<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR46215_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening 2010 gemeente Vlissingen 14e serie wijzigingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2012, IV.02</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening 2010 gemeente Vlissingen 14e serie wijzigingen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 8 Woningwet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Bouwbesluit</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit omgevingsrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Regeling omgevingsrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Asbestverwijderingsbesluit</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-05-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-10-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt de Bouwverordening 13e serie wijzigingen, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 29 april 2010.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>BOUWVERORDENING VLISSINGEN 2010 - 13e serie wijzigingen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>INLEIDENDE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                                        artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het
                                        ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit
                                        artikellid, burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b."><al>Bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="c."><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid,
                                        van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw-
                                        en woningtoezicht;</al></li><li nr="d."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                        hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                        hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                                        bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al></li><li nr="e."><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in
                                        het Bouwbesluit;</al></li><li nr="f."><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of
                                        namens het college is vastgesteld;</al></li><li nr="g."><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven norm;</al></li><li nr="h."><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="i."><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen:</al><al> Vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel
                                        2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="j."><al>straatpeil: a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                        direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse
                                        van die hoofdtoegang;</al></li><li nr="k."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan
                                        de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="l."><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                        openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin
                                        gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                        behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                        liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;</al></li><li nr="m."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeenteVlissingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>t/m 2.1.4 (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                            bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009,
                                            in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt
                                            uit figuur 1;</al></li><li nr="b."><al>(vervallen);</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig
                                            is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
                                            voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt
                                    niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar
                                    aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                    Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze
                                    verwijzing geldt niet voor de hoogtebepaling in het Besluit
                                    omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
                                    de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in
                                    artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien
                                    voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds
                                    bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                    tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                    artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan
                                    voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als
                                    bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het
                                    in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
                                    historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de
                                    locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                                    volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                    rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                    begonnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>t/m 2.1.8 (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>t/m 2.2.6 (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Welstandscriteria (Gereserveerd)</titel></kop><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet gebouwd
                                worden voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen is vereist; en</al></li><li nr="c."><al>1. dat de grond raakt, of</al><al>2. waarvan het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                        wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht,
                                kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van
                                het in de Regeling omgevingsrecht van oordeel zijn, dat de bodem
                                niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van
                                voorwaarden alsnog geschikt kan worden
                                        gemaakt<vet><cursief>.</cursief></vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen</titel></kop><al>(Vervallen (Rb 30-09-2004, 8-1))</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr> Vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing:</al><lijst><li nr="-"><al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn,
                                                welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging
                                                van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een
                                                zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                                overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 m¹, de lijn
                                                gelegen op 15 m¹ uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 m¹, de lijn
                                                gelegen op 10 m¹ uit de as van de weg.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al> onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van de veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al> andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,
                                        onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                        te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                                grens van de weg met niet meer dan 0,3 m¹
                                                overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                            Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming
                                            op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de
                                            weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                            galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                            1,50 m¹ overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappehuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen een afwijking worden
                                    toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><al> – 4,20 m¹ boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een
                                    strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;</al><al> – 2,20 m¹ boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al><al> en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de
                                    weg niet in gevaar komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot bouwen op de weg kan het bevoegd
                                gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommuninicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders
                                        dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                        bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                            afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                            waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is
                                            verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                            achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 m¹ bevinden,
                                    moet de bebouwing op de hoeken – over een hoogte op een
                                    dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 m¹ boven straatpeil –
                                    worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m²
                                    behoeft te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>Gebouwen behorende tot een complex van gebouwen.</al></li><li nr="b."><al>Gebouwen op handels- en industrieterreinen.</al></li><li nr="c."><al>Vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen.</al></li><li nr="d."><al>Bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                            artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht bedoelde gebouwen.</al></li><li nr="e."><al>Gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                            woningen.</al></li><li nr="f."><al>Gedeelten van naar de weg gekeerde gevels.</al></li><li nr="g."><al>Gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                            afwijking is gebaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging van de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok
                                            op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de
                                            helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                                            voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan vijftien meter. Indien meer dan
                                            één ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen
                                            kan worden beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok
                                            van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige
                                            afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze
                                            als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het
                                            bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen,
                                            voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van
                                            het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere
                                            afstand van de voorgevelrooilijn dan vijftien
                                            meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan ¼ van de
                                            afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand
                                            van de voorgevelrooilijn dan vijftien meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan ¼ van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan vijftien meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op
                                            een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                            beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van
                                            dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan vijftien meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing – in het belang van de toetreding
                                    van dag-licht – over een afstand van ten minste vijf meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste twee meter
                                    terugliggen ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                    aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                    hoekbebouwing dit toelaten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf ten minste 20 m¹ bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                        uitbouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen als bedoeld artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,
                                        onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                        te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, riool-leidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en
                                        17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 m¹ bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 6.37, 6.38 en 6.49 van het
                                        bouwbesluit 2012, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3,
                                        of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers, serres en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen
                                        die vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                        onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda’s,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat dat:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                            achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat
                                            is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een
                                            diepte heeft van ten minste vijf m¹.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda’s
                                    buiten beschouwing blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                            indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot
                                            bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                            voorwaarden wordt voldaan:</al><al>1. een gunstige, andere indeling van het erf is
                                            aanwezig;</al><al>2. het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan
                                            twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen,
                                            aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een
                                            spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat
                                            terrein slechts aan één van die zijden mag worden
                                            bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot
                                            stand wordt gebracht;</al><al>3. bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                            bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van
                                            het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand
                                            verbeterd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste twee m¹ achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                            geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van
                                            het verbod tot overschrijding van de
                                            achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 m¹ daarboven minder
                                            dan 1 m¹ breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al><al> Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het
                                            aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing
                                            gelaten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                    mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij
                                    te laten ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                    niet toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van
                                    het af te scheiden erf of terrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 m¹ ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
                                    Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden
                                    met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                    hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                    nominale elektrische spanning van 1000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 m¹ ter weerszijden van een ondergrondse
                                    hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige
                                    bouwwerken worden gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 m¹, indien de elektrische spanning van de
                                            hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 m¹, indien daartegen met het oog op de
                                            veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                                            bezwaar bestaat. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    voorgevelrooilijn 1 m¹, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 m¹.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtstbij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verstverwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    achtergevelrooilijn 1 m¹, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                            tegen-overliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig
                                    lopen, wordt voor elke vijf meter breedte van de achterzijde van
                                    het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt,
                                    wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de
                                    achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende
                                    vijf meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt – onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1½ maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel
                                    niet hoger is dan de voorgevel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk,
                                    voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist,
                                    tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan
                                    tot de vlakken die de verticale vlakken door de
                                    voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de –
                                    krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 – maximale bouwhoogte en
                                    die met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de – krachtens artikel 2.5.22 – maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15
                                    meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagstgelegen weg. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat – uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat – daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en
                                    de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel
                                    vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten –
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden – buiten
                                    beschouwing worden gelaten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>Onderdelen van bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>Het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7
                                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en dan ten
                                        aanzien van die gedeelten, welke de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden;</al></li><li nr="c."><al>Topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 m¹ en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        produkt van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>Plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        m¹.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>Gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>Gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                        gebaat;</al></li><li nr="c."><al>Gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>Agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>Het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                hoogte-afmetingen andere hoogte-afmetingen kleiner
                                                worden dan de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht. </al></li><li nr="g."><al>Topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>Plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter;</al></li><li nr="i."><al>Dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>Draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>Vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>Bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                        omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte
                                    in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</titel></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen
                                met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en
                                van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                        beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3
                                        van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                        is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                        zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                        ordening, en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                        onderbouwing bevat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto’s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten
                                            minste 1,80 m¹ bij 5,00 m¹ en ten hoogste 3,25 m¹ bij
                                            6,00 m¹ bedragen;</al></li><li nr="b."><al>Indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                            voor een gehandicapte – voor zover die ruimte niet in de
                                            lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3,50
                                            m¹ bij 5,00 m¹ bedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachte behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                            omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>Voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                            stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                            voorzien.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Beginsel inzake brandmeldinstallaties (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties
                                    (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Beginsel inzake ontruimingsinstallaties (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Aanwezigheid van ontruimingsinstallaties (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Kwaliteit van de ontruimingsinstallaties (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Gelijkwaardigheid (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten
                                    (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al/><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr/><al>vervallen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3A</nr><titel>(facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening
                                    voor verwarming</titel></kop><al/><al>vervallen</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al/><al>vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>De melding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De wijze van melden (Gereserveerd)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Welstandscriteria (Gereserveerd)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij de voltooiing van de bouw en bij
                            ingebruikneming van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>vervallen</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>vervallen</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><lid><lidnr/><al>vervallen</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al/><al> (Vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/><al/></lid><lid><lidnr>undefined</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staat van brandveiligheidsinstallaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>t/m artikel 5.2.5 (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al/><al>vervallen</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al/><al>vervallen</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>vervallen</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al/><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al/><al>vervallen</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.1</nr><titel>Vergunning gebruik bouwwerk (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.2</nr><titel>Aanvraag gebruiksvergunning (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.3</nr><titel>In behandeling nemen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.5</nr><titel>Weigeren gebruiksvergunning (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.5a</nr><titel>Geldingsduur van de gebruiksvergunning (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.6</nr><titel>Intrekken gebruiksvergunning (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.7</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.1</nr><titel>Gebruikseisen voor bouwwerken (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.2</nr><titel>Opslag brandgevaarlijke stoffen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.3</nr><titel>Opslag en verwerking stoffen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.1</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.2</nr><titel>Gebruik middelen en voorzieningen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4.1</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.A</nr><titel>Kamerverhuurpanden</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Regels kamerverhuurpanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6A.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6A.2</nr><titel>Gebruiksvergunning (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6A.3</nr><titel>Gebruikseisen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6A.4</nr><titel>Aanvraag gebruiksvergunning (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6A.5</nr><titel>Termijn van beslissing (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6A.6</nr><titel>Weigeren gebruiksvergunning (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6A.7</nr><titel>Geldingsduur van de gebruiksvergunning (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6A.8</nr><titel>Intrekken gebruiksvergunning (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6A.9</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Overdragen vergunningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6A.2.1</nr><titel>Overdragen vergunningen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Overbevolking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen</titel></kop><al>vervallen</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woonwagens</titel></kop><al>vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>vervallen</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                    hygiëne</titel></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>Staken van het gebruik van een woonwagen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr><titel>Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en
                                    terreinen in afwijking van de bestemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zolang bij een bestemmingsplan, tot stand gekomen als
                                    uitbreidingsplan of als voorschriften ex artikel 43 van de
                                    Woningwet 1901, hetzij voor, hetzij na inwerkingtreding van de
                                    Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 1962, 286) geen
                                    voorschriften zijn gegeven omtrent het gebruik van de in de
                                    plannen of voorschriften begrepen bouwwerken, open erven of
                                    terreinen en geen aanpassing aan de Wet op de Ruimtelijke
                                    Ordening heeft plaatsgevonden, is gebruik te geven of te laten
                                    gebruiken op een wijze of tot doel strijdig met de uit dat plan
                                    of voorschriften voortvloeiende bestemming, nadat de bij het
                                    bestemmingsplan aangegeven bestemming is verwezenlijkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden niet in een bestemmingsplan begrepen bouwwerken
                                    en hun aanhorigheden te gebruiken in strijd met de bestemming,
                                    die zij blijkens hun constructie dan wel inrichting hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing
                                    op een gebruik dat tot het tijdstip van inwerkingtreding van de
                                    verordening niet onwettig was en zolang in dat gebruik geen
                                    wijziging wordt gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><al>vervallen</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8.</nr><titel>Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al/><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>vervallen</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                                het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                                    omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>vervallen</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>vervallen</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen</titel></kop><lid><lidnr>vervallen</lidnr><al/></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9.</nr><titel>Welstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van
                                welstand als bedoeld in artikel 12 van de Woningwet wordt acht
                                geslagen op de volgende aspecten:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in relatie tot de
                                        karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare
                                        ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige
                                        context;</al></li><li nr="b."><al>massa, structuur, maat en schaal, detaillering,
                                        materiaalkeuze en kleurstelling;</al></li><li nr="c."><al>samenhang in het bouwwerk of de bouwwerken voor wat betreft
                                        de onderlinge relatie tussen de samenstellende delen
                                        daarvan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de gemeenteraad een beleid voor de visuele kwaliteit van de
                                gebouwde omgeving heeft geformuleerd en openbaar gemaakt in
                                planologische maatregelen, beleidsnota's, deelnotities dan wel de
                                daarbijbehorende ontwerpen wordt, onverminderd het bepaalde in het
                                eerste lid, het bouwwerk aan dat beleid getoetst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>De advisering door de commissie van onafhankelijke
                                deskundigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de
                                welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie baseert haar advies op de welstandscriteria als bedoeld
                                in artikel 9.1.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Termijn van advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie brengt het advies over de aanvraag om
                                omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door
                                of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de termijn van afdoening van de aanvraag om
                                omgevingsvergunning voor het bouwen langer is dan de in artikel 46,
                                eerste lid, van de Woningwet bedoelde termijn van dertien weken
                                kunnen burgemeester en wethouders in hun verzoek om advies de
                                commissie een langere termijn dan vier weken geven voor het
                                uitbrengen van het welstandsadvies.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Openbaarheid van vergaderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergaderingen van de commissie, welke als onderwerp een aanvraag
                                om een omgevingsvergunning voor het bouwen, zijn openbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de orde van de vergadering of het belang van de aanvrager van
                                de omgevingsvergunning voor het bouwen dit vergt, kan de commissie
                                besluiten achter gesloten deuren te vergaderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Afdoening onder verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om
                                        advies, in afwijking van artikel 9.2, onder
                                        verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of
                                        meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de
                                        aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens
                                        hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag
                                        worden verondersteld. </al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr=""><al>In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd
                                        aan de welstandscommissie. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Mondelinge toelichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen,
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning
                                voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                commissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het
                                bouwplan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen of degene, een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering
                                van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het advies wordt door of namens burgemeester en wethouders gevoegd
                                bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen en is
                                vanaf dat moment openbaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Uitsluiting gebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente uit te sluiten van
                                welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet
                                dan nadat:</al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de inspraak als bedoeld in het eerste lid is de op artikel 6a van
                                de Wet op de ruimtelijke ordening gebaseerde inspraakverordening van
                                toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>10.</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om woonvergunning (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overgedragen mededeling (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                                anderevoorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>11.</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Stilleggen van de bouw (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
                                (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Stilleggen van het slopen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>12.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning
                                (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) bouwvergunning, ontheffing of
                                toestemming anderzinds</titel></kop><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming anderzinds,
                            die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening van
                            kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de
                            bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals die luidden vóór
                            de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft
                            dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze wijzigingen treden in werking op het moment van
                                inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al><lijst><li nr="a."><al>de Bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 29
                                        april 2010 en alle daarin aangebrachte wijzigingen, in de
                                        nieuwe Bouwverordening;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Bouwverordening 2010 gemeente
                                Vlissingen 13<sup>e</sup> serie wijzigingen'</al><al/><al/></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Vlissingen </ondertekening><ondertekening>in zijn openbare vergadering van 8 maart 2012.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. R.H. Roep</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>Mr. F. Vermeulen</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>BIJLAGEN BEHORENDE BIJ BOUWVERORDENING 2010 GEMEENTE VLISSINGEN 14e serie
                        wijzigingen</titel></kop><tussenkop>BIJLAGE 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning - Vervallen </tussenkop><tussenkop>BIJLAGE 2 Voorwaarden bij een gebruiksvergunning - Vervallen</tussenkop><tussenkop>BIJLAGE 3 Gebruikseisen voor bouwwerken behorende bij artikel 6.2.1,
                    eerste lid - Vervallen</tussenkop><tussenkop>BIJLAGE 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet
                    gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties - Vervallen</tussenkop><tussenkop>BIJLAGE 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen behorende bij artikel 6.2.2 -
                    Vervallen</tussenkop><tussenkop>BIJLAGE 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen - Vervallen </tussenkop><tussenkop>BIJLAGE 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de
                    buitenriolering op erven en terreinen Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 </tussenkop><al/><al>vervallen</al><tussenkop>BIJLAGE 8 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                    vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest - Vervallen</tussenkop><tussenkop>BIJLAGE 9 Reglement van orde van de welstandscommissie -
                    Vervallen</tussenkop><al>De gemeenteraad van Vlissingen heeft het Reglement van orde voor de
                    Welstandscommissie vastgesteld in zijn openbare vergadering van 3 maart 2004.
                    Kortheidshalve wordt daar naar verwezen.</al><tussenkop>BIJLAGE 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1
                    (brandmeldinstallaties) - Vervallen</tussenkop><tussenkop>BIJLAGE 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5
                    (ontruimingsinstallaties) - Vervallen</tussenkop><tussenkop>BIJLAGE 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8
                    (vluchtrouteaanduiding) - Vervallen</tussenkop><tussenkop>BIJLAGE 13 als bedoeld in de artikelen 6A.3 en 6A.4 -
                    Vervallen</tussenkop></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE 'BOUWVERORDENING GEMEENTE VLISSINGEN 2010 13e serie
                        wijzigingen'</titel></kop><tussenkop>1 Inleidende bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>Asbest</tussenkop><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 verstaat onder asbest: de vezelachtige
                    silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer 12172-73-5),
                    anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5),
                    crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6),
                    alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten zijn verwerkt. Voor de
                    overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de
                    daarbij behorende toelichting.</al><tussenkop>Regeling omgevingsrecht (MOR)</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
                    vervalt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab). Hiervoor
                    komt in de plaats de Regeling omgevingsrecht (Mor). Hierin staan de
                    indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.</al><tussenkop>Besluit omgevingsrecht (Bor) </tussenkop><al>Bij de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) vervalt
                    het Besluit </al><al>bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). De
                    categorie licht </al><al>bouwvergunningplichtige bouwwerken verdwijnt geheel. De vergunningvrije
                    bouwwerken staan in bijlage II van het Bor. </al><tussenkop>Bevoegd gezag </tussenkop><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    is in de bouwverordening waar nodig ‘burgemeester en wethouders’ gewijzigd in
                    ‘bevoegd gezag’ en is in artikel 1.1 de begripsomschrijving voor bevoegd gezag
                    opgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst van het gewijzigde artikel 1,
                    eerste lid, onderdeel e van de Woningwet. De bevoegdheden voor het verlenen,
                    wijzigen en intrekken van vergunningen, als bedoeld in de bouwverordening,
                    blijven gelijk. De meldingen vallen buiten de reikwijdte van de Wabo. Dit
                    betekent dat de sloopmelding in hoofdstuk 8 van de bouwverordening niet wordt
                    afgestemd met de Wabo. De diverse meldingen en mededelingen aan het
                    bouwtoezicht, die moeten worden </al><al>gedaan door de vergunninghouder, of namens deze door degene die bouwt of sloopt,
                    blijven eveneens ongewijzigd. De melding in het kader van het Gebruiksbesluit
                    wordt gedaan bij het bestuursorgaan waar de aanvraag omgevingsvergunning wordt
                    ingediend. In het geval dit bestuursorgaan niet burgemeester en wethouders is,
                    zendt het bestuursorgaan de melding door naar burgemeester en wethouders.</al><tussenkop>Bouwbesluit </tussenkop><al>Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het
                    geconverteerde Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze
                    besluiten zijn de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb.
                    2001, 518) opgenomen.</al><tussenkop>Bouwtoezicht</tussenkop><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en
                    wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                    bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond
                    van artikel 5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan
                    die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.</al><al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-,
                    provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel
                    bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de
                    toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen
                    onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><tussenkop>Gebruiksoppervlakte</tussenkop><al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1,
                    begripsbepalingen. De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen
                    omtrent overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de Bouwverordening. </al><tussenkop>Bouwwerk en gebouw</tussenkop><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    bepaald door de begripsomschrijving in de Bouwverordening en de jurisprudentie. </al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                    bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1
                    van de Woningwet. </al><tussenkop>Deskundig bedrijf</tussenkop><al>Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van
                    hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder
                    wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.
                    En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in
                    artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.’</al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Zie hiervoor
                    www.ascert.nl </al><tussenkop>Omgevingsvergunning</tussenkop><al>In de MBV worden de begrippen ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ en
                    ‘omgevingsvergunning voor het slopen’ gebruikt voor de in de begripsomschrijving
                    genoemde activiteiten. Uiteraard bestaat maar één omgevingsvergunning, geen
                    twee.</al><tussenkop>Vergunningvrij bouwen</tussenkop><al>Met de komst van de Wabo is ook de Woningwet ingrijpend gewijzigd. </al><al>Voor welke activiteiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist
                    staat in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit is
                    gebaseerd op de Wabo en vervangt het Besluit bouwvergunningvrije en licht
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). </al><al>Op hoofdlijnen omvat de verruiming van het vergunningvrije bouwen de volgende
                    onderdelen: </al><lijst><li nr="-"><al>De categorie lichte bouwvergunning komt te vervallen. Een activiteit,
                            zoals het bouwen, is nu vergunningvrij of vergunningplichtig. ;</al></li><li nr="-"><al>De categorie ‘omgevingsvergunningvrije’ bouwwerken wordt verder verruimd
                            waarbij twee categorieën vergunningvrij bouwen worden onderscheiden: 1.
                            een categorie waarop de bebouwingsregeling van het bestemmingsplan of de
                            beheersverordening (of andere planologische regelingen) wel van
                            toepassing is (art. 3) en 2. een categorie waarop de bebouwingsregeling
                            van het planologisch regime niet van toepassing is. Een en ander hangt
                            samen met het in de Wabo opgaan van planologische
                            afwijkingsbesluiten;</al></li><li nr="-"><al>Alle uitbreidingen van en bijgebouwen bij een hoofdgebouw worden onder
                            een nieuw begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ gebracht;</al></li><li nr="-"><al>Vergunningvrij bouwen wordt mogelijk bij alle typen gebouwen (was alleen
                            bij woningen en woongebouwen);</al></li><li nr="-"><al>Vervallen maximale maatvoering van 2,5 m voor diepte van een aan- of
                            uitbouw;</al></li><li nr="-"><al>Bouwen in, aan, op of bij een monument blijft vergunningplichtig;</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 1.2 Termijnen (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de
                    daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de
                    nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom. </al><al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor
                    het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een
                    beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht
                    dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of
                    beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente. </al><al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen
                    voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat
                    een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen
                    bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van kracht is, kan
                    het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan
                    voor de bebouwde kom </al><al>kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop gebaseerde kaartbijlagen.
                    Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt vastgesteld, dient te
                    worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de bouwverordening daarop moet
                    worden afgestemd of wellicht overbodig is geworden. </al><al>Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de
                    gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied
                    een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze toelichting. </al><al>Alternatief 3 </al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, maar wel
                    een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is vrijgesteld
                    van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware
                    industrie. </al><tussenkop>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><tussenkop>Regeling omgevingsrecht</tussenkop><al>In hoofdstuk 2 van de Bouwverordening zijn alle artikelen verzameld die
                    betrekking hebben op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen. De
                    indieningsvereisten staan in de Regeling omgevingsrecht. Deze regeling vervangt
                    het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning.</al><tussenkop>Wet BIBOB</tussenkop><al>De wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB), Stb.
                    2002, 347 en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn op 1 juni
                    2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na ontvangst
                    van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd
                    gezag wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitsadvies wordt
                    gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het Ministerie van
                    Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de
                    aanvrager – zowel natuurlijke als rechtspersonen – en naar de herkomst waarmee
                    het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd
                    gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren. </al><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                    advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                    behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met
                    maximaal acht weken op.</al><tussenkop>Awb</tussenkop><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geeft algemene regels voor het
                    rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen
                    besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding
                    van besluiten van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor
                    de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. </al><tussenkop>Wro</tussenkop><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). </al><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen
                    voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van
                    dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg
                    (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te
                    kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4).
                    Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                    bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, </al><al>vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het
                    gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk
                    vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet
                    blijven bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><tussenkop>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het
                    bouwen</tussenkop><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art.
                    3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken
                    bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond
                    van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de
                    beoordeling van het ingediende bouwplan. </al><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter
                    inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de
                    antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te
                    bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig
                    voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al><tussenkop>Wabo</tussenkop><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                    omgevingsvergunning. De </al><al>bouwvergunning en de sloopvergunning op grond van hoofdstuk 8 Bouwverordening
                    maken deel uit van de omgevingsvergunning en worden in de Bouwverordening
                    aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1 Wabo) en
                    omgevingsvergunning voor het slopen (art. 2.2, lid 1, onder a. Wabo). De Wabo
                    heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de bouwverordening. De
                    Bouwverordening is met de 13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof gemaakt. De
                    gefaseerde behandeling van een vergunningaanvraag en de vergunningverlening
                    zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo mogelijk ten aanzien van
                    de omgevingsvergunning.</al><tussenkop>Voorwaarden voor bouwafval in de omgevingsvergunning voor het
                    bouwen</tussenkop><al>Aan de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen voorwaarden worden verbonden
                    over de wijze van scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats
                    opslaan en over het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze
                    voorwaarden dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11. </al><al>Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke
                    (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan
                    betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en
                    de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking.</al><tussenkop>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</tussenkop><tussenkop>Artikelen 2.1.1 t/m 2.1.4 (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</tussenkop><al>Inleiding</al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de Bouwverordening hebben tot doel te
                    bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat
                    het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige
                    toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt
                    beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de
                    voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht. </al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                    beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                    2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen. </al><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch
                    bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd – ook
                    wel historisch onderzoek genoemd – ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten
                    ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c
                    richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het
                    bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in de grond te
                    onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                    wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en
                    waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of
                    dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                    organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft
                    uitbesteed.</al><al>Lid 3</al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                    bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. De afwijking vindt plaats door deze op
                    te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het
                    afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede
                    omgevingsvergunning te regelen.</al><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het
                    indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid
                    ontwikkelen.</al><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. </al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om een bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek
                    tot de bescheiden die ook later kunenn worden ingediend. </al><tussenkop>Artikelen 2.1.6 t/m 2.1.8 (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</tussenkop><tussenkop>Artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.6 (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 3 </tussenkop><tussenkop>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (Gereserveerd)</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. </al><al>De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan
                    in de Regeling omgevingsrecht. </al><al>De structuur is als volgt: </al><lijst><li nr="-"><al>Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                            onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd,
                            aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht.</al></li><li nr="-"><al>Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden
                            waarover het bevoegd gezag reeds beschikt, niet opnieuw behoeven te
                            worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn
                            verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden, en
                            die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in
                            artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt
                            dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en actualiteit te
                            toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de
                            aanvraag verstrekt, omdat deze reeds in het bezit van het bevoegd gezag
                            zijn.</al></li><li nr="-"><al>Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                            bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden
                            opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening,
                            wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 4:5 van de Awb in de
                            gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.</al></li><li nr="-"><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het
                            bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat
                            de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt
                            voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een
                            termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden
                            worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht.</al></li></lijst><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in
                    deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn
                    immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van
                    de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het
                    milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met
                    betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in
                    tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze
                    wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en
                    sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo.</al><al>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</al><al>Wat verstaan moet worden onder ‘bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven’ wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    ‘enige tijd’ moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren
                    verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend
                    mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen
                    aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort
                    durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog
                    niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In
                    de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr.5, p 6) wordt
                    naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in
                    termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip “voortdurend of
                    nagenoeg voortdurend verblijven van mensen” valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning. </al><tussenkop>Bouwwerken die de grond niet raken</tussenkop><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al><tussenkop>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                    bodemverontreiniging</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag voor de vraag of bij
                    niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet
                    onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. </al><al>Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn
                    gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten die daartoe
                    zijn aangewezen (zie website ministerie VROM site:
                    www.vrom.nl/pagina.html?id=24354&amp;term=wet+bodembescherming; Besluit
                    aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming) volgens de Wet
                    bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen.</al><al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet
                    het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van
                    een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan
                    zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de
                    gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. </al><al>Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen
                    formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen
                    van aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie
                    hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van Bouwverordening.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><tussenkop>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</tussenkop><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het
                    bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad,
                    zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak
                    van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen. </al><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                    verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen. </al><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                    worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de
                    bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan: </al><lijst><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende
                            laag wordt aangebracht;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                            afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater
                            wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van
                            het bouwwerk in stand wordt gehouden.</al></li></lijst><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                    verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is.
