<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR46560_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1997</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Utrecht (Utr)</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad van Utrecht 2008, nr. 36</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1997</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">-</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-06-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging art. 14; toevoeging art. 14.2</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvoorstel jaargang 2008, nr. 105</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuur</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Een herdruk van de Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1997 is verschenen in Gemeenteblad van Utrecht 2008, nr. 37</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1997</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1997,</al><al>waarin opgenomen de eerste wijziging (raadsbesluiten van 2 oktober 1997 en
                        26 juni 2008) </al><al>De raad van de gemeente Utrecht, gelet op het voorstel van b. en w. d.d. 22
                        september 1997</al><al>Besluit</al><al>vast te stellen de volgende:</al><al> EXPLOITATIEVERORDENING </al><al> gemeente Utrecht 1997.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>I:</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Afdeling I: Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1. Begripsbepalingen</al><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>medewerking verlenen aan het in exploitatie brengen van gronden: het
                            door of met medewerking van de gemeente treffen van voorzieningen van
                            openbaar nut, waardoor de in het exploitatiegebied gelegen onroerende
                            zaken gebaat worden;</al><al>exploitatiegebied: een als zodanig aangewezen gebied, waarbinnen de
                            onroerende zaken zijn gelegen die gebaat worden door de voorzieningen
                            van openbaar nut die door of met medewerking van de gemeente worden
                            getroffen;</al><al>exploitant: de eigenaar of rechthebbende van een in het
                            exploitatiegebied gelegen onroerende zaak welke als gevolg van het door
                            of met medewerking van de gemeente treffen van voorzieningen van
                            openbaar nut wordt gebaat en</al><al>kostenbegroting: begroting van kosten en opbrengsten op basis waarvan de
                            door een exploitant verschuldigde exploitatiebijdrage wordt
                            vastgesteld.</al><al>De gemeenteraad kan gebieden aanwijzen die als exploitatiegebied zullen
                            gelden.</al><al>Artikel 2 Voorzieningen van openbaar nut</al><al>Tot het treffen van voorzieningen van openbaar nut waardoor onroerende
                            zaken worden gebaat, worden gerekend:</al><al>de aanleg binnen een exploitatiegebied van de hieronder vermelde werken
                            en werkzaamheden:</al><al>het dempen van sloten en het verrichten van grondwerken met inbegrip van
                            het egaliseren, ophogen en afgraven;</al><al>riolering met inbegrip van bijbehorende werken;</al><al>wegen, parkeergelegenheden, pleinen, trottoirs, voet en rijwielpaden,
                            waterpartijen, watergangen, bruggen, tunnels en andere rechtstreeks met
                            de aanleg van deze voorzieningen van openbaar nut en kunstwerken verband
                            houdende werken;</al><al>plantsoenen en andere groenvoorzieningen, waaronder begrepen de aanleg
                            en inrichting van openbare speelplaatsen en speelweiden alsmede de
                            sierende elementen die rechtstreeks voortvloeien uit een juiste
                            uitvoering van een verzorgd bestemmingsplan;</al><al>openbare verlichting en brandkranen met de nodige aansluitingen;</al><al>het verrichten van bodemonderzoek en sanering, voorzover het de
                            ondergrond van voorzieningen van openbaar nut betreft en voorzover de
                            daarmee verband houdende kosten niet op andere wijze kunnen worden
                            verhaald;</al><al>het treffen van milieutechnisch noodzakelijke maatregelen en
                            voorzieningen van openbaar nut ter uitvoering van een
                            bestemmingsplan;</al><al>alle overige werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor een doeltreffende
                            aanleg van voorzieningen van openbaar nut.</al><al>De aanleg van de onder 1. vermelde werken en werkzaamheden buiten het
                            exploitatiegebied, voorzover de binnen het exploitatiegebied liggende
                            onroerende zaken hierdoor direct dan wel indirect worden gebaat.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Afdeling II: Exploitatie op initiatief van de gemeente</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3 Uitvoering van voorzieningen van openbaar nut</al><al>De in artikel 2 genoemde voorzieningen van openbaar nut worden
                            uitsluitend door de gemeente aangelegd, tenzij deze behoren tot de taken
                            van een ander publiekrechtelijk lichaam.</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen burgemeester en
                            wethouders besluiten de gehele of gedeeltelijke uitvoering van de door
                            de gemeente aan te leggen voorzieningen van openbaar nut aan de
                            exploitant over te laten, indien vaststaat dat een goede uitvoering is
                            gewaarborgd.</al><al>In het geval zoals bedoeld in het tweede lid, is het bepaalde in de
                            artikelen 4 tot en met 8 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 4 Vaststelling kostenverhaalbesluit</al><al>Voordat met het treffen van de in artikel 2 genoemde voorzieningen van
                            openbaar nut wordt aangevangen, wordt door de gemeenteraad een
                            kostenverhaalbesluit vastgesteld, waarin wordt aangegeven op welke wijze
                            en tot welke omvang de aan die voorzieningen verbonden kosten zullen
                            worden verhaald. Het besluit wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel
                            139 van de Gemeentewet.</al><al>Het in het eerste lid genoemde besluit bevat in ieder geval de volgende
                            onderdelen:</al><al>aanduiding van het exploitatiegebied en aanwijzing van de daarin gelegen
                            en gebate onroerende zaken;</al><al>omschrijving van de van gemeentewege uit te voeren voorzieningen van
                            openbaar nut;</al><al>een kostenbegroting verband houdende met de uitvoering van de onder b.
                            genoemde voorzieningen van openbaar nut, zoals bedoeld in artikel 5. In
                            afwijking van het bepaalde in de vorige volzin kan in het besluit, zoals
                            bedoeld in het eerste lid, worden bepaald dat de kostenbegroting op een
                            later tijdstip wordt vastgesteld. Het besluit tot vaststelling van de
                            kostenbegroting wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 139 van de
                            Gemeentewet.</al><al>In het kostenverhaalbesluit wordt aangegeven dat, voor wat betreft de
                            door de gemeente in eigendom verkregen in het exploitatiegebied liggende
                            onroerende zaken, het verhaal van kosten zoveel mogelijk plaatsvindt via
                            gronduitgifte.</al><al>In het kostenverhaalbesluit wordt aangegeven dat, voor wat betreft de
                            niet door de gemeente in eigendom verkregen en in het exploitatiegebied
                            liggende gebate onroerende zaken, het verhaal van kosten in beginsel
                            plaatsvindt op basis van een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 7 van
                            deze verordening. Tevens wordt bepaald dat, ingeval op enigerlei wijze
                            niet kan worden gekomen tot het aangaan van een overeenkomst zoals
                            bedoeld in artikel 7 van deze verordening, het kostenverhaal in daarvoor
                            in aanmerking komende gevallen kan plaatsvinden door middel van de
                            vaststelling van een baatbelasting.</al><al>Artikel 5. De kostenbegroting</al><al>De kostenbegroting bevat in elk geval de volgende gegevens:</al><al>Een raming van de met het verlenen van medewerking aan het in
                            exploitatie brengen van gronden verband houdende kosten, te weten:</al><al>de inbrengwaarde van de binnen het exploitatiegebied gelegen gronden,
                            zijnde de waarde van de grond vermeerderd met de waarde van de
                            opstallen, die voor de verwezenlijking van de bestemming niet
                            gehandhaafd kunnen worden en met de kosten van vrijmaken van opstallen
                            met inbegrip van de zich in de grond bevindende resten, zoals
                            funderingen, leidingen en kabels persoonlijke rechten en lasten,
                            eigendom, bezit of beperkt recht, zakelijke lasten alsmede de kosten van
                            schadevergoedingen;</al><al>de kosten van planontwikkeling, voorbereiding en beheer en toezicht.
                            Onder deze kosten wordt tenminste verstaan: de kosten verband houdende
                            met het opstellen van structuur en bestemmingsplannen, het opstellen van
                            planmatige uitwerkingen of wijzigingen, het vervaardigen van besluiten
                            tot het verlenen van vrijstelling van een bestemmingsplan alsmede van
                            overige planologische maatregelen voor zoveel deze nodig zijn voor het
                            in exploitatie brengen van gronden binnen het exploitatie gebied;</al><al>de kosten van de in artikel 2 genoemde voorzieningen van openbaar nut,
                            voorzover deze verband houden met het verlenen van medewerking aan het
                            in exploitatie brengen van gronden binnen het exploitatiegebied, alsmede
                            de daarmee verband houdende kosten van onderzoeken, voorbereiding en
                            toezicht;</al><al>de kosten van het gemeentelijk apparaat, voorzover dit rechtstreeks aan
                            het in exploitatie brengen van gronden kan worden toegerekend;</al><al>de rente van geïnvesteerde kapitalen en overige lasten verminderd met
                            renteopbrengsten;</al><al>overige kosten die in beginsel ten laste van de grondexploitatie behoren
                            te worden gebracht.</al><al>Een raming van de met het verlenen van medewerking aan het in
                            exploitatie brengen van gronden verband houdende opbrengsten, bestaande
                            uit:</al><al>doelsubsidies;</al><al>verkoop van gronden;</al><al>bijdragen in de kosten van aanleg van voorzieningen van openbaar nut,
                            hetzij via overeenkomst hetzij via baatbelasting;</al><al>overige bijdragen.</al><al>De wijze van toerekening van de totale onder sub 1. en 2. van dit
                            artikellid bedoelde kosten en opbrengsten aan de onroerende zaken in het
                            exploitatiegebied naar de mate van de baat, die de onroerende zaken
                            hebben van het samenhangend geheel van voorzieningen van openbaar nut,
                            zoals bedoeld in artikel 2 van deze verordening. De mate van baat wordt
                            aangeduid met inachtneming van hetgeen hieromtrent in artikel 6 is
                            bepaald.</al><al>Voor de opstelling van de kostenbegroting wordt ervan uitgegaan, dat het
                            exploitatiegebied in zijn geheel door de gemeente in exploitatie zal
                            worden gebracht.</al><al>Periodiek wordt nagegaan of optredende loon en/of prijswijzigingen dan
                            wel andere optredende wijzigingen met betrekking tot het in exploitatie
                            brengen van gronden binnen het exploitatiegebied aanleiding geven om de
                            kostenbegroting te herzien. Het besluit tot herziening van de
                            kostenbegroting wordt bekendgemaakt gemaakt overeenkomstig artikel 139
                            van de Gemeentewet.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid onder 1. sub a. is niet van toepassing
                            ten aanzien van de binnen een exploitatiegebied gelegen gronden die als
                            gevolg van de voorzieningen van openbaar nut niet geschikt worden voor
                            bebouwing.</al><al>Naast het bepaalde in het vierde lid wordt de raming van de in het
                            eerste lid onder 1 sub a. bedoelde inbrengwaarde van de gronden beperkt
                            tot de gronden welke zijn bestemd voor het treffen van voorzieningen van
