<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR46274_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-11-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Loppersum 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-11-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Bouwverordening 2009/1, vastgesteld op 28-05-2009.</al><al>Datum inwerkingtreding bij benadering bepaald</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Bouwverordening 2010</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr>1.</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
                        </onderstreept></vet></al><al>1.In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al><vet>asbest</vet><vet>:</vet> hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                        letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al><al><vet>bevoegd gezag</vet><vet>:</vet> bestuursorgaan, als bedoeld in de
                        Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken
                        van een bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en
                        wethouders; </al><al><vet>bouwbesluit:</vet>de algemene maatregel van bestuur als
                        bedoeld in artikel 2 van de Woningwet; </al><al><vet>bouwtoezicht:</vet>degene die ingevolge artikel 92, tweede
                        lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht; </al><al><vet>bouwwerk:</vet>elke constructie van enige omvang van hout,
                        steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij
                        direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                        steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; </al><al><vet>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8:</vet>hetgeen
                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al><al><vet>gebruiksoppervlakte:</vet>de gebruiksoppervlakte als bedoeld
                        in het Bouwbesluit; </al><al><cursief>hoogte van de weg: </cursief>de hoogte van de weg zoals die door of
                        namens burgemeester en wethouders is vastgesteld; </al><al><vet>NEN:</vet>een door de Stichting Nederlands
                        Normalisatie-Instituut gegeven norm; </al><al><vet>NVN:</vet>een door de Stichting Nederlands
                        Normalisatie-Instituut gegeven voornorm; </al><al><vet>omgevingsvergunning voor het bouwen:</vet>vergunning voor een
                        bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht; </al><al><vet>omgevingsvergunning voor het slopen:</vet>vergunning voor een
                        sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht; </al><al>2.In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><al>2.<vet> bouwwerk:</vet>een gedeelte van een bouwwerk; </al><al>2.<vet> gebouw:</vet>een gedeelte van een gebouw. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 1.2 Termijnen </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen) </al><al><vet><onderstreept>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaarten als zodanig is aangegeven.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>2.</nr><titel>De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen </titel></kop><structuurtekst><al><cursief>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen) </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen) </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.1.3 Aanvraag bouwvergunning
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen) </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren
                                van vergunningaanvragen </onderstreept></vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel
                                8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                        verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming
                                        met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.</al></li><li nr="b."><al>(Vervallen)</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht. geldt niet
                                indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                                omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing
                                geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
                                artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de
                                plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel
                                2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor
                                toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare
                                recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot
                                het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5,
                                onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk
                                met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009,
                                bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 2009 niet rechtvaardigen.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.1.6</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                            </onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>bouwvergunning </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen) </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.1.8</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                woonwagens</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>en standplaatsen </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><cursief>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning
                        </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke
                                ordening </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                                bouwvergunningverlening </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                                bouwvergunning</onderstreept></vet></al><al>(Vervallen).</al><al><cursief>Paragraaf 3 Welstandstoetsing </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria
                        </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen).</al><al><cursief>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
                        </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
                            </onderstreept></vet></al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: </al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                vereist; en</al></li><li nr="c."><al>1. dat de grond raakt, of</al><lijst><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                        wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het
                                bouwen </onderstreept></vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd
                        gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in
                        het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                        onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
                        op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                        bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
                        lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                        beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
                        worden gemaakt. </al><al><cursief>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                            bereikbaarheidseisen </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.1</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                stedenbouwkundige</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>bepalingen </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling
                            </onderstreept></vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                        aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking
                        worden genomen. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor
                                wegverkeer. </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen
                                is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg,
                                moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet
                                aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s,
                                ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten
                                verkeer.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte
                                        van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven
                                        de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                        motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                        zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd,
                                moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s aanwezig zijn,
                                dat een doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de
                                bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening.</al></li><li nr="6."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde van het eerste, het vierde en vijfde lid, indien de
                                aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor
                                lenen.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.3A Brandweeringang </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                gehandicapten </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                        het Bouwbe-luit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit;</al></li></lijst></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare
                        weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. </al><lijst><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                        en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                        tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                        voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van
                                        het Bouwbesluit.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn
                            </onderstreept></vet></al><al>De voorgevelrooilijn is: </al><al>a.langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van
                        de voorgevels van de bestaande bebouwing:</al><al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                        aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een
                        zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                        richting van de weg geeft; </al><lijst><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen
                                        op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op
                                        10 meter uit de as van de weg.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn </onderstreept></vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn </onderstreept></vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van veranderingen bedoeld in artikel 3,
                                onderdeel 7, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, te
                                weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens
                                        van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het
                                verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                                het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                        gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                        artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op
                                        een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                        zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                        overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                        galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                        overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                        reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                        bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een
                                        strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                                        rijweg;</al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al></li></lijst></li></lijst><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in
                        gevaar komt. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg </onderstreept></vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag
                        de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18,
                                sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar
                                zijn.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.10</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                            </onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>Afschuining van straathoeken </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                        verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover
                                        het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is
                                        geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken – over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil – worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                        woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                        vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal
                                        van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                        doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                        meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de
                                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de
                                        grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                        een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van
                                        de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a
                                        bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een
                                        of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich
                                        zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                        nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                        rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                        tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                        elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                        bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                        zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan
                                        1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                                        beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                        bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                        afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                        beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit
                                        lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                                        dan 15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing – in het belang van de toetreding van daglicht –
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
                                en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit
                                toelaten.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van
                                de achtergevelrooilijn </onderstreept></vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor
                        het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn </onderstreept></vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het
                                bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen
                                vergunning is vereist.</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in de artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15 en 17 van
                                bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.14</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding
                                van de</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>achtergevelrooilijn. </onderstreept></vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor : </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist ;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda’s, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                        achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                        begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte
                                        heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda’s buiten beschouwing
                                blijven.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover
                                elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een
                                plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand
                                wordt gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te
                                bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt
                                de bestaande toestand verbeterd.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                        beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het
                                        verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                                zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder
                                        dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></li></lijst><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf
                        wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor
                        reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel.2,
                                onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                niet toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of terrein.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.19</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                hoofd-</onderstreept></vet></al><al><vet> transportleidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel
                                uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand
                                moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten
                                gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel
                                verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1.000
                                volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan
                                een omgevingsvergunning is vereist worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                        hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                        ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar
                                        bestaat.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de voorgevelrooilijn
                                1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.</al></li></lijst><al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter
                        plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter
                        weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de
                                achtergevelrooilijn </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                                elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
                                van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen.Indien een
                                tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot
                                de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                                een achtergevelrooilijn </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt – onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste
                                bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal
                                de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor
                                de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is
                                dan de voorgevel.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                achtergevelrooilijnen </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor
                                het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist tussen de
                                voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken
                                die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de – krachtens de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21 – maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
                                hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft
                                die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de – krachtens artikel 2.5.22 – maximale bouwhoogte en dat met het
                                horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15
                                meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen weg.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg
                                grenzende terreinen </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                                artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan
                                een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met
                                dien verstande dat – uitgaande van een goothoogte van genoemde maat
                                – daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van
                                de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van
                                bouwwerken </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en
                                artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten – voor zover zij de
                                maximale hoogte overschrijden – buiten beschouwing worden
                                gelaten.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                bouwhoogte </onderstreept></vet></al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
                        lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet
                        van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan
                                het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard artikel
                                3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of
                                de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.28</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding
                                van de</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>toegelaten bouwhoogte. </onderstreept></vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                        2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                                gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                                welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels-
                                en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                                anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht, en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan
                                        de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel
                                16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                                meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet
                                minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan
                                1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening –
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.29</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding
                                van de</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval
                                van voorbereiding van</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>nieuw ruimtelijk beleid </onderstreept></vet></al><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan
                        het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
                                en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                bevat.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en
                                losmogelijkheden bij of in gebouwen </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming ven een gebouw daartoe aanleiding
                                geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in
                                voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw,
                                dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik
                                of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden
                                met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s
                                moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op de gangbare
                                personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste
                                        1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m
                                        bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                        voor een gehandicapte – voorzover die ruimte niet in de
                                        lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m
                                        bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                        omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voorzover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                        stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                        voorzien.</al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door
                                brandmeldinstallaties </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake
                                ontruimingsalarminstallaties </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van
                                ontruimingsalarminstallaties </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid
                        </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                                hulpverleningsdiensten </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><cursief>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
                            </onderstreept></vet></al><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het
                        distributienet van de openbare waterleiding: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het
                                elektriciteitsnet </onderstreept></vet></al><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 100 m.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al></li></lijst></li></lijst><al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen, waarin voor het
                        kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming
                        geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is. </al><lijst><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m2;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                        verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke
                                        of publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in
                                        artikel 2.69 van het Bouwbesluit
                                        (warmtedistributienet).</al></li></lijst></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                riolering </onderstreept></vet></al><al>1.De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en fecaliën, alsmede de
                        in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten
                        aan een openbaar riool.</al><al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid: </al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                                is;</al></li><li nr="b."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al><lijst><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de
                                voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen
                                de gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet
                                of moeten kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden
                                tussen-geschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van
                                afvalwater, fecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag
                                gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te
                                lozen.</al><lijst><li nr="3."><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet
                                        milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet
                                        voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden
                                        tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de
                                        goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming
                                        van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,
                                        ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren
                                        stoffen daartoe aanleiding geeft.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer
                                        op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem
                                        of lucht mogelijk is:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar
                                riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                riolering </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar
                                riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                        overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                        waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een beerput
                                        zonder overstort, een gierput of een rottingput met
                                        overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingput.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op
                                andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht
                                mogelijk is.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                buitenriolering op erven en terreinen </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                                plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                aangewerkt.</al></li><li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid
                                van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het
                                bouwwerk of de buitenriolering.</al></li><li nr="3."><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                rottingputten voorkomen.</al></li><li nr="4."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                                vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend
                                beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een
                                voldoende binnenwerkse middellijn.</al></li></lijst><al>Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt
                        voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 2007.</al><lijst><li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor
                                de afvoer van afvalwater, fecaliën en hemelwater ter plaatse waar
                                zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben
                                van ten minste 125 mm.</al></li><li nr="6."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
                                leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten
                                doeltreffend zijn.</al></li></lijst><al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het
                        bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage 7. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de
                                leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen
                            </onderstreept></vet></al><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>3.</nr><titel>De melding</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 3.1 De wijze van melden </vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria) </vet></al><al>(Vervallen). </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>4.</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                                ingebruikneming van een bouwwerk </titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>Artikel 4.1</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>bouwwerkzaamheden </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                                bescheiden </onderstreept></vet></al><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                        aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>de omgevingsvergunning voor het bouwen;</al></li><li nr="b."><al>andere toestemmingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b van
                                de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                of oplegging van een last onder dwangsom.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw
                            </onderstreept></vet></al><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen is verleend mag – onverminderd het in de voorwaarden van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde – niet worden begonnen alvorens
                        door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig: </al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                uitgezet.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 4.5</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de
                                bouw-</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>werk</onderstreept></vet><vet><onderstreept>zaamheden
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwtoezicht dient – voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd
                                het bepaalde in de voorwaarden van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen – ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te
                                noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                                gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden
                                        daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                                onderzoekingen </onderstreept></vet></al><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                        ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                        bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                        verordening en van het Bouwbesluit nodig acht. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten
                        </onderstreept></vet></al><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                        ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                        wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                        grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                        naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid
                        van die bouwwerken schaadt. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></li><li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt – rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                        uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op
                                        zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik
                                        stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                        toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder
                                        meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in
                                        werking kunnen worden gesteld;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></li><li nr="3."><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen
                                van hinder </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulp-materiaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of
                                ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                                verbieden.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                gebruiken krachtwerktuig:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                        en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet
                                        mag worden gebruikt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 4.11 Bouwafval </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></li><li nr="3."><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                                bouwwerkzaamheden </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Van het gereedkomen van:</al><lijst><li nr="a."><al>putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de
                                        riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen
                                        door wanden en vloeren beneden straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede
                                        van de thermische isolatie in andere besloten constructies
                                        moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de
                                        onder a en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden
                                        gesteld.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht
                                tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.</al></li><li nr="4."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het
                                einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></li><li nr="5."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celcius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2 graden Celcius is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming
                            </onderstreept></vet></al><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                        nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>5.</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                                nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</titel></kop><structuurtekst><al><cursief>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                                terreinen </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de
                                veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de
                                gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li><li nr="f."><al>opslag van brandbare of bij brand gevaar opleverende
                                        stoffen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde onder f in het tweede lid.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                wegverkeer. </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd van
                                een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s,
                                vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te
                                verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van
                                het gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte
                                        van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven
                                        de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                        motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                        zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet
                                vereisen.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening. Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                gehandicapten </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                        het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit;</al></li></lijst></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare
                        weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. </al><lijst><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                        en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                        tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                        voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van
                                        het Bouwbesluit.</al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake
                                brandveiligheidinstallaties en vluchtroute-aanduidingen
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 5.2.2</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen, niet
                                zijnde</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                                logiesgebouwen of kantoor-</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>gebouwen </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet><onderstreept>Artikel 5.2.3</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen
                                van</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>bijzondere aard </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 5.2.4</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in logiesverblijven en
                                logies-</onderstreept></vet></al><al><vet> gebouwen</vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van
                                brandveiligheidinstallaties in
                        kantoorgebouwen</onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><cursief>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
                            </onderstreept></vet></al><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten
                        aan het distributienet van de openbare waterleiding: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het
                                elektriciteitsnet </onderstreept></vet></al><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 100 m.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
                            </onderstreept></vet></al><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor
                        aardgas: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 40 m.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op: </al><lijst><li nr="a."><al>woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan
                                gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van
                                gastoevoer nodig is;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                riolering </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën,
                                alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen
                                voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in
                                artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een
                                openbaar riool.</al></li><li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                        aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                        openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                        bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende
                                        ruime mestkelder, gier- of beerput aanwezig is.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                riolering </onderstreept></vet></al><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden
                        de volgende bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,
                                tenzij de fecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden
                                gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort,
                                een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met
                                overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding
                                tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                buitenriolering op erven en terreinen </onderstreept></vet></al><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                        toepassing. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 5.3.7</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net
                                van de</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>nutsvoorzieningen </onderstreept></vet></al><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. </al><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 5.4.1 Preventie </onderstreept></vet></al><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>6.</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen). </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>7.</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><cursief>Paragraaf 1 Overbevolking </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen
                            </onderstreept></vet></al><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning
                        wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens
                            </onderstreept></vet></al><al>Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een
                        woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                        gebruiksoppervlakte. </al><al><cursief>Paragraaf 2 Staken van het gebruik </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid
                            </onderstreept></vet></al><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te
                        doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is
                        medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met: </al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan
                                veiligheid en gebrek aan hygiëne </onderstreept></vet></al><al>Indien tengevolge van het niet functioneren – hieronder begrepen het
                        afgesloten zijn – van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige
                        voorzieningen tot het kunnen afvoeren van fecaliën, het kunnen beschikken
                        over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen
                        beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of
                        een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het
                        gebruik van het bouwwerk te staken. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><cursief>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen
                        </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf
                            </onderstreept></vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit
                        omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op meer dan 4 met dien
                        verstande dat dit uitsluitend geldt indien en voor zover het een bouwwerk
                        betreft dat anders dan voor toeristisch-recreatieve doeleinden wordt
                        gebruikt. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 7.3.2 Hinder </onderstreept></vet></al><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein
                        voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te
                        verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: </al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet,
                                walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het
                                bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of
                                vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt
                                veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder
                                begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft
                        nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in
                        deze wet genoemde wet van toepassing is. </al><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 7.4.1 Preventie </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></li><li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt
                                aangetrokken.</al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 5 Watergebruik </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water
                            </onderstreept></vet></al><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                        schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken. </al><al><cursief>Paragraaf 6 Installaties </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties
                            </onderstreept></vet></al><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het Besluit
                        brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid
                        verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een
                        onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>8.</nr><titel>Slopen</titel></kop><structuurtekst><al><cursief>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te
                                slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd
                                gezag.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar
                                redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen
                                dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van
                                asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge
                                een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet, dan wel een
                                besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last
                                onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden
                                verbinden als bedoeld in het derde lid.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                                slopen slechts voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van
                                        het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een
                                        fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie
                                        overig afval;</al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van
                                        de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter
                                        c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid,
                                onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen,
                                de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het
                                sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het
                                sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de
                                omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest
                                voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de
                                afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="5."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien
                                in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een
                                seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen
                                van het tijdelijke bouwwerk.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet><onderstreept>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen
                        </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen
                            </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het
                                slopen </onderstreept></vet></al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook
                                door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen
                                onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften
                                niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten
                                ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een
                                gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is
                                verleend;</al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de
                                Wet op de stads- en dorpsvernieuwing die krachtens overgangsrecht
                                van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft
                                behouden, is vereist en deze niet is verleend;</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 8.1.7 Intrekking omgevingsvergunning voor het
                                slopen </onderstreept></vet></al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige
                                opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de sloopvergunning
                                geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                stilliggen.</al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een
                            omgevingsvergunning voor het slopen. </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 8.2.1 Sloopmelding </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan in
                                de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                        hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of
                                        uit een op het erf van die woning staand bijgebouw,
                                        voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van
                                        de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                                        bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van
                                        de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                        vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel
                                        bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                        vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die
                                        woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het
                                        bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een
                                        beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                                        gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                        asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                        vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel
                                        bedraagt;</al></li></lijst></li></lijst><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders
                        en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is
                        gemeld is medegedeeld dat geen omgevingsvergunning voor het slopen is
                        vereist. </al><lijst><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden
                                gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en
                                wethouders vastgesteld formulier.</al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in 2-voud
                                worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en
                                het gebruik van het bouwwerk.</al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is
                                de mededeling van rechtswege gedaan.</al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in
                                het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                zevende lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste
                                lid alsmede de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en
                                8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                nemen. Voorts is de houder verplicht ter zake van de afvoer van
                                asbest bevattende vloerbedekking alsmede van andere afvalstoffen
                                waarop de mededeling betrekking heeft de in de gemeente geldende
                                voorschriften in acht te nemen.</al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop
                                vrijkomt is niet toegestaan.</al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en
                                met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen
                                burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de
                                gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende
                                gegevens over te leggen.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 8.2.2</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                Overige uitzonderingen op het vereiste van omgevingsvergunning voor
                                het</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>slopen </onderstreept></vet></al><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                        omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor zover
                        dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van
                        de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen
                        van: </al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van
                                kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan
                                2250 kilowatt.</al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein
                            </onderstreept></vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                        toepassing op het slopen en het sloopterrein. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                bescheiden </onderstreept></vet></al><al>Op het sloopterrein moet de een omgevingsvergunning voor het slopen of een
                        besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                        dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                        inzage worden gegeven. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de
                                omgevingsvergunning voor het
                            slopen</onderstreept></vet><onderstreept>. </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het
                                slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een
                                deskundig bedrijf.</al></li><li nr="2."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een
                                afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig
                                bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal
                                uitvoeren.</al></li><li nr="3."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten
                                minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het
                                bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="4."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen
                                twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag
                                een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt
                            </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het
                                slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen
                                asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan
                                terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht.</al></li><li nr="2."><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op
                                de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van
                                die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten
                                genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                                asbest </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk
                                aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt
                                gesloopt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met
                                asbest te voorkomen.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                                tuinbouwkassen </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><cursief>Paragraaf 4 Vrij slopen </cursief></al><al><vet><onderstreept>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen
                        </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning
                                krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is
                                vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende
                                fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten
                                op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>9.</nr><titel>Welstand</titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>Artikel 9.1 De advisering door de
                                        commissie</onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is
                                        opgedragen aan een externe onafhankelijke instelling of
                                        partij, die daarvoor de noodzakelijke deskundigheid heeft,
                                        hierna te noemen de welstandscommissie.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten
                                        van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de
                                        welstandsnota genoemde welstandscriteria</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 9.2 Samenstelling van de
                                        welstandscommissie</onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit twee leden, die
                                        beiden deskundig zijn op het gebied van architectuur,
                                        ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</al></li><li nr="2."><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien
                                        ten minste twee deskundige leden aanwezig zijn.</al></li><li nr="4."><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                        gemeentebestuur.</al></li><li nr="5."><al>In de welstandscommissie kan een geïnteresseerde burger,
                                        anders dan bedoeld in het eerste lid, zitting hebben.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 9.3 Benoeming en
                                        zittingsduur</onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers
                                        worden op voorstel van de burgemeester en wethouders benoemd
                                        en ontslagen door de gemeenteraad.</al></li><li nr="2."><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor
                                        een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal
                                        worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie
                                        jaar.</al></li><li nr="3."><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als
                                        bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen
                                        het gestelde in de voorgaande leden, nadere regels voor
                                        samenstelling van de commissie en benoeming van de
                                        leden.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 9.4 Jaarlijkse
                                        verantwoording</onderstreept></vet></al><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                                werkzaamheden voor de</al><al>gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de
                                        welstandscriteria uit de welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                        vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                                aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het
                                algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                                bijzonder.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 9.5 Termijn van
                                    advisering</onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om
                                        een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier
                                        weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom
                                        is verzocht.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om
                                        een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze
                                        vergunning betrekking heeft op een deel van een project of
                                        een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat
                                        door of namens burgmeester en wethouders daarom is
                                        verzocht.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies
                                        de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                        bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het
                                        uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan
                                        door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de
                                        termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met
                                        toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene
                                        bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en
                                        mondelinge toelichting</onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                        openbaar. De agenda voor de vergadering van de
                                        welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van
                                        overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                                        huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.