                    Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een
                    verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten
                    plaatsvinden. </al><al>Ook aanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging
                    kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</al><tussenkop>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                    bereikbaarheidseisen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf aanleiding
                    tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele
                    stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft
                    het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor
                    voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de
                    bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een
                    even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan
                    worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg </al><al>hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van paragraaf 5 van hoofdstuk
                    2 vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet
                    blijven bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost. Het parkeren regelen in
                    een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die dit nu doen, kunnen
                    hiermee door gaan. Voor zover planologische onderwerpen zijn geregeld in een
                    bestemmingsplan, treedt voor die onderwerpen de bouwverordening terug (art. 9
                    Woningwet).</al><tussenkop>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan </tussenkop><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                    paragraaf van de Bouwverordening alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan
                    voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan nietvergelijkbare
                    voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het
                    moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                    opzichte van de Bouwverordening. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige
                    duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende
                    bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De
                    Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat
                    dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het
                    geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot
                    geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de
                    stedenbouwkundige bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de
                    bouwverordening het bestemmingsplan aan. </al><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening
                    wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd: </al><lijst><li nr="a."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp
                            dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord
                            ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of,</al></li><li nr="b."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                            aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                            gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op
                            deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of,</al></li><li nr="c."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                            voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                            werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                            gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg
                            geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende
                            werking van de bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid
                            van de Woningwet te worden afgewezen.</al></li></lijst><tussenkop>Wet ruimtelijke ordening (Wro) </tussenkop><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de
                    bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is hierop
                    ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van de artikelen 3.5.3 (Bereikbaarheid
                    bouwwerken voor wegverkeer; brandblusvoorzieningen), 2.5.3A ( Bereikbaarheid van
                    gebouwen voor gehandicapten) en 2.5.30 (parkeren) wijzen wij op het uitstel van
                    de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid Invoeringswet Wro. Zoals uit
                    de eerder vermelde toelichting blijkt, blijven deze artikelen vooralsnog in de
                    Bouwverordening bestaan.</al><tussenkop>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van vrijstelling van de
                    stedebouwkundige bepalingen (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</tussenkop><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de Bouwverordening dan wel in
                    een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat
                    terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander
                    gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral
                    in het buitengebied betekenis te hebben.</al><tussenkop>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</tussenkop><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het verblijf van
                    mensen is bestemd', omdat met name ziekenauto's en brandweerauto's niet alleen
                    gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen gebouw
                    zijnde, zoals de tribunes van sportvelden. </al><al>Indien de maat in het eerste lid door de gemeenteraad op 10 meter wordt bepaald,
                    dan correspondeert deze met de maat, bij overschrijding waarvan - ingevolge
                    artikel 5, lid 4 van de Postregeling 2009 dat op artikel 20 van de Postwet 2009
                    berust - een brievenbus aan het tuinhek moet worden aangebracht in plaats van
                    aan de voordeur, een zgn. buitenbus. De maat van 10 meter verdient uit een
                    oogpunt van brandbestrijding eveneens de voorkeur, omdat anders de lengte van de
                    blusslangen te groot wordt. </al><al>Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de zin
                    van het eerste lid, moet de omgevingsvergunning voor het bouwen worden
                    geweigerd. Eventueel kan de omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend
                    met de voorwaarde dat met bouwen pas mag worden begonnen, wanneer de
                    totstandkoming van een weg die aan de eisen voldoet, voldoende is gewaarborgd.
                    Een en ander kan betekenen dat de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                    bouwen eerst moet zorgen dat hij beschikt over een toestemming tot aanleg van de
                    verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op het wegennet. </al><al>Een publiekrechtelijke regeling (met een meldingsplicht voor het aanleggen van
                    wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model voor de algemene
                    plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een privaatrechtelijke
                    toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke toestemming tot uitwegen
                    is - gelet op artikel 14 van de Wegenwet -niet nodig voor het aansluiten, c.q.
                    uitwegen op openbare wegen. </al><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het gebruik door
                    gangbare vrachtauto's, zoals verhuisauto's, vuilnisauto's, brandweerauto's e.d.,
                    zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De eis voor het
                    draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een sloot of iets
                    dergelijks is eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde gangbare
                    vrachtauto's. </al><tussenkop>Lid 4 </tussenkop><al>Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden
                    aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. </al><al>Zulke opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien de
                    plaatselijke brandweer over blusvoertuigen voor terreingebruik beschikt. </al><tussenkop>Lid 5 </tussenkop><al>De openbare bluswatervoorziening is geregeld op grond van artikel 1 van de
                    Brandweerwet 1985. B&amp;W hebben de zorg voor de openbare (brand)veiligheid en
                    zijn op grond van deze wet verantwoordelijk voor de openbare
                    bluswatervoorziening. De gemeente zelf moet hierin voorzien. </al><al>In de bouwverordening staat dat bij gebrek aan een openbare bluswatervoorziening
                    (de bouwer) moet zorg dragen voor een niet openbare bluswatervoorziening. Te
                    denken valt aan een huisje op de hei. In zo'n geval kan van de gemeente geen
                    bluswaterleiding worden gevraagd, dit gaat de zorgplicht te boven. De bouwer
                    moet dit zelf regelen.</al><tussenkop>Artikel 2.5.3A Brandweeringangen (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</tussenkop><al>Het onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het Bouwbesluit
                    die betrekking hebben op de toegankelijkheid van gebouwen voor al dan niet
                    gehandicapte mensen. In genoemde bepalingen is tevens geregeld, wanneer de
                    eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet beschikken.</al><tussenkop>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de
                    weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                    gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                    voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient
                    het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren: </al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig
                    is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een
                            afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                            bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter
                            uit de as van de weg.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</tussenkop><al>– De in artikel 39, aanhef en onder b, MBV 1965 (nu artikel 2.5.5 aanhef en
                    onder b, Bouwverordening) neergelegde bepaling betreffende de ligging van de
                    voorgevelrooilijn langs wegen waarlangs gebouwd mag worden, ziet niet op het
                    geval waarin langs een weg slechts krachtens een vrijstelling als hier aan de
                    orde mag worden gebouwd.</al><al> ARRS 12 augustus 1991, No. R03.89.0533.</al><al>– Een hoekwoning heeft twee voorgevelrooilijnen.</al><al> Wnd. Vz. ARRS 19 januari 1993, BR 1993, p. 377, Hoekwoning Nieuw-Ginneken.</al><al>– In het bestemmingsplan zijn bebouwingsgrenzen aangegeven, zodat ervan moet
                    worden uitgegaan dat dit onderwerp uitputtend in het bestemmingsplan is
                    geregeld. Er is dan geen plaats meer voor aanvullend werkende
                    rooilijnvoorschriften van de Bouwverordening, zie artikel 9, eerste lid,
                    Woningwet. (Rb. Breda 27 september 1994, 94/711 GEMWT BR.)</al><al>– Indien overeenkomstig het bepaalde in 2.5.5 (Model-)bouwverordening bij een
                    hoekwoning de twee rooilijnen worden doorgetrokken tot het punt waar zij elkaar
                    snijden, is de erfafscheiding voor de voorgevelrooilijn gebouwd. In een
                    dergelijke situatie is er, mede gelet op doel en strekking van het tweede
                    zinsdeel van artikel 43, eerste lid, onder j van de Woningwet, in beginsel geen
                    aanleiding om te oordelen dat ook bij hoekwoningen slechts één voorgevelrooilijn
                    aanwezig is.</al><al> Rb. Zutphen 17 januari 1995, 94/2406 GEMWT02.</al><al>– Het huis is een hoekhuis en heeft ingevolge het bestemmingsplan twee
                    voorgevelrooilijnen. In het onderhavige geval kan, gelet op de feitelijke
                    situatie, niet worden gesproken van een voortuin of achtertuin. Omdat het
                    bestemmingsplan voor de onderhavige erfafscheiding geen regeling bevat, moet aan
                    de gemeentelijke bouwverordening worden getoetst.</al><al> ABRS 20 maart 1995, R03.92.1104.</al><al>– Door het aanleggen van een weg op een binnenterrein ten behoeve van woningbouw
                    ontstaat er op grond van art. 2.5.5 (Model-)bouwverordening een
                    voorgevelrooilijn.</al><al> Vz. ABRS 15 juni 1995, H01.95.0175/P90 en K01.95.0032.</al><al>– De bestaande bebouwing aan de wegzijde waar de bouw wordt beoogd bestaat uit
                    een dubbelwoonhuis met garage en een vrijstaande woning. De voorgevels staan
                    respectievelijk 12 en 3,5 m van de voorste perceelgrens. Geen sprake van een
                    situatie ex artikel 39 aanhef en onder a (Model-)bouwverordening 1965 (thans
                    art. 2.5.5, aanhef en onder a bouwverordening).</al><al> ABRS 29 januari 1996, R03.92.4918.</al><al>– Aangenomen moet worden dat de voorgevelrooilijn die ligt aan de met huizen
                    bebouwde zijde van de dijk slechts maatgevend is voor aan die zijde op te
                    richten bebouwing. Aangezien het bouwwerk aan de – onbebouwde – overzijde is
                    opgericht kan geen sprake zijn van overtreding van artikel 39, aanhef en onder a
                    j 40 (Model-)bouwverordening 1965 (art. 2.5.5, aanhef en onder a
                    bouwverordening). Ook kan niet worden volgehouden dat met toepassing van artikel
                    39, aanhef en onder b van de (Model-)bouwverordening 1965 (art. 2.5.5, aanhef en
                    onder b bouwverordening) aan de onbebouwde walkant een voorgevelrooilijn
                    aanwezig geacht moet worden nu deze rooilijn dan ongeveer 2 m vanaf de walkant
                    in de rivier zou liggen. Derhalve kan in dit geval van een verbod tot bouwen met
                    overschreiding van de voorgevelrooilijn geen sprake zijn.</al><al> ABRS 14 maart 1996, R03.92.3457.</al><al>– Gelet op de functie die de uitweg ter plaatse heeft en de ligging van de
                    woningen ten opzichte van deze uitweg, is de afdeling van oordeel dat de
                    voorgevelrooilijn is gelegen langs de uitweg en niet aan de zijde van de
                    hoofdstraat, waar de uitweg op uitkomt.</al><al> ABRS 23 november 1995, R03.93.3280.</al><tussenkop>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Hoewel het begrip ‘rooilijn’ algemeen gedefinieerd wordt als ‘de lijn die –
                    behoudens toegelaten afwijkingen – bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden’, is – om misverstand te voorkomen – een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen.
                    Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie
                    art. 3.25 Wro.</al><tussenkop>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende
                    mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) vergunningplichtig bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt
                    echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat
                    onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van
                    samenloop gaat het zwaarste </al><al>regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen wordt
                    aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat bij een
                    eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht
                    kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.
                    Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning
                    voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De voor dit artikel van
                    belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                    Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het bebouwd oppervlak.
                    Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er geen sprake zijn
                    van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk,
                    waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen,
                    blijft dus vergunningplichtig. </al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als bedoeld
                    in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen
                    worden beschouwd: </al><lijst><li nr="1."><al>uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                            mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden,
                            bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten,
                            plinten, enigszins uitstekende schoorsteenwanden en
                            hemelwaterafvoeren;</al></li><li nr="2."><al>uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                            mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden,
                            bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken,
                            dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan
                            gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden dan hiervoor onder 1
                            en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in het algemeen overwegen
                            daartegen repressief op te treden. Indien in een bestemmingsplan geen
                            eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare bouwhoogte e.d.
                            is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de
                            bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling
                            om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de
                            voorgaande punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van
                            de woorden ', te weten:'.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Naast de ontheffingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29
                    nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er een bestemmingsplan of
                    beheersverordening in voorbereiding is en geen van de omstandigheden als genoemd
                    in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><tussenkop>Lid 1, ad b</tussenkop><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                    afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                    beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><tussenkop>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</tussenkop><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat de
                    bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd
                    zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te sluiten. </al><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><tussenkop>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</tussenkop><tussenkop>Lid 4, onder a</tussenkop><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld
                    complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en
                    gevangenissen vallen.</al><tussenkop>Lid 4, onder f</tussenkop><al>Hieronder vallen bijvoorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><tussenkop>Lid 4, onder g</tussenkop><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                    gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><tussenkop>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><tussenkop>Lid 1, onder a</tussenkop><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><tussenkop>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Hoewel het begrip ‘rooilijn’ algemeen wordt gedefinieerd als ‘de lijn die –
                    behoudens toegelaten afwijkingen – bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden’, is – om misverstand te voorkomen – een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden
                    als een – verboden – overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege
                    beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van
                    het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><tussenkop>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II
                    van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze
                    onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het niet logisch om
                    het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing
                    te laten zijn. </al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><tussenkop>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking tot het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel
                    2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen. </al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De vermelding
                    hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook
                    betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn, uit te sluiten. </al><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het verbod
                    de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht te worden
                    genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te
                    besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven. </al><tussenkop>Ad a en g </tussenkop><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                    winkelbebouwing.</al><tussenkop>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</tussenkop><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                    ‘buitenruimte’ in de zin van het Bouwbesluit. </al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen
                    aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht. </al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><tussenkop>Lid 3 b, onder 1</tussenkop><al>Deze ontheffing is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><tussenkop>Lid 3 b, onder 2</tussenkop><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou kunnen worden afgeweken
                    van de voorgeschreven erfgrootte.</al><tussenkop>Lid 3 b, onder 3</tussenkop><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al><tussenkop>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</tussenkop><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                    bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde
                    burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand
                    tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><tussenkop>Lid 2, onder a en b</tussenkop><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer
                    rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                    dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                    gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen
                    voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook
                    woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver
                    worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere
                    geval.</al><tussenkop>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</tussenkop><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten
                    tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding
                    tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer
                    dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan de
                    omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid,
                    indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het gebouw. </al><tussenkop>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</tussenkop><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht
                    om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in
                    de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften
                    spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in
                    principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor,
                    althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de
                    hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                    vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve preventieve
                    toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel
                    van de bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede
                    lid van laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                    het verbod als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het
                    bouwen van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een
                    terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw, is. </al><al>Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van
                    beweegbare delen van erf- en terreinafscheidingen.</al><tussenkop>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                    ondergrondse hoofdtransportleidingen</tussenkop><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk en de
                    veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de
                    openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor
                    elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d. </al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre het
                    bouwen nabij </al><al>hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo
                    ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als een verbod, waarvan
                    eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken zullen in het algemeen
                    zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op
                    het voorkomen van storingen in de goede werking van de lijnen en leidingen ten
                    gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het bouwwerk. </al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling
                    om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de
                    hoofdtransportleiding. </al><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van
                    opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                    Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30 meter,
                    dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met uitzondering van
                    bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d. Indien in het gebied waarop het
                    bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk recht van opstal is gevestigd -
                    zie hiervoor het kadaster - dan geldt de daarin vastgelegde afstand en heeft een
                    geringere afstand in een bestemmingsplan geen betekenis. In veel
                    bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd, die
                    elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><tussenkop>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld. </al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedebouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter
                    boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                    belemmeringshoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat
                    de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich
                    grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                    belemmeringshoek in een stedebouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de
                    hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van
                    de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedebouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringshoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten
                    (belemmeringshoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij
                    deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                    vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een
                    tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de
                    maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                    voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg
                    (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><tussenkop>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Zie figuur 19.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                    aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te wijken
                    van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten optrekken van
                    de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al><tussenkop>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                    achtergevelrooilijnen</tussenkop><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><tussenkop>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</tussenkop><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt – bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte – overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al>Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van rijkswege
                    beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering wel bouwvergunningplichtig op grond van artikel 5,
                    Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.28, sub 1.</al><tussenkop>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                    terreinen</tussenkop><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken. </al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het
                    hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun
                    goot.</al><tussenkop>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</tussenkop><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van ‘straatpeil’.</al><tussenkop>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                    bouwhoogte</tussenkop><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet
                    logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                    toepassing te laten zijn. </al><tussenkop>Ad b </tussenkop><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel
                    2.5.28, onder e.</al><tussenkop>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</tussenkop><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18 van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het
                    misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als
                    vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor),
                    uit te sluiten. </al><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid dient
                    bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel 2.5.2.
                    Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken. </al><tussenkop>Ad e, onder 1 </tussenkop><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                    bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is dan
                    thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een
                    gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><tussenkop>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                    voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.5.29 van de Bouwverordening is, in relatie met de overige
                    stedenbouwkundige afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie
                    tussen enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en
                    anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan.
                    Paragraaf 2.5 van de Bouwverordening is te beschouwen als een bestemmingsplan
                    vervangende regeling met derhalve ook de behoefte aan regels inzake afwijking
                    wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt voorbereid. Bedoeld is een net zo
                    eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen en gebruiken te hebben voor de
                    verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die
                    uit een bestemmingsplan. </tussenkop><tussenkop>Sub a. </tussenkop><tussenkop>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen
                    van toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of
                    projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een
                    bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van 3.9
                    Wabo van toepassing is. </tussenkop><tussenkop>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo </tussenkop><tussenkop>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden
                    aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren, maar er
                    voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd of
                    een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke situatie
                    vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening, waaronder
                    deze. </tussenkop><tussenkop>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant? </tussenkop><tussenkop>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle
                    besluiten de eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze motivering
                    zal in het onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op
                    toekomstig planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis opgenomen dat
                    het bouwplan waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de toegelaten
                    bouwhoogte 'in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'. </tussenkop><tussenkop>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om
                    de afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                    structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                    bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota. </tussenkop><tussenkop>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de
                    situaties zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage
                    gelegd ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit voor
                    bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen. </tussenkop><tussenkop>Sub d. </tussenkop><tussenkop>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
                    Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de betekenis
                    die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt rekening gehouden
                    met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke en landschappelijke
                    waarden. </tussenkop><tussenkop>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                    hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante afstanden
                    treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. </tussenkop><tussenkop>Sub e. </tussenkop><tussenkop>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                    ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de
                    Wabo.</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen </tussenkop><tussenkop>Algemeen </tussenkop><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                    parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als uitwerking
                    hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8,
                    vijfde lid van de Woningwet vervalt. </al><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe datum
                    van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het
                    ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond van
                    de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in
                    een regeling over het parkeren.</al><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per bouwvergunning te
                    bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van het gebouw, de
                    ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of
                    gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie
                    daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke
                    uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het
                    voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale
                    verkeer- en vervoerplan. </al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ).
                    Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen bouwvergunning
                    worden bepaald. </al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen bouwvergunning een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de
                    toepassing van het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige
                    overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm
                    onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete bouwvergunning
                    bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op
                    locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die
                    dat niet zijn. </al><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, eerste lid, over
                    'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                    Bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften
                    voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te
                    leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers. </al><tussenkop>Lid 3 </tussenkop><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's). </al><tussenkop>Lid 4, ad a </tussenkop><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid om een
                    parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te
                    maken is onder meer bedoeld voor omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van
                    winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden
                    worden gesteld.</al><tussenkop>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.6.1 t/m 2.6.12 (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</tussenkop><al>De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt niet
                    in dat het waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is en
                    evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van drinkwater. De
                    plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts de verplichting in
                    tot het doen treffen van de technische voorzieningen die het betrekken van
                    drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is afhankelijk van een met
                    het waterleidingbedrijf te sluiten contract. De voorwaarden waaronder dit
                    contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een afzonderlijke verordening op
                    de levering van drinkwater. In feite zal de aansluiting ook veelal door het
                    waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen de aansluiting van de
                    binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de levering van drinkwater vaak
                    in hetzelfde contract zijn geregeld. </al><al>Overigens moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen
                    aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt in geval een
                    binnenhuisinstallatie voor drinkwater – als bedoeld in het genoemde
                    artikelnummer van het Bouwbesluit – ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                    toepassing van de gelijkwaardigheidsbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt
                    dat het aanbrengen van een alternatieve voorziening voor het betrekken van
                    drinkwater wordt toegestaan.</al><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het
                    openbare-distributienet, zie artikel 2.7.7.</al><tussenkop>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</tussenkop><al>De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een
                    kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid. Zie
                    voorts de toelichting op artikel 2.7.1. Hetgeen daar is gesteld over de
                    waterleiding geldt mutatis mutandis voor de aansluiting op het
                    elektriciteitsnet.</al><tussenkop>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</tussenkop><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>De niet-vantoepassingverklaring is bedoeld voor woningen, waarin niet op gas
                    wordt gekookt en voor verwarming geen individuele toevoer van gas nodig is. In
                    de praktijk betreft dit vaak woningen voor ouderen of gehandicapten, waar wordt
                    aangenomen dat elektrisch koken veiliger is dan op gas koken. </al><tussenkop>Lid 2, onder b </tussenkop><al>Het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bepaalde in het
                    eerste lid is denkbaar voor koopwoningen, indien de eigenaar-bewoner geen
                    aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot hetgeen het geval kan zijn
                    voor huurwoningen, indien de gemeenteraad geschiktheid van de woning voor het
                    stoken en koken op de meest economische brandstof noodzakelijk acht. </al><tussenkop>Lid 2, onder c </tussenkop><al>Van het bepaalde in het eerste lid hoeft niet afgeweken te worden bij woningen
                    die worden aangesloten op de stads-, wijk- of blokverwarming, indien een
                    gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op aardgas. </al><al>Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al><tussenkop>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                    verwarming</tussenkop><al>Kostenoverwegingen van de initiatiefnemer van een bouwproject kunnen botsen met
                    de milieu-overwegingen van de gemeenteraad. In dat geval is een titel gewenst om
                    de aansluiting op een stads- of wijkverwarmingsnet te kunnen afdwingen, ook al
                    is er reeds voorzien in een aansluiting op het aardgasnet.</al><tussenkop>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig
                    transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is
                    neergelegd in artikel 10.33 van de Wet milieubeheer. De Bouwverordening, de Wet
                    Milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Waterwet richten zich op de lozers
                    van afvalwater. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van deze regelgeving.
                    Voor een uitgebreidere uiteenzetting verwijzen wij naar het Handboek Water:
                    www.infomil.nl/handboekwater. Met het oog op vermindering van de belasting van
                    het milieu en van het bestaande rioleringsnet kan in bepaalde gebieden of in een
                    hele gemeente verplicht worden gesteld dat hemelwaterafvoer wordt afgekoppeld
                    van het gemengde rioolstelsel. Deze plicht is niet gebaseerd op de
                    bouwverordening, maar staat in een afzonderlijke gemeentelijke verordening. De
                    VNG heeft hiervoor de Modelverordening afvoer hemelwater en grondwater </al><al>opgesteld en oer ledenbrief van 16 juli 2009, Lbr. 09/091 aan de
                    gemeentebesturen toegezonden. Deze verordening is gebaseerd op artikel 10.32a
                    van de Wet milieubeheer. </al><al>Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in artikel 2.7.4
                    van de MBV. Voor bestaande bouw is deze aansluitplicht geregeld in artikel
                    5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in samenhang met de in artikel 2.1 van de Wabo
                    gegeven vergunningplicht voor het bouwen en het herziene artikel 13 van de
                    Woningwet, de mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te verplichten om aan
                    te sluiten op de riolering indien de afstand tussen de openbare riolering en het
                    dichtstbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of minder bedraagt. </al><al>Vanaf begin 2008 worden lozingen zoveel mogelijk geregeld met algemene regels
                    (amvb’s). Deze amvb’s zijn gebaseerd op bovengenoemde wetten en regelen alle
                    lozingsroutes: rioolstelsels, oppervlaktewater en bodem. Dit betreft drie
                    amvb’s, die zich richten tot een bepaalde doelgroep: </al><lijst><li nr="1."><al>Het besluit lozing afvalwater huishoudens (Stb. 2007, 468), dat
                            uitsluitend van toepassing is op lozingen vanuit particuliere
                            huishoudens,</al></li><li nr="2."><al>het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415), dat zich richt tot
                            inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, en</al></li><li nr="3."><al>het Besluit lozen buiten inrichtingen (Scr., 2009, 12902) waarin het
                            grootste deel van de resterende lozingen in geregeld worden. Dit besluit
                            is nog in ontwerp en zal in 2010 van kracht worden.</al></li></lijst><al>Een aantal lozingen, met name die van grotere bedrijven, worden nog geregeld met
                    vergunningen. Bij lozing in het oppervlaktewater is dat de watervergunning, bij
                    lozing in het riool de Wabo -vergunning. </al><al>Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de omvang van de
                    lozing) staan de besluiten een directe lozing in het oppervlaktewater of de
                    bodem toe. In deze besluiten zijn de voorwaarden voor deze lozingen opgenomen,
                    voor kleinschalige lozingen van huishoudelijk afvalwater kan dan bijvoorbeeld
                    een Iba (Individuele Behandeling van Afvalwater) worden toegepast.</al><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dient de afvoerleiding het
                    huishoudelijk afvalwater te worden aangesloten op het vuilwaterriool. De afvoer
                    van het hemelwater van dak en terrein kan afhankelijk van het gemeentelijk
                    beleid, zoals vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP), geloosd
                    worden in het oppervlaktewater, de bodem of een speciaal daartoe aangelegd
                    hemelwaterstelsel. De voorwaarden waar deze lozingen aan moeten voldoen staan in
                    de hiervoor genoemde besluiten onder ‘Algemeen’. </al><al>De aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan de onder b genoemde
                    uitzondering op de aansluitplicht aan het gemeenteriool bovendien (laten)
                    gebruiken om het hemelwater op te slaan en in het kader van het duurzaam bouwen
                    te consumeren, waar drinkwater niet noodzakelijk is, zoals voor de
                    toiletspoeling, de wasmachine en het sproeien van de tuin. Zie bijvoorbeeld in
                    de losbladige uitgaven van het Nationaal pakket Duurzaam bouwen, uitgegeven en
                    regelmatig herzien door de Stichting Bouwresearch (SBR) te Rotterdam, </al><al>specificatieblad S 445. </al><tussenkop>Lid 2, onder a </tussenkop><al>Naast het geven van aanwijzigingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn van
                    de te realiseren aansluitleiding of aansluitleidingen is het gemeentelijk
                    bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift bevoegd: </al><lijst><li nr="a."><al>om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk-of vacuümriolering
                            wordt aangesloten;</al></li><li nr="b."><al>om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden gerealiseerd
                            voor enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de vuilwaterafvoer,
                            indien in het desbetreffende deel van de gemeente een gescheiden
                            gemeentelijk rioolstelsel aanwezig is.</al></li></lijst><tussenkop>Lid 2, onder b </tussenkop><al>Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen
                    bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een
                    rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan tevens
                    voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden getroffen, waarbij
                    moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de mogelijkheid van aangroeiing
                    meestal een onvoldoende voorziening is. </al><tussenkop>Lid 3 </tussenkop><al>Bij het tussenschakelen van voorzieningen nodig voor de goede werking van het
                    riool kan worden gedacht aan terugslagkleppen, ontluchting e.d. Door de 'hogere
                    regelgeving' – hiervoor genoemd onder ‘Algemeen’ -is nog meer dan voorheen
                    duidelijk dat de bouwverordening niet gaat over het lozen, maar uitsluitend over
                    de aansluitplicht. </al><tussenkop>Lid 4, onder a </tussenkop><al>Deze lozingen in oppervlaktewater of bodem zijn geregeld in bovenstaande
                    besluiten. In bepaalde gevallen, genoemd in die besluiten, moet gemeld worden. </al><tussenkop>Lid 4, onder b</tussenkop><al>Het bevoegd gezag kan afwijking toestaan van de verplichting tot aansluiting aan
                    het openbare riool. Een gebruikelijke praktijk bij agrarische bedrijven is dat
                    het huishoudelijk afvalwater geloosd wordt in de mestkelder en gezamenlijk met
                    de mest wordt uitgereden over het land onder de meststoffenregelgeving.</al><tussenkop>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                    riolering</tussenkop><tussenkop>Lid 1, onder c</tussenkop><al>Het verdient aanbeveling om de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                    bouwen erop te wijzen dat de lozingen van afvalwater, via alle lozingsroutes,
                    zijn geregeld met algemene regels volgens de amvb’s genoemd in toelichting bij
                    artikel 2.7.4. </al><tussenkop>Lid 1, onder d </tussenkop><al>In het belang van de goede werking van een rottingput (septic tank) dienen
                    daarop geen afvoerleidingen voor afvalwater zonder fecaliën, respectievelijk
                    hemelwater te worden aangesloten. Indien geen lozing op een waterloop met
                    behoorlijke doorstroming kan worden gerealiseerd, zal een zo goed mogelijke
                    andere oplossing moeten worden gezocht.</al><tussenkop>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                    en terreinen</tussenkop><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een gemeentelijk
                    rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, moet er –
                    met het oog op het in goede staat houden van dat rioolstelsel en de goede
                    werking van de zuiveringsinstallatie – op worden toegezien dat er in de
                    huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten e.d. voorkomen. </al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse
                    praktijkrichtlijn NPR 3218 ‘Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en
                    onderhoud’ die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is
                    verschenen. </al><al>Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 2007, ‘Binnenriolering in woningen
                    en woongebouwen – Eisen en bepalingsmethoden’ formeel slechts toepasbaar is op
                    binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn dat de
                    dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en anderzijds de daarop
                    aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf buitenshuis gelijk moet zijn.
                    Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de ‘huis’-aansluitleidingen van niet tot
                    bewoning bestemde gebouwen.</al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de
                    huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk
                    rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is
                    voorgeschreven.</al><tussenkop>Lid 6</tussenkop><al>Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde
                    NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met
                    overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband daarmee
                    vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel.</al><tussenkop>3 De melding</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 De wijze van melden (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.2 Welstandscriteria (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>4 Ingebruikneming van een bouwwerk</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling tot de
                    voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de vergunning(procedure), maar
                    uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en in gebruik nemen van een
                    bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13 hebben betrekking op alle
                    bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij als vergunningplichtig. </al><al>Artikel 7b Woningwet bevat verplichtingen in de vorm van algemene
                    verbodsbepalingen met betrekking tot de voorschriften uit de bouwverordening die
                    van toepassing zijn op onder meer het bouwen en het gebruik van een bouwwerk of
                    een open erf of terrein. In de artikelen 2.1., 2.2 en 2.3 van de Wabo staat
                    (onder meer) het verbod te bouwen zonder of in strijd met een voorschrift van de
                    omgevingsvergunning. Voorts kan worden opgetreden tegen de instandhouding van
                    een (deel van een) bouwwerk dat is gebouwd zonder of in afwijking van een
                    omgevingsvergunning.</al><tussenkop>Structuur van de voorschriften</tussenkop><al>Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve
                    handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door het
                    bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1 tot en
                    met 4.6 en 4.13. </al><al>Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van nadelige
                    effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid, grondwaterstand,
                    hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7 tot en met 4.10.
                    Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het bouwafval.</al><al>Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de
                    gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt
                    geregeld in artikel 7b Woningwet jo 4.14 Bouwverordening.</al><al>De veiligheidsvoorschriften – de artikelen 4.8 tot en met 4.10 – gelden
                    ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein.</al><tussenkop>Handhaving van de voorschriften</tussenkop><al>De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn op grond van artikel 7b van de Woningwet
                    rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de algemene toelichting bij Hoofdstuk
                    11.</al><al>Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als bedoeld in artikel 4.6
                    kan grond zijn voor het toepassen van bestuursdwang. </al><al>Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze
                    bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor gelden
                    andere regels en met de handhaving daarvan is de Arbeidsinspectie belast.</al><tussenkop>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                    tussentijdse staking van Bouwwerkzaamheden (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</tussenkop><al>Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen op de
                    hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is toch de plicht opgenomen om
                    op het bouwterrein deze bescheiden aanwezig te hebben en op verzoek aan het
                    bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht aanwezig zijn van deze
                    bescheiden voorkomt discussie over wat in die bescheiden is voorgeschreven. De
                    tekst is immers voorhanden en voorkomt dat de uitvoerder op het bouwterrein zegt
                    de inhoud van de bescheiden niet te kennen. </al><tussenkop>Sub a </tussenkop><al>Onder het begrip ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ in de zin van dit artikel
                    vallen tevens de bij de verlening teruggegeven bouwtekeningen, berekeningen
                    e.d., die niet strijdig zijn bevonden met de voorschriften en dus moeten worden
                    gehanteerd bij de bouwwerkzaamheden. </al><tussenkop>Sub b </tussenkop><al>Deze toestemmingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze bouwkundige
                    consequenties hebben. Deze vergunningen kunnen betrekking hebben op bij
                    voorbeeld beschikkingen van de rijks-of provinciale overheid. </al><tussenkop>Sub d </tussenkop><al>Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge de artikelen 13, 13a en 14, tweede
                    lid, onder b. van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom is nodig, omdat voor
                    bouwen op grond van deze besluiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is
                    vereist (art. 2 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en art. 2.1, derde
                    lid van de Wabo). </al><al>Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge artikel 8.3.2
                    ook de sloopvergunning op het bouw- en sloopterrein aanwezig zijn.</al><tussenkop>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
                    (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</tussenkop><al>De woorden ‘voor zover nodig’ zijn opgenomen, omdat er ook gevallen voorkomen,
                    waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen, bijvoorbeeld
                    bij een verbouwing.</al><tussenkop>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                    van) de bouwwerkzaamheden</tussenkop><al>De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot
                    tijdige controle.</al><tussenkop>Lid 1, sub a</tussenkop><al>Indien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd, verdient het aanbeveling het
                    regionale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter
                    voorkoming van schade aan leidingen. Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet
                    Informatieuitwisseling Ondergrondse Netten (WION), ook wel genoemd
                    ‘Grondroerdersregeling’. Het Kadaster is belast met de uitvoering van deze wet.
                    Zie: www.kadaster.nl/KLIC . </al><tussenkop>Lid 3 </tussenkop><al>In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt geadviseerd
                    terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door vergunninghouder
                    en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te verlangen.</al><tussenkop>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                    onderzoekingen</tussenkop><al>Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het bouwtoezicht
                    vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of materialen aan het oog zijn
                    onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de kosten van
                    de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te verrichten of te
                    doen verrichten, voor diens rekening komen. Degene die bouwt heeft het immers
                    zelf in de hand om voor de aanvang van bepaalde werkzaamheden tijdig het
                    bouwtoezicht te informeren en overigens conform de vergunning, het Bouwbesluit
                    en de Bouwverordening te werken. Specifieke controlewerkzaamheden buiten dit
                    artikel om komen voor rekening van de controlerende instantie, c.q. de gemeente. </al><al>Dit artikel geldt als aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het verrichten
                    van onderzoek, opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast biedt om
                    bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te breken, wordt dit artikel
                    van de Bouwverordening toegepast.</al><tussenkop>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</tussenkop><al>Het belang dat hier wordt gediend is de kwaliteit van funderingen en daarmee de
                    veiligheid van bouwwerken. Dit is een publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet
                    niet op eventuele schade in privaatrechtelijke zin. Het motief van het bepaalde
                    in dit artikel is aanvullend op de doelstelling van de Waterwet. </al><al>De Grondwaterwet is per 22 december 2009 vervangen door de Waterwet. Een
                    belangrijk gevolg van de invoering van de Waterwet is dat de huidige
                    vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit
                    resulteert in één vergunning: de watervergunning. </al><al>In veel gevallen is een watervergunning niet nodig omdat veel activiteiten onder
                    algemene regels vallen. In de regel komt dit neer op een meldingsplicht in
                    plaats van de vergunningenprocedure. </al><al>Bevoegd gezag voor de verlening van de watervergunning zijn het waterschap voor
                    het regionale watersysteem, Rijkswaterstaatvoor het hoofdwatersysteem en de
                    provincies vor drie specifieke categorieën grondwateronttrekkingen en
                    infiltraties. Als de aanvraag om een watervergunning betrekking heeft op
                    handelingen waarvoor verschillende bestuursorganen bevoegd zijn, wordt de
                    beslissing op de aanvraag in beginsel genomen door het hoogste bevoegde gezag.
                    De Waterwet geeft Rijkswaterstaat, de provincies en de waterschappen wel de
                    mogelijkheid in voorkomende gevallen te regelen dat een ander bestuursorgaan
                    bevoegd gezag wordt. Hiertoe is een handreiking ontwikkeld (‘Handreiking
                    samenloop bevoegdheden Waterwet’) </al><al>De watervergunning en de omgevingsvergunning worden niet geïntegreerd. Het zijn
                    afzonderlijke vergunningen die wel bij hetzelfde overheidsloket, Omgevingsloket
                    online, kunnen worden aangevraagd. De gemeente is aangemerkt als het
                    overheidsloket van Nederland, dus in principe ook voor de watervergunning, ook
                    al is zij hiervoor geen bevoegd gezag. De aanvraag voor een watervergunning kan
                    echter ook rechtstreeks bij het bevoegde gezag op grond van de Waterwet worden
                    ingediend (Rijkswaterstaat, provincie of waterschap). Overigens kan ook de
                    aanvraag om een omgevingsvergunning bij de provincie worden ingediend als niet
                    de gemeente maar de provincie bevoegd is op die aanvraag te beslissen. De
                    aanvrager heeft dus alle vrijheid, </al><al>daarom is het verstandig dat waterbeheerders, provincies en gemeenten afspraken
                    maken over de onderlinge afstemming. De wettelijke termijnen moeten immers in
                    acht worden genomen, waardoor snel handelen noodzakelijk is. Zo zal een via de
                    gemeente binnengekomen aanvraag om een watervergunning direct aan de
                    waterbeheerder of de provincie moeten worden doorgezonden. </al><al>Zie ook: www.helpdeskwater.nl en www.waterwet.nl</al><tussenkop>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</tussenkop><al>Dit voorschrift betreft de veiligheid van voorbijgangers en belendingen. Zie ook
                    artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) dat regels bevat over het
                    indienen van een bouwveiligheidsplan.</al><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen, die
                    bijvoorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van een
                    heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming van
                    bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft de
                    veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010. </al><tussenkop>Leden 2 en 3</tussenkop><al>Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de schakelapparatuur
                    zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die) gedurende de bedoelde
                    tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten.</al><tussenkop>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</tussenkop><al>Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein te
                    weren en te voorkomen dat mensen - en vooral spelende kinderen - op een
                    bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het derde
                    lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden bewaakt, tenzij het
                    bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking:
                    permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist het
                    bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer. </al><al>De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn
                    gewaarborgd.</al><tussenkop>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                    hinder</tussenkop><al>De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder voor
                    de omgeving te voorkomen. </al><tussenkop>Artikel 4.11 Bouwafval</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist
                    geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de Bouwverordening
                    dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval. </al><al>Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden van
                    afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving als
                    gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering bij
                    de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor
                    hergebruik geschikt is, indien dezeschoon blijft en niet
                    vermengd wordt met ander afval. </al><tussenkop>a Gevaarlijke afvalstoffen</tussenkop><al>Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart worden
                    gehouden. Een anti-mengclausule in in het derde lid van artikel 4 van de
                    Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL), verbiedt het mengen van gevaarlijk
                    afval met ander afval (zgn. verdunnen). Eenmaal gescheiden afvalstoffen dienen
                    ook daarna gescheiden te blijven. Daartoe verplicht de Regeling scheiden en
                    gescheiden houden die is gebaseerd op de Wet milieubeheer. De doe-het-zelver kan
                    geringe hoeveelheden gevaarlijk (chemisch) afval thuis in de chemobox doen en op
                    deze wijze gescheiden afvoeren via de van gemeentewege georganiseerde inzameling
                    van klein chemisch afval van huishoudens.</al><tussenkop>b en c Glaswol en steenwol</tussenkop><al>Glaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier
                    ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten “bigbag” (een
                    stevige zak met een inhoud van 1 m3) of een zak van 200 liter. </al><al>De ondergrens van 1 m3 per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige kosten
                    te veroorzaken. Onder het begrip “bouwproject” wordt verstaan het geheel van
                    bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde omgevingsvergunning is verleend.</al><al>Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht tot
                    scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal zijn.</al><tussenkop>d Overig afval</tussenkop><al>Voor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls aanwezig die
                    bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt. De
                    onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd naar een inrichting die
                    op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in ontvangst te
                    nemen. </al><tussenkop>Wanneer is iets afval?</tussenkop><al>Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een afvalbak
                    is er sprake van bouwafval. Restanten van materialen en stoffen die apart worden
                    gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen afval.</al><tussenkop>Acceptatievoorwaarden en marktwerking</tussenkop><al>De verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden als
                    ondergrens. Het staat degene die bouwt dus vrij een verdergaande scheiding toe
                    te passen. De marktpartijen opdrachtgever en aannemer zullen veelal op basis van
                    economische motieven besluiten tot een verdergaande scheiding. Hierbij zullen
                    prijzen worden vergeleken en zal bij een verdergaande scheiding dikwijls een
                    gunstiger prijs- en kostenverhouding gelden. Indien een verdergaande scheiding
                    plaatsvindt, geldt onverkort het voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een
                    bewerkingsinrichting die bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie
                    overig afval </al><al>moet in het algemeen worden afgevoerd naar een sorteerinrichting. Als
                    sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam
                    overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het
                    overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn vergunning bevoegd is tot
                    ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle overslagbedrijven c.q. milieustraten
                    zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfsafvalstoffen. </al><al>Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer
                    gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de effectiviteit van de regeling in het
                    gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere verplichtingen zouden worden
                    opgelegd dan die voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de ontvanger
                    (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.). Het verdient dan ook aanbeveling om
                    nauwkeurig kennis te nemen van de acceptatie-eisen en de eventuele veranderingen
                    daarin.</al><tussenkop>Afvoeren en overdragen van bouwafval</tussenkop><al>De formulering 'gescheiden houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel om het
                    mengen van reeds uitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor transport
                    vanaf het werk te verbieden. Voor een wijze van vervoer die bevorderlijk is voor
                    het hergebruik van materialen, geldt andere wetgeving dan de bouwverordening,
                    waarbij met name te denken valt aan de provinciale milieuverordening. Uit dien
                    hoofde moet het bouwafval worden afgevoerd naar een bewerkings- of
                    verwerkingsinrichting, respectievelijk een inzamelaar die op grond van de Wet
                    milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. </al><al>De afvoer naar een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de
                    bouwplaats. Het Besluit stortverbod afvalstoffen bevat namelijk een stortverbod
                    voor herbruikbaar bouw- en sloopafval. Particulieren die geringe hoeveelheden
                    bouw- en sloopafval zelf wegbrengen, kunnen terecht bij sorteerbedrijven en
                    gemeentelijke milieustraten, veelal ook op zaterdagmorgen. </al><al>Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod niet geldt voor asbest,
                    waarvoor juist een stortplicht geldt. Asbest is in het onderhavige artikel over
                    bouwafval niet genoemd, omdat het als bouwmateriaal niet meer is
                    toegelaten.</al><tussenkop>Terugleveren aan de leverancier of fabrikant</tussenkop><al>Er zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan de
                    fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering op de
                    regel dat op de bouwplaats gescheiden fracties naar een bewerkingsinrichting of
                    anders naar een sorteerinrichting moeten worden afgevoerd. Rechtstreekse
                    retourlevering waarbij het product dient als grondstof voor nieuwe producten
                    wordt zinvol geacht. </al><tussenkop>Sorteerinrichting</tussenkop><al>Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is -
                    voorzover het uit meer dan één afvalstof bestaat - alleen toegestaan naar een
                    sorteerinrichting, die bevoegd is de desbetreffende afvalstoffen ongesorteerd te
                    ontvangen. </al><al>Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen naast de beoordelingsrichtlijn
                    voor de certificering van sorteerbedrijven te houden aan de Regeling
                    niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval. Hierin worden de volgende afvalstromen
                    aangeduid als herbruikbaar: harde steenachtige materialen, ferro en non-ferro
                    metalen, massief niet-verduurzaamd hout, papier/karton, LDPE-folie,
                    kunststofgevelelementen of delen daarvan en kunststofleidingbuizen. Voor deze
                    stromen ligt uitsortering voor de hand, hetzij aan de bron, hetzij achteraf in
                    een sorteerinrichting. </al><al>Voor papier/karton en kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij een
                    sorteerbedrijf volledig operationeel. Voor de retourname van reststoffen van
                    gipsblokken en gipskartonplaten heeft de Nederlandse Branchevereniging voor Gips
                    (NBVG) in samenwerking met de gipsproducenten een systeem scheiden en schoon
                    afvoeren ontwikkeld. Voor steenwol is deze mogelijkheid enigszins operationeel
                    en voor EPS ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het nietoperationeel
                    zijn van een retoursysteem . Overigens geldt voor zowel steenwol als EPS dat zij
                    meestal slechts in geringe mate in bouwafval voorkomen. </al><al>Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen
                    ontwikkeld. Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen transporteurs van
                    aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE en LDPE-folie. Via de
                    Stichting KNAPZAK (www.knapzak.nl) nemen enkele kunststofverwerkers deze
                    kunststoffen zowel van transporteurs als van sorteerbedrijven in voor reclycing. </al><al>De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door sorteerbedrijven
                    voor verwerking worden aangeboden aan twee leden van de Vereniging van
                    Kunststofleidingsystemen (FKS) te Amsterdam. Voor kunststof gevelelementen
                    kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het recyclingsysteem van de Stichting
                    Recycling VKG te Zoetermeer. Een verwerkingssysteem voor kitkokers,
                    verfverpakking en snoerband (PPmaterialen) is operationeel bij B &amp; R
                    Recycling BV te Middelharnis.</al><tussenkop>Mee terugnemen naar de werf</tussenkop><al>Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                    verricht, de aannemer, een geringe hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen
                    naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de
                    bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot praktisch
                    nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een omgevingsvergunning is
                    vereist op grond van de Wabo. De term tijdelijke opslag duidt erop dat dit afval
                    vervolgens in het algemeen wel moet worden afgevoerd naar een sorteerbedrijf. De
                    plicht om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden van andere stoffen, de
                    anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht, </al><al>evenals de plicht tot het afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze
                    overdragen aan een inzamelaar die voor de inname van deze stoffen bevoegd
                    is.</al><tussenkop>Enkele specifieke begrippen</tussenkop><al>Met de term 'bevoegd is ...... te ontvangen' wordt gedoeld op de aanwezigheid
                    van een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo. </al><al>Onder 'inzamelaar' wordt verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in te
                    zamelen met het oog op hergebruik of teruglevering naar de producent. Voor
                    enkele deelstromen kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem. Zie de
                    toelichting van artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en recyclingsystemen
                    voor kunststoffen. </al><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron - dit is op het
                    terrein - worden gescheiden van het overige bouwafval. In een later stadium
                    scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de
                    verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet milieubeheer.
                    De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen het gevaarlijk afval
                    gaat moet beschikken over een adequate omgevingsvergunning op grond van de Wabo.
                    Er bestaat keuzevrijheid naar welk bedrijf wordt afgevoerd. In de praktijk komt
                    het bepaalde in dit lid erop neer dat gevaarlijk bouwafval niet naar een
                    stortplaats gaat. Stortplaatsen zijn vrijwel </al><al>nooit bevoegd de hier bedoelde stoffen in ontvangst te nemen. Voor sommige
                    gevaarlijke afvalstoffen is verbranden de beste oplossing. </al><al>Voor de handhaving is het van belang dat het begrip 'gevaarlijk' uniform wordt
                    uitgelegd. De verwijzing naar de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                    hoofdstuk 17 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL) voorziet hierin.
                    In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt verwezen naar dit besluit. </al><tussenkop>Vergunningvoorwaarden </tussenkop><al>Het is niet toegestaan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen te
                    verbinden die ertoe strekken nog andere fracties verplicht op de bouwplaats te
                    scheiden dan die vermeld staan in het eerste lid. In het algemeen komt men dan
                    in strijd met het vierde lid van artikel 2.22 Wabo. </al><al>Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen niet bij elkaar.
                    Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron (batterijen) niet combineren met
                    een brand- of explosiebron (houtverduurzamingsmiddelen, lijmen, verven,
                    verdunningsmiddelen, harders, versnellers, vertragers enz.), logen, basen en
                    zuren (zoutzuur komt vrij bij de afbouw) niet combineren met een ontstekingsbron
                    noch met een brand- of explosiebron. </al><al>Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient het aanbeveling bij
                    het lezen van deze toelichting ook (delen van) de toelichting op hoofdstuk 8,
                    het slopen, te betrekken.</al><tussenkop>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                    bouwwerkzaamheden</tussenkop><al>De gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen
                    spoedig daarna controles uit te voeren. Artikel 7b van de Woningwet bevat het
                    verbod een bouwwerk te gebruiken of te laten gebruiken anders dan in
                    overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften,
                    bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a. Uit dit artikel uit de Woningwet
                    vloeit voort dat de voorschriften omtrent het gebruik in de bouwverordening geen
                    betrekking kunnen hebben op het gebruik in planologische zin, doch uitsluitend
                    op het veilig en verantwoord gebruik van gebouwen. </al><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een latere
                    fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra graafwerkzaamheden
                    mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke melding. </al><al>Het controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte overeenkomstig
                    de uitkomst van de berekening van de energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de
                    desbetreffende categorie gebouwen voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is
                    eveneens slechts effectief mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is
                    onttrokken door het opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het
                    afpleisteren van de isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie. </al><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden, is een termijn van
                    twee dagen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de
                    noodzakelijke of gewenste controles uitvoert. </al><tussenkop>Lid 3 </tussenkop><al>Voor zover in de voorwaarden van de omgevingsvergunning niet anders is gesteld,
                    geldt ook hier de termijn van twee dagen.</al><tussenkop>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</tussenkop><al>Op aandrang vanuit de praktijk en gelet op de uitspraak rechtbank Leeuwarden van
                    22 september 2008, LJN BF2263 wordt het verbod tot ingebruikneming van een
                    bouwwerk dat niet is gereed gemeld opnieuw ingevoerd. Hierbij is uitgegaan van
                    de oude tekst van artikel 4.14 uitsluitend ten aanzien van het niet gereed
                    melden. Gereedmelding is aan de orde bij de in artikel 4.12 MBV genoemde
                    gevallen. Voorkomen moet worden dat onveilige situaties ontstaan als gevolg van
                    het in gebruik nemen van onvoltooide bouwwerken of bouwwerken waarin niet alle
                    noodzakelijke bouwtechnische voorzieningen zijn aangebracht (ABRvS, 23 december
                    2009, LJN: BK7451). </al><al>Hoofdstuk 5 Staat van open ervan en terreinen, aansluiting op de
                    nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte </al><al>5.Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het
                    weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</al><al>5.Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</al><al>5.<vet>Algemeen</vet></al><al>5.In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid
                    gemaakt in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor
                    bestaande bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren te
                    verkeren. Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden voor het
                    opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond van de
                    artikelen 13, 13a en 14, tweede lid van de Woningwet dan wel het toepassen van
                    bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom. Voor de situaties die
                    al </al><al>5.bestonden voor het in werking treden van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet
                    worden afgewogen of de verlangde voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of
                    het alsnog opleggen van een plicht tot het treffen van die voorzieningen
                    redelijk is. De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 zijn nagenoeg gelijk aan de artikelen
                    2.5.3 en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de aanvraag om omgevingsvergunning voor het
                    bouwen. Op die plek fungeren de eisen als een toets voor aanvraag om
                    omgevingsvergunning voor het bouwen. De bepalingen van dit hoofdstuk richten
                    zich op de staat of toestand van een open erf of terrein en niet op het gebruik
                    daarvan. </al><al>5.Het gebruik van open erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7. </al><al>5.Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij artikel 7.3.2.</al><al>5.Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</al><al>5.Van een onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld sprake,
                    indien een open erf of terrein verontreinigd is. Deze verontreiniging kan een
                    gevolg zijn van het gebruik van een ander terrein of van een gebrek aan een
                    bouwwerk. De onvoldoende staat van een terrein kan ook worden veroorzaakt door
                    overvloedige begroeiing, waardoor de lichttoetreding tot een gebouw wordt
                    belemmerd of de veiligheid van het verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar
                    komt.</al><al>5.Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</al><al>5.Zie de toelichting op artikel 2.5.3.</al><al>5.Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al>5.Zie de toelichting op artikel 2.5.4.</al><al>5.Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties</al><al>5.Artikelen 5.2.1 t/m 5.2.5 (Vervallen)</al><al>5.Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al>5.Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>5.Zie de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al>5.Het onderhavige voorschrift vormt geen grondslag voor een besluit ingevolge de
                    artikelen 13, 13a en 14, tweede lid van de Woningwet dan wel tot toepassing van
                    bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom waarin het bevoegd
                    gezag het maken van een aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt
                    vanuit een pand waarin een binnenhuisinstallatie - als bedoeld in de opgesomde
                    artikelnummers van het Bouwbesluit -ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                    toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt
                    dat het bevoegd gezag de aanwezigheid van een alternatieve voorziening voor het
                    betrekken van drinkwater </al><al>5.voldoende acht, bijv. in de vorm van een doeltreffende welput, regenbak of
                    watertank. </al><al>5.Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van
                    het openbare distributienet, zie artikel 5.3.7.</al><al>5.Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>5.Zie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>5.Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>5.Zie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>5.Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>5.Zie de toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>5.Het is zinloos om door middel van een besluit op grond van artikel 13
                    Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last
                    onder dwangsom te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool, zolang –
                    op grond van het Lozingsbesluit bodembescherming – het afvalwater in de bodem
                    mag worden geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven voorzieningen
                    (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde voorzieningen – in
                    financiële zin – nog niet afgeschreven zijn. Immers, een regeling van de
                    rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit bodembescherming prevaleert ten opzichte
                    van een gemeentelijke verordening, in casu de Bouwverordening.</al><al>5.Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>5.Zie de toelichting op artikel 2.7.5.</al><al>5.Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>5.Artikel 5.4.1 Preventie</al><al>5.Onreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken van een bouwwerk is
                    geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een bouwwerk
                    zich moet bevinden. Dit artikel heeft rechtstreekse werking en leidt in geval
                    van geconstateerde gebreken tot een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan
                    wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last
                    onder dwangsom gericht aan de eigenaar die kennelijk het bouwwerk onvoldoende
                    onderhoudt. Het artikel is bedoeld om excessen tegen te gaan. </al><tussenkop>6 Brandveilig gebruik</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                    brandgevaar</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.2.3 (Vervallen) </tussenkop><tussenkop>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                    brand</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid
                    (Vervallen)</tussenkop><tussenkop> 7 Overige gebruiksbepalingen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening voorschriften
                    bevat over het gebruik van woningen, andere gebouwen en bouwwerken geen gebouw
                    zijnde. De wet noemt onderwerpen die in elk geval moeten worden geregeld.
                    Daarnaast mogen dus ook andere onderwerpen in de bouwverordening worden geregeld
                    over het gebruik. In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen
                    van gemeentelijke verordeningen in wier onderwerp door onder meer een algemene
                    maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het Besluit
                    brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) voorziet in dit onderwerp. De
                    overige gebruiksbepalingen staan in dit hoofdstuk.</al><tussenkop>Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</tussenkop><tussenkop>Artikelen 7.1.1 Overbevolking van woningen</tussenkop><tussenkop>Algemeen </tussenkop><al>Dit artikel berust op artikel 8, tweede lid van de Woningwet. Het is bedoeld om
                    in uitzonderlijke gevallen waarin vooral de hygiëne dit vereist, van
                    gemeentewege een handhavingsbesluit te kunnen nemen tot een gedwongen
                    beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te realiseren
                    binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde doel van het kunnen
                    optreden tegen excessen brengt met zich mee dat de normstelling uit het
                    onderhavige voorschrift principieel ongeschikt is om te beoordelen, of een
                    woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een bepaald aantal
                    bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan het onderhavige
                    voorschrift voor het opstellen van een regeling op het gebied van de </al><al>woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid van huisvesting ten
                    behoeve van gezins/relatiehereniging e.d., ware de normstelling 1,5 à 2 maal zo
                    zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van de overbevolking te balanceren. </al><al>Zie voor dit onderwerp ook de Huisvestingswet. Overigens kunnen lokale
                    omstandigheden voor een gemeenteraad aanleiding vormen tot het opnemen van een
                    afwijkende normstelling in zijn bouwverordening. Artikel 7.1.1 zou bij voorbeeld
                    ook als volgt kunnen luiden: </al><al>'Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt
                    bewoond door meer dan één persoon per 9 m2 gebruiksoppervlakte, met dien
                    verstande dat voor de eerste persoon van het totale aantal bewoners ten minste
                    12 m2 gebruiksoppervlakte aanwezig dient te zijn.' </al><al>Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende het binnentreden van
                    woningen door </al><al>toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving van deze artikelen in het algemeen
                    geschieden naar aanleiding van ontvangen klachten of anderszins gerezen
                    vermoedens van overtreding. Voor permanent bewoonde kamerverhuurbedrijven,
                    asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger toezicht wenselijk en mogelijk. </al><tussenkop>Normstelling </tussenkop><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                    gebruiksmogelijkheden van gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden. Het
                    niet baseren van de normstelling op het gebruik van stapelbedden is mede
                    ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit over de
                    minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een
                    eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het Bouwbesluit
                    blijkt 5 m2 netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in grotere
                    verblijfsruimten circa 4,5 m2. Bovendien is de normstelling zo gekozen, dat in
                    principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan verblijfsruimten,
                    respectievelijk in gemeenschappelijke ruimten. </al><al>Zie voor het begrip 'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1.</al><tussenkop>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</tussenkop><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                    gebruiksmogelijkheden van stapelbedden. Overigens is de lagere getalwaarde in
                    dit artikel ten opzichte van het vorige artikel vergelijkbaar met het verschil
                    in getalwaarde tussen artikel 4.25 en 4.30 van het Bouwbesluit. </al><tussenkop>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</tussenkop><tussenkop>Artikelen 7.2.1 en 7.2.2 Verbod tot gebruik en staken van
                    gebruik</tussenkop><al>Aanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de
                    Woningwet is het voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen tot het
                    gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van het gebruik.
