<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR4605_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentelijke informatiekrant, 10-01-2002</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Brandweerwet 1985, artikel 12</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2001-11-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2002-01-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>volkshuisvesting en woningbouw</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>DE RAAD VAN DE GEMEENTE DONGEN;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 oktober
                        2001.</al><al/><al>besluit: </al><al/><al>gelet op artikel 12 van de Brandweerwet 1985 (Stb. 87) vast te stellen de
                            <vet>Brandbeveiligingsverordening</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 Algemene bepaling</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1.1. Begripsomschrijving</label></kop><al>Onder inrichting wordt verstaan een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                            begrensde plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.2. Werkingssfeer</label></kop><al>Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in de
                            Woningwet en de bouwverordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2 Brandveilig gebruik.</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Vergunning</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1.1 Vergunning gebruik inrichting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
                                    burgemeester en wethouders een inrichting in gebruik te hebben
                                    of te houden, waarin:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen
                                            zijn;</al></li><li nr="b"><al>bedrijfsmatig de in artikel 2.2.2. bedoelde stoffen
                                            zullen worden opgeslagen; </al></li><li nr="c."><al>aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader
                                            van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="d."><al>aan personen in het kader van de Wet op de
                                            bejaardenoorden huisvesting zal worden verschaft;</al></li><li nr="e"><al>aan meer dan tien personen jonger dan twaalf jaar, of
                                            aan meer dan tien lichamelijk en/of geestelijk
                                            gehandicapte personen dagverblijf zal worden verschaft;
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning
                                    voorschriften verbinden in het belang van het voorkomen,
                                    beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar
                                    en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist
                                    op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                    van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden
                                    na het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en
                                    wethouders aan de vergunning nieuwe voorschriften verbinden en
                                    gestelde voorschriften wijzigen of intrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.2. Weigeren vergunning</label></kop><al>Een vergunning moet worden geweigerd indien de in de aanvraag
                                vermelde wijze van gebruik van de inrichting in relatie tot de
                                beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig
                                gebruik te zijn en door het stellen van voorschriften geen voldoende
                                brandveilig gebruik kan worden bereikt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.3. Intrekken vergunning</label></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken indien: </al><lijst><li nr="1."><al>blijkt dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                        onvolledige gegevens hebben verleend;</al></li><li nr="2."><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan
                                        aan een voorschrift van de vergunning;</al></li><li nr="3."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken
                                        na het onherroepelijk worden van de vergunning; danwel de
                                        datum of periode waarop of waarin een activiteit is voorzien
                                        waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken zonder dat
                                        bedoelde activiteit heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="4."><al>van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of
                                        langer geen gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="5."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op
                                        grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                        van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting,
                                        opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet
                                        mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van
                                        voorschriften dat belang voldoende te beschermen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.4. Verplicht aanwezige bescheiden</label></kop><al>In de inrichting waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                vergunning betrekking heeft moet de vergunning aanwezig zijn en moet
                                op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de naleving van
                                deze verordening ter inzage worden gegeven.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.2.1. Gebruikseisen voor inrichtingen.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken, indien de wijze van
                                    gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde
                                    gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik
                                    te zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals die per onderwerp vermeld staan in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 3 bij de
                                    bouwverordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het tweede lid, is het verboden een
                                    inrichting niet zijnde een woonschip, uitgezonderd een woonschip
                                    waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van bewoners in
                                    combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en
                                    begeleiding van bewoners, te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 4 bij de
                                    Bouwverordening. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van
                                    artikel 3 van bijlage 3, buiten toepassing verklaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.2. Verbod stoffen aanwezig te hebben.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit
                                    brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van
                                    de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) in, op of nabij
                                    een inrichting aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorhanden hebben voor huishoudelijke en al het
                                            andere nietbedrijfsmatige gebruik van de in het eerste
                                            lid bedoelde stoffen, indien dit de in bijlage 5 van de
                                            bouwverordening aangegeven maximum hoeveelheden niet
                                            overschrijdt;</al></li><li nr="b."><al>het voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde
                                            stoffen in een inrichting waarvoor een vergunning
                                            overeenkomstig artikel 2.1.1 is verleend;</al></li><li nr="c."><al>de brandstof in een inrichting tot het bewaren, bezigen
                                            of afleveren van vloeibare brandstoffen, die voldoet aan
                                            de eisen gesteld bij of krachtens de Verordening opslag
                                            gas, huisbrand en stookolie;</al></li><li nr="d."><al>de brandstof in het reservoir bij een
                                            verbrandingsmotor;</al></li><li nr="e."><al>de brandstof in een verlichtingstoestel, een
                                            verwarmingstoestel of een ander warmteontwikkelend
                                            toestel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede
                                    lid, onder a, worden de inhoudsmaten van vaatwerk dat
                                    gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof als bedoeld in dat lid
                                    volledig meegerekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.3. Opslag en verwerking stoffen</label></kop><al>Stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid
                                (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot
                                wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) moeten worden opgeslagen volgens de
                                in bijlage 6 van de bouwverordening aangegeven wijze.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van
                                ongevallen bij brand</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1. Gebruiksgereed houden
                                    bluswaterwinplaatsen</label></kop><al>De rechthebbende op een inrichting, ten behoeve waarvan een
                                bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te
                                onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan
                                worden beschikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.2. Gebruik middelen en voorzieningen</label></kop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen
                                of te hebben dat daardoor het onmiddellijke gebruik of de
                                zichtbaarheid wordt belemmerd van: a. middelen en voorzieningen tot
                                melding van alarmering bij en bestrijding van brand; b. middelen en
                                voorzieningen tot ontvluchting en redding van personen en dieren bij
                                brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.3. Verrichten van werkzaamheden</label></kop><al>Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds, herstellings,
                                wijzigings of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als bedoeld in de
                                Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede
                                artikel II van de het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet
                                voor Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188), of
                                gereedschappen worden gebruikt, waarvan het gebruik aanleiding kan
                                geven tot het ontstaan van brand, moeten voldoende maatregelen zijn
                                getroffen tegen het ontstaan van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.4. Verbod open vuur en roken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken of vuur te hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>in een ruimte in gebruik als opslagplaats van één of
                                            meer van de stoffen genoemd in de regeling Bouwbesluit
                                            brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel
                                            II van de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188),
                                            onder a tot met h;</al></li><li nr="b."><al>bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen
                                            van brandbare vloeistoffen en (of) gassen kunnen
                                            veroorzaken;</al></li><li nr="c."><al>bij het vullen van een brandstofreservoir met een
                                            brandbare vloeistof of een brandbaar gas.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het verbod gesteld in het eerste lid kunnen burgemeester en
                                    wethouders ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.5. Verboden handelingen met stoffen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een brandbaar gas of gasmengsels uit een vat te
                                    doen overstromen in een ander vat dat niet bestemd of ingericht
                                    is om dat gas of gasmengsel te bevatten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gassen of gasmengsels in drukvaten of in
                                    leidingen te verwarmen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een brandbaar gas te bezigen voor het vullen van
                                    speelgoed, hobby en sportartikelen, anders dan luchtvaartuigen
                                    bedoeld in de Regeling inzake het met bepaalde luchtvaartuigen
                                    opstijgen van en landen op alsmede het inrichten van niet als
                                    luchtvaartterreinen aangewezen terreinen (Stb. 1988, 511).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden een brandbare vloeistof, een brandbaar gas of
                                    gasmengsel of een brandbare damp te laten wegstromen op zodanige
                                    wijze dat daardoor brand kan ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden gloeiende vaste stoffen op te slaan, te
                                    vervoeren of weