sekswinkels </al><al>Artikel 3.11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-
                    pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</al><al>Afdeling 3 Weigeringsgronden</al><al>Artikel 3.12 Weigeringsgronden</al><al>Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</al><al>Artikel 3.13 Beëindiging exploitatie3</al><al>Artikel 3.14 Wijziging beheer</al><al>Alinea </al><al>Hoofdstuk 4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voorhet
                    uiterlijk aanzien van de gemeente</al><al>Afdeling 1 Geluidhinder </al><al>Artikel 4.1 Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</al><al>Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten </al><al>Artikel 4.4 Overige vormen van geluidhinder</al><al>Afdeling 2 Maatregelen tegen verontreiniging, stankoverlast en ontsiering</al><al>Artikel 4.5 Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg </al><al>Artikel 4.6 Natuurlijke behoefte doen</al><al>Artikel 4.7 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en
                    putten buiten gebouwen</al><al>Afdeling 3 Voorwerpen/stoffen op of aan onroerende zaken</al><al>Artikel 4.8 Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest,
                    ingekuilde landbouwprodukten e.d.</al><al>Artikel 4.9 Handelsreclame </al><al>Afdeling 4 Kamperen buiten kampeerterreinen </al><al> Artikel 4.10 Begripsomschrijving </al><al>Artikel 4.11 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</al><al>Artikel 4.12 Aanwijzing kampeerplaatsen</al><al>Afdeling 5 Beschermde planten</al><al>Artikel 4.13 Beschermde planten </al><al>Alinea </al><al>Hoofdstuk 5Andere onderwerpen betreffende de huishouding </al><al>der gemeente</al><al>Afdeling 1 Parkeerexcessen </al><al>Artikel 5.1 Begripsomschrijvingen </al><al>Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijven e.d. </al><al>Artikel 5.3 Te koop aanbieden van voertuigen </al><al>Artikel 5.4 Defecte voertuigen </al><al>Artikel 5.5 Voertuigwrakken </al><al>Artikel 5.6 Caravans e.d. </al><al>Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen</al><al>Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen </al><al>Artikel 5.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen</al><al>Artikel 5.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</al><al>Artikel 5.11 Overlast van fietsen en bromfietsen </al><al>Afdeling 2 Collecteren en verkopen </al><al>Artikel 5.12 Inzameling van geld of goed </al><al>Artikel 5.13 Venten e.d. </al><al>Artikel 5.14 Standplaatsen en uitstallingen </al><al>Afdeling 3 Crossterreinen en natuurgebieden </al><al>Art. 5:15 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 5.15a Crossterreinen </al><al>Artikel 5.16 Beperking verkeer in natuurgebieden </al><al>Artkel 5.17 Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen</al><al>Afdeling 4 Verbod om vuur te stoken / rookverbod </al><al>Artikel 5.17 Verbod afvalstoffen buiten inrichtingen te verbranden of anderszins
                    vuur te stoken </al><al>Artikel 5.18 Rookverbod</al><al>Afdeling 5Verstrooiing van as</al><al>Artikel 5.19 Begripsomschrijving </al><al>Artikel 5.20 Verbod incidentele asverstrooiing </al><al>Artikel 5.21 Verbod incidentele asverstrooiing ingeval van hinder en overlast </al><al>Alinea </al><al>Hoofdstuk 6Straf-, overgangs- en slotbepalingen</al><al>Artikel 6.1 Strafbepaling </al><al>Artikel 6.2 Toezichthouders </al><al>Artikel 6.3 Binnentreden van woningen </al><al>Artikel 6.4 Inwerkingtreding </al><al>Artikel 6.5 Overgangsbepaling </al><al>Artikel 6.6 Aanhalingstitel </al><al/><al><vet>Toelichting hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Hoofdstuk 1 van de verordening bevat een aantal procedurevoorschriften en een
                    aantal algemene bepalingen. Het aantal procedurevoorschriften is beperkt. De
                    reden hiervoor is dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) algemene regels geeft
                    betreffende de aanvraag, de behandeling en de verlening van een vergunning of
                    ontheffing. </al><al>De APV bevat slechts procedurevoorschriften indien:</al><lijst><li nr="-"><al> een afwijking van de hoofdregel in de Algemene wet bestuursrecht
                            noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al> de regels een aanvulling vormen op de hoofdregel in de Algemene wet
                            bestuursrecht;</al></li><li nr="-"><al> deze regels facultatief zijn.</al></li></lijst><al>In het kader van de toepassing en uitvoering van de APV worden verschillende
                    soorten besluiten genomen, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>algemeen verbindende voorschriften, namelijk daar waar het
                            bestuursorgaan op grond van de verordening de bevoegdheid heeft om
                            nadere regels te stellen;</al></li><li nr="-"><al>besluiten van algemene strekking, bijvoorbeeld gebiedsaanwijzingen op
                            basis van een APV-bepaling; </al></li><li nr="-"><al>beleidsregels, ter invulling van op de verordening gebaseerde
                            beleidsvrijheid;</al></li><li nr="-"><al>beschikkingen, het verlenen of weigeren van vergunningen of ontheffingen
                            die op basis van de APV verplicht zijn voordat een bepaalde activiteit
                            kan worden ondernomen.</al></li></lijst><al/><al>Alle hier genoemde besluiten zijn besluiten in de zin van de Awb. In artikel 1:3
                    van de Awb wordt het begrip "besluit" immers als volgt omschreven: een
                    schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een
                    publiekrechtelijke rechtshandeling. </al><al/><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen </vet></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen
                    begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben,
                    zijn in de desbetreffende afdeling of paragraaf definities opgenomen. Deze
                    definities kunnen afwijken van de in artikel 1.1 opgenomen definities. Zie de
                    definitie van "weg" in de afdeling "parkeerexcessen". </al><al/><al>Ten aanzien van de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden
                    opgemerkt:</al><al/><al><vet>A. Weg</vet></al><al>De meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op
                    (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De in artikel 1.1 gegeven
                    omschrijving van "weg" is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de
                    Wegenverkeerswet 1994 (en die van de verschillende provinciale
                    wegenreglementen).</al><al/><al>Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip "weg":</al><al>a. de "(openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever
                    heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen
                    van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze
                    wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde
                    beperkingen; zie hierna);</al><al>b. de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor
                    het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de
                    noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van
                    de weg in te grijpen:</al><al>c. de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder
                    uiteenlopende formuleringen - voorkomt in verschillende artikelen van het
                    Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen. De volgorde
                    is die van eng naar ruim: "openbare wegen" zijn ook "wegen die voor het openbaar
                    verkeer open staan", maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen
                    zijn openbaar. Tot de "voor het publiek toegankelijke plaatsen" kunnen de
                    "openbare wegen" en de overige "voor het openbaar verkeer openstaande wegen"
                    gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput. </al><al/><al>De wegenverkeerswetgeving heeft slechts betrekking op wegen in eigenlijke zin.
                    De bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever strekt zich echter óók uit tot
                    andere voor het publiek toegankelijke plaatsen.</al><al>Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 1930 volgt dat niet het
                    juridisch karakter van een plaats, maar het feitelijk karakter doorslaggevend is
                    voor de vraag of de gemeenteraad nadere regels mag stellen in het belang van de
                    openbare orde. Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 april 1967, (APV
                    Eindhoven), wordt duidelijk dat onder "voor het publiek toegankelijke plaatsen "
                    moet worden verstaan alle openbare én niet openbare plaatsen welke in feite voor
                    het publiek toegankelijk zijn. Dat de toegang tot bedoelde plaatsen mogelijk aan
                    beperkingen onderhevig is - bijvoorbeeld door de betaling van entreegeld - doet
                    daaraan in beginsel niet af.</al><al>De conclusie die kan worden getrokken is deze, dat de gemeentelijke wetgever
                    bevoegd is ten aanzien van alle feitelijk voor het publiek toegankelijke
                    plaatsen regels vast te stellen - zulks ongeacht de eigendomssituatie met
                    betrekking tot deze plaatsen - voorzover dat nodig is in het belang van de
                    gemeentelijke huishouding.</al><al>Uiteraard mogen deze regels de rechten van de eigenaars niet illusoir maken en
                    moeten de grenzen gelegen in hogere wetgeving (o.a. wegenverkeerswetgeving en
                    Wegenwet) in acht worden genomen.</al><al>Over de vier onderdelen van de omschrijving van het begrip "weg" in artikel 1.1
                    kan het volgende worden opgemerkt:</al><al/><al><cursief>Onderdeel 1</cursief></al><al>Teneinde verwarring te voorkomen wordt door de verwijzing de letterlijke tekst
                    van artikel 1 WVW 1994 overgenomen. In artikel 1, eerste lid, onder B, zijn
                    wegen gedefinieerd als: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of
                    paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen
                    behorende paden en bermen of zijkanten. Ook de daaraan liggende en als zodanig
                    aangeduide parkeerterreinen worden daaronder begrepen geacht. Om iedere twijfel
                    weg te nemen is een expliciete verwijzing naar parkeerterreinen gehandhaafd.
                    Hiermee worden bedoeld: alle als zodanig herkenbare parkeerterreinen die - al
                    dan niet tegen betaling - toegankelijk zijn voor het publiek.</al><al/><al><cursief>Onderdeel 2</cursief></al><al>Door opneming van de woorden "al dan niet met enige beperking" is buiten kijf
                    gesteld, dat bepaalde voorwaarden voor de toegankelijkheid, zoals de betaling
                    van entreegeld, er niet aan af doen dat gesproken kan worden van "weg", indien
                    de desbetreffende plaats in feite voor het publiek toegankelijk is.</al><al/><al><cursief>Onderdelen 3 en 4</cursief></al><al>In de onderdelen 3 en 4 wordt een onderscheid gemaakt tussen stoepen, trappen,
                    portieken enz., die "uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten
                    toegang geven" (onder 3) en andere stoepen en trappen enz. (onder 4). De
                    eerstbedoelde categorie valt alleen onder het begrip "weg" indien deze niet
                    afsluitbaar zijn. Daarmee worden galerijen in portiekgebouwen enz. uitgezonderd
                    gehouden van het begrip "weg", óók indien het hek of de deur niet is afgesloten
                    ("afsluitbaar").</al><al>Bij de onder 4 bedoelde categorie speelt de mogelijkheid van afsluiting op zich
                    geen rol; het feitelijk voor het publiek toegankelijk zijn, bepaalt of de APV
                    van toepassing is.</al><al>Bij deze categorie moet gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. In
                    recentelijk gebouwde winkelcentra vindt men steeds meer kleine, veelal overdekte
                    straatjes die voor het doorgaande verkeer nauwelijks een functie hebben. Sommige
                    van deze bewust smal gehouden doorgangen of "passages" worden gedurende de
                    avond- en nachtelijke uren afgesloten, omdat het uitoefenen van toezicht alsdan
                    onmogelijk is.</al><al>Ter verklaring van de zinsnede "die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is"
                    wordt het volgende vermeld. Op de wegen in de zin van de Wegenwet kan het
                    publiek vrijelijk vertoeven omdat het rechtens daartoe bevoegd is. In het
                    bijzonder heeft de zakelijk gerechtigde op de betrokken weg niet de mogelijkheid
                    hierin verandering te brengen. Bij andere wegen heeft de term "openbaar" slechts
                    de betekenis van "feitelijk voor het publiek toegankelijk". Het publiek heeft
                    toegang tot deze wegen krachtens gedogen van de zakelijk gerechtigde. Mits hij
                    zich niet bij overeenkomst terzake heeft gebonden, is de zakelijk gerechtigde
                    naar burgerlijk recht te allen tijde bevoegd in het gebruik van de weg door het
                    publiek wijziging te brengen dan wel dit gebruik te beëindigen. Het mag
                    duidelijk zijn dat in het geval de zakelijk gerechtigde het publiek de toegang
                    ontzegt, op de desbetreffende weg de APV niet (meer) van toepassing is.</al><al/><al><vet>Op of aan de weg</vet></al><al>Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden)
                    gedragingen "op of aan de weg". De term "aan de weg" duidt begripsmatig op een
                    zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld
                    voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen.
                    Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</al><al>Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de
                    Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het
                    bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. </al><al/><al><vet>B. Openbaar water</vet></al><al>Een "openbaar water" in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder
                    water, dat voor enig gebruik open staat voor het publiek. "Openbaar" is hier dus
                    synoniem aan "feitelijk voor het publiek toegankelijk".</al><al/><al><vet>C. Bebouwde kom</vet></al><al>De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt
                    (zijn) tot de bebouwde kom.</al><al>Voor het begrip "bebouwde kom" kan aangesloten worden bij de aanwijzing van
                    gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de
                    Wegenwet. </al><al/><al><vet>D. Rechthebbende</vet></al><al>Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</al><al/><al><vet>E. Voertuigen</vet></al><al>De verwijzing naar artikel 1, onder a en onder al van het RVV 1990 voorkomt
                    verwarring over de inhoud van het begrip voertuigen. In artikel 1, onder a,
                    worden aanhangwagens gedefinieerd als: voertuigen die door een voertuig worden
                    voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede
                    opleggers. In artikel 1, onder al, worden als voertuigen genoemd:, fietsen,
                    bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. De APV
                    zondert van deze voertuigen uit: a. treinen en trams en b. kruiwagens,
                    kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.</al><al/><al><vet>F. Bouwwerk</vet></al><al>Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de (Model-)bouwverordening: “elk
                    bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met
                    wanden omsloten ruimte vormt”. </al><al/><al><vet>G.Gebouw</vet></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk
                    bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met
                    wanden omsloten ruimte vormt”.</al><al/><al><vet>H. Vee:</vet></al><al>Voor de uitleg van het begrip vee is aangesloten bij de Meststoffenwet. In
                    Bijlage A van deze wet worden als diersoorten genoemd: rundvee, varkens, kippen,
                    kalkoenen, schapen, vossen, nertsen, geiten, eenden, konijnen en
                    parelhoenders.</al><al/><al><vet>I. Pluimvee</vet></al><al>Onder pluimvee moet worden verstaan vogels als kippen, eenden, ganzen en
                    kalkoenen die gefokt worden voor hun vlees of eieren. </al><al/><al><vet>J. Handelsreclame</vet></al><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van
                    meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden
                    buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband
                    met het bepaalde in het eerste lid, dat zich volgens constante jurisprudentie
                    verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken
                    e.d.</al><al>Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet
                    in de weg. Onder het begrip "reclame" dient te worden verstaan: iedere vorm van
                    openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot
                    "handelsreclame" heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts
                    betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en
                    omvat zij elk aanbod van goederen en diensten maar is zij niet van toepassing op
                    reclame voor ideële doeleinden.</al><al>Bij handelsreclame staat dus een materiële doelstelling voorop. Uiteraard zal de
                    grens tussen handelsreclame en reclame voor ideële doeleinden niet altijd even
                    scherp zijn. Het vorenstaande betekent overigens niet dat handelsreclame niet
                    beschermd wordt. Voorschriften betreffende handelsreclame zullen de toets aan
                    artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze
                    verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.</al><al/><al><vet>K. Geluidsapparaat</vet></al><al>Niet elk apparaat dat geluid voortbrengt is een geluidsapparaaat; het apparaat
                    moet ook ten doel hebben om geluid voort te brengen. Bij geluidsapparaten moet
                    dus vooral gedacht worden aan muziekapparatuur.</al><al/><al><vet>L. Samenscholing</vet></al><al>Omdat niet elke groepsvorming als samenscholing wordt aangemerkt en het begrip
                    samenscholing verschillend kan worden uitgelegd, is hiervan een
                    begripsomschrijving opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 1.2 Beslistermijn</vet></al><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift
                    de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden.
                    Op deze wijze kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede
                    beslistermijn is. </al><al>In deze APV is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is
                    gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid Awb wordt
                    gesteld.</al><al>Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgewerkt. De
                    meer ingewikkelde aanvragen echter, zeker die waarvoor de adviezen van meerdere
                    instanties moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de
                    beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld
                    (tweede lid). Uitgangspunt blijft altijd een redelijke termijn. </al><al>Artikel 4:14 Awb verplicht uiteraard tot kennisgeving aan de aanvrager van dit
                    verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk
                    is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan.</al><al/><al><cursief>Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de
                    Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen
                    een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn
                    van artikel 1:2 voldoet daaraan.</al><al>Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de
                    beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit
                    gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat
                    voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit
                    criterium.</al><al>De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van
                    de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht worden. Het
                    derde lid is een implementatie van deze verplichting.</al><al/><al><cursief>Ontvangstbevestiging</cursief></al><al>Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13,
                    vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd.
                    De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn,
                    de beschikbare rechtsmiddelen en indien van toepassing de vermelding dat bij het
                    uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning
                    geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex
                    silencio.</al><al>Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een
                    dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde instantie
                    dient te verrichten, indien door het doen van die melding en een bij wettelijk
                    voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot
                    of de uitoefening van een dienst.</al><al/><al><cursief>Opschorting van de termijn</cursief></al><al>Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip waarop
                    alle documenten zijn ingediend. Artikel 13, zesde lid bepaalt dat wanneer een
                    aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt meegedeeld dat hij
                    aanvullende documenten moet verstrekken, en, in voorkomend geval, welke gevolgen
                    dit heeft voor de in artikel 13, derde lid, bedoelde termijn. Hiermee wordt
                    bedoeld dat moet worden meegedeeld dat de termijn pas aanvangt als de gevraagde
                    documenten zijn ontvangen.</al><al>Deze regeling wijkt af van die van artikel 4:15 Awb : de termijn voor het geven
                    van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het
                    bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te
                    vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken.</al><al>Als de aanvraag is aangevuld, loopt de termijn weer verder door.</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel
                    3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd.</al><al>Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt
                    dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden
                    verlengd. De wegaanlegvergunning (art 2:4) valt onder de Wabo, en ook onder
                    bepaalde omstandigheden het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (art 2:3).
                    De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan
                    overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan
                    van roerende zaken (artikel 2:3). De vergunning voor het opslaan van roerende
                    zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo.</al><al/><al><vet>Artikel 1.3 Indiening aanvraag</vet></al><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom
                    een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige
                    artikel ("kan") laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten
                    behandeling hoeft te worden gelaten. Met het oog op de vergunningen die niet
                    binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid
                    geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht
                    weken.</al><al>Deze termijn van acht weken geldt met name voor de meer ingewikkelde
                    vergunningsaanvragen waarbij advies bij meerdere instanties ingewonnen moet
                    worden en de vergunningsaanvraag gepubliceerd wordt. Wel zal het bevoegde
                    bestuursorgaan vooraf in een uitvoeringsbesluit moeten aangeven op welke
                    vergunningen en/of ontheffingen deze verlengde termijn van toepassing is.</al><al/><al><vet>Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><al>In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot
                    het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin
                    het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing
                    staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van
                    duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Deze
                    voorschriften mogen uitsluitend strekken ter bescherming van de belangen in
                    verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan
                    wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</al><al>De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan
                    worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het
                    tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als
                    verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen.</al><al>Uiteraard is bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn
                    overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of
                    ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van
                    het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is
                    vereist.</al><al/><al><cursief>Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd
                    moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun
                    beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria
                    zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen
                    belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en
                    ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en
                    toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden
                    verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van
                    algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het
                    commentaar onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt
                    de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan
                    de vergunningvoorwaarden is voldaan.</al><al>In de algemene strafbepaling die in deze APV is opgenomen (artikel 6:1) wordt
                    overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf
                    bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van voorschriften die aan
                    een vergunning of ontheffing verbonden zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</vet></al><al>De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een
                    rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die
                    vergunning of ontheffing.</al><al>Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging
                    uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager
                    (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs
                    van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet
                    overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend
                    hiertoe de mogelijkheid biedt.</al><al>Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het
                    object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de
                    aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet
                    gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins
                    zakelijk gerechtigde. Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die
                    van gebruiker of ondernemer. </al><al>De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder
                    algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar,
                    zakelijk gerechtigde, ondernemer enz.</al><al>Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de drank- en
                    horecavergunning. Dit hangt samen met de omstandigheid dat de vereiste
                    diploma’s, leeftijd en gedragingen van de exploitant en bedrijfsleider(s) in
                    belangrijke mate bepalend zijn voor het verkrijgen van een vergunning. Als een
                    persoonlijke vergunning kunnen ook de standplaatsvergunning en de ventvergunning
                    worden beschouwd. Dit hangt samen zowel met het - persoonlijke - karakter van de
                    ambulante handel als met de omstandigheid dat het aantal aanvragen om vergunning
                    het aantal te verlenen vergunningen veelal verre overtreft, wat het bestuur
                    noodzaakt een restrictief beleid te voeren. Het zou onredelijk zijn als een
                    standplaats- of ventvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een
                    andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</al><al>Een zuiver voorbeeld van een zakelijke vergunning is de vergunning op grond van
                    de Wet milieubeheer. Deze vergunning is van de persoon van de aanvrager of
                    vergunninghouder onafhankelijk.</al><al>Indien in de verordening of in de vergunning is bepaald dat deze vergunning
                    persoonsgebonden is, terwijl deze vergunning toch vooral verband houdt met de
                    aard van het object waarop zij betrekking heeft, zal deze vergunning weliswaar
                    niet automatisch overgaan op de rechtsopvolger doch aan hem in vele gevallen ook
                    niet licht geweigerd kunnen worden.</al><al>Een "gemengd" karakter heeft de ontheffing van de sluitingstijden voor
                    horecabedrijven. De voorschriften met betrekking tot de sluitingstijden van
                    horecabedrijven moeten in de eerste plaats gezien worden als bepalingen die ten
                    doel hebben geluidhinder en andere overlast, die ontstaan door het 's avonds en
                    's nachts drijven van een "inrichting", te voorkomen of te beperken. In zoverre
                    kan men zeggen dat een ontheffing sluitingsuur een zakelijk karakter draagt. Aan
                    de andere kant dient bedacht te worden dat de persoon van de exploitant bij de
                    beslissing inzake de ontheffingsverlening niet geheel onbelangrijk is en dat
                    bovendien sprake is van een ontheffing (dus een uitzondering op het
                    verbod).</al><al>Uitgangspunt in deze APV is de persoonsgebondenheid van de vergunning of
                    ontheffing. Hiervan kan worden afgeweken door toevoeging van de zinsnede "tenzij
                    bij of krachtens deze verordening anders is bepaald." en expliciete vermelding
                    van het zakelijk karakter in de desbetreffende APV-bepaling of de vergunning of
                    ontheffing.</al><al>Indien de vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn
                    rechtverkrijgende geldt, verdient het aanbeveling het voorschrift op te nemen
                    dat de houder ervan in geval van rechtsovergang verplicht is hiervan binnen twee
                    weken schriftelijk mededeling te doen aan het bevoegde orgaan, met vermelding
                    van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of
                    ontheffing.</al><al>Aldus blijft het bevoegde orgaan op de hoogte van de feitelijke houder van de
                    vergunning of ontheffing.</al><al/><al><vet>Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</vet></al><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of
                    wijziging wordt overgegaan.</al><al>Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot
                    toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning. Met
                    name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de
                    bevoegdheid tot wijziging en intrekking.</al><al>Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken
                    of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun
                    bedenkingen in te dienen als wordt voldaan aan artikel 4:8 Awb.</al><al>Ook indien er niet exact sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:8
                    Awb doet het bestuursorgaan gelet op een zorgvuldige besluitvorming er goed aan
                    de vergunninghouder te horen voordat tot intrekking of wijziging van de
                    vergunning wordt overgegaan. Ingeval van een wijziging of intrekking die het
                    gevolg is van een algemene beleidsbeslissing van het bestuursorgaan, is het
                    echter vaak niet doenlijk om alle betrokkenen te horen. Wel is het dan gewenst
                    om met vertegenwoordigers van belanghebbenden te overleggen.</al><al/><al><vet>Artikel 1.7 Termijnen</vet></al><al>Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de
                    Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de
                    vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Artikel 11 van
                    de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen
                    hebben, tenzij: </al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de
                            voortdurende vervulling van de voorwaarden; </al></li><li nr="b."><al>het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden
                            van algemeen belang; </al></li><li nr="c."><al>een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen
                            belang.</al></li></lijst><al>Over punt b. dat onder meer op wachtlijsten ziet, schrijft de Dienstenrichtlijn:
                    “Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is
                    wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden,
                    moet een selectieprocedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden te
                    kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en voorwaarden
                    van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren. Deze procedure moet
                    transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig
                    lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de
                    dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder
                    moet de geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet
                    in grote mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de
                    afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het
                    geïnvesteerde kapitaal.” (PB L 376/36, nr. 62) </al><al>Als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij
                    beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan
                    doorstaan.</al><al>Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde
                    tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een
                    standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</al><al/><al><vet>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</vet></al><al>Met betrekking tot vergunningen en ontheffingen stonden in de vorige APV de
                    weigeringsgronden per artikel vermeld. </al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is
                    kritisch naar de weigeringsgronden gekeken. Ter bevordering van de systematiek
                    en duidelijkheid binnen de APV is ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene
                    weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de
                    betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning andere
                    weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het
                    betreffende artikel genoemd. </al><al/><al><cursief>Europese Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) staat
                    vergunningstelsels toe, mits aan de volgende vereisten is voldaan: </al><lijst><li nr="-"><al>zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van degene die de vergunning
                            aanvraagt; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een
                            dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid). Het begrip
                            dwingende redenen van algemeen belang zoals bedoeld in artikel 9 is door
                            het Hof van Justitie ontwikkeld en kan zich nog verder ontwikkelen. Het
                            betreft hier de zogenaamde ‘rule of reason’. Dit begrip omvat de
                            volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid,
                            als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag, en andere
                            dwingende redenen waaronder milieu (overweging 40 bij de richtlijn);
                        </al></li><li nr="-"><al>het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel
                            worden bereikt (evenredigheid)</al></li><li nr="-"><al>er zijn gerechtvaardigde redenen van openbare orde, openbare veiligheid,
                            de volksgezondheid of de bescherming van het milieu (noodzakelijkheid).
                            Voor wat betreft de noodzakelijkheidseis stelt artikel 16 dan ook een
                            strengere eis dan artikel 9; </al></li><li nr="-"><al>het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel
                            worden bereikt (evenredigheid).</al></li></lijst><al/><al>In theorie staat de richtlijn toe dat de overheid aan een Nederlandse
                    dienstverlener zwaardere eisen stelt dan aan een buitenlandse partij, maar dit
                    is in de praktijk en vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid niet
                    wenselijk.</al><al>Het is evenmin gewenst een onderscheid aan te brengen tussen verschillende
                    soorten van dienstverleners (tijdelijke grensoverschrijders, vestigers en dus
                    ook Nederlandse dienstverleners). Anders zou de dienstverlener die zich vanuit
                    een andere lidstaat hier vestigt een bevoorrechte positie hebben ten opzichte
                    van degene die de grens overschrijdt om zijn diensten aan te bieden of beide
                    dienstverleners ten opzichte van de eigen onderdanen.</al><al>Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk,
                    maar ook de gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën
                    aanvragers dezelfde. </al><al>Er is aangesloten bij het lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): de
                    openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</al><al>De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen
                    dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een
                    vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het
                    verlenen van diensten. Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan
                    doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt.
                    Daarom is in de APV geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en dienstverlening
                    voor wat betreft de weigeringsgronden.</al><al>Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor
                    in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden
                    beantwoord:</al><al/><al><cursief>Overlast</cursief></al><al>Vanouds is de APV een openbare orde en overlast-verordening. Het begrip
                    ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij
                    verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Het
                    milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de
                    omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast
                    veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt
                    eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid.</al><al/><al><cursief>Verkeersveiligheid</cursief></al><al>De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen
                    belang als bedoeld in artikel 9 (rule of reason). Maar ook is er sprake van een
                    belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van
                    verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft.</al><al/><al><cursief>Veiligheid van personen en gezondheid</cursief></al><al>Deze gronden op grond waarvan voorheen een evenementenvergunning kon worden
                    geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid)
                    kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.</al><al/><al><cursief>Zedelijkheid</cursief></al><al>Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde, zoals dit wordt
                    uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke
                    waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan,
                    palingtrekken of zwijntjetik) betreft onder het belang van dierenwelzijn. Ook
                    andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een ‘zedelijkheidsaspect’
                    hebben. Bij seksinrichtingen is zedelijkheid nog als een zelfstandige
                    weigeringsgrond opgenomen, omdat het om ‘vestiging’ gaat.</al><al/><al><cursief>Voorzieningenniveau bij standplaatsen</cursief></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt.
                    De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning
                    weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                    plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen
                    waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een
                    economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten.
                    Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een
                    standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder
                    b). Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing.</al><al/><al><cursief>Détournement de pouvoir</cursief></al><al>Gemeenten dienen zich er van bewust te zijn dat zij een vergunningaanvraag niet
                    kunnen weigeren op een andere grond dan de grondslag van het vergunningstelsel.
                    Dit is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.</al><al/><al><cursief>Motivering</cursief></al><al>Een weigering dient vanzelfsprekend voldoende gemotiveerd te zijn. Gemotiveerd
                    moet worden welke weigeringsgrond van toepassing is en waarom.</al><al/><al><vet>Artikel 1:9 Fictieve beschikking</vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2012 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                    toepassing op vergunningstelsels die onder de Dienstenwet vallen. Dit betreft
                    vergunningstelsels met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij
                    verkeer van diensten die onder de reikwijdte van de Europese Dienstenrichtlijn
                    vallen.</al><al>Voor deze vergunningen (en ontheffingen) geldt in beginsel de lex silencio
                    positivo hetgeen betekent dat de vergunning van rechtswege wordt verleend als
                    niet binnen de voorgeschreven termijn van 8 weken (of eventueel na verlenging
                    c.q. verdaging van het te nemen besluit) een besluit op de aanvraag is genomen. </al><al>Van de lex silencio positivo kan alleen afgeweken worden indien sprake is van
                    dwingende redenen van algemeen belang. Paragraaf 4.1.3.3. Awb kan in die
                    gevallen niet van toepassing worden verklaard.</al><al>De dwingende redenen van algemeen belang zijn te vinden in overweging 40 van de
                    Dienstenrichtlijn. De aldaar beschreven redenen zijn een verkorte weergave van
                    de stand van de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. Dwingende
                    redenen van algemeen belang omvatten o.m. de openbare orde, openbare veiligheid
                    en volksgezondheid, handhaving van de maatschappelijke orde,
                    consumentenbescherming, voorkoming van oneerlijke concurrentie, bescherming van
                    het milieu, stedelijke en rurale ruimtelijke ordening en verkeersveiligheid.
                    Kortom, verschillende belangen die ook bij de vergunningverlening op grond van
                    deze verordening als toetsingscriteria worden toegepast. </al><al>In artikel 1:9 is uitvoering aan de de Europese Dienstenrichtlijn en artikel 28
                    van de Dienstenwet gegegeven. In het belang van de rechtszekerheid zijn in dit
                    artikel zowel de artikelen genoemd waarop de lex silencio positivo (en dus
                    paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing is alsook de
                    artikelen die om dwingende redenen van algemeen belang van de lex silencio
                    postivo zijn uitgezonderd.</al><al>Aldus is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing
                    verklaard op:</al><lijst><li nr="-"><al>artikel 2.3, lid 1 : vergunning gebruik openbare weg in het belang van:
                            openbare veiligheid, maatschappelijke orde (voorkoming overlast),
                            verkeersveiligheid en belangen van derden;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>artikel 2.14, lid 1 : vergunning organiseren evenement in het belang
                            van: openbare orde, openbare veiligheid, maatschappelijke orde
                            (voorkomen overlast), verkeersveiligheid, bescherming milieu en belangen
                            van derden;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>artikel 2.23, lid 1 : vergunning exploitatie speelgelegenheid in het
                            belang van: openbare en maatschappelijke orde, bescherming milieu en
                            belangen van derden </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>artikel 3.4, lid 1 : vergunning exploitatie seksinrichting in het belang
                            van: openbare en maatschappelijke orde, bescherming milieu en belangen
                            van derden </al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 2: OPENBARE ORDE </vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al>In dit hoofdstuk zijn verschillende bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om
                    zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen
                    geleiden. De diverse functies van de openbare ruimte, onder andere voor
                    demonstraties, optochten en feesten, vraagt om een scheiding dan wel regulering
                    van het gebruik</al><al/><al><vet>Afdeling 1: BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN </vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het begrip 'samenscholing' is ontleend aan artikel 186 WvSr: "Hij die
                    opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk
                    verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt,
                    als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie."</al><al>Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft
                    van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit
                    soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het
                    vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel
                    van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende)
                    ongeregeldheden.</al><al>De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit toezichthoudende
                    bevoegdhei krachtens artikel 6.2 van de verordening. Artikel 2:1, tweede lid
                    bevat de bevoegdheid tot het geven van een bevel in een concreet geval.