                                        Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek
                                        van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare
                                        behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan
                                        klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                                        openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De
                                        openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de
                                        beoordeling als de adviezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag heeft
                                        verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in
                                        staat gesteld tot het geven van een toelichting op het
                                        bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de
                                        commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van
                                        een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de
                                        omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te
                                        ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de
                                        aanvraag wordt behandeld.</al></li><li nr="4."><al>Er is geen spreekrecht.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 9.7 Afdoening bij
                                    mandaat</onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over de
                                        welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning
                                        voor het bouwen mandateren aan een of meerdere daartoe
                                        aangewezen leden. Het aangewezen lid c.q. de aangewezen
                                        leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over
                                        bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de
                                        welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan
                                        als bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de
                                        welstandscommissie.</al></li><li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar.
                                        Indien het bevoegd gezag – al dan niet op verzoek van de
                                        aanvrager – een verzoek doet tot niet openbare behandeling,
                                        dan dient het bevoegd gezag daaraan klemmende redenen op
                                        grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten
                                        grondslag te leggen.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt
                                        uitgebracht</onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                        schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                        burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                        omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en
                                        categorieën bouwwerken</onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                        voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                        bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de
                                        raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al></li><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de
                                        wijze voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet
                                        vastgestelde verordening.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>10.</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning
                                    </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel
                                        10.2</onderstreept></vet><vet><onderstreept> De aanvraag om
                                        vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar
                                    </onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>verklaarde woning of woonwagen
                                    </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet><onderstreept>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen
                                    </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 10.4 Overdragen mededeling
                                    </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet><onderstreept>Artikel
                                        10.5</onderstreept></vet><vet><onderstreept> Het kenteken
                                        voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                                        woonwagens</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>alsmede onbruikbaar verklaarde
                                        standplaatsen </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van
                                        aangewezen normen en andere voorschriften
                                    </onderstreept></vet></al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening
                                en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en
                                andere voorschriften waarnaar in deze verordening – of in de bij
                                deze verordening behorende bijlagen – wordt verwezen, indien de
                                bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of
                                het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of
                                vervanging heeft gepubliceerd. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>11.</nr><titel>Handhaving</titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw
                                    </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot
                                        ingebruikneming </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet><onderstreept>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen
                                    </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek
                                    </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>12.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>Artikel 12.1 Strafbare feiten
                                    </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek
                                    </onderstreept></vet></al><al>Indien ten behoeve van de bouw van een omgevingsvergunningplichtig
                                bouwwerk in enig ander verband dan de aanvraag om
                                omgevingsvergunning indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit
                                indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde
                                verkennende bodemonderzoek, tenzij burgemeester en wethouders van
                                mening zijn dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een
                                recent onderzoek kan worden gezien. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot
                                        de staat van open erven en terreinen
                                </onderstreept></vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid
                                van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of
                                wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47,
                                eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere
                                vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de
                                bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                                        gebruiksvergunning </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding
                                    </onderstreept></vet></al><al>(Vervallen). </al><al><vet><onderstreept>Artikel 12.6 Slotbepaling
                                </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt (achteraf) in werking op 1 oktober
                                        2010.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                        Bouwverordening 2009/1 zoals vastgesteld door de raad van 28
                                        mei 2009.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als
                                            <vet>“Bouwverordening Loppersum
                                            </vet><vet>2010”</vet><vet>.</vet></al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening> van de raad van de gemeente Loppersum,</ondertekening><ondertekening> gehouden op 15 november 2010, nr. .</ondertekening><ondertekening> De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>Rodenboog, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>R.S. Bosma, griffier.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Bijlage 1. Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning
                                </vet></al><al><cursief>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1
                                </cursief></al><al><vet>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende
                                    bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening
                                </vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende
                                    gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de
                                    bouwverordening </vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Artikel 3 Funderingsplan </vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens </vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan </vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen </vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen </vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Bijlage 2. Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning
                                </vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Bijlage 3. Gebruikseisen voor bouwwerken </vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Bijlage 4. Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van
                                    de niet </vet><vet>gemeenschappelijke ruimten in
                                    woonfuncties</vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen </vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Bijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen </vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen </vet></al><al><cursief>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 </cursief></al><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de
                                volgende: </al><al>a NEN 7002, uitgave 1968, „Centrifugaal gegoten gietijzeren
                                afvoerbuizen” (met correctieblad d.d. december 1979); </al><al>b NEN 7003, uitgave 1968, „Hulpstukken voor gietijzeren
                                afvoerbuizen” (met correctieblad d.d. december 1979); </al><al>c NEN 7013, uitgave 1980, „Expansiestukken van PVC en ABS voor
                                binnen- en buitenrioleringen”; </al><al>d NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij
                                verval buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel 1. Eisen
                                voor buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig); </al><al>e NEN-EN 295-1, uitgave 1992, „Keramische buizen en hulpstukken,
                                alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met
                                inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2,
                                uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999 – Deel 1. Eisen”
                                (Engelstalig); </al><al>f NEN-EN 295-2, uitgave 1992, „Keramische buizen en hulpstukken,
                                alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met
                                inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 – Deel 2.
                                Kwaliteitscontrole en monstername” (Engelstalig); </al><al>g NEN-EN 295-3, uitgave 1992, „Keramische buizen en hulpstukken,
                                alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval – Deel 3.