                    Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het gebruik van
                    een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een verbod gesteld
                    worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een bouwvallig bouwwerk is
                    gelegen. </al><al>Het staken van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in artikel
                    7.2.2 is afhankelijk gesteld van een beschikking van het bevoegd gezag. De
                    mededeling als bedoeld in artikel 7.2.1 is te beschouwen als een mededeling van
                    feitelijke aard.</al><tussenkop>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en
                    terreinen in afwijking van de bestemming</tussenkop><tussenkop>Reden tot het in stand houden van artikel 7.3.1</tussenkop><al>Op 11 februari 1993 heeft de voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad
                    van State een waarschuwing tot het toepassen van bestuursdwang wegens
                    overtreding van artikel 7.3.1 geschorst, omdat naar het oordeel van de
                    voorzitter artikel 8 van de Woningwet geen grond biedt voor een dergelijke
                    bepaling. De tekst van artikel 7.3.1 was gelijk aan de tekst van artikel 352
                    MBV. Artikel 352 was gebaseerd op artikel 168 van de gemeentewet. De Woningwet
                    van 1991 geeft in artikel 8 een limitatieve opsomming van in de Bouwverordening
                    te regelen onderwerpen.</al><al>Dit betekent dat er in de Bouwverordening geen plaats meer is voor een op
                    artikel 168 gemeentewet gebaseerde bepaling. De opvolger van artikel 352 MBV
                    moest dus worden ondergebracht bij de opsomming van artikel 8 van de
                    Woningwet.</al><al>De Voorzitter van de Afdeling rechtspraak kwam in vorengenoemde uitspraak tot
                    het oordeel dat de Woningwet van 1991 geen grondslag biedt voor een
                    gebruiksvoorschrift als opgenomen in artikel 7.3.1. Hierdoor mist artikel 7.3.1
                    verbindende kracht. De mogelijkheid om de ondeugdelijke grondslag te repareren
                    sluit de voorzitter in de uitspraak nadrukkelijk uit. Overeenkomstig eerdere
                    jurisprudentie wordt uitgesloten dat een eenmaal ingetrokken artikel 352 MBV
                    opnieuw wordt vastgesteld. In de onderhavige casus had de gemeente bij invoering
                    van de nieuwe Bouwverordening de oude Bouwverordening en dus ook artikel 352
                    ingetrokken.</al><al>Hoewel de uitspraak op één gemeente betrekking heeft, strekt de betekenis van
                    een onverbindendverklaring zich uit over alle gemeenten met een identieke
                    bepaling. Nu gebleken is dat er geen bodemprocedure loopt en derhalve in deze
                    kwestie geen uitspraak van de Afdeling rechtspraak volgt, heeft het materieel
                    geen waarde artikel 7.3.1 te handhaven. Bij een formele benadering kan als
                    nadeel worden genoemd dat door te schrappen een andere mogelijk andersluidende
                    uitspraak wordt voorkomen. Er bestaan geen aanwijzingen dat in de toekomst een
                    ander oordeel is te verwachten. Vooralsnog mag worden aangenomen dat in de
                    gemeenten waar artikel 352 MBV niet is ingetrokken, dit artikel de rechtskracht
                    heeft behouden en herleeft op het moment dat artikel 7.3.1 onverbindend moet
                    worden geacht of is ingetrokken.</al><tussenkop>Lid 2 (Niet onder een bestemmingsplan begrepen terreinen en
                    bouwwerken)</tussenkop><al>– Artikel 352, lid 2, kan geen grond zijn voor weigering van een
                    bouwvergunning.</al><al> Vz. ARRS 3 december 1985, RO 3.85.7089/S1763.</al><al>– Artikel 352, lid 2, heeft geen planologische, maar alleen een bouwkundige
                    betekenis. Wanneer constructie en inrichting van een gebouw toelaten dat dit
                    gebouw voor verschillende bestemmingen wordt gebruikt, dan verbiedt artikel 352,
                    lid 2, een dergelijk gebruik niet.</al><al> HR 28 juni 1974; BR 1974, 666; NJ 1974, 401; AB 1974, 280; GS 6309, 6310 en
                    6311.</al><al>– Een aanschrijving tot het staken van het gebruik van een fabriekspand als
                    supermarkt werd echter niet geschorst. De vz. ARRS was van oordeel dat het
                    begrip ‘bestemming’ in lid 2 van artikel 352 mede strekt ter bescherming van de
                    omgeving. Bij het verlenen van vrijstelling krachtens lid 4 mogen planologische
                    belangen worden meegenomen.</al><al> Wnd. vz. ARRS 18 juli 1983, RO 3.83.3885/S1024.</al><al>– Een garage waarvan de oorspronkelijke garage-inrichting op legale wijze
                    ongedaan is gemaakt, mocht worden gebruikt als supermarkt: de huidige
                    constructie en inrichting van het gebouw waren niet vreemd aan het gebruik als
                    supermarkt.</al><al> Wnd. vz. ARRS 6 augustus 1984, RO 3.84.4144/S1049.</al><tussenkop>Lid 3 (Overgangsbepaling)</tussenkop><al>Op de overgangsregeling van artikel 352, lid 3, kan alleen beroep worden gedaan,
                    wanneer het gebruik dat van voor de inwerkingtreding van artikel 352 dateert,
                    wordt voortgezet zonder dat zich daarin wijzigingen in planologisch relevante
                    zin hebben voorgedaan.</al><al>ARRS 8 juli 1983; AB 1983, 586; ARRS 14 maart 1983; AB 1983, 345; ARRS 9
                    februari 1984; AB 1984, 272.</al><tussenkop>Lid 4 (Vrijstelling)</tussenkop><al>1 De vrijstelling krachtens artikel 352, lid 4, mag niet worden gebruikt om voor
                    een omvangrijk gebied een einde te maken aan de mogelijkheid dat gebied te
                    gebruiken overeenkomstig de bestemming. Op die manier zou men immers
                    vooruitlopen op een bestemmingswijziging, die volgens de Wet op de Ruimtelijke
                    Ordening alleen op de in deze wet aangegeven wijze kan worden bewerkstelligd.
                    Dit geldt te meer nu de anticipatiebevoegdheid van het college ex artikel 19 van
                    de Wet op de Ruimtelijke Ordening juist is gebonden aan een verklaring van geen
                    bezwaar van gedeputeerde staten.</al><al> HR 29 maart 1974, 607; NJ 1974, 344; ARRS 20 maart 1981; AB 1981, 430; ARRS 12
                    januari 1982; GS 6743; AB 1982, 363; BR 1986, 441 (motorcross-terrein).</al><al> – Bij de toepassing van artikel 352, lid 4, behoort (dan ook) richtinggevend te
                    zijn dat de vrijstelling de verwezenlijking van de doeleinden van een toekomstig
                    bestemmingsplan niet in de weg zal staan.</al><al> Wnd. vz. ARRS 1 maart 1985, 758.</al><al> – Ook de in de Wet geluidhinder voorziene met waarborgen omklede procedure
                    (zonevaststelling) of het vereiste van vergunning krachtens artikel 17 van die
                    wet en de procedure vastgelegd in de artikelen 41 e.v. van die wet mag niet
                    worden omzeild door toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid krachtens artikel
                    352, lid 4.</al><al> ARRS 17 januari 1986; AB 1986, 318, en AB 1987, 109. Vergelijk GS 6808 en wnd.
                    vz. ARRS 9 april 1984; milieu en recht 1984/7.</al><al>2De gemeente is (in beginsel) verplicht vrijstelling te geven wanneer strikte </al><al>toepassing van artikel 352, lid 1, er op zou neerkomen, dat het meest doelmatige
                    gebruik van grond en opstallen wordt beperkt, zonder dat deze beperking door
                    dringende redenen is gerechtvaardigd.</al><al> Zie bij voorbeeld KB 1 maart 1974; BR 1974, 534 (inzake het bestemmingsplan);
                    KB 10 juni 1977; BR 1977, 744; vz. ARRS 20 mei 1977; BR 1977, 742.</al><al> – Vrijstelling van een verbod tot gebruik in strijd met de bestemming is (in
                    beginsel) alleen mogelijk als het perceel objectief bezien niet meer zinvol
                    overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt.</al><al> Vz. ARRS 24 juli 1985, RO 3.85.3950/S992; ARRS 10 juni 1987;
                    W/RvS/R.3.328/87.</al><al> – Daar de bevoegdheid tot het geven van vrijstelling niet aan voorwaarden is
                    gebonden, kan hiervan ook gebruik worden gemaakt in andere gevallen dan waarin
                    van een beperking van het meest doelmatige gebruik sprake is.</al><al> ARRS 13 maart 1986; BR, 663; GS 6826.</al><al> – Burgemeester en wethouders mogen (ook) vrijstelling krachtens artikel 352,
                    lid 4, verlenen, ook al is een zinvol gebruik overeenkomstig de bestemming nog
                    mogelijk, mits een redelijke belangenafweging daartoe aanleiding geeft en
                    vrijstelling niet leidt tot een ingrijpende en onomkeerbare inbreuk op de
                    bestemming.</al><al> ARRS 18 oktober 1985; BR 1986, 512; GS 6826.</al><al> – Als een feitelijk onomkeerbare situatie werd (bij voorbeeld) aangemerkt het
                    (permanent) gebruik van een terrein met agrarische bestemming voor de opslag van
                    te breken en gebroken puin.</al><al> ARRS 8 december 1983; AB 1984, 167.</al><al>3 De vrijstelling kan aan een termijn worden gebonden.</al><al> ARRS 2 februari 1982; GS 6743; AB 1982, 243.</al><al>4 Aanvaard werden onder meer vrijstellingen:</al><al> – ter voorkoming van langdurige leegstand van industriepanden (de gemeente werd
                    daarbij niet verplicht tot uitputtend onderzoek naar de financieel-economische
                    gevolgen van toe te laten vestigingen).</al><al> Vz. ARRS 7 maart 1985, RO 3.84.6853/S5206.</al><al> – voor het gebruik van een landbouwschuur ten behoeve van een
                    autoherstelbedrijf, nu dit gebruik niet zo ingrijpend behoefde te zijn dat deze
                    schuur ongeschikt zou worden om overeenkomstig de agrarische bestemming te
                    worden gebruikt.</al><al> ARRS 31 januari 1985; BR 1985, 754.</al><al> – voor tijdelijke opslag van heipalen en betonplaten op een terrein.</al><al> Wnd. vz. ARRS 14 mei 1985, RO 3.85.2555/S5719 en 3.85.2633/S5720.</al><al> – twee panden met de bestemming ‘eengezinsmiddenstandshuizen’ worden aan een
                    stichting in gebruik gegeven voor huisvesting en begeleiding van
                    ex-drugsverslaafden.</al><al> ARRS 3 juli 1981; A-3.0220.</al><al>5 Een vrijstelling om een woning te gebruiken als kantoor of praktijkruimte
                    mocht worden geweigerd. Overwogen werd onder meer het volgende.</al><al> Een groot aantal panden aan de betrokken straat wordt voor woondoeleinden
                    gebruikt. De gemeente streeft ernaar dit woonkarakter van de straat te behouden.
                    In dit beleid past niet dat woonhuizen (nagenoeg) geheel als kantoor of
                    praktijkruimte worden gebruikt.</al><al> Ook al zou dit gebruik in de onderhavige gevallen naar buiten toe niet storend
                    zijn, dan nog wijkt het wezenlijk af van gebruik voor woondoeleinden. Zo zullen
                    de panden tijdens de werkuren belangrijk vaker, door telkens wisselende
                    personen, worden bezocht, terwijl de panden buiten deze uren een doods element
                    vormen.</al><al> ARRS 17 februari 1984, A-31.1330 (1982).</al><al> – Een – terughoudend – vrijstellingsbeleid ter bevordering van concentratie van
                    detailhandelsvoorzieningen werd niet onredelijk geacht.</al><al> ARRS 5 november 1981, A-3.2139.</al><al> – Voor het gebruik als (bij voorbeeld) supermarkt is een vrijstelling krachtens
                    artikel 352, lid 4, vereist, ook als eerder zo’n vrijstelling werd verleend om
                    de voor een houtverwerkingsbedrijf opgerichte bedrijfshal te gebruiken als
                    bouwmarkt.</al><al> ARRS 16 augustus 1985, RO 3.83.6146.</al><al> – Een vrijstelling mag niet worden geweigerd, omdat het gaat om activiteiten
                    die ‘niet gebruikelijk’ zijn. (I.c. betrof het het gebruik als manege van
                    opstallen en gronden met een industriebestemming.)</al><al> ARRS 15 februari 1983; BR 1983, 471.</al><al> – Een voorwaarde, verbonden aan een vrijstelling krachtens artikel 352, mag
                    geen verbod bevatten om bepaalde bouwwerken op te richten.</al><al> ARRS 5 juli 1983; AB 1983, 488.</al><al>6 De belangenafweging bij het uitoefenen van bestuursdwang valt niet geheel
                    samen met de afweging van belangen in het kader van de verlening van
                    vrijstelling krachtens artikel 352, lid 4. (Onder andere zal bij bestuursdwang
                    rekening moeten worden gehouden met het langdurig gedogen van een illegale
                    situatie.)</al><al> ARRS 17 februari 1984; GS 6772.</al><al>7 De vraag of het gebruik strijdig is met de woonbestemming dient beantwoord te
                    worden aan de hand van de ruimtelijke uitwerking die dat gebruik gezien zijn
                    aard, omvang en intensiteit heeft. Bezien moet worden of deze uitstraling van
                    dien aard is, dat deze niet meer te rijmen valt met de woonfunctie van het
                    betrokken pand of perceel. (In casu ging het om naaicursussen die in een
                    woonkamer werden gegeven, ter zake waarvan B en W vrijstelling ex artikel 352,
                    lid 4, hadden geweigerd). Volgt vernietiging wegens strijd met
                    motiveringsbeginsel.</al><al> ARRS 18 februari 1992, R03.89.1986; AB 1992, nr.163.</al><tussenkop>GEBLEVEN (Naar boven toe werken)</tussenkop><tussenkop>Jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en de Bouwverordening 1992
                    (MBV 1992)</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Artikel 7.3.1 MBV 1992, de opvolger van artikel 352 MBV 1965, mist
                            verbindende kracht, nu deze bepaling geen grondslag vindt in de
                            limitatieve opsomming van artikel 8 van de Woningwet.</al><al> Vz. ARRS 11 februari 1993; S03.92.4484 en S03.93.0088; AB 1993, nr.
                            247.</al><al> Zie ook Vz. ARRS 3 juni 1993; S03.93.1085.</al></li><li nr="-"><al>Niet valt in te zien dat artikel 352 (Model-)bouwverordening 1965 zou
                            zijn vervallen bij het vaststellen door de gemeenteraad van een nieuwe
                            bouwverordening, nu in de in artikel 12.6 van de nieuwe bouwverordening
                            opgenomen slotbepaling nadrukkelijk is bepaald dat artikel 352 van de
                            oude bouwverordening bij de inwerkingtreding van de nieuwe
                            bouwverordening niet vervalt. Ook de stelling dat uit de in artikel 126,
                            eerste lid, van de Woningwet opgenomen overgangsbepaling ten aanzien van
                            de geldigheidsduur van de – oude – gemeentelijke bouwverordening volgt
                            dat artikel 352 van deze verordening per 1 oktober 1993 zal komen te
                            vervallen, wordt onjuist geacht aangezien dit artikel zijn grondslag
                            niet in de Woningwet 1962, maar in artikel 168 van de gemeentewet
                            vindt.</al><al> Vz. ARRS 16 september 1993, BR 1994, p. 214.</al></li><li nr="-"><al>De gemeenteraad heeft een (nieuwe) bouwverordening vastgesteld waarin de
                            oude gebruiksbepaling 352 niet is ingetrokken doch slechts is vernummerd
                            tot artikel 7.3.1. Overeenkomstig hetgeen is overwogen in de uitspraak
                            van de Vz. ARRS d.d. 16-9-1993 (BR 1994, p. 214) moet dan ook geoordeeld
                            worden dat B en W met artikel 7.3.1 van de bouwverordening nog steeds
                            beschikken over een verbindend gebruiksvoorschrift.</al><al> Pres. Rb. Assen 4 mei 1994, BR 1994, p. 591.</al></li><li nr="-"><al>De gemeenteraad heeft de gehele bouwverordening ingetrokken en, met
                            inbegrip van de gewijzigde artikelen, opnieuw vastgesteld. Artikel 352
                            is hierbij ongewijzigd overgenomen. De afdeling overweegt dat bij art.
                            352 sprake is van een hernieuwde vaststelling van louter technische
                            aard, zodat dit artikel niet onverbindend is. Vrijstelling voor gebruik
                            van voormalig kamp voor sociale jeugdzorg als asielopvangcentrum staat
                            niet in de weg aan een doelmatig gebruik van de gebouwen conform de
                            bestemming in de toekomst, omdat er geen ingrijpende wijzigingen van de
                            gebouwen heeft plaatsgevonden. De vergunde verbouw en uitbreiding doet
                            daaraan niet af.</al><al> ABRS 24 juli 1996, R03.92.2979/R03.92.4959/R03.93.6046.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 7.3.2 Hinder</tussenkop><al>Artikel 7.3.2 is gebaseerd op de Woningwet en rechtstreeks handhaafbaar op grond
                    van artikel 7b van die wet. </al><al>Artikel 7.3.2 kan onder meer worden toegepast in de volgende gevallen: het
                    plaatsen van voorwerpen of voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen van
                    tot bewoning bestemde gebouwen, lawaaihinder (bij voorbeeld door radio- en
                    televisietoestellen), het veroorzaken van radio- en televisiestoringen, voor
                    zover niet geregeld in andere wettelijke voorschriften, het opslaan van
                    stankverwekkende stoffen, het op gevaarlijke wijze stapelen van materiaal (bij
                    voorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen), het
                    verwijderen van asbest bevattende materialen of restanten hiervan die zich in
                    een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels of
                    –stof te vrezen valt. </al><al>Door weersinvloeden en door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende materialen
                    die zich aan de buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een erf of terrein
                    zijn opgeslagen zodanige verwering of slijtage vertonen dat de vezels
                    gemakkelijk losraken en door de wind worden verspreid. Deze asbestvezels vormen
                    een risico voor de gebruikers van het bouwwerk en het erf of terrein en de
                    aangrenzende percelen. Het Asbestverwijderingsbesluit ziet op de situatie van
                    sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage. Een
                    overtreding van het Bouwbesluit is niet aanwezig of is onvoldoende aantoonbaar. </al><al>In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom worden gebaseerd op overtreding van
                    artikel 7.3.2 Bouwverordening juncto artikel 13 van de Woningwet. </al><al>Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit
                    artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om
                    maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en stof te
                    rechtvaardigen.</al><tussenkop>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                    Reinheid</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.4.1 Preventie</tussenkop><al>Dit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van
                    schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene reinheid.
                    Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van excessen. Voor de
                    duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze bepaling onmisbaar. </al><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1.</al><tussenkop>Paragraaf 5 Watergebruik</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</tussenkop><al>Het hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat het bevoegd gezag de
                    beschikking heeft genomen. Zie de toelichting bij de artikelen 7.2.1 en
                    7.2.2.</al><tussenkop>Paragraaf 6 Installaties</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</tussenkop><al>In het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar of
                    de gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden en
                    gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een huurder, kan over
                    nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden aangemerkt als een
                    privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en
                    gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is, ligt
                    dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het onderhoud
                    en gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve installaties voor
                    portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische ventilatie, drukverhoging
                    in de waterleiding (hydrofoor) e.d. </al><al>Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te verrichten onderhoud aan
                    terreinrioleringen, inclusief pompen en putten, en op in de grond aangebrachte
                    opvang- en bezinkings-voorzieningen voor hemelwater. </al><al>N.B. Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de
                    veiligheidsaspecten van gewone personenliften, in principe geregeld in het
                    Warenwetbesluit liften, dat op de Warenwet berust. </al><tussenkop>8 Slopen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8, tweede
                    lid, letter d, van de Woningwet, en van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Dit
                    hoofdstuk gaat over de omgevingsvergunning voor het slopen. Aan de vergunning
                    kunnen voorschriften worden verbonden gericht op het specifieke sloopproject.
                    Het voornaamste motief voor een uitgebreide sloopregeling in de bouwverordening
                    is gelegen in een bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel mogelijk
                    hergebruiken van deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief gericht op het
                    bouwafval staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze toelichting daarop
                    verwijzen wij hier. </al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het slopen wordt geregeld in
                    hoofdstuk 4 van het Besluit omgevingsrecht. De indieningsvereisten staan in
                    artikel 7.2 van de Mor.</al><tussenkop>Planologische sloopvergunning</tussenkop><al>De Wet ruimtelijke ordening (Wro) introduceert een sloopvergunning, die wij hier
                    ter onderscheiding van andere ‘sloopvergunningen’ – uit de bouwverordening en
                    uit de Monumentenwet – aanduiden als ‘planologische sloopvergunning’. De
                    planologische sloopvergunning kan door de raad van een gemeente in een
                    bestemmingsplan worden opgenomen. De wet stelt niets verplicht, maar biedt deze
                    mogelijkheid. Deze vergunning ziet op de planologische gevolgen van
                    sloopactiviteiten en de eventuele bouwplannen op de locatie die door het slopen
                    vrij komt.</al><tussenkop>Asbest</tussenkop><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke
                    stoffen en op de Woningwet. Dit besluit bevat regels voor de verwijdering van
                    asbest bij het slopen van bouwwerken en het uit elkaar nemen van objecten. Het
                    besluit heeft voor zover het betreft het slopen van bouwwerken geen directe
                    werking voor de burger. Het besluit bevat een opdracht aan de gemeenteraad tot
                    regelgeving in de plaatselijke bouwverordening. De voorschriften van de
                    bouwverordening zijn bindend voor de burger. </al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota van
                    toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een selectie uit
                    deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van de
                    bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te raadplegen,
                    in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m 32). </al><al>Voor meer informatie en publicaties over dit onderwerp wordt verwezen naar
                    www.infomil.nl\asbest</al><tussenkop>Incident</tussenkop><al>Het optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit), zoals
                    een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in geval van een
                    calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak
                    asbestbranden”.</al><al>Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak.</al><al>Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten die
                    tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een
                    asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met de
                    bij het incident passende spoed te gebeuren.</al><tussenkop>Certificering</tussenkop><al>De certificering voor de bouw valt onder het ministerie van SZW. De instantie
                    die zich bezig houdt met de certificering is de Stichting Certificatie Asbest,
                    www.ascert.nl De oude Beoordelingsrichtlijnen (BRL) die van toepassing waren op
                    de sloop van asbest zijn vervangen door certificeringsschema’s voor
                    asbestinventarisatie (SC 540) en asbestverwijdering (SC 530) (Gepubliceerd in
                    Stcrt. 2008, nr. 57, p. 9).</al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><tussenkop>Risicoklasse</tussenkop><al>Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                    arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in risicoklassen
                    ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van de arbo-regels.
                    Zij is niet aan de orde bij de sloopvergunning. </al><al>De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de
                    arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was meldingen te
                    doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd.</al><tussenkop>Intensivering van de handhaving</tussenkop><al>Langs verschillende kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de
                    handhaving van de sloopvoorschriften. </al><al>Voor diverse publicaties wordt verwezen naar www.infomil.nl</al><al>Ledenbrieven van de VNG over dit onderwerp treft u aan op www.vng.nl.</al><tussenkop>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</tussenkop><al>De Woningwet en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische basis
                    voor de </al><al>omgevingsvergunning voor het slopen. De Wabo brengt met zich mee, dat de term
                    sloopvergunning wordt vervangen door omgevingsvergunning voor het slopen of
                    wanneer het uitsluitend over het verwijderen van asbest gaat omgevingsvergunning
                    voor het slopen van asbest. </al><tussenkop>Ontvangstbevestiging en mededeling procedure </tussenkop><al>De huidige praktijk van het plaatsen van een datumstempel op de aanvraag als
                    bewijs van ontvangst is niet langer voldoende. Artikel 3.1, tweede en derde lid
                    Wabo stelt verplicht dat na ontvangst van een aanvraag onverwijld de bevestiging
                    wordt verzonden en dat eveneens onverwijld een mededeling over de te volgen
                    procedure wordt verzonden. </al><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt
                    afgevoerd. Daarom is voor de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen
                    asbest bevattend -minder dan 10 m3 - een algemene eis geformuleerd in artikel
                    8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve van niet-ingrijpende
                    interne verbouwingen. Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op
                    grond van dit artikel of meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt
                    daarom nooit onder de vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1. </al><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>Een ondergrens van 10 m3 voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor zover het te
                    slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen met een
                    gangbare containermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat, omdat deze op de
                    sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter plekke niet te
                    controleren. </al><al>Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk net onder de 10
                    m3 komen is een te opvallende methode van ontduiking van de vergunningplicht om
                    kans van slagen te hebben. Mocht dit voorkomen dan is dit een overtreding wegens
                    het ontbreken van een omgevingsvergunning voor het slopen. </al><al>Onder 10 m3 sloopafval wordt verstaan: los gestort sloopafval. </al><tussenkop>Lid 3 </tussenkop><al>Uit dit lid blijkt dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden.