                    Overtreding van een dergelijk bevel wordt strafbaar gesteld in artikel 6:1 van
                    de APV.</al><al>Ook in het proces- verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het
                    politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 jo. het
                    desbetreffende strafartikel van de gemeentelijke APV (artikel 6:1 van de
                    APV).</al><al>Naast de politiebevelen ex artikel 2:1 blijven uiteraard ook de bevelen van de
                    burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden mogelijk. Bevelen
                    van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of aanwijzingen
                    in het kader van de Wet Openbare Manifestaties die de politie in mandaat
                    uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar worden
                    gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1a Vechten op straat </vet></al><al>In aanvulling op het Wetboek van Strafrecht is in artikel 2.1a een verbod op het
                    vechten op voor het publiek toegnakelijk plaatsen of voor het publiek
                    toegankelijke gebouwen opgenomen. Met dit APV-verbod wordt beoogd om effectiever
                    tegen vechtpartijen in de openbare ruimte en in openbare gebouwen zoals
                    horeca-inrichtingen op te kunnen treden. </al><al>Het Wetboek van Strafrecht biedt weliswaar ook mogelijkheden om op te treden
                    maar dan moet eerst aangifte worden gedaan en dat gebeurt niet altijd. Vooral
                    als het gaat om vechtpartijen die als een ernstige verstoring van de openbare
                    orde kunnen worden beschouwd, wil de politie graag de mogelijkheid hebben om
                    personen te kunnen aanhouden. </al><al/><al><vet>Afdeling 2: BETOGINGEN </vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</vet></al><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                    manifestaties (WOM).</al><al>In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid “openbare
                    plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik
                    openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is
                    begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid,
                    van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name
                    wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen).</al><al>Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja,
                    voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele
                    procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 WOM kent de burgemeester de
                    bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en
                    beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een
                    aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is aan
                    de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te
                    beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op
                    andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de
                    bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</al><al>De meeste APV’s kennen alleen een kennisgevingeis voor betogingen. De overige
                    activiteiten zijn ongereguleerd gebleven. In verband hiermee heeft artikel 2:2
                    alleen betrekking op betogingen. </al><al>Voor een uitgebreide toelichting op dit artikel en de Wet Openbare Manifestaties
                    wordt verwezen naar de toelichting in de model-APV van de VNG.</al><al/><al><vet> Afdeling 3: BRUIKBAARHEID VAN DE WEG</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.3 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</vet></al><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die
                    hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing
                    van dit artikel kan gedacht worden aan het plaatsen van reclameborden of zuilen,
                    containers of meubilair ten behoeve van terrassen. Het artikel beperkt zich niet
                    alleen tot het plaatsen, aanbrengen, of hebben van stoffen of voorwerpen op de
                    weg, maar strekt zich tevens uit tot aan of boven de weg (te denken valt aan
                    spandoeken en zonneschermen).</al><al>Aangezien deze bepaling betrekking heeft op een breed scala van gebruik van de
                    weg, is in beginsel vast gehouden aan een vergunningsplicht om grip op dit
                    gebruik te houden, vooral omdat niet elk gebruik door middel van algemene
                    voorschriften goed gereguleerd kan worden. Veelal is de situatie ter plaatse
                    bepalend voor wat er mogelijk is hetgeen betekent dat maatwerk geleverd moet
                    worden.</al><al>In het tweede lid zijn evenwel enkele uitzonderingen op de vergunningsplicht
                    opgenomen. Voorts is in het streven naar vermindering van administratieve lasten
                    in het derde lid de bevoegdheid voor burgemeester en wethouders opgenomen om
                    bepaalde gebruiksvormen van de vergunningsplicht vrij te stellen of hiervoor een
                    meldingsplicht in te voeren, al dan niet onder het stellen van algemene
                    voorschriften.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                        veranderen van een weg</vet></al><al>Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d.
                    van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan,
                    beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat
                    de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze
                    vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let
                    wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel
                    3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing
                    (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes
                    weken).</al><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo
                    valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de
                    algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Voor het aanleggen of
                    veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten
                    opgenomen.</al><al>In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden
                    verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De
                    weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening.</al><al>Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening
                    of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college
                    bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het
                    derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te
                    verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg,
                    beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op
                    de bruikbaarheid van die weg.</al><al>Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst
                    zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst
                    onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere
                    aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering,
                    water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende
                    lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten
                    meebrengt.</al><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook
                    privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet
                    worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een
                    derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de
                    aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
                    behoeft.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de
                    Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg,
                    verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.
                    Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde
                    “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze
                    wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan
                    voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze
                    van verharding, breedte e.d.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van
                    hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan
                    worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor
                    het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor
                    telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde
                    telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en
                    omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de
                    Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke)
                    Telecommunicatieverordening.</al><al>In de Wabo is verder bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve
                    beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Dit geldt dus alleen
                    indien de Wabo van toepassing is. Indien voor de hier bedoelde werkzaamheden op
                    grond van een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                    voorbereidingsbesluit geen vergunning vereist is, is de Wabo ook niet van
                    toepassing en gelden alleen de APV-bepalingen.Artikel </al><al/><al><vet>2.5 Maken, veranderen van een uitweg</vet></al><al>Artikel 2.5 beoogt de aanleg van uitwegen oftewel inritten zoveel mogelijk vrij
                    te laten, maar door het stellen van algemene voorschriften te voorkomen dat er
                    gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit
                    op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen of ten koste gaat van
                    openbare parkeeruimte.</al><al>Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een
                    weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat
                    regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de
                    vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de
                    bruikbaarheid van de weg.</al><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, is in veel gevallen wel
                    privaatrechtelijke toestemming en medewerking van de gemeente nodig om de weg
                    aan te passen bijv. door het verlagen van het trottoir. Een publiekrechtelijk
                    toelaatbare uitweg mag echter niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke
                    weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat
                    anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat
                    hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</al><al><cursief>Nadere regels</cursief></al><al>Op grond van het tweede lid kan het college nadere regels vaststellen om de
                    algemene verbodscriteria in lid 1 van deze bepaling te verduidelijken en te
                    concretiseren, toegespitst op bepaalde situaties.</al><al><cursief>Ontheffing</cursief></al><al>Er zijn bijzondere omstandigheden denkbaar waarin het in redelijkheid mogelijk
                    moet zijn om van de algemene voorschriften af te wijken. Ten denken valt bijv.
                    aan de aanleg van een inrit voor het parkeren van de auto naast een woning in
                    verband met invaliditeit. </al><al>Daarom is het college in lid 3 de bevoedheid toegekend om ontheffing van het
                    verbod in het eerste lid te verlenen.</al><al>Aangezien de Wabo (artikel 2.2, eerste lid onder e.) op het maken of veranderen
                    van een uitweg van toepassing is, is hiervoor ook een omgevingsvergunning
                    vereist. Dit betekent dat ook de beslistermijn ingevolge de Wabo van toepassing
                    is. Ditzelfde geldt voor de positieve fictieve beschikking bij niet-tijdig
                    beslissen. Daarom is artikel 2.5 niet opgenomen in artikel 1.9 van deze APV
                    (fictieve beschikking).</al><al/><al><vet>Afdeling 4 : VEILIGHEID OP DE WEG </vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot
                    het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het
                    onderwerp waarin deze wet voorziet, voorzover deze verordeningen niet in strijd
                    zijn met het bepaalde in deze wet.</al><al>Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen
                    worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid
                    op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de
                    weg.</al><al>Voor het maken van aanvullende regels bij gemeentelijke verordening geldt steeds
                    de beperking dat de hogere wetgever de desbetreffende aangelegenheid niet
                    uitputtend heeft willen regelen. De vraag wanneer dat het geval is, is niet
                    altijd gemakkelijk te beantwoorden.</al><al>De gemeenteraad is niet bevoegd tot het treffen van regelen inzake het verkeer
                    op wegen - ook al beogen deze regelen andere belangen te beschermen dan
                    verkeersbelangen indien deze regels zo diep en zo algemeen ingrijpen in het
                    normale verkeer op wegen, dat het stelsel van de wegenverkeerswetgeving wordt
                    doorkruist. </al><al>HR 21-06-1966, NJ 1966, 417 m.nt. W.F. Prins, AB 1967(bromfietsverbod Sneek); HR
                    23-12-1980, NJ 1981, 171 m.nt. T.W. van Veen, AB 1981, 237, (rijverbod
                    Schiermonnikoog) en AR 5-3-1981, Gst. 1981, 6678 m.nt. EB (rijverbod
                    Vlieland).</al><al/><al><vet>Artikel 2.6 Veroorzaken van gladheid</vet></al><al>Vele APV's kennen of kenden een plicht voor de eigenaar van een gebouw of
                    terrein, gelegen binnen de bebouwde kom, om het trottoir langs dat gebouw of
                    terrein sneeuwvrij te maken en te houden. Rond deze bepaling keert dikwijls de
                    vraag terug van bevoegdheid tot regeling, omdat het opnemen van zo'n plicht in
                    de APV strijd zou opleveren met de in 1930 in Geneve door de International
                    Labour Organisation vastgestelde conventie betreffende de gedwongen of
                    verplichte arbeid, dan wel in strijd kan zijn met artikel 4 van het Verdrag van
                    Rome.</al><al>Los hiervan moet ook geconstateerd worden dat een dergelijke bepaling door de
                    overheid moeilijk te handhaven is en bovendien lang niet altijd geëffectueerd
                    kan worden, bijv. als het gaat om braakliggende terreinen. Eigenlijk is het
                    sneeuwruimen op trottoirs meer een onderwerp van zorg van voorlichting dan van
                    handhaving. Om deze redenen is afgezien van opname van een 'sneeuwruimbepaling'. </al><al>Daarentegen bevat artikel 2.6 een verbod om tijdens vriezend weer een
                    gevaarlijke situatie te laten ontstaan. Als voorbeeld valt te noemen het wassen
                    van de auto op de openbare weg bij vriezend weer, waardoor ter plaatse een zeer
                    gevaarlijke situatie kan ontstaan.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In artikel 427, aanhef en onder 4 , van het Wetboek van Strafrecht is bepaald
                    dat met een geldboete van de eerste categorie wordt gestraft hij die iets
                    plaatst op of aan, of werpt of uitgiet uit een gebouw, op zodanige wijze dat
                    door of ten gevolge daarvan iemand die van de openbare weg gebruik maakt, nadeel
                    kan ondervinden.</al><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 luidt: Het is een ieder verboden zich
                    zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer op
                    de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7 Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp</vet></al><al>Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn
                    bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last
                    opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. </al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Tuin afgeschermd met lattenscherm en coniferen. Het college vond het belang van
                    privacy zwaarder wegen dan het belang van de verkeersveiligheid. De Afdeling is
                    van oordeel dat de belemmering van het uitzicht van beperkte betekenis is omdat
                    het lattenscherm een open constructie kent. De weigering bestuursdwang uit te
                    oefenen tegen de coniferen blijft echter niet in stand omdat de Afdeling van
                    oordeel is dat de coniferen bij het uitrijden van de inrit het zicht geheel
                    ontnemen. ARRS 10 12 1993, JG 94.0138.</al><al/><al><vet>Artikel 2.8 Openen straatkolken e.d.</vet></al><al>In het belang van de verkeersveiligheid en de veiligheid van personen is een
                    verbod opgenomen om bepaalde nutsvoorzieningen te openen of onzichtbaar te
                    maken.</al><al/><al><vet>Artikel 2.9 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</vet></al><al>Artikel 2.9 beoogt voetgangers en (brom-)fietsers te beschermen tegen
                    verwondingen als gevolg van de te dicht op de weg aangebracht prikkeldraad,
                    schrikdraad, etc.</al><al/><al><vet>Artikel 2.10 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</vet></al><al>Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of
                    voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting
                    het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten. In beginsel biedt de
                    Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen
                    inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor
                    zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de
                    desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer
                    daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel
                    geconstrueerd worden. </al><al/><al><vet>Artikel 2.11 Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en
                        verlichting</vet></al><al>Het verwijderen of beschadigen van verkeersborden of openbare verlichting kan
                    tot levensgevaarlijke situaties leiden. Om hiertegen op te kunnen treden is –
                    aanvullend op het Wetboek van Strafrecht - in artikel 2.11 een verbod op
                    dergelijke onbevoegde handelingen opgenomen.</al><al/><al><vet>Afdeling 5: DROPPINGS</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.12 Droppings </vet></al><al>Bij droppings is het niet ongebruikelijk dat de deelnemers hieraan zonder
                    toestemming particuliere grond betreden. Vooral omdat droppings in het duister
                    plaatsvinden leidt dit nogal eens tot verontruste telefoonmeldingen bij de
                    politie. Ook komt het voor dat deelnemers hinder veroorzaken en/of vernielingen
                    aan andermans eigendom aanrichten.</al><al>Om op de hoogte van plaatsvindende droppings te zijn en bij eventuele schade de
                    organisator te kunnen achterhalen, is een kennisgevingsplicht voor droppings
                    opgenomen. Eventueel kan de burgemeester in het belang van de openbare orde en
                    veiligheid voorschriften opleggen. In het uiterste geval kan de burgemeester een
                    dropping verbieden. Deze situatie doet zich voor indien de organisator de
                    voorschriften meerdere keren niet of onvoldoende heeft nageleefd of wanneer de
                    te houden dropping naar verwachting tot ernstige overlast of ongeregeldheden zal
                    leiden.</al><al/><al><vet>Afdeling 6 : TOEZICHT OP EVENEMENTEN</vet></al><al/><al><vet>Algemeen </vet></al><al>Evenementen vervullen een belangrijke functie in de samenleving. Er worden
                    verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor
                    bijvoorbeeld de hele gemeente, middelgroot of kleinschalig, bijvoorbeeld beperkt
                    tot de eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten
                    verschillende belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de
                    organisator worden gemaakt.</al><al/><al>Volgens de Europese Dienstenrichtlijn is in beginsel een vergunningstelsel
                    geoorloofd. De lidstaten mogen de toegang tot de uitoefening van een
                    dienstenactiviteit niet afhankelijk stellen van een vergunning tenzij: 1. de
                    vergunning niet discriminatoir is, 2. het vergunningstelsel gerechtvaardigd is
                    om een dwingende reden van algemeen belang (noodzaakvereiste), en 3. het
                    nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt,
                    met name omdat controle achteraf te laat zou komen</al><al>om werkelijk doeltreffend te zijn (proportionaliteitsvereiste).</al><al/><al>Bij evenementen waarbij meer dan 100 personen gelijktijdig aanwezig zijn, is
                    vooraf een vergunning noodzakelijk vanwege de openbare orde-aspecten,
                    overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid e.d. Ook
                    kan dan maatwerk bij de vergunningverlening en met name de hieraan te verbinden
                    voorschriften plaatsvinden.</al><al> Als sprake is van een klein evenement (≤ 100 personen), geldt in veel gevallen
                    een vrijstelling in samenhang met algemene voorschriften (zie artikel 2.14 lid
                    3). Op grond van artikel 2.14 lid 2 kan de burgemeester bepaalde evenementen
                    aanwijzen die zijn vrijgesteld of aan een meldingsplicht zijn gebonden. </al><al>Dee toepassing van deze bevoegheden is nader uitgewerkt in de nota </al><al>Evenementenbeleid.</al><al/><al><vet>Rol van de burgemeester</vet></al><al>De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen
                    stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is
                    aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen
                    voorzover deze betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en
                    vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                    behorende erven. Het begrip 'toezicht' is ruimer dan alleen de handhaving van de
                    openbare orde. Het gaat hier ook om de bescherming van de gezondheid en de
                    veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien
                    de burgemeester de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan
                    ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig
                    afdeling 10.1.1. Awb.</al><al/><al><vet>Artikel 2.13 Begripsomschrijving</vet></al><al>In artikel 2.13 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien
                    van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend
                    criterium ('elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak') wordt
                    vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de
                    bepalingen valt.</al><al>In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen d.w.z.
                    filmvoorstellingen die in een bioscoop plaatsvinden. Deze voorstellingen worden
                    niet als evenement aangemerkt. </al><al>Daarnaast gelden de bepalingen niet voor de op grond van artikel 160 Gemeentewet
                    ingestelde warenmarkt waarvoor in de Marktverordening regels zijn
                    opgenomen.</al><al>Verder worden kansspelen geregeld in de Wet op de kansspelen. De reguliere
                    activiteiten in een horeca-inrichting zoals dansen en muziekoptredens zijn
                    eveneens uitgezonderd omdat deze activiteiten inherent zijn aan de exploitatie
                    van een horecabedrijf en hieromtrent regels worden gesteld in het
                    Activiteitenbesluit milieubeheer. </al><al>Betogingen, samenkomsten en vergaderingen worden geregeld in de Wet openbare
                    manifestaties (voor zover dit soort activiteiten al als een verrichting tot
                    vermaak kunnen worden aangemerkt). Tenslotte geldt voor droppings al een
                    meldingsplicht ingevolge artikel 2.12.</al><al>Omgekeerd zijn in het tweede lid voor alle duidelijkheid enkele activiteiten
                    opgesomd die ook als evenement in de zin van dit artikel worden beschouwd. </al><al/><al><vet>Artikel 2.14 Evenementen</vet></al><al/><al>Lid 1 </al><al>Op grond van artikel 174, eerste lid van de Gemeentewet is de burgemeester het
                    bevoegde orgaan om een evenementenvergunning te verlenen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid is de burgemeester de bevoegdheid toegekend om bepaalde
                    evenementen van de vergunningsplicht vrij te stellen of hiervoor een
                    meldingsplicht in te voeren. Hierbij moet gedacht worden aan kleine evenementen
                    (&lt; 100 bezoekers en/of deelnemers) die door het stellen van algemene
                    voorschriften goed geregeld kunnen worden en aldus weinig risico met betrekking
                    tot aspecten als openbare orde, veiligheid, milieu en volksgezondheid met zich
                    meebrengen.</al><al>In de nota Evementenbeleid is het vorenstaande nader uitgewerkt en
                    toegelicht.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De burgemeester kan met betrekking tot evenementen die van de vergunningsplicht
                    zijn vrijgesteld of waarvoor een meldingsplicht algemene voorschriften
                    vaststellen. Deze voorschriften moeten wel betrekking hebben op de belangen die
                    in artikel 1.8 worden genoemd. </al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Op grond van artikel 10 van de Wegenverkeerswet is het verboden op de weg een
                    wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen. Als het gaat om
                    gemeentelijke wegen, kan het college op grond van artikel 148 van de
                    Wegenverkeerswet van dit verbod ontheffing verlenen. </al><al>Hoewel aan de evenementenvergunning in de APV meerdere motieven ten grondslag
                    liggen, vervalt de APV-vergunningsplicht indien artikel 10 van de
                    Wegenverkeerswet van toepassing is. </al><al/><al><vet>Artikel 2.15 Ordeverstoring bij evenementen</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Afdeling 7: TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN</vet></al><al/><al><vet>Algemeen </vet></al><al>Op horecabedrijven zijn naast de regels van deze afdeling nog vele andere regels
                    van toepassing zoals de Drank en Horecawet en de Wet milieubeheer.</al><al><vet>Drank en Horecawet</vet></al><al>De Drank en Horecawet regelt onder meer de uitoefening van het horecabedrijf,
                    bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse.
                    De wet regelt dus niet de verstrekking van alcoholvrije drank.</al><al/><al><vet>Wet milieubeheer</vet></al><al>Op horecabedrijven zijn de regels van de Wet milieubeheer (Wm) van toepassing.
                    Meer in het bijzonder geldt het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                    milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Dit besluit vervangt het Besluit
                    horeca-, sport- en recreatieinrichtingen milieubeheer. </al><al>Bij dit besluit is een aantal regels met betrekking tot geluid, vetlozingen,
                    geur, opslag van koolzuur en afvalstoffen opgenomen. </al><al>Het Besluit heeft betrekking op wat plaatsvindt binnen het horecabedrijf,
                    daartoe behorende terrassen en de directe omgeving. Stemgeluid van een terras
                    (er zijn uitzonderingen!) en onversterkte muziek zijn evenwel vrijgesteld van de
                    geluidsnormen. Voor onversterkte muziek geldt dat de gemeente bij verordening
                    afwijkende regels kan stellenIn deze afdeling zijn alleen regels opgenomen met
                    betrekking tot terrassen en de sluitingstijden. Sommige gemeenten kennen een
                    exploitatievergunning voor horecabedrijven. In het streven naar minder regels
                    heeft de gemeenteraad van Winterswijk in 2007 besloten de exploitatievergunning
                    in te trekken omdat de Drank- en Horecawet en de Wet milieubeheer voldoende
                    mogelijkheden bieden om de exploitatie van horecabedrijven goed te regelen en
                    een extra verfgunningstelsel onevenredig belastend voor de horeca werd geacht.
                    Bovendien zijn op basis van een horeca-convenant afspraken met
                    horeca-ondernemers gemaakt om de veiligheid in en rond uitgaansgelegenheden te
                    bevorderen en het woon- en leefklimaat in de omgeving van horecabedrijven te
                    beschermen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.16 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Omdat de bepalingen in afdeling 7 zowel betrekking hebben op de natte als droge
                    horeca, is bij de omschrijving van het begrip 'horecabedrijf' geen aansluiting
                    gezocht bij de Drank- en Horecawet (die uitsluitend betrekking op
                    alcoholverstrekkende inrichtingen heeft). </al><al>De begripsomschrijving van “terras” geeft duidelijk aan dat een terras ook tot
                    het horecabedrijf hoort. Dit betekent dat de sluitingstijden voor
                    horecabedrijven als bedoeld in artikel 2.18 ook van toepassing zijn op het
                    gebruik van terrassen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.17 Terrassen</vet></al><al>Volgens jurisprudentie is de burgemeester op grond van artikel 174 Gemeentewet
                    het bevoegde bestuursorgaan om ook op een verzoek om een terrasvergunning te
                    beslissen. </al><al>Aangezien de basis van een terrasvergunning is gelegen in artikel 2.3 ( gebruik
                    van de weg in afwijking van de bestemming) en de vergunningsbevoegheid in dit
                    artikel bij het college is neergelegd, is in artikel 2.17 bepaald dat in
                    afwijking van artikel 2.3 de burgemeester beslist op aanvragen tot de
                    ingebruikneming van de weg ten behoeve van een terras behorende bij een
                    horecabedrijf.</al><al/><al><vet>Artikel 2.18 Sluitingstijden</vet></al><al>Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149
                    Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor horecabedrijven
                    vaststellen in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van
                    overlast, het beschermen van het woon en leefklimaat e.d.</al><al>De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de
                    eigenlijke horeca-werkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir
                    gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting
                    bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, clublokalen,</al><al>verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</al><al>Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de veronderstelling wekken dat
                    de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van toepassing zijn op dat bedrijf:
                    immers, volgens de jurisprudentie kan een gemeentelijke verordening geen
                    activiteiten betreffen die elk karakter van openbaarheid missen. Dit kan echter
                    niet worden gezegd van activiteiten die een weerslag hebben op een openbaar
                    belang, waarvan ook sprake is bij besloten horecabedrijven. De
                    sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het</al><al>bedrijf, maar op de (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving, bijv.
                    in de vorm van overlast van komende en gaande bezoekers, het slaan met
                    portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.). De sluitingstijden zijn dus
                    ook van toepassing op besloten horecabedrijven c.q. horecabedrijven waar een
                    besloten feest plaatsvindt.</al><al/><al><cursief>Regionale afstemming / horeca-convenant </cursief></al><al>Om zgn. nachtelijk horecatoerisme tussen gemeenten te voorkomen zijn regionaal
                    afspraken over de sluitingstijden voor horecabedrijven gemaakt. Ook is in
                    regionaal verband samen met politie en Koninklijke Horeca Nederland een
                    horeca-convenant opgesteld dat in alle Achterhoeks gemeenten is ingevoerd. Doel
                    van dit convenant is o.m. de veiligheid in en rond de horeca te bevorderen, het
                    woon- en leefklimaat te beschermen en het alcoholgebruik met name door jongeren
                    te matigen.</al><al>Volgens dit horeca-convenant moeten horecabedrijven uiterlijk om 02.00 de deuren
                    sluiten doch mag het aanwezige publiek tot 04.00 uur in de inrichting
                    verblijven. Dit geldt uitsluitend voor deelnemers aan het horeca-convenant die
                    door de deelname aan het convenant in aanmerking komen voor een ontheffing van
                    de basis sluitingstijd van 02.00 uur. </al><al>Verwacht werd dat door het geleidelijke vertrek van het publiek dankzij deze
                    glijdende sluitingsstijden de overlast voor de omgeving van horecagelegenheden
                    zou afnemen. Ervaringen hebben inmiddels uitgewezen dat dit inderdaad het geval
                    is</al><al>Met de ondertekening van het horeca-convenant verklaart een horeca-ondernemer
                    bereid te zijn extra maatregelen te willen treffen om verstoring van de openbare
                    orde en overlast voor de omgeving te voorkomen. Deze inspanning rechtvaardigt
                    een langere openstelling op basis van een ontheffing van de basis sluitingstijd. </al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In het eerste lid is de algemene sluitingstijd voor horecabedrijven bepaald op
                    de periode van 02.00 tot 06.00 uur.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In afwijking van de in het eerste lid genoemde sluitingstijd kan de burgemeester
                    een horeca-exploitant ontheffing van de algemene sluitingstijd verlenen. Het
                    moet dan gaan om een bijzondere omstandigheid. </al><al>Zoals hiervoor reeds is vermeld, komen deelnemers aan het horeca-convenant in
                    beginsel voor een ontheffing van de algemene sluitingstijd in aanmerking. Mocht
                    evenwel blijken dat een horeca-ondernemer de afspraken van het convenant niet
                    naleeft en zich onvoldoende inspant c.q. onvoldoende maatregelen treft om
                    overlast en/of verstoringen van de openbare orde te voorkomen, dan kan dit voor
                    de burgemeester aanleiding zijn om de ontheffing in te trekken. Evenzeer kan de
                    burgemeester een ontheffing weigeren, als op basis van eerdere ervaringen weinig
                    vertrouwen in het naleven van de afspraken van het convenant door de betreffende
                    horeca-exploitant bestaan.</al><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>De sluitingsbepalingen van de APV gelden niet voorzover de op de Wm gebaseerde
                    voorschriften van toepassing zijn. Wat betekent dit voor de reikwijdte van de
                    APV bepalingen? De Wm beoogt een uitputtende regeling te geven ter voorkoming of
                    beperking van alle nadelige gevolgen van het milieu door het in werking zijn van
                    krachtens die wet aangewezen inrichtingen. De gemeenteraad is niet bevoegd die
                    regeling bij verordening aan te vullen. Dit is ook niet het geval want het
                    APV-sluitingsuur beoogt andere belangen te beschermen dan de Wet milieubeheer,
                    namelijk de meer algemene handhaving van de openbare orde in de nachtelijke uren
                    en het voorkomen van verstoring van de nachtrust. </al><al>Indien op grond van de Wet milieubeheer een sluitingstijd is voorgeschreven, is
                    het APV-sluitingsuur niet van toepassing om een doorkruising van regelgeving te
                    voorkomen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.19 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De burgemeester kan op grond van artikel 174 van de Gemeentewet een of meer
                    horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren opleggen of tijdelijk
                    sluiten.</al><al>Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet zijn gelegen in het
                    belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in
                    bijzondere omstandigheden (zoals bijzondere feestdagen). </al><al>Het betreft een algemene bevoegdheid die anders dan bij de bevoegdheid als
                    bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, die een individueel karakter heeft, zich
                    niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de
                    gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt de bevoegdheid zich - in
                    tegenstelling tot artikel 2.18, tweede lid, waarbij het om een permanente
                    afwijking kan gaan - tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende
                    sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting.</al><al/><al><vet>Artikel 2.20 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</vet></al><al>De hiervoor opgenomen sluitingsbepalingen richten zich tot de exploitant van de
                    inrichting: hij dient zijn bedrijf gesloten te houden gedurende de tijden, die
                    hem bij of krachtens die bepalingen zijn opgelegd. Artikel 2.20 richt zich
                    daarentegen tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Indien deze zich in
                    de inrichting bevindt gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te
                    zijn, overtreedt hij artikel 2.3.1.9. </al><al/><al><vet>Artikel 2.21 Ordeverstoring</vet></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat
                    zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al/><al><cursief>Zwarte lijst</cursief></al><al>Als op individuele bezoekers gericht instrument ter handhaving van de openbare
                    orde in het algemeen en van de orde in inrichtingen in het bijzonder, heeft
                    enkele malen het verschijnsel 'zwarte lijst' de publiciteit gehaald. In ARRS
                    19-06-1984, AB 1985, 215 komt aan de orde hoe het hanteren van de zwarte lijst
                    zich verhoudt tot de internationale verdragen en tot de huishouding van de
                    gemeente. Kort gezegd oordeelde de Afdeling dat, mede gezien de achtergrond van
                    het bestreden besluit en het feit dat het verbod slechts deels betrekking heeft
                    op het verblijf van appellant in het jongerencentrum waar deze als vrijwilliger
                    werkzaam was, het gehanteerde middel evenredig is te achten tot het daarmee
                    beoogde doel, te weten de bescherming van de openbare orde, en dat het genomen
                    besluit noodzakelijk kan worden geacht ter bescherming van dat belang. </al><al/><al><vet>Artikel 2.21a Handel in horecabedrijven</vet></al><al>Als gevolg van de hoge goudprijs zijn er steeds meer bedrijven in de opkoop van
                    goud en zilver actief. </al><al>Sommige bedrijven hebben geen vaste vestigingsplaats maar organiseren van
                    gemeente tot gemeente opkoopbijeenkomsten gedurende één of enkele dagen. Vaak
                    vinden deze bijeenkomsten plaats in een horecabedrijf. Via advertenties in een
                    lokale of regionale krant proberen deze bedrijven particulieren te verleiden om
                    goud en zilver aan hen te verkopen. Het opgekochte goud en zilver wordt daarna
                    omgesmolten en verwerkt tot nieuwe sieraden. </al><al>De ambulante opkoop van goud en zilver in horecabedrijven is echter om twee
                    redenen ongewenst. Ten eerste leent deze wijze van handel zich goed voor heling
                    d.w.z. het opkopen van gestolen goed i.c. gouden of zilveren sieraden. </al><al>Daarnaast blijkt nogal eens dat deze opkoopbedrijven vaak een prijs bieden die
                    beduidend (60 tot 75 %) onder de marktprijs ligt. Op deze wijze wordt door de
                    desbetreffende bedrijven misbruik van de onwetendheid van mensen gemaakt. </al><al>Om heling tegen te gaan geldt op grond van artikel 437 Wetboek van Strafrecht
                    een registratieplicht voor opgekochte goederen en kan de politie de herkomst van
                    de opgekochte goederen alsmede de identiteit van de verkopers achterhalen.
                    Echter, door het ambulante karakter van de bovenbeschreven opkoopactiviteiten
                    wordt de controle op de registratieplicht en daarmee de opsporing van criminele
                    activiteiten zoals heling voor de politie bijzonder lastig. </al><al>Daarom hebben verschillende gemeenten (op advies van de politie) conform de
                    model-APV van de VNG een verbod op de handel als bedoeld in artikel 437 Wetboek
                    van Strafrecht in horeca-inrichtingen in de APV opgenomen. Hierdoor wijken juist
                    dit soort bedrijven uit naar gemeenten waar de opkoop van dit soort edelmetaal
                    nog wel is toegestaan.</al><al>Vanwege de hiervoor genoemde bezwaren is in navolging van andere gemeenten
                    besloten ook in deze APV een verbod op de handel in goederen als bedoeld in
                    artikel 437 Wetboek van Strafrecht in horeca-inrichtingen op te nemen.</al><al/><al><vet>Afdeling 8: TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al>In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien
                    van de echte kansspelen, zoals speelcasino's en speelautomaten. De wet bevat
                    echter geen regeling ten aanzien van spelen waarbij de spelers door hun
                    behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie
                    speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. </al><al>De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                    Artikel 2.23 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en
                    leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de
                    Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van
                    kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving
                    en criminaliteit moet worden tegengegaan.De Wet op de Kansspelen geeft de
                    burgemeester noch het college de bevoegdheid om een illegale speelgelegenheid te
                    sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege de negatieve uitstraling en het
                    illegale karakter van de speelgelegenheid vaak wel wenselijk. Daarom is in deze
                    paragraaf een vergunningsplicht opgenomen, met in het derde lid de mogelijkheid
                    om de vergunning te weigeren als naar het oordeel van de burgemeester moet
                    worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                    speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
                    beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er strijd bestaat
                    met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen vergunning heeft,
                    heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet de bevoegdheid
                    bestuursdwang toe te passen. In artikel 1.6 van de model APV zijn voorwaarden
                    opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd. </al><al/><al><vet>Artikel 2.22 Begripsomschrijvingen</vet></al><al/><al>Het begrip 'speelgelegenheid' betreft iedere openbare gelegenheid waarin de
                    mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld
                    inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. </al><al>Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als
                    bedoeld in lid 1. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen
                    beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken maar slechts
                    indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen, zoals poker, worden
                    evenwel beschouwd als kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de
                    bedoeling om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning
                    beschikt, is dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden.</al><al/><al><vet>Artikel 2.23 Exploitatievergunning speelgelegenheid</vet></al><al>De vergunningsplicht is op grond van het tweede lid niet van toepassing op
                    kansspelen als bedoeld in de Wet op de Kansspelen doch uitsluitend op spelen
                    waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen vergroten. Ter
                    wille van de duidelijkheid zijn in dit tweede lid enkele categorieën
                    speelinrichtingen met name genoemd.</al><al>Op grond van het bepaalde in het eerste lid onder d. kan de burgemeester soorten
                    speelgelegenheden aanwijzen waarop het verbod in het eerste lid niet van
                    toepassing is. Hierbij moet gedacht worden aan speelgelegenheden waarvan
                    regulering uit een oogpunt van handhaving van de openbare orde of bescherming
                    van het woon- en leefklimaat niet noodzakelijk is. </al><al>De in het derde lid genoemde weigeringsgronden zijn gespecificeerd ten opzichte
                    van de algemene weigeringsgronden als genoemd in artikel 1.8. Omdat het motief
                    van deze bepaling is gelegen in de bescherming van de woon- en leefsituatie, is
                    dit ook expliciet als weigeringsgrond in het derde lid opgenomen. </al><al/><al><vet>Afdeling 9 : MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.24 Betreden gesloten woning of lokaal</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien
                    dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, is
                    dit in de APV geregeld. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid van artikel 2.24 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang
                    indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een
                    middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd
                    of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Met de laatste wijziging van de
                    Opiumwet is</al><al>het ook mogelijk om op te treden tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor
                    het publiek toegankelijke lokalen.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2.24 toegevoegd.
                    Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Vanwege de grote persoonlijke gevolgen die aan het sluiten van een woning kunnen
                    zijn verbonden, is in het vierde lid een mogelijkheid voor ontheffing van het
                    verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b
                    van de Opiumwet kan bijvoorbeeld ontheffing verleend worden aan de exploitant
                    zelf en zijn gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het
                    publiek.</al><al/><al><vet>Artikel 2.25 Plakken en kladden</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term 'bekladden' ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien.</al><al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden
                    gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een
                    voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2.25 maakt
                    op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod
                    krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit
                    middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik een anders recht
                    wordt geschonden. De eis dat 'plakken' slechts is toegestaan indien dit
                    geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de
                    gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat
                    aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak
                    toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke
                    hoedanigheid.</al><al>Artikel 2.25 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR,
                    aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting
                    dat uit de toepassing van artikel 2.25 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt
                    als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde.
                    Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende
                    plakplaatsen (zie derde lid).</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Ingevolge het bepaalde in het derde lid geldt het plakverbod niet voor het
                    aanbrengen van meningsuitingen op de door het college aangewezen aanplakborden
                    en overeenkomstig de door dit college gestelde nadere regels. Evenmin geldt het
                    verbod indien gehandeld wordt krachtens een wettelijk voorschrift.</al><al>Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1989, NJ 1990, 222, blijkt dat
                    pas wanneer op grond van de algemene ervaringsregelen aannemelijk is geworden
                    dat rechthebbenden op zodanige schaal zouden weigeren in te stemmen met
                    aanplakking dat in feite geen mogelijkheid tot gebruik van enige betekenis van
                    dit middel tot verspreiding aanwezig is, van de gemeenten een min of meer
                    voorwaardenscheppend beleid gevraagd wordt zodat aan het criterium 'dat gebruik
                    van enige betekenis moet overblijven', ook feitelijk inhoud kan worden gegeven.
                    Het hangt af van 'bijzondere plaatselijke omstandigheden' of er nog gesproken
                    kan worden van gebruik van enige betekenis. Deze zullen dan ook onderzocht
                    moeten worden, aldus de Hoge Raad in een uitspraak van 26 januari 1993, NJ 1993,
                    534.</al><al>In APV opgenomen plakverbod is onverbindend wegens strijd met artikel 7, lid 1,
                    Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Derhalve is geen vervolging mogelijk ter
                    zake van “wild plakken”. Er waren geen voldoende vrije plakplaatsen in de
                    stadsdelen. Gemeente is verplicht deze te scheppen. Rb. Amsterdam
                    07-10-1993.</al><al/><al><vet>Artikel 2.26 Vervoer inbrekerswerktuigen</vet></al><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak,
                    en winkeldiefstal te bemoeilijken.</al><al>Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot
                    bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet (HR 07
                    06 1977, NJ 1978, 483 - APV Wassenaar, en HR 28-02-1989, NJ 1989. 687 - APV
                    Nijmegen).</al><al/><al><vet>Artikel 2.26a Geprepareerde tassen</vet></al><al>Naar aanleiding van een motie van Tweede Kamerlid De Wit heeft de Minister van
                    Justitie de VNG gevraagd om in het model van de Algemeen Plaatselijke
                    Verordening (APV) een bepaling op te nemen om het op de weg of in de nabijheid
                    van winkels bij zich te hebben of vervoeren van tassen en kledingstukken die er
                    kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te
                    vergemakkelijken, strafbaar te stellen.</al><al>Het gaat hierbij om een verbodsbepaling met betrekking tot het vervoeren van
                    geprepareerde tassen dan wel andere voorwerpen op de weg of in de nabijheid van
                    winkels met het kennelijke doel om deze voor winkeldiefstal te gebruiken.</al><al/><al><vet>Artikel 2.27 Hinderlijk gedrag op of aan de weg</vet></al><al>Op basis van artikel 2.27 kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast
                    worden opgetreden. Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt reeds
                    'straatschenderij' strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen
                    op de openbare weg met straf bedreigt. De gemeentelijke wetgever is bevoegd tot
                    aanvulling van de artikelen 424 en 426bis WvSr. Artikel 431 stelt nachtelijk
                    burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als
                    baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik
                    meestal als baldadigheid ervaart.</al><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor een ieder verboden
                    is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. De strekking van het begrip weg uit artikel 2.27 gaat verder dan het
                    begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor de toelichting
                    op artikel 1.1). Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, als
                    omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel 2.27 niet van
                    toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving
                    strijdige situatie kunnen ontstaan.</al><al/><al><vet>Artikel 2.28 Hinderlijk drankgebruik</vet></al><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om op in een bepaald door het college aan
                    aangewezen wegen of weggedeelten alcoholhoudende drank te nuttigen of
                    aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. </al><al>Er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het is niet mogelijk
                    het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet namelijk wel een
                    concrete aanleiding te zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. Een
                    gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde vrees bestaat voor aantasting
                    van de openbare orde, of de openbare orde is al aangetast. Daarnaast zou het
                    college bij een algemeen verbod elk alcoholgebruik op de openbare weg, ook van
                    goedwillende personen, verbieden. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn
                    tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4, van de Awb. Dit
                    geldt ook voor een verbod om onaangebroken flesjes en blikjes bij zich te
                    hebben, waar met</al><al>enige regelmaat naar wordt gevraagd. Het gaat de autonome verordenende
                    bevoegdheid van de gemeente te boven om te bepalen dat het verboden is
                    ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen.</al><al>Het is mogelijk dat een verschuiving in het gedrag van de personen in de
                    richting van buiten het aangewezen gebied gelegen delen van de gemeente zal
                    plaatsvinden. In de meeste gevallen zal dit echter niet erg waarschijnlijk zijn,
                    omdat mag worden aangenomen dat de aangewezen plaatsen door hun aantrekkelijke
                    karakter mede bepalend voor het verschijnsel zijn. Als er toch verplaatsing
                    optreedt, kan het college alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een
                    aanwijzingsbesluit nemen.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een
                    horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van
                    artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats
                    waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken, of voor
                    een evenement als bedoeld in 2.13 zonder dat hiervoor een ontheffing op grond
                    van artikel 35 van de Drank- en Horecawet is verleend (hierbij moet gedacht
                    worden aan besloten buurtfeestjes waarbij de drank gratis en niet bedrijfsmatig
                    wordt verstrekt).</al><al/><al><vet>Artikel 2.29 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                    ruimten</vet></al><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor
                    een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord
                    'ruimte' gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip 'weg'.
                    Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het
                    publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van
                    voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.</al><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                    woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden
                    opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie
                    kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de
                    handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of
                    ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere
                    soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen,
                    mede om de eigendommen van derden te beschermen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.30 Neerzetten van fietsen e.d.</vet></al><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                    een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van
                    diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van
                    overlast.</al><al>Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de
                    eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen
                    hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel
                    2.30 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</al><al/><al><vet>Artikel 2.31 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                        e.d.</vet></al><al>Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieen weggebruikers van bepaalde
                    wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de
                    verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in
                    het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden
                    gebracht.</al><al>Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieen weggebruikers te
                    weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein worden
                    kenbaar gemaakt.</al><al/><al><vet>Artikel 2.32 Slapen op of aan de weg</vet></al><al>Ter voorkoming van hinder en overlast is in artikel 2.32 een verbod op het
                    slapen op of aan de weg opgenomen. Dit artikel biedt de mogelijkheid om op te
                    treden tegen bijv. zwervers, daklozen en dronken personen die de nacht slapend
                    op of aan de weg willen doorbrengen. </al><al>Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing van het slaapverbod
                    verlenen of plaatsen aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is. </al><al>In het derde lid is opgenomen dat het verbod niet geldt voor
                    vrachtwagenchauffeurs die nog wel eens in hun cabine willen overnachten. </al><al>Als het gaat om kamperen buiten (in het bestemmingsplan) aangewezen
                    recreatieterreinen, dan is afdeling 4 van hoofdstuk 4 (Kamperen buiten
                    kampeerterreinen) van toepassing; gaat het om een woonwagen, dan is in de meeste
                    gevallen de Woonwagenwet van toepassing. Dit is geregeld in het vierde lid van
                    het artikel. </al><al/><al><vet>Artikel 2.33 Bedelarij </vet></al><al>Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod
                    geldt. Wanneer er naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie
                    in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus een verbod instellen.</al><al>Omdat de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht
                    (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of
                    nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de
                    wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de
                    gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling terzake van bedelarij in het leven
                    te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te
                    verstoren.</al><al/><al><vet>Artikel 2.34 Loslopende honden</vet></al><al>Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en
                    bestrijding van overlast ten grondslag.</al><al>In het bijzonder heeft dit artikel de volgende motieven: </al><al>-de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar
                    kan worden gebracht; </al><al>- het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; </al><al>- het voorkomen van hinder voor voetgangers; </al><al>- het bestrijden van verontreiniging;</al><al>- het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat
                    loslopende honden andere dieren wel met name schapen en kippen naar het leven
                    staan.</al><al>In het derde lid is een ontheffingsbevoegdheid opgenomen voor situaties waarin
                    in redelijkheid van de eigenaar of houder van de hond niet verwacht kan worden
                    dat deze de hond aangelijnd heeft. Hierbij valt te denken aan honden die een
                    schaapskudde (die zich op een openbaar terrein zoals een plantsoen of park in de
                    bebouwde kom bevindt) bewaken.</al><al>Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden
                    aangetroffen, kan op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) de
                    honden gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college
                    aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te
                    achterhalen is.</al><al>Ook artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming kan worden toegepast. Het
                    eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de bevoegdheid honden
                    en katten op te vangen die ‘s nachts elders dan op het erf van de eigenaar of
                    houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid van artikel 4 bepaalt
                    dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet berichten van een en ander
                    en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende veertien dagen na de datum
                    van het bericht op te halen.</al><al>Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De
                    vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente
                    moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging
                    van het dier op zich te nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven
                    door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de
                    kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is
                    de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze
                    mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken.
                    De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging
                    onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige
                    redenen is vereist.</al><al>Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier
                    niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even
                    verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een "gevonden
                    dier".</al><al/><al><vet>Artikel 2.35 Verontreiniging door honden</vet></al><al>De ergernis over hondenpoep op trottoirs, wandelpaden, fietspaden, etc. is
                    groot. Hondenpoep kan zelfs grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook
                    wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven
                    liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid.</al><al>Daarom is in artikel 2.35 een gebod opgenomen inhoudende dat de hondebezitter
                    ervoor zorgt dat zijn hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op wegen en
                    kinderspeelplaatsen binnen de bebouwde kom. Vanwege de ruime definitie van het
                    begrip weg geldt dit gebod ook voor vele andere voor het publiek toegankelijke
                    plaatsen. </al><al> De strafbaarheid wordt opgeheven indien de uitwerpselen direct worden
                    verwijderd. Ter ondersteuning van deze opruimplicht is in het derde lid bepaald
                    dat de hondenbezitter een geschikt en doeltreffend middel bij zich dient te
                    dragen om de uitwerpselen te verwijderen en op te ruimen. Als geschikte en
                    doeltreffende middelen kunnen genoemd worden een schepje, een drollenknijper en
                    een hondenpoepzakje maar ook andere opruimmiddelen zijn denkbaar. Voorwaarde is
                    in ieder geval dat het middel naar normale maatstaven geschikt en doeltreffend
                    moet zijn.</al><al>In lid 4 is een uitzondering op de opruimplicht opgenomen voor hondenbezitters
                    die zich vanwege een handicap door een geleidehond of sociale hulphond laten
                    begeleiden. Deze personen zijn meestal niet in staat om de uitwerpselen van hun
                    hond op te ruimen.</al><al>Al zal de handhaving (betrapping op heterdaad) van deze verbodsbepaling lastig
                    zijn, toch zal dit verbod een preventieve werking hebben en het gedrag van
                    onfatsoenlijke hondenbezitters (hopelijk) beïnvloeden.</al><al/><al><vet>Artikel 2.36 Gevaarlijke honden</vet></al><al>Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident
                    met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk
                    op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen
                    en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan
                    worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te
                    muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling
                    agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer
                    gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen.</al><al><onderstreept>Jurisprudentie</onderstreept></al><al>Aanschrijving tot muilkorving van gevaarlijke honden. Politierapport en vonnis
                    kantonrechter voldoende aanleiding voor standpunt dat honden gevaarlijk zijn en
                    de te treffen maatregelen. ARRS 05 02 1991, Gst. 1991, 6932, 13 m.nt. CG.</al><al>Muilkorfgebod op grond van de APV voor Argentijnse Dog na bijtincident met
                    dodelijke afloop voor andere hond. Het college heeft bij het opleggen van een
                    dergelijke maatregel een ruime mate van beoordelingsvrijheid. Niet onevenredig.
                    Vz.ABRS 22-05-2001, KG 2001,179, JG 01.0139 m.nt. M. Geertsema.</al><al/><al><vet>Artikel 2.37 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</vet></al><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid
                    dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. </al><al>Artikel 2.37 geeft het college de mogelijkheid de eigenaar of houder van een of
                    meer dieren te verplichten de nodige maatregelen te treffen om hinder of schade
                    voor de omgeving te voorkomen.</al><al>In het derde lid is bepaald dat het verbod niet geldt indien en voor zover dit
                    onderwerp door de Wet milieubeheer wordt geregeld. Indien op bedrijfsmatige
                    wijze dieren worden gehouden of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is, dan is
                    de Wet milieubeheer van toepassing en zullen in dat kader voorschriften ter
                    voorkoming van hinder en overlast van toepassing zijn. </al><al/><al><onderstreept>Jurisprudentie</onderstreept></al><al>Aanschrijving tot verplaatsing van een hok van een haan die geluidsoverlast
                    veroorzaakt. Nader onderzoek van het college verlangd. ARRS 26 02-1991, Gst.
                    1991, 6962, 3 m.nt. JMK, JG 91.0382 m.nt. L.J.J. Rogier.</al><al>Aanschrijving verwijdering pluimvee in verband met overlast omwonenden. Vz.ARRS
                    02 06 1991, JG 92.0007 , AB 1991, 686 m.nt. JHvdV.</al><al>Aanschrijving tot verwijdering van kraaiende haan terecht. De door het college
                    gehanteerde methode van geluidmeting is niet onredelijk. ARRS 09 04 1992, JG
                    92.0401 , GO 1992, 3, GO 1994, 2 m.nt. L.F.D, AB 1992, 583 m.nt RMvM, TMR 1994,
                    9 m.nt. RJdH.</al><al>Overlast van een papegaai. Onvoldoende onderzoek naar de klacht. ARRS 22 12
                    1993, JG 93.0137 m.nt. A.B. Engberts.</al><al>Aanschrijving tot verwijdering paard in verband met overlast omwonenden terecht.
                    Klachten van omwonenden, onderzoek van bouw- en woningtoezicht en proces-verbaal
                    van politie geeft voldoende feitelijke onderbouwing. ABRS 03-07-1999, JG 99.0003
                    m.nt. W.A.G. Hillenaar</al><al/><al><vet>Artikel 2.38 Loslopend vee en pluimvee</vet></al><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                    verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland
                    is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te
                    voorkomen is daarom op haar plaats. </al><al>Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt
                    het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend
                    pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die
                    bezaait, bepoot of beplant is, met straf bedreigd. </al><al/><al><vet>Afdeling 10: VUURWERK / CARBID</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Deze afdeling geeft enkele regels omtrent het bezigen van consumentenvuurwerk
                    rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari
                    2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                    vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart
                    2002 (grotendeels) in werking getreden.</al><al>Het Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren dan wel vervaardigen
                    of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken en afsteken van
                    vuurwerk te reguleren, met inbegrip van bepaalde vervoershandelingen met
                    vuurwerk. De regels ten aanzien van het vervoer van vuurwerk zijn gesteld ter
                    uitwerking van artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs).</al><al>Het Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als
                    professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze
                    afdeling niet relevant.</al><al/><al><vet>Definitie consumentenvuurwerk</vet></al><al>Voor de omschrijving van het begrip 'consumentenvuurwerk' is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor
                    particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1). Consumentenvuurwerk dient te
                    voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de
                    Regeling Nadere eisen aan vuurwerk.</al><al>Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is
                    voor particulier gebruik - aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit - indien: </al><al>a. het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier; </al><al>b. het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan, gekocht of
                    besteld door een particulier; </al><al>c. het aangetroffen wordt bij een particulier; </al><al>d. het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden wordt
                    gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen of </al><al>e. het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.</al><al/><al>Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op:</al><al>-vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed, zoals
                    klappertjes voor speelgoedpistolen;</al><al>-vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een
                    bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of beheer is; </al><al>-vuurwerk dat in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of vliegtuig
                    binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht en niet in Nederland wordt
                    gelost of rechtstreeks wordt overgeladen naar een ander zeeschip
                    onderscheidenlijk vliegtuig.</al><al/><al><vet>Fop- en schertsvuurwerk</vet></al><al>Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in
                    bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk (sterretjes, knalbonbons,
                    confettibommen, trektouwtjes, rtc.). Op grond van artikel 2.3.7 van het
                    Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door verkrijgbaar en
                    kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</al><al/><al><vet>Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de
                        jaarwisseling</vet></al><al>Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk
                    tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels:</al><lijst><li nr="-"><al>een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan
                            particulieren (artikel 2.3.2 lid 1); dit verbod geldt niet op 29, 30 en
                            31 december met dien verstande dat als een van deze dagen een zondag is
                            het verbod eveneens op die zondag geldt, in welk geval het verbod om
                            vuurwerk ter beschikking te stellen dan niet geldt op 28 december
                            (artikel 2.3.2 lid 2);</al></li><li nr="-"><al>een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan
                            een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3);</al></li><li nr="-"><al>een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                            beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die
                            voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het
                            bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen
                            (artikel 2.3.4);</al></li><li nr="-"><al>een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te
                            stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel
                            2.3.5);</al></li><li nr="-"><al>een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan
                            tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop
                            volgende jaar (artikel 2.3.6).</al></li></lijst><al/><al><vet><cursief> Opslag van consumentenvuurwerk</cursief></vet></al><al>Ook voor de opslag van consumentenvuurwerk worden algemene regels gesteld in het
                    Vuurwerkbesluit. De verkooppunten zijn inrichtingen in de zin van de Wet
                    milieubeheer en worden als zodanig aangewezen in het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer (IVB). </al><al>Ook voor deze inrichtingen geldt een vergunningsplicht krachtens de Wet
                    milieubeheer. Deze bevoegdheid lag eerst bij het college van de gemeente, maar
                    door de inwerkingtreding van het (nieuwe) Vuurwerkbesluit en wijziging van het
                    IVB, is deze bevoegdheid deels overgegaan naar de provincie (afhankelijk van de
                    hoeveelheid). Het college van Gedeputeerde Staten is tevens verantwoordelijk
                    voor het toezicht op deze inrichtingen</al><al>De artikelen 2.39 en 2.40 zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet en zijn een
                    aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van
                    consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het
                    Vuurwerkbesluit.</al><al/><al><vet>Artikel 2.39 Begripsomschrijving</vet></al><al>Bij de begripsomschrijving van consumentenvuurwerk wordt verwezen naar het
                    Vuurwerkbesluit.</al><al/><al><vet>Artikel 2.40 Bezigen van vuurwerk</vet></al><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk
                    wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het
                    vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling.</al><al>Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen
                    zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk niet toelaatbaar moet worden
                    geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardencentra, winkelstraten,
                    dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan
                    te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is.</al><al/><al><vet>Artikel 2.41 Carbidschieten</vet></al><al>Het schieten met carbid met behulp van (melk-)bussen is vooral in het oosten van
                    het land en ook in onze gemeente een bekend traditioneel verschijnsel rond de
                    jaarwisseling. De laatste jaren is zelfs sprake van een toename van deze
                    traditionele activiteit en worden de grenzen van het schieten steeds verder
                    verlegd. </al><al>Vanwege de hieraan verbonden veiligheidsrisico’s voor zowel schietlustigen als
                    het publiek en de geluidsoverlast voor mens en dier is het wenselijk om een
                    aantal voorschriften aan het carbid schieten te verbinden. Anders dan het
                    eigenlijke vuurwerk is het carbid schieten niet in andere wetgeving geregeld,
                    zodat dit op basis van de gemeentelijke autonomie in de APV geregeld kan worden. </al><al/><al><vet>Afdeling 11 : DRUGSOVERLAST</vet></al><al/><al><cursief>Algemeen </cursief></al><al> De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde.