                            openbaar nut, ingeval sprake is van een exploitatiegebied waarvoor geldt
                            dat de voorzieningen van openbaar nut niet in hoofdzaak gericht zijn op
                            het geschikt maken voor bebouwing van onroerende zaken.</al><al>Artikel 6 Grondslag voor toerekening baat</al><al>Voor de toerekening van de baat wordt als rekeneenheid gebruikt het
                            gemiddelde bedrag van de ten nutte van het exploitatiegebied gemaakte of
                            te maken kosten per m2 grondoppervlakte.</al><al>Onder de grondoppervlakte, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt
                            verstaan de kadastrale oppervlakte van de onroerende zaken, waar
                            mogelijk ingedeeld naar de in een bestemmingsplan opgenomen
                            geprojecteerde kavels (bouw)grond vermenigvuldigd met factoren voor
                            ligging en bestemming en objectieve gebruiksmogelijkheid, waarin de baat
                            van de van gemeentewege getroffen voorzieningen van openbaar nut tot
                            uitdrukking komt.</al><al>Ingeval de toerekening op basis van m<sup>2</sup> grondoppervlakte
                            onvoldoende uitdrukking geeft aan de in het exploitatiegebied opgenomen
                            verschillen in toerekening van baat, geschiedt de toerekening op basis
                            van een nader door de burgemeester en wethouders te bepalen grondslag
                            die voorziet in de aanwezige verschillen in baat.</al><al> Artikel 7 Inhoud exploitatieovereenkomst</al><al>Het verhaal van kosten van het treffen van voorzieningen van openbaar
                            nut vindt, voor wat betreft de in het exploitatiegebied liggende
                            onroerende zaken die niet in eigendom zijn van de gemeente, indien
                            dienaangaande tot overeenstemming kan worden gekomen met de exploitant,
                            plaats op basis van een exploitatieovereenkomst. Van de
                            exploitatieovereenkomst wordt een akte opgemaakt. Indien het afstand
                            doen van gronden, zoals bedoeld in het derde lid onder d., onderdeel
                            uitmaakt van de overeenkomst, wordt hiervan een notariële akte
                            opgemaakt.</al><al>De gemeenteraad besluit tot het aangaan van een exploitatieovereenkomst
                            na vaststelling van een kostenbegroting zoals bedoeld in artikel 5.</al><al>De overeenkomst, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval
                            bepalingen omtrent:</al><al>de aard en omvang van de door de gemeente te treffen voorzieningen van
                            openbaar nut;</al><al>het tijdvak waarbinnen de onder a. genoemde voorzieningen zullen worden
                            uitgevoerd;</al><al>de ten laste van de exploitant komende bijdrage, vastgesteld volgens de
                            artikelen 5 en 6;</al><al>in voorkomende gevallen het afstand doen van gronden aan de gemeente,
                            voorzover die gronden zijn bestemd voor de aanleg c.q. aanpassing van
                            voorzieningen van openbaar nut.</al><al>In het geval toepassing is gegeven aan artikel 3, tweede lid, kan in de
                            exploitatieovereenkomst, onverminderd het gestelde in het derde lid,
                            worden bepaald dat:</al><al>ten behoeve van de door exploitant uit te voeren werken een
                            aannemingsovereenkomst wordt gesloten, waarbij de gemeente als
                            opdrachtgever en de exploitant als aannemer worden aangemerkt, en de
                            directievoering en het toezicht op de door de exploitant uit te voeren
                            werken geschieden door of vanwege de gemeente.</al><al>de aanneemsom in de onder a. genoemde overeenkomst wordt vastgesteld op
                            een proforma-bedrag van EUR 5,00 zulks met inachtneming van hetgeen in
                            artikel 8, derde lid is bepaald.</al><al>Artikel 8 Vaststelling exploitatiebijdrage</al><al>De in artikel 7 genoemde exploitant betaalt als bijdrage in de kosten
                            van voorzieningen van openbaar nut het bedrag dat volgens de in de
                            artikelen 5 en 6 opgenomen wijze aan zijn onroerende zaak wordt
                            toegerekend, vermeerderd met de kosten op de afstand van de in artikel
                            7, derde lid sub d. bedoelde gronden vallende en de kosten van
                            kadastrale uitmeting, verminderd met de inbrengwaarde zoals bedoeld in
                            artikel 5, eerste lid sub 1. onder a. van de bij de exploitant in
                            eigendom zijnde of door exploitant in eigendom te verkrijgen gebate
                            gronden en van de gronden die zijn bestemd voor het treffen van
                            voorzieningen van openbaar nut en door exploitant aan de gemeente worden
                            afgestaan.</al><al>De waarde van de door de exploitant ingebracht grond, zoals bedoeld in
                            het eerste lid, wordt door de gemeente in overeenstemming met de
                            exploitant op basis van taxatie vastgesteld. Bij het ontbreken van
                            overeenstemming wordt de waarde van de gronden vastgesteld door een
                            commissie van drie deskundigen, van wie een aan te wijzen door de
                            gemeente, een door de exploitant en een door de beide reeds aangewezen
                            deskundigen.</al><al>Wordt over de aanwijzing van laatstgenoemde deskundige geen
                            overeenstemming verkregen, dan maken de aangewezen deskundigen tezamen
                            dit bekend aan de opdrachtgevers, waarna de meest gerede partij, onder
                            bekendmaking aan de wederpartij, de kantonrechter in het kanton waartoe
                            de gemeente behoort, kan verzoeken deze deskundige te benoemen.</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit
                            artikel wordt in het geval toepassing wordt gegeven aan artikel 3,
                            tweede lid, de ten laste van de exploitant komende bijdrage als volgt
                            bepaald:</al><al>de bijdrage, zoals deze op grond van de in de artikelen 5 en 6 opgenomen
                            wijze aan zijn onroerende zaak wordt toegerekend, wordt vermeerderd met
                            de kosten op de afstand van de in artikel 7, derde lid sub d. bedoelde
                            gronden vallende en de kosten van kadastrale uitmeting;</al><al>de onder a. genoemde bijdrage wordt verminderd met:</al><al>de inbrengwaarde van alle tot de onroerende zaak van exploitant
                            behorende gronden. Het bepaalde in het tweede lid van dit artikel is van
                            overeenkomstige toepassing;</al><al>het in de kostenbegroting opgenomen bedrag aan kosten zoals bedoeld in
                            artikel 5, eerste lid sub 1. onder b. tot en met f., voorzover de
                            uitvoering van de daarmee verband houdende werken en werkzaamheden voor
                            risico en rekening komt van de exploitant.</al><al>Indien het bepaalde in artikel 5, vierde en/of vijfde lid toepassing
                            heeft verkregen, wordt de ten laste van de exploitant komende bijdrage
                            bepaald op de voet van het eerste en derde lid van dit artikel, met dien
                            verstande dat de in het eerste lid en derde lid onder b. sub 1. bedoelde
                            vermindering beperkt is tot de inbrengwaarde van de gronden die zijn
                            bestemd voor het treffen van voorzieningen van openbaar nut en door
                            exploitant aan de gemeente worden afgestaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Afdeling III: Exploitatie op verzoek van exploitant</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 9 De aanvraag</al><al>Een belanghebbende kan de gemeenteraad verzoeken tot het verlenen van
                            medewerking met betrekking tot het in exploitatie brengen van
                            gronden.</al><al>Bij de aanvraag dient in ieder geval te worden gevoegd:</al><al>een nauwkeurige omschrijving van de in exploitatie te brengen onroerende
                            zaken;</al><al>gegevens waaruit blijkt dat de belanghebbende de eigendom van de in
                            exploitatie te brengen onroerende zaken heeft verkregen of kan
                            verkrijgen;</al><al>gegevens omtrent de door belanghebbende te treffen
                            (bouw)werkzaamheden.</al><al>Ingeval door burgemeester en wethouders een aanvraag voor een
                            bouwvergunning, zoals bedoeld in de Woningwet, eventueel in combinatie
                            met een verzoek om vrijstelling wordt ontvangen, waarbij in geval van
                            verlening van de vrijstelling en/of bouwvergunning van gemeentewege
                            voorzieningen van openbaar nut zoals bedoeld in artikel 2 van deze
                            verordening moeten worden getroffen, wordt dit vóór de beslissing op de
                            aanvraag bekendgemaakt aan de aanvrager. Daarbij wordt een zo nauwkeurig
                            mogelijke raming van de kosten van de in artikel 2 genoemde
                            voorzieningen van openbaar nut verstrekt. Tevens wordt de aanvrager in
                            de gelegenheid gesteld een aanvraag in te dienen bij de gemeenteraad
                            voor medewerking met betrekking tot het in exploitatie brengen van
                            gronden.</al><al>De gemeenteraad beslist binnen zes maanden na ontvangst van de
                            aanvraag.</al><al>Artikel 10 Beslissing op de aanvraag</al><al>De gemeenteraad verleent slechts medewerking aan het op verzoek van
                            exploitant in exploitatie brengen van gronden krachtens een overeenkomst
                            zoals bedoeld in artikel 7.</al><al>De medewerking behoeft niet te worden verleend, indien:</al><al>de in exploitatie te brengen grond niet is gelegen in een gebied
                            waarvoor een bestemmingsplan geldt;</al><al>de door exploitant aangegeven (bouw)werkzaamheden zouden leiden tot
                            strijd met de Woningwet;</al><al>het treffen van de voorzieningen van openbaar nut, hoewel overeenkomstig
                            een bestemmingsplan, anderszins zou leiden tot strijd met belangen van
                            een doeltreffende uitbreiding van bebouwing en/of herinrichting;</al><al>het in exploitatie brengen van grond anderszins tot grote kosten of
                            bezwaren zou leiden, met name ten aanzien van het doeltreffend voorzien
                            in watervoorziening, openbare verlichting, riolering etc.</al><al>De beslissing omtrent een aanvraag kan worden aangehouden:</al><al>ingeval de procedure tot goedkeuring van een van toepassing zijnd
                            bestemmingsplan of herziening daarvan nog niet is afgerond, tot vier
                            weken na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan of herziening
                            daarvan;</al><al>ingeval voorzienbaar is dat de in het tweede lid genoemde belemmeringen
                            binnen afzienbare tijd zullen kunnen worden weggenomen, tot vier weken
                            nadat deze belemmeringen zijn weggenomen.</al><al>Indien een aanvraag is ingekomen met betrekking tot een onroerende zaak,
                            voor welke werken in het daarbij behorende exploitatiegebied reeds een
                            kostenverhaalbesluit, zoals bedoeld in artikel 4, is genomen, maken
                            burgemeester en wethouders dit aan de exploitant bekend. Naast de
                            hiervoor genoemde bekendmaking wordt aan exploitant tevens een
                            ontwerpovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 7, aangeboden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Afdeling IV: Relatie gronduitgifte en andere
                            kostenverhaalinstrumenten</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 11 Relatie baatbelasting</al><al>In een gebied waarvoor een kostenverhaalbesluit, zoals bedoeld in
                            artikel 4, is genomen, zal, indien exploitant een overeenkomst zoals
                            bedoeld in artikel 7 aangaat, in de overeenkomst worden bepaald, dat met
                            betrekking tot de uitvoering van de in deze overeenkomst genoemde
                            voorzieningen van openbaar nut geen aanvullend kostenverhaal op basis
                            van baatbelasting ten laste van de betreffende onroerende zaak zal
                            plaatsvinden.</al><al>Indien een exploitant, in een gebied waarvoor een kostenverhaalbesluit
                            zoals bedoeld in artikel 4 is genomen, niet bereid is tot het aangaan
                            van de in artikel 7 genoemde overeenkomst, maken burgemeester en