                                Beproevingsmethoden” (Engelstalig). </al><al><vet>Bijlage 8 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en
                                    daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest
                                </vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Bijlage 9 Reglement van orde op de
                                welstandscommissie</vet></al><al><vet>Artikel 1 Aanwijzing van de commissie</vet></al><al>De welstandscommissie is een door de gemeenteraad benoemde
                                onafhankelijke commissie die aan B &amp; W advies uitbrengt inzake
                                de welstand conform de Woningwet 2002.</al><al>Mede op grond van haar contract met Libau wijst de gemeente de
                                Stichting Libau, welstands- en</al><al>monumentenzorg Groningen, kortweg Libau, aan als de organisatie
                                onder wiens verantwoordelijkheid de welstandscommissie van de
                                gemeente functioneert.</al><al><vet>Artikel 2 Taken</vet></al><al>De welstandscommissie is belast met zowel wettelijk verplichte als
                                niet wettelijk verplichte taken. De commissie is beleidsmatig
                                gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid zoals dat is
                                vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota.</al><al>wettelijke taken</al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert het bevoegd gezag over de
                                        welstandsaspecten van aanvragen van een omgevingsvergunning
                                        voor het bouwen.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie levert de gemeenteraad jaarlijks een
                                        verslag van de door haar verrichte werkzaamheden.</al></li></lijst><al>niet- wettelijke taken</al><lijst><li nr="1."><al>adviseren over excessen, dat wil zeggen buitensporigheden in
                                        het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen
                                        evident zijn;</al></li><li nr="2."><al>het onder regie van de gemeente voeren van (voor)overleg met
                                        betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen;</al></li><li nr="3."><al>het beoordelen van aanvragen voor een omgevingsvergunning
                                        voor reclame;</al></li><li nr="4."><al>het uitbrengen van adviezen over de welstandsaspecten van in
                                        voorbereiding zijnde ruimtelijke plannen en andere relevante
                                        beleidsstukken;</al></li><li nr="5."><al>gevraagd en ongevraagd adviseren over stedenbouwkundige en
                                        architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de
                                        ruimtelijke kwaliteit in de gemeente;</al></li><li nr="6."><al>stimuleren en bijdragen in de ontwikkeling en vormgeving van
                                        het welstandsbeleid;</al></li><li nr="7."><al>het voeren van regelmatig overleg met het gemeentebestuur en
                                        de betrokken ambtelijke afdelingen;</al></li><li nr="8."><al>het bevorderen van de openbaarheid en het voorzien in
                                        voorlichting over ruimtelijke kwaliteit Monumentenzorg. De
                                        uitgebreide welstandscommissie adviseert B &amp; W tevens
                                        over monumentenaspecten op basis van de Monumentenwet 1988
                                        en de gemeentelijke monumentenverordening.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3 Samenstelling van de commissie</vet></al><al>De welstandscommissie heeft als basis de volgende
                                samenstelling:</al><lijst><li nr="1."><al>een voorzitter,</al></li><li nr="2."><al>een secretaris tevens rayonarchitect van Libau,</al></li><li nr="3."><al>twee architecten,</al></li><li nr="4."><al>een stedenbouwkundige,</al></li><li nr="5."><al>andere disciplines kunnen al dan niet facultatief aan de
                                        commissie worden toegevoegd, zoals bijvoorbeeld een
                                        gemeentelijk hoofd ‘bouwen en ruimtelijke ordening’, een
                                        monumentendeskundige, een kunsthistoricus en een
                                        landschapsarchitect,</al></li><li nr="6."><al>de gemeente kan ook een burgerlid in de commissie
                                        benoemen</al></li></lijst><al>Onder Libau ressorteert tevens de monumentencommissie, deze
                                commissie heeft als basis de volgende</al><al>samenstelling:</al><lijst><li nr="1."><al>een voorzitter</al></li><li nr="2."><al>een secretaris</al></li><li nr="3."><al>een architect</al></li><li nr="4."><al>een monumentenarchitect</al></li><li nr="5."><al>een stedenbouwkundige</al></li><li nr="6."><al>een architectuurhistoricus</al></li><li nr="7."><al>Andere disciplines kunnen al dan niet facultatief aan de
                                        commissie worden toegevoegd, zoals bijvoorbeeld een
                                        gemeentelijk hoofd ‘bouwen en ruimtelijke ordening’ en een
                                        landschapsarchitect.</al></li><li nr="8."><al>de gemeente kan maximaal drie vertegenwoordigers vanuit de
                                        gemeente aan de commissie toevoegen.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie adviseert op basis van de Woningwet 2002 en de
                                monumentencommissie die in voorkomende gevallen als integrale
                                welstands- en monumentencommissie fungeert tevens op grond van de
                                Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke monumentenverordening.</al><al><vet>Artikel 4 Profiel en Taakomschrijving commissieleden</vet></al><al>Commissieleden</al><al>Van de leden van de commissie wordt verwacht dat zij geïnteresseerd
                                zijn in ruimtelijke kwaliteit,</al><al>communicatief zijn ingesteld en in staat zijn om hun
                                welstandsoordeel adequaat te kunnen verwoorden. Zij moeten over
                                bouwplannen kunnen communiceren en oordelen zonder te vervallen in
                                architectuurkritiek of preoccupaties ten aanzien van stijlen en
                                trends.</al><al>De architecten en stedenbouwkundigen in de commissie zijn voor hun
                                vak geregistreerd en dienen kennis te hebben van de geschiedenis van
                                de (steden)bouwkunst en de hedendaagse ontwikkelingen daarvan. Naast
                                primaire eisen van verstandig vakmanschap is sprake van een
                                inkleuring op diverse aspecten van het breder vakgebied, zoals
                                stedenbouwkunde, architectuur, landschapsarchitectuur en
                                monumentenzorg. De commissieleden zijn onafhankelijk en onpartijdig.