                    Mede als gevolg van het gevoerde coffeeshopbeleid is in Winterswijk sprake van
                    straathandel in drugs en heeft de handel zich tevens verplaatst naar andere
                    panden. Onderdeel van het coffeeshopbeleid is dan ook een strenge aanpak van de
                    straathandel en illegale verkooppunten. </al><al>Daarnaast veroorzaken deze straathandel en het optreden van drugsrunners/gidsen
                    veel overlast voor bewoners en winkeliers en hebben deze activiteiten een
                    negatieve invloed op het winkelklimaat. Om tegen deze overlast op te kunnen
                    treden is in de APV een artikel opgenomen dat tot doel heeft een aantasting van
                    de openbare orde en overlast te voorkomen.</al><al/><al><cursief>Afbakening met de Opiumwet</cursief></al><al>Om niet in de regelgeving van de Opiumwet te treden is de passage 'onverminderd
                    het bepaalde in de Opiumwet' opgenomen. In de Opiumwet wordt evenwel geen
                    aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om
                    hiertegen te kunnen optreden is in de APV een artikel opgenomen dat het
                    voorkomen van de aantasting van de openbare orde en overlast tot doel
                    heeft.</al><al/><al><cursief>Coffeeshopbeleid</cursief></al><al>Op grond van het door de burgemeester vastgestelde coffeeshopbeleid is in
                    Winterswijk de vestiging van maximaal 1 coffeeshop toegestaan. Dit is vastgelegd
                    in de nota Coffeeshopbeleid Winterswijk 2007. </al><al/><al><vet> Artikel 2.42 Verbod drugshandel op straat</vet></al><al>Artikel 2.42 biedt de mogelijkheid om op te kunnen treden tegen alle
                    nevenverschijnselen van drugshandel op straat (posten langs de straat, heen en
                    weer bewegen, aanspreken van publiek, etc). Het artikel richt zich daarom niet
                    alleen op de aanbieders c.q. verkopers maar ook op bemiddelaars (drugsrunners). </al><al>Het 'kennelijk doel' kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden
                    zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</al><al/><al><vet>Afdeling 12: VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.43 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controle- bevoegdheden die genoemd worden in artikel
                    50, 51 en 52 Wet wapens en munitie kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>vervoermiddelen te onderzoeken;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>een ieders kleding te onderzoeken;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>te vorderen dat verpakkingen die men bij zich
                    draagt, worden geopend.</al><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. </al><al>De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur
                    die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk
                    voor de handhaving van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied
                    aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van
                    justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de
                    orde:</al><lijst><li nr="-"><al> feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring
                            van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees
                            voor het ontstaan daarvan;</al></li><li nr="-"><al>zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang
                            en het individuele belang van de burgers (privacy);</al></li><li nr="-"><al>subsidiariteit en proportionaliteit;</al></li><li nr="-"><al>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van
                            leefbaarheid en veiligheid.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.44 Camereatoezicht op openbare plaatsen </vet></al><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de
                    burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van
                    cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de
                    openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen
                    de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten
                    hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de
                    bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische waarborgen
                    omkleed.</al><al>Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare
                    plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat. Het
                    kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand binnengaan of
                    verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken als
                    belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n
                    pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n
                    pand zijn.</al><al/><al><cursief>Doel van het cameratoezicht</cursief></al><al>Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag
                    uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip
                    omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed
                    hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat
                    onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt
                    artikel 151c lid 7 Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te
                    gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen
                    camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficienter en
                    effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot
                    bovendien hun veiligheid.</al><al/><al><cursief>Weg / openbare (voor het publiek toegankelijke) plaats</cursief></al><al>De invulling van het begrip openbare plaats uit artikel 151c Gemeentewet is
                    ontleend aan de wetsgeschiedenis van de Wet openbare manifestaties (Wom). Op
                    grond van die wet omvat het begrip openbare plaats, zeer in het algemeen, de
                    plaatsen "waar men komt en gaat". In eerste instantie gaat het hierbij om "de
                    straat" of "de weg" in de ruime zin des woords, ofwel de wegen die voor een
                    ieder vrij toegankelijk zijn. Maar het begrip omvat nog een aantal andere
                    plaatsen die een met de weg vergelijkbare functie vervullen en daarom als het
                    "verlengde" van de weg kunnen worden aangemerkt. In de wetsgeschiedenis staan
                    als voorbeelden vermeld: openbare plantsoenen, speelweiden, parken en de voor
                    eenieder vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, winkelgalerijen,
                    stationshallen en vliegvelden.</al><al/><al>Artikel 2 Wom bevat 2 criteria om vast te stellen of sprake is van een openbare
                    plaats:</al><lijst><li nr="1."><al>Vereist is dat de plaats "openstaat voor het publiek". Dat wil volgens
                            de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16) zeggen
                            dat een ieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt
                            in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een
                            bepaald doel gebonden mag zijn (…). Dat de plaats "openstaat" betekent
                            voorts dat geen beletselen in de vorm van een meldingsplicht, de eis van
                            een voorafgaand verlof of de heffing van een toegangsprijs gelden voor
                            het betreden van de plaats. Op grond van het vorenstaande kunnen
                            bijvoorbeeld stadions, postkantoren, gemeentehuizen, parkeerterreinen,
                            musea, warenhuizen, ziekenhuizen en kerken niet als "openbare plaatsen"
                            worden aangemerkt.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het open staan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming of op
                            vast gebruik. Deze bestemming kan blijken uit een besluit van de
                            gerechtigde of uit de bedoeling die spreekt uit de inrichting van de
                            plaats. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de
                            plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming,
                            en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt, aldus de memorie
                            van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16). Een incidentele
                            openstelling van een plaats door de rechthebbende maakt de plaats nog
                            niet tot een openbare plaats in de zin van de Wom.</al></li></lijst><al/><al>In de Wom zijn kerken en andere gebouwen, die door de rechthebbende zijn bestemd
                    voor de belijdenis van een geloofsovertuiging, uitgesloten van het begrip
                    openbare plaats. Dit betekent dat het ook krachtens artikel 151c Gemeentewet
                    niet is toegestaan camera’s te plaatsen in kerken, moskeeen e.d. Evenmin is het
                    toegestaan om, in het kader van dit artikel, camera’s te richten op de ingang
                    van deze gebouwen. Als beelden worden gemaakt van een openbare plaats
                    (straat/plein) waaraan bijvoorbeeld een kerk is gelegen is het wel toegestaan
                    dat het exterieur van de kerk in beeld komt.</al><al/><al><cursief>Particulier eigendom</cursief></al><al>Bepaalde openbare plaatsen zijn in particulier eigendom. Voorbeelden hiervan
                    zijn de vrijelijk voor publiek toegankelijke gedeelten van stationsterreinen,
                    stationshallen en sommige winkelpassages. De onderhavige regeling geldt indien
                    gemeenten in het desbetreffende gebied cameratoezicht willen toepassen in het
                    belang van de handhaving van de openbare orde.</al><al>Gemeenten kunnen bij openbare plaatsen die in particulier eigendom zijn, zoals
                    bedrijfsterreinen, voor de handhaving van de openbare orde gebruik maken van
                    particuliere camera’s en/of het cameratoezicht samen met particulieren
                    uitvoeren. Deze samenwerking moet dan wel voldoen aan de voorwaarden uit artikel
                    151c GW.</al><al/><al><cursief>Vaste camera’s</cursief></al><al>Artikel 151c lid 1 Gemeentewet heeft betrekking op het langdurig plaatsen van
                    vaste camera’s op openbare plaatsen voor de handhaving van de openbare orde. Met
                    het begrip vast (statisch) wordt bedoeld dat de camera’s nagelvast zijn
                    bevestigd. Dit bevestigen gebeurt veelal door montage aan de gevels of dakranden
                    van gebouwen of op daarvoor geplaatste palen. </al><al>Met het begrip vast (statisch) wordt niet bedoeld dat camera’s een vast
                    ingekaderd beeld weergegeven. Het gebruik van de camera’s kan dynamisch zijn,
                    dat wil zeggen dat de observatiehoek en de grote van de observatiehoek op
                    afstand kan worden ingesteld (pendelen/in- en uitzoomen). Evenmin is er een
                    beperking voor interactieve toepassingen, zoals het gebruik van noodknoppen en
                    de mogelijkheid om vanuit de centrale burgers op hun gedrag toe te spreken. De
                    wetgever heeft dit onderwerp uitputtend bij formele wet geregeld. Uitsluitend op
                    de wijze omschreven in artikel 151c Gemeentewet kan worden besloten tot
                    langdurige plaatsing van vaste camera’s ten behoeve van de handhaving van de
                    openbare orde. </al><al>Ander gebruik van camera’s ten behoeve van de openbare orde en veiligheid dan
                    het hiervoor bedoelde statische en langdurige gebruik, wordt door de regeling
                    onverlet gelaten. Hierbij moet men met name denken aan kortstondig en/of mobiel
                    cameragebruik bij evenementen, rellen en grootschalige ordeverstoringen. In die
                    gevallen, waarbij steeds een concrete aanleiding bestaat, kan de bevoegdheid tot
                    cameragebruik worden ontleend aan artikel 2 van de Politiewet 1993.</al><al/><al><cursief>Proportionaliteit en subsidiariteit</cursief></al><al>Het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen moet noodzakelijk zijn
                    voor de handhaving van de openbare orde. Het cameratoezicht moet evenredig zijn
                    in relatie tot het doel (proportionaliteit) en er moet worden bezien of dit
                    doel, i.c. de handhaving van de openbare orde, niet op een minder ingrijpende
                    wijze kan worden geëffectueerd (subsidiariteit).</al><al>De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit verlangen dat periodiek moet
                    worden beoordeeld of de doelstelling(en), die aan het plaatsen van de camera’s
                    ten grondslag hebben gelegen, zijn gerealiseerd en of er nog langer een noodzaak
                    bestaat voor cameratoezicht. Daarom geldt op grond van artikel 151c lid 1
                    Gemeentewet dat de plaatsing van camera’s geschiedt voor een bepaalde duur. </al><al>Na het verstrijken van deze termijn kan het cameratoezicht, bij gebleken
                    noodzaak, worden verlengd. Het ligt daarom voor de hand om de duur van plaatsing
                    te koppelen aan een evaluatie.</al><al/><al><cursief>Kenbaarheid</cursief></al><al>In artikel 151c lid 4 Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s
                    kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de
                    mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden
                    dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidsvereiste moet
                    niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake
                    is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt. Door het goed zichtbaar
                    plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met
                    camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden
                    geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s
                    altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden
                    gesteld van de precieze opnametijden.</al><al>In artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht is de niet-kenbare toepassing van
                    cameratoezicht op voor het publiek toegankelijke plaatsen strafbaar gesteld! De
                    straf kan een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van €
                    4.500 inhouden.</al><al/><al><cursief>Besluit cameratoezicht op openbare plaatsen</cursief></al><al>Op grond van artikel 151c lid 8 Gemeentewet worden nadere regels gesteld om de
                    goede uitvoering van het cameratoezicht te waarborgen. Deze regels hebben
                    betrekking op:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de vaste camera’s en andere technische
                    hulpmiddelen benodigd voor het toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de wijze
                    waarop deze hulpmiddelen worden aangebracht;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de personen belast met of anderszins direct
                    betrokken bij de uitvoering van het toezicht;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de ruimten waarin de waarneming of verwerking
                    van door het toezicht vastgelegde beelden plaatsvindt</al><al>Deze regels zijn vastgelegd in het Besluit cameratoezicht op openbare
                    plaatsen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3: PROSTITUTIE EN SEKSINRICHTINGEN</vet></al><al/><al><vet>Algemeen </vet></al><al/><al><vet><cursief>Opheffing bordeelverbod </cursief></vet></al><al>Als gevolg van de Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van het Wetboek van
                    Strafrecht, enige andere wetboeken en enige wetten (opheffing algemeen
                    bordeelverbod) (Stb. 1999,464) is op 1 oktober 2000 artikel 250bis van het
                    Wetboek van Strafrecht vervallen. </al><al>De wetswijziging wordt veelal aangeduid als de opheffing van het algemeen
                    bordeelverbod. Gevolg van de wetswijziging is dat, uit hoofde van het Wetboek
                    van Strafrecht, niet langer het exploiteren van prostitutie in algemene zin
                    strafbaar is maar nog slechts het exploiteren van onvrijwillige prostitutie
                    (door geweld, bedreiging met geweld, misbruik van overwicht, of misleiding) en
                    van prostitutie door minderjarigen. Voorzover dat bij of krachtens de Wet arbeid
                    vreemdelingen (Wav) dan wel bij of krachtens gemeentelijke verordening is
                    bepaald (zie hiervoor de toelichting bij artikel 3.3.2, eerste lid, onder c), is
                    verder het exploiteren van prostitutie door personen zonder een voor het
                    verrichten van arbeid geldige verblijfstitel verboden.</al><al>Anders gezegd, is het exploiteren van prostitutie die vrijwillig wordt
                    uitgeoefend door meerderjarigen met een geldige verblijfstitel voortaan dus een
                    legale wijze van beroepsuitoefening en inkomensverwerving. Gemeenten kunnen
                    daarover echter bij verordening regels stellen.</al><al/><al><vet><cursief>Verordenende bevoegdheid van gemeenten</cursief></vet></al><al>Volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van
                    prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde
                    omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die
                    niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld. De
                    gemeentelijke bevoegdheid om daarover bij verordening regels te stellen, heeft
                    daardoor een autonoom karakter. Hoewel autonoom, mag de verordenende bevoegdheid
                    echter uitsluitend worden aangewend 'ter regeling en bestuur inzake de
                    huishouding van de gemeente': blijkens artikel 108, eerste lid, van de
                    Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk beperken tot de behartiging
                    van belangen die zijn aan te merken als gemeentelijke belangen.</al><al>Dit hoofdstuk van de APV is niet alleen gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet,
                    maar (voorzover het betrekking heeft op prostitutie) ook op artikel 151a
                    Gemeentewet. Bij artikel 19, derde lid van de Grondwet kan de vrije keuze van
                    arbeid worden onderscheiden van de uitoefening daarvan. Ter waarborging van een
                    maatschappelijk verantwoorde arbeidsuitoefening leggen tal van
                    vergunningsvoorschriften daaraan beperkingen op (in het belang van
                    kwaliteitsbewaking, de bescherming van de client, de bescherming van de
                    werknemer tegen gevaar en exploitatie, de bescherming van de omgeving tegen
                    gevaar en overlast en dergelijke). Deze vergunningsvoorschriften hebben niet als
                    motief het beperken van de vrijheid van arbeidskeuze en dienen dan ook niet te
                    worden beschouwd als beperking daarvan. Desalniettemin mogen deze</al><al>vergunningsvoorschriften - ook al liggen daaraan andere motieven ten grondslag –
                    niet zo ver strekken dat de vrije arbeidskeuze daardoor impliciet illusoir
                    wordt. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat gemeenten, bijvoorbeeld aan
                    het beroep van bordeelhoud(st)er of van prostituee, beperkingen mogen opleggen
                    ter “regeling en bestuur van de gemeentelijke huishouding”: in het belang van de
                    openbare orde, de volksgezondheid of het milieu.</al><al/><al><vet><cursief>Doelstellingen van (gemeentelijk)
                        prostitutiebeleid</cursief></vet></al><al>Gelet op de memorie van toelichting (MvT) (TK1996-1997, 25437, nr. 3) en de Nota
                    naar aanleiding van het verslag (TK 1997-1998, 25 437, nr. 5), liggen aan de
                    opheffing van het algemeen bordeelverbod de volgende zes hoofddoelstellingen ten
                    grondslag: </al><lijst><li nr="1."><al>beheersing en regulering van exploitatie van prostitutie;</al></li><li nr="2."><al> verbetering van de bestrijding van exploitatie van onvrijwillige
                            prostitutie;</al></li><li nr="3."><al> bescherming van minderjarigen tegen seksueel misbruik;</al></li><li nr="4."><al> bescherming van de positie van prostituees;</al></li><li nr="5."><al> ontvlechting van criminaliteit en seksindustrie;</al></li><li nr="6."><al> terugdringing van (exploitatie van) prostitutie door personen zonder
                            geldige verblijfstitel.</al></li></lijst><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod brengt een onderscheid teweeg tussen
                    wel en niet-strafbare exploitatie van prostitutie. Doel daarvan is onder meer,
                    de exploitatie van vrijwillige prostitutie van overheidswege beter te kunnen
                    sturen en reguleren. </al><al>De wetgever gaat er daarbij van uit dat het beleid van gemeenten zich zal
                    richten op het beheersen, sturen en saneren van de prostitutiebranche en het
                    verbeteren van daarin bestaande (arbeids)omstandigheden. Daarbij gaat het dus om
                    het beschermen van de openbare orde en de woon- en leefomgeving en het voorkomen
                    en tegengaan van overlast, maar ook om het verbeteren van de positie
                    (veiligheid, gezondheid, arbeidsomstandigheden) van de prostituee. </al><al/><al><vet><cursief>Vormen van (exploitatie van) prostitutie</cursief></vet></al><al>Prostitutie wordt in tal van vormen uitgeoefend en geëxploiteerd. Een aantal van
                    die vormen kan worden onderscheiden, naar gelang de mate waarin de prostituee
                    daarbij zelfstandig werkzaam is.</al><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend in een daarvoor ingerichte ruimte en in
                    dienstverband (seksclubs, bordelen, privéhuizen en dergelijke), is de invloed
                    van de exploitant naar verhouding het grootst. In de inrichting bepalen zij de
                    'huisregels' voor de prostituee, die bijvoorbeeld kunnen uiteenlopen van
                    verplicht condoomgebruik tot de onmogelijkheid voor de prostituee om onveilig
                    seksueel contact te weigeren. Bij deze vorm van prostitutie wordt de hoogte van
                    de inkomsten van de exploitant rechtstreeks beïnvloed door het aantal
                    klanten.</al><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend in een daarvoor ingerichte ruimte maar
                    niet in dienstverband (kamerverhuurbedrijven, raamprostitutiebedrijven,
                    prostitutiehotels en dergelijke), is sprake van een geringere invloed van de
                    exploitant en van een minder direct verband tussen het aantal klanten en de
                    inkomsten van de exploitant. Meestal beperkt de rol van de exploitant zich tot
                    het verhuren van 'ramen', en bestaat tussen exploitant en prostituee alleen een
                    huurovereenkomst. De prostituee werkt in hoge mate zelfstandig (en voor
                    zichzelf), al kan die zelfstandigheid worden beperkt door andere omstandigheden
                    zoals een afhankelijkheid van de exploitant of een (slechte) eigen financiële
                    situatie.</al><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte maar
                    wel in dienstverband (escortbedrijven en dergelijke), geldt weer wel dat het
                    aantal klanten rechtstreeks van invloed is op de inkomsten van de exploitant. De
                    prostituee werkt daarbij echter niet in het bedrijf van de exploitant, maar in
                    een hotel of bij klanten thuis. De bemoeienis van de exploitant met de werkwijze
                    van de prostituee is daardoor relatief gering.</al><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte en
                    niet in dienstverband (straatprostitutie, thuiswerk en dergelijke) is de
                    zelfstandigheid van de prostituee doorgaans het grootst. Straatprostituees
                    werven hun klanten op de openbare weg. Thuiswerk(st)ers adverteren soms in
                    bladen, maar beschikken vaak ook over een vaste klantenkring die zich uitbreidt
                    langs informele weg. Op zichzelf zijn zij in staat zelf 'de regels te bepalen'.
                    Maar doordat de onderhandelingen tussen klant en prostituee in korte tijd moeten
                    worden afgerond en de werksituatie vaak onveilig is, is de machtspositie van
                    klanten relatief sterk. Die wordt nog versterkt doordat straatprostituees veelal
                    drugs gebruiken; de noodzaak om hun verslaving te bekostigen, kan verder afbreuk
                    doen aan hun onderhandelingspositie.</al><al>Genoemde vormen van (exploitatie van) prostitutie onderscheiden zich niet alleen
                    voor wat betreft de zelfstandigheid van de prostituee, maar ook voor wat betreft
                    de invloed op de openbare ruimte van elk van die vormen. Het ligt dan ook in de
                    rede dat dit onderscheid in het gemeentelijk prostitutiebeleid tot uitdrukking
                    zal komen.</al><al/><al><vet>Regionaal en lokaal beleid</vet></al><al>Door de opheffing van het algemeen bordeelverbod zijn gemeenten primair
                    verantwoordelijk voor het ontwikkelen van een integraal prostitutiebeleid op
                    lokaal en regionaal niveau. Regionale afstemming van het prostitutiebeleid is
                    van groot belang omdat daarmee voorkomen kan worden dat er ongewenste
                    verplaatsingseffecten optreden en/of prostitutiebedrijven zich vestigen in die
                    gemeenten die ten opzichte van andere gemeenten een minder strikt beleid voeren.
                    Bovendien maakt een eenduidige regelgeving op lokaal niveau de handhaving voor
                    OM en politie eenvoudiger en effectiever.</al><al>In de nota Prostitutiebeleid Politieregio Noord- en Oost-Gelderland zijn de
                    volgende uitgangspunten voor het ontwikkelen van een regionaal en lokaal
                    prostitutiebeleid genoemd: </al><al>- legalisering van het bestaande aantal seksinrichtingen in de regio, </al><al>- vaststelling van een regionaal maximum aantal seksinrichtingen, gelijk aan het
                    aantal aanwezige inrichtingen in de gemeente per 1 april 2000 met een minimum
                    van één inrichting per gemeente; </al><al>- verplaatsing van inrichtingen binnen de regio mits dit niet strijdig is met
                    lokale maximum van de vestigingsgemeente; </al><al>- vestiging van nieuwe inrichtingen is mogelijk mits dit niet strijdig is met
                    het regionale maximum en het lokale maximum aantal inrichtingen.</al><al>Op basis van deze uitgangspunten is een regionaal beleid geformuleerd en hiervan
                    afgeleid is het lokale prostitutiebeleid vastgesteld. Aansluitend op de
                    bestaande situatie per 1 april 2000 is het maximum aantal seksinrichtingen in de
                    gemeente Winterswijk vastgesteld op twee. </al><al/><al><vet>Afdeling 1: BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al/><al><vet><cursief>Prostitutie en prostituee(onder a en b)</cursief></vet></al><al>Deze omschrijving van het begrip 'prostitutie' is afgeleid van de definitie in
                    artikel 250a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere
                    taalkundige redenen zijn de termen 'derde' en 'betaling' uit de definitie in het
                    Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk 'ander'
                    en 'vergoeding'.</al><al/><al><vet><cursief>Seksinrichting (onder c)</cursief></vet></al><al>Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze verordening.
                    Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie
                    bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij
                    het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken gehanteerde definities.
                    'Seksinrichting' als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige
                    wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een
                    zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden dat die als
                    bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het
                    bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer.</al><al>In de definitie is gekozen voor de term 'besloten ruimte', omdat dit meer omvat
                    dan het begrip 'gebouw'. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of
                    een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord 'besloten' duidt erop dat de ruimte zich
                    niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of
                    gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking
                    voor het publiek toegankelijk is.</al><al>Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving
                    uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type
                    inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit
                    zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen,
                    seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen
                    behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet
                    alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie
                    plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees
                    voor korte tijd kamers verhuren. Onder raamprostitutiebedrijf dient te worden
                    verstaan een inrichting met een of meer ramen van waarachter de prostituee
                    tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. Een seksbioscoop is een
                    inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van erotisch-pornografische aard
                    worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in afwijking van
                    een seksautomatenhal, waarin dergelijke vertoningen van erotisch-pornografische
                    aard worden gegeven door middel van automaten en van een sekstheater, waarin
                    deze vertoningen anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten
                    - met andere woorden 'live' - worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop,
                    de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk
                    voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café
                    bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient
                    derhalve niet als 'sekstheater' te worden aangemerkt. Zo'n optreden moet echter
                    worden beschouwd als een evenement (een 'voor publiek toegankelijke verrichting
                    van vermaak'), waarvoor volgens artikel 2.14 vergunning van de burgemeester
                    vereist is.</al><al/><al><vet><cursief>Escortbedrijf (onder d)</cursief></vet></al><al>Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen
                    klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant
                    naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een
                    kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, of zelfs een website op
                    Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de vergunningplicht.
                    Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van advertenties en
                    andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van een combinatie van
                    een seksinrichting en een escortservice.</al><al/><al><vet><cursief>Sekswinkel (onder e)</cursief></vet></al><al>De omschrijving van het begrip 'sekswinkel' is ontleend aan de Winkeltijdenwet.
                    Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van
                    goederen in casu van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die
                    aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden
                    aangemerkt.</al><al>Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van
                    toepassing. Een sekswinkel is geen 'seksinrichting' als hierboven omschreven; de
                    exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3.4,
                    eerste lid. De vestiging van sekswinkels zal doorgaans afdoende kunnen worden
                    gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan. </al><al/><al><vet><cursief>Bezoeker (onder h)</cursief></vet></al><al>Het behoeft geen betoog dat, tegen de achtergrond van de bij of krachtens de
                    artikelen 3.6 en 3.7 vastgestelde sluitingsuren, niet alle in de inrichting
                    aanwezige personen als 'bezoeker' moeten worden aangemerkt.</al><al>Van het begrip 'bezoeker' zijn behalve de exploitant(en), de beheerder(s), de
                    prostituees en de personeelsleden van de exploitant, tevens toezichthouders en
                    opsporingsambtenaren uitgezonderd, alsmede andere personen wier aanwezigheid in
                    de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is (hierbij valt te denken
                    aan personen die de inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van
                    goederen, of voor het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden).</al><al/><al><vet>Artikel 3.2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>De artikelen 162 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening
                    noodzakelijk. Volgens artikel 162 is het college belast met de uitvoering van
                    raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of
                    krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier
                    voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met 'het toezicht op de
                    openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven' (eerste lid) en met 'de
                    uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het in het
                    eerste lid bedoelde toezicht' (derde lid).</al><al>Van de specifieke aard van de seksinrichting is afhankelijk wie in een concreet
                    geval bevoegd is: het college of de burgemeester. Aangezien van onbevoegd
                    genomen besluiten vernietiging in de rede ligt, moet deze vraag met
                    zorgvuldigheid worden beantwoord.</al><al/><al><vet>Artikel 3.3 Nadere regels</vet></al><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                    categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit
                    artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende
                    voorschriften. Artikel 3.1.3 ziet dus op delegatie van regelgevende bevoegdheid
                    als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet. Vanzelfsprekend zijn
                    de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften hierbij
                    van overeenkomstige toepassing.</al><al>Aangezien in het Bouwbesluit al regels met betrekking tot het fysieke gebruik
                    van de ruimten zijn opgenomen, beperken deze nadere regels zich hoofdzakelijk
                    tot de wijze van exploitatie.</al><al/><al><vet>Afdeling 2: SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE, SEKSWINKELS EN DERGELIJKE
                    </vet></al><al/><al><vet>Artikel 3.4 Exploitatievergunning seksinrichtingen</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Zoals uiteengezet in de algemene toelichting is er hier voor gekozen de
                    exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven te reguleren door middel van
                    een vergunningstelsel. Uit het eerste lid vloeit een voor de hele gemeente
                    geldende vergunningplicht voort. Het wijzigen van de seksinrichting valt
                    eveneens onder de vergunningplicht. Met het wijzigen wordt bedoeld een wijziging
                    van welke aard dan ook. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verandering
                    van bouwkundige aard, het aantal exploitanten, de wijze van exploitatie en de
                    naam van een of meerdere exploitanten. </al><al>In deze bepaling is ervoor gekozen om escortbedrijven aan dezelfde
                    vergunningplicht als seksinrichtingen te onderwerpen. Hierdoor wordt een
                    eenduidige systematiek gehanteerd. De vergunning zal echter veel minder
                    omvattend (kunnen) zijn, omdat de activiteiten van een escortbedrijf nu eenmaal
                    niet in een inrichting plaatsvinden. De toetsing van de vergunningaanvraag zal
                    zich derhalve veelal beperken tot de toetsing van de antecedenten van de
                    exploitant en beheerder.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het bevoegde bestuursorgaan moet zich aan de hand van een ingediende
                    vergunningaanvraag een oordeel (kunnen) vormen over alle rechtstreeks bij het te
                    nemen besluit betrokken belangen (artikel 3:4 van de Awb). Indiening en in
                    ontvangstname van een aanvraag staan dus nadrukkelijk in het teken van het
                    vergaren van alle kennis over relevante feiten en betrokken belangen, die nodig
                    is om tot een zorgvuldige afweging te kunnen komen.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat in de aanvraag tenminste moet zijn vermeld wat
                    de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf is en wie de exploitant en de
                    beheerder zijn. Voor de beoordeling van de vergunningaanvraag en voor de
                    ingevolge artikel 1.4 op te leggen vergunningsvoorschriften of beperkingen is de
                    aard van de seksinrichting relevant. Het is van belang te weten of het om
                    bijvoorbeeld een prostitutiebedrijf of een sekstheater gaat, of een combinatie.
                    Door wie de inrichting zal worden geëxploiteerd en beheerd is relevant, omdat
                    deze personen niet van slecht levensgedrag mogen zijn en dienen te voldoen aan
                    de eisen van zedelijk gedrag, zoals gesteld in artikel 3.5. De
                    vergunningverlening is dan ook persoonsgebonden en niet overdraagbaar. Dit
                    blijkt uit artikel 1.5.</al><al/><al><vet>Artikel 3.5 Gedragseisen exploitant en beheerder</vet></al><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                    'decriminaliseren' van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de
                    besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                    seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij
                    betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s).</al><al>Daartoe is op 9 augustus 1999 het Besluit inlichtingen justitiële documentatie
                    (Stb. 1999, 353) gewijzigd. Het onderdeel van het gewijzigde besluit dat
                    samenhangt met de opheffing van het algemeen bordeelverbod, treedt op een bij
                    koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking. Als gevolg van deze wijziging
                    kunnen aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als
                    bedoeld in dit hoofdstuk af te geven, gegevens uit de justitiële
                    documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of
                    beheerder zijn vermeld in een aanvraag.</al><al>In artikel 3.5 wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden
                    nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en Horecawet en
                    het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. Dit
                    heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens een vergunning
                    krachtens de Drank- en Horecawet is vereist een antecedentenonderzoek kan worden
                    verricht. Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit dat
                    inhoudelijk min of meer dezelfde belangen wegen bij de antecedentenbeoordeling.
                    In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horeca zijn in deze
                    bepaling zedendelicten en mishandeling uit het Wetboek van Strafrecht en
                    overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wav opgenomen. De toevoeging van
                    bepalingen over misdrijven tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming
                    van de prostituees. De relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet en de
                    Wav is gelegen in de bestrijding van de mensenhandel.</al><al>Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding 'in enig opzicht slecht
                    levensgedrag' in het eerste lid onder b. méér omvatten dan wat gesteld is in de
                    navolgende leden. Anders gezegd: lid 2 tot en met 5 geven aan wanneer in elk
                    geval sprake is van 'in enig opzicht slecht levensgedrag'. Dat het niet als een
                    limitatieve opsomming dient te worden opgevat blijkt uit het gebruik van het
                    woord 'naast' aan het begin van het tweede lid.</al><al>Bij de beoordeling van deze zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit de
                    justitiële documentatie en de toetsing ervan aan het besluit, kan worden
                    aangesloten bij de daarover reeds bestaande jurisprudentie.</al><al/><al><vet>Artikel 3.6 Sluitingstijden</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel 149 van
                    de Gemeentewet. De raad kan verplichte sluitingstijden voor openbare (waaronder
                    seks)inrichtingen vaststellen ter bescherming van de openbare orde of de woon-
                    en leefomgeving, ter voorkoming of beperking van overlast en dergelijke. </al><al>De hier opgenomen sluitingsurenregeling (want van toepassing op het begrip
                    'seksinrichting') heeft geen betrekking op sekswinkels. Zoals vermeld in de
                    toelichting bij artikel 3.1, onder e, is op sekswinkels het regime van de
                    Winkeltijdenwet van toepassing.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het bevoegde orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel
                    1.4 voor een of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere sluitingstijden
                    vaststellen. Volgens het tweede lid kan daartoe een voorschrift worden verbonden
                    aan de vergunning die aan de exploitant van de betrokken inrichting(en) zal
                    worden verleend. Zo'n vergunningvoorschrift is er een als bedoeld in artikel 1.4
                    en moet mitsdien strekken ter bescherming van het belang of de belangen in
                    verband waarmee de vergunning vereist is.</al><al>Over de uitoefening van deze bevoegdheid kan het bevoegd bestuursorgaan
                    desgewenst beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid,
                    van de Awb. Daarin kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat, bij het beantwoorden
                    van de vraag of voor een afzonderlijke inrichting bij vergunningvoorschrift
                    afwijkende sluitingstijden zullen worden vastgesteld, per categorie
                    seksinrichting als regel een bepaald beleid wordt gehanteerd. Van het voor die
                    categorie geldende beleid kan het bevoegd bestuursorgaan in een concreet geval
                    (gemotiveerd) afwijken, indien het dat noodzakelijk acht in het belang van
                    bijvoorbeeld de openbare orde, de woon- en leefomgeving en dergelijke.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde
                    lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met
                    toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is
                    gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het
                    derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant of
                    beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering
                    verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk). Laatstgenoemde bepaling staat aan het opnemen van het derde
                    lid niet in de weg: artikel 138 ziet toe op de bescherming van de aan de
                    eigendom verbonden rechten; het derde lid van artikel 3.6 strekt tot handhaving
                    van een publiekrechtelijke regeling.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Een seksinrichting als bedoeld in artikel 3.1.1 kan vergunningplichtig zijn op
                    grond van de Wet milieubeheer of vallen onder het Activiteitenbesluit (Stb.
                    1998, 322).</al><al>Aan een krachtens de Wet milieubeheer te verlenen vergunning kunnen eveneens
                    voorschriften worden verbonden ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de
                    inrichting. De sluitingsbepalingen van de APV gelden daarom niet voorzover de op
                    de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. De Wet
                    milieubeheer beoogt een uitputtende regeling te geven ter voorkoming of
                    beperking van gevaar, schade of hinder die voortvloeit uit het in werking zijn
                    van krachtens de Wet milieubeheer aangewezen inrichtingen. De raad is niet
                    bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen indien daarmee wordt beoogd
                    dezelfde belangen te beschermen, en kan dus niet via de APV - aanvullend -
                    gevaar, schade of hinder tegengaan die wordt veroorzaakt door een krachtens de
                    Wet milieubeheer vergunningplichtige inrichting.</al><al/><al><vet>Artikel 3.7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                        sluiting</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Ten opzichte van artikel 3.6 (bij of krachtens welke bepaling kan worden
                    voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het 'reguliere' sluitingstijdenregime
                    is) biedt artikel 3.7 de mogelijkheid om daarvan al dan niet tijdelijk af te
                    wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking inhouden dat:</al><lijst><li nr="-"><al>voor (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk andere
                            sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3.6
                            gestelde, of </al></li><li nr="-"><al>van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of
                            gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen.</al></li></lijst><al>Aan zo'n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3.12, tweede
                    lid, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn van
                    strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk. Het bevoegd bestuursorgaan kan
                    daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in het belang van de openbare
                    orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of beperking van overlast en
                    dergelijke.</al><al>Indien nodig kan de naleving van een krachtens het eerste lid, onder b, gegeven
                    sluitingsbevel worden afgedwongen door toepassing van bestuursdwang. Om een
                    opeenstapeling van bestuursrechtelijke procedures te voorkomen, verdient het
                    aanbeveling te bezien of met het sluitingsbevel tevens (preventief)
                    bestuursdwang kan worden aangezegd. Daarvoor is wel vereist dat er een
                    klaarblijkelijke dreiging bestaat dat de desbetreffende overtreding
                    daadwerkelijk zal plaatsvinden en dat er schade dreigt.</al><al>De sluitingsbevoegdheid is in de praktijk meermalen toegepast in gevallen waarin
                    openbare inrichtingen het decor vormden voor allerlei vormen van criminaliteit.
                    Ook prostitutiebedrijven zijn daarvoor in het verleden een aantrekkelijke plaats
                    gebleken. Het betrof daarbij doorgaans delicten als het bezitten of verhandelen
                    van verdovende middelen of vuurwapens, het tewerkstellen van jongeren of van
                    illegalen, heling en dergelijke. Feiten als deze zijn strafbaar gesteld in het
                    Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Het naar
                    aanleiding daarvan toepassen van de sluitingsbevoegdheid als hier bedoeld, is
                    niet in strijd met deze formeel-wettelijke regelingen omdat daaraan een
                    afwijkend oogmerk ten grondslag ligt. Veel van de gedragingen als hier bedoeld
                    spelen </al><al>zich weliswaar af in de inrichting, maar hebben tevens een uitstraling op de
                    openbare orde en de woon- en leefomgeving buiten de inrichting. Voor toepassing
                    van de sluitingsbevoegdheid is wel vereist, dat de hier bedoelde overtredingen
                    een meer dan incidenteel karakter hebben.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Een besluit op grond van het eerste lid (zowel onder a als b), richt zich
                    doorgaans tot een of meer belanghebbenden - de betrokken exploitant(en) - en
                    moet aan hen worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb.</al><al>Nu het bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende de
                    tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 3.6, derde lid), is in het tweede
                    lid bepaald dat een krachtens het eerste lid genomen besluit, behalve aan de
                    betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt. Dat kan op de door
                    3:42 Awb voorgeschreven wijze geschieden. Het zichtbaar aanplakken van de
                    geslotenverklaring op de inrichting zelf verdient aanbeveling.</al><al/><al><vet>Artikel 3.8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                    beheerder</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid niet
                    slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod
                    opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in
                    verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede
                    lid.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene
                    verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de
                    inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet uitsluitend,
                    moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie,
                    prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling,
                    geweldsdelicten en dergelijke.</al><al>In de jurisprudentie is al eerder uitgemaakt dat de exploitant - uiteraard
                    binnen redelijke grenzen - verantwoordelijk is voor de gang van zaken in de
                    inrichting. Dat wordt door deze toezichtverplichting, die ook geldt voor de
                    beheerder(s), nog eens onderstreept.</al><al>Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, biedt dit artikel
                    aanknopingspunten om daar in bestuursrechtelijke zin tegen op te treden.