                    Tevens beperkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan de vergunning te
                    verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en met d. Het vierde lid
                    geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het scheiden en gescheiden
                    houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere detaillering. </al><al>Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de onderwerpen genoemd
                    in het derde en vierde lid van dit artikel. </al><tussenkop>Ad a en b De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van
                    nabijgelegen bouwwerken </tussenkop><al>Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de artikelen 4.8
                    tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van overeenkomstige
                    toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein enz. staat wordt
                    uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen veiligheid op het
                    bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid van hulpmiddelen en
                    het voorkomen van hinder zijn als directe norm geformuleerd. Dit betekent dat
                    deze eisen ook gelden indien het vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard
                    behoeft datgene wat via deze vantoepassingverklaring al van toepassing is, niet
                    nogmaals als voorwaarde te worden opgenomen in een vergunning. Mede afhankelijk
                    van de sloopmethode en de bebouwing en aanwezigheid van mensen in de directe
                    omgeving van het te slopen bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld. Van veel
                    belang is te bedenken dat het hier gaat om de externe veiligheid. De veiligheid
                    voor degenen die met de sloopwerkzaamheden zijn belast behoort tot de sfeer van
                    de arbeidsomstandigheden en wordt beoordeeld door de Arbeidsinspectie. Een
                    sloopveiligheidsplan wordt, voor zover nodig, verlangd en ingediend bij de
                    aanvraag om een vergunning. De regeling daarvoor staat in artikel 8.1.2, tweede
                    lid. Het is de aanvrager van de vergunning die de sloopmethode kiest. Pas
                    wanneer de gekozen methode leidt tot strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk,
                    bij voorbeeld over het selectief slopen, de veiligheid of het uitvoeren van
                    bodemonderzoek, worden aan de vergunning voorschriften verbonden ter voorkoming
                    van deze strijdigheid. </al><tussenkop>Ad c Het scheiden en gescheiden afvoeren </tussenkop><al>Het is de houder van de vergunning die kiest naar welke bewerkings- of
                    verwerkingsinrichting wordt afgevoerd, c.q. aan welke inzamelaar of transporteur
                    het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen hierbij de voorschriften van de
                    vergunning en andere regels, bij voorbeeld die over het vervoer van gevaarlijk
                    afval, in acht te worden genomen. In de praktijk komt dit erop neer dat alleen
                    mag worden samengewerkt met vergunninghoudende inzamelaars en transporteurs voor
                    het gevaarlijk afval en alleen mag worden toegeleverd aan bewerkings- en
                    verwerkingsinrichtingen die beschikken over een vergunning ingevolge de Wet
                    milieubeheer. De voorschriften in de vergunning mogen geen 'gedwongen
                    winkelnering' inhouden, dus niet verplichten tot het afvoeren naar bedrijf X,
                    terwijl voor dat afval de bedrijven Y en Z ook vergunninghouder zijn. </al><al>De fracties waarin moet worden gescheiden worden vermeld in de
                    vergunningvoorschriften. De keuze van de fracties hangt af van de hoeveelheid en
                    samenstelling van het te verwachten afval en van de acceptatievoorwaarden van in
                    de regio aanwezige bewerkings- en verwerkingsinrichtingen. Onder c is de meest
                    minimale scheiding vastgelegd die voortvloeit uit landelijke regelgeving. </al><al>Naast deze drie 'onvermijdelijke' fracties - gevaarlijke afvalstoffen, asbest en
                    overig afval - verdient het aanbeveling om ten minste de volgende fracties als
                    voorwaarde in de vergunning op te nemen: </al><lijst><li nr="-"><al>steenachtig sloopafval, met uitzondering van gips;</al></li><li nr="-"><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="-"><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="-"><al>asfalt;</al></li><li nr="-"><al>dakgrind;</al></li><li nr="-"><al>glas (vlakglas) voor zover een inzamelstructuur beschikbaar is.</al></li></lijst><al>De opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer. </al><al>Wanneer de sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het
                    bepaalde in artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf en het bepaalde in artikel
                    5 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al>Een opdrachtgever doet er verstandig aan een sloopaannemer te kiezen die is
                    gekwalificeerd voor het soort sloopwerk dat wordt aanbesteed. Voor grotere
                    sloopwerken is dit vrijwel steeds een gespecialiseerd bedrijf. </al><tussenkop>Welke voorschriften, wanneer en waarvoor </tussenkop><al>Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een vergunning
                    worden opgenomen is afhankelijk van de gegevens over het te slopen bouwwerk en
                    de slooplocatie (welke soorten afval komen vrij en in welke hoeveelheden en
                    welke mogelijkheden zijn er voor het plaatsen van containers) en voorts van de
                    in de regio beschikbare verwijderingstructuren, waaronder bewerkings- en
                    verwerkingscapaciteit. </al><al>Er is voor gekozen geen indicatie te geven voor de verschillende
                    inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze sterk
                    regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn. Het
                    is daarom noodzakelijk dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van de
                    vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en regionale
                    verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen. </al><al>Het is van belang dat voordat een aanvraag om vergunning wordt getoetst de
                    hergebruikmogelijkheden bij de beoordelende gemeente bekend zijn. Hierbij moeten
                    de volgende aspecten worden nagegaan: </al><lijst><li nr="-"><al>wat kan worden hergebruikt;</al></li><li nr="-"><al>wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie;</al></li><li nr="-"><al>kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet;</al></li><li nr="-"><al>aan welke kwaliteit dient het herbruikbaar materiaal te voldoen;</al></li><li nr="-"><al>wat zijn de acceptatievoorwaarden van bewerkers, verwerkers, sorteerders
                            en inzamelaars.</al></li></lijst><tussenkop>Onderzoek </tussenkop><al>Voordat de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden
                    ingediend moeten de volgende onderzoeken plaatsvinden: </al><lijst><li nr="-"><al>Onderzoek naar het doel, waarvoor het bouwwerk of het te slopen gedeelte
                            daarvan laatstelijk is gebruikt (MBV artikel 8.1.2, tweede lid, letter
                            f);</al></li><li nr="-"><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te
                            slopen bouwwerk of een te slopen gedeelte daarvan is verontreinigd met
                            gevaarlijke afvalstoffen, dient een onderzoek te worden ingesteld naar
                            de vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van
                            dit onderzoek bij de aanvraag om vergunning worden gevoegd (MBV artikel
                            8.1.2, derde lid);</al></li><li nr="-"><al>Indien moet worden aangenomen dat in het te slopen bouwwerk asbest
                            aanwezig is, moeten overeenkomstig het gestelde in artikel 8.1.2,
                            daarover bij het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning
                            voor het slopen gegevens worden ingediend. Op grond van artikel 3 van
                            het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geldt een onderzoeksplicht naar de
                            aanwezigheid van asbest door een deskundig, dat wil zeggen daartoe
                            gecertificeerd bedrijf.</al></li></lijst><al>Achter in deze toelichting is als bijlage 8 van de toelichting opgenomen een
                    Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop. Deze keuzetabel biedt
                    de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen een handreiking voor een
                    verdergaande scheiding dan normaliter in de voorwaarden van deze
                    omgevingsvergunning verplicht is gesteld om op de slooplocatie uit te voeren.
                    Uiteraard kan genoemde houder voor een verdergaande scheiding zowel financiële
                    als milieuhygiënische overwegingen in zijn beschouwing betrekken. </al><tussenkop>Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen </tussenkop><al>Kunststoffen is een verzamelnaam voor uiteenlopende stoffen. Door de producenten
                    van kunststof gevelelementen (verenigd in de VKG) en de producenten van
                    kunststofleidingsystemen (verenigd in de FKS) zijn voor deze twee deelstromen
                    inzamel- en recyclingsystemen ontwikkeld. </al><al>De VKG heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                    inzameling en herverwerking van kunststof kozijnen, ramen en deuren. </al><al>De FKS heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                    volledige inzameling en het hergebruik van bij bouw en sloop vrijkomende
                    kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het systeem komt erop neer dat degene die
                    sloopt een container kan huren waarin de afval geworden kunststofleidingen
                    worden verzameld. Gestreefd wordt naar een gesloten ketenbeheer, functionerend
                    voor het gehele land. Andere kunststoffen dan hier genoemd kunnen niet worden
                    afgevoerd via met dit inzamelsysteem. </al><tussenkop>Andere inzamelsystemen </tussenkop><al>Andere inzamelsystemen die zijn opgezet door de leverancier van het product en
                    die erop zijn gericht de desbetreffende afvalstoffen weer geschikt te maken voor
                    hergebruik zijn die voor steenwol en glaswol (minerale wol) en voor aluminium.
                    De informatie over deze inzamelsystemen is te verkrijgen bij de leverancier en
                    bij de brancheorganisatie. </al><tussenkop>Ad d Gegevens die na de vergunningverlening worden ingediend </tussenkop><al>De gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het in behandeling nemen van
                    een aanvraag om vergunning behoren te worden ingediend bij de aanvraag. De
                    artikelen 8.1.2 en 8.1.3 regelen dit. De naam en het adres van degene die met
                    het slopen zal worden belast - gewoonlijk de aannemer - zijn dikwijls nog niet
                    bekend ten tijde van het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor
                    het slopen. Deze gegevens spelen bovendien geen rol bij de beoordeling van het
                    in behandeling nemen. </al><al>In de vergunning kan een voorwaarde worden opgenomen inhoudende dat uiterlijk
                    ... (bij voorbeeld twee) dagen voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden de naam
                    en het adres van degene die met de sloopwerkzaamheden is belast worden
                    overgelegd aan het bevoegd gezag of de directeur van het (gemeentelijk)
                    bouwtoezicht. </al><tussenkop>Het gebruik van een mobiele puinbreker </tussenkop><al>In de meeste provincies bevat de provinciale milieuverordening een regeling voor
                    de toelaatbaarheid van mobiele puinbrekers op slooplocaties. Een dergelijke
                    regeling maakt voorschriften ter zake in de gemeentelijke bouwverordening
                    overbodig. In een concreet geval raadplege men de desbetreffende provinciale
                    griffie over de vraag of, en zo ja welke, provinciale voorschriften terzake
                    gelden. In de bouwverordening van de gemeenten die in de overige provincies
                    liggen, blijven de voorschriften voor het gebruik van een mobiele puinbreker
                    echter zinvol. </al><al>Op verzoek van de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het slopen kan,
                    onder in de vergunning te stellen voorschriften, worden toegestaan dat op de
                    sloopplaats het beton en metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar opgestelde
                    mobiele puinbreekinrichting. </al><al>Het ‘Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval’ bevat alle voorschriften ten
                    aanzien van mobiele brekers en is in werking getreden op 1 maart 2004. Vanaf
                    deze datum zijn de in enkele gemeentelijke bouwverordeningen nog bestaande
                    voorschriften over mobiele brekers van rechtswege vervallen. De hogere regeling
                    treedt in de plaats van de lagere regeling. </al><al>Onder bepaalde condities zoals voorgeschreven in genoemd besluit is het
                    toelaatbaar op de bouw- of slooplocatie dan wel in de directe nabijheid daarvan
                    een mobiele puinbreker op te stellen waar het steenachtige bouw- en sloopafval
                    wordt bewerkt, gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste drie
                    maanden. Het is verboden om met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te
                    bewerken dat afkomstig is van andere bouw- of slooplocaties dan die waarbij de
                    breker is opgesteld. </al><tussenkop>Lid 4 </tussenkop><al>Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het
                    derde lid waarover in de vergunning voorschriften worden gesteld. Afhankelijk
                    van de specifieke kenmerken die gelden voor bepaalde fracties of bepaalde
                    handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk afval zware
                    eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag ervan. De tweede
                    zin verplicht het bevoegd gezag een voorschrift in de vergunning op te nemen
                    over het afzonderlijk gereed maken voor de afvoer van het sloopproject van
                    asbest en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren. Deze verplichting staat in
                    artikel 10, letter e, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><tussenkop>Lid 5 </tussenkop><al>Voor seizoengebonden bouwwerken, welke naar hun aard slechts tijdelijk een plek
                    staan en meestal jaarlijks op dezelfde plek opnieuw worden geplaatst, geldt een
                    andere regeling. Het betreft hier meestal het uit elkaar nemen van het bouwwerk
                    totdat dit opnieuw wordt opgebouwd. Hierbij wordt gedacht aan strandpaviljoens,
                    bouwwerken voor jaarlijks terugkerende evenementen e.d</al><tussenkop>Artikel 8.1.2 t/m 8.1.5 (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</tussenkop><tussenkop>Ad a en b</tussenkop><al>Meestal kan door het verbinden van voorschriften aan de vergunning, als bedoeld
                    in artikel 8.1.1, derde lid, worden bereikt dat de veiligheid tijdens het slopen
                    en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken voldoende is gewaarborgd. Indien
                    ook door het stellen van voorschriften geen voldoende niveau van veiligheid c.q.
                    bescherming kan worden gewaarborgd, moet de vergunning worden geweigerd. Meestal
                    zal in overleg met de aanvrager - vaak al vóór de indiening van de aanvraag om
                    vergunning - worden gezocht naar een voor de gegeven situatie veilige
                    sloopmethode en zodanige maatregelen dat voldoende bescherming van nabijgelegen </al><al>bouwwerken is verzekerd. De weigeringgronden ad a en b strekken ertoe een
                    onveilige sloopwijze of een onvoldoende bescherming van andere bouwwerken te
                    kunnen tegenhouden. Het doel is niet om het slopen onmogelijk te maken. Er moet
                    van worden uitgegaan dat ooit ieder bouwwerk een keer wordt gesloopt.</al><tussenkop>Artikel 8.1.7 Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen</tussenkop><al>Voordat wordt besloten tot intrekking van een vergunning dient de houder van die
                    vergunning te worden gehoord. Dit is een eis van zorgvuldigheid. Indien de
                    houder aannemelijk kan maken dat hij binnen zeer afzienbare tijd met de
                    werkzaamheden begint, of deze voortzet, kan dit een reden zijn een besluit tot
                    intrekking nog niet te nemen. De Wabo verhindert niet dat in een verordening,
                    waarbij de vergunningplicht is ingesteld, criteria op te nemen over het
                    intrekken van de vergunning.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                    sloopvergunning</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</tussenkop><tussenkop>Algemeen </tussenkop><al>De sloopmelding is geformuleerd als een afwijking van de vergunningplicht. Dit
                    betekent dat indien wordt gesloopt zonder mededeling naar aanleiding van een
                    melding, terwijl deze wel is vereist, overtreding plaatsvindt van artikel 8.2.1
                    juncto artikel 8.1.1 van de bouwverordening. </al><al>Een melding als hier bedoeld is gericht op het verkrijgen van de mededeling van
                    het college van burgemeester en wethouders. Deze mededeling is een beschikking
                    en vatbaar voor bezwaar en beroep in de zin van de Algemene wet bestuurrecht.
                    Dit betekent onder meer dat de melding schriftelijk moet worden ingediend bij
                    burgemeester en wethouders. Ingevolge het tweede lid moet worden gebruik gemaakt
                    van de door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde formulieren.
                    In het achtste lid is bepaald dat aan de mededeling voorschriften kunnen worden
                    verbonden. </al><al>Degene die een mededeling als hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de
                    sloopwerkzaamheden verrichten. Bij het opstellen van de regels is gekeken naar
                    de risico’s voor de gene die sloopt, naar de risico’s voor degenen die in de
                    woning verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheid). </al><al>Naast de voorschriften bij de mededeling, staan in de artikelen 7 en 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 rechtstreeks werkende voorschriften waaraan
                    degene die asbest verwijdert anders dan in het kader van beroep of bedrijf – dus
                    de burger -zich moet houden. Op grond van het tweede lid van artikel 8 van dit
                    Besluit is de minister van VROM bevoegd om, in het kader van de bescherming van
                    mens en milieu tegen emissie van </al><al>asbestvezels, aanvullende regels te stellen voor de door particulieren
                    toegestane verwijdering van asbest. Deze voorschriften gelden dan naast artikel
                    7 en naast de voorschriften bij de mededeling. Van deze mogelijkheid zal
                    blijkens de toelichting bij artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005
                    slechts gebruik gemaakt worden als uit praktijkervaringen blijkt dat de in
                    artikel 7 opgenomen voorschriften onvoldoende zijn. </al><al>Voor het zich ontdoen van het verpakte asbest staan thans drie mogelijkheden
                    open: zelf afvoeren naar een stortplaats of depot, door een aannemer laten
                    afvoeren en, indien de gemeente daarvoor een mogelijkheid aanbiedt, meestal
                    tegen betaling, meegeven met de inzameldienst op vergelijkbare wijze als het
                    grof huisvuil. Om te voorkomen dat asbest 'zoek raakt' verdient het aanbeveling
                    dat de gemeente voor het asbest afkomstig van particulieren een inzamelstructuur
                    creëert, waardoor ten minste op een van de vorenstaande wijzen de </al><al>particulier zich van dit afval kan ontdoen. </al><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner zelf het asbest verwijdert.
                    Wanneer dit kan bij een woning, kan het ook gelden voor de bijgebouwen of met de
                    woning vergelijkbare bouwwerken. Daarom zijn naast de woning ook genoemd het
                    logiesverblijf (recreatiewoning) alsmede de op het daarbij behorende erf staande
                    bijgebouwen. </al><al>Het door de burger verwijderen van geschroefde asbesthoudende platen, van
                    asbesthoudende vloertegels en van niet-gelijmde asbesthoudende vloerbedekking is
                    in artikel 4, derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gebonden aan een
                    maximum van 35 m2 per kadastraal perceel. </al><al>Genoemd artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot woningen en bijgebouwen
                    bij woningen. De begripsbepaling voor woning in het tweede lid van artikel 1 van
                    het Asbestverwijderingsbesluit geeft hiervoor geen oplossing, omdat onduidelijk
                    is wat daar onder ‘mede’ wordt verstaan en omdat in de Woningwet het begrip
                    woning niet is omschreven. Voor zover bedoeld is met dit
                    Asbestverwijderingsbesluit op dit punt geen wijziging in het beleid noch in de
                    uitvoering van de regels te brengen, mag worden geconcludeerd dat onder woning
                    mede wordt verstaan een een logiesverblijf zoals is genoemd in het eerste lid
                    van art. 8.2.1 Bouwverordening. </al><al>De tekst van het derde lid van artikel 4 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    geeft niet duidelijk aan of de asbesthoudende golfplaten op een schuurtje bij
                    een woning vergunningvrij door de burger verwijderd mogen worden onder het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al>Er staat ‘geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                    hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf
                    van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in
                    het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                    bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                    asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal
                    perceel bedraagt’. </al><al>Een schuur is een bijgebouw bij een woning. En hoewel de dakplaten niet
                    letterlijk ‘uit’ het bijgebouw komen, mag worden aangenomen dat bedoeld is – net
                    als onder de regeling van vóór het Asbestverwijderingsbesluit 2005 - dit wel
                    mogelijk te maken. De Nota van toelichting geeft niet aan dat een wijziging is
                    bedoeld. Er staat in de toelichting bij het derde lid van artikel 4: ‘De in het
                    onderhavige besluit opgenomen uitzonderingen zijn gebaseerd op de uitzonderingen
                    die zijn opgenomen in de modelbouwverordening van de VNG, die door het </al><al>merendeel van de gemeenten in hun regelgeving zijn overgenomen.’ Daarom heeft de
                    VNG thans bij de implementatie van meergenoemd derde lid in de
                    model-bouwverordening, de bestaande toevoegingen van met een woning gelijk te
                    stellen bouwwerken ‘logiesverblijf’ gehandhaafd. </al><al>Beleidsmatig verdient het de voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het is
                    beter dan de andere uitleg, dat een burger het verwijderen van het asbest van
                    een schuurtje niet zelf mag doen. De kans is groot dat dan toch door de burger
                    het asbest golfplaten dakje van de schuur wordt verwijderd, maar illegaal. En
                    illegaal verwijderd asbest kun je moeilijk legaal inleveren, dus bestaat kans
                    dat dit eveneens illegaal wordt weggewerkt. Met de voorgestelde ruime uitleg is
                    de burger legaal bezig en kan hij de asbestplaten legaal inleveren. </al><al>Op grond van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet meer toegestaan om
                    anders dan in het kader van beroep of bedrijf over te gaan tot het verwijderen
                    van: </al><lijst><li nr="-"><al>gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking. De oude voorschriften met
                            betrekking tot het verwijderen van gelijmde vloerbedekking bleken
                            zodanig complex dat ze voor particulieren niet goed waren na te leven.
                            Minder vergaande voorschriften leiden echter tot een risico op
                            blootstelling aan asbestvezels.</al></li><li nr="-"><al>dakleien. Bij het werken met deze leien is het risico van breuk groot.
                            Bij breuk van asbesthoudende dakleien komen asbestvezels vrij, hetgeen
                            leidt tot een onaanvaardbaar risico op inademing van asbestvezels en
                            verontreiniging van het milieu met deze vezels.</al></li></lijst><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><tussenkop>Lid 9 </tussenkop><al>De tweede zin van dit lid verwijst naar 'in de gemeente geldende voorschriften'
                    die de burger in acht moet nemen ter zake van de afvoer van asbest bevattende
                    vloerbedekking en andere afvalstoffen die hij zelf mag verwijderen na een
                    melding. Met deze voorschriften zijn bijvoorbeeld bedoeld de voorschriften over
                    het meegeven van afval met en de wijze van aanbieden aan de ophaaldienst voor
                    grof huisvuil of die over het aanbieden van deze </al><al>afvalstoffen bij de gemeentewerf of andere inzamelplaats. </al><tussenkop>Lid 10 </tussenkop><al>Na het slopen van het asbest mag dit niet worden bewerkt. Dus de platen mogen
                    niet worden gebruikt voor andere toepassingen en niet worden verkleind opdat zij
                    in een huisvuilzak passen. Asbest dat niet wordt gesloopt kan wel worden
                    onderhouden door verven of coaten. Het is af te raden, hetzij voorafgaand aan
                    verven, hetzij anderszins, te schuren of schoon te spuiten onder hoge druk. </al><tussenkop>Lid 11 </tussenkop><al>De sloopmelding is een aanvraag om beschikking. Dit betekent dat de procedure
                    van artikel 4:5 jo. 4:15 Algemene wet bestuursrecht van toepassing is: Indien de
                    aanvraag niet voldoet aan de gestelde eisen, kunnen burgemeester en wethouders
                    besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat kan pas als de aanvrager
                    in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag binnen een door burgemeester en
                    wethouders te stellen termijn aan te vullen. In dit artikellid is ervoor gekozen
                    die termijn kort te houden (één week).</al><tussenkop>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                    omgevingsvergunning voor het slopen </tussenkop><al>Dit artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder een omgevingsvergunning
                    voor het slopen als bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder sloopmelding als bedoeld
                    in artikel 8.2.1 mag gebeuren. Deze uitzonderingen hebben geen betrekking op
                    andere regelingen waarin bepaalde sloophandelingen mogelijk aan een vergunning
                    of melding zijn gebonden, zoals de Monumentenwet of monumentenverordening. </al><al>In gevolge het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is ook het verwijderen van
                    beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen vergunningvrij. Ook
                    wel aangeduid als voegkit. </al><al>Dit artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede lid, letter a,
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 bedoelde waterleidingbuizen, gasleidingbuizen,
                    rioolleidingbuizen en mantelbuizen, voor zover zij deel uitmaken van het
                    ondergrondse openbare gas-, water- en rioolleidingnet. Het verwijderen van gas-,
                    water-, riool- en mantelbuizen in bouwwerken moet wel plaatsvinden door een
                    deskundig asbestverwijderingsbedrijf. Bij het verwijderen van deze buizen die
                    zich in (of in de kruipruimte van) een bouwwerk bevinden is geen sprake van
                    routinematig verwijderen met een beheersbaar risico.</al><tussenkop>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein</tussenkop><al>Zie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel 8.1.1. </al><tussenkop>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                    bescheiden</tussenkop><al>Deze eis is nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de
                    aanwezigheid van de vergunning of een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                    of oplegging van een last onder dwangsom dat leidt tot het slopen mag degene die
                    de werkzaamheden verricht – in de regel een ander dan de houder van de
                    vergunning – geacht worden de voorwaarden te kennen. </al><al>Artikel 8.3.3, tweede lid, bepaalt dat de houder van de omgevingsvergunning voor
                    het slopen, indien deze mede betrekking heeft op asbest, een afschrift van deze
                    vergunning ter hand stelt aan de sloopaannemer.</al><tussenkop>Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 Asbest</tussenkop><al>De artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben betrekking op het slopen van asbest.
                    De betekenis van de artikelen kan als volgt worden onderscheiden. Artikel 8.3.3
                    schept verplichtingen voor de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen.
                    Artikel 8.3.4 geldt voor de gevallen dat vooraf de aanwezigheid van asbest niet
                    bekend was. Deze situatie kan zich voordoen in alle gevallen dat wordt gesloopt.
                    Artikel 8.3.5 geldt voor alle situaties dat asbest wordt gesloopt, dus zowel op
                    grond van een omgevingsvergunning voor het slopen als op grond van een
                    mededeling naar aanleiding van een melding. De eis dat bij het slopen de beste
                    bestaande </al><al>technieken worden toegepast geldt krachtens het derde lid van dit artikel echter
                    niet voor het slopen op grond van een mededeling.</al><tussenkop>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                    slopen</tussenkop><al>De leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 10, letters k,
                    l, m en n van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Deze leden bevatten
                    verplichtingen voor de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen.</al><al>Volledigheidshalve merken wij op dat in artikel 5 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat dat degene die opdracht geeft tot het
                    slopen voor de aanvang van de werkzaamheden aan een afschrift van het
                    asbestinventarisatierapport verstrekt aan degene die de handeling verricht.
                    Voorheen stond dit in artikel 8.3.3, derde lid. De plicht is er nog, maar staat
                    op een andere plek en behoeft niet te worden herhaald in de
                    bouwverordening.</al><tussenkop>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Het kan gebeuren dat tijdens sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest wordt
                    aangetroffen. Dit artikel stelt een meldingplicht in. Vanaf het moment dat
                    asbest wordt gevonden moet voor het (verder) slopen daarvan een daarop gerichte
                    sloopvergunning of mededeling naar aanleiding van een melding aanwezig zijn. Die
                    moet er eerst komen, voordat het asbest mag worden gesloopt.</al><al>Handhaving van deze bepaling kan geschieden door middel van het stilleggen van
                    de sloopwerkzaamheden door toepassing van bestuursdwang.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De strekking van het tweede lid is het bouwtoezicht de gelegenheid te geven tot
                    tijdige controles tijdens en bij het voltooien van het sloopwerk. </al><al>Indien het bevoegd gezag de ontvangst van een melding van de voltooiing van een
                    sloopwerk bevestigt, bijv. door de melding af te stempelen en van de
                    ontvangstdatum te voorzien, is die bevestiging een administratieve handeling die
                    niet meer inhoudt dan een bewijs dat er is gesloopt. De gemeente aanvaardt
                    daarmee geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden bij het slopen en
                    het scheiden en gescheiden houden van het sloopafval.</al><tussenkop>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                    asbest</tussenkop><al>Artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de voorschriften
                    voor de wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest voor zover dit gebeurt
                    anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf. </al><al>Voor het beroepsmatig of bedrijfsmatig verrichten van deze handelingen gelden
                    regels op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de desbetreffende
                    certificering.</al><al>Voor degenen die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf een
                    handeling als hiervoor bedoeld verrichten, geeft artikel 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 een vergelijkbare verplichting. Van de
                    bevoegdheid om op grond van het tweede lid van artikel 8 een ministeriële
                    regeling te doen uitgaan heeft de minister van VROM geen gebruik gemaakt.</al><al>De leden 1 en 2 van dit artikel strekken ertoe te bereiken dat verspreiding van
                    asbest wordt voorkomen althans tot een minimum wordt beperkt. Indien de minister
                    op grond van het tweede lid van artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005 regels stelt, treedt vanwege de verhouding hogere en lagere regelgeving
                    vanzelf artikel 8.3.5 buiten werking.</al><tussenkop>Artikel 8.3.6 (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 4 Vrij slopen</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</tussenkop><al>Zoals hiervoor bij artikel 8.1.1 toegelicht, zijn er redenen om de plicht tot
                    het hebben van een vergunning te koppelen aan een ondergrens van 10 m3
                    sloopafval. Dit betekent niet dat al het sloopafval dat minder dan 10 m3
                    bedraagt, niet gescheiden zou behoeven te worden. </al><al>De fracties waarin het sloopafval verplicht moet worden gescheiden, uiteraard
                    voor zover die stoffen daarin voorkomen, betreffen gevaarlijke of verontreinigde
                    stoffen die niet mogen worden gemengd met het overige afval. In de opsomming is
                    asbest niet opgenomen, omdat dit immers nooit zonder vergunning of zonder
                    melding mag worden verwijderd. </al><al>Preventief toezicht op de naleving van het onderhavige artikel is niet voorzien.
                    De handhaving vindt bij deze geringe hoeveelheden, in totaal niet meer dan 10
                    m3, uitsluitend repressief plaats.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="36*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="64*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Asbestverwijderingsbesluit 2005</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>MBV inclusief 11<sup>e</sup> serie
                                            wijzigingen</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 3</al></entry><entry colname="col2"><al>H 8, Toelichting Algemeen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 3, lid 3</al></entry><entry colname="col2"><al>H 8, Toelichting calamiteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 4, lid 1, sub a</al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.2, lid 3, sub c</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 4, lid 1, sub b</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.2, lid 1, sub c</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 4, lid 2, sub b, c, d en e</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.2, lid 1, sub a, b, d en e</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 4, lid 3, sub a, b en c</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 1, sub a en b</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 5</al></entry><entry colname="col2"><al>8.3.3, lid 3 vervallen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 6</al></entry><entry colname="col2"><al>1.1 (Begripsbepaling)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 7</al></entry><entry colname="col2"><al>H 8 Toelichting Algemeen brochure VROM nog niet gereed</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 8, lid 1</al></entry><entry colname="col2"><al>8.3.5, lid 1 en 2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 8, lid 2</al></entry><entry colname="col2"><al>Min. Besluit is er nog niet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter a </al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter b</al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.2, lid 3, sub c</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter c</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter d</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter e</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter f</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter g</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter h</al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.2, lid 12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter i</al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.4, lid 2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter j</al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.2, lid 4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letters k, l, m en n</al></entry><entry colname="col2"><al>8.3.3, lid 1 t/m 4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 11</al></entry><entry colname="col2"><al>12.1, lid 1 en 2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>9 Het welstandstoezicht</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                    betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde
                    lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                    samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie. </al><al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet uitgewerkt
                    vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen nadrukkelijk zelf
                    een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien een gemeente werkt
                    met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke keuze dient ook door te
                    klinken in de werkwijze van de provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de
                    gemeente het initiatief te nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie
                    om deze keuze te onderschrijven. </al><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                    situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                    stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk
                    reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel
                    dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                    bouwverordening.</al><tussenkop>Artikel 9.1 Welstandscriteria</tussenkop><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                    vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                    welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                    welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester
                    en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is
                    met redelijke eisen </al><al>van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria
                    hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is
                    geen welstandstoezicht mogelijk. </al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een
                    bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend
                    deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom
                    verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van
                    de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een
                    bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van
                    landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De
                    bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste
                    gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is
                    aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist
                    verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake
                    van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                    zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                    beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist. </al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt
                    gevolgd. </al><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                    toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                    bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><tussenkop>Relatie bestemmingsplan en welstand</tussenkop><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel uit
                    artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten naar
                    de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. </al><al>Het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van de Woningwet omschreven
                    als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van
                    artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft
                    uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25
                    april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari
                    2000, Gst.2000, 7119). </al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is
                    tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening
                    boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet
                    is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de welstandscommissie deze
                    voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het bestemmingsplan is
                    immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet op de ruimtelijke
                    ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een
                    bestemming is gegeven en de daarbijbehorende bebouwings- en
                    gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet
                    mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond
                    toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl.
                    ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. </al><al>A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner naarmate
                    het bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te
                    realiseren. Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid
                    Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan
                    en welstand.</al><tussenkop>Artikel 9.2 De advisering door de commissie van onafhankelijke
                    deskundigen </tussenkop><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij
                    een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien een
                    welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het
                    bevoegd gezag beslist. </al><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie een
                    stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                    voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de stadsbouwmeester. </al><al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan wel
                    provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen om voor de
                    welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale welstandsorganisatie,
                    die het resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een
                    privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een
                    provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                    welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                    artikel 9.2. </al><tussenkop>Alternatief 2 </tussenkop><al>In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie, die adviseert
                    over alle vergunningplichtige bouwwerken. </al><tussenkop>Onafhankelijkheid </tussenkop><al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                    onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden
                    van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het
                    raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op
                    mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college van
                    burgemeester en wethouders of van het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een
                    aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie
                    voor de eigen gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten
                    neemt, is in dit verband uitgesloten. </al><tussenkop>Deskundigen en burgers </tussenkop><al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te
                    hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                    kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                    commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                    beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                    niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking
                    verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de
                    gebouwde omgeving betrokken </al><al>zijnde, die door het gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden
                    benoemd. De gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er
                    is geen wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de
                    welstandscommissie. </al><al>Er zijn meerdere alternatieven denkbaar, er is gekozen voor alternatief 1. </al><tussenkop>Alternatief 1 </tussenkop><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De secretaris is
                    geen lid van de </al><al>welstandscommissie. </al><tussenkop>Artikel 9.3 Termijn van advisering </tussenkop><al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen zijn
                    beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat voor de
                    welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de advisering binnen de
                    Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een verlenging van de adviestermijn
                    is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de beslistermijn voor de
                    vergunningverlening is verlengd. De mogelijkheid van beoordeling van een zgn.
                    schetsplan in een informele voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen
                    pas aanvangen bij de ontvangst van verzoek om vergunning. Indien een aanvraag om
                    een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien waarvan een discussie over
                    alternatieven kan worden verwacht, is het raadzaam gebruik te maken van de
                    mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn. </al><tussenkop>Artikel 9.4 en 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting </tussenkop><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat
                    nu voor de </al><al>welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de Woningwet. De
                    wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in openbaarheid.
                    Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een beroep doet op
                    artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige aangelegenheden
                    aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te
                    weigeren. </al><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering
                    bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde
                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ter inzage te leggen bij
                    de agenda en daarvan melding te maken in de bekendmaking. </al><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van
                    betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het
                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het
                    welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer. </al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                    onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager
                    van de omgevingsvergunning en anderzijds andere belanghebbenden. </al><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen. </al><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag toe
                    te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig
                    - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de
                    noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind. </al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                    geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                    spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2
                    Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van
                    de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele
                    rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen 'recht
                    van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn. </al><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                    vergadering van de </al><al>welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan zodanig worden
                    gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op de vergadering
                    voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de termijn korter
                    zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door eventuele sprekers
                    geen sprake is. </al><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                    waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor
                    informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal
                    door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd.
                    De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient. </al><tussenkop>Artikel 9.5 Afdoening bij mandaat </tussenkop><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                    mandaat. </al><al>De meest voorkomende vorm van mandaat aan één persoon komt neer op de afdoening
                    van een welstandsadvies door een gemandateerde bij plannen waarvan de mening van
                    de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. </al><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor mandatering met
                    betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken.</al><al>Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal uitgesloten. </al><al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen onder
                    mandaat vraagt met name ten aanzien van de openbaarheid enige aandacht. Met name
                    in geval van veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine
                    bouwwerken zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen
                    door de gemandateerde bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per
                    bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden
                    voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan. </al><tussenkop>Artikel 9.7 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht </tussenkop><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt
                    vast, namelijk het </al><al>motiveringsbeginsel dat in artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is
                    opgenomen. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat bij positieve
                    welstandsadvisering een expliciete motivering achterwege blijft. Volgens vaste
                    jurisprudentie verandert dit direct zodra bezwaar tegen de (voorheen)
                    bouwvergunning wordt ingediend. </al><tussenkop>Artikel 9.8 Uitsluiting gebieden </tussenkop><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van de
                    bouwverordening vast. Het desbetreffende gebied is aangeduid op de kaartbijlage
                    als bedoeld in artikel 1.3 van de bouwverordening.</al><tussenkop>10 Overige administratieve bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning (Vervalllen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                    onbe woonbaar verklaarde woning of woonwagen (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                    woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voor-schriften</tussenkop><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's). </al><tussenkop>11 Handhaving</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de
                    bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken
                    vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe
                    nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit
                    2003 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening
                    krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het
                    welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met
                    het generieke handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb
                    kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander
                    bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2003,
                    dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                    overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk
                    niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld
                    naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota. </al><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient
                    vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003 het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in
                    strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of
                    ander bouwwerk weer in overeenstemming met die voorschriften kan worden
                    gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen
                    kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig artikel 5:24, vierde lid, van de Awb
                    de toepassing van bestuursdwang voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32,
                    vijfde lid, van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen. </al><al>Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                    samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep
                    en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen). </al><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan om
                    met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een
                    last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                    sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                    Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning wordt
                    gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve
                    bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24, vijfde </al><al>lid Awb. Het direct met bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of
                    sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te voorkomen dat de illegale situatie
                    verder in omvang toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor
                    voldongen feiten worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen
                    naar de uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003
                    (BR 2003, 893).</al><tussenkop>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
                    (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingenl</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld,
                    steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op
                    de economische delicten. </al><tussenkop>Artikel 12.1 Strafbare feiten (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 12.2 Overgangbepaling bodemonderzoek (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven
                    en terreinen</tussenkop><al>De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor bestaande
                    situaties. Er zijn veel bestaande situaties die niet aan deze eisen voldoen en
                    redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen worden. Voor nieuwe situaties - dat
                    wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van deze voorschriften -
                    lijkt de eis wel redelijk. </al><al>Wanneer een bestaand gebouw, dat krachtens deze overgangsbepaling niet aan de
                    nieuwe voorschriften behoeft te voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een
                    vergunning nodig is op grond van artikel 40 van de Woningwet, kunnen in die
                    vergunning eisen omtrent de bereikbaarheid van dat gebouw worden gesteld. Dit om
                    te voorkomen dat een eenmaal bestaand gebouw nimmer aan meer eigentijdse eisen
                    van bereikbaarheid zou behoeven te voldoen.</al><tussenkop>Artikel 12.6 Slotbepaling</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De bepalingen voor de bekendmaking van verordeningen zijn gegeven in de
                    artikelen 139 e.v. van de Gemeentewet. Bekendmaking van verordeningen, zijnde
                    algemeen verbindende voorschriften, geschiedt door plaatsing van het besluit in
                    het gemeenteblad of in een andere, door de gemeente algemeen verkrijgbaar
                    gestelde uitgave. Dit geldt ook voor een opnieuw vastgestelde verordening. Een
                    (opnieuw) vastgestelde verordening dient op grond van artikel 140 van de
                    Gemeentewet kosteloos voor eenieder ter inzage te liggen op de
                    gemeentesecretarie, dan wel op een andere, door de raad te bepalen plaats. De
                    inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na de
                    bekendmaking;zie artikel 142 van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan
                    echter een ander tijdstip van inwerkingtreding in de verordening vaststellen of
                    het college in de verordening de bevoegdheid geven om de inwerkingtreding van de
                    verordening op een nader tijdstip te bepalen. De verordening moet na de
                    bekendmaking worden medegedeeld aan het parket van het arrondissement waarin de
                    gemeente is gelegen; zie artikel 143 van de Gemeentewet. Een termijn daarvoor is
                    niet opgenomen, doch spoedige mededeling ligt in de rede. Tevens dient tegelijk
                    met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking een afschrift van de verordening
                    te worden gezonden aan de inspecteur van de Volkshuisvesting binnen wiens
                    ambtsgebied de gemeente ligt; zie artikel 95 van de Woningwet.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><tussenkop>BIJLAGEN TOELICHTING BOUWVERORDENING GEMEENTE VLISSINGEN 2010 14e serie
                    wijzigingen</tussenkop><al/><al><vet>1 Inleidende bepalingen</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al/><al><vet>Regeling omgevingsrecht (MOR)</vet></al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
                    vervalt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab). Hiervoor
                    komt in de plaats de Regeling omgevingsrecht (Mor). Hierin staan de
                    indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.</al><al/><al><vet>Besluit omgevingsrecht (Bor) </vet></al><al>Bij de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) vervalt
                    het Besluit </al><al>bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). De
                    categorie licht </al><al>bouwvergunningplichtige bouwwerken verdwijnt geheel. De vergunningvrije
                    bouwwerken staan in bijlage II van het Bor. </al><al/><al><vet>Bevoegd gezag </vet></al><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    is in de bouwverordening waar nodig ‘burgemeester en wethouders’ gewijzigd in
                    ‘bevoegd gezag’ en is in artikel 1.1 de begripsomschrijving voor bevoegd gezag
                    opgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst van het gewijzigde artikel 1,
                    eerste lid, onderdeel e van de Woningwet. De bevoegdheden voor het verlenen,
                    wijzigen en intrekken van vergunningen, als bedoeld in de bouwverordening,
                    blijven gelijk. De meldingen vallen buiten de reikwijdte van de Wabo. Dit
                    betekent dat de sloopmelding in hoofdstuk 8 van de bouwverordening niet wordt
                    afgestemd met de Wabo. De diverse meldingen en mededelingen aan het
                    bouwtoezicht, die moeten worden </al><al>gedaan door de vergunninghouder, of namens deze door degene die bouwt of sloopt,
                    blijven eveneens ongewijzigd. De melding in het kader van het Gebruiksbesluit
                    wordt gedaan bij het bestuursorgaan waar de aanvraag omgevingsvergunning wordt
                    ingediend. In het geval dit bestuursorgaan niet burgemeester en wethouders is,
                    zendt het bestuursorgaan de melding door naar burgemeester en wethouders.</al><al/><al><vet>Bouwbesluit </vet></al><al>Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het
                    geconverteerde Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze
                    besluiten zijn de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb.
                    2001, 518) opgenomen.</al><al/><al><vet>Bouwtoezicht</vet></al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en
                    wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                    bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond
                    van artikel 5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan
                    die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.</al><al/><al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-,
                    provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel
                    bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de
                    toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen
                    onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><al/><al>De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis ten
                    opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn, zoals dit
                    ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde toezichthouders die geen
                    ambtenaar zijn, zijn onrechtmatig aangewezen. Zij verrichten hun werkzaamheden
                    voor de gemeente onrechtmatig, wat consequenties heeft voor hun bevoegdheden,
                    het bewijsrecht e.d.</al><al/><al>Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de
                    Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt het echter mogelijk om toezichthouders
                    die aangesteld moeten zijn als ambtenaar om hun toezichthoudende taken te mogen
                    uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van
                    toepassing wordt. Op basis daarvan kunnen gemeenten dus toezichthouders inhuren
                    via particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.</al><al/><al>De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon opsporingsambtenaar
                    krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde eisen.</al><al/><al>Zie hiervoor: <extref doc="http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar">http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar</extref>.
                    Zie over dit onderwerp ook de VNG-ledenbrief: Uitbreiding art. 1:2 CAR:
                    (Lbr.07/17, CvA/LOGA 07/04) (5 april 2007).</al><al/><al><vet>Gebruiksoppervlakte</vet></al><al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1,
                    begripsbepalingen. De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen
                    omtrent overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de Bouwverordening. </al><al/><al><vet>Bouwwerk en gebouw</vet></al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    bepaald door de begripsomschrijving in de Bouwverordening en de jurisprudentie. </al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                    bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1
                    van de Woningwet. </al><al/><al><vet>Omgevingsvergunning</vet></al><al>In de Bouwverordening wordt het begrip ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’
                    gebruikt voor de in de begripsomschrijving genoemde activiteit. </al><al/><al><vet>Vergunningvrij bouwen</vet></al><al>Met de komst van de Wabo is ook de Woningwet ingrijpend gewijzigd. </al><al>Voor welke activiteiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist
                    staat in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit is
                    gebaseerd op de Wabo en vervangt het Besluit bouwvergunningvrije en licht
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). </al><al/><al>Op hoofdlijnen omvat de verruiming van het vergunningvrije bouwen de volgende
                    onderdelen: </al><al> - De categorie lichte bouwvergunning komt te vervallen. Een activiteit, zoals
                    het bouwen, is nu vergunningvrij of vergunningplichtig. ; </al><al> - De categorie ‘omgevingsvergunningvrije’ bouwwerken wordt verder verruimd
                    waarbij twee categorieën vergunningvrij bouwen worden onderscheiden: 1. een
                    categorie waarop de bebouwingsregeling van het bestemmingsplan of de
                    beheersverordening (of andere planologische regelingen) wel van toepassing is
                    (art. 3) en 2. een categorie waarop de bebouwingsregeling van het planologisch
                    regime niet van toepassing is. Een en ander hangt samen met het in de Wabo
                    opgaan van planologische afwijkingsbesluiten; </al><al> - Alle uitbreidingen van en bijgebouwen bij een hoofdgebouw worden onder een
                    nieuw begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ gebracht; </al><al> - Vergunningvrij bouwen wordt mogelijk bij alle typen gebouwen (was alleen bij
                    woningen en woongebouwen); </al><al> - Vervallen maximale maatvoering van 2,5 m voor diepte van een aan- of uitbouw; </al><al> - Bouwen in, aan, op of bij een monument blijft vergunningplichtig;</al><al/><al><onderstreept>Artikel 1.2 Termijnen</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de
                    gemeente</onderstreept></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de
                    daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de
                    nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom. </al><al/><al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor
                    het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een
                    beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht
                    dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of
                    beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente. </al><al/><al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen
                    voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat
                    een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen
                    bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van kracht is, kan
                    het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan
                    voor de bebouwde kom </al><al>kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop gebaseerde kaartbijlagen.
                    Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt vastgesteld, dient te
                    worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de bouwverordening daarop moet
                    worden afgestemd of wellicht overbodig is geworden. </al><al/><al>Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de
                    gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied
                    een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze toelichting. </al><al/><al><cursief>Alternatief 3 </cursief></al><al/><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, maar wel
                    een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is vrijgesteld
                    van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware
                    industrie. </al><al/><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornmen heeft een
                    gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat
                    op het voornemen inspraak is verleend en het advies van de welstandscommissie is
                    ingewonnen. De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                    voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening. </al><al/><al><vet>2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al><vet>Regeling omgevingsrecht</vet></al><al>De indieningsvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van de Regeling
                    omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het Besluit
                    indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning. </al><al>De indiening van de in art. 7.2 Mor en andere voor de beoordeling van de
                    aanvraag noodzakelijke gegevens kan het bevoegd gezag verlangen op grond van
                    art. 4.2 Awb juncto art. 4.4 Bor.</al><al/><al><vet>Wet BIBOB</vet></al><al>De Wet bevordering Integriteitsbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB), Stb.
                    2002, 347 en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn op 1 juni
                    2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na ontvangst
                    van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd
                    gezag wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitsadvies wordt
                    gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het Ministerie van
                    Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de
                    aanvrager – zowel natuurlijke als rechtspersonen – en naar de herkomst waarmee
                    het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd
                    gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren. </al><al/><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                    advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                    behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met
                    maximaal acht weken op (4 weken + verlenging 4 weken); artikelen 15 en 31 Wet
                    Bibob.</al><al/><al><vet>Algemene wet bestuursrecht (Awb)</vet></al><al>De Awb geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen burger en overheid.
                    Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen.
                    De Awb is bij de voorbereiding van besluiten van belang voor de te volgen
                    procedure. Dit geldt onder meer voor de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de
                    uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. </al><al/><al><vet>Wet ruimtelijke ordening (Wro)</vet></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wro in werking ter vervanging van de Wet op de
                    Ruimtelijke Ordening (WRO). </al><al/><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen
                    voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van
                    dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg
                    (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te
                    kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4).
                    Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                    bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, </al><al>vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het
                    gevolg hiervan is dat de </al><al>stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan. De
                    artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde
                    probleem is opgelost.</al><al/><al><vet>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het
                        bouwen</vet></al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art.
                    3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken
                    bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond
                    van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de
                    beoordeling van het ingediende bouwplan. </al><al/><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter
                    inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de
                    antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te
                    bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig
                    voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al><al/><al><vet>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)</vet></al><al>De Wabo introduceert de omgevingsvergunning. De bouwvergunning maakt deel uit
                    van de omgevingsvergunning en wordt in de Bouwverordening aangeduid als
                    omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1 Wabo). De Wabo heeft gevolgen voor
                    de vergunningen en ontheffingen van de bouwverordening. De Bouwverordening is
                    met de 13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde
                    behandeling van een vergunningaanvraag en de vergunningverlening zoals bekend
                    onder de Woningwet, is ook onder de Wabo mogelijk ten aanzien van de
                    omgevingsvergunning.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikelen 2.1.1 t/m 2.1.4</onderstreept> (Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</onderstreept></al><al/><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de Bouwverordening hebben tot doel te
                    bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat
                    het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige
                    toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt
                    beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de
                    voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht. </al><al/><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                    beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                    2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen. </al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch
                    bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd – ook
                    wel historisch onderzoek genoemd – ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten
                    ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c
                    richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het
                    bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in de grond te
                    onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al/><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                    wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en
                    waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of
                    dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                    organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft
                    uitbesteed.</al><al/><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                    bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. De afwijking vindt plaats door deze op
                    te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het
                    afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede
                    omgevingsvergunning te regelen. De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te
                    vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 Bor.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het
                    indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid
                    ontwikkelen.</al><al/><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. </al><al/><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om een bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek
                    tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. </al><al/><al><onderstreept>Artikelen 2.1.6 t/m 2.1.8</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om
                    bouwvergunning</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.6</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 </cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</onderstreept> (Gereserveerd)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                    grond</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde
                        grond</onderstreept></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. </al><al>De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan
                    in de Regeling omgevingsrecht. </al><al/><al>De structuur is als volgt: </al><al>Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                    onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus
                    artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht. </al><al/><al>Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het
                    bevoegd gezag reeds beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit
                    geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo
                    nog niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring
                    worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit hetalgemene
                    bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en
                    actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij
                    de aanvraag verstrekt, omdat deze reeds in het bezit van het bevoegd gezag zijn. </al><al/><al>Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                    bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost
                    door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de
                    aanvrager overeenkomstig artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid gesteld de
                    ontbrekende gegevens aan te vullen. </al><al/><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag
                    in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende
                    gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag
                    worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte
                    aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling
                    omgevingsrecht. </al><al/><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in
                    deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn
                    immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van
                    de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het
                    milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met
                    betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in
                    tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze
                    wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en
                    sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo.</al><al/><al><cursief>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</cursief></al><al>De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van het Bouwbesluit
                    2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt bezien hoe het begrip
                    ‘waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend personen zullen verblijven’ kan
                    worden geconcretiseerd.</al><al>Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet
                    wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar
                    voor de gezondheid van personen ontstaat.</al><al> Wat verstaan moet worden onder ‘bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven’ wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    ‘enige tijd’ moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een </al><al>langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in
                    het gebouw.</al><al/><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend
                    mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen
                    aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort
                    durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog
                    niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In
                    de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr.5, p 6) wordt
                    naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in
                    termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip “voortdurend of
                    nagenoeg voortdurend verblijven van mensen” valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning. </al><al/><al><cursief>Bouwwerken die de grond niet raken</cursief></al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al><al/><al><cursief>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                        bodemverontreiniging</cursief></al><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag voor de vraag of bij
                    niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Gedeputeerde
                    staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die daartoe zijn
                    aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde
                    grond. </al><al/><al>Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit van
                    12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van delen van
                    deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende lid Wet
                    bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is en dat de
                    vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd
                    gezag zijn krachtens genoemd Besluit.</al><al/><al>Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet
                    bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.</al><al/><al><cursief>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</cursief></al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet
                    het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van
                    een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan
                    zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de
                    gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. </al><al>Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen
                    formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen
                    van aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie
                    hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van Bouwverordening.</al><al/><al/><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het
                        bouwen</onderstreept></al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het
                    bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad,
                    zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak
                    van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen. </al><al/><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                    verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen. </al><al/><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                    worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de
                    bouw - op welk tijdstip. </al><al>Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan: </al><al/><al> - de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag
                    wordt aangebracht; </al><al> - de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                    afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag; </al><al> - de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt
                    aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk
                    in stand wordt gehouden. </al><al/><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                    verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is.
                    Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een
                    verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten
                    plaatsvinden. </al><al/><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                    bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidseisen</cursief></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf aanleiding
                    tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele
                    stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5. Dit betreft het zgn.
                    parkeerartikel (2.5.30). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele
                    regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is
                    dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                    werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van
                    paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde
                    lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost. </al><al/><al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die
                    dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische onderwerpen zijn
                    geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die onderwerpen de bouwverordening
                    terug (art. 9 Woningwet).</al><al/><al><cursief><onderstreept>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het
                            bestemmingsplan </onderstreept></cursief></al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                    paragraaf van de Bouwverordening alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan
                    voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan nietvergelijkbare
                    voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het
                    moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                    opzichte van de Bouwverordening. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige
                    duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende
                    bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De
                    Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat
                    dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het
                    geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot
                    geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de
                    stedenbouwkundige bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de
                    bouwverordening het bestemmingsplan aan. </al><al/><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening
                    wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd: </al><al/><al> a. bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp dat
                    tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend,
                    dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of, </al><al> b. het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten aanzien
                    van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan gereguleerde, onderwerp
                    expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient
                    ten slotte te worden bezien of, </al><al> c. de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                    voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende werking van de
                    bouwverordening tot gevolg heeft dat de gebruiksmogelijkheden die het
                    bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit
                    het geval, dan dient aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond
                    van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen.</al><al/><al><cursief>Wet ruimtelijke ordening (Wro) </cursief></al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de
                    bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is hierop
                    ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van artikel 2.5.30 (parkeren) wijzen wij
                    op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid
                    Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde toelichting blijkt, blijft dit
                    artikel </al><al>vooralsnog in de Bouwverordening bestaan.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van vrijstelling van
                        de stedebouwkundige bepalingen </onderstreept>(vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</onderstreept></al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de Bouwverordening dan wel in
                    een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat
                    terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander
                    gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral
                    in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen.</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.3A Brandweeringangen</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                        gehandicapten</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</onderstreept></al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de
                    weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                    gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                    voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient
                    het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren: </al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig
                    is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst><li nr=""><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een
                            afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al></li><li nr=""><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                            bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr=""><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter
                            uit de as van de weg.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</cursief></al><al>– De in artikel 39, aanhef en onder b, MBV 1965 (nu artikel 2.5.5 aanhef en
                    onder b, Bouwverordening) neergelegde bepaling betreffende de ligging van de
                    voorgevelrooilijn langs wegen waarlangs gebouwd mag worden, ziet niet op het
                    geval waarin langs een weg slechts krachtens een vrijstelling als hier aan de
                    orde mag worden gebouwd.</al><al> ARRS 12 augustus 1991, No. R03.89.0533.</al><al>– Een hoekwoning heeft twee voorgevelrooilijnen.</al><al> Wnd. Vz. ARRS 19 januari 1993, BR 1993, p. 377, Hoekwoning Nieuw-Ginneken.</al><al>– In het bestemmingsplan zijn bebouwingsgrenzen aangegeven, zodat ervan moet
                    worden uitgegaan dat dit onderwerp uitputtend in het bestemmingsplan is
                    geregeld. Er is dan geen plaats meer voor aanvullend werkende
                    rooilijnvoorschriften van de Bouwverordening, zie artikel 9, eerste lid,
                    Woningwet. (Rb. Breda 27 september 1994, 94/711 GEMWT BR.)</al><al>– Indien overeenkomstig het bepaalde in 2.5.5 (Model-)bouwverordening bij een
                    hoekwoning de twee rooilijnen worden doorgetrokken tot het punt waar zij elkaar
                    snijden, is de erfafscheiding voor de voorgevelrooilijn gebouwd. In een
                    dergelijke situatie is er, mede gelet op doel en strekking van het tweede
                    zinsdeel van artikel 43, eerste lid, onder j van de Woningwet, in beginsel geen
                    aanleiding om te oordelen dat ook bij hoekwoningen slechts één voorgevelrooilijn
                    aanwezig is.</al><al> Rb. Zutphen 17 januari 1995, 94/2406 GEMWT02.</al><al>– Het huis is een hoekhuis en heeft ingevolge het bestemmingsplan twee
                    voorgevelrooilijnen. In het onderhavige geval kan, gelet op de feitelijke
                    situatie, niet worden gesproken van een voortuin of achtertuin. Omdat het
                    bestemmingsplan voor de onderhavige erfafscheiding geen regeling bevat, moet aan
                    de gemeentelijke bouwverordening worden getoetst.</al><al> ABRS 20 maart 1995, R03.92.1104.</al><al>– Door het aanleggen van een weg op een binnenterrein ten behoeve van woningbouw
                    ontstaat er op grond van art. 2.5.5 (Model-)bouwverordening een
                    voorgevelrooilijn.</al><al> Vz. ABRS 15 juni 1995, H01.95.0175/P90 en K01.95.0032.</al><al>– De bestaande bebouwing aan de wegzijde waar de bouw wordt beoogd bestaat uit
                    een dubbelwoonhuis met garage en een vrijstaande woning. De voorgevels staan
                    respectievelijk 12 en 3,5 m van de voorste perceelgrens. Geen sprake van een
                    situatie ex artikel 39 aanhef en onder a (Model-)bouwverordening 1965 (thans
                    art. 2.5.5, aanhef en onder a bouwverordening).</al><al> ABRS 29 januari 1996, R03.92.4918.</al><al>– Aangenomen moet worden dat de voorgevelrooilijn die ligt aan de met huizen
                    bebouwde zijde van de dijk slechts maatgevend is voor aan die zijde op te
                    richten bebouwing. Aangezien het bouwwerk aan de – onbebouwde – overzijde is
                    opgericht kan geen sprake zijn van overtreding van artikel 39, aanhef en onder a
                    j° 40 (Model-)bouwverordening 1965 (art. 2.5.5, aanhef en onder a
                    bouwverordening). Ook kan niet worden volgehouden dat met toepassing van artikel
                    39, aanhef en onder b van de (Model-)bouwverordening 1965 (art. 2.5.5, aanhef en
                    onder b bouwverordening) aan de onbebouwde walkant een voorgevelrooilijn
                    aanwezig geacht moet worden nu deze rooilijn dan ongeveer 2 m vanaf de walkant
                    in de rivier zou liggen. Derhalve kan in dit geval van een verbod tot bouwen met
                    overschreiding van de voorgevelrooilijn geen sprake zijn.</al><al> ABRS 14 maart 1996, R03.92.3457.</al><al>– Gelet op de functie die de uitweg ter plaatse heeft en de ligging van de
                    woningen ten opzichte van deze uitweg, is de afdeling van oordeel dat de
                    voorgevelrooilijn is gelegen langs de uitweg en niet aan de zijde van de
                    hoofdstraat, waar de uitweg op uitkomt.</al><al> ABRS 23 november 1995, R03.93.3280.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</onderstreept></al><al>Hoewel het begrip ‘rooilijn’ algemeen gedefinieerd wordt als ‘de lijn die –
                    behoudens toegelaten afwijkingen – bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden’, is – om misverstand te voorkomen – een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen.
                    Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie
                    art. 3.25 Wro.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</onderstreept></al><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende
                    mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) vergunningplichtig bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt
                    echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat
                    onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van
                    samenloop gaat het zwaarste </al><al>regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen wordt
                    aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat bij een
                    eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht
                    kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.
                    Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning
                    voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De voor dit artikel van
                    belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                    Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het bebouwd oppervlak.
                    Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er geen sprake zijn
                    van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk,
                    waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen,
                    blijft dus vergunningplichtig. </al><al/><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als bedoeld
                    in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen
                    worden beschouwd: </al><al/><al> 1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                    uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren; </al><al> 2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes
                    en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder
                    overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in
                    het algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een
                    bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare
                    bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de
                    bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om
                    onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande
                    punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te
                    weten:'.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn</onderstreept></al><al>Naast de ontheffingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29
                    nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er een bestemmingsplan of
                    beheersverordening in voorbereiding is en geen van de omstandigheden als genoemd
                    in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al/><al><cursief>Lid 1, ad b</cursief></al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                    afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                    beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</onderstreept></al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat de
                    bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd
                    zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te sluiten. </al><al/><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                        voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</onderstreept></al><al><cursief>Lid 4, onder a</cursief></al><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld
                    complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en
                    gevangenissen vallen.</al><al/><al><cursief>Lid 4, onder f</cursief></al><al>Hieronder vallen bijvoorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><al/><al><cursief>Lid 4, onder g</cursief></al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                    gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.11 Ligging van de
                    achtergevelrooilijn</onderstreept></al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al/><al><cursief>Lid 1, onder a</cursief></al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn</onderstreept></al><al>Hoewel het begrip ‘rooilijn’ algemeen wordt gedefinieerd als ‘de lijn die –
                    behoudens toegelaten afwijkingen – bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden’, is – om misverstand te voorkomen – een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al/><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden
                    als een – verboden – overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al/><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege
                    beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van
                    het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn</onderstreept></al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.</al><al/><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II
                    van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze
                    onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het niet logisch om
                    het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing
                    te laten zijn. </al><al/><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking tot het verbod tot
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn</onderstreept></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel
                    2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen. </al><al/><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De vermelding
                    hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook
                    betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn, uit te sluiten. </al><al/><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het verbod
                    de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht te worden
                    genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te
                    besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven. </al><al/><al><cursief>Ad a en g </cursief></al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                    winkelbebouwing.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en
                    woongebouwen</onderstreept></al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                    ‘buitenruimte’ in de zin van het Bouwbesluit. </al><al/><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen
                    aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht. </al><al/><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al/><al><cursief>Lid 3 b, onder 1</cursief></al><al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al/><al><cursief>Lid 3 b, onder 2</cursief></al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou kunnen worden afgeweken
                    van de voorgeschreven erfgrootte.</al><al/><al><cursief>Lid 3 b, onder 3</cursief></al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</onderstreept></al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                    bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde
                    burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand
                    tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al/><al><cursief>Lid 2, onder a en b</cursief></al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer
                    rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                    dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                    gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen
                    voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook
                    woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver
                    worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere
                    geval.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</onderstreept></al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten
                    tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding
                    tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer
                    dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan de
                    omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid,
                    indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het gebouw. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</onderstreept></al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht
                    om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in
                    de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften
                    spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in
                    principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor,
                    althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de
                    hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                    vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve preventieve
                    toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel
                    van de bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede
                    lid van laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                    het verbod als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het
                    bouwen van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een
                    terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw, is. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                        ondergrondse </onderstreept></al><al><onderstreept>hoofdtransportleidingen</onderstreept></al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk en de
                    veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de
                    openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor
                    elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d. </al><al/><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre het
                    bouwen nabij </al><al>hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo
                    ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als een verbod, waarvan
                    eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken zullen in het algemeen
                    zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op
                    het voorkomen van storingen in de goede werking van de lijnen en leidingen ten
                    gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het bouwwerk. </al><al/><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling
                    om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de
                    hoofdtransportleiding. </al><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van
                    opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                    Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30 meter,
                    dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met uitzondering van
                    bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d. Indien in het gebied waarop het
                    bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk recht van opstal is gevestigd -
                    zie hiervoor het kadaster - dan geldt de daarin vastgelegde afstand en heeft een
                    geringere afstand in een bestemmingsplan geen betekenis. In veel
                    bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd, die
                    elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al/><al><cursief>Besluit externe veiligheid buisleidingen</cursief></al><al>Het <onderstreept>Besluit externe buisleidingen</onderstreept> (Bevb) en de
                    bijbehorende <onderstreept>Regeling externe veiligheid
                        buisleidingen</onderstreept> (Revb) zijn op 1 januari 2011
                        <onderstreept>in</onderstreept><onderstreept> werking
                        getreden</onderstreept>. Het Bevb regelt onder andere welke
                    veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met
                    gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het <onderstreept>Besluit
                        externe veiligheid</onderstreept> (Bevi). De besluiten gaan voor op de
                    gemeentelijke bouwverordening.</al><al/><al>Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad er zorg voor draagt dat binnen
                    vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Bevb een bestemmingsplan in
                    overeenstemming is met dit besluit.</al><al/><al>Wanneer de betreffende buisleidingen correct in bestemmingsplannen zijn
                    opgenomen, vervalt de werking van deze stedenbouwkundige bepaling uit de
                    bouwverordening. Voor niet in een bestemmingsplan geregelde leidingen, blijft
                    deze bepaling uiteraard onverkort van kracht. Dit vloeit voort uit artikel 9
                    Woningwet. Zie hierover de algemene toelichting bij paragraaf 5.</al><al/><al>Zie voor meer informatie over het Bevb, Revb en Bevi:</al><al><extref doc="http://www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen">www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen</extref></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de
                        voorgevelrooilijn</onderstreept></al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld. </al><al/><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedebouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter
                    boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                    belemmeringshoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat
                    de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich
                    grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                    belemmeringshoek in een stedebouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de
                    hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van
                    de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al/><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedebouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringshoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten
                    (belemmeringshoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij
                    deze Toelichting behorende bijlage.</al><al/><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                    vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een
                    tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de
                    maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                    voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg
                    (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de
                        voorgevelrooilijn</onderstreept></al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                        achtergevelrooilijn</onderstreept></al><al>Zie figuur 19.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                    aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te wijken
                    van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten optrekken van
                    de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                        achtergevelrooilijnen</onderstreept></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van
                        bouwwerken</onderstreept></al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt – bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte – overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al/><al>Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van rijkswege
                    beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering wel bouwvergunningplichtig op grond van artikel 5,
                    Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.28, sub 1.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                        terreinen</onderstreept></al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken. </al><al/><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het
                    hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun
                    goot.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van
                        bouwwerken</onderstreept></al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van ‘straatpeil’.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                        bouwhoogte</onderstreept></al><al><cursief>Ad a</cursief></al><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet
                    logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                    toepassing te laten zijn. </al><al><cursief>Ad b </cursief></al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel
                    2.5.28, onder e.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</onderstreept></al><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18 van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het
                    misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als
                    vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor),
                    uit te sluiten. </al><al/><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid dient
                    bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel 2.5.2.
                    Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken. </al><al/><al><cursief>Ad e, onder 1 </cursief></al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                    bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is dan
                    thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een
                    gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval
                        van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 2.5.29 van de Bouwverordening is, in relatie met de
                        overige stedenbouwkundige afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met
                        de relatie tussen enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels
                        inzake afwijking en anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten
                        het bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 van de Bouwverordening is te beschouwen
                        als een bestemmingsplan vervangende regeling met derhalve ook de behoefte
                        aan regels inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt
                        voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen
                        en gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen
                        van de bouwverordening als van die uit een bestemmingsplan.
                    </onderstreept></al><al/><al><cursief><onderstreept>Sub a. </onderstreept></cursief></al><al><onderstreept>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling
                        alleen van toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening
                        of projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met
                        een bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure
                        van 3.9 Wabo van toepassing is. </onderstreept></al><al/><al><cursief><onderstreept>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo
                        </onderstreept></cursief></al><al><onderstreept>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen
                        worden aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake
                        is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te
                        weigeren, maar er voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp
                        ter inzage is gelegd of een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In
                        een dergelijke situatie vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de
                        Bouwverordening, waaronder deze. </onderstreept></al><al/><al><cursief><onderstreept>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal
                            relevant? </onderstreept></cursief></al><al><onderstreept>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor
                        alle besluiten de eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze
                        motivering zal in het onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten
                        hebben op toekomstig planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis
                        opgenomen dat het bouwplan waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de
                        toegelaten bouwhoogte 'in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                        ruimtelijk beleid'. </onderstreept></al><al/><al><onderstreept>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een
                        mogelijkheid om de afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een
                        structuurplan, structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota
                        dakkapellen, bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota. </onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de
                        situaties zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage
                        gelegd ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit
                        voor bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.
                    </onderstreept></al><al/><al><onderstreept><cursief>Sub d</cursief>. </onderstreept></al><al><onderstreept>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke
                        ordening. Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt
                        en de betekenis die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt
                        rekening gehouden met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke
                        en landschappelijke waarden. </onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte
                        van hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante
                        afstanden treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.
                    </onderstreept></al><al/><al><onderstreept><cursief>Sub e</cursief>. </onderstreept></al><al><onderstreept>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een
                        goede ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie
                        uit de Wabo.</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij
                        of in gebouwen </onderstreept></al><al/><al><cursief>Algemeen </cursief></al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                    parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als uitwerking
                    hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8,
                    vijfde lid van de Woningwet vervalt. </al><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe datum
                    van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het
                    ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond van
                    de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in
                    een regeling over het parkeren.</al><al/><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per bouwvergunning te
                    bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van het gebouw, de
                    ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of
                    gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie
                    daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke
                    uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het
                    voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale
                    verkeer- en vervoerplan. </al><al/><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ).
                    Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen bouwvergunning
                    worden bepaald. </al><al/><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen bouwvergunning een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de
                    toepassing van het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige
                    overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm
                    onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete bouwvergunning
                    bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op
                    locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die
                    dat niet zijn. </al><al/><al><cursief>Lid 2 </cursief></al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, eerste lid, over
                    'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                    Bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften
                    voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te
                    leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers. </al><al/><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's). </al><al/><al><cursief>Lid 4, ad a </cursief></al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid om een
                    parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te
                    maken is onder meer bedoeld voor omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van
                    winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden
                    worden gesteld.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 6 Voorschriften inzake
                    brandveiligheidsinstallaties</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.6.1 t/m 2.6.12 (Vervallen)</onderstreept></al><al/><al><cursief>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de
                        waterleiding</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het
                        elektriciteitsnet</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het
                        aardgasnet</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening
                        voor verwarming</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                        riolering</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering
                        op erven en terreinen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van
                        het openbare net van
                        de</onderstreept><onderstreept>nutsvoorzieningen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al/><al/><al><vet>3 </vet><vet>De melding</vet></al><al/><al/><al/><al><onderstreept>Artikel 3.1 De wijze van melden</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 3.2 Welstandscriteria</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><lijst><li nr=""><al><vet>4 </vet><vet>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                                ingebruikneming van een bouwwerk </vet><vet>-
                            Vervallen</vet></al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                        tussentijdse staking van </onderstreept></al><al><onderstreept>Bouwwerkzaamheden (Vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
                    </onderstreept>(Vervallen).</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</onderstreept>
                    (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw
                    </onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van
                        (onderdelen van) de </onderstreept></al><al><onderstreept>bouwwerkzaamheden </onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                        onderzoekingen </onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten </onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein
                    </onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein
                    </onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                        hinder </onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4.11 Bouwafval </onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                        bouwwerkzaamheden </onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen
                    </onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming
                    </onderstreept>(Vervallen)</al><al/><lijst><li nr=""><al><vet>5 </vet><vet>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                                nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                                gedierte</vet><vet> - Vervallen</vet></al></li></lijst><al/><al><cursief>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                        terreinen</onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                        wegverkeer</onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                        gehandicapten</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikelen 5.2.1 t/m 5.2.</onderstreept>5 (Vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de
                        waterleiding</onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het
                        elektriciteitsnet</onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het
                        aardgasnet</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                        riolering</onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering
                        op erven en terreinen</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van
                        het openbare net van de</onderstreept><onderstreept>nutsvoorzieningen</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                        Reinheid</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 5.4.1 Preventie</onderstreept> (Vervallen)<vet>6
                        Brandveilig gebruik</vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 6.1.1 t/m 6.1.7</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                        brandgevaar</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 6.2.1 t/m 6.2.3</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen
                        bij brand</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</onderstreept>
                    (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de
                        brandveiligheid</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><vet>7</vet><vet> Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikelen 7.1.1Overbevolking van woningen</onderstreept>
                    (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 7.1.2 Overbevolking van
                    woonwagens</onderstreept>(Vervallen) </al><al/><al><cursief>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikelen 7.2.1 en 7.2.2 Verbod tot gebruik en staken van
                        gebruik</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                    terreinen</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen
                        nachtverblijf</onderstreept></al><al>Artikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft de raad de mogelijkheid om van het in
                    artikel 2.11.1, eerste lid, onderdeel a, genoemde aantal personen af te wijken.
                    De raad kan indien afwijking van dit artikel gewenst, een nieuw artikel 7.3.1
                    Vergunningsplicht nachtverblijf in de bouwverordening vaststellen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 7.3.2 Hinder</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                        Reinheid</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 7.4.1 Preventie</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 5 Watergebruik</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</onderstreept>
                    (Vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 6 Installaties</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van
                        installaties</onderstreept> (Vervallen)</al><al><vet>8 Slopen </vet><vet>- Vervallen</vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</onderstreept>
                    (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 8.1.2 t/m 8.1.5(Vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het
                        slopen</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 8.1.7 Intrekking omgevingsvergunning voor het
                        slopen</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                        sloopvergunning</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                        omgevingsvergunning voor het slopen</onderstreept>(Vervallen)</al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein</onderstreept>
                    (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning
                        voor het slopen</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</onderstreept>
                    (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                        asbest</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 8.3.6 (Vervallen)</onderstreept></al><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Vrij slopen</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</onderstreept>(Vervallen)<vet>9
                        Het welstandstoezicht</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                    betrekking tot het </al><al>welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde lid van de Woningwet
                    bevat de bouwverordening voorschriften over de samenstelling, inrichting en
                    werkwijze van de welstandscommissie. </al><al/><al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet uitgewerkt
                    vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen nadrukkelijk zelf
                    een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien een gemeente werkt
                    met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke keuze dient ook door te
                    klinken in de werkwijze van de provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de
                    gemeente het initiatief te nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie
                    om deze keuze te onderschrijven. </al><al/><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                    situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                    stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk
                    reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel
                    dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                    bouwverordening.</al><al/><al><cursief>Welstandscriteria en welstandsnota</cursief></al><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                    vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                    welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                    welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester
                    en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is
                    met redelijke eisen </al><al>van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria
                    hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is
                    geen welstandstoezicht mogelijk. </al><al/><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een
                    bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend
                    deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom
                    verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van
                    de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een
                    bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van
                    landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De
                    bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste
                    gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is
                    aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist
                    verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake
                    van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                    zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                    beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist. </al><al/><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt
                    gevolgd. </al><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                    toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                    bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al/><al><cursief>Relatie bestemmingsplan en welstand</cursief></al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel uit
                    artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten naar
                    de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. </al><al/><al>Het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van de Woningwet omschreven
                    als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van
                    artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft
                    uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25
                    april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari
                    2000, Gst.2000, 7119). </al><al/><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is
                    tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening
                    boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet
                    is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de welstandscommissie deze
                    voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het bestemmingsplan is
                    immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet op de ruimtelijke
                    ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een
                    bestemming is gegeven en de daarbijbehorende bebouwings- en
                    gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet
                    mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond
                    toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl.
                    ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die
                    situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer
                    mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren. Naar valt aan te
                    nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet) naar analogie van
                    toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en welstand.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie
                    </onderstreept></al><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                    vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                    welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                    welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester
                    en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is
                    met redelijke eisen </al><al>van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria
                    hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is
                    geen welstandstoezicht mogelijk. </al><al/><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een
                    bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend
                    deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom
                    verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van
                    de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een
                    bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van
                    landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De
                    bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste
                    gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is
                    aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist
                    verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake
                    van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                    zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                    beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist. </al><al/><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt
                    gevolgd. </al><al/><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                    toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                    bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al/><al><vet>Relatie bestemmingsplan en welstand</vet></al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel uit
                    artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten naar
                    de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. </al><al/><al>Het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van de Woningwet omschreven
                    als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van
                    artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft
                    uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25
                    april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari
                    2000, Gst.2000, 7119). </al><al/><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is
                    tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening
                    boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet
                    is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de welstandscommissie deze
                    voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het bestemmingsplan is
                    immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet op de ruimtelijke
                    ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een
                    bestemming is gegeven en de daarbijbehorende bebouwings- en
                    gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet
                    mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond
                    toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl.
                    ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. </al><al/><al>A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner naarmate
                    het bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te
                    realiseren. Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid
                    Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan
                    en welstand.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 9.2 De advisering door de commissie van onafhankelijke
                        deskundigen </onderstreept></al><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij
                    een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien een
                    welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het
                    bevoegd gezag beslist. </al><al/><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie een
                    stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                    voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de stadsbouwmeester. </al><al/><al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan wel
                    provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen om voor de
                    welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale welstandsorganisatie,
                    die het resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een
                    privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een
                    provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                    welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                    artikel 9.2. </al><al/><al><cursief>Alternatief 2 </cursief></al><al>In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie, die adviseert
                    over alle vergunningplichtige bouwwerken. </al><al/><al><vet>Onafhankelijkheid </vet></al><al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                    onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden
                    van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het
                    raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op
                    mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college van
                    burgemeester en wethouders of van het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een
                    aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie
                    voor de eigen gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten
                    neemt, is in dit verband uitgesloten. </al><al/><al><vet>Deskundigen en burgers </vet></al><al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te
                    hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                    kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                    commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                    beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                    niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking
                    verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de
                    gebouwde omgeving betrokken </al><al>zijnde, die door het gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden
                    benoemd. De gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er
                    is geen wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de
                    welstandscommissie. </al><al/><al>Er zijn meerdere alternatieven denkbaar, er is gekozen voor alternatief 1. </al><al/><al><cursief>Alternatief 1 </cursief></al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De secretaris is
                    geen lid van de </al><al>welstandscommissie. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 9.3 Termijn van advisering</onderstreept></al><al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen zijn
                    beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat voor de
                    welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de advisering binnen de
                    Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een verlenging van de adviestermijn
                    is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de beslistermijn voor de
                    vergunningverlening is verlengd. De mogelijkheid van beoordeling van een zgn.
                    schetsplan in een informele voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen
                    pas aanvangen bij de ontvangst van verzoek om vergunning. Indien een aanvraag om
                    een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien waarvan een discussie over
                    alternatieven kan worden verwacht, is het raadzaam gebruik te maken van de
                    mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 9.4 en 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                        toelichting</onderstreept></al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat
                    nu voor de </al><al>welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de Woningwet. De
                    wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in openbaarheid.
                    Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een beroep doet op
                    artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige aangelegenheden
                    aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te
                    weigeren. </al><al/><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering
                    bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde
                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ter inzage te leggen bij
                    de agenda en daarvan melding te maken in de bekendmaking. </al><al/><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van
                    betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het
                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het
                    welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer. </al><al/><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                    onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager
                    van de omgevingsvergunning en anderzijds andere belanghebbenden. </al><al/><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen. </al><al/><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag toe
                    te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig
                    - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de
                    noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind. </al><al/><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                    geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                    spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2
                    Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van
                    de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele
                    rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen 'recht
                    van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn. </al><al/><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                    vergadering van de </al><al>welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan zodanig worden
                    gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op de vergadering
                    voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de termijn korter
                    zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door eventuele sprekers
                    geen sprake is. </al><al/><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                    waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor
                    informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal
                    door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd.
                    De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 9.5 Afdoening onder
                    verantwoordelijkheid</onderstreept></al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan het
                    onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie afdoen van het
                    welstandsadvies. </al><al/><al>De meest voorkomende vorm van ‘onder verantwoordelijkheid afdoen’ komt neer op
                    de afdoening van een welstandsadvies bij plannen waarvan de mening van de
                    welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. </al><al/><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor afdoening onder
                    verantwoordelijkheid met betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken.</al><al/><al>Negatief adviseren wordt in dit geval meestal uitgesloten. </al><al/><al>Voordat de Wabo in werking trad, regelde artikel 48 Woningwet (oud) de aanvraag
                    welstandsadvies van het college aan de welstandscommissie. Daarbij werd
                    onderscheid gemaakt tussen de reguliere bouwvergunning en de lichte
                    bouwvergunning. In het eerste geval was het vragen van welstandsadvies
                    verplicht, in het tweede geval niet. (‘Een aanvraag voor een lichte
                    bouwvergunning <cursief>kunnen</cursief> zij voor advies aan de
                    welstandscommissie (…) voorleggen).</al><al/><al>Verder bood het Besluit bouwvergunningvrij en licht-bouwvergunningplichtige
                    bouwwerken (Bblb) de mogelijkheid om zgn. loket- of sneltoetscriteria vast te
                    stellen. De combinatie van deze mogelijkheden werd door veel gemeenten gebruikt
                    om de beoordeling van aanvragen voor een licht-bouwvergunningsplichtig bouwwerk
                    over te laten aan een niet tot de welstandscommissie behorende ambtenaar. Op
                    1-10-2010 zijn de Wabo het Bor in werking getreden. Dit heeft gevolgen gehad
                    voor deze werkwijze.</al><al/><al>De welstandscommissie is de door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke
                    commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de
                    vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een
                    omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met </al><al>redelijke eisen van welstand (art. 1, onder n, Woningwet). </al><al/><al>Op basis van artikel 2.10, lid 1 onder d Wabo moet de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden geweigerd indien het
                    uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft
                    in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria
                    zoals vermeld in de welstandsnota, bedoeld in art. 12a, eerste lid, onder a van
                    de Woningwet.</al><al/><al>Het college van burgemeester en wethouders is verplicht om een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen voor te leggen aan de welstandscommissie of
                    de stadsbouwmeester (art. 2.26, lid 3 in samenhang met art. 6.2 Bor). Dit hoeft
                    niet wanneer er voor het desbetreffende bouwwerk geen redelijke eisen van
                    welstand gelden (odmat de gemeenteraad op basis van art. 12, lid 2 Woningwet
                    heeft bepaald dat geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn) of bij
                    voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op een andere grond moet
                    worden geweigerd.</al><al/><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn artikel 48 Woningwet en het Bblb komen
                    te vervallen. Onder de Wabo is een bouwwerk omgevingsvergunningplichtig of
                    vergunningvrij; een tussencategorie bestaat niet meer. Dit betekent dat iedere
                    aanvraag voor een omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk door het college ter
                    advisering aan de welstandscommissie moet worden voorgelegd. Dit betekent dat
                    het college geen ambtenaar (meer) kan mandateren om te toetsen aan zgn.
                    loketcriteria.</al><al/><al>De bouwverordening biedt in artikel 9.7 de mogelijkheid voor de
                    welstandscommissie om de advisering over een aanvraag om welstandsadvies onder
                    verantwoordelijkheid van de commissie over te laten aan een of meerdere daartoe
                    aangewezen leden van die commissie. Het aangewezen lid of de aangewezen leden
                    kunnen alleen adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de
                    welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al/><al><cursief>Geen mandatering</cursief></al><al>Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van de Awb. Art. 10:1
                    Awb definieert mandaat immers als: de bevoegdheid om in naam van een
                    bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie is geen bestuursorgaan.