                            wethouders aan exploitant bekend dat het kostenverhaal kan plaatsvinden
                            door middel van een baatbelasting, zulks overeenkomstig de bepalingen
                            als opgenomen in het kostenverhaalbesluit.</al><al>Artikel 12 Relatie andere overeenkomsten</al><al>Indien van gemeentewege een overeenkomst wordt aangegaan die naast het
                            kostenverhaal van voorzieningen van openbaar nut ten behoeve van het in
                            exploitatie brengen van gronden nog andere elementen bevat, dan vindt de
                            vaststelling van de via een dergelijke overeenkomst totstandgekomen
                            exploitatiebijdrage in de kosten van voorzieningen van openbaar nut
                            plaats op basis van het gestelde in deze verordening.</al><al>Artikel 13. Relatie gemeentelijke bouwgrondexploitatie</al><al>De bepalingen van deze verordening vinden, voorzover mogelijk,
                            overeenkomstige toepassing bij de kostprijsberekening van de door de
                            gemeente in exploitatie te brengen gronden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Afdeling V: Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 14.1 Uitvoering verordening</al><al>De gemeenteraad kan de uitoefening van zijn bevoegdheden, met
                            uitzondering van de vaststelling van het in artikel 4 genoemd
                            kostenverhaalbesluit, onder nader te stellen regels overdragen aan het
                            college van burgemeester en wethouders.</al><al>Artikel 14.2</al><al>Deze verordening is niet van toepassing op ontwikkelingen waarop de Wet
                            ruimtelijke ordening van toepassing is met ingang van de ingangsdatum
                            van die wet.</al><al>Artikel 15 Overgangsbepalingen</al><al>Ten aanzien van een exploitatiegebied waarvoor geldt dat voor de datum
                            van inwerkingtreding van deze verordening met het treffen van
                            voorzieningen van openbaar nut is aangevangen, deze voorzieningen niet
                            geheel zijn voltooid en waarvoor geen kostenverhaalbesluit of
                            afzonderlijke kostenbegroting is vastgesteld, vinden de bepalingen van
                            deze verordening voor dat exploitatiegebied, voorzover nodig, op een aan
                            die situatie aangepaste wijze toepassing. In elk geval geldt daarbij
                            dat, indien binnen dat exploitatiegebied wordt gekomen tot een
                            exploitatieovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7, de vaststelling van
                            de daarin op te nemen financiële bijdrage geschiedt op basis van een
                            door de gemeenteraad vast te stellen kostenbegroting zoals bedoeld in
                            artikel 5. Het besluit tot vaststelling van de kostenbegroting wordt
                            bekendgemaakt overeenkomstig artikel 139 van de Gemeentewet.</al><al>Ten aanzien van een exploitatiegebied waarvoor geldt dat voor de datum
                            van inwerkingtreding van deze verordening een kostenverhaalbesluit of
                            afzonderlijke kostenbegroting is vastgesteld, blijft de
                            Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1995 van toepassing tot twee
                            jaren nadat de ten behoeve van dat exploitatiegebied getroffen en/of te
                            treffen voorzieningen van openbaar nut geheel zijn voltooid.</al><al>Ten aanzien van een voor de datum van inwerkingtreding van deze
                            verordening ontvangen aanvraag tot het verlenen van medewerking aan het
                            in exploitatie brengen van gronden, waarop voor de datum van
                            inwerkingtreding van deze verordening niet is beslist, blijft de
                            Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1995 van toepassing tot op de
                            aanvraag is beslist, met dien verstande dat, indien tot het treffen van
                            voorzieningen van openbaar nut wordt besloten, laatstgenoemde
                            verordening van toepassing blijft tot twee jaren nadat de te treffen
                            voorzieningen van openbaar nut geheel zijn voltooid.</al><al>Artikel 16 Inwerkingtreding.</al><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand
                            volgende op die, waarin de bekendmaking ingevolge artikel 139 van de
                            Gemeentewet heeft plaatsgevonden.</al><al>Op hetzelfde tijdstip vervalt de Exploitatieverordening gemeente Utrecht
                            1995, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 29 juni 1995 (Gemeenteblad
                            van Utrecht, nr. 22), met dien verstande dat zij van toepassing blijft
                            voor de gevallen zoals bedoeld in artikel 15, tweede en derde lid.</al><al>Artikel 17 Citeertitel</al><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Exploitatieverordening
                            gemeente Utrecht 1997.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 2 oktober
                        1997</ondertekening><ondertekening>De secretaris, De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>Drs A, Vermeulen Mr I.W. Opstelten</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Deze verordening is goedgekeurd bij besluit van gedeputeerde staten van de
                    provincie Utrecht van 24 oktober 1997.</al><al>Publicatie is geschied op 19 november 1997.</al><al>De verordening is in werking getreden op 1 december 1997.</al><al>BIJLAGE A BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2008, NR. 37</al><al>Toelichting op de Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1997</al><al>ALGEMEEN</al><al>Steeds meer wordt de gemeente geconfronteerd met het niet volledig uit kunnen
                    voeren van actieve grondpolitiek. Dit houdt in dat naast de door de gemeente te
                    verwerven gronden, die vervolgens bouwrijp worden gemaakt en tenslotte worden
                    uitgegeven, steeds meer particuliere initiatieven tot grondexploitatie
                    ontstaan.</al><al>In dergelijke situaties, waarbij zowel gemeentelijke als particuliere
                    grondexploitatie plaatsvindt, is de gemeente verantwoordelijk voor de aanleg van
                    de benodigde infrastructurele werken, zoals wegen, straten, riolering etc.</al><al>Door middel van de actieve grondpolitiek worden deze kosten doorberekend aan de
                    netto-uitgeefbare bouwterreinen. In geval van particuliere grondexploitatie is
                    een dergelijke doorberekening niet mogelijk, simpelweg vanwege het feit dat de
                    grond niet in eigendom is van de gemeente.</al><al>Toch is het uit een oogpunt van gelijkheid en rechtszekerheid rechtvaardig, dat
                    ook particuliere grondexploitanten een (financiële) bijdrage leveren in de
                    kosten van de eerdergenoemde voorzieningen. Deze bijdrage wordt dan bepaald op
                    basis van de baat, dat deze (bouw)gronden hebben bij de aanleg van genoemde
                    werken.</al><al>In artikel 42 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) is bepaald, dat de
                    gemeenteraad een verordening behoort vast te stellen, die de voorwaarden bevat,
                    waaronder de gemeente medewerking verleent aan het in exploitatie brengen van
                    gronden. Deze verordening wordt “Exploitatieverordening” genoemd. De verordening
                    is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:</al><al>Voorafgaande aan de realisatie van een bestemmingsplan moet duidelijkheid
                    ontstaan omtrent de risico’s die verbonden zijn aan het niet volledig kunnen
                    verwerven van de betreffende gronden. Aan de hand van deze risico’s zal door
                    middel van een raadsbesluit moeten worden vastgesteld of en zo ja, op welke
                    wijze kostenverhaal zal plaatsvinden. Op deze wijze ontstaat vooraf
                    duidelijkheid voor alle betrokkenen. Deze werkwijze sluit aan bij de op 26 juli
                    1991 in werking getreden wijziging van de gemeentewet-oud, i.c. de wijziging van
                    de bouwgrond- en baatbelasting (Stb. 394). In deze wet wordt het nemen van een
                    bekostigingsbesluit voordat wordt aangevangen met de voorzieningen van openbaar
                    nut, verplicht gesteld. Deze verplichting is eveneens van toepassing op de baat
                    en bouwgrondbelasting, zoals opgenomen in de artikelen 221, respectievelijk 222
                    Gemeentewet, zoals deze gold tot 1 januari 1995. tenslotte is de vaststelling
                    van een bekostigingsbesluit ook van toepassing op de baatbelasting (nieuwe
                    stijl) die in de Gemeentewet is opgenomen ter vervanging van de voorheen
                    geldende baat- en bouwgrondbelasting (zie artikel 222 Gemeentewet, zoals dat
                    luidt per 1 januari 1995). Het opnemen van een kostenverhaalbesluit in de
                    Exploitatieverordening verduidelijkt dan ook de samenhang tussen het
                    kostenverhaal via exploitatieovereenkomst enerzijds en het verhaal op basis van
                    een baatbelasting anderzijds.</al><al>Op basis van het onder a. genoemde uitgangspunt wordt de wijze van toerekening
                    van baat via de methoden van exploitatieovereenkomst en baatbelasting zoveel
                    mogelijk op elkaar afgestemd. Dit betekent dat de in de Exploitatieverordening
                    opgenomen systematiek van baattoerekening is aangepast op en gerelateerd aan de
                    fiscale verhaalsmethode.</al><al>Het onder a. genoemde uitgangspunt brengt met zich mee, dat de
                    exploitatieovereenkomst zowel op initiatief van de gemeente als op basis van een
                    verzoek van exploitant kan worden aangegaan. Gelet op de thans opgenomen
                    werkwijze zal een aanvraag tot het sluiten van een exploitatieovereenkomst in de
                    regel alleen nog voorkomen in situaties, waarbij incidentele voorzieningen
                    moeten worden getroffen, vaak speciaal ten behoeve van exploitant. In de meeste
                    overige gevallen zal immers steeds sprake zijn van een
                    kostenverhaalbesluit.</al><al>De opsomming van de verschillende voorzieningen van openbaar nut is uitgebreid
                    met die werken, die als gevolg van onder meer de milieuwetgeving vaak
                    noodzakelijk zijn ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan.</al><al>Tenslotte wordt opgemerkt, dat de verordening is aangepast aan de gevolgen van
                    de 1<sup>e</sup> en 2<sup>e</sup> tranche van de Algemene wet bestuursrecht per
                    1 januari 1994 en de inwerkingtreding van de Invoeringswet van de Wet materiële
                    belastingenbepalingen Gemeentewet (Stb. 1994, 420) per 1 januari 1995.</al><al> Hieronder volgt een artikelsgewijze toelichting.</al><divisie><kop><label>ARTIKEL</label><nr>1</nr><titel>BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><al>De Exploitatieverordening is van toepassing, indien medewerking wordt
                        verleend aan het in exploitatie brengen van gronden. Hieronder wordt vertaan
                        het van gemeentewege treffen van voorzieningen van openbaar nut, waardoor
                        een onroerende zaak wordt gebaat.</al><al>Met deze definitie wordt aangesloten bij de definitie van de baatbelasting.
                        Dit betekent dat ook in gevallen waarbij voorzieningen worden getroffen
                        waardoor een reeds bebouwde onroerende zaak wordt gebaat, het sluiten van
                        een exploitatieovereenkomst mogelijk is.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat de gemeenteraad gebieden kan aanwijzen, die
                        als een exploitatiegebied zullen gelden. Hiermee wordt het bijvoorbeeld
                        mogelijk onroerende zaken die in het kader van de stads- en dorpsvernieuwing
                        binnen de bebouwde kom worden heringericht etc. in voorkomende gevallen
                        onder de werken van deze verordening te laten vallen.</al></divisie><divisie><kop><label>ARTIKEL</label><nr>2</nr><titel>VOORZIENINGEN VAN OPENBAAR NUT</titel></kop><al>In de omschrijving van de voorzieningen van openbaar nut is, gelet op de
                        vigerende jurisprudentie, de aanleg van rioolwaterzuiveringsinstallaties
                        niet opgenomen. Dergelijke inrichtingen worden –vanwege het doel van deze
                        werken- niet gerekend tot die werken, die nodig zijn voor het in
                            <vet>exploitatie</vet> brengen van gronden.</al><al>Als voorzieningen van openbaar nut worden verder aangemerkt het uitvoeren
                        van bodemonderzoek en –sanering, voorzover dit betrekking heeft op de
                        ondergrond van voorzieningen van openbaar nut en voorzover de daarmee
                        verband houdende kosten niet op een andere wijze kunnen worden verhaald.