                                Indien in een commissievergadering plannen aan de orde komen waarbij
                                een commissielid is betrokken, neemt dit lid geen deel aan de
                                vergadering.</al><al>De voorzitter</al><al>De voorzitter is in eerste instantie verantwoordelijk voor het
                                functioneren van de commissie en de algemene kwaliteit van de
                                oordeelsvorming. Daarnaast is bestuurlijke ervaring, inzicht in
                                lokale</al><al>besluitvormingsprocessen, alsmede kennis van de ontwikkelingen op
                                het terrein van de ruimtelijke kwaliteit in de provincie Groningen
                                van belang.</al><al>De voorzitter treedt op als gastheer of - vrouw voor alle aanwezigen
                                en bewaakt de voortgang van de agenda. De voorzitter draagt zorg
                                voor een voor de aanwezigen heldere samenvatting en conclusie na de
                                inhoudelijke discussie.</al><al>De secretaris</al><al>De secretaris, zijnde de rayonarchitect van de gemeente, voert onder
                                regie van de gemeente als</al><al>gemandateerd commissielid vooroverleg met de planindieners,
                                ontwerpers en andere belanghebbenden, verzamelt relevante informatie
                                en bereidt de behandeling van de adviesaanvragen in de commissie
                                voor. Tijdens de vergadering introduceert de secretaris de
                                bouwplannen en verstrekt gegevens over het relevante
                                welstandsbeleid, het planologisch kader en dergelijke, voor het
                                betreffende plan c.q. gebied. Onder verantwoordelijkheid van de
                                secretaris wordt de beraadslaging en de conclusie over een bouwplan
                                uitgewerkt in een schriftelijk advies.</al><al><vet>Artikel 5 Benoeming en Zittingsduur</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De leden van de commissie worden op voorstel van
                                        burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                                        gemeenteraad. Libau verzorgt voordracht aan het bevoegd
                                        gezag.</al></li><li nr="2."><al>De leden van de commissie kunnen ten hoogste voor een
                                        termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal
                                        worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie
                                        jaar.</al></li><li nr="3."><al>Ter wille van de continuïteit geschiedt de benoeming van de
                                        commissieleden volgens een alternerend stelsel. Het rooster
                                        van aftreden wordt door Libau opgesteld en bijgehouden</al></li><li nr="4."><al>De nieuw benoemde commissieleden ontvangen hun
                                        benoemingsbesluit van Libau.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al>De commissie</al><al>De commissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
                                voor de gemeenteraad, waarin</al><al>tenminste aan de orde komt:</al><lijst><li nr="·"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de
                                        welstandscriteria uit de welstandsnota;</al></li><li nr="·"><al>de werkwijze van de commissie;</al></li><li nr="·"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                        vergaderen;</al></li><li nr="·"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="·"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De commissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien
                                van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en
                                de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                                bijzonder.</al><al>B &amp; W</al><al>B &amp; W leggen de gemeenteraad jaarlijks en verslag voor waarin
                                zij uiteenzetten:</al><lijst><li nr="·"><al>op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
                                        commissie;</al></li><li nr="·"><al>in welke categorieën van gevallen zij tot aanschrijving op
                                        grond van art. 13 en 13a WW zijn overgegaan en daarbij de
                                        keuze hebben gelaten tussen het ofwel uitvoeren van de
                                        aanschrijving, ofwel het slopen van het bouwwerk of de
                                        standplaats en of zij bij of na de aanschrijving zijn
                                        overgegaan tot toepassing van bestuursdwang op grond van
                                        artikel 15 WW</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7</vet></al><al><vet>Termijn van advisering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie dan wel een gemandateerd lid is bij de
                                        beoordeling van aanvragen omgevingsvergunning voor bouwen
                                        gebonden aan de in de bouwverordening genoemde termijnen
                                        voor het uitbrengen van een advies.</al></li><li nr="2."><al>Binnen de in de bouwverordening genoemde termijnen voor het
                                        uitbrengen van advies kan de welstandscommissie dan wel een
                                        gemandateerd lid het advies aanhouden indien meer informatie
                                        of een toelichting van de ontwerper wenselijk is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8 Vooroverleg</vet></al><al>Voorafgaande aan de indiening van een aanvraag omgevingsvergunning
                                voor bouwen kan vooroverleg plaatsvinden met de welstandscommissie
                                of een door haar gemandateerd lid over de interpretatie van de
                                welstandscriteria met betrekking tot het bouwinitiatief</al><lijst><li nr="·"><al>Het vooroverleg hoeft niet in de openbare vergadering plaats
                                        te vinden.</al></li><li nr="·"><al>Van het vooroverleg wordt een schriftelijk verslag dan wel
                                        een advies opgesteld dat in het betreffende dossier wordt
                                        opgenomen.</al></li><li nr="·"><al>De commissie draagt zorg voor een consistente beoordeling in
                                        de verschillende fasen van de planontwikkeling.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9 Openbaar vergaderen</vet></al><al>Openbaarheid</al><al>De behandeling van aanvragen omgevingsvergunning voor bouwen door de
                                commissie dan wel door de haar gemandateerde leden is openbaar
                                tenzij de gemeente op grond van het gestelde in de Wet Openbaarheid
                                van Bestuur gronden aanwezig acht om de behandeling besloten te doen
                                plaatsvinden</al><al>Agenda</al><al>De behandeling van de bouwplannen wordt op de voor de gemeente
                                gebruikelijke wijze bekend gemaakt. Libau bericht zo spoedig
                                mogelijk, uiterlijk de eerste dag van de week die volgt op het
                                reguliere rayonbezoek, aan de gemeente welke plannen wanneer en waar
                                en op welke wijze worden behandeld. De plannen worden in principe in
                                Pakhuis Libau te Groningen behandeld door de zogenaamde grote of
                                kleine commissie. Deze informatie is tevens terug te vinden op de
                                Website van Libau.</al><al>Spreekrecht</al><al>Tijdens de vergadering van de commissie wordt de mogelijkheid
                                geboden om plannen toe te lichten door belanghebbenden als
                                opdrachtgevers, ontwerpers en gemeentelijke vertegenwoordigers.</al><al>De voorzitter bepaalt de duur van de spreektijd, die in principe
                                beperkt is. De commissieleden krijgen de mogelijkheid tot het
                                stellen van vragen aan de sprekers. Na beantwoording daarvan wordt
                                de toelichtende fase afgesloten en begint de beraadslaging van de
                                commissie waarna het advies wordt geformuleerd.</al><al><vet>Artikel 10 Procedure</vet></al><al>Bouw- en woningtoezicht (BWT)</al><al>Inname van bouwplannen geschiedt door BWT. Daar worden aanvragen
                                geselecteerd. Ten behoeve van de behandeling inzake welstand- en
                                monumentenzorg wordt nagegaan of de aanvraag van de nodige gegevens
                                en bescheiden is voorzien, conform Regeling omgevingsrecht (Mor) en
                                Bouwverordening.</al><al>De rayonarchitect van Libau bezoekt de gemeente ten minste eens per
                                veertien dagen. Hij neemt met een vertegenwoordiger van BWT de
                                ingekomen bouwplannen van de afgelopen periode door en handelt de
                                plannen waarvoor hij gemandateerd is af met een positief advies. Er
                                worden achtergronden ingewonnen met betrekking tot de
                                adviesaanvragen eventueel door middel van overleg met de
                                initiatiefnemers. Tijdens deze bijeenkomsten op een vast tijdstip en
                                op een vaste plaats kunnen belanghebbenden hun plannen toelichten,