                    Afhankelijk van de omstandigheden en het gestelde in het handhavingsbeleid kan
                    tot een tijdelijke beperking van de openingstijden, een tijdelijke sluiting of
                    een (tijdelijke) intrekking van de vergunning worden besloten. Om in deze zin
                    bestuursrechtelijk te kunnen optreden is niet vereist dat daaraan
                    strafrechtelijke vervolging of veroordeling is voorafgegaan: vaststaan moet
                    slechts dat geen of onvoldoende toezicht is uitgeoefend.</al><al/><al><vet>Artikel 3.9 Raam- en straatprostitutie</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De wetswijziging tot opheffing van het bordeelverbod heeft geen gevolgen voor de
                    straatprostitutie. Het is echter bij uitstek een vorm van prostitutie die nadere
                    regulering behoeft.</al><al>Over de vraag of deze afweging er ook op neer kan komen dat er in het geheel
                    geen tippellocatie wordt aangewezen verschillen de meningen. De Rechtbank
                    Maastricht oordeelde een dergelijk algeheel verbod in strijd met de vrijheid van
                    arbeidskeuze (zie hierna onder jurisprudentie). Vooralsnog dient te worden
                    aangenomen dat gemeenten waar tot op heden in het geheel niet wordt getippeld,
                    dit in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat ook moeten
                    kunnen voorkomen. In artikel 3.9 is een algeheel verbod op raam- en
                    straatprostitutie opgenomen vanwege het open en direct confronterende karakter
                    van deze vormen van prostitutie die door veel burgers als aanstootgevend worden
                    ervaren. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid heeft betrekking op straatprostitutie en geeft - ter handhaving
                    van het verbod daarop - politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot
                    onmiddellijke verwijdering te geven. De plicht om aan zo'n bevel onmiddellijk
                    gevolg te geven vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht,
                    evenals de sanctie op niet-naleving.</al><al/><al><vet>Artikel 3.10 Sekswinkels</vet></al><al>Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3.1, onder e, is ervoor gekozen
                    sekswinkels niet onder het 'seksinrichting'-begrip (en daarmee de
                    vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de
                    vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd </al><al>langs de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de
                    openbare orde of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven als
                    regel aan voorafgaand toezicht te onderwerpen.</al><al>Afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden kan het (vanuit deze motieven)
                    echter gewenst zijn wel in zekere mate te kunnen reguleren. Daarom is artikel
                    3.10 opgenomen op grond waarvan gebieden of delen van de gemeente kunnen worden
                    aangewezen waarin het in het belang van de openbare orde of de woon- en
                    leefomgeving niet is toegestaan een sekswinkel te (doen) exploiteren</al><al/><al><vet>Artikel 3.11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                        erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</vet></al><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voorzover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader
                    heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal
                    worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het
                    tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook
                    betrekking hebben op erotisch-pornografische foto's of afbeeldingen aangebracht
                    aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de
                    daarin plaatsvindende voorstellingen.</al><al>Zoals in het eerste lid is aangegeven, kan het bevoegd bestuursorgaan de
                    regulering terzake gestalte geven door:</al><lijst><li nr="-"><al>aan de betrokken rechthebbende bekend te maken dat, door de wijze van
                            tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen, de openbare orde of de woon- en
                            leefomgeving in gevaar wordt gebracht;</al></li><li nr="-"><al>(algemene) regels vast te stellen die in acht moeten worden genomen bij
                            het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften en
                            dergelijke als hier bedoeld.</al></li></lijst><al>Zowel 'bekendmaking' als bedoeld onder a, als de vaststelling van 'regels' als
                    bedoeld onder b, vormt een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de
                    Awb: in beide gevallen is er sprake van een besluit - dat zich richt tot een
                    betrokken rechthebbende respectievelijk van algemene strekking is - met het
                    (rechts)gevolg dat een verbod als genoemd in eerste lid, aanhef, van kracht
                    wordt. Tegen zo'n besluit kan dan ook door belanghebbenden bezwaar worden
                    aangetekend.</al><al/><al><vet>Afdeling 3: WEIGERINGSGRONDEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3.12 Weigeringsgronden</vet></al><al>De hier genoemde belangen vormen tezamen de “huishouding”, tot het regelen en
                    besturen waarvan gemeenten bevoegd zijn en moeten dus enerzijds worden beschouwd
                    als de grondslag voor (en begrenzing van) het gemeentelijk beleid en anderzijds
                    als handvatten om de (exploitatie van) prostitutie te reguleren, maximeren en
                    beheersen.</al><al/><al><cursief>Europese Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op sexinrichtingen. Het drijven
                    van een dergelijke onderneming is immers het verrichten van een dienst aan de
                    klant. De Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel a. niet
                    discriminatoir, b. noodzakelijk en c. proportioneel is. In bijna alle gevallen
                    gaat het om vestiging van een sexinrichting waarvoor artikel 9 van de richtlijn
                    de bovengenoemde criteria geeft. </al><al>Onder noodzakelijkheid wordt in artikel 9 verstaan een dwingende reden van
                    algemeen belang. Dit begrip omvat onder andere de volgende gronden: openbare
                    orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en
                    55 van het Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde; doelstellingen van
                    het sociaal beleid; bescherming van afnemers van diensten; bescherming van
                    werknemers; voorkoming van fraude; bescherming van het milieu en het stedelijk
                    milieu, verkeersveiligheid. Zie verder overweging 40 van de richtlijn. Het gaat
                    hier om de zogenaamde ‘rule of reason’.</al><al>Mocht het in een enkel geval niet gaan om een vestiging, maar om een ondernemer
                    die de grens overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan is niet artikel 9,
                    maar artikel 16 van toepassing dat uitsluitend de criteria openbare orde,
                    openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor een
                    vergunningstelsel kent. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8.</al><al>Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel niet
                    volstaat voor de regeling van de horeca zijn wij van mening dat een algemene
                    regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect van de
                    vergunning. Alleen door middel van vergunningvoorwaarden te stellen aan de
                    ondernemer kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de Bibob-toets. Het
                    confectiepak voldoet hier niet.</al><al><cursief>Eerste lid, onder a: levensgedrag</cursief></al><al>Zie voor toelichting hierop de toelichting onder artikel 3.5. </al><al><cursief>Eerste lid, onder b: bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                        leefmilieuverordening </cursief></al><al>Net zoals in de praktijk van de vergunningverlening op basis van afdeling 2.3
                    zal ook hier regelmatig voor kunnen komen dat er geen sprake is van een
                    weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende
                    bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse
                    niet toelaat. Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt
                    verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van
                    kan worden gemaakt.</al><al>Bij wijze van coördinatie is daarom strijdigheid met het bestemmingsplan,
                    alsmede met een eventueel stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening als
                    weigeringsgrond opgenomen. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wet op de
                    Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</al><al>Het lokale prostitutiebeleid zal behalve op basis van dit APV-hoofdstuk mede in
                    belangrijke mate worden vormgegeven door gebruikmaking van de instrumenten van
                    de Woningwet en de Wet op de ruimtelijke ordening. </al><al><cursief>Eerste lid, onder c: strijd met Wetboek van Strafrecht, Wer arbied
                        vreemdelingen of Vreemdelingenwetl</cursief></al><al>Deze weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere invulling van de
                    weigeringsgrond (vrees voor) ernstige verstoring van de openbare orde. Als er
                    aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld op basis van politierapportages, dat de
                    voorgenomen exploitatie in strijd is met artikel 273f van het Wetboek van
                    Strafrecht is vergunningverlening uitgesloten. Voorkomen moet worden dat de
                    exploitant prostituees onder dwang arbeid laat verrichten, of minderjarigen laat
                    werken. Zo dient ter bescherming van de openbare orde ook te worden voorkomen
                    dat de exploitant prostituees zonder een voor het verrichten van arbeid geldige
                    verblijfstitel inzet. </al><al><cursief>Tweede lid, onder a: openbare orde</cursief></al><al>De bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving kan onder meer
                    aanleiding zijn om het aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden
                    verleend aan een maximum te binden. Indien het maximumaantal vergunningen is
                    verleend, kan vergunning voor een nieuwe seksinrichting worden geweigerd om te
                    voorkomen dat de woon- en leefomgeving ter plaatse door de vestiging van een
                    nieuw bedrijf zou worden aangetast.</al><al><cursief>Tweede lid, onder c: woon- en leefomgeving</cursief></al><al>Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw
                    met elkaar verweven. </al><al>De exploitatie van seksinrichtingen kan worden tegengegaan op plaatsen waar de
                    woon- en leefomgeving daardoor op ontoelaatbare wijze nadelig zou worden
                    beïnvloed. Daarvoor zou bijvoorbeeld specifiek reden kunnen zijn in woonbuurten
                    of in de nabije omgeving van 'gevoelige' gebouwen (scholen, kerkgebouwen en
                    dergelijke). Indien aldus gebiedsaanwijzing heeft plaatsgehad, kan op een
                    aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting in een
                    aangewezen gebied afwijzend worden beslist in het belang van de woon- en
                    leefomgeving ter plaatse.</al><al>Ook een aspect van bescherming van de woon- en leefomgeving is uiteraard de
                    omvang van de inrichting. In een vergunningvoorschrift, dat overigens tevens
                    betrekking heeft op de hierna te noemen grond veiligheid van personen, kan het
                    maximale aantal werkzame prostituees worden vastgesteld.</al><al><cursief>Tweede lid, onder d: veiligheid personen of goederen</cursief></al><al>Bij de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot
                    belang de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen
                    die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet is het
                    Bouwbesluit van toepassing met het oog op de brandveiligheid van de inrichting
                    zelf, en biedt de gemeentelijke bouwverordening de grondslag voorzover het gaat
                    om het gebruik van de inrichting.</al><al>Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van
                    de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting
                    bestreken door de brandbeveiligingsverordening.</al><al><cursief>Tweede lid, onder e: verkeersvrijheid of -veiligheid</cursief></al><al>Het belang van de verkeersveiligheid zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij
                    straat- en raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats
                    op of aan de openbare weg. Aanwijzing van een tippelzone of vestiging van
                    raamprostitutiebedrijven kan dan bezwaarlijk zijn, indien daardoor bijvoorbeeld
                    de normale bereikbaarheid van het desbetreffende gebied wordt geschaad of
                    bewoners ter plaatse niet of nauwelijks meer kunnen parkeren. Situaties als deze
                    kunnen zich evenwel ook voordoen bij vestiging van een (te) groot aantal
                    bordelen in een bepaald gebied, zodat ook bij andere vormen van prostitutie de
                    verkeersveiligheid of -vrijheid aanleiding kan vormen tot regulering (in de vorm
                    van een maximum- of concentratiebeleid).</al><al><cursief>Tweede lid, onder f: gezondheid of zedelijkheid </cursief>Tot de
                    belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook dat van
                    de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als uitvoerende
                    instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking tot de
                    ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidbeleid. In dit verband wordt
                    gewezen op de Wet collectieve preventie volksgezondheid en meer in het bijzonder
                    op het Besluit collectieve preventie volksgezondheid. Dit Besluit verplicht
                    gemeenten namelijk zorg te dragen op voor de uitvoering van collectieve
                    preventie van onder meer seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) en aids.
                    Bovendien heeft de wetgever bij de opheffing van het bordeelverbod het
                    verbeteren van de positie van de prostituee, waaronder tevens begrepen de
                    gezondheidssituatie, als een van de hoofddoelstellingen bestempeld. </al><al>Voor wat betreft de bescherming van de zedelijkheid wordt wel eens gesteld dat
                    gemeenten hierbij geen verordenende bevoegdheid zou toekomen nu daarover door de
                    formele wetgever strafbepalingen zijn vastgesteld, te weten de artikelen 239,
                    240, 240a en 240b van het Wetboek van Strafrecht. De (aanvullende) regelgevende
                    bevoegdheid die gemeenten op dit punt reeds toekwam wordt door deze bepalingen
                    echter ongemoeid gelaten. De daarover bestaande jurisprudentie blijft derhalve
                    actueel.</al><al/><al><vet>Afdeling 4: BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3.13 Beëindiging exploitatie </vet></al><al/><al><cursief>Eerste en tweede lid</cursief></al><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt
                    tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere
                    namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In
                    het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de
                    exploitatie van rechtswege komt te vervallen. Het bevoegd bestuursorgaan heeft
                    er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente
                    actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat
                    binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet
                    worden kennisgegeven.</al><al/><al><vet>Artikel 3.14 Wijziging beheer</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het bevoegde bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht
                    te kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is
                    in het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting
                    hun werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een
                    week na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging
                    van de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van
                    rechtswege vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de
                    inrichting in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van
                    de exploitant zelf.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s) wenst
                    te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in
                    dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is
                    voorgeschreven in artikel 3.2.1, tweede lid, onder b, de nieuwe beheerder(s) te
                    vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de
                    nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het
                    moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is enerzijds gewaarborgd dat er
                    voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam kunnen zijn. Dit zou immers het
                    aantonen van schijnbeheer aanzienlijk bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee
                    tegemoet gekomen aan in de praktijk noodzakelijke flexibiliteit. Wijziging van
                    beheer zal immers vaker aan de orde zijn dan de wijziging van de
                    exploitatie.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4: BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN DE ZORG VOOR
                        HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Zoals in de algemene toelichting op deze APV reeds is opgemerkt, zijn niet alle
                    hoofdstukken uit de model-APV van de VNG overgenomen. Niet opgenomen zijn die
                    hoofdstukken die betrekking hebben op specifieke onderwerpen die hun basis niet
                    vinden in de Gemeentewet maar gebaseerd zijn op medebewind. Deze onderwerpen
                    worden geregeld in aparte verordeningen. Dit geldt ook voor de regelgeving met
                    betrekking tot het kappen van bomen; deze regelgeving is weliswaar niet
                    gebaseerd op medebewind maar wel zodanig specifiek dat deze regelgeving is
                    opgenomen in een aparte verordening (Bomenverordening). </al><al>Omgekeerd zijn in de APV wel enkele bepalingen op grond van het Besluit algemene
                    regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) met betrekking tot
                    geluidhinder van horeca-inrichtingen opgenomen. De reden hiervan is gelegen in
                    het feit dat het hier slechts om enkele bepalingen gaat en de overige bepalingen
                    betreffende geluidhinder wel op de Gemeentewet zijn gebaseerd.</al><al/><al><vet>Afdeling 1; Geluidhinder</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Op grond van de Wet milieubeheer zijn alleen de grote categorieën
                    horeca-inrichtingen met een complex karakter of een verhoogd milieurisico zijn
                    nog vergunningplichtig. De vergunningplicht geldt niet voor inrichtingen die
                    vallen onder het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
                    (Activiteitenbesluit) </al><al>Deze inrichtingen moeten voldoen aan de bij het besluit gestelde voorschriften.
                    De voorschriften met betrekking tot geluid- en trillinghinder uit de bijlage B
                    van het besluit zijn zo stringent, dat deze zeker overtreden zullen worden
                    wanneer in een inrichting incidenteel een feest wordt gehouden met bijvoorbeeld
                    levende muziek. Gezien de maatschappelijke functie die onder het besluit
                    vallende inrichtingen vervullen, biedt het besluit de mogelijkheid vrijstelling
                    te verlenen van de voorschriften die zien op de geluidhinder. Op grond van
                    voorschrift 2.21 van het Besluit kan de gemeenteraad in een verordening
                    vaststellen dat gedurende een bepaalde periode de geluidsvoorschriften van het
                    besluit niet gelden. Het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen mag niet meer
                    bedragen dan twaalf. Een dagdeel wordt daarbij gelijkgesteld aan een dag.</al><al>Bij de aanwijzing van deze twaalf dagen kan een onderscheid worden gemaakt
                    tussen een aantal dagen voor collectieve festiviteiten (festiviteiten die een
                    algemeen karakter hebben omdat deze door een groot deel van de bevolking worden
                    gevierd) en een aantal dagen voor incidentele festiviteiten (een festiviteit die
                    slechts in één of enkele horeca-inrichtingen plaatsvindt bijv. een familiefeest
                    of een door de horeca-ondernemer zelf georganiseerde festiviteit). </al><al>Collectieve festiviteiten als bedoeld in artikel 4.2 worden door het college al
                    dan niet op verzoek aangewezen. Voor incidentele festiviteiten geldt dat de
                    houder van een horeca-inrichting ternminste 3 weken vantevoren een kennisgeving
                    moet doen. </al><al/><al><vet>Artikel 4.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Bij de begripsomschrijvingen zijn de omschrijvingen uit het Besluit algemene
                    regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) overgenomen.
                    Kortheidshalve wordt dan ook verwezen naar het besluit. </al><al/><al><vet>Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde voorschriften niet
                    gelden vloeit voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Besluit. Dit
                    artikel voorziet erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk
                    moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van
                    deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. </al><al>Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn volksfeesten, kermissen en
                    bijzondere feestdagen. In dit artikel is de uitvoering van de regeling
                    neergelegd bij het college. Er hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te
                    worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden
                    aangewezen. </al><al>In het besluit is geen maximum gesteld voor het aantal aan te wijzen collectieve
                    festiviteiten. Gemeenten zijn derhalve vrij om het maximum aantal dagen te
                    bepalen waarvoor de voorschriften niet gelden. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de
                    verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De vaststelling van deze
                    gebieden dient plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en beroep
                    volgens de Awb mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik
                    worden gemaakt tijdens carnaval, kermissen of culturele-, sport- en recreatieve
                    manifestaties.</al><al>Bij de vaststelling van deze gebieden moet er wel rekening mee worden gehouden
                    dat deze de strekking van de regeling niet ondermijnt. Het onderscheid tussen
                    collectieve en incidentele festiviteiten moet duidelijk blijken.
                    Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen
                    per gebied kan verschillen. Artikelen 2.21 en 4.113 van het Besluit kennen
                    alleen gebiedsdifferentiatie voor collectieve festiviteiten.</al><al><cursief>Derde t/m zesde lid</cursief></al><al>Om overmatige geluidsoverlast te voorkomen zijn in het derde t/m zesde lid
                    beperkingen gesteld aan de geluidsniveau’s en de eindtijden van de aangewezen
                    collectieve festiviteit. Uitgangspunt is een eindtijd van 24 uur doch het
                    college kan besluiten hiervan af te wijken.</al><al/><al><vet>Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten
                    voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in artikel 2.21 van het
                    Activiteitenbesluit. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de
                    gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop
                    individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen
                    verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit
                    die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld
                    een optreden met live of discomuziek in een café, een buurthuis of sportcentrum. </al><al>In het Activiteitenbesluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de
                    geluidsnormen niet gelden 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. De regeling
                    geldt ook voor festiviteiten bij alle andere type A- en B-inrichtingen die onder
                    het Besluit vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren,
                    opslag- en transportbedrijven en metaalelektrobedrijven een beroep op deze
                    regeling kunnen doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt,
                    zijn de type C-inrichtingen (d.w.z. inrichtingen die vergunningplichtig blijven
                    of vallen onder Besluit landbouw of Besluit glastuinbouw).</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid is een aantal voorschriften opgenomen waaraan de houder van de
                    inrichting zich bij incidentele festiviteiten dient te houden teneinde
                    overmatige geluidhinder voor de omgeving te voorkomen.</al><al>Uitgangspunt is hier dat de muziekactiviteiten waarvoor de vrijstelling geldt op
                    vrijdag- en zaterdagavond om 01.00 en op andere dagen op 24.00 uur zijn
                    beeïndigd. Op grond van het vierde lid kan het college in bijzondere
                    omstandigheden toestaan dat hiervan afgeweken wordt.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Omdat het hier gaat om incidentele festiviteiten wordt bij de berekening c.q.
                    vaststelling van het zgn. langtijdgemiddelde beoordelinsgniveau geen
                    muziekcorrectie toegepast en wordt de bedrijfsduurcorrectie ook buiten
                    beschouwing gelaten.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Ingeval van bijzondere omstandigheden kan het college toestaan dat van de
                    algemene voorschriften in het tweede lid wordt afgeweken. Hierbij kan gedacht
                    worden aan een afwijkende eindtijd voor een festiviteit ter gelegenheid van een
                    speciaal jubileum of een bijzonder (goed) doel. Ook kan bij een bijzondere
                    gelegenheid worden toegestaan om in het buitengedeelte van de inrichting een
                    band te laten optreden.</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Indien de voorschriften in het tweede lid niet worden nageleefd, kan het college
                    op grond van artikel 125 bestuursdwang toepassen om naleving af te dwingen of op
                    grond van artikel 5.32 van de Algemene wet bestuursrecht een last onder dwangsom
                    opleggen. Het vijfde lid voegt hieraan toe dat het college ook een verbod voor
                    eventueel volgende festiviteiten kan opleggen. </al><al/><al><vet>Artikel 4.4 Overige vormen van geluidhinder</vet></al><al>Artikel 4.4 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere
                    regelingen niet voorzien. </al><al>Hierbij valt o.a. te denken aan: </al><lijst><li nr="-"><al>een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte (zoals een
                            kermis, een buurtfeest of een rally), </al></li><li nr="-"><al>het door middel van geluidswagens of anderszins reclame of muziek maken
                            of mededelingen doen; </al></li><li nr="-"><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het gebruik van machines, zoals compressors, cirkelzagen, boormachines,
                            etc.; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</al></li></lijst><al/><al>Voorts kunnen onder artikel 4.1.5 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt
                    door het beoefenen van 'lawaaiige' hobby's, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz.</al><al>Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria
                    of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is
                    niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke
                    gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in
                    welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke
                    maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een
                    zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden
                    aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met
                    voorschriften. </al><al/><al><vet>Afdeling 2: MAATREGELEN TEGEN VERONTREINIGING, STANKOVERLAST EN
                        ONTSIERING</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4.5 Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg</vet></al><al>Artikel 4.4.2 houdt een plicht tot reiniging van de weg in.</al><al>De opneming ervan heeft ook betekenis in verband met het op kosten van de
                    overtreder doen reinigen van de weg (bestuursdwang).</al><al/><al><vet>Artikel 4.6 Natuurlijke behoefte doen</vet></al><al>Deze bepaling staat al sinds jaar en dag in de APV. Vooral bij festiviteiten is
                    vaak sprake van het zgn. wildplassen in d eopnebare ruimte. Op grond van dit
                    artikel kan hiertegen opgetreden worden.</al><al/><al><vet>Artikel 4.7 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                        en putten buiten gebouwen</vet></al><al>Dit artikel betreft een samenvoeging van de in de Model-bouwverordening
                    geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet
                    direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de
                    APV besloten. </al><al/><al><vet>Afdeling 3: VOORWERPEN/STOFFEN OP OF AAN ONROERENDE ZAKEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4.8 Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen,
                        mest, ingekuilde landbouwproducten, enz.</vet></al><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten en afval. Het
                    college kan de eigenaar of zakelijk gerechtigde aanschrijven om dergelijke
                    goederen van zijn grond te verwijderen en/of een verbod opleggen om deze
                    goederen op zijn terrein op te slaan</al><al>Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de 'weg' in de zin
                    van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover
                    de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de 'weg' daartegen kan
                    worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen
                    voorschriften.</al><al>De in de afdeling 1 van hoofdstuk 5 ('Parkeerexcessen') opgenomen artikelen
                    bevatten onder meer bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg
                    van niet-rijklare voertuigen en voertuigwrakken, het gebruik van de weg als
                    stallingsruimte voor auto's door garagebedrijven e.d. en het parkeren van
                    caravans e.d.</al><al> Activiteiten waarvan op grond van de Wet milieubeheer (Wm) een vergunning
                    vereist is of een meldingsplicht, indien het een zogenaamde 8.40 AMvB betreft,
                    kunnen niet onder de bepaling van de APV worden gebracht. Aangezien het motief
                    gelijk is, namelijk het voorkomen van hinder, vervallen op dit punt de
                    gemeentelijke bepalingen.</al><al/><al><vet>Artikel 4.9 Handelsreclame</vet></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al>Deze bepaling is ingrijpend herzien naar aanleiding van jurisprudentie van de
                    Afdeling bestuursrechtspraak. Deze jurisprudentie draaide om de afbakening van
                    deze bepaling als vermeld in het vierde lid. Hierin is bepaald dat het in het
                    eerste lid gestelde verbod niet geldt voor zover de Woningwet, de Wet
                    milieubeheer of de Provinciale landschapsverordening hierin voorzien.</al><al>Bij uitspraken van 13 november en 4 december 2002, oordeelde de Afdeling dat
                    wanneer sprake is van bouwwerken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                    Woningwet, de Woningwet van toepassing is en mitsdien, gezien het toen (!)
                    bepaalde in artikel 4.7.2, derde lid, van de APV niet het in het eerste lid van
                    dit artikel gestelde verbod. Met andere woorden, handelsreclames die tevens
                    bouwwerken zijn, zijn niet onderworpen aan een reclamevergunning.</al><al><vet><cursief>Vergunningsplicht voor handelsreclame op of aan een onroerende
                            zaak (eerste lid)</cursief></vet></al><al>Het aanbrengen (maken) en hebben (voeren) van handelsreclame (commerciële
                    reclame) aan een onroerende zaak wordt in deze bepaling gebonden aan een
                    vergunning van het college. Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1.1,
                    aanhef en onder J, van de APV als: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. </al><al>In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in artikel 4.9 gaat om
                    niet-ideële reclame, waardoor geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard.
                    Volgens vaste jurisprudentie behoren reclame-uitingen in de commerciële sfeer
                    niet tot het eigenlijke gebied van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet.</al><al>Het in artikel 4.9 gecreëerde vergunningenstelsel is derhalve niet in strijd met
                    artikel 7 van de Grondwet. In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet wordt de
                    handelsreclame met zo veel woorden van de vrijheid van drukpers uitgezonderd. De
                    bedoeling hiervan is uitsluitend die reclame-uitingen buiten de grondwettelijke
                    bescherming over het openbaren van gedachten of gevoelens te houden, waaraan het
                    ideële, maatschappelijke of politieke aspect ontbreekt.</al><al><vet><cursief>Uitzonderingen op vergunningsplicht (tweede
                    lid)</cursief></vet></al><al>Door hantering van het begrip handelsreclame in het eerste lid is een duidelijke
                    afbakening gegeven ten opzichte van ideële reclame. Ideële reclame valt dus niet
                    onder de vergunningsplicht. </al><al>In het tweede lid is ook een aantal opschriften en aankondigingen die kunnen
                    dienen tot het maken van handelsreclame uitgezonderd van de vergunningsplicht.
                    Deze uitzonderingen gelden alleen voor onverlichte reclames. Lichtreclames zijn
                    dus altijd vergunningsplichtig, tenzij het bouwwerken zijn (zie vijfde lid). Dit
                    heeft uiteraard te maken met het feit dat lichtreclames snel hinderlijk kunnen
                    zijn. Het college kan hiervoor beleidsregels opstellen met criteria voor kleur,
                    intensiteit en tijdstippen van verlichting. Zo zijn in het vastgestelde
                    Beeldkwaliteitsplan gedetailleerde regels voor reclames in het centrumgebied
                    opgenomen.</al><al>Géén uitzondering is overigens opgenomen voor opschriften etc. die worden
                    aangebracht ter voldoening aan een wettelijke verplichting of krachtens een
                    wettelijke bevoegdheid. Dit is niet nodig omdat dergelijke opschriften geen
                    betrekking hebben op handelsreclame.</al><al><vet><cursief>Weigeringsgronden (derde lid)</cursief></vet></al><al>In het derde lid zijn als mogelijke weigeringsgronden voor een vergunning
                    opgenomen, kort samengevat: a. welstand; b. verkeersveiligheid en c. overlast.
                    Met deze weigeringsgronden zijn tevens de motieven voor de vergunningsplicht
                    gegeven volgens de systematiek van de APV. </al><al/><al><vet>Afdeling 3: KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</vet></al><al>Deze afdeling is aan de APV toegevoegd, omdat de Wet op de Openluchtrecreatie
                    (WOR) per 1 januari 2008 is vervallen. Door het vervallen van deze wet bestaan
                    er geen regels meer met betrekking tot kamperen buiten kampeerterreinen. Dit zou
                    betekenen dat er geen adequate regelgeving meer bestaat om kamperen buiten
                    kampeerterreinen tegen te gaan, maar ook geen regels die kortdurend kamperen
                    onder voorwaarden mogelijk maken.</al><al> Om het kortdurend kamperen mogelijk te blijven maken en daarbij een toetsende
                    en toezichthoudende rol te houden en het ongewenst kamperen buiten
                    kampeerterreinen effectief tegen te kunnen gaan en waar nodig handhavend op te
                    kunnen treden is deze nieuwe afdeling betreffende Kamperen buiten
                    kampeerterreinen in de APV opgenomen.</al><al/><al><vet>Afdeling 4: BESCHERMDE PLANTEN</vet></al><al/><al><vet>4.13 Beschermde planten</vet></al><al>In dit artikel wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven
                    plaatsen aan te wijzen waar het plukken en bij zich hebben van bepaalde planten
                    is verboden. Het verbod geldt slechts voor de door het college aangewezen
                    planten (in de door hen aangewezen gedeelten van de gemeente) aanvullend op de
                    bescherming die de Flora- en Faunawet biedt. </al><al>Bij de eerdere wijziging van de APV is deze bepaling geschrapt omdat deze in
                    strijd met de Flora- en Faunawet zou zijn. Naderhand is door de VNG desgevraagd
                    aangegeven dat gemeenten bevoegd zijn aanvullend op de Flora- en Faunawet regels
                    ter bescherming van dieren en planten te stellen voor zover in de Flora- en
                    Faunawet niets geregeld is. </al><al>Omdat er in deze gemeente behoefte is om bepaalde planten, met name
                    paddestoelen, tegen het plukgedrag van onze oosterburen te beschermen is het
                    eerder geschrapte artikel weer in de APV opgenomen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5: ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDINGVAN DE GEMEENTE
                    </vet></al><al/><al><vet>Afdeling 1: Parkeerexcessen</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al><vet><cursief>Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen </cursief></vet></al><al>Artikel 2a WVW 1994 geeft aan dat gemeenten bevoegd zijn om
                    parkeerexcessenbepalingen vast te stellen. De grondslag voor dergelijke
                    bepalingen is overigens artikel 149 Gemeentewet.Begrip 'parkeerexces' </al><al>In de wegenverkeerswetgeving wordt echter nergens aangegeven wat het begrip
                    'parkeerexces' precies inhoudt. Blijkens de jurisprudentie kan onder het begrip
                    'parkeerexces' ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen, dus:</al><lijst><li nr="a."><al>zowel wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de
                            verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers,
                            die gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien
                            hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke
                            aanvulling). In deze omschrijving ligt besloten, dat het gebruik van de
                            weg als parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar
                            wel dat de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of
                            het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte
                            opeist in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van
                            anderen;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>alsook wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om
                            andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde
                            of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                            gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast
                            (oneigenlijke aanvulling).</al></li></lijst><al>Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste plaats
                    van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg,
                    strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn - zo lijkt de zienswijze
                    van dit rechtscollege in het kort te kunnen worden weergegeven - in de eerste
                    plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een
                    voertuig te kunnen laten staan. Ten aanzien van bepaalde (categorieën van)
                    voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur
                    gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij
                    mag het niet te diep ingrijpen in het 'normale' verkeer, en dus ook niet in het
                    'normale' parkeren. In het 'normale' verkeer voorziet de geldende wettelijke
                    verkeersregeling exclusief, aldus de mening van de Hoge Raad.</al><al>Voorts is volgens de Hoge Raad sprake van een parkeerexces ingeval het parkeren
                    op de weg gepaard gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente,
                    beneming van uitzicht, stankoverlast of gevaar voor de veiligheid van personen.
                    Al deze vormen van excessief, hinderlijk en ontsierend gebruik van de weg kunnen
                    door de gemeentelijke wetgever aan regels worden gebonden. </al><al><vet>Vervangende parkeergelegenheid </vet></al><al>Complementair aan de vaststelling van parkeerexcesbepalingen zal voor bepaalde
                    categorieën voertuigen - in het bijzonder voor vrachtwagens - de aanwezigheid
                    van vervangende parkeergelegenheid moeten worden bezien.</al><al>Uitgangspunt dient te zijn dat de desbetreffende ondernemingen in principe zelf
                    hiervoor behoren te zorgen. De indruk bestaat, dat er (met name buiten de
                    werkuren) in diverse gevallen op de bedrijfsterreinen toch voldoende
                    parkeergelegenheid voor de eigen vrachtwagens is of kan worden gecreëerd. In
                    beginsel is het niet onredelijk te achten, dat de chauffeurs die op enige
                    afstand van hun bedrijven wonen, hun vrachtwagens 's avonds en in het weekeinde
                    niet meer voor de woning, maar bij voorbeeld op het eigen bedrijfsterrein
                    parkeren en dat zij zich, evenals andere forensen, met 'normale' vervoermiddelen
                    begeven van het bedrijf naar de woning en omgekeerd. Bij onderscheidene
                    bedrijven ontbreekt evenwel de hiervoor benodigde ruimte. Verder zijn de kosten,
                    verbonden aan het creëren van eigen parkeergelegenheid, dermate hoog, dat er de
                    voorkeur aan gegeven zal worden het parkeren van die vrachtwagens, waarvoor het
                    bestaande eigen terrein geen plaats biedt, te doen geschieden op openbare wegen
                    en terreinen. </al><al>Om aan de zich hier voordoende praktische bezwaren tegemoet te komen, is in het
                    kader van een ingesteld parkeerverbod voor grote voertuigen op grond van de
                    artikelen 5.8 en 5.9 dan ook bepaald dat het verbod niet geldt voor de wegen
                    behorende tot het industrieterrein. Deze wegen zijn in het algemeen voldoende
                    breed om vrachtwagens langs de weg te parkeren zonder dat hiervan hinder wordt
                    ondervonden. </al><al/><al><vet>Artikel 5.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al><vet>Wegen</vet></al><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder 'weg' verstaan hetgeen artikel
                    1, eerst lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) daaronder
                    verstaat. </al><al>Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden
                    met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen
                    behorende paden en bermen of zijkanten. De artikelen 5.2, 5.3, 5.4, 5.5, 5.6,
                    eerste lid, onder a, 5.7, 5.8, tweede lid, en 5.9 hebben derhalve slechts op
                    'echte' parkeerexcessen betrekking. De andere artikelen in deze afdeling
                    strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994.