                        Hierbij moet met name worden gedacht aan het verhaal van kosten
                        bodemsanering, zoals onder meer is bepaald in de Wet bodembescherming.</al><al>Ingeval kostenverhaal op derden echter niet (geheel) mogelijk is, is het
                        redelijk om de ten laste van de gemeente blijvende nettokosten te verhalen
                        via de gemeentelijke en particuliere grondexploitatie.</al><al>Dit geldt ook voor de maatregelen die op basis van de vigerende
                        milieuwetgeving nodig zijn voor de realisatie van bestemmingsplannen.
                        Gedacht moet worden aan het treffen van geluidwerende voorzieningen, maar
                        ook aan het verwijderen van bedrijvigheid die stankoverlast of andersoortige
                        hinder veroorzaakt.</al><al>Tenslotte is aangegeven, dat ook werken die als zogenaamde “bovenwijkse
                        voorzieningen” worden beschouwd, kunnen worden aangemerkt als voorzieningen
                        van openbaar nut, voorzover deze werken direct dan wel indirect baat
                        opleveren voor de in het exploitatiegebied liggende onroerende zaken. </al><al>De kosten van bovenwijkse voorzieningen worden in de regel via een
                        fondsopslag in de kostprijs verwerkt. Het is daarbij van belang, dat een
                        dergelijke omslag van kosten steeds op een juiste wijze beleidsmatig wordt
                        onderbouwd. Dit kan, indien de gemeente beschikt over een structuurplan,
                        reeds geschieden bij de vaststelling van het structuurplan. De beleidsmatige
                        onderbouwing kan echter zonder bezwaren tevens plaatsvinden op basis van een
                        beleidsnota, waarbij de toerekening van de kosten van bovenwijkse
                        voorzieningen over de diverse toekomstige en eventuele bestaande
                        bestemmingsplannen wordt onderbouwd.</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>II:</nr><titel>Exploitatie op initiatief van de gemeente</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>ARTIKEL</label><nr>3</nr><titel>UITVOERING VAN VOORZIENINGEN VAN OPENBAAR NUT</titel></kop><al>Hoewel het sluiten van een exploitatieovereenkomst nimmer zal kunnen en
                        mogen worden afgedwongen, wordt in dit artikel bepaald dat de eerdergenoemde
                        voorzieningen van openbaar nut alleen door of met medewerking van de
                        gemeente kunnen worden aangelegd. Het primaat met betrekking tot de aanleg
                        van voorzieningen van openbaar nut ligt derhalve bij de gemeente.</al><al>In sommige gevallen zal een particuliere exploitant in staat en bereid zijn
                        tot het zelfstandig treffen van dergelijke voorzieningen van openbaar nut op
                        de gronden die in eigendoom zijn van de exploitant. Aangezien het daarbij
                        steeds gaat om openbare voorzieningen, zal deze particuliere uitvoering
                        allen dan mogelijk zijn, indien garanties aanwezig zijn omtrent met name de
                        kwaliteit van de uitvoering. De door de gemeente te stellen kwaliteitseisen
                        zullen overeen moeten komen met die eisen, die zij zichzelf steeds stelt bij
                        de aanleg van dergelijke voorzieningen. Wel zijn garanties nodig in de vorm
                        van tijdige uitvoering, kwaliteitseisen, garantieregeling in geval van
                        wanprestatie, overdracht van voorzieningen van openbaar nut aan gemeente
                        etc. Dergelijke aanvullende eisen zijn opgenomen in artikel 7, vierde lid
                        van deze verordening. De uitvoering van openbare voorzieningen door de
                        exploitant zal niet betekenen, dat geen financiële bijdrage aan de gemeente
                        verschuldigd is. Ook indien wordt gekomen tot het zelf uivoeren van bepaalde
                        werken, is het redelijk dat alsnog een financiële bijdrage wordt verleend in
                        de kosten van onder meer planvoorbereiding, ambtelijk apparaat, bovenwijkse
                        voorzieningen, alsmede in de (extra) kosten van voorbereiding en toezicht.
                        Ik het derde lid van dit artikel, alsmede in artikel 8, derde lid, is
                        hiervoor een regeling opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>ARTIKEL</label><nr>4</nr><titel>VASTSTELLING KOSTENVERHAALSBESLUIT</titel></kop><al>Kostenverhaal bij bouwgrondexploitatie is in de meeste gevallen aan de orde
                        bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan. In de meester gevallen
                        gaat de gemeente ervan uit alle gronden in een dergelijk plan te zullen
                        verwerven. Deze gronden zullen vervolgens bouwrijp worden gemaakt en worden
                        uitgegeven.</al><al>Steeds meer wordt, vaak pas lopende de realisatie van een bestemmingsplan,
                        duidelijk dat niet alle gronden in eigendom kunnen worden verkregen.</al><al>Ter voorkoming van problemen met betrekking tot het kunnen uitvoeren van
                        kostenverhaal (bijvoorbeeld voorzieningen zijn reeds twee jaar geleden
                        getroffen), alsmede in belang van de rechtszekerheid, is de bepaling
                        opgenomen, dat, voordat met de uitvoering van werken wordt begonnen, door de
                        gemeenteraad wordt bepaald volgens welke strategie de te maken kosten worden
                        verhaald.</al><al>Daarbij wordt aangegeven via aan kostenbegroting welke voorzieningen worden
                        getroffen, alsmede wat de omvang zal zijn van het gebied, dat door deze
                        voorzieningen zal worden gebaat. In sommige gevallen kan dit baatgebied
                        afwijken van het gebied, zoals dat is bepaald via gangbare
                        exploitatieopzet.</al><al>Belangrijk bij het nemen van een kostenverhaalbesluit is de strategie die
                        toegepast zal gaan worden bij het verhaal van de kosten. Uitgangspunt zal
                        daarbij blijven, dat de gemeente de voorkeur uitspreekt voor het zelf
                        aankopen en vervolgens uitgeven van deze gronden. Mocht dit niet lukken, dan
                        zullen de particuliere exploitanten in eerste instantie een
                        exploitatieovereenkomst voorgelegd krijgen, waarmee op basis van
                        wilsovereenstemming tot kostenverhaal kan worden gekomen.</al><al>Mocht men hiertoe niet bereid zijn, dan zal in het besluit worden aangegeven
                        dat aanvullend kostenverhaal via baatbelasting kan plaatsvinden. Onder
                        baatbelasting wordt in deze verordening verstaan: de baatbelasting (nieuwe
                        stijl), die ter vervanging van de tot 1 januari 1995 geldende baat- en
                        bouwgrondbelasting in de Gemeentewet is opgenomen (zie artikel 222
                        Gemeentewet, zoals dat luidt na de inwerkingtreding van de Invoeringswet van
                        de Wet materiële belastingbepalingen Gemeentewet (Stb. 1994, 420)). Hiermee
                        zal dan tevens zijn voldaan aan de in artikel 222 Gemeentewet opgenomen
                        verplichting tot het vaststellen van een bekostigingsbesluit.</al><al>Het kostenverhaalbesluit wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 139
                        Gemeentewet.</al><al>Op grond van artikel 2, sub c. maakt de kostenbegroting onderdeel uit van
                        het kostenverhaalbesluit. In de praktijk is het niet in alle gevallen
                        mogelijk de begrotingscijfers ten tijde van de vaststelling van het
                        kostenverhaalbesluit geheel gereed te hebben. Om deze reden is onder c.
                        bepaald dat de kostenbegroting ook later kan worden vastgesteld. In dat
                        gevel dient de kostenbegroting nog afzonderlijk te worden bekendgemaakt
                        overeenkomstig artikel 139 Gemeentewet.</al></divisie><divisie><kop><label>ARTIKEL</label><nr>5</nr><titel>DE KOSTENBEGROTING</titel></kop><al>In de kostenbegroting zijn de kosten en de opbrengsten, verband houdende met
                        het verlenen van medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden,
                        opgenomen. Benadrukt is dat er een directe relatie aanwezig dient te zijn
                        tussen de verschillende kosten- en opbrengstelementen en het
                        exploitatiegebied. Gezien de diversiteit van de werken en werkzaamheden is
                        het niet mogelijk een limitatieve opsomming van de met de medewerking
                        verband houdende kosten te geven. Dit zal van geval tot geval kunnen
                        verschillen. De wijze van toerekening zal plaatsvinden op basis van de baat,
                        die alle in het exploitatiegebied opgenomen onroerende zaken zullen hebben
                        van de te treffen voorzieningen van openbaar nut. Dit geldt derhalve zowel
                        voor de gronden, die bestemd zijn voor gemeentelijke gronduitgifte, als de
                        gronden, die bestemd zijn voor particuliere exploitatie. De mate van baat
                        kan daarbij onderling variëren als gevolg van verschillen in ligging,
                        bestemming en objectieve gebruiksmogelijkheid van de betreffende onroerende
                        zaak. Het uitgangspunt bij de opstelling van de kostenbegroting zal steeds
                        zijn, dat het totale gebied door de gemeente in exploitatie zal worden
                        gebracht. Hiermee wordt de afstemming bereikt met de uitgangspunten, die
                        zijn neergelegd in de gemeentelijke exploitatieopzet. Belangrijk zal daarbij
                        zijn of de laatstgenoemde exploitatieopzet voldoende rekening heeft gehouden
                        met de verschillen in baat tussen de gebate onroerende zaken. Wij verwijzen
                        hierbij naar het gestelde in artikel 13 van de verordening.</al><al>Opgemerkt wordt dat de in artikel 5 opgenomen eisen zowel gelden voor een
                        kostenbegroting, behorende bij een kostenverhaalbesluit, als voor een
                        begroting, welke naar aanleiding van een aanvraag om medewerking (gebaseerd
                        op afdeling III van de Exploitatieverordening) wordt vastgesteld.</al><al>Uitgangspunt voor de opstelling van de kostenbegroting is dat de
                        inbrengwaarde van alle gebate onroerende zaken een de gronden, bestemd voor
                        de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, in de kostenbegroting wordt
                        opgenomen. Deze inbrengwaarde kan daar mee ook betrekking hebben op
                        onroerende zaken, die door de voorzieningen gebaat worden, maar niet als
                        gevolg van die voorzieningen geschikt worden voor bebouwing. Hierbij kan
                        bijvoorbeeld worden geacht aan bestaande te handhaven bebouwing binnen een
                        exploitatiegebied.</al><al>op grond van het gestelde in het vierde lid wordt bereikt dat de
                        inbrengwaarde van deze gronden niet in de kostenbegroting behoeft te worden
                        opgenomen.</al><al>De aanduiding ‘geschikt worden voor bebouwing” is afkomstig van de tot 1
                        januari 1995 geldende bouwgrondbelasting en maakte onderdeel uit van de drie
                        voor deze belastingen bestaande rechtsgronden (nl. het geschikt worden voor
                        bebouwing, het beter geschikt worden voor bebouwing, alsmede het in een
                        voordeliger positie komen te verkeren van onroerende zaken als gevolg van de
                        te treffen voorzieningen).</al><al>Naast de toepassing in de grondexploitatie is de Exploitatieverordening
                        eveneens van toepassing op het verhaal van kosten van baatopleverende
                        voorzieningen, welke geen onderdaal uitmaken van de grondexploitatie.