                                overleggen over reeds behandelde bouwplannen en informatie krijgen
                                over de interpretatie van de welstandscriteria voor een bepaalde
                                locatie of bouwwerk. Het rayonbezoek fungeert kortom tevens als
                                spreekuur.</al><al>De rayonarchitect</al><al>Indien een bouwplan ter plaatse niet positief geadviseerd kan worden
                                en ook na oriëntatie ter plaatse niet tot een positief advies kan
                                worden besloten of wanneer de afhandeling van de aanvraag buiten
                                zijn mandaat valt, neemt de rayonarchitect het bouwplan mee ter
                                behandeling in de commissie.</al><al>De rayonarchitect bezoekt dan de betreffende locatie ten behoeve van
                                nadere informatie. Hij maakt foto’s van het object, de locatie en de
                                omgeving ten behoeve van behandeling in de commissie en spreekt in
                                voorkomende gevallen met de direct betrokkenen over het hoe en
                                waarom van de aanvraag.</al><al>Kleine commissie</al><al>De kleine commissie vergadert in principe eens per week.</al><al>De kleine commissie bestaat uit tenminste twee rayonarchitecten van
                                Libau, zijnde gemandateerde leden van de welstandscommissie, hier de
                                zogenaamde grote commissie.</al><al>De kleine commissie heeft als taak om:</al><lijst><li nr="a."><al>adviesaanvragen te beoordelen waarvan de mening van de
                                        commissie op grond van eerdere ervaringen bekend
                                        verondersteld kan worden;</al></li><li nr="b."><al>adviesaanvragen te beoordelen die in het kader van
                                        gebiedsgerichte criteria geen discussie oproepen;</al></li><li nr="c."><al>vervolgplannen te beoordelen die eerder door de commissie
                                        zijn behandeld;</al></li><li nr="d."><al>adviesaanvragen te selecteren die aan de ‘’grote’’
                                        welstandscommissie van externe deskundigen worden
                                        voorgelegd;</al></li><li nr="e."><al>(voor)overleg te voeren met de aanvrager;</al></li><li nr="f."><al>met in acht name van de welstandscriteria de afstemming van
                                        adviezen in de verschillende rayons te bevorderen. In geval
                                        van twijfel wordt de aanvraag omgevingsvergunning voor
                                        bouwen alsnog voorgelegd aan de grote commissie van externe
                                        deskundigen.</al></li></lijst><al>Grote commissie</al><al>De grote commissie van externe deskundigen vergadert in de regel
                                eens per veertien dagen, zoveel mogelijk gekoppeld aan de week
                                waarin de gemeenten worden bezocht.</al><al>Rooster en publicatie</al><al>Libau hanteert in principe een veertiendaagse cyclus waarbij in de
                                eerste week alle gemeenten bezocht worden en in de tweede week de
                                plannen worden afgehandeld. Indien de gemeente na het bezoek van de
                                rayonarchitect ten gemeentehuis en op haar website de in de
                                respectievelijke commissies te behandelen plannen bekend maakt, kan
                                de planafhandeling in de eerste cyclus van veertien dagen
                                plaatsvinden. Indien een en ander in de geëigende media wordt
                                aangekondigd vindt afhandeling aan het eind van de tweede
                                veertiendaagse cyclus plaats.</al><al><vet>Artikel 11 Mandaat</vet></al><al>Mandaat namens de welstandscommissie</al><lijst><li nr="1."><al>De commissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                        mandateren aan één of meer daartoe aangewezen leden.
                                        Bouwplannen waarvan volgens deze leden het oordeel van de
                                        welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld
                                        worden door de aangewezen leden geadviseerd.</al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog
                                        voorgelegd aan de commissie.</al></li><li nr="3."><al>De behandeling van bouwplannen onder mandaat is
                                        openbaar.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 12 Het welstandsadvies</vet></al><al><vet>1. Inhoud</vet></al><al>Conform artikel 12, lid 1 van de WW 2002 wordt in het
                                welstandsadvies door de commissie uitgesproken of het uiterlijk en
                                de plaatsing van een bouwwerk zowel op zichzelf als in relatie met
                                de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is
                                met redelijke eisen van welstand. De commissie baseert zich daarbij
                                op de criteria zoals deze zijn opgenomen in de welstandsnota.</al><al>Het advies spreekt zich uit over de welstandsaspecten van het
                                ingediende bouwplan, daarbij kunnen dus geen andere argumenten
                                worden aangevoerd dan die welke de welstand raken. In een
                                welstandsadvies moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen
                                bezwaren die ondervangen dienen te worden of suggesties die de
                                kwaliteit van het plan ten goede kunnen komen.</al><al>Naar aanleiding van een bepaalde bouwaanvraag kunnen adviezen ook
                                meer algemene beleidszaken betreffen. In adviezen zal echter steeds
                                de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen als uitgangspunt worden
                                genomen. Persoonlijke voorkeuren van commissieleden alsook
                                opmerkingen die de persoon van de aanvrager of de ontwerper raken
                                horen in een welstandsadvies niet thuis.</al><al><vet>2. Het schriftelijk advies</vet></al><al>Het welstandsadvies wordt altijd schriftelijk uitgebracht in
                                begrijpelijke taal. Een negatief advies is altijd voorzien van een
                                leesbare en deugdelijke motivatie. Wanneer een positief advies
                                aanvankelijk niet expliciet gemotiveerd is, kan daarin bijvoorbeeld
                                op verzoek van B &amp; W in een later stadium worden voorzien. Een
                                positief advies is altijd schriftelijk gemotiveerd indien er sprake
                                is van afwijking van de criteria uit de nota. De commissie geeft dan
                                aan waarom er in dit bijzondere geval reden is om van de criteria af
                                te wijken. Het advies vormt de basis van elk overleg met
                                betrokkenen. Uit oogpunt van rechtszekerheid van de betrokkenen
                                kunnen in een vervolgstadium geen nieuwe opmerkingen meer worden
                                ingebracht, die in een eerder stadium al onderkend hadden kunnen
                                worden, tenzij wijzigingen in het bouwplan daartoe aanleiding
                                geven.</al><al>Het advies kent de volgende opzet, waarbij niet alle elementen in
                                elk advies aan de orde hoeven komen.</al><lijst><li nr="·"><al>in voorkomende gevallen: kort overzicht of verwijzingen naar
                                        eerdere fasen en adviezen in de procedure;</al></li><li nr="·"><al>in voorkomende gevallen: beknopt verslag van de inbreng van
                                        de planindieners korte kenschets van de omgeving en de aard
                                        van de bouwactiviteit in dat verband;</al></li><li nr="·"><al>verwijzing naar de bij de beoordeling toegepaste
                                        welstandscriteria;</al></li><li nr="·"><al>het feitelijke advies waarbij achtereenvolgens de situatie,
                                        de hoofdvorm, de architectonische uitwerking en de
                                        detaillering en kleuren en materialen aan de orde kunnen
                                        komen;</al></li><li nr="·"><al>in voorkomende gevallen: vrijblijvende suggesties die de
                                        ruimtelijke kwaliteit van het bouwwerk ten goede kunnen
                                        komen.</al></li></lijst><al><vet>3. Uitkomst van het advies</vet></al><al>Het welstandsadvies kan de volgende uitkomsten hebben:</al><al>1.Voldoet</al><al>De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing
                                zijnde criteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand;
                                er kunnen vrijblijvende suggesties worden gedaan die de ruimtelijke
                                kwaliteit van het bouwwerk ten goede kunnen komen.</al><al>2.Voldoet mits</al><al>De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing
                                zijnde criteria op een aantal punten in strijd is met redelijke
                                eisen van welstand, tenzij de geformuleerde bezwaren worden
                                ondervangen. In het advies wordt aangegeven of de commissie de
                                gekozen aanpassingen nog wil beoordelen of dat deze door Bouw- en