                    De daar bedoelde plaatsen zijn doorgaans wél aan te merken als 'weg' in de zin
                    van deze APV. Ook voor het openbaar verkeer open- staande parkeerterreinen
                    kunnen onder de definitie van 'weg' in de zin van de WVW 1994 worden
                    gebracht.</al><al><vet>Voertuigen</vet></al><al>Opdat over de inhoud van het begrip 'voertuigen' geen onzekerheid zal bestaan,
                    is hier een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen de
                    definitie van 'voertuigen' die in artikel 1, onder al, van het RVV 1990 wordt
                    gegeven. Van dit begrip voertuigen is een aantal categorieën uitgezonderd, zoals
                    treinen en trams, tweewielige fietsen en bromfietsen, invalidenvoertuigen en
                    andere kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen e.d. Deze
                    uitzondering is gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking
                    zouden krijgen.</al><al><vet>Parkeren</vet></al><al>De omschrijving van het begrip 'parkeren' is weliswaar ontleend aan artikel 1,
                    onder ac, van het RVV 1990, maar er is een ruimere werking beoogd dan in het RVV
                    1990. De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten
                    staan van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de
                    voorgestelde verbodsbepalingen blijven. </al><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van deze afdeling in de APV zich
                    ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de
                    eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede 'het laten stilstaan'
                    een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk
                    is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving
                    van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><al/><al><vet>Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijven e.d.</vet></al><al><cursief>Eerste lid, onder a</cursief></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                    voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto's die hun toebehoren of zijn
                    toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van parkeerruimte op
                    buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden
                    geacht (verkeersmotief).</al><al>De woorden 'drie of meer voertuigen' zijn gekozen om de bewijslast niet
                    onevenredig zwaar te doen zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op
                    het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft
                    het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto('s) van de
                    exploitant en eventueel van zijn gezinsleden mogelijk (zie het derde lid, onder
                    b.)</al><al><cursief>Eerste lid, onder b</cursief></al><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het
                    kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven vaak klachten inzake
                    geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd
                    over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid. </al><al>Wel zij er hier op gewezen dat zowel het verontreinigen van de weg als het
                    veroorzaken van hinderlijk rumoer reeds is verboden bij artikel 4.5. Met het oog
                    op de mogelijke overlast van de hier bedoelde werkzaamheden op de weg is het
                    wenselijk om naast de genoemde verbodsbepalingen deze specifieke bepaling op te
                    nemen.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Regelmatig kwam de vraag naar voren of rijschoolhouders en taxibedrijven die in
                    de uitoefening van hun (neven)bedrijf drie of meer auto's op de weg parkeren ook
                    onder het verbod van het eerste lid van dit artikel vallen. De Afdeling
                    rechtspraak State heeft omtrent deze vraag beslist dat het bij elkaar parkeren
                    van drie of meer taxi's door een exploitant van een taxibedrijf niet valt onder
                    de werking van deze bepaling. De rijschoolhouder die een aantal voertuigen bij
                    elkaar parkeert, viel volgens deze uitspraak eveneens niet onder de werking van
                    dit artikel.</al><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers
                    excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald
                    dat onder 'verhuren', zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het
                    gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van
                    personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door
                    rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Onder a is het woord 'vergen' gebezigd in plaats van 'duren' teneinde twijfel
                    over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan
                    een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term
                    'vergen' beschikt men over een meer objectieve maatstaf.</al><al>De in het eerste lid gestelde verbodsbepaling geldt uiteraard niet voor het
                    normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto('s) van de
                    exploitant.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste
                    staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto's op de weg te parkeren. Te
                    denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand
                    bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de
                    nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere
                    wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard
                    voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd
                    gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg
                    mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter
                    plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd. In dit verband
                    mag worden gewezen op hetgeen in de algemene toelichting is gesteld over het
                    voorzien in vervangende parkeergelegenheid.</al><al/><al><vet>Artikel 5.3 Te koop aanbieden van voertuigen</vet></al><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft en sprake is van een
                    incidentele verkoop, is dit geen echt probleem. Van aantasting van het uiterlijk
                    aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks sprake, de overlast voor de
                    omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de beschikbare parkeerruimte kan
                    niet excessief genoemd worden.</al><al>Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden
                    worden of op eenzelfde plek regelmatig één of meer voertuigen te koop worden
                    aangeboden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, kan deze verkoop
                    voor de omwonenden aanzienlijke overlast met zich meebrengen. </al><al>Het verdient daarom geen aanbeveling een algemeen verbod in de APV op te nemen.
                    Gekozen is voor een constructie waarin het college de bevoegdheid heeft gebieden
                    aan te wijzen waar het verbod van kracht is. Wanneer er naar het oordeel van het
                    college sprake is van overlast kan het het verbod activeren.</al><al/><al><vet>Artikel 5.4 Defecte voertuigen</vet></al><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de
                    weg worden geplaatst bijv. met de bedoeling deze op te knappen. Deze bepaling
                    richt zich in het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve
                    is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte
                    niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan
                    het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot
                    die gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het
                    voertuig, moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime
                    strekking krijgen.</al><al/><al><vet>Artikel 5.5 Voertuigwrakken</vet></al><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak in de eerste plaats
                    aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt
                    een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het op
                    de weg plaatsen of </al><al>hebben van een wrak is dus primair om die reden excessief. Daarnaast kan echter
                    ook het zo juist genoemde verkeersmotief een rol spelen bij het uitvaardigen van
                    dit verbod.</al><al>Ofschoon een wrak vaak niet meer zal kunnen worden beschouwd als voertuig in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving, is de onderhavige bepaling gezien haar
                    strekking en het verband met de andere bepalingen wel als parkeerexcesbepaling
                    aan te merken. Voor een toelichting op het begrip autowrak wordt verwezen naar
                    de VNG-toelichting op artikel 4.8 van de model-APV. Kort samengevat is sprake
                    van een autowrak indien een voertuig niet meer op economisch rendabele wijze in
                    rijtechnisch voldoende staat is te brengen. </al><al>De onderhavige bepaling heeft betrekking op het plaatsen en hebben van wrakken
                    op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het elders in de openlucht opslaan van
                    wrakken vindt reeds regeling in artikel 4.8 en tevens in artikel 10.17 van de
                    Wet milieubeheer. De delictsomschrijving bevat derhalve niet tevens het
                    bestanddeel 'van de weg af zichtbaar'.</al><al>Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg
                    plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen
                    de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze
                    bepaling.</al><al/><al><vet>Artikel 5.6 Caravans e.d.</vet></al><al><cursief>Eerste lid, onder a</cursief></al><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                    caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens e.d. op de weg. In deze bepaling
                    zijn de woorden 'parkeren' gewijzigd in 'te plaatsen of te hebben' om de
                    handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter
                    verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt
                    overtreding van deze bepaling niet langer meer voorkomen. </al><al>Met de zinsnede 'of een ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel
                    anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt
                    gebezigd' is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen,
                    die niet 'dagelijks' worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling
                    kunnen vallen. Het excessieve van het hier bedoelde parkeren is in de eerste
                    plaats gelegen in het buitensporige gebruik van parkeerruimte dat daarmee
                    gepaard gaat. Daarnaast is dat het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente.</al><al>Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste drie (achtereenvolgende) dagen
                    wordt niet verboden, opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn
                    kampeerwagen, caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken,
                    respectievelijk na de reis op te ruimen.</al><al><cursief>Eerste lid, onder b</cursief></al><al>Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van
                    de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg
                    in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een
                    'eigenlijk' parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt
                    op een weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al/><al><vet>Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te
                    parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de
                    zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam
                    van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van
                    de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen
                    worden immers niet primair gebruikt 'met het kennelijke doel om daarmee
                    handelsreclame te maken', maar vooral als vervoersmiddel.</al><al>Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de
                    weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats
                    kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering
                    van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al>In deze bepaling gaat het om een 'eigenlijk' parkeerexces, hetwelk veronderstelt
                    dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben
                    van handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats
                    is geregeld in artikel 4.9 van deze APV.</al><al/><al><vet> Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het
                    parkeren van grote voertuigen - in het bijzonder vrachtwagens - op wegen in de
                    stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk moet worden tegengegaan.
                    Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt
                    ondervonden als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze
                    parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij
                    schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid
                    van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige
                    inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht
                    vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enz.</al><al>Uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het
                    parkeren van vrachtwagens in woonwijken enz., bezien tegen de achtergrond van de
                    recente verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer)
                    redelijkerwijze als 'normaal' verkeer kan worden beschouwd. </al><al>De artikelen 5.8 en 5.9 bevatten regels waarmee het parkeren van grote
                    voertuigen, voor zover dit excessief is, kan worden tegengegaan. Zie voorts ook
                    de algemene toelichting onder punt 5 Vervangende parkeergelegenheid.</al><al>Gelet op de bovengenoemde motieven hebben burgemeester en wethouders ook
                    besloten om op grond van artikel 5.8, eerste en tweede lid een parkeerverbod
                    voor grote voertuigen in te stellen geldend op werkdagen, van 18.00 tot 8.00
                    uur, en op zaterdag en zondag.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Deze bepaling beoogt mogelijkheden te verschaffen om aantasting van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van bepaalde
                    voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote voertuigen kan
                    immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor monumenten en
                    historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open landschappen een
                    ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon betekenen. </al><al>Aangezien over de vraag of er van aantasting van de schoonheid van stad, dorp of
                    landschap sprake is, verschillend kan worden geoordeeld, is er de voorkeur aan
                    gegeven het verbod niet zonder meer te doen werken, doch een nader oordeel van
                    het gemeentebestuur in dezen maatgevend te doen zijn. Aangezien de plaatsen waar
                    ontsiering van de hiervoor vermelde objecten zich kan voordoen, vrijwel steeds
                    aan te geven zullen zijn, is de bepaling aldus geredigeerd dat het verbod
                    slechts geldt ten aanzien van die plaatsen die het college heeft
                    aangewezen.</al><al>Dit aanwijzen zal in de praktijk eenvoudig kunnen geschieden doordat het college
                    in zijn besluit verwijst naar een plattegrond van de gemeenten waarop de
                    plaatsen waar niet mag worden geparkeerd worden gearceerd.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een
                    excessief gebruik van de weg.</al><al>Met betrekking tot dit motief: buitensporig gebruik van de weg, wordt opgemerkt,
                    dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér
                    voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een
                    parkeerexces in deze zin opleveren.</al><al>In het licht van het motief van deze bepaling is het stellen van een hoogtegrens
                    minder opportuun.</al><al>Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote voertuigen niet
                    toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing is gebaseerd op
                    de bepaling van het eerste lid of die van het tweede lid, zulks mede in verband
                    met het bepaalde in het derde lid. </al><al>Aan een aanwijzing kunnen ook beide motieven ten grondslag kunnen liggen zoals
                    dit ook voor het al eerder aangehaalde collegebesluit tot het instellen van een
                    parkeerverbod voor grote voertuigen het geval is. </al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote voertuigen op
                    de weg ook gedurende de werkdag d.w.z. tussen 8.00 en 18.00 uur te verbieden.
                    Dit zou de belangen van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt
                    echter anders wanneer de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    in het geding is, hoewel ook hier dringende redenen aanwezig kunnen zijn om het
                    parkeren op bepaalde tijden toe te staan. Daarom is in het derde lid bepaald dat
                    burgemeester en wethouders de verboden in het eerste en (vooral) het tweede lid
                    naar tijd kunnen beperken.</al><al>Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin het verbod bedoeld in het tweede
                    lid niet van toepassing is, het zodanig parkeren van vrachtwagens dat aan
                    bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of overlast wordt aangedaan, verboden
                    krachtens het hierop volgende artikel 5.9.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het
                    college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven
                    verboden een ontheffing te verlenen.</al><al>Aldus kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een
                    onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.</al><al/><al><vet>Artikel 5.9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van
                    vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het
                    gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast
                    wordt aangedaan. Zie voorts ook de toelichting bij artikel 5.8.</al><al>Door opneming van de bestanddelen 'of hun anderszins hinder of overlast wordt
                    aangedaan' zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan
                    uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of
                    gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan
                    belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bij voorbeeld ten
                    gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5.1, onderdeel c, wordt het begrip
                    'parkeren' zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren van)
                    hoogwerkers, meetwagens e.d.</al><al>Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze
                    mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde
                    parkeren.</al><al/><al><vet>Artikel 5.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van
                    voertuigen.</al><al>Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het
                    groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</al><al>Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een 'oneigenlijk'
                    parkeerexces - dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de 'weg' (in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de
                    bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Bij de onder a bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik
                    bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst.
                    Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.</al><al/><al><vet>Artikel 5.11 Overlast van fietsen en bromfietsen</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen
                    die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst.
                    Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van
                    gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra
                    en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden in de
                    omgeving aanwezig moeten zijn.</al><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen
                    aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De
                    belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of
                    opheffing van overlast of de voorkoming van </al><al>schade aan de openbare gezondheid. Bij het laatste motief kan worden gedacht aan
                    het voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die zich tussen een
                    woud van (brom)fietsen een weg moeten banen.</al><al>Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief
                    geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden
                    aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het
                    feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van
                    bestuursdwang.</al><al>Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het
                    publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de
                    plaatselijke krant of een huis-aan-huisblad, met affiches en dergelijke, dat
                    onjuist geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Tevens is het
                    raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen worden opgehaald
                    en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid van dit artikel geeft het college de bevoegdheid om tegen
                    langdurig (oneigenlijk) gebruik van stallingsruimte voor fietsen en/of
                    bromfietsen op te treden. Hierbij moet met name gedacht worden aan fietsen die
                    in fietsstallingen zijn achtergelaten en waarvan de eigenaar/bezitter meestal
                    niet achterhaald kan worden. Deze (brom-)fietsen leggen onnodig beslag op de
                    beschikbare stallingsruimte en zijn ook vaak ontsierend voor de omgeving. Dit
                    artikel maakt het mogelijk om met toepassing van bestuursdwang hiertegen op te
                    treden. Uiteraard zal de handhaver zich er wel eerst van moeten vergewissen of
                    de fiets al lange tijd ongebruikt in de stallingsruimte staat.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Op grond van het tweede lid is het verboden (brom-)fietswrakken op de weg te
                    laten staan. Zowel in de stallingsruimten voor (brom-)fietsen als overigens op
                    de weg kunnen deze (brom)fietswrakken veel overlast, ontsiering van de gemeente
                    of schade aan de openbare gezondheid veroorzaken.</al><al>Het gaat hierbij om (brom)fietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van
                    onderhoud en tevens in een verwaarloosde toestand verkeren. Deze wrakken die
                    doorgaans aan niemand meer toebehoren, kunnen op grond van het tweede lid van
                    dit artikel worden opgehaald en als grof vuil worden afgevoerd.</al><al/><al><vet>Afdeling 2: COLLECTEREN EN VERKOPEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.12 Inzameling van geld of goed</vet></al><al>Toezicht op inzamelingsacties door middel van een vergunningenstelsel wordt een
                    gemeentelijke taak geacht..</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Ingevolge artikel 5.12, eerste lid, is het houden van een openbare inzameling
                    gebonden aan een vergunning van het college.</al><al>Een inzameling wordt als openbaar aangemerkt als deze aan de openbare weg of van
                    daaraf zichtbaar dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plek
                    plaatsvindt. Ook indien een inzameling beperkt is tot de op intekenlijsten
                    voorkomende namen kan dus van een openbare inzameling sprake zijn.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 5.12 is met zoveel woorden aangegeven dat, indien
                    bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden, dit niet
                    meebrengt dat voor het houden van de inzameling geen vergunning vereist is. Het
                    komt veelvuldig voor, dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige
                    aanbieding van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier
                    e.d., waarbij dan een beroep wordt gedaan op de charitatieve bestemming van de
                    opbrengst daarvan.</al><al>De vraag rijst in welke gevallen deze wijze van collecteren valt onder de
                    bescherming van artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al>De scheiding tussen het inzamelen van geld en goederen en het verspreiden van
                    gedrukte stukken is geaccepteerd in de rechtspraak. Ook een beroep op artikel 10
                    van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                    fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 19 van het Internationaal Verdrag
                    inzake burgerrechten en politieke rechten, mocht de verbindendheid van een
                    dergelijke APV-bepaling niet aantasten. Blijkens de aangehaalde uitspraken is
                    ook de voorzitter van de Afdeling rechtspraak deze opvatting toegedaan, dat door
                    genoemde collectebepalingen wel - op geoorloofde wijze - het inzamelen van
                    gelden, doch niet het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken in
                    het algemeen verboden of van een vergunning afhankelijk gesteld wordt.</al><al>In het tweede lid van artikel 5.12 zijn de beide handelingen - het collecteren
                    en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken - bewust van elkaar
                    gescheiden. Volgens het tweede lid is uitsluitend het houden van openbare
                    inzamelingen van een vergunning afhankelijk, niet het daarbij aanbieden of
                    verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. Het eerste lid onderwerpt een
                    openbare inzameling van geld of goederen aan een vergunning. Volgens het tweede
                    lid wordt onder zodanige inzameling mede verstaan het bij het aanbieden van
                    geschreven of gedrukte stukken aanvaarden van geld of goederen.</al><al>Het aanbieden van geschreven of gedrukte stukken wordt door de bepaling absoluut
                    onverlet gelaten. Om concreet te worden: wordt een aanvraag om een
                    collectevergunning geweigerd en was de aanvrager voornemens om bij de
                    geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het recht om deze
                    stukken aan te bieden zonder meer bestaan.</al><al>Voorts maakt het bijzondere element '... indien daarbij te kennen wordt gegeven
                    of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig
                    of een ideëel doel is bestemd' nog eens duidelijk, dat het gaat om een regeling
                    van het collecteren en niet om een regeling van het venten of colporteren met
                    gedrukte stukken.</al><al>Venten of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7,
                    eerste lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren beoogt vooral het dekken
                    van de kosten van verspreiding (het drukken en redigeren daaronder begrepen) van
                    gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is dus duidelijk dienstbaar aan de
                    verspreiding. </al><al>Van venten of colporteren met gedrukte stukken is sprake, wanneer voor deze
                    stukken een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag zou worden
                    gevraagd. Omdat het aanbieden van gedrukte stukken en het ontvangen van een
                    geldelijke vergoeding zijn 'gekoppeld' en niet te scheiden, is artikel 5.13 (de
                    ventbepaling) dan ook met het oog op artikel 7, eerste lid, van de Grondwet met
                    zoveel woorden niet van toepassing verklaard op het te koop aanbieden, verkopen
                    en afleveren van gedrukte stukken waarin gedachten en gevoelens worden
                    geopenbaard. Bij het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte
                    stukken is deze koppeling niet aanwezig. Verkrijgt men een of ander drukwerk
                    door een willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als reële
                    contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus te werpen of te
                    overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel,
                    dan is er in onze opvatting sprake van een collecte. De gedrukte stukken worden
                    daarbij slechts ter ondersteuning van die actie uitgereikt en zijn niet
                    elementair voor het verschijnsel collecte. Bij strafrechtelijk optreden tegen
                    dit soort, zonder vergunning gehouden inzamelingen zal ten laste gelegd en
                    bewezen moeten worden, dat te kennen is gegeven of de indruk is gewekt dat de
                    opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een ideëel doel.</al><al>Het inzamelen van bruikbare kleding valt onder de collectebepaling en niet onder
                    de Afvalstoffen- verordening. Ook komt het voor dat bedrijven huis aan huis
                    kleding inzamelen en hiervoor een kleine vergoeding betalen.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In het derde lid van artikel 5.2.1 is voorts een uitzondering opgenomen voor
                    inzamelingen die gehouden worden 'in besloten kring'. Voor deze uitdrukking is
                    aansluiting gezocht bij artikel 435e WvSr, waarin het telefonisch colporteren
                    voor charitatieve doeleinden wordt verboden.</al><al>De uitdrukking 'in besloten kring' doelt op gevallen waarin tussen de
                    inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt een bepaalde
                    kerkelijke, maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding de
                    achtergrond vormt van de actie. Het begrip 'besloten kring' veronderstelt een
                    nauwere band dan alleen het gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal tevens
                    moeten aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid met elkaar
                    is. Dit zal niet het geval zijn, indien de band tussen aanbieder en cliënt
                    uitsluitend wordt gevonden in het gemeenschappelijk lidmaatschap van een grote
                    organisatie als een vak- of een omroepvereniging. Ditzelfde geldt voor het
                    behoren tot een zelfde kerkgenootschap.</al><al>Wordt de actie evenwel gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke gemeente of wijk,
                    of door een plaatselijke afdeling van een landelijke vereniging, dan zal weer
                    wel sprake kunnen zijn van een besloten kring.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Ten gevolge van het bepaalde in het vierde lid van artikel 5.12 is het college
                    bevoegd voor bepaalde collecten vrijstelling te verlenen van de
                    vergunningsplicht. Men kan hier met name denken aan de collecten die genoemd
                    worden in het landelijk collecteplan.</al><al/><al><vet>Artikel 5.13 Venten e.d.</vet></al><al>Het is nog slechts verboden te venten als de openbare orde wordt verstoord, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen. De
                    terminologie sluit aan bij de Europese Dienstenrichtlijn. Hieronder vallen de
                    aloude motieven van overlast (in de meeste gevallen) en verkeersveiligheid.</al><al>De uitgangspunten van de Dienstenrichtlijn op grond van het EG-verdrag gelden
                    overigens in het geval van venten ook voor het verkopen van goederen. Volgens
                    het Hof van Justitie kunnen beperkingen gesteld worden aan de vrijheid van
                    venten indien sprake is van een dwingende reden van algemeen belang.</al><al/><al><vet>Artikel 5.14 Standplaatsen</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Artikel 5.2.3 ziet duidelijk op het te koop aanbieden van goederen vanaf een
                    vaste plaats. Hiermee wordt dan ook een onderscheidend criterium gevormd ten
                    opzichte van het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er
                    immers vanuit gegaan, dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere
                    plaats in de openbare ruimte moet aanbieden.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Artikel 5.14, tweede lid, bepaalt dat het in het eerste lid geformuleerde verbod
                    op het innemen van een standplaats behoudens een vergunning van het college niet
                    geldt ten aanzien van het innemen van een standplaats op een door de gemeente
                    ingestelde markt op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f, van de
                    Gemeentewet of op een snuffelmarkt (zie art. 2.14). Degene die op een door de
                    gemeente ingestelde markt een standplaats wil innemen zal zich moeten houden aan
                    de regels die in veel gemeenten in een marktverordening zijn neergelegd.</al><al>Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning
                    krachtens artikel 5.14 vereist; volgens vaste jurisprudentie is op evenementen
                    een afzonderlijk regime van toepassing waarbij de houder van de
                    evenementenvergunning met inachtneming van de aan deze vergunning verbonden
                    voorschriften verder invulling aan het evenement kan geven en ook zelf kan
                    bepalen aan wie eventueel (op privaatrechtelijke basis) standplaatsen worden
                    uitgegeven. </al><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geeist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de jurisprudentie
                    is het aanbieden van gedrukte stukken als een zelfstandig middel van
                    bekendmaking aangemerkt. Een afzonderlijk probleem is het beoordelen of er in
                    een concrete situatie sprake is van de uitoefening van “een zelfstandig middel
                    van bekendmaking” in de zin van artikel 7 van de Grondwet of dat er sprake is
                    van het te koop aanbieden van drukwerk, waarbij geen gedachten of gevoelens
                    worden geopenbaard. Het verspreiden van handelsreclame wordt niet tot de
                    vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde lid van de Grondwet.</al><al>Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in het
                    kader van de vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken is in de
                    praktijk dikwijls moeilijk vast te stellen. In een geval van verkoop van posters
                    met reproducties van aquarellen en afbeeldingen van foto’s al dan niet voorzien
                    van teksten, is bepaald dat deze voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat
                    zij een bepaalde uiting van kunst bevatten of ludiek van aard zijn. Bezwaarlijk
                    kan van zulke gedrukte stukken gezegd worden dat zij geen gedachten of gevoelens
                    openbaren als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet.</al><al>Voor het aanbieden van gedrukte stukken als zodanig kan geen vergunning worden
                    geeist. Het wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een
                    vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden
                    aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte
                    stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt
                    ingenomen. </al><al><cursief> Vierde lid</cursief></al><al>Strijd met een bestemmingsplan is een zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent
                    dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van
                    een standplaats ook altijd</al><al>gelet moet worden op de voorschriften die uit het bestemmingsplan
                    voortvloeien.</al><al>Als het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse niet toelaat, is het onlogisch
                    dat de standplaatsvergunning weliswaar wordt verleend, maar dat daarvan geen
                    gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Daarom is
                    strijd met het bestemmingsplan expliciet als weigeringsgrond opgenomen. </al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Artikel 5.14, vijfde lid, geeft een aantal weigeringsgronden waarop een
                    vergunning kan worden geweigerd.</al><al>Aan de hand van deze weigeringsgronden kan het college beleidsregels
                    vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het afgeven van een
                    standplaatsvergunning wordt overgegaan. Het vaststellen van een dergelijk
                    beleid, waarin objectieve, algemeen bekendgemaakte, criteria worden aangegeven,
                    die bij de beoordeling van een vergunningaanvraag worden gehanteerd, is blijkens
                    de jurisprudentie toegestaan. Wel moet worden opgemerkt dat te voeren beleid
                    niet mag leiden tot een beslissing omtrent een aangevraagde vergunning die niet
                    kan worden herleid op één van de in het artikel genoemde weigeringsgronden. </al><al>Hier wordt eerst nader ingegaan op de in dit artikel opgenomen
                    weigeringsgronden. Daarna wordt het beleid dat door het college gevoerd kan
                    worden met betrekking tot de afgifte van vergunningen voor het innemen van een
                    standplaats toegelicht.</al><al><vet><cursief>Openbare orde</cursief></vet></al><al>De weigeringsgrond omtrent de openbare orde sluit nauw aan bij de
                    weigeringsgrond inzake het beperken of voorkomen van overlast. Ook wordt deze
                    weigeringsgrond dikwijls gehanteerd in combinatie met de weigeringsgrond 'belang
                    van de verkeersvrijheid of -veiligheid'.</al><al>Standplaatsen waar goederen te koop worden aangeboden hebben in de praktijk een
                    verkeersaantrekkend karakter. Door deze verkeersaantrekkende werking ontstaan
                    mogelijk ongewenste oversteekbewegingen door voetgangers en ontoelaatbaar
                    rijwielverkeer in voetgangersgebieden. Ook parkerende en geparkeerde auto's
                    kunnen overlast in de omgeving veroorzaken. In het belang van de
                    verkeersveiligheid is het daarom niet mogelijk overal een standplaats in te
                    nemen.</al><al>Uit de jurisprudentie blijkt dat beperking van het aantal te verstrekken
                    vergunningen in het belang van de openbare orde en de verkeersveiligheid is
                    toegestaan. Dit neemt niet weg dat iedere aanvraag voor het innemen van een
                    standplaats op haar eigen merites beoordeeld dient te worden.</al><al><vet><cursief>Overlast</cursief></vet></al><al>Bij het hanteren van de weigeringsgrond 'overlast' kan een verdeling
                    gerealiseerd worden van het aantal standplaatsen, waarbij de af te geven
                    vergunningen zodanig over de week verspreid worden, dat een concentratie van de
                    in te nemen standplaatsen wordt tegengegaan. Deze weigeringsgrond kan ook
                    gebruikt worden wanneer veel belangstelling voor dezelfde locatie ontstaat. Een
                    aantal standplaatsen op één plek doet ook de kans op feitelijke marktvorming
                    ontstaan.</al><al>Ook is het mogelijk om specifieke standplaatsen op bepaalde locaties te weren.
                    Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan bakkramen die in verband met stankoverlast
                    of brandgevaarlijkheid niet in de directe nabijheid van gebouwen gewenst
                    zijn.</al><al><vet>Uiterlijk aanzien van de omgeving</vet></al><al>De weigeringsgrond 'uiterlijk aanzien van de omgeving' kan gehanteerd worden
                    indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het
                    straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen
                    verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook is het aanzien van monumentale
                    gebouwen of stedebouwkundige ensembles te waarborgen. Burgemeester en wethouder
                    bepalen zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet
                    noodzakelijk, maar wel verstandig om bijvoorbeeld de welstandscommissie om
                    advies te vragen. </al><al><vet><cursief>Verkeersvrijheid en -veiligheid</cursief></vet></al><al>Zie de toelichting op de weigeringsgrond ‘openbare orde’.</al><al><vet><cursief>Verzorgingsniveau</cursief></vet></al><al>Op een tweetal manieren kan de aanvraag voor het innemen van een standplaats
                    worden geweigerd wanneer het voorzieningenniveau ter plaatse in gevaar
                    komt.</al><al>De eerste betreft de weigering door het vergunningverlenend orgaan met een
                    beroep op een distributieplanologisch onderzoek (DPO). In een dergelijk
                    onderzoek wordt aan de hand van uit onderzoek verkregen gegevens aangegeven wat
                    de minimale voorzieningen moeten zijn in de gemeente of in een bepaalde wijk van
                    de gemeente. Indien uit het onderzoek blijkt dat er voldoende verkooppunten zijn
                    hoeft dit geen weigeringsgrond voor de aanvraag voor het innemen van een
                    standplaats te betekenen. Het bepalende element om tot het niet verstrekken van
                    de vergunning over te gaan is het verzorgingsniveau voor de consument. In
                    beginsel is de concurrentiepositie van een gevestigde winkelier geen reden om
                    een standplaatsvergunning te weigeren. </al><al>Op grond van een DPO kunnen wel winkeliers in een nieuw opgezet winkelcentrum
                    beschermd worden tegen concurrentie door standplaatshouders. De Afdeling
                    rechtspraak heeft aanvaard dat winkeliers gedurende een bepaalde periode, waarin
                    de aanloopkosten nog hoog zijn, gevrijwaard dienen te zijn van concurrentie, in
                    het belang van het opzetten van een voldoende voorzieningenniveau voor de
                    consument. </al><al>Indien blijkt dat binnen het verzorgingsgebied in een bepaalde branche nog
                    slechts één winkel is gevestigd die door de concurrentie van een
                    standplaatshouder ten onder dreigt te gaan, kan het verzorgingsniveau ter
                    plaatse in het gedrang komen. De winkelier moet aan de hand van zijn boekhouding
                    aantonen dat de levensvatbaarheid van zijn winkel door de te verlenen
                    standplaatsvergunning in het gedrang komt. Niet het belang van de winkelier maar
                    het belang van de burger bij het aanwezige verzorgingsniveau staat hier voorop.