                        Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om de herinrichting van centrumgebieden of
                        de aanleg van riolering in het buitengebied. In het vijfde lid is bepaald
                        dat de inbrengwaarde van de gebate objecten niet in de kostenbegroting
                        behoeft te worden opgenomen indien de te treffen voorzieningen in hoofdzaak
                        niet gericht zijn op het geschikt maken voor bebouwing van onroerende zaken.
                        Wel is het mogelijk de inbrengwaarde van de tot voorzieningen van openbaar
                        nut bestemde gronden in de begroting op te nemen.</al><al>De toepassing van het vierde en vijfde lid kan met zich meebrengen dat de in
                        de beide artikelleden beschreven situaties zich ook gelijktijdig kunnen
                        voordoen. Dit zal het geval zijn indien sprake is van bijvoorbeeld de aanleg
                        van een niet tot de grondexploitatie behorende voorzieningen voor onder meer
                        bestaande bebouwing.</al><al><vet>ARTIKEL6 GRONDSLAG VOOR TOEREKENING BAAT</vet></al><al>Om de aansluiting te verkrijgen met de systematiek van vaststelling van de
                        kostprijs bij gronduitgifte is gekozen voor de rekeneenheid van de vierkante
                        meter grondoppervlakte van de gebate onroerende zaken (zowel bebouwd als
                        onbebouwd). Met toepassing van liggings-, bestemmings- en gebruiksfactoren
                        is het mogelijk in nagenoeg alle gevallen te komen tot een verantwoorde
                        baatomslag ter bepaling van de omvang van de exploitatiebijdrage.</al><al>Ingeval de grondoppervlaktemethode in bepaalde gevallen niet tegemoet komt
                        aan de aanwezige baatverschillen, biedt de verordening de mogelijkheid tot
                        vaststelling van een afwijkende grondslag.</al></divisie><divisie><kop><label>ARTIKEL</label><nr>7</nr><titel>INHOUD EXPLOITATIEOVEREENKOMST</titel></kop><al>In dit artikel wordt ervan uitgegaan, dat in navolging van het reeds genomen
                        kostenverhaalbesluit, het sluiten van een exploitatieovereenkomst als eerste
                        en centrale methode van kostenverhaal is aan te merken.</al><al>Wij willen benadrukken, dat het sluiten van een exploitatieovereenkomst
                        –evenals iedere andere overeenkomst- is gebaseerd op wilsovereenstemming.
                        Dit betekent dat een exploitant niet kan worden verplicht tot het sluiten
                        van een exploitatieovereenkomst. De bevoegdheid tot het aangaan van een
                        exploitatieovereenkomst ligt bij de gemeenteraad.</al><al>Hoewel de kostenbegroting later kan worden vastgesteld, dient in alle
                        gevallen de in een overeenkomst opgenomen exploitatiebijdrage te worden
                        vastgesteld op basis van de kostenbegroting. Om deze reden is in artikel 7,
                        tweede lid bepaald dat de gemeenteraad pas kan besluiten tot het aangaan van
                        een exploitatieovereenkomst, nadat de betreffende kostenbegroting is
                        vastgesteld.</al><al>Gezien het bepaalde in artikel 10, eerste lid van de Exploitatieverordening
                        geldt deze voorwaarde ook ingeval de overeenkomst tot stand komt op basis
                        van een aanvraag.</al><al>Indien wordt overgegaan tot het sluiten van een exploitatieovereenkomst,
                        bevat artikel 7 een aantal voorwaarden, waaraan deze overeenkomst moet
                        voldoen. Naast de vaststelling van een financiële bijdrage is in voorkomende
                        gevallen de bepaling opgenomen dat gronden, die bestemd zijn als ondergrond
                        voor voorzieningen van openbaar nut, via deze overeenkomst worden afgestaan
                        aan de gemeente. In de situatie dat er sprake is van een overdracht van
                        gronden, is in het eerste lid de bepaling opgenomen, dat van de overeenkomst
                        een notariële akte wordt opgemaakt.</al><al>In het vierdelid zijn aanvullende bepalingen opgenomen welke kunne worden
                        toegepast, indien de werken geheel of gedeeltelijk worden uitgevoerd door de
                        particuliere exploitant.</al></divisie><divisie><kop><label>ARTIKEL</label><nr>8</nr><titel>VASTSTELLING EXPLOITATIEBIJDRAGE</titel></kop><al>Essentieel bij de vaststelling van de financiële bijdrage is het feit, dat
                        overeenkomstig artikel 5, tweede lid, de kostentoerekening is opgesteld met
                        het uitgangspunt dat het totale exploitatiegebied door de gemeente in zijn
                        geheel in exploitatie zal worden gebracht.</al><al>Dit betekent dat in de kostenbegroting gerekend wordt met een gemiddelde
                        rijs van de inbrengwaarde van alle gronden (ook die van de particuliere
                        eigenaren). Op deze wijze komt een gemiddelde kostprijs tot stand, die
                        daarna –waar nodig- zal worden gecorrigeerd voorverschillen in ligging
                        etc.</al><al>Het zal duidelijk zijn, dat de particuliere exploitant op deze prijs de
                        waarde van de hem toebehorende gronden (zowel ten behoeve van de
                        exploitatie, als ten behoeve van de aanleg van voorzieningen van openbaar
                        nut) in mindering zal mogen brengen. Omdat deze vermindering kan afwijken
                        van de eerdergenoemde gemiddelde grondinbrengprijs, is een regeling nodig
                        voor bindende vaststelling van deze inbrengwaarde. In het derde lid is
                        bepaald op welke wijze de financiële bijdrage wordt vastgesteld, indien de
                        exploitant overgaat tot het geheel of gedeeltelijk zelf uitvoeren van
                        voorzieningen van openbaar nut. In een dergelijke situatie blijft de
                        financiële bijdrage in de regel beperkt tot de kosten, die de gemeente maakt
                        of zal maken in verband met planuitvoering, -voorbereiding en –toezicht,
                        maar ook met betrekking tot voorzieningen die voor het totale plan gelden,
                        dan wel een bovenwijks karakter hebben. De omslag van deze voor rekening van
                        de gemeente blijvende kosten vindt plaats overeenkomstig de in de artikelen
                        5 en 6 beschreven methode, onder verrekening van de inbrengwaarde van alle
                        tot de onroerende zaak van exploitant behorende gronden. </al><al> Daarnaast vindt een vermindering plaats van de daarin opgenomen kosten voor
                        voorzieningen, voorzover deze voorzieningen door de exploitant worden
                        gerealiseerd. Als gevolg van het bepaalde in artikel 5, vierde en vijfde
                        lid, dient de wijze van berekening van de exploitatiebijdrage in die
                        situaties dienovereenkomstig te worden aangepast.</al><al>Aan artikel 8 is een vierde lid toegevoegd, waarin is bepaald dat, indien de
                        in artikel 5, vierde en/of vijfde lid beschreven situatie toepassing heeft
                        verkregen, de wijze van berekening van de bijdrage wordt gehandhaafd, met
                        dien verstande dat de correctie van de inbrengwaarde is beperkt tot de
                        gronden, die bestemd zijn voor het treffen van voorzieningen en door de
                        exploitant aan de gemeente in eigendom worden afgestaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>III:</nr><titel>Exploitatie op verzoek van exploitant</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>ARTIKEL</label><nr>9</nr><titel>DE AANVRAAG</titel></kop><al>Naast het door de gemeente zelf treffen van voorzieningen van openbaar nut
                        kan het voorkomen dat een particuliere exploitant de gemeente verzoekt tot
                        het treffen van voorzieningen. Vaak zullen dit dan incidentele op zichzelf
                        staande voorzieningen zijn, die specifiek betrekking hebben op de onroerende
                        zaak van één of enkele exploitanten.</al><al>Gedacht moet hierbij bijvoorbeeld worden aan de situaties, waarin een
                        tuincentrum de gemeente verzoekt op basis van artikel 19 WRO mee te werken
                        aan de uitbreiding van de winkelruimte door middel van een wijziging van een
                        bestemmingsplan. In dergelijke gevallen kan het voorkomen, dat van
                        gemeentewege wordt gewezen op de noodzaak van uitbreiding van
                        parkeergelegenheid en bijvoorbeeld de aanleg van in- en uitvoegstrook vanaf
                        de openbare weg. Dergelijke voorzieningen kunnen onder de werking van
                        afdeling III van deze verordening worden gebracht.</al><al>In het derde lid van dit artikel is de bepaling opgenomen, dat indien een
                        aanvraag om bouwvergunning (eventueel gecombineerd met een verzoek om
                        vrijstelling ex artikel 19 WRO) wordt ingediend, waarbij in geval van
                        verlenen van een vrijstelling c.q. bouwvergunning van gemeentewege
                        voorzieningen van openbaar nut moeten worden uitgevoerd, dit, voordat over
                        de bouwvergunning wordt beslist, aan de aanvrager bekend wordt gemaakt.</al><al>De aanvrager zal daarbij een raming ontvangen van de door de gemeente te
                        maken kosten. Aan de hand van deze gegevens is aanvrager in staat
                        voorafgaand aan de beslissing over de bouwaanvraag een financiële afweging
                        te maken van de aan deze exploitatie verbonden kosten. De aanvrager wordt op
                        dat moment in staat gesteld alsnog een aanvraag in te dienen tot het aangaan
                        van een exploitatieovereenkomst.</al></divisie><divisie><kop><label>ARTIKEL</label><nr>10</nr><titel>BESLISSING OP AANVRAAG</titel></kop><al>Aangegeven is dat de medewerking tot het treffen van voorzieningen alleen
                        kan worden verleend door middel van het sluiten van een overeenkomst op
                        basis van artikel 7 van de verordening.</al><al>Daarnaast is een viertal facultatieve gronden opgenomen, waaronder de
                        medewerking kan worden geweigerd. Tevens is een mogelijkheid tot aanhouding
                        van de aanvraag opgenomen in gevallen, waarin de procedure van de
                        vaststelling/goedkeuring van een onderliggend bestemmingsplan nog niet is
                        afgerond.</al><al>Tenslotte is de bepaling opgenomen, dat, ingeval een aanvraag is ontvangen
                        voor een gebied waarvoor reeds een kostenverhaalbesluit is genomen door de
                        gemeenteraad, laatstgenoemd besluit aan de exploitant bekend wordt
                        gemaakt.</al><al>Deze bekendmaking zal mede inhouden dat de gemeenteraad reeds eerder heeft
                        aangegeven, dat de onderhavige onroerende zaak wordt gebaat door het treffen
                        van voorzieningen van openbaar nut en het om die reden gerechtvaardigd is
                        dienaangaande kostenverhaal toe te passen. Derhalve zou ook zonder het
                        insturen van een aanvraag de gemeente reeds op eigen initiatief zijn gekomen
                        met een exploitatieovereenkomst.</al><al>Een en ander betekent, dat de reeds voorgenomen aanbieding van een
                        ontwerpexploitatieovereenkomst direct kan plaatsvinden.</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>IV:</nr><titel>Relatie gronduitgifte en andere kostenverhaalinstrumenten</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>ARTIKEL</label><nr>11</nr><titel>RELATIE BAATBELASTING</titel></kop><al>In het eerste lid wordt uit een oogpunt van rechtszekerheid aangegeven, dat
                        in een te sluiten exploitatieovereenkomst de bepaling wordt opgenomen, dat
                        met betrekking tot de uitvoering van die werken geen aanvullend fiscaal
                        verhaal zal plaatsvinden. Een dergelijke bepaling is niet in strijd met de
                        Grondwet (i.c. privilegeverbod bij belastingen), omdat de wijze van
                        toerekening via exploitatieovereenkomst overeenstemt met de wijze van
                        toerekening bij een eventueel toe te passen fiscaal verhaal.</al><al>Aan de ander kant is het uit een oogpunt van rechtszekerheid gewenst, dat,
                        indien de exploitant niet bereid is tot het aangaan van een
                        exploitatieovereenkomst, hem wordt medegedeeld, dat overeenkomstig het
                        eerder genomen kostenverhaalbesluit door de gemeenteraad over kan worden
                        gegaan tot het instellen van een baatbelasting.</al></divisie><divisie><kop><label>ARTIKEL</label><nr>12</nr><titel>RELATIE ANDERE OVEREENKOMSTEN</titel></kop><al>Steeds meer komt het voor, dat door de gemeente overeenkomsten worden
                        gesloten met meerdere marktpartijen tot samenwerking in een bepaald project.