                                Woningtoezicht kan worden afgedaan.</al><al>3.Voldoet niet</al><al>De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing
                                zijnde criteria in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het
                                plan behoeft een ingrijpende wijziging in uitwerking of
                                uitgangspunten om aan redelijke eisen van welstand te kunnen
                                voldoen.</al><al>4.Aanhouden</al><al>De commissie kan het advies aanhouden wanneer zij meer informatie of
                                toelichting noodzakelijk acht om tot een adequate beoordeling te
                                kunnen komen. Een en ander in overleg met Bouw- en Woningtoezicht in
                                verband met de beschikbare termijnen.</al><al><vet>4. Toelichting op het advies</vet></al><al>De planindieners kunnen te allen tijde verzoeken om een toelichting
                                op het advies. In eerste instantie is het gemeentelijk spreekuur
                                tijdens het rayonbezoek daartoe het meest aangewezen. Wanneer dit
                                naar het oordeel van de initiatiefnemers niet volstaat kan men
                                uiteraard ook bij de commissie terecht.</al><al><vet>5. Second opinion</vet></al><al>Alvorens een second opinion in te winnen biedt het bevoegd gezag
                                eerst de commissie de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder
                                uitgebrachte advies, waarbij wordt aangegeven op welke punten naar
                                de mening van het bevoegd gezag de houdbaarheid van het advies
                                mogelijk in het geding is. Indien alsnog een second opinion wordt
                                gevraagd, wordt dit ter kennis gebracht van de commissie. Bij een
                                second opinion wordt de adviesaanvraag voorgelegd aan een elders in
                                Nederland functionerende welstandscommissie.</al><al><vet>Artikel 13 Uitvoering door het bevoegd gezag</vet></al><al>Het bevoegd gezag heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het
                                welstandsoordeel, zoals dat tot stand komt aan de hand van de in de
                                welstandsnota opgenomen welstandscriteria.</al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag volgt in principe het advies van de
                                        welstandscommissie; Zij kan van dit advies afwijken,</al></li><li nr="a."><al>op inhoudelijke gronden, omdat zij van mening is dat de
                                        commissie niet juist heeft geïnterpreteerd of niet de juiste
                                        criteria heeft toegepast of omdat zij op inhoudelijke
                                        gronden tot een ander oordeel komt dan de commissie. In dat
                                        geval volgt zij de procedure als beschreven onder second
                                        opinion.</al></li><li nr="b."><al>om zwaarwegende andere redenen, omdat het plan weliswaar
                                        strijdig wordt geacht met redelijke eisen van welstand, maar
                                        dat op grond van artikel 44 lid d van de WW 2002 het bevoegd
                                        gezag een omgevingsvergunning kan verlenen op grond van
                                        andere zwaarwegende redenen van bijvoorbeeld economische of
                                        maatschappelijke aard.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan ook afwijken van de
                                        welstandscriteria,</al><al> Hiervan kan sprake zijn indien bouwplannen niet voldoen aan
                                        de in de nota genoemde gebiedsgerichte of objectgerichte
                                        criteria, maar wel aan de algemene criteria en indien de
                                        architectonische en ruimtelijke kwaliteiten niettemin in
                                        bijzondere mate bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving.
                                        De afwijking geschiedt op grond van een daartoe strekkend
                                        gemotiveerd advies van de welstandscommissie.</al></li></lijst><al><cursief>Bezwaren</cursief></al><al>Binnen zes weken na het besluit van het bevoegd gezag omtrent de
                                aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen belanghebbenden
                                bezwaar aantekenen tegen deze beslissing. In de
                                bezwaarschriftenprocedure heroverweegt het bevoegd gezag het besluit
                                na advies te hebben ingewonnen van de Commissie Bezwaar- en
                                Beroepsschriften.</al><al>Belanghebbenden worden in dat geval uitgenodigd om tijdens een
                                hoorzitting hun standpunten nader toe te lichten. Binnen tien weken
                                neemt het bevoegd gezag daarna een beslissing op het bezwaar.
                                Belanghebbenden die het met de heroverweging niet eens zijn kunnen
                                hiertegen in beroep gaan. Wanneer de initiatiefnemers of derde
                                belanghebbenden bezwaren hebben tegen het welstandsoordeel dient men
                                zich tot het bevoegd gezag te richten. Zij immers oordelen over de
                                welstandsaspecten. Dat het bevoegd gezag in het algemeen de adviezen
                                van de welstandscommissie volgt, doet niet af aan zijn specifieke
                                eigen verantwoordelijkheid in deze. Uiteraard kan het bevoegd gezag
                                de eigen of een tweede welstandscommissie om een second opinon
                                vragen. Lopende de procedure kunnen de initiatiefnemers de
                                welstandscommissie om een toelichting vragen of overleg voeren. Hoor
                                en wederhoor kan leiden tot een bijstelling van het
                                welstandsadvies.</al><al><vet>Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1
                                    (brandmeldinstallaties) </vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5
                                    (ontruimingsinstallatie) </vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8
                                    (vluchtrouteaanduiding) </vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Bijlage 13 Kaarten bebouwde kom </vet></al></bijlage><bijlage><al><vet> INHOUDSOPGAVE </vet></al><al><vet>1. Inleidende bepalingen </vet></al><al><vet>2. De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen </vet></al><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden </al><al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning 6 </al><al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing </al><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem </al><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen </al><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtroute- </al><al>aanduidingen </al><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen </al><al><vet>3. De melding</vet></al><al><vet>4. Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                    ingebruikneming </vet></al><al><vet>van een bouwwerk </vet></al><al><vet>5. Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                    nutsvoorzieningen </vet></al><al><vet>en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte </vet></al><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen </al><al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen </al><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen </al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid </al><al><vet>6. Brandveilig gebruik </vet></al><al><vet>7. Overige gebruiksbepalingen </vet></al><al>Paragraaf 1 Overbevolking </al><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik </al><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen </al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid </al><al>Paragraaf 5 Watergebruik </al><al>Paragraaf 6 Installaties </al><al><vet>8. Slopen </vet></al><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen </al><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning </al><al>voor het slopen. </al><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen </al><al>Paragraaf 4 Vrij slopen </al><al><vet>9. Welstand </vet></al><al><vet>10. Overige administratieve bepalingen </vet></al><al><vet>11. Handhaving </vet></al><al><vet>12. Straf-, overgangs- en slotbepalingen </vet></al><al>Bijlage 1. Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning </al><al>Bijlage 2. Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning </al><al>Bijlage 3. Gebruikseisen voor bouwwerken </al><al>Bijlage 4. Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet
                    gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties </al><al>Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen </al><al>Bijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen </al><al>Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering </al><al>op erven en terreinen </al><al>Bijlage 8 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee </al><al>vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest </al><al>Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie </al><al>Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties) </al><al>Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsinstallatie) </al><al>Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding) </al><al>Bijlage 13 Kaarten bebouwde kom </al></bijlage></regeling></body></cvdr>