                    In een dergelijk geval kan een vergunning tot het innemen van een standplaats
                    worden geweigerd.</al><al><vet><cursief>Bestemmingsplan</cursief></vet></al><al>De bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn
                    gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende
                    bevoegdheid van de gemeente die zaken te regelen die tot haar huishouding
                    behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke
                    ordening, zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit
                    betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het
                    innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit
                    het bestemmingsplan voortvloeien.</al><al><vet><cursief>Inhoud standplaatsenbeleid</cursief></vet></al><al>De motieven waarop een beleid met betrekking tot het innemen van standplaatsen
                    berust, mogen niet strijdig zijn met de bevoegdheidsgrondslag om ordenend op te
                    treden. Het beleid dat door het college wordt vastgesteld ter uitvoering van de
                    APV-bepalingen mag niet de wettelijke grondslag (art. 149 Gemeentewet) van deze
                    APV-bepalingen overschrijden.</al><al>De zaken die het college in het standplaatsenbeleid kan vastleggen betreffen: </al><lijst><li nr="-"><al>de vaststelling van het maximum aantal af te geven
                            standplaatsvergunningen; </al></li><li nr="-"><al>de vaststelling van het aantal af te geven standplaatsvergunningen per
                            branche; </al></li><li nr="-"><al>de aanwijzing van locaties waar standplaatsen mogen worden ingenomen;
                        </al></li><li nr="-"><al>de aanwijzing van tijdstippen waarop standplaatsen mogen worden
                            ingenomen.</al></li></lijst><al>De vaststelling van het aantal af te geven vergunningen wordt bepaald aan de
                    hand van een feitelijke invulling van de verschillende in artikel 5.14, vijfde
                    lid, genoemde weigeringsgronden. Nadat aan de hand van ieder motief afzonderlijk
                    is bepaald op welke plaats in de gemeente een standplaats kan worden ingenomen,
                    valt aan de hand van het totaalbeeld dat hieruit resulteert, aan te geven wat
                    het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen is. Aan de hand van ieder
                    motief afzonderlijk is een aantal plaatsen aan te duiden waar een standplaats
                    ingenomen kan worden.</al><al><vet><cursief>Maximumstelsel</cursief></vet></al><al>Het maximum aantal vergunningen dat afgegeven kan worden moet voordat tot
                    uitvoering van het beleid wordt overgegaan worden vastgesteld. De locaties waar
                    een standplaats mag worden ingenomen moeten zo zorgvuldig mogelijk worden
                    geselecteerd. Het totaal aantal aangewezen standplaatsen tezamen levert het
                    maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen op.</al><al>Voor nadere informatie over de invulling en de onderbouwing van het
                    maximumstelsel, vergunningsvoorschriften en de relatie met andere wetgeving
                    wordt verwezen naar de VNG-toelichting op artikel 5.14.</al><al><vet><cursief> Gebruik van de openbare weg</cursief></vet></al><al>De standplaatsvergunning is vereist voor een standplaats op of aan de weg of een
                    andere voor het publiek toegenalijke plaats. Als het gaat om de openbare weg,
                    dan zal de gemeente de eigenaar of rechthebbende zijn. Op grond hiervan kan de
                    gemeente van degene die op de openbare weg met vergunning een standplaats
                    inneemt een vergoeding bedingen voor het gebruik van het deel van de</al><al>openbare weg. Uit jurisprudentie is gebleken dat het bedingen van een hoge
                    huurprijs voor het gebruik van de openbare weg niet zover kan gaan dat een
                    feitelijke belemmering ontstaat voor het innemen van een standplaats waarvoor
                    een vergunning is verleend. Ook blijkt uit jurisprudentie dat het gebruik van
                    een verleende standplaatsvergunning niet gefrustreerd mag worden door een
                    privaatrechtelijke weigering van toestemming voor het gebruik van de
                    (gemeente)grond (de zgn. tweewegenleer). </al><al><vet><cursief>Concurrentie met gevestigde winkeliers</cursief></vet></al><al>Uit jurisprudentie blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet
                    als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt
                    slechts een uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau
                    voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente
                    op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet wel worden aangetoond, mede
                    aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het
                    voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde
                    goederen aangeboden worden. Ook aan een distributieplanologisch onderzoek kunnen
                    gegevens worden ontleend met betrekking tot het voorzieningenniveau ter
                    plaatse.</al><al/><al><vet>Afdeling 3: CROSSTERREINEN EN NATUURGEBIEDEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.15 / 5.15a Crossterreinen </vet></al><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto's,
                    motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn
                    verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol
                    in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving plaatsvinden. Hieronder wordt aangegeven welke wettelijke
                    regelingen van toepassing kunnen zijn.</al><al><cursief>Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en APV</cursief></al><al>Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg plaats vindt en
                    een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Het
                    eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden is op een weg een wedstrijd
                    met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen. Dit verbod richt zich dus
                    zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de deelnemers aan de
                    wedstrijd. In de toelichting op artikel 2.14 van de APV inzake het houden van
                    een feest of wedstrijd, is al nader op het regime van de WVW 1994 ten aanzien
                    van wedstrijden op de weg ingegaan.</al><al>Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen dan op de weg in de
                    zin van de WVW 1994, dan kan artikel 5.15 van toepassing zijn. Artikel 5.15 ziet
                    op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het Reglement
                    verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een wedstrijd
                    op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend voor het
                    wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of
                    iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld</al><al>Auto- of motorsportactiviteiten zonder wedstrijdkarakter op de weg kunnen soms
                    worden aangemerkt als een evenement als bedoeld in artikel 2.14. In dat geval
                    kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid
                    of gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van zo'n evenement dan wel
                    het evenement geheel verbieden. </al><al><cursief>Wet milieubeheer en APV</cursief></al><al>Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de
                    weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte
                    terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken,
                    plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst
                    bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige
                    terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5.15 en
                    5.16 van deze APV.</al><al><cursief>Wet milieubeheer</cursief></al><al>De speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder de
                    werking van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer.</al><al>In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer worden de inrichtingen
                    opgesomd waarvoor krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer een vergunning
                    vereist is. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of
                    terreinen, geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het
                    gebruiken van: bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of
                    vaartuigen in wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor
                    recreatieve doeleinden. In de nota van toelichting bij het besluit blijkt dat
                    uit de omschrijving 'gelegenheid bieden' is af te leiden dat elke inrichting of
                    elk terrein, dat in enigerlei vorm is ingericht om de genoemde activiteiten
                    mogelijk te maken, onder dit besluit valt.</al><al>Op grond van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer is het college bevoegd om op
                    een aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie 19
                    te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde, echter bestemd
                    of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van
                    wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen,
                    en de terreinen daartoe acht uren per week of meer zijn opengesteld, wordt de
                    vergunning niet afgegeven door het college, maar door gedeputeerde staten
                    (categorie 19.2).</al><al>Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de motieven van de Wet
                    milieubeheer, zijnde de gevolgen voor het milieu of de bescherming van het
                    milieu.</al><al><cursief>APV</cursief></al><al>De regeling in de APV is van belang voor die terreinen die niet behoren tot de
                    terreinen die genoemd zijn in categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer. Hier kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een
                    terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en
                    terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden
                    gebruikt.</al><al>In een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de
                    werkingssfeer ten opzichte van de Wet milieubeheer in ieder geval moeten zijn
                    afgebakend.</al><al>De bij het aanwijzingsbesluit te stellen regels dienen aan te sluiten bij de
                    belangen welke het onderhavige voorschrift beoogt te dienen. Behalve het belang
                    van de openbare orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van
                    het publiek of de deelnemers.</al><al>In de in het tweede lid genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein
                    slechts gecrost mag worden op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door leden
                    van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt volgens de aanwijzingen van
                    KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende verzekert tegen ongevallen c.q.
                    aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen en - eventueel - dat de
                    crossers ten minste een bepaalde leeftijd moeten hebben c.q. dat de vereniging
                    er - ter voorkoming van ongelukken - zorg voor draagt dat toezicht door
                    volwassenen wordt uitgeoefend indien van dat terrein gebruik wordt gemaakt.</al><al><cursief>Wet op de Ruimtelijke Ordening en APV</cursief></al><al>Een terrein dat men wil gaan gebruiken als motorcrossterrein zal in de meeste
                    gevallen gelegen zijn in een gebied met de bestemming 'agrarisch gebied' of
                    'natuurgebied'.</al><al>De vraag is dan of voor het gebruik van het desbetreffende terrein als
                    motorcrossterrein vrijstelling kan worden verleend van het gebruikvoorschrift.
                    Indien aannemelijk is dat het gebruik van een terrein ten behoeve van het
                    motorcrossen zal leiden tot een onomkeerbare wijziging van de bestemming van dit
                    terrein, dan zal dit gebruik enkel kunnen worden toegestaan na een
                    bestemmingsplanwijziging.</al><al/><al><vet>Artikel 5.16 Beperking verkeer in natuurgebieden</vet></al><al> Vele gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van
                    motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder,
                    schade aan de flora, verstoring van wild e.d.</al><al>Verder worden natuurgebieden, parken e.d. steeds vaker door ruiters en
                    fietsers/mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat ruiters en
                    fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of fietspaden
                    verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars en berokkent
                    vaak ook schade aan flora en fauna.</al><al>Bij de vraag, welke maatregelen mogelijk zijn tegen het motorcrossen in
                    natuurgebieden, zal men een onderscheid moeten maken tussen het zgn. “wilde
                    crossen” (op wegen en paden en “off the road”) en het crossen op daartoe
                    speciaal gebruikte motorterreinen. Op het crossen op motorterreinen is artikel
                    5:15 van de APV van toepassing.</al><al>Op grond van het eerste lid van artikel 5:16 geldt een algeheel verbod om zich
                    met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een natuurgebied te bevinden.
                    Het college kan op grond van het tweede lid terreinen aanwijzen waar dit verbod
                    niet geldt en kan tevens regels stellen voor het gebruik van deze
                    terreinen.</al><al><cursief>Maatregelen</cursief></al><al>Bij de vraag welke maatregelen genomen kunnen worden tegen het “wildcrossen” of
                    overlastgevend ruiter- en fietsverkeer gaat het in feite om een meer algemeen
                    vraagstuk: Welke maatregelen kunnen</al><al>genomen worden om ter bescherming van het milieu en ter voorkoming van overlast
                    gemotoriseerd verkeer, ruiter- of fietsverkeer uit bepaalde gebieden te
                    weren?</al><al>Een mogelijkheid om het weggebruik door verkeersdeelnemers te reguleren is het
                    nemen van verkeersbeperkende maatregelen op grond van de
                    wegenverkeerswetgeving.</al><al>Voor de in deze gebieden gelegen wegen is de wegbeheerder bevoegd tot het
                    treffen van verkeersmaatregelen (zie artikel 18 WVW 1994). Volgens de WVW 1994
                    kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan indien deze
                    maatregelen de veiligheid op de weg verzekeren, weggebruikers en passagiers
                    beschermen, strekken tot het in stand houden van de weg en de bruikbaarheid van
                    de weg waarborgen, de vrijheid van het verkeer waarborgen, strekken tot
                    voorkoming of beperking van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of
                    schade, strekken tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte
                    aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden en
                    tenslotte een doelmatig of zuinig energieverbruik bevorderen (artikel 2, eerste
                    tot en met derde lid, WVW 1994).</al><al>De WVW 1994 geeft derhalve ook mogelijkheden verkeersmaatregelen te nemen ter
                    bescherming van milieubelangen. Regulering van het gemotoriseerde verkeer dat
                    van de weg gebruik maakt in natuurgebieden dient te geschieden op basis van de
                    WVW 1994 door middel van een verkeersmaatregel. Hierbij moet het dan gaan om een
                    regeling ten aanzien van het gebruik van wegen in de zin van de WVW 1994.</al><al>Voor de overige gebieden, buiten de wegen in de zin van de WVW 1994, binnen een
                    natuurgebied kan een regeling worden opgenomen in de APV. Hierbij moet in het
                    oog worden gehouden dat met betrekking tot het onderhavige onderwerp ook een
                    provinciale regeling kan gelden. Indien er reeds een provinciale regeling
                    bestaat inzake de beperking van gemotoriseerd verkeer in natuurgebieden, welke
                    regeling - deels - strekt ter bescherming van dezelfde belangen, zal - althans
                    indien een gemeente geheel of gedeeltelijk gelegen is in een “natuurgebied” als
                    bedoeld in de provinciale verordening - de werkingssfeer van het gemeentelijk
                    voorschrift ten opzichte van de provinciale verordening moeten worden
                    afgebakend.</al><al>Met het oog op deze aspecten is in artikel 5.16 bepaald dat burgemeester en
                    wethouders ter bescherming van flora en fauna en ter voorkoming van overlast
                    bepaalde terreinen (natuurgebieden, parken, etc.) kunnen aanwijzen waar het
                    verboden is zich aldaar met een voertuig of paard te bevinden. Het college kan
                    dit verbod naar plaats en tijd beperken.</al><al>Hierbij moet in het oog worden gehouden dat met betrekking tot het onderhavige
                    onderwerp ook een provinciale regeling kan gelden. Indien er reeds een
                    provinciale regeling bestaat inzake de beperking van gemotoriseerd verkeer in
                    natuurgebieden, welke regeling - deels - strekt ter bescherming van dezelfde
                    belangen, zal - althans indien een gemeente geheel of gedeeltelijk gelegen is in
                    een 'natuurgebied' als bedoeld in de provinciale verordening - de werkingssfeer
                    van het gemeentelijk voorschrift ten opzichte van de provinciale verordening
                    moeten worden afgebakend. Een verbod is overigens niet van toepassing op wegen
                    als bedoeld in de Wegenverkeerswet. Omdat wegen in natuurgebieden meestal een
                    openbaar karakter hebben en onder werking van de Wegenverkeerswet vallen, geldt
                    een ingesteld verbod meestal niet voor wegen in/door natuurgebieden e.d.</al><al><cursief>Verordening stiltegebieden (lid 4)</cursief></al><al>Provinciale staten dienen op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer een
                    verordening op te stellen die onder andere regels bevat inzake het voorkomen of
                    beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden. </al><al>Volgens de model-PMV is het onder meer verboden een aantal toestellen te
                    gebruiken binnen het milieubeschermingsgebied. Het is ook verboden om met een
                    motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor
                    bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten.</al><al/><al><vet>Artikel 5.17 Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen</vet></al><al>Naast de verkeersbeperkingen op grond van artikel 5.4.2 kan er behoefte bestaan
                    om ten aanzien van voor het publiek toegankelijke natuurgebieden en andere
                    terreinen andere voorschriften te stellen, dit in het belang van de openbare
                    orde, de zedelijkheid, het milieu, de volksgezondheid en ter voorkoming van
                    gevaar, schade en/of overlast.</al><al> Met name wordt hierbij gedacht aan gebieden c.q. terreinen waar veel publiek
                    komt zoals openbare recreatieterreinen en –plassen. Artikel 5.4.3 geeft de
                    mogelijkheid om tegen ongewenst gedrag van bezoekers op te kunnen treden.</al><al>Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat de andere bepalingen in deze APV ook
                    op de hier bedoelde (openbare) gebieden en terreinen van toepassing zijn, zodat
                    de door burgemeester en wethouders concreet vast te stellen voorschriften van
                    aanvullende aard kunnen zijn. </al><al/><al><vet>Afdeling 4: VERBOD OM VUUR TE STOKEN / ROOKVERBOD</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.18 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                        anderszins vuur te stoken</vet></al><al>In deze toelichting wordt allereerst uitgebreid ingegaan op de nieuwe wetgeving
                    voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen, geregeld in artikel
                    10.2, eerste lid en artikel 10.63, tweede lid, van de Wet milieubeheer. </al><al>Aanvankelijk was het ministerie van VROM voornemens om een absoluut stookverbod
                    in de Wet milieubeheer op te nemen, zonder enkele ontheffingsmogelijkheid voor
                    het college. De VNG maakte zich echter hard voor een dergelijke
                    ontheffingsmogelijkheid, omdat in sommige lokale situaties een
                    ontheffingsmogelijkheid zeer gewenst was. De Tweede Kamer was het hiermee eens
                    en drong daarom bij amendement bij de toenmalige minister er op aan om de
                    mogelijkheid tot het verlenen van een ontheffing bij wet vast te stellen. Dit
                    amendement leidde tot een aanpassing van het wetsvoorstel, waarin uitdrukkelijk
                    een ontheffingsmogelijkheid voor het college werd opgenomen.</al><al>Uiteindelijk kwamen de artikelen 10.2, eerste lid en 10.63, tweede lid Wet
                    milieubeheer tot stand. In artikel 10.2, eerste lid, is het verbrandingsverbod
                    buiten inrichtingen opgenomen. Artikel 10.63, tweede lid, geeft het college de
                    bevoegdheid om een ontheffing te verlenen van dit verbod.</al><al><cursief><vet>Ontheffing artikel 10.63, tweede lid Wet
                        milieubeheer</vet></cursief></al><al>Uit de kamerbehandeling van het wetsvoorstel blijkt dat de ontheffing kan worden
                    verleend voor de volgende zaken: </al><al>- vreugdevuren, zoals paas- en oudejaarsvuren; </al><al>- instandhouding van waardevolle cultuurlandschappen, in het kader van klein
                    landschapsbeheer.</al><al>Artikel 10.2 Wet milieubeheer ziet alleen toe op het verbranden van afvalstoffen
                    buiten inrichtingen. Dit betekent dat, indien er sprake is van een inrichting in
                    de zin van de Wet milieubeheer, het verbrandingsverbod hierop niet van
                    toepassing is. Hiervoor geldt namelijk een ander wettelijk regiem. </al><al>De verbranding van afvalstoffen binnen een inrichting dient enerzijds te worden
                    geregeld in de milieuvergunning of wordt anderzijds geregeld in een van de
                    zogenaamde artikel 8.40-Besluiten, waarin algemene milieuregels zijn opgenomen
                    voor homogene bedrijfscategorieën.</al><al>Benadrukt dient te worden dat het aan het bevoegd gezag is om zelf invulling te
                    geven aan het ontheffingenbeleid. Dit geldt zeker ook voor een absoluut
                    verbrandingsverbod. Ook al geeft de Wet milieubeheer de mogelijkheid om een
                    ontheffing te verlenen, dit betekent niet dat een gemeente ook verplicht is dit
                    te doen. Gemeenten kunnen dus – óók onder het regiem van de Wet milieubeheer -
                    een absoluut stookverbod blijven hanteren. Het verdient aanbeveling om een
                    absoluut stookverbod in een beleidsnota of milieubeleidsplan vast te
                    leggen.</al><al>Bij de behandeling van het wetsvoorstel betreffende artikel 10.2 heeft de
                    minister aangedrongen op een terughoudend ontheffingenbeleid. Ook de VNG
                    adviseert haar leden een terughoudend ontheffingenbeleid te voeren, waarbij ook
                    wordt gekeken naar alternatieve verwerkingsmethoden (het zogenaamde
                    alara-beginsel). Indien een gemeente reeds een terughoudend beleid voert, kan
                    het bestaande ontheffingenbeleid worden gecontinueerd.</al><al>Wel verdient het sterk de aanbeveling om het ontheffingenbeleid schriftelijk
                    vast te leggen in bijvoorbeeld beleidsregels. Op deze manier beschikt het
                    bevoegd gezag over een duidelijk afwegingskader, op grond waarvan de beslissing
                    om een ontheffing te verlenen kan worden gebaseerd.</al><al><vet><cursief>Procedure ontheffing artikel 10.63, tweede lid Wet
                            milieubeheer</cursief></vet></al><al>Op grond van artikel 10.64 Wet milieubeheer zijn de artikelen 8.5–8.25 Wet
                    milieubeheer van overeenkomstige toepassing op een ontheffing van het
                    verbrandingsverbod. In artikel 8.6 Wet milieubeheer worden de paragrafen 3.5.2
                    tot en met 3.5.5 van de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing verklaard, dat
                    wil zeggen de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Dit is een tamelijk
                    omslachtige procedure, reden waarom de VNG dit als één van de knelpunten in het
                    kader van het project Herijking VROM-wetgeving bij het ministerie van VROM heeft
                    ingebracht. Op dit moment beraadt VROM zich over een versoepeling van de
                    procedure, een van de mogelijkheden is het in het leven roepen van een algemene
                    vrijstelling. </al><al><vet><cursief>Voorschriften op grond van artikel 10.63, tweede lid Wet
                            milieubeheer</cursief></vet></al><al>Aan een ontheffing kunnen de volgende voorschriften worden verbonden. Gedacht
                    kan worden aan het voorschrift dat: </al><lijst><li nr="-"><al>het stoken geen gevaar, schade of hinder mag opleveren voor de
                            omgeving;</al><al>de houder van de ontheffing tijdens de verbranding voortdurend ter
                            plaatse aanwezig dient te zijn en zorg dient te dragen voor een goed
                            brandend vuur, zodat zo min mogelijk rookontwikkeling plaatsvindt; </al></li><li nr="-"><al>de verbranding niet mag plaatsvinden in de periode tussen zonsondergang
                            en zonsopgang; </al></li><li nr="-"><al>verbranding slechts mag plaatsvinden met inachtneming van een bepaalde
                            afstand tot bouwwerken;</al></li><li nr="-"><al>van de voorgenomen verbranding de politie of de alarmcentrale van de
                            regionale brandweer op de dag van verbranding vooraf telefonisch moet
                            worden geïnformeerd.</al></li></lijst><al>Verder dient in de ontheffing te worden verwezen naar artikel 13 Wet
                    Bodembescherming, waarin een algemene zorgplicht voor de bodem is opgenomen, die
                    voor een ieder geldt. Dit houdt in dat de verbranding geen bodemverontreiniging
                    mag veroorzaken. </al><al><vet>Aanvullende werking van artikel 5.17 APV</vet></al><al>Op grond van artikel 10.63, tweede lid Wet milieubeheer kan het college een
                    vergunning verlenen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich
                    daartegen niet verzet. Met andere woorden, het college kan weigeren om een
                    ontheffing te verlenen op grond van milieuhygiënische argumenten. Met het
                    verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak ook openbare orde- en
                    veiligheidsaspecten van belang.</al><al>Artikel 10.63, tweede lid, van de Wet milieubeheer biedt geen mogelijkheid om de
                    vergunning te weigeren, indien de openbare orde en veiligheid in het geding is.
                    Bovendien kunnen de voorschriften verbonden aan een dergelijke ontheffing ook
                    alleen dienen ter bescherming van het belang van de bescherming van het milieu.
                    Artikel 5.18 vult daarom voor wat betreft deze aspecten de Wet milieubeheer
                    aan.</al><al>Het verbod in het eerste lid is zodanig geformuleerd dat dit alleen geldt indien
                    het verbranden of stoken van vuur gevaar, hinder of overlast voor de omgeving
                    veroorzaakt. Mocht toch hinder of overlast wordne veroorzaakt, dan kan het
                    college – onverminderd het bepaalde in de Wet milieubeheer – ontheffing van het
                    APV-verbod verlenen. Aan deze ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden
                    in het belang van de openbare orde en veiligheid en ter beperking van
                    overlast.</al><al>Voorts is in lid 4 een uitzondering op het verbod opgenomen ten aanzien van het
                    verbranden van snoeihout op het terrein waar dit is vrijgekomen mits:</al><al>- dit terrein is gelegen buiten de bebouwde kom,</al><al>- voldoende toezicht wordt gehouden en</al><al>- het verbranden geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving
                    veroorzaakt.</al><al>Omdat snoeihout als afval moet worden beschouwd, is op grond van artikel 10.63
                    van de Wet milieubeheer hiervoor wel een vergunning krachtens deze wetgeving
                    vereist.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 5.19 Rookverbod</vet></al><al>Het zal duidelijk zijn dat dit artikel tot doel heeft bos-, heide- en
                    veengebienden te beschermen tegen brand in droge perioden. Het verbod kan
                    evenwel niet zover strekken dat het roken in gebouwen en bijbehorende tuinen
                    (die in een bos of natuurgebied liggen) niet meer mogelijk is. </al><al>Ofschoon controle op de naleving van deze bepaling vrijwel onmogelijk is, is de
                    opname van deze bepaling toch wenselijk met het oog op de preventieve werking
                    daarvan. Een besluit tot het instellen van een rookverbod gedurende een bepaalde
                    periode zal dan uiteraard wel via de diverse media bekend gemaakt moeten worden.
                    Het instellen van een rookverbod vindt plaats op advies van de
                        brandweer<vet>.</vet></al><al/><al><vet>Afdeling 5: VERSTROOÍING VAN AS</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.20 Begripsomschrijving</vet></al><al>In het oude Besluit op de Lijkbezorging stond de mogelijkheid om as te
                    verstrooien op een permanent daartoe bestemd terrein. Dit werd door de houder
                    van onder andere een begraafplaats of crematorium aangewezen nadat hij daarvoor
                    een vergunning had gekregen van burgemeester en wethouders. Het terrein was
                    bedoeld voor meerdere verstrooiingen gedurende langere tijd. In de gewijzigde
                    Wet op de lijkbezorging blijft de mogelijkheid van het permanente terrein (in
                    iets andere bewoordingen) opgenomen als een algemene vorm van asbestemming
                    waarbij het nabestaanden niet zozeer gaat om de plaats waar verstrooid wordt als
                    wel om het gegeven dat er verstrooid wordt. Verstrooiingen die plaatsvinden door
                    of op last van de houder van een crematorium of bewaarplaats van asbussen kunnen
                    alleen plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd (uiteraard
                    blijft ook de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt). </al><al/><al><vet>Artikel 5.21 Verbod incidentele asverstrooiingen</vet></al><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol
                    op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen
                    voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. </al><al>Als burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend voor een permanent
                    voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een
                    begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke
                    begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een
                    en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit
                    van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de
                    begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin
                    verstorend kunnen werken.</al><al>De begraafplaats en het crematoriumterrein zijn expliciete voorbeelden van
                    terreinen waar het vanuit een oogpunt van beheer bezwaarlijk kan zijn om
                    incidenteel as te verstrooien. Zo zijn er wellicht meer. Onder 'volgende
                    plaatsen' kan de gemeente, uiteraard gemotiveerd, plaatsen invullen waarvan zij
                    zegt dat het niet wenselijk is dat daar as wordt verstrooid, hieronder begrepen
                    het openbare water of delen daarvan.</al><al>Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden
                    evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien.
                    Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die
                    gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te
                    onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.</al><al/><al><vet>Artikel 5.22 Verbod incidentele asverstrooiing ingeval van hinder of
                        overlast</vet></al><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden
                    als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang
                    dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as
                    die na de activiteit wordt achtergelaten. Er zijn genoeg situaties denkbaar
                    waarin dit hinder oplevert voor het publiek.</al><al>Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging
                    af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen
                    hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft
                    de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met
                    incidentele verstrooiing.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6 : STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al><vet><cursief>Handhaving algemeen </cursief></vet></al><al>Handhaving is elke handeling die erop gericht is de naleving door anderen van
                    rechtsregels te bevorderen. Handhaving kan zowel strafrechtelijk als
                    bestuursrechtelijk zijn.</al><al>Hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een opsomming van de
                    aan het bestuursorgaan toekomende dwangmiddelen en de regels die bij de
                    toepassing van de dwangmiddelen in acht genomen moeten worden. Hierna worden
                    deze dwangmiddelen en regels toegelicht. Ook is er een korte introductie tot de
                    strafrechtelijke handhaving opgenomen.</al><al><vet><cursief>Toezicht</cursief></vet></al><al>In veel wetten worden, ter handhaving van de regelgeving, aan bepaalde
                    ambtenaren toezichtbevoegdheden toegekend. Zij mogen plaatsen betreden,
                    inlichtingen en inzage van stukken vorderen, monsters nemen en vervoermiddelen
                    zoeken. Dit handhavingstoezicht, ook wel controle genoemd, wordt beheerst door
                    het bestuursrecht. De algemene regels zijn opgenomen in afdeling 5.2 van de Awb.
                    In bijzondere wetten kunnen echter beperkingen worden aangebracht op de in de
                    algemene regels gegeven bevoegdheden (bijvoorbeeld: artikel 45, derde lid van de
                    Wet wapens en munitie in vergelijking met artikel 5:18 van de Awb.</al><al>Toezicht vindt plaats in een stadium waarin (nog) geen sprake is van een
                    redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. In het strafrecht ligt
                    dit anders. Om tot opsporing te komen moet er in beginsel wel sprake zijn van
                    een vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. Bepaalde
                    opsporingsbevoegdheden vereisen zelfs een ontdekking op heterdaad.</al><al>Om goed toezicht uit te kunnen oefenen moet een toezichthouder beschikken over
                    de nodige bevoegdheden. Voor het uitoefenen van toezicht is vaak medewerking
                    benodigd van de toezicht gestelde. In artikel 5:20, eerste lid, van de Awb is de
                    verplichting van een ieder opgenomen om aan een toezichthouder alle medewerking
                    te verlenen die hij redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn
                    bevoegdheden. Uiteraard zijn er uitzonderingen op de medewerkingsplicht (zie het
                    tweede lid van artikel 5:20). Volgens de regering geldt de plicht namelijk niet
                    na het moment waarop de overheid jegens de betrokkene een handeling heeft
                    verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking heeft kunnen verbinden
                    dat tegen hem strafvervolging wordt ingesteld. "Vanaf dat moment is er sprake
                    van "criminal charge" in de zin van artikel 6 Europees Verdrag van de Rechten
                    van de Mens en kan de betrokkene een beroep doen op het zwijgrecht."</al><al>Het bovenstaande kan in de praktijk voor verwarring zorgen. Het komt voor dat er
                    toezichthouders zijn met opsporingsbevoegdheden. Degene die toezicht staat moet
                    dus goed weten welke 'pet' de ambtenaar opheeft. In het geval van toezicht moet
                    een ieder meewerken. Zodra er echter sprake is van opsporing, kan er een beroep
                    op zwijgrecht worden gedaan. Iemand kan immers niet worden verplicht om aan zijn
                    eigen veroordeling mee te werken.</al><al>Toezichthouders worden meestal belast met het toezicht op de naleving van de
                    voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de wet of verordening op grond
                    waarvan zij als toezichthouder zijn aangewezen. </al><al><vet><cursief>Strafrechtelijke handhaving</cursief></vet></al><al>Het strafrecht en het bestuursrecht worden elk op een geheel eigen wijze
                    genormeerd. In artikel 1:6 van de Awb is bepaald dat de Awb niet van toepassing
                    is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten noch op de
                    tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het handelen van
                    strafrechtelijke organen wordt genormeerd door de regels van het Wetboek van
                    Strafrecht en door de diverse bijzondere wetten, waarin de geldende materiële
                    normen zijn verwoord en waarin soms ook van de algemene strafvordering
                    afwijkende strafprocessuele bevoegdheden zijn opgenomen, en het Wetboek van
                    Strafvordering, dat algemene regels van strafprocesrecht bevat, bevoegdheden in
                    het leven roept en de grenzen van de bevoegdheden bepaalt.</al><al>Op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 heeft de politie tot taak te
                    zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van
                    hulp aan hen die deze behoeven. Op grond van deze algemene politietaak, alsmede
                    op grond van de last die in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van
                    Strafvordering aan de aldaar genoemde ambtenaren wordt gegeven om strafbare
                    feiten op te sporen, kunnen opsporingsambtenaren onderzoek doen. </al><al>In het bestuursrecht worden de sancties opgelegd door een bestuursorgaan. De
                    rechter speelt in het bestuursrecht pas een rol indien een belanghebbende, na
                    bezwaar of administratief beroep, beroep instelt bij de rechter. De rechter
                    speelt in het strafrecht een centrale rol. Sancties in het strafrecht worden
                    opgelegd door de rechter.</al><al><vet><cursief>Bestuursdwang, dwangsom en bestuurlijke boete</cursief></vet></al><al>In de toelichting op de model-APV van de VNG wordt uitgebreid aandacht besteed
                    aan de bestuurlijke handhavingsinstrumenten bestuursdwang en dwangsom. Ook wordt
                    ingegaan op de voorstellen tot de invoering van de bestuurlijke boete met de
                    opmerking dat het kabinet tot de conclusie is gekomen dat voor een effectieve
                    aanpak van de bestrijding van de kleine ergernissen de introductie van een
                    bestuurlijke boete geen uitkomst biedt. </al><al>Voor nadere informatie wordt verwezen naar de VNG-toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 6.1 Strafbepaling</vet></al><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt euro 225
                    en van de tweede categorie euro 2250. Het is overigens uiteindelijk de
                    strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt,
                    tot de grens van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient
                    de rechter op grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht
                    van de verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt 2 euro
                    (artikel 23, tweede lid, WvSr).</al><al>De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten op overtreding van
                    verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie. De
                    gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen de verordening onderscheid te
                    maken naar bepalingen waar bij overtreding een straf van de eerste dan wel van
                    de tweede categorie op staat. Uiteraard kan in de APV ook worden gekozen voor
                    een enkele strafmaat. </al><al>Het is niet goed mogelijk om algemene criteria te geven voor de vraag of een
                    overtreding van een gemeentelijke verordening bedreigd moet worden met een boete
                    van de eerste (lichte overtredingen) dan wel de tweede categorie. De hoogte van
                    een op te leggen boete zal in overeenstemming moeten zijn met de aard van de
                    overtreding. Gezien de aard van de bepalingen van de APV is als algemene lijn
                    gehanteerd dat op overtredingen een straf van de tweede categorie wordt gesteld.
                    Door te kiezen voor een indeling van de tweede categorie bestaat er meer ruimte
                    om rekening met de ernst van de overtreding te houden.</al><al><vet><cursief>Strafbaarheid rechtspersonen </cursief></vet></al><al>Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen onder de
                    werking van gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een
                    rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag
                    van de naasthogere categorie 'indien de voor het feit bepaalde boetecategorie
                    geen passende bestraffing toelaat' (artikel 23, zevende en achtste lid WvSr).
                    Dat betekent dat voor overtredingen van de APV door een rechtspersoon de rechter
                    de mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen (euro 4500
                    ).</al><al><vet><cursief>Medebewindsvoorschriften</cursief></vet></al><al>Als het gaat om regelgeving op basis van medebewind dan is de strafbaarstelling
                    van de overtreding van deze regelgeving veelal in de desbetreffende wetten
                    opgenomen. Daarom is in het tweede lid van dit artikel een uitzondering gemaakt
                    voor die bepalingen waarvan de strafbepaling wordt geregeld in de bijzondere wet
                    waarop die bepaling gebaseerd is.</al><al><vet><cursief>Hechtenis</cursief></vet></al><al>Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een APV-bepaling hechtenis
                    wordt opgelegd. Toch is in het eerste lid van dit artikel de mogelijkheid van
                    hechtenis opgenomen omdat niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat in
                    bepaalde (uitzonderings)gevallen (bijvoorbeeld in het geval van recidive) de
                    rechter behoefte heeft aan de mogelijkheid tot oplegging van een
                    vrijheidsstraf.</al><al><vet><cursief>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en
                            vergunningsvoorschriften</cursief></vet></al><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in
                    dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college
                    de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de overtreding hiervan
                    levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens
                    artikel 1.4 van de APV gegeven beperkingen en voorschriften bij een vergunning
                    of een ontheffing.</al><al>Formeel levert dit laatste een overtreding van artikel 1.4, tweede lid, op.