                        Wij spreken dan van een publiek-private samenwerking (PPS).</al><al>Dergelijke overeenkomsten omvatten, naast elementen van kostenverhaal van
                        voorzieningen van openbaar nut, vaak nog totaal andere elementen. Ter
                        voorkoming van onnodig complexe contracten worden deze elementen vaak alle
                        tezamen in één overeenkomst opgenomen.</al><al>In dit artikel is bepaald, dat het sluiten van dergelijke overeenkomsten
                        geen bezwaar behoeft op te leveren, mits de vaststelling maar geschiedt op
                        basis van het gesteld in deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>ARTIKEL</label><nr>13</nr><titel>RELATIE GEMEENTELIJKE BOUWVERORDENING</titel></kop><al>Op basis van dit artikel wordt aangegeven dat de wijze van toerekening van
                        de kosten van voorzieningen van openbaar nut, zoals opgenomen in deze
                        verordening, zoveel mogelijk zal worden toegepast bij de kostprijsberekening
                        bij gemeentelijke gronduitgifte. In beginsel is de methodiek van
                        “baattoerekening”, zoals beschreven in de artikel 5 en 6 van deze
                        verordening, te onderscheiden van de methodiek van berekening van de
                        gronduitgifteprijzen, indien wordt overgegaan tot gemeentelijke
                        grondexploitatie. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is
                        het van uitermate groot belang, dat het verhaal van kosten via de
                        gemeentelijke gronduitgifte is afgestemd op het niveau van kostenverhaal via
                        toepassing van de Exploitatieverordening c.q. via baatbelasting. Dit
                        betekent niet dat de gronduitgifteprijs gelijk behoeft te zijn aan de
                        bruto-financiële bijdrage, zoals bepaald in artikel 8 van de verordening.
                        Laatstgenoemd prijs is, naast de hoogte van de kostprijs, afhankelijk van de
                        economische marktsituatie, aanwezige concurrentieverschillen etc.</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>V:</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>ARTIKEL</label><nr>14</nr><titel>UITVOERING VERORDENING</titel></kop><al>De bevoegdheid tot het aangaan van een exploitatieovereenkomst, ongeacht of
                        dit geschiedt op initiatief van de gemeente of van de exploitant, berust in
                        beginsel bij de gemeenteraad. Via dit artikel wordt de mogelijkheid geboden
                        deze bevoegdheid over te dragen aan burgemeester en wethouders.</al><al>Een uitzondering wordt daarbij gemaakt voor de vaststelling van het
                        kostenverhaalbesluit, zoals bedoeld in artikel 4 van de verordening. De
                        besluitvorming met betrekking tot de te voeren grond- en
                        kostenverhaalstrategie behoort bij uitstek toe aan het beleidsbepalend
                        orgaan i.c. de gemeenteraad. </al><al> Daarnaast moet erop worden gewezen dat het kostenverhaalbesluit tevens de
                        functie vervult van het zogenaamd “bekostigingsbesluit” als voorwaarde voor
                        de invoering van een baatbelasting. De bevoegdheid tot vaststelling van het
                        bekostigingsbesluit is op grond van wettelijke bepalingen voorbehouden aan
                        de gemeenteraad.</al></divisie><divisie><kop><label>ARTIKEL</label><nr>15</nr><titel>OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><al>De overgangsbepaling in het eerste lid is bedoeld voor die situaties,
                        waarbij op het moment van inwerkingtreding van de Exploitatieverordening
                        reeds een aanvang is gemaakt met de uitvoering van voorzieningen van
                        openbaar nut. Artikel 4 gaat ervan uit dat het nemen van een
                        kostenverhaalbesluit moet plaatsvinden voordat met de aanleg van
                        voorzieningen van openbaar nut wordt aangevangen.</al><al>Bepaald is dat de verordening ook van toepassing is in exploitatiegebieden,
                        waarin op de datum van inwerkingtreding de te treffen voorzieningen van
                        openbaar nut niet zijn voltooid, en voor welke gebieden geen
                        kostenverhaalbesluit zoals bedoeld in artikel 4 is genomen. Hetzelfde geldt
                        voor exploitatiegebieden, waarvoor geen kostenverhaalbesluit, maar, indien
                        de voorheen geldende exploitatieverordening daarin voorzag, een
                        afzonderlijke kostenbegroting (op grond van het in de voorheen geldende
                        verordening opgenomen overgangsrecht) is vastgesteld.</al><al>De toepassing van de bepaling in het eerste lid zal bijvoorbeeld aan de orde
                        zijn in exploitatiegebieden ten behoeve waarvan vóór de datum van
                        inwerkingtreding van de verordening een bekostigingsbesluit (zoals bedoeld
                        in artikel 222 Gemeentewet) ten behoeve van een mogelijk in te stellen
                        baatbelasting is vastgesteld. Daarnaast voorziet de bepaling in het eerste
                        lid erin, dat de verordening ook kan worden toegepast voor in uitvoering
                        zijnde exploitatiegebieden, waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van
                        de verordening niet reed een bekostigingsbesluit was vastgesteld.</al><al>Om in dergelijke situaties (bij het ontbreken van een kostenverhaalbesluit
                        of afzonderlijke kostenbegroting) toch te kunnen komen tot het aangaan van
                        een exploitatieovereenkomst, is bepaald dat de regels van deze verordening
                        op een zoveel mogelijk aan deze afwijking aangepaste wijze van toepassing
                        zijn. Hierbij geldt in ieder geval dat de hoogte van de in de overeenkomst
                        op te nemen bijdrage wordt bepaald op basis van een door de gemeenteraad
                        vast te stellen kostenbegroting., die voldoet aan de in artikel 5 gestelde
                        eisen. In navolging op het gestelde in artikel 4, eerste lid, dient ook de
                        vast te stellen kostenbegroting bekend te worden gemaakt, overeenkomstig
                        artikel 139 Gemeentewet.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat de exploitatieverordening, zoals deze gold
                        voor de inwerkingtreding van onderhavige verordening, van toepassing blijft
                        voor exploitatiegebieden, waarvoor eerder een kostenverhaalbesluit of,
                        voorzover (het overgangsrecht van) de voorheen geldende verordening daarin
                        voorzag, een afzonderlijke kostenbegroting is vastgesteld.</al><al>Dit heeft tot gevolg dat op basis van dergelijke kostenverhaalbesluiten of
                        afzonderlijke kostenbegrotingen te sluiten overeenkomsten worden gebaseerd
                        op de bepalingen, als opgenomen in de voorheen geldende
                        exploitatieverordening. De duur van de toepassing is bepaald tot twee jaren
                        nadat de getroffen en/of te treffen voorzieningen van openbaar nut geheel
                        zijn voltooid. Deze termijn komt overeen met de termijn waarbinnen uiterlijk
                        tot een baatbelasting, zoals bedoeld in artikel 222 Gemeentewet, dient te
                        worden besloten.</al><al>Ten aanzien van de datum van inwerkintreding van de onderhavige
                        Exploitatieverordening ontvangen aanvragen tot het verlenen van medewerking
                        aan het in exploitatie brengen van gronden, waarop niet voor de
                        inwerkingtreding is beslist, is voor de behandeling van de aanvraag de
                        exploitatieverordening, zoals deze gold voor de inwerkingtreding van de
                        onderhavige verordening, van toepassing. De duur van de toepassing is
                        bepaald totdat op de aanvraag is beslist. In het geval de beslissing leidt
                        tot het treffen van voorzieningen, is de duur van de toepassing bepaald tot
                        twee jaren nadat de te treffen voorzieningen geheel zijn voltooid. Ook in
                        dat geval geldt dat een op basis van een zodanige aanvraag te sluiten
                        overeenkomst wordt gebaseerd op de bepalingen, zoals opgenomen in de
                        voorheen geldende exploitatieverordening.</al><al>Behoort bij raadsbesluit van 2 oktober 1997.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><tussenkop>BIJLAGE B BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2008, NR. 37</tussenkop><tussenkop>Kostenverhaalbesluit bestemmingsplan Leidsche Rijn</tussenkop><al>De raad der gemeente Utrecht,</al><al>overwegende;</al><al>dat de realisatie van bestemmingsplan Leidsche Rijn bij voorkeur geschiedt door
                    middel van minnelijke verwerving van de benodigde gronden op basis van de door
                    de gemeente gehanteerde uitgangspunten ten aanzien van prijsstelling en tempo,
                    op zodanige wijze dat de voorgenomen gefaseerde uitvoering van het
                    bestemmingsplan hierdoor niet wordt belemmerd;</al><al>dat in daartoe aanleiding gevende situaties, waarin niet kan worden gekomen tot
                    een minnelijke verwerving en waarbij gebleken is van voldoende noodzaak en
                    urgentie om tijdig over de betreffende gronden te kunnen beschikken ter
                    uitvoering van het bestemmingsplan Leidsche Rijn, zal kunnen worden overgegaan
                    tot onteigening;</al><al>dat de kosten in verban met de aanleg van voorzieningen van openbaar nut,
                    voortvloeiende uit de realisatie van voornoemd bestemmingsplan, naar
                    evenredigheid van verkregen profijt dienen te worden omgeslagen over die
                    onroerende zaken die als gevolg van deze voorzieningen worden gebaat;</al><al>dat het verhaal van kosten van deze voorzieningen in voorkomende gevallen zal