                    Bovendien neemt het geen besluiten (in de zin van de Awb) maar adviseert de
                    commissie het college. Om misverstanden te voorkomen, passen wij art. 9.7 van de
                    bouwverordening bij de eerstvolgende wijziging aan.</al><al/><al>Samengevat:</al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wabo is “flitsen” alleen mogelijk als:</al><al>- voor het betreffende bouwplan geen welstandscriteria gelden of,</al><al>- het daartoe aangewezen lid van de welstandscommissie aanwezig is, en</al><al>- het oordeel van de welstandscommissie over het betreffende bouwplan als bekend
                    mag worden verondersteld.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 9.7 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
                    </onderstreept></al><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt
                    vast, namelijk het </al><al>motiveringsbeginsel dat in artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is
                    opgenomen. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat bij positieve
                    welstandsadvisering een expliciete motivering achterwege blijft. Volgens vaste
                    jurisprudentie verandert dit direct zodra bezwaar tegen de (voorheen)
                    bouwvergunning wordt ingediend. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 9.8 Uitsluiting gebieden en categorieën
                        bouwwerken</onderstreept></al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van de
                    bouwverordening vast. Het desbetreffende gebied is aangeduid op de kaartbijlage
                    als bedoeld in artikel 1.3 van de bouwverordening.</al><al/><al><vet>10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning
                        (Vervalllen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een
                        ontruimde onbewoonbaar </onderstreept><onderstreept>verklaarde woning of woonwagen (Vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen
                    (Vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (Vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                        woonwagens </onderstreept></al><al><onderstreept>alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen
                        (Vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                        andere voorschriften</onderstreept></al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's). </al><al><vet>11 Handhaving</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, de
                    bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken
                    vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe
                    nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit
                    2012 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening
                    krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het
                    welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met
                    het generieke </al><al>handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb kan worden
                    afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk gaat
                    voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2012, dat het
                    gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                    overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk
                    niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld
                    naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota. </al><al/><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient
                    vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2012 het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in
                    strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of
                    ander bouwwerk weer in overeenstemming met die voorschriften kan worden
                    gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen
                    kunnen belanghebbenden de toepassing van bestuursdwang voorkomen (art. 5:24 Awb)
                    dan wel overeenkomstig artikel 5:32b van de Awb het verbeuren van een dwangsom
                    voorkomen. </al><al/><al>Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                    samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep
                    en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen). </al><al/><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan om
                    met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een
                    last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                    sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                    Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning wordt
                    gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve
                    bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24 Awb. Het direct met
                    bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers
                    op gericht te voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang toeneemt,
                    waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten worden
                    geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de uitspraken van
                    ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893).</al><al/><al><onderstreept>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</onderstreept>
                    (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot
                        ingebruikneming</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet>l</al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld,
                    steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op
                    de economische delicten. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 12.1 Strafbare feiten</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 12.2 Overgangbepaling bodemonderzoek</onderstreept>
                    (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van
                        open erven en </onderstreept></al><al><onderstreept>Terreinen</onderstreept> (Vervallen)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 12.6 Slotbepaling</onderstreept></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De bepalingen voor de bekendmaking van verordeningen zijn gegeven in de
                    artikelen 139 e.v. van de Gemeentewet. Bekendmaking van verordeningen, zijnde
                    algemeen verbindende voorschriften, geschiedt door plaatsing van het besluit in
                    het gemeenteblad of in een andere, door de gemeente algemeen verkrijgbaar
                    gestelde uitgave. Dit geldt ook voor een opnieuw vastgestelde verordening. Een
                    (opnieuw) vastgestelde verordening dient op grond van artikel 140 van de
                    Gemeentewet kosteloos voor eenieder ter inzage te liggen op de
                    gemeentesecretarie, dan wel op een andere, door de raad te bepalen plaats. De
                    inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na de
                    bekendmaking;zie artikel 142 van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan
                    echter een ander tijdstip van inwerkingtreding in de verordening vaststellen of
                    het college in de verordening de bevoegdheid geven om de inwerkingtreding van de
                    verordening op een nader tijdstip te bepalen. De verordening moet na de
                    bekendmaking worden medegedeeld aan het parket van het arrondissement waarin de
                    gemeente is gelegen; zie artikel 143 van de Gemeentewet. Een termijn daarvoor is
                    niet opgenomen, doch spoedige mededeling ligt in de rede. Tevens dient tegelijk
                    met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking een afschrift van de verordening
                    te worden gezonden aan de inspecteur van de Volkshuisvesting binnen wiens
                    ambtsgebied de gemeente ligt; zie artikel 95 van de Woningwet.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><tussenkop>Bijlage 1 Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige
                    bepalingen</tussenkop><al>(niet opgenomen)</al></nota-toelichting><nota-toelichting><tussenkop>Bijlage 2 Activiteiten samenhangende met slopen en bedreigingen
                </tussenkop></nota-toelichting><nota-toelichting><tussenkop>Bijlage 3 Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten
                    behoeve avn de opsteller van het sloopveiligheidsplan</tussenkop><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="19*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="30*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet><cursief>Bedreigde </cursief></vet></al><al><vet><cursief>functies en </cursief></vet></al><al><vet><cursief>objecten</cursief></vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al><vet><cursief>Mogelijke maatregelen</cursief></vet></al><al><vet><cursief>(bron-, pad- en
                                        objectgericht)</cursief></vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet><cursief>Aanbevelingen</cursief></vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al><vet>Belendingen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat</al></entry><entry colname="col3"><al>-constructief scheiden</al><al>-trillingsarm slopen (in extremo: met de hand)</al><al>-stutten/stempelen bouwputten en sleuven</al><al>-gecontroleerd bemalen</al><al>-voorzieningen i.v.m. gemeenschappelijke bouwmuren en
                                        funderingen</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met eigenaar/beheerder</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Gebruikers</al></entry><entry colname="col3"><al>-trillingsarm slopen</al><al>-stofarm slopen</al><al>-slopen op bepaalde dagen/tijden</al><al>-in extreme situaties (calamiteiten): ontruimen</al><al>-rekening houden met verontreinigd sloopmateriaal, zoals
                                        asbest</al></entry><entry colname="col4"><al>Voorlichten gebruikers</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Gebruiksfuncties</al></entry><entry colname="col3"><al>-vrijhouden/toegankelijk houden van belendende gebouwen</al><al>-aangepaste werktijden</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met gebruikers, eventueel koppelen aan
                                        verkeerscirculatieplan</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al><vet>Gedeeltelijk te slopen objecten</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat resterende constructie</al></entry><entry colname="col3"><al>-toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat betreft
                                        veiligheid</al><al>Zie ook bouwkundige staat belendingen</al></entry><entry colname="col4"><al>Getoetst dient te worden aan de regelgeving met betrekking
                                        tot veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voor bestaande
                                        situaties. Voor mogelijke maatregelen en aanbevelingen zie
                                        'belendingen'</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Gebruikers resterende constructie</al></entry><entry colname="col3"><al>-toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat betreft
                                        veiligheid en gezondheid</al><al>Zie ook gebruikers belendingen</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Gebruiksfuncties resterende constructie (school, ziekenhuis,
                                        e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>-toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat betreft
                                        bruikbaarheid</al><al>zie ook gebruiksfuncties belendingen</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al><vet>Infrastructuur</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>kabels, leidingen en rioleringen</al></entry><entry colname="col3"><al>-aangepaste sloopmethode</al><al>-stutten</al><al>-beschermen (afdekken)</al><al>-afsluiten</al><al>-omleggen</al><al>-hijsplan bij grote hijsklussen</al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met betreffende nutsbedrijven</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Straatmeubilair (lantaarnpalen e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>-beschermen</al><al>-afsluiten</al><al>-verwijderen</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Wegen, bruggen, viaducten e.d.</al></entry><entry colname="col3"><al>-afdekken (schotten, rijplaten, zand)</al><al>-aangepaste sloopmethode</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Waterstaatkundige werken (kanalen, sluizen, dijken
                                        e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Overig (tunnels e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al><vet>Verkeerssituatie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>voetgangers en fietsers</al></entry><entry colname="col3"><al>-afdoende afgrenzen sloopterrein</al><al>-uitstekers (valschermen)</al><al>-voetgangerstunnels</al><al>-afzetten weggedeelte met hekwerk</al><al>-(tijdelijk) afzetten van de gehele weg</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties:</al><al>verkeerscirculatieplan</al><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                        gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Overig werkverkeer (openbaar vervoer, auto;s)</al></entry><entry colname="col3"><al>-afdoende begrenzen sloopterrein</al><al>-vrijhouden en waarborgen veiligheid bovenleidingen trams en
                                        trolleys</al><al>-uitstekers</al><al>-afzetten weg</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties:</al><al>verkeerscirculatieplan</al><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                        gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Routes voor brandweer- en ziekenauto's e.d.</al></entry><entry colname="col3"><al>-vrijhouden weg</al><al>-aangepaste sloopmethode</al><al>-beperken overige verkeersstroom</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties:</al><al>verkeerscirculatieplan</al><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                        gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Spoorwegen</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met N.S.</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Scheepvaart</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met waterbeheerder (RWS, provincie,
                                        waterschap, gemeente)</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al><vet>Bijzondere omstandigheden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>veel omstanders</al></entry><entry colname="col3"><al>-aanbrengen van extra veiligheidsvoorzieningen</al><al>-afzetten wegen</al></entry><entry colname="col4"><al>vooraf informeren omwonenden</al><al>Bij grote manifestaties overleg gemeente</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Calamiteiten (slopen na brand, explosies e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>-afzetten weg</al><al>-ontruimen van belendende percelen</al></entry><entry colname="col4"><al>overleg met deskundige instanties</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Vandalen en daklozen</al></entry><entry colname="col3"><al>-extra afscheiding</al><al>-verscherpt toezicht</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></nota-toelichting><nota-toelichting><tussenkop>Bijlage 4 Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</tussenkop><tussenkop>Voorbeeld inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Naam en correspondentieadres van de aannemer</al></li><li nr="2."><al>Ligging van het te slopen perceel</al></li><li nr="3."><al>Doel en opzet sloopveiligheidsplan</al></li><li nr="4."><al>Beschrijving van werkzaamheden</al></li><li nr="5."><al>Beschrijving toe te passen sloopmethode(n) en materialen, materieel en
                            hulp- en beveiligingsmiddelen</al></li><li nr="6."><al>Verantwoordelijkheden en verantwoordelijke personen met betrekking tot
                            externe veiligheid</al></li><li nr="7."><al>Betrokken instanties</al></li><li nr="8."><al>Dagindeling werkzaamheden</al></li><li nr="9."><al>Instructies aan werknemers</al></li><li nr="10."><al>Instructies/voorlichting omwonenden</al></li><li nr="11."><al>Voorgenomen veiligheidsmaatregelen</al></li><li nr="12."><al>Uitvoering toezicht op maatregelen</al></li><li nr="13."><al>Logboek</al></li></lijst></nota-toelichting><nota-toelichting><tussenkop>Bijlagen bij het sloopveiligheidsplan</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>Belangrijke telefoonnummers</al></li><li nr="b."><al>Tekening waarop staat aangegeven:</al></li><li nr="-"><al>de situering van het sloopobject;</al></li><li nr="-"><al>de plaats van de bouwkranen;</al></li><li nr="-"><al>de aan- en afvoerwegen;</al></li><li nr="-"><al>de laad-, los- en hijszones;</al></li><li nr="-"><al>de plaats van de bouwketen;</al></li><li nr="-"><al>de situering van het sloopobject ten opzichte van aangrenzende wegen,
                            bouwwerken e.d.;</al></li><li nr="-"><al>de grenzen van het sloopterrein, waarbinnen alle sloopwerkzaamheden, het
                            laden en lossen daaronder begrepen, plaatsvinden;</al></li><li nr="-"><al>de in of op de bodem van het bouwperceel aanwezige leidingen;</al></li><li nr="-"><al>de plaats van ander hulpmateriaal. De schaal van deze tekening mag niet
                            kleiner zijn dan 1:1000 (indien nodig bij detailleringen niet kleiner
                            dan 1:100).</al></li><li nr="c."><al>controlelijst ten behoeve van externe veiligheid op de werken</al></li><li nr="d."><al>transportroutes afkomende materialen</al></li></lijst></nota-toelichting><nota-toelichting><tussenkop>BIJLAGE 5 Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij
                    sloop</tussenkop><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="22*"/><colspec colname="col2" colwidth="22*"/><colspec colname="col3" colwidth="19*"/><colspec colname="col4" colwidth="36*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>niveau 1</vet></al><al><vet>minimumscheiding</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>niveau I-plus</vet></al><al><vet>minimumscheiding</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>niveau II</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>niveau III</vet></al><al><vet>maximumscheiding</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch
                                        verontreinigde afvalstromen)</al></entry><entry colname="col2"><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch
                                        verontreinigde afvalstromen)</al></entry><entry colname="col3"><al>olieprodukten</al></entry><entry colname="col4"><al>afgewerkte olie</al><al>brandstofrestanten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overig gevaarlijk afval</al></entry><entry colname="col4"><al>batterijen</al><al>accu's</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schoorsteenkanalen</al><al>rookkanalen</al><al>overig chemisch belast puin</al><al>verontreinigde leidingen</al><al>oliehoudende elementen</al><al>coatings, kitten</al><al>bitumineuze materialen</al><al>zeefzand</al><al>tl-buizen/starters</al><al>halogeen lampen</al><al>niet uitputtende lijst,</al><al>voor overzicht zie BAGA</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al></entry><entry colname="col2"><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al></entry><entry colname="col3"><al>asbestprodukten</al></entry><entry colname="col4"><al>golfplaat</al><al>spouwbladen</al><al>brandwerende platen</al><al>isolatiemateriaal</al><al>produkten niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al></entry><entry colname="col4"><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>metalen</al></entry><entry colname="col2"><al>metalen</al></entry><entry colname="col3"><al>ferro</al></entry><entry colname="col4"><al>constructiebalken e.d.</al><al>metalen trappen e.d.</al><al>betonijzer</al><al>schroot</al><al>tanks, silo's</al><al>ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>non ferro</al></entry><entry colname="col4"><al>aluminium (kozijnen, constructies)</al><al>lood (buis, slabben)</al><al>zink (regenpijp, dakgoot)</al><al>koperbuis</al><al>non ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>elektriciteitskabels</al></entry><entry colname="col4"><al>kabels 220 V</al><al>kabels &gt; 220 V</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al></entry><entry colname="col2"><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al></entry><entry colname="col3"><al>beton</al></entry><entry colname="col4"><al>gewapend beton</al><al>schuimbeton</al><al>gasbeton</al><al>staalvezelbeton</al><al>hoge sterkte beton</al><al>betonprodukten</al><al>beton niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>metselwerk</al></entry><entry colname="col4"><al>metselwerkpuin</al><al>metselmortel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>kalkzandsteen</al></entry><entry colname="col4"><al>metselwerkpuin</al><al>bouwblokken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>dakpannen/bedekking</al><al>(beton, keramiek, leisteen)</al></entry><entry colname="col4"><al>intacte dakpannen</al><al>gebroken dakpannen</al><al>dakleien</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>keramiek</al></entry><entry colname="col4"><al>wandtegels</al><al>plavuizen</al><al>sanitair</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gipshoudende elementen</al></entry><entry colname="col4"><al>gipsplaat</al><al>stucwerk</al><al>anhydriet vloeren</al><al>gipsvezelplaat</al><al>gipshoudende elementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>asfalt</al></entry><entry colname="col4"><al>asfaltbeton</al><al>asfaltpuin</al><al>freesafval</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>steenwol</al></entry><entry colname="col3"><al>steenwol</al></entry><entry colname="col4"><al>steenwol</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>glaswol</al></entry><entry colname="col3"><al>glaswol</al></entry><entry colname="col4"><al>glaswol</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>massief hout</al><al>(zonder verduurzamingsmiddelen, direct herbruikbaar)</al></entry><entry colname="col2"><al>massief hout</al><al>(zonder verduurzamingsmiddelen, direct herbruikbaar)</al></entry><entry colname="col3"><al>massief hout (direct herbruikbaar)</al></entry><entry colname="col4"><al>balken</al><al>vloerdelen</al><al>trapelementen</al><al>dakbeschot</al><al>regels/tengels</al><al>pallets</al><al>schoon hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>geverfd/gelakt hout</al></entry><entry colname="col4"><al>gevelelementen</al><al>kozijnen</al><al>deuren</al><al>parketvloeren</al><al>geverfd/gelakt hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>verlijmd hout (plaatmateriaal)</al></entry><entry colname="col4"><al>spaanplaat</al><al>multiplex</al><al>hardboard</al><al>vezelplaat</al><al>houtwolcementplaat</al><al>bekistingsmateriaal</al><al>vloerplaat</al><al>plaatmateriaal niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>geïmpregneerd hout</al></entry><entry colname="col4"><al>tuinhout</al><al>bielzen</al><al>geïmpregneerd hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overig afval</al></entry><entry colname="col2"><al>kunststof gevelelementen</al></entry><entry colname="col3"><al>kunststof gevelelementen</al></entry><entry colname="col4"><al>kunststof gevelelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>PVC- en PE-leidingen</al></entry><entry colname="col3"><al>PVC</al></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen (riolering, afvoer)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>PP en PE</al></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen (riolering, afvoer)</al><al>dakfolies</al><al>wandfolies </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>vlak glas</al></entry><entry colname="col3"><al>vlak glas</al></entry><entry colname="col4"><al>vlak glas</al><al>draadglas</al><al>spiegelglas</al><al>dubbelglas</al><al>HR- en LE-glas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>papier en karton</al></entry><entry colname="col3"><al>papier en karton</al></entry><entry colname="col4"><al>papier</al><al>karton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>overig afval</al></entry><entry colname="col3"><al>LDPE/HDPE</al></entry><entry colname="col4"><al>dakfolies</al><al>wandfolies</al><al>leidingsystemen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>XPS/EPS</al></entry><entry colname="col4"><al>vloerisolatie</al><al>dakisolatie</al><al>wandisolatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>PUR</al></entry><entry colname="col4"><al>isolatieplaten</al><al>PUR-produkten niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overige kunststoffen gemengd</al></entry><entry colname="col4"><al>EPDM</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>overige kunststoffen gemengd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>cellulose isolaties</al></entry><entry colname="col4"><al>cellulose isolaties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>textiel</al></entry><entry colname="col4"><al>gordijnen</al><al>vloerbedekking</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>door vuil voor hergebruik ongeschikte materialen</al></entry><entry colname="col4"><al>folies met aanhangend vuil</al><al>papier/karton met aanhangend vuil</al><al>textiel met aanhangend vuil</al><al>glas met kitresten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>composiet-materialen</al></entry><entry colname="col4"><al>beton met PS-platen</al><al>sandwich-panelen</al><al>metselwerk met stucwerk</al><al>beton met stucwerk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>thermohardende kunststoffen</al></entry><entry colname="col4"><al>meterkasten</al><al>deurknoppen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overig afval</al></entry><entry colname="col4"><al>overig afval</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toelichting tabel</tussenkop><al>In de tabel worden drie niveaus onderscheiden.</al><al>Niveau I en niveau I-plus staan voor de vereiste minimumscheiding zoals bedoeld
                    in artikel 8.4.1. Dit minimumniveau correspondeert met artikel 4.11 waarin de
                    vereiste minimum-scheiding van bouwafval is vastgelegd. Het bestaan van twee
                    niveaus, respectievelijk I en I-plus, is nodig omdat de gemeenteraad bij de
                    vaststelling van artikel 4.11 juncto 8.4.1, een keuze heeft uit twee
                    alternatieven.</al><al>Niveau II is te beschouwen als een tussenstap, waarmee een verder inzicht wordt
                    verkregen in het opsplitsen naar de verschillende afvalstromen. De verschillende
                    categorieën van afvalstoffen die in niveau II worden onderscheiden, kunnen niet
                    worden opgevat als definitieve oplossingen met betrekking tot scheiden. </al><al>Niveau III geeft een optimaal scenario weer, waarin sprake is van een maximale
                    scheiding.</al><al>Hierna wordt kort beschreven op welke wijze de tabel kan worden gebruikt als
                    hulpmiddel.</al><lijst><li nr="-"><al>Gevaarlijke afvalstoffen; chemische en chemisch belaste
                            afvalstromen:</al><al> Op het gevaarlijke afval is het Besluit aanwijzing gevaarlijke
                            afvalstoffen van toepassing (BAGA). Het scheiden van de herbruikbare
                            componenten uit het gevaarlijke afval heeft alleen zin indien deze
                            gescheiden worden op niveau III.</al></li><li nr="-"><al>Asbest en asbesthoudende afvalstromen</al><al> Het scheiden van asbestprodukten tot op niveau III is niet zinvol.
                            Volstaan kan worden met het apart houden van asbest en asbesthoudende
                            produkten in één afvalstroom, omdat asbest altijd moet worden
                            gestort.</al></li><li nr="-"><al>Overige afvalstromen</al><al> Het scheiden van de diverse componenten is alleen zinvol indien hiermee
                            een afvalstroom wordt verkregen die in aanmerking komt voor hergebruik
                            en waarvoor inzamel- en verwerkings- of bewerkingscapaciteit
                            bestaan.</al><al> Voor sommige componenten betekent dit dat gescheiden dient te worden
                            tot niveau III (bijvoorbeeld bepaalde betonprodukten, steenachtige
                            isolatie-materialen, dakpannen, metalen, kunststoffen, glas, schoon
                            hout). Voor andere componenten kan ook worden volstaan met scheiding op
                            niveau II (asfalt, metselwerk, kalkzandsteen, geverfd en gelakt hout,
                            verlijmd hout, papier en karton, textiel, kabels).</al></li><li nr="-"><al>Niet-herbruikbare niet-gevaarlijke (c.q. chemisch verontreinigde)
                            afvalstromen</al></li></lijst><al>In verband met het stortverbod voor bouw- en sloopafval, moet ook deze categorie
                    worden beschouwd als overig afval en worden afgevoerd naar de sorteerinrichting. </al><al>De tabel is niet meer dan een hulpmiddel voor de gemeente bij het bepalen van de
                    mate van scheiding die zal worden voorgeschreven in de sloopvergunning. </al><al>Er is bewust voor gekozen om geen indicatie te geven voor de verschillende
                    inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze regionaal
                    of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn. </al><al>Het is daarom noodzakelijk dat de desbetreffende ambtenaar, verantwoordelijk
                    voor de controle van de vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en
                    regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al>Al dan niet verontreinigde grond is niet in deze tabel opgenomen. Grond die
                    tijdens of na het slopen wordt afgevoerd, is geen sloopafval en kan dus geen
                    onderwerp zijn in een voorschrift van de sloopvergunning. Toch verdient het
                    aanbeveling alert te zijn op de afvoer van (verontreinigde) grond. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><tussenkop>BIJLAGE 6 Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                    vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</tussenkop><al>Asbestcementproducten en overige producten waarin asbest in hechtgebonden vorm
                    voorkomt (N.B. De aanduiding 'hechtgebonden' geldt voor het nieuwe product. Door
                    slijtage kan de hechtgebondenheid van deze producten in de loop der tijd
                    afnemen.) </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Product </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Mogelijk toegepast in </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Mate waarin het is toegepast </vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Uiterlijk</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke plaat </al></entry><entry colname="col2"><al>Gevels, dakbeschot, rondom schoorstenen </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Grijze plaat van 3 tot 8 mm dik, vaak aan een kant
                                        ‘wafelstructuur' </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating </al></entry><entry colname="col2"><al>Decoratieve buitengevels, galerij </al></entry><entry colname="col3"><al>Vrij algemeen in flats </al></entry><entry colname="col4"><al>Als vlakke plaat maar met aan een kant gekleurde
                                        geëmailleerde of gespoten coating</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, schoorsteen of luchtkanaal </al></entry><entry colname="col2"><al>Bij kachel of CV-installatie, ventilatiekanalen </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, bloembak </al></entry><entry colname="col2"><al>Zowel buiten als binnen, balkons </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>In diverse vormen, verder als vlakke plaat, meestal dunner
                                        dan betonnen bak</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, golfplaat </al></entry><entry colname="col2"><al>Daken van schuren en garages </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Als golfplaat, in diverse dikten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement met cellulosevezels (asbestboard) </al></entry><entry colname="col2"><al>Alleen geschikt voor binnentoepassingen, aftimmeringen,
                                        inpandige kasten </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms </al></entry><entry colname="col4"><al>Geelbruine, dunne plaat, lijkt op hardboard </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, dakleien </al></entry><entry colname="col2"><al>Imitatieleien </al></entry><entry colname="col3"><al>In Nederland weinig toegepast </al></entry><entry colname="col4"><al>Vlakke plaatjes, aan één zijde gecoat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, standleidingen </al></entry><entry colname="col2"><al>Afvoer toilet </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Als luchtkanaal, maar dikker</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, imitatiemarmer </al></entry><entry colname="col2"><al>Vensterbanken en schoorsteenmantels </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms </al></entry><entry colname="col4"><al>Als marmer, in breuk of zaagvlakken zijn witte vezels
                                        zichtbaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Harde asbesthoudende vinyltegels </al></entry><entry colname="col2"><al>Toiletten, keukens </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms, meestal bij de bouw gelegd </al></entry><entry colname="col4"><al>Harde tegel met meestal een wit gevlamd motief </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Producten waarin asbest in een niet-hechtgebonden vorm voorkomt. </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Afdichtkoord </al></entry><entry colname="col2"><al>Afdichting schoorstenen kachelruitjes en deurtjes, in oude
                                        haarden en allesbranders, </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig </al></entry><entry colname="col4"><al>Wit tot vuilgrijs pluizig koord</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbesthoudend stucwerk </al></entry><entry colname="col2"><al>Op (vochtige) muren en plafonds </al></entry><entry colname="col3"><al>Nauwelijks </al></entry><entry colname="col4"><al>Vezelige korrelstructuur </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Brandwerend board </al></entry><entry colname="col2"><al>Onder CV-ketels, wanden CV-kast, stoppenkast, plafonds,
                                        trapbeschot </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig, vooral in flats en grotere complexen </al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtbruin tot geel, zachtboardachtig </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestkarton </al></entry><entry colname="col2"><al>Bekleding zoldering </al></entry><entry colname="col3"><al>Weinig </al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtgrijs, kartonachtig </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vinylzeil met asbesthoudende onderlaag </al></entry><entry colname="col2"><al>Keukens, trappen enz., geproduceerd voor 1983 </al></entry><entry colname="col3"><al>Zeer vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Zeer divers, alleen te herkennen door analyse onderlaag</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toelichting tabel</tussenkop><tussenkop>Herkennen van asbest</tussenkop><al>Alleen in een laboratorium kan met 100 procent zekerheid worden vastgesteld of
                    een materiaal of een product asbest bevat. Wel kunt u materialen herkennen
                    waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande overzicht helpt daarbij. Dit
                    overzicht is niet volledig. </al><al>Voor de herkenning van vinylvloertegels en vinylvloerbedekking (in de volksmond
                    zeil) waarin mogelijk asbest zit, kan de volgende informatie worden gegeven: </al><al>-Asbesthoudende vinylvloertegels</al><al>Tot omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te koop, die verstevigd zijn met
                    asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al tijdens de bouw gelegd.
                    Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige ruimten, zoals toiletten en
                    keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend, vaak met een wit
                    'gevlamde' decoratie. </al><al>-Asbesthoudende vinylvloerbedekking</al><al>Vinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te koop. Het is veel
                    gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in de onderlaag zit
                    asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is lichtgrijs tot
                    lichtbeige en soms lichtgroen. </al><al>Asbest zit bijna nooit in de volgende soorten vloerbedekking: vloerbedekking van
                    textiel (tapijt); ondertapijt van vilt; breekbaar, dun zeil met een doffe,
                    zwarte of wijnrode onderkant; stijve, zeilachtige vloerbedekkingen met een
                    harde, ruwe onderzijde met daarin een grofmazig juteweefsel, zoals linoleum;
                    buigzaam zeil met een dikke, bruine, harige onderzijde; soepel zeil met een
                    onderkant van kunststof (plastic) of foam (schuim). </al><al>Ten slotte is het van belang het volgende te weten: Toepassing en verkoop van
                    asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden. Na 1983 is vrijwel geen
                    losgebonden asbest meer toegepast. Sinds enkele jaren zijn ook asbestvrije
                    cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De in Nederland
                    gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen aan de opdruk NT aan de
                    onderzijde van de plaat. </al></nota-toelichting><bijlage><kop><titel>INHOUDSOPGAVE</titel></kop><al/><al><cursief>1 Inleidende bepalingen</cursief></al><al/><al><cursief>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</cursief></al><al/><al>§ 1 Gegevens en bescheiden </al><al>§ 2 Vervallen</al><al>§ 3 Gereserveerd</al><al>§ 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al><al>§ 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen</al><al>§ 6 Vervallen</al><al>§ 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al/><al><cursief>3 De melding</cursief></al><al/><al><cursief>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruiknemen
                        van een bouwwerk</cursief></al><al/><al><cursief>5 Staat van open erven en terrein, aansluiting op de nutsvoorzieningen
                        en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</cursief></al><al> § 1 Staat van open erven en terreinen</al><al>§ 2 Vervallen</al><al> § 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al> § 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al/><al><cursief>6 Brandveilig gebruik </cursief></al><al> § 1 Vervallen</al><al>§ 2 Vervallen</al><al>§ 3 Vervallen</al><al/><al><cursief>6.A Kamerverhuurpanden</cursief></al><al>§ 1 Vervallen</al><al>§ 2 Vervallen</al><al/><al><cursief>7 Overige gebruiksbepalingen</cursief></al><al>§ 1 Overbevolking en slaapplaatsen</al><al>§ 2 Staken van gebruik</al><al>§ 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al>§ 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>§ 5 Watergebruik</al><al>§ 6 Installaties</al><al/><al><cursief>8 Slopen</cursief></al><al>§ 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>§ 2 Uitzondering op vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>§ 3 Verplichtingen tijdens het slopen</al><al>§ 4 Vrij slopen</al><al/><al><cursief>9 De welstand</cursief></al><al/><al><cursief>10 Overige administratieve bepalingen</cursief></al><al/><al><cursief>11 Handhaving</cursief></al><al/><al><cursief>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</cursief></al><al/><al><vet><onderstreept>Bijlagen Bouwverordening</onderstreept></vet></al><al/><al>1. Vervallen</al><al>2. Vervallen</al><al>3. Vervallen</al><al>4. Vervallen</al><al>5. Vervallen</al><al>6. Vervallen</al><al>7. Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buiten-riolering op erven
                    en terreinen - Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al>8. Vervallen</al><al>9. Vervallen</al><al>10. Vervallen</al><al>11 Vervallen</al><al>12 Vervallen</al><al>13 Vervallen</al><al/><al><vet>Toelichting Bouwverordening</vet></al><al><cursief>1. Inleidende bepalingen</cursief></al><al/><al><cursief>De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</cursief></al><al>§ 1 Gegevens en bescheiden</al><al>§ 2 Vervallen</al><al>§ 3 Gereserveerd </al><al>§ 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al><al>§ 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen</al><al>§ 6 Vervallen</al><al>§ 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al/><al><cursief>3. De melding</cursief></al><al/><al><cursief>4. Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                        ingebruikneming van een bouwwerk</cursief></al><al/><al><cursief>5. Staat van open erven en terrein, aansluiting op de nutsvoorzieningen
                        en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</cursief></al><al> § 1 Staat van open erven en terreinen</al><al> § 2 Vervallen</al><al> § 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al> § 4 Het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al/><al><cursief>6. Brandveilig gebruik</cursief></al><al>§ 1 Vervallen</al><al>§ 2 Vervallen</al><al/><al><cursief>7. Overige gebruiksbepalingen</cursief></al><al>§ 1 Overbevolking en slaapplaatsen</al><al>§ 2 Staken van het gebruik</al><al>§ 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al>§ 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>§ 5 Watergebruik</al><al>§ 6 Installaties</al><al/><al><cursief>8. Slopen</cursief></al><al>§ 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>§ 2 Uitzondering op het vereiste van de omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>§ 3 Verplichtingen tijdens het slopen </al><al>§ 4 Vrij slopen</al><al/><al><cursief>9. De welstand</cursief></al><al/><al><cursief>10. Overige administratieve bepalingen</cursief></al><al/><al><cursief>11. Handhaving</cursief></al><al/><al><cursief>12. Straf-, overgangs- en slotbepalingen</cursief></al><al/><al/><al><vet>Bijlagen toelichting</vet></al><al/><al>Bijlage 1 Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen</al><al/><al>Bijlage 2 Activiteiten samenhangende met slopen en bedreigingen</al><al/><al>Bijlage 3 Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten </al><al> behoeve van de opsteller van het sloopveiligheidsplan </al><al/><al>Bijlage 4 Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><al/><al>Bijlage 5 Keuzetabel voor vaststelling van deelstromen bij sloop</al><al/><al>Bijlage 6 Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                    vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</al></bijlage></regeling></body></cvdr>