                    Hierin is de verplichting opgenomen dat degene aan wie krachtens de APV een
                    vergunning of ontheffing is verleend, verplicht is de daaraan verbonden
                    voorschriften en beperkingen na te komen.</al><al/><al><vet>Artikel 6.2 Toezichthouders</vet></al><al>Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het Wetboek van
                    Strafvordering ontlenen is een nadere regeling in de APV niet (meer) nodig. </al><al>De aanwijzing als toezichthouder in de APV is de grondslag voor het hebben van
                    opsporingsbevoegdheid. Zie verder de toelichting onder het kopje
                    Opsporingsambtenaren.</al><al/><al><vet><cursief>Aanwijzen toezichthouders</cursief></vet></al><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). De aanwijzing van
                    toezichthouders kan derhalve in de APV plaatsvinden. Een deel van de
                    toezichthouders wordt in de APV zelf aangewezen (dit is noodzakelijk indien een
                    toezichthouder tevens opsporingsbevoegdheden dient te krijgen. Hiernaast kunnen
                    toezichthouders door het college dan wel de burgemeester worden aangewezen. Deze
                    bevoegdheid vloeit voort uit de artikelen 160 (nieuw) en 174 van de Gemeentewet
                    waarin het college respectievelijk de burgemeester belast is met de uitvoering
                    van gemeentelijke verordeningen.</al><al>Politieambtenaren zijn alleen te beschouwen als toezichthouders voorzover zij
                    bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig zijn aangewezen. Artikel 2 van
                    de Politiewet, dat een algemene omschrijving van de politietaak bevat, kan niet
                    worden beschouwd als een wettelijk voorschrift in de zin van het artikel. Daarom
                    worden zij onder b. van dit artikel aangewezen als toezichthouders belast met
                    het toezicht op de naleving van de APV.</al><al>Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren (artikel
                    5:12 Awb). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het bestuursorgaan onder
                    verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. Het in artikel 5:12,
                    derde lid, van de Awb genoemde model van het legitimatiebewijs is vastgesteld
                    bij de Regeling model legitimatiebewijs toezichthouders Awb (Stcrt. 2000, 131).
                    Deze regeling bevat geen echt model, maar een opsomming van alle elementen die
                    in ieder geval op het legitimatiebewijs moeten zijn opgenomen en een voorbeeld
                    van een legitimatiebewijs.</al><al><vet><cursief>Het evenredigheidsbeginsel</cursief></vet></al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd. Een toezichthouder
                    mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voorzover dit redelijkerwijs voor de
                    vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan derhalve niet
                    te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                    toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden
                    of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend
                    hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een
                    toezichthouder moet toezien.</al><al><vet><cursief>Bevoegdheden toezichthouder</cursief></vet></al><al>In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders
                    toegekend. In artikel 5:14 is de mogelijkheid opgenomen om aan een
                    toezichthouder minder bevoegdheden toe te kennen. Zo is op voorhand vaak al
                    duidelijk welke bevoegdheden voor het uitoefenen van toezicht niet relevant zijn
                    of per definitie onevenredig.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen en woningen. Dat de Awb een uitzondering maakt voor
                    het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner vloeit voort uit
                    het in artikel 12 van de Grondwet vastgelegde 'huisrecht'. Op grond hiervan is
                    voor het binnentreden van woningen zonder toestemming van de bewoner steeds een
                    grondslag in een bijzondere wet vereist. Voor de handhaving van gemeentelijke
                    verordeningen is de basis voor het binnentreden zonder toestemming van de
                    bewoner gelegd in artikel 149a van de Gemeentewet. Op grond van dit artikel kan
                    aan toezichthouders deze bevoegdheid worden toegekend, indien het gaat om het
                    toezicht op de naleving van bij verordening gegeven voorschriften die strekken
                    tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven
                    of de gezondheid van personen. </al><al>In artikel 6.3 van de APV wordt deze bevoegdheid aan toezichthouders toegekend.
                    In de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) zijn de vormvoorschriften gegeven
                    die bij het binnentreden van een woning in acht genomen moeten worden. In de
                    toelichting op artikel 6.3 zal nader op de Awbi worden ingegaan.</al><al>De bevoegdheid tot het betreden van plaatsen houdt niet tevens in de bevoegdheid
                    tot het doorzoeken van die plaatsen. De Awb geeft toezichthouders dus niet de
                    bevoegdheid om willekeurig kasten, laden en andere bergplaatsen te openen. In
                    gevallen waarin die bevoegdheid niettemin noodzakelijk is, dient deze te worden
                    verschaft door de bijzondere wetgever.</al><al>Artikel 5:16 Awb geeft de toezichthouder de bevoegdheid om inlichtingen te
                    vorderen. Op grond van artikel 5:20 Awb is een ieder ook verplicht deze
                    inlichtingen te verstrekken, behoudens een aantal uitzonderingen dat terug te
                    voeren is op het beroepsgeheim.</al><al>In de artikelen 5:17 tot en met 5:19 Awb worden aan toezichthouders de
                    bevoegdheden verleend om inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden
                    en om zaken en vervoermiddelen te onderzoeken.</al><al><vet><cursief>Bijzondere wetten</cursief></vet></al><al>Bijzondere wetten die de raad bevoegd verklaren of verplichten tot het maken van
                    verordeningen, kunnen op het punt van de aanwijzing van toezichthoudende
                    ambtenaren een eigen regeling bevatten. Die aanwijzing heeft doorgaans tot
                    gevolg dat de aangewezen ambtenaar bepaalde (toezicht-) bevoegdheden
                    krijgt.</al><al><vet><cursief>Toezicht en opsporing</cursief></vet></al><al>De meeste bepalingen van de APV bevatten ge- en verboden. Op de naleving hiervan
                    dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden opgetreden. Dit kan
                    op twee manieren gebeuren: bestuursrechtelijk - door onder andere het toepassen
                    van bestuursdwang dan wel het opleggen van een dwangsom - en strafrechtelijk.
                    Voor beide vormen van handhaving dienen personen te worden aangewezen met
                    toezichthoudende respectievelijk opsporingsbevoegdheden. Alleen voor de
                    aanwijzing van de toezichthouders is een bepaling opgenomen in de APV. De
                    opsporingsambtenaren worden aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het
                    Wetboek van Strafvordering (WvSv).</al><al>Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang, aangezien er een
                    onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij op
                    grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid tussen
                    beide is dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn van enig
                    vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij opsporing wel.
                    Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan of bijvoorbeeld de
                    voorschriften van een vergunning in acht worden genomen. Indien mocht blijken
                    dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld, hoeft dit ook niet
                    automatisch te leiden tot een strafrechtelijke vervolging. Het hanteren van
                    bestuursrechtelijke middelen zoals het intrekken van de vergunning of het
                    toepassen van bestuursdwang vormen in veel gevallen een meer passende
                    reactie.</al><al>Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het bestaan van
                    vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch kan hiervan wel
                    blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding tussen
                    de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het bijzonder
                    wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd. Beide bevoegdheden
                    kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang gezorgd wordt dat de bevoegdheden
                    die samenhangen met het toezicht en de bevoegdheden die samenhangen met de
                    opsporing worden gebruikt waarvoor ze zijn toegekend. Op het moment dat toezicht
                    overgaat in opsporing is het derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen
                    die aan de verdachte toekomen in het kader van de opsporing in acht worden
                    genomen.</al><al>De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn de volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>toezicht heeft betrekking op de naleving van de voorschriften die tot
                            burgers en bedrijven zijn gericht en heeft vaak preventieve werking,
                            opsporing dient gericht te zijn op strafrechtelijke afdoening;</al></li><li nr="-"><al>toezicht is een bestuurlijke activiteit en wordt derhalve genormeerd
                            door de Algemene wetbestuursrecht, de opsporing wordt geregeld in het
                            WvSv.</al></li></lijst><al><vet><cursief>Opsporingsambtenaren</cursief></vet></al><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare feiten
                    belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren hebben een
                    opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten geldt (algemene
                    opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de ambtenaren van de
                    politie. Artikel 142 betreft de buitengewone opsporingsambtenaren die in de
                    regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten
                    (beperkte opsporingsbevoegdheid).</al><al>Op basis van artikel 142, lid 1, onder c, WvSv hebben de volgende - voor de APV
                    relevante - personen opsporingsbevoegdheid:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin
                            bedoelde strafbare feiten worden belast en </al></li><li nr="-"><al>personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de naleving
                            van die verordening, een en ander voorzover het die feiten betreft en
                            die personen zijn beëdigd.</al></li></lijst><al>Tot de eerste groep behoren bijvoorbeeld ambtenaren van bouw- en woningtoezicht.
                    De grondslag van de opsporingsbevoegdheid ligt in de Woningwet.</al><al>De tweede groep betreft de toezichthouders die in de gemeentelijke verordeningen
                    als zodanig worden aangewezen. De aanwijzing dient in de APV te geschieden
                    aangezien artikel 142, eerste lid, sub c, WvSv geen delegatie van de
                    aanwijzingsbevoegdheid toestaat. Tot deze groep behoren bijvoorbeeld milieu en
                    parkeerwachters, belast met het toezicht op de desbetreffende autonome
                    bepalingen in de APV.</al><al>Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het WvSv
                    ontlenen, is een nadere regeling in de APV niet mogelijk. De aanwijzing als
                    toezichthouders in de APV is de grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone
                    opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder
                    zijn. De personen die op grond van dit artikel worden aangewezen, dienen op
                    grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan de volgende
                    voorwaarden te voldoen: 1. zij dienen te voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid
                    en betrouwbaarheid; 2. zij dienen te zijn beëdigd door het College van
                    Procureurs Generaal (volgens art. 18, eerste lid, van het Besluit buitengewoon
                    opsporingsambtenaar).</al><al>De akte van beëdiging bevat een aantal gegevens met betrekking tot de
                    buitengewoon opsporingsambtenaar, waaronder in ieder geval de feiten tot de
                    opsporing waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt. De akte wordt op naam van de
                    desbetreffende ambtenaar gesteld en na de beëdiging aan hem uitgereikt. De akte
                    wordt voor vijf jaar afgegeven. Hierna kan hij worden verlengd, mits de
                    ambtenaar nog voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid.</al><al><vet><cursief>Gemeentelijke verordeningen en opsporing</cursief></vet></al><al>Aan opsporingsambtenaren kan op grond van artikel 149a van de Gemeentewet, met
                    inachtneming van de Awbi, de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen
                    worden verleend (zie verder de toelichting bij artikel 6.3). Hun overige
                    opsporingsbevoegdheden ontlenen zij aan het WvSv. De gemeenteraad heeft
                    hiernaast niet de bevoegdheid om andere opsporingsbevoegdheden te creëren.
                    Ingevolge artikel 1 WvSv mag bij gemeentelijke verordening geen regeling worden
                    gegeven omtrent de opsporing of het bewijs van de in die verordening strafbaar
                    gestelde feiten.</al><al><vet><cursief>Toezichthoudende ambtenaren belasten met
                        opsporing?</cursief></vet></al><al>Gezien het voorgaande zijn toezichthoudende ambtenaren vanuit hun aanstelling in
                    hun functie niet automatisch belast met opsporing. Dit zal in veel gevallen ook
                    niet nodig zijn. Veelal kan volstaan worden met toezichthoudende bevoegdheden.
                    De aanwijzing hoeft dan niet direct in de verordening te geschieden (art.6.2,
                    eerste lid), maar kan aan het college worden gedelegeerd (tweede lid). Indien
                    namelijk de handhaving van bepaalde wettelijke voorschriften voornamelijk
                    bestuursrechtelijk geschiedt (bestuursdwang, dwangsom), is het niet nodig om te
                    beschikken over opsporingsbevoegdheden. Dit is pas vereist indien men
                    strafrechtelijk wil gaan handhaven. In die situatie is het vaak ook niet
                    noodzakelijk om alle toezichthouders opsporingsbevoegdheden te geven. Veelal kan
                    worden volstaan met één of enkele opsporingsambtenaren. Ook kan soms de hulp
                    ingeroepen worden van een algemeen opsporingsambtenaar (ambtenaar van
                    politie).</al><al/><al><vet>Artikel 6.3 Binnentreden woningen</vet></al><al><cursief><vet>Algemeen</vet></cursief></al><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de APV bepaalde plaatsen
                    kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan
                    toezichthouders reeds toegekend voor alle plaatsen met uitzondering van woningen
                    zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis
                    van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde 'huisrecht' regelt. Het
                    betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel
                    waarborgen omkleed. </al><al> Op het betreden van een woning met toestemming van de bewoner zijn deze
                    waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel, zij het wat beperktere,
                    vormvoorschriften van de Awbi (zie de toelichting, Algemene wet op het
                    binnentreden (Awbi), a. vormvoorschriften). </al><al>In de toelichting bij artikel 6.2 is reeds ingegaan op de bevoegdheid om alle
                    plaatsen te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de
                    bewoners. De bevoegdheid voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner
                    kent drie elementen:</al><lijst><li nr="-"><al>de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn
                            verleend;</al></li><li nr="-"><al>de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens
                            de wet te worden aangewezen;</al></li><li nr="-"><al>er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen.</al></li></lijst><al>Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van
                    de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren. </al><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                    verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                    toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met
                    het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij
                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    In artikel 6.3 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid.</al><al>Voor een aantal bepalingen in de APV wordt de bevoegdheid om een woning zonder
                    toestemming van de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een bijzondere
                    wet. Het betreft de volgende artikelen.</al><al>a. artikel 2.1.2.3 inzake betogingen, dat steunt op artikel 4 van de Wet
                    openbare manifestaties (WOM). In artikel 8 van de WOM wordt de bevoegdheid tot
                    het binnentreden van woningen en andere plaatsen geregeld.</al><al>b. de artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.6, de op de artikelen 437 en 437ter van het
                    WvSr gebaseerde gemeentelijke helingsvoorschriften. Artikel 552 van het WvSv
                    bepaalt dat de in artikel 141 bedoelde opsporingsambtenaren (dus niet de
                    buitengewone opsporingsambtenaren) toegang tot elke plaats hebben waarvan
                    redelijkerwijs vermoed kan worden dat zij door een van de daar genoemde
                    ondernemers worden gebruikt; dit geldt zowel voor toezicht als opsporing.</al><al/><al><vet><cursief>Algemene wet op het binnentreden (Awbi)</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Vormvoorschriften</cursief></vet></al><al>In de Awbi zijn de vormvoorschriften opgenomen die een persoon die een woning
                    wil betreden in acht moet nemen. Hij dient: </al><al>- zich te legitimeren (artikel 1 Awbi); </al><al>- mededeling te doen van het doel van het binnentreden (artikel 1 Awbi); </al><al>- te beschikken over een schriftelijke machtiging (artikel 2 Awbi); </al><al>- verslag te maken van het binnentreden (artikel 10 Awbi).</al><al>De in artikel 1 opgenomen voorschriften gelden voor iedere binnentreding, dus
                    ook indien dit gebeurt met toestemming van de bewoner.</al><al>De artikelen 2 tot en met 11 van de Awbi gelden alleen als zonder toestemming
                    van de bewoner wordt binnengetreden. Degene die binnentreedt, dient te
                    beschikken over een machtiging. In deze machtiging is aangegeven in welke woning
                    binnengetreden kan worden. De Awbi gaat daarbij in beginsel uit van een
                    machtiging voor een woning. Zo nodig kunnen in de machtiging echter maximaal
                    drie andere afzonderlijk te noemen woningen worden opgenomen. </al><al>In artikel 3 van de Awbi wordt aangegeven wie een machtiging tot binnentreden
                    kunnen afgeven: de procureur-generaal bij het gerechtshof, de officier van
                    justitie en de hulpofficier van justitie hebben een algemene bevoegdheid hiertoe
                    gekregen. Hiernaast kan ook de burgemeester bevoegd zijn machtigingen te
                    verlenen. Dit is het geval indien het binnentreden in de woning in een ander
                    doel is gelegen dan in het kader van strafvordering (bijvoorbeeld bij
                    woningontruimingen).</al><al>In artikel 5:27 van de Awb is voor het binnentreden zonder toestemming van de
                    bewoner bij de uitoefening van bestuursdwang een andere regeling opgenomen. De
                    bevoegdheid tot het afgeven van de machtiging is daar met uitsluiting van de in
                    de Awbi genoemde functionarissen bij hetzelfde bestuursorgaan gelegd dat de
                    bestuursdwang toepast. Dit betekent dat een college dat bestuursdwang wil
                    uitoefenen, ook de eventueel benodigde machtiging moet afgeven.</al><al>Van het binnentreden dient na afloop een verslag opgemaakt te worden (artikel 10
                    Awbi). </al><al><vet><cursief> Bevoegdheden</cursief></vet></al><al>In de Awbi wordt aan de binnentreder een aantal algemene bevoegdheden toegekend.
                    Degene die bevoegd is een woning zonder toestemming van de bewoner binnen te
                    treden, kan zich daarbij door anderen doen vergezellen (artikel 8, tweede lid,
                    Awbi). Dit is slechts toegestaan voorzover dit voor het doel waartoe wordt
                    binnengetreden vereist is en de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt. Deze
                    personen hoeven zelf niet te beschikken over een machtiging. Het aantal en de
                    hoedanigheid van de vergezellende personen moeten in het verslag worden vermeld;
                    de namen van deze personen hoeven niet vermeld te worden.</al><al>Dat anderen de binnentreder kunnen vergezellen kan noodzakelijk zijn in het
                    belang van de veiligheid van de binnentreder, maar ook indien de nodige
                    werkzaamheden door mensen met een bepaalde vakbekwaamheid moeten worden
                    uitgevoerd.</al><al>Artikel 9 van de Awbi bepaalt dat de binnentredende ambtenaar zich de toegang
                    kan verschaffen indien hij de woning of een deel daarvan afgesloten vindt. Dit
                    geldt ook indien de bewoner wel thuis is, maar zijn medewerking niet wil
                    verlenen. Hierbij kan degene die wil binnentreden zo nodig de hulp van de sterke
                    arm inroepen.</al><al><vet><cursief>Het begrip 'woning' </cursief></vet></al><al>Het huisrecht strekt tot bescherming van het ongestoorde gebruik van de woning.
                    Het begrip woning omvat de ruimten die tot exclusief verblijf voor een persoon
                    of voor een beperkt aantal in een gemeenschappelijke huishouding levende
                    personen ingericht en bestemd zijn. Door het huisrecht wordt dus niet de
                    eigendom of de huur van een woning beschermd.</al><al>Of een ruimte een woning is, wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke
                    kenmerken zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en ander huisraad, maar
                    ook door de daaraan werkelijk gegeven bestemming. Woning is derhalve een ruim
                    begrip, ook een woonboot, stacaravan, tent en keet. kunnen hieronder worden
                    verstaan. Zelfs een hotelkamer kan onder het begrip woning vallen. Een bepaalde
                    ruimte kan ook uit meer woningen bestaan. De verschillende kamers in een
                    woongroep gelden bijvoorbeeld als aparte woningen. Dit geldt ook voor een binnen
                    een woning gelegen kamer van een kamerbewoner.</al><al><vet><cursief>Spoedeisende situaties</cursief></vet></al><al>Artikel 2, derde lid van de Awbi voorziet in de bevoegdheid om in uitzonderlijke
                    omstandigheden zonder machtiging en zonder toestemming de woning binnen te
                    treden. Dit is bijvoorbeeld het geval in situaties waarbij ernstig en
                    onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen dreigt, zoals
                    bij de ontdekking op heterdaad van een geweldsdelict in een woning of de
                    aanwezigheid in een woning van een bewapend persoon die van zijn wapen gebruik
                    zou kunnen maken. De politieambtenaar die geen machtiging op zak heeft en die
                    terstond moet optreden, is dan voor het binnentreden niet op toestemming van de
                    bewoner aangewezen en is bevoegd om zonder toestemming binnen te treden. Men kan
                    ook denken aan gevallen waarin de belangen van de bewoner ernstig worden
                    aangetast. Hierbij kan worden gedacht aan ontdekking op heterdaad van een
                    inbraak in de woning. Indien de opsporingsambtenaar de bewoner, bijvoorbeeld als
                    gevolg van diens afwezigheid, niet om toestemming tot binnentreden kan vragen,
                    is hij bevoegd om ter bescherming van diens belangen zonder machtiging binnen te
                    treden. Onder deze omstandigheden bestaat er dus steeds de noodzaak om terstond
                    op te treden en is binnentreden zonder toestemming zonder machtiging
                    gerechtvaardigd.</al><al>Op het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner, blijft ook
                    bij spoedeisende gevallen de Awbi zo veel mogelijk van toepassing. Het
                    spoedeisende karakter van de situatie is derhalve voornamelijk van invloed op
                    het hebben van een machtiging. Dat betekent dat deze bevoegdheid slechts kan
                    worden uitgeoefend door personen die bij of krachtens de wet bevoegd zijn
                    verklaard zonder toestemming van de bewoner binnen te treden. Van het
                    binnentreden zal een verslag moeten worden gemaakt.</al><al><vet><cursief>Onbevoegd optreden </cursief></vet></al><al>Een ambtenaar die zonder dat hij de bevoegdheid daartoe heeft of zonder dat hij
                    de vormvoorschriften in acht neemt, een woning, lokaal of erf betreedt, dient
                    zich op vordering van de rechthebbende direct te verwijderen. Het niet opvolgen
                    van deze vordering levert het ambtsmisdrijf van artikel 370 WvS. op.</al><al/><al><vet> Artikel 6.4 Inwerkingtreding</vet></al><al>De APV is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf is
                    gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle
                    overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften
                    inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Wel is van belang dat de gemeente gehouden
                    is dit besluit mee te delen aan het parket van het arrondissement waarin de
                    gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet).</al><al>In verband met het bepaalde in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het
                    uiteraard niet mogelijk aan de bepalingen van een strafverordening terugwerkende
                    kracht toe te kennen.</al><al>In het tweede lid van artikel 6.4 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude
                    verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude
                    regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt. </al><al/><al><vet>Artikel 6.5 Overgangsbepaling</vet></al><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen,
                    ontheffingen, enz.al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de
                    inwerkingtreding van deze verordening.</al><al>Dit geldt ook voor de vraag of het oude dan wel het nieuwe recht van toepassing
                    is bij beroepszaken, aanhangig gemaakt voor de inwerkingtreding van het nieuwe
                    recht, maar behandeld na de inwerkingtreding. </al><al><cursief>Eerste en tweede lid</cursief></al><al>In het eerste lid wordt er in beginsel van uitgegaan dat alle bestaande
                    vergunningen, ontheffingen, enz. van kracht blijven tenzij deze al eerder zijn
                    vervallen of ingetrokken.</al><al>Ook de op basis van de oude recht opgelegde voorschriften en beperkingen blijven
                    van kracht (lid 2).</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In het derde lid wordt het nieuwe recht van toepassing verklaard op aanvragen
                    voor een vergunning en ontheffing, die voor de inwerkingtreding van deze
                    verordening zijn ingediend maar waar daarna op wordt beslist. Voorwaarde is wel
                    dat de nieuwe verordening een overeenkomstig gebod of verbod kent.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het oude recht is van toepassing op tijdig ingediende beroep- of
                    bezwaarschriften betreffende vergunningen, ontheffingen, voorschriften of
                    beperkingen, die gebaseerd zijn op het oude recht.</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>In het vijfde lid is bepaald dat de oude vergunning of ontheffing van kracht
                    blijft totdat onherroepelijk op de nieuwe aanvraag is beslist. De termijn die in
                    het eerste lid is genoemd kan hierdoor verlengd worden. Met deze bepaling kan
                    worden voorkomen dat gedurende een bepaalde periode de aanvrager niet in het
                    bezit is van de benodigde vergunning of ontheffing en daardoor, formeel
                    geredeneerd, in overtreding is.</al><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Het zesde lid heeft betrekking op activiteiten waarvoor voor de inwerkingtreding
                    van deze APV geen ontheffing of vergunning nodig was, maar waarvoor dat op grond
                    van de nieuwe APV wel het geval is. Zonder een overgangsregeling zouden deze
                    activiteiten een overtreding van de APV inhouden totdat onherroepelijk positief
                    beslist is op de desbetreffende aanvraag.</al><al><cursief>Zevende lid</cursief></al><al>In het zevende lid is een regeling opgenomen voor de door het college genomen
                    nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten die op grond van de oude
                    APV reeds bestonden. Vereist is uiteraard wel dat de rechtsgrond voor de
                    betreffende nadere regel en het aanwijzingsbesluit ook in de nieuwe verordening
                    terugkomt. Nadere regels en aanwijzingsbesluiten waarvan de grondslag niet in de
                    nieuwe APV terugkomt, vallen niet onder de overgangsbepaling.</al><al/><al><vet>Artikel 6.6 Aanhalingstitel</vet></al><al>Deze bepaling is geformuleerd overeenkomstig de modelbepaling 108, derde lid,
                    van de Adr.</al></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Inhoudsopgave Algemene Plaatselijke Verordening 2010</label></kop><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen </al><al>Artikel 1.2 Beslistermijn </al><al>Artikel 1.3 Indiening aanvraag</al><al>Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen </al><al>Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</al><al>Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing </al><al>Artikel 1.7 Termijnen </al><al>Artikel 1.8 Weigeringsgronden </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Openbare orde</vet></al><al><vet>Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden</vet></al><al>Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden </al><al><vet>Afdeling 2 Betogingen</vet></al><al>Artikel 2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen </al><al><vet>Afdeling 3 Bruikbaarheid van de weg</vet></al><al>Artikel 2.3 Voorwerpen of stoffen op, in of boven de weg </al><al>Artikel 2.4 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg </al><al>Artikel 2.5 Maken en veranderen van een uitweg </al><al><vet>Afdeling 4 Veiligheid op de weg</vet></al><al>Artikel 2.6 Veroorzaken van gladheid </al><al>Artikel 2.7 Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp </al><al>Artikel 2.8 Openen straatkolken e.d. </al><al>Artikel 2.9 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp </al><al>Artikel 2.10 Voorzieningen voor verkeer en verlichting </al><al>Artikel 2.11 Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en </al><al> verlichting</al><al><vet>Afdeling 5 Droppings</vet></al><al>Artikel 2.12 Droppings </al><al><vet>Afdeling 6 Toezicht op evenementen</vet></al><al>Artikel 2.13 Begripsomschrijving </al><al>Artikel 2.14 Evenementen </al><al>Artikel 2.15 Ordeverstoring bij evenementen </al><al><vet>Afdeling 7 Toezicht op horecabedrijven </vet></al><al>Artikel 2.16 Begripsomschrijvingen </al><al>Artikel 2.17 Terrassen </al><al>Artikel 2.18 Sluitingstijden </al><al>Artikel 2.19 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting </al><al>Artikel 2.20 Aanwezigheid in gesloten inrichting </al><al>Artikel 2.21 Ordeverstoring </al><al><vet>Afdeling 8 Toezicht op speelgelegenheden</vet></al><al>Artikel 2.22 Begripsomschrijvingen </al><al>Artikel 2.23 Exploitatievergunning speelgelegenheid </al><al><vet>Afdeling 9 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</vet></al><al>Artikel 2.24 Betreden gesloten woning </al><al>Artikel 2.25 Plakken en kladden </al><al>Artikel 2.26 Vervoer inbrekerswerktuigen </al><al>Artikel 2.27 Hinderlijk gedrag op of aan de weg </al><al>Artikel 2.28 Hinderlijk drankgebruik </al><al>Artikel 2.29 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten </al><al>Artikel 2.30 Neerzetten van fietsen e.d. </al><al>Artikel 2.31 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. </al><al>Artikel 2.32 Slapen op of aan de weg </al><al>Artikel 2.33 Bedelarij </al><al>Artikel 2.34 Loslopende honden </al><al>Artikel 2.35 Verontreiniging door honden </al><al>Artikel 2.36 Gevaarlijke honden </al><al>Artikel 2.37 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren </al><al>Artikel 2.38 Loslopend vee en pluimvee </al><al><vet>Afdeling 10 Vuurwerk/carbid</vet></al><al>Artikel 2.39 Begripsomschrijving </al><al>Artikel 2.40 Bezigen van vuurwerk </al><al>Artikel 2.41 Carbidschieten </al><al><vet>Afdeling 11 Drugsoverlast</vet></al><al>Artikel 2.42 Verbod drugshandel op straat </al><al><vet>Afdeling 12 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al>Artikel 2.43 Veiligheidsrisicogebieden </al><al>Artikel 2.44 Cameratoezicht op openbare plaatsen </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Prostitutie en seksinrichtingen</vet></al><al><vet>Afdeling 1 Begripsomschrijvingen en nadere regels</vet></al><al>Artikel 3.1 Begripsomschrijvingen </al><al>Artikel 3.2 Bevoegd bestuursorgaan </al><al>Artikel 3.3 Nadere regels </al><al><vet>Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.</vet></al><al>Artikel 3.4 Exploitatievergunning seksinrichtingen </al><al>Artikel 3.5 Gedragseisen exploitant en beheerder </al><al>Artikel 3.6 Sluitingstijden </al><al>Artikel 3.7 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting </al><al>Artikel 3.8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder </al><al>Artikel 3.9 Raam- en straatprostitutie </al><al>Artikel 3.10 Sekswinkels </al><al>Artikel 3.11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch- </al><al> pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</al><al><vet>Afdeling 3 Weigeringsgronden</vet></al><al>Artikel 3.12 Weigeringsgronden </al><al><vet>Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</vet></al><al>Artikel 3.13 Beëindiging exploitatie</al><al>Artikel 3.14 Wijziging beheer </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorgvoor het
                        uiterlijk aanzien van de gemeente</vet></al><al><vet>Afdeling 1 Geluidhinder</vet></al><al>Artikel 4.1 Begripsomschrijvingen </al><al>Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten </al><al>Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten </al><al>Artikel 4.4 Overige vormen van geluidhinder </al><al><vet>Afdeling 2 Maatregelen tegen verontreiniging, stankoverlast en
                        ontsiering</vet></al><al>Artikel 4.5 Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg </al><al>Artikel 4.6 Natuurlijke behoefte doen </al><al>Artikel 4.7 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en
                    putten buiten gebouwen</al><al><vet>Afdeling 3 Voorwerpen/stoffen op of aan onroerende zaken </vet></al><al>Artikel 4.8 Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest,
                    ingekuilde landbouwprodukten e.d. </al><al>Artikel 4.9 Handelsreclame </al><al><vet>Afdeling 4 Kamperen buiten kampeerterreinen</vet></al><al>Artikel 4.10 Begripsomschrijving </al><al>Artikel 4.11` Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen </al><al>Artikel 4.12 Aanwijzing kampeerplaatsen </al><al><vet>Afdeling 5 Beschermde planten</vet></al><al>Artikel 4.13 Beschermde planten </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5Andere onderwerpen betreffende de huishouding
                    dergemeente</vet></al><al><vet>Afdeling 1 Parkeerexcessen </vet></al><al>Artikel 5.1 Begripsomschrijvingen </al><al>Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijven e.d. </al><al>Artikel 5.3 Te koop aanbieden van voertuigen </al><al>Artikel 5.4 Defecte voertuigen </al><al>Artikel 5.5 Voertuigwrakken </al><al>Artikel 5.6 Caravans e.d. </al><al>Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen </al><al>Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen </al><al>Artikel 5.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen </al><al>Artikel 5.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen </al><al>Artikel 5.11 Overlast van fietsen en bromfietsen </al><al><vet>Afdeling 2 Collecteren en verkopen</vet></al><al>Artikel 5.12 Inzameling van geld of goed </al><al>Artikel 5.13 Venten e.d. </al><al>Artikel 5.14 Standplaatsen en uitstallingen </al><al><vet>Afdeling 3 Crossterreinen en natuurgebieden </vet></al><al>Artikel 5:15 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 5.15a Crossterreinen </al><al>Artikel 5.16 Beperking verkeer in natuurgebieden </al><al>Artikel 5.17 Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen </al><al><vet>Afdeling 4 Verbod om vuur te stoken / rookverbod</vet></al><al>Artikel 5.18 Verbod afvalstoffen buiten inrichtingen te verbranden of anderszins
                    vuur te stoken </al><al>Artikel 5.19 Rookverbod</al><al><vet>Afdeling 5 Verstrooiing van as</vet></al><al>Artikel 5.20 Begripsomschrijving </al><al>Artikel 5.21 Verbod incidentele asverstrooiing </al><al>Artikel 5.22 Verbod incidentele asverstrooiing ingeval van hinder en overlast </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al>Artikel 6.1 Strafbepaling </al><al>Artikel 6.2 Toezichthouders </al><al>Artikel 6.3 Binnentreden van woningen </al><al>Artikel 6.4 Inwerkingtreding </al><al>Artikel 6.5 Overgangsbepaling </al><al>Artikel 6.6 Aanhalingstitel </al></bijlage></regeling></body></cvdr>