                    plaatsvinden via uitgifte van de door de gemeente verworden gronden;</al><al>dat, ingeval het roerende zaken betreft die in eigendom zijn van derden, die als
                    gevolg van het in het kader van voornoemd bestemmingsplan aan te leggen
                    voorzieningen worden gebaat, het noodzakelijk is te komen tot vaststelling van
                    het ten behoeve van het bestemmingsplan Leidsche Rijn te voeren
                    kostenverhaalbeleid, waarbij tevens een aanduiding wordt gegeven van het
                    exploitatiegebied en de mate waarin de kosten, verband houdende met de aanleg
                    van voorzieningen, zullen worden verhaald;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 oktober 1997</al><al>gelet op artikel 222, tweede lid juncto artikel 139 van de Gemeentewet, alsmede
                    gelet op artikel 4 juncto artikel 14 van de Exploitatieverordening gemeente
                    Utrecht 1997 (Gemeenteblad van Utrecht 1997, nr, 20);</al><tussenkop>BESLUIT:</tussenkop><al>vast te stellen het</al><al><vet>KOSTENVERHAALBESLUIT</vet> bestemmingsplan Leidsche Rijn.</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Algemeen</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het gebied waarbinnen de onroerende zaken zijn gelegen, die
                                    worden gebaat als gevolg van de door of met medewerking van de
                                    gemeente te treffen voorzieningen van openbaar nut ten behoeve
                                    van het bestemmingsplan Leidsche Rijn, aan te duiden
                                    overeenkomstig de bij dit besluit behorende en gewaarmerkte
                                    kaart.</al></li><li nr="b."><al>dat de voorzieningen, als bedoeld onder a. in ieder geval de
                                    volgende werken omvatten:</al><lijst><li nr="1."><al>het verwerven dan wel het beschikbaar stellen van de
                                            ondergrond van de aan te leggen voorzieningen van
                                            openbaar nut;</al></li><li nr="2."><al>grondwerken, waaronder het ophogen en egaliseren ten
                                            behoeve van de voorzieningen van openbaar nut;</al></li><li nr="3."><al>de aanleg van rioleringen met inbegrip van bijbehorende
                                            werken;</al></li><li nr="4."><al>wegen, parkeerterreinen, pleinen en overige
                                            verhardingen;</al></li><li nr="5."><al>kunstwerken, waaronder viaducten, tunnels,
                                            parkeervoorzieningen;</al></li><li nr="6."><al>voet- en rijwielpaden, trottoirs, straatmeubilair;</al></li><li nr="7."><al>openbare verlichting, brandkranen met de nodige
                                            aansluitingen;</al></li><li nr="8."><al>plantsoenen, speelvoorzieningen en andere
                                            groenvoorzieningen;</al></li><li nr="9."><al>waterhuishoudkundige voorzieningen met inbegrip van
                                            drainagevoorzieningen;</al></li><li nr="10."><al>bruggen, watergangen, waterpartijen en dergelijke;</al></li><li nr="11."><al>overige rechtstreeks met de aanleg en inrichting van
                                            deze voorzieningen verbandhoudende werken;</al></li><li nr="12."><al>overige werken welke rechtstreeks voortvloeien uit een
                                            juiste uitvoering van een verzorgd bestemmingsplan;</al></li><li nr="13."><al>de aanleg van de 1. t/m 12. genoemde voorzieningen van
                                            openbaar nut buiten het exploitatiegebied voorzover de
                                            binnen het exploitatiegebied gelegen gronden door deze
                                            voorzieningen worden gebaat.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2."><al><vet>Kostenverhaal via exploitatieovereenkomst</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het verhaal van kosten van de door of met medewerking van de
                                    gemeente aan te leggen voorzieningen van openbaar nut, ingeval
                                    het onroerende zaken betreft die in eigendom zijn van derden, in
                                    voorkomende gevallen te doen plaatsvinden op basis van een
                                    overeenkomst zoals bedoeld in artikel 7 van de
                                    Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1997, met de eigenaar of
                                    rechthebbende van een onroerende zaak zoals opgenomen in het
                                    onder artikel 1.a. genoemde exploitatiegebied.</al></li><li nr="b."><al>Dat de kosten c.q. opbrengsten verband houdende met de aanleg
                                    van de onder artikel 1.b. genoemde voorzieningen van openbaar
                                    nut worden opgenomen in de door de gemeenteraad nog vast te
                                    stellen gewaarmerkte kostenbegroting, zulks onder het voorbehoud
                                    van eventuele latere herzieningen van voornoemde begroting,
                                    overeenkomstig het gesteld in de artikelen 5 en 6 van de
                                    Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1997.</al></li><li nr="c."><al>De opstelling, aanbieding en het mogelijk daaruit voortvloeiend
                                    aangaan van de onder artikel 2.a. genoemde overeenkomst over te
                                    dragen aan burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="d."><al>Dat van de aanbieding, alsmede van het mogelijk daaruit
                                    voortvloeiend aangaan van de onder artikel 2.a. genoemde
                                    overeenkomst aan de gemeenteraad mededeling wordt gedaan in haar
                                    eerstvolgende vergadering.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><vet>Kostenverhaal via baatbelasting</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Dat het verhaal van kosten van de door of met medewerking van de
                                    gemeente aan te leggen voorzieningen van openbaar nut, indien
                                    die kosten niet bij een overeenkomst aan de gemeente zijn of
                                    worden voldaan, zal plaatsvinden via de heffing van een
                                    baatbelasting, die zal worden opgelegd aan de genothebbende
                                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende
                                    zaken, zoals opgenomen in het onder artikel 1.a. genoemd gebied.
                                </al></li><li nr="b."><al>De mate waarin de kosten van de onder artikel 1.b. genoemde
                                    voorzieningen van openbaar nut via een baatbelasting zullen
                                    worden verhaald, vast te stellen op 100% van de kosten zoals
                                    opgenomen in de bij dit besluit behorende en gewaarmerkte
                                    indicatieve kostenbegroting, zulks onder de bij de latere
                                    baatbelastingverordening vast te stellen regels met betrekking
                                    tot onder meer de definitieve omvang en verdeling van die kosten
                                    naar rato van de verkregen of te verkrijgen baat over de in het
                                    onder artikel 1.a. genoemd gebied gelegen onroerende zaken.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al><vet>Bekendmaking besluit</vet></al></li></lijst><al>De inhoud van dit besluit (dat kan worden aangehaald als: Kostenverhaalbesluit
                    bestemmingsplan Leidsche Rijn) bekend te maken overeenkomstig artikel 139
                    Gemeentewet.</al><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 27 november
                    1997.</al><al>De secretaris, De burgemeester,</al><al>Drs. A. Vermeulen Mr. I.W. Opstelten</al><tussenkop>Bekendmaking is geschied op 3 december 1997.</tussenkop><tussenkop>Het besluit is in werking getreden op 4 december 1997.</tussenkop><al>Bijlagen: kaart van het exploitatiegebied (tekening nummer A 31.090)</al><al> toelichting op het kostenverhaalbesluit.</al><tussenkop>Toelichting, behorende bij het Kostenverhaalbesluit bestemmingsplan
                    Leidsche Rijn d.d. 27 november 1997</tussenkop><al>1.<vet>Inleiding</vet></al><al>Het uitgangspunt voor de realisatie van bestemmingsplan Leidsche Rijn is het
                    voeren van actieve grond[politiek. Dit betekent, dat gestreefd wordt naar een
                    volledige verwerving van de benodigde gronden, die vervolgens bouwrijp worden
                    gemaakt en ten slotte worden uitgegeven aan derden. Steeds vaker ontstaan echter
                    particuliere initiatieven tot grondexploitatie. In een situatie waarin zowel
                    gemeentelijke als particuliere grondexploitatie plaatsvindt, is de gemeente
                    verantwoordelijk voor de aanleg van de benodigde infrastructurele werken, zoals
                    wegen, straten, riolering etc.</al><al>De met de aanleg van deze werken verband houdende kosten worden in beginsel via
                    de uitgifteprijs van de grond doorberekend aan de toekomstige grondeigenaren.
                    Indien echter initiatieven worden ontplooid voor particuliere grondexploitatie
                    of onroerende zaken anderszins als gevolg van de door de gemeente aan te leggen
                    voorzieningen worden gebaat, is een dergelijke doorberekening niet
                    mogelijk.</al><al>De noodzaak tot het eventueel moeten instellen van kostenverhaal ten aanzien van
                    particuliere eigendommen bij bouwgrondexploitatie manifesteert zich vaak pas
                    lopende de uitvoering van een bestemmingsplan. In een dergelijke situatie wordt
                    tussentijds duidelijke, dat de betreffende gronden niet kunnen worden verworven.
                    Op dat moment is het noodzakelijk dat kan worden beschikt over een adequaat
                    kostenverhaalinstrumentarium.</al><al>De verwevenheid tussen de grondverwerving en de toepassing van kostenverhaal
                    brengt met zich mee, dat voorafgaand aan de uitvoering van de geplande
                    voorzieningen van openbaar nut, de strategie die toegepast zal worden bij de
                    uitvoering van het kostenverhaalbesluit, aan alle belanghebbenden kenbaar wordt
                    gemaakt. De vertaling van deze strategie vindt plaats door middel van een door
                    de gemeenteraad genomen kostenverhaalbesluit, zoals bedoeld in artikel 4 van de
                    Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1997.</al><al>Uitgangspunt binnen deze strategie zal blijven dat de gemeente de voorkeur
                    uitspreekt voor het verwerven en uitgeven van deze gronden. Mocht dit niet
                    lukken, dan zullen de particuliere exploitanten, die beschikken over een
                    onroerende zaak, die door deze voorzieningen wordt gebaat, in eerste instantie
                    een exploitatieovereenkomst voorgelegd krijgen, die is gebaseerd op de
                    Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1997.</al><al>indien men niet bereid zou zijn tot het aangaan van deze overeenkomst, dan is
                    aangegeven dat aanvullend kostenverhaal via een baatbelasting, zoals bedoeld in
                    artikel 222 Gemeentewet, kan worden ingesteld.</al><al>De vaststelling van het kostenverhaalbesluit betekent eveneens, dat daarmee
                    wordt voldaan aan de eisen die overeenkomstig artikel 222, tweede lid,
                    Gemeentewet zijn gesteld aan het zgn. “bekostigingsbesluit”. Het
                    bekostigingsbesluit is in zijn werking beperkt tot het fiscaal kostenverhaal,
                    terwijl het kostenverhaalbesluit daarentegen betrekking heeft op zowel het
                    privaatrechtelijk als het fiscaal kostenverhaal.</al><al>Het kostenverhaalbesluit beoogt door middel van het vooraf formuleren van de te
                    voeren kostenverhaalstrategie die rechtszekerheid te bieden, dat de eigenaren
                    van een onroerende zaak in het onder artikel 1.a. van het besluit aangeduide
                    gebied ervan uit kunnen gaan dat van hen een bijdrage wordt verland in de door
                    de gemeente te maken kosten van voorzieningen, zulks naar rato van de baat of
                    het profijt dat deze onroerende zaken van deze voorzieningen zullen hebben.</al><al>De uiteindelijke vaststelling van het individuele profijt vindt plaats bij de
                    aanbieding van een exploitatieovereenkomst, dan wel via de eventuele latere
                    heffing van een baatbelasting.</al><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>2.<vet>Aanduiding exploitatiegebied</vet></al><al>Onder artikel 1.a. van dit besluit wordt een aanduiding gegeven van het gebied,
                    waarin de onroerende zaken zijn gelegen die als gevolg van het treffen van
                    voorzieningen van het openbaar nut worden gebaat. Op de bij dit besluit
                    behorende kaart is dit gebied nader aangeduid.</al><al>De gebiedaanduiding dienst als basis voor de vaststelling van het
                    exploitatiegebied ten behoeve van zowel de toepassing van de gemeentelijke
                    exploitatieverordening, als voor de toepassing van een eventueel later vast te
                    stellen baatbelastingverordening.</al><al>De aangegeven gebiedaanduiding is van zodanige aard, dat op basis van de thans
                    bestaande uitgangspunten (zoals de aard en wijze van uitvoering van de onder
                    artikel 1.b. genoemde voorzieningen van openbaar nut) een betrouwbaar beeld kan
                    worden gegeven van het gebate gebied.</al><al>Uit de gebedaanduiding kunnen geen rechten worden ontleend omtrent de
                    vaststelling van de individuele baat of het individuele profijt voor een
                    specifiek daarin opgenomen onroerende zaak. Het individuele profijt wordt bij
                    toepassing van de gemeentelijke exploitatieverordening, overeenkomstig de regels
                    zoals opgenomen in de artikelen 5 tot en met 8 van de Exploitatieverordening
                    gemeente Utrecht 1997.</al><al>Het individuele profijt wordt bij de toepassing van het fiscaal kostenverhaal
                    bepaald op het moment van de oplegging van de baatbelastingaanslag,
                    overeenkomstig de heffingsgrondslag en het tarief, zoals opgenomen in een in dat
                    geval nog vast te stellen Verordening op de baatbelasting.</al><al>3.<vet>Omschrijving voorzieningen van openbaar nut</vet></al><al>Ter ondersteuning van de profijt- of baatdefinitie is onder artikel 1.b. een
                    globale omschrijving opgenomen van die werken, die in het kader van de
                    realisatie van het bestemmingsplan Leidsche Rijn zullen leiden tot baat voor de
                    onroerende zaken, zoals opgenomen onder artikel 1.a. </al><al> Daarbij is gekozen voor een zodanig ruime omschrijving, dat eventuele
                    aanpassingen tijdens de (fasegewijze) uitvoering van deze werken zonder bezwaar
                    in het kostenverhaal kunnen worden betrokken.</al><tussenkop>Kostenverhaal via exploitatieovereenkomst</tussenkop><al>4.<vet>Primaat bij toepassing kostenverhaal</vet></al><al>Overeenkomstig het gestelde in artikel 4, vierde lid van de
                    Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1997 ligt het primaat bij de uitvoering
                    van kostenverhaal in de toepassing van de gemeentelijke exploitatieverordening.
                    Het initiatief tot het aangaan van een exploitatieovereenkomst wordt daarbij
                    genomen door de gemeente. Het moment waarop tot een feitelijke aanbieding van
                    een exploitatieovereenkomst zal worden overgegaan, is afhankelijk van het tempo
                    van verwerving van gronden en de gefaseerde uitvoering van een bestemmingsplan.
                    In het kostenverhaalbesluit is bepaald, dat een dergelijke overeenkomst moet
                    voldoen aan de eisen, zoals neergelegd in artikel 7 van de
                    Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1997.</al><al>5.<vet>Omvang van het kostenverhaal bij toepassing
                    exploitatieverordening</vet></al><al>Op grond van artikel 4, tweede lid, sub c. van de Exploitatieverordening
                    gemeente Utrecht 1997 kan de kostenbegroting, op basis waarvan de
                    exploitatiebijdrage wordt bepaald, op een later tijdstip worden vastgesteld. ook
                    voor een later vastgesteld begroting geldt dat deze op een eventueel later
                    tijdstip nog kan worden herzien.</al><al>Gezien het gesteld in artikel 7, tweede lid van de Exploitatieverordening
                    gemeente Utrecht 1997 kan pas een exploitatieovereenkomst worden aangegaan nadat
                    de kostenbegroting is vastgesteld.</al><al>6.<vet>Uitvoering exploitatieverordening door burgemeester en
                    wethouders</vet></al><al>In het kostenverhaalbesluit is om praktische redenen de bevoegdheid tot het
                    aanbieden en de eventueel daaruit voortvloeiende sluiting van een
                    exploitatieovereenkomst overgedragen aan burgemeester en wethouders,
                    overeenkomstig artikel 14 van de Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1997.
                    Met name is hiervoor reden, omdat het tijdstip van aanbieding van een
                    overeenkomst door factoren als tempo van verwerving, fasering, uitvoering van
                    voorzieningen etc. wordt bepaald, waardoor het gewenst is snel te kunnen
                    inspelen op veranderende ontwikkelingen. Daarbij is bepaald dat van de
                    aanbieding én het sluiten van een exploitatieovereenkomst mededeling wordt
                    gedaan aan de gemeenteraad in haar eerstvolgende vergadering.</al><tussenkop>Kostenverhaal via baatbelasting</tussenkop><al>7.<vet>Relatie exploitatieovereenkomst en baatbelasting</vet></al><al>Het instrument van de baat belasting kan worden beschouwd als het sluitstuk in
                    het te voeren kostenverhaalbeleid. Pas als duidelijk is dat niet op minnelijke
                    basis tot overeenstemming kan worden gekomen omtrent de betaling van een
                    kostenverhaalbijdrage, is in voorkomende gevallen een baatbelasting
                    noodzakelijk. Juist om deze reden is het van belang dat de betrokken eigenaren
                    van een onroerende zaak vooraf over het te voeren kostenverhaalbeleid worden
                    geïnformeerd. Hierdoor zijn zij tijdig in staat rekening te houden met de
                    (financiële) van dit beleid.</al><al>De instelling van een baatbelasting is derhalve alleen dan aan de orde, indien
                    niet op basis van een exploitatieovereenkomst tot overeenstemming wordt
                    gekomen.</al><al>De definitie van het begrip “baat” is in de gemeentelijke exploitatieverordening
                    zodanig gekozen, dat deze overeenstemt met de begripsaanduiding ten behoeve van
                    de baatbelasting. Dit betekent onder meer dat de onder artikel 1.a. genoemde
                    gebiedsaanduiding eveneens geldt voor de toepassing van de baatbelasting.</al><al>Deze afstemming van de baatdefinitie heeft tot gevolg dat het
                    kostenverhaalbesluit tevens de functie vervult van het in artikel 222, tweede
                    lid Gemeentewet genoemde “bekostigingsbesluit”. Het kostenverhaalbesluit voldoet
                    dan ook aan de inhoudelijke eisen die aan het bekostigingsbesluit worden
                    gesteld.</al><al>8.<vet>Omvang kostenverhaal via baatbelasting</vet></al><al>De vaststelling van de omvang van het kostenverhaal via een baatbelasting
                    geschiedt, in tegenstelling tot het kostenverhaal, via een
                    exploitatieverordening, niet op basis van een (gemiddelde) kostprijs van het te
                    exploiteren gebied. Het kostenverhaal vindt plaats door de kosten van de te
                    realiseren voorzieningen van openbaar nut naar rato van verkregen baat om te
                    slaan over de onroerende zaken zoals opgenomen in het onder artikel 1.a. genoemd
                    gebied. Voor de uitwerking van deze laatstgenoemde methode is het van belang,
                    dat op basis van de onder artikel 2.b. van het kostenverhaalbesluit genoemde
                    kostenbegroting wordt gekomen tot een kostenbegroting, bestemd voor de
                    toepassing van kostenverhaal via een baatbelasting. Evenals dat het geval is
                    voor de kostenbegroting bij toepassing van de exploitatieverordening, maakt ook
                    deze kostenbegroting onderdeel uit van het kostenverhaalbesluit. De Gemeentewet
                    biedt de mogelijkheid om het kostenverhaal door middel van een baatbelasting op
                    100% van de daarvoor in aanmerking komende kosten.</al><al>Benadrukt moet worden dat het gaat om een indicatieve raming van de te verhalen
                    kosten. De uiteindelijke omvang van een baatbelasting zal worden gebaseerd op de
                    werkelijke kosten en/of ramingcijfers op het moment dat voldoende duidelijkheid
                    bestaat omtrent onder meer het tempo van fasering van uitvoering,
                    kostenstijgingen etc. Ook dient er rekening mee te worden gehouden dat de
                    uiteindelijke vaststelling van een baatbelasting plaatsvindt naar de situatie op
                    een nader te bepalen peildatum.</al><al>De vaststelling van deze peildatum zal gevolgen hebben voor de uiteindelijke
                    hoogte van het kostenverhaal, zulks in verband met rentekosten etc. </al><al>Aan de onder artikel 3.b. van het besluit genoemde indicatieve kostenbegroting
                    kunnen derhalve geen rechten worden ontleend met betrekkin g tot de
                    uiteindelijke definitieve omvang en verdeling van de via een baatbelasting te
                    verhalen kosten.</al><al>Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat op grond van het bekostigingsbesluit geen
                    uitsluitsel kan worden gegeven over de verdeling van de kosten en de daarmee
                    verband houdende vatstelling van de hoogte van de belasting voor een individuele
                    onroerende zaak. Deze vaststelling zal, zoals reeds hiervoor is aangegeven,
                    plaatsvinden bij de vaststelling van de uiteindelijke verordening op de
                    baatbelasting.</al><al>Hoewel er sprake is van verschillende berekeningswijzen, zijn de beide methoden
                    gericht op hetzelfde resultaat: het komen tot de vaststelling van kostenverhaal
                    naar rato van de baat die een onroerende zaak verkrijgt als gevolg van de van
                    gemeentewege aan te leggen voorzieningen van openbaar nut. Wordt de individuele
                    baat bij de toepassing van exploitatieverordening bepaald door de aanbieding van
                    een exploitatieovereenkomst, bij de toepassing van de baatbelasting geschiedt
                    dit door de vaststelling van een belastingverordening. het door middel van dit
                    besluit geïnitieerd kostenverhaalbeleid is erop gericht zo veel mogelijk te
                    komen tot een gelijk niveau van kostenverhaal tussen de beide methoden.</al><tussenkop>Bekendmaking besluit</tussenkop><al>9.<vet>Bekendmaking</vet></al><al>De besluitvorming omtrent de te voeren kostenverhaalstrategie heeft directe
                    gevolgen voor de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de
                    in het onder artikel 1.a. genoemde gebied liggende onroerende zaken. Op grond
                    van artikel 4, eerste lid van de Exploitatieverordening gemeente Utrecht 1997
                    wordt het kostenverhaalbesluit bekendgemaakt overeenkomstig artikel 139
                    Gemeentewet.</al><al>De verplichting tot bekendmaking vloeit mede voort uit het gegeven, dat het
                    kostenverhaalbesluit tevens de functie van “bekostigingsbesluit”, zoals bedoeld
                    in artikel 222 Gemeentewet, vervult.</al><al>Behoort bij besluit van de gemeenteraad van Utrecht d.d. 29 november 1997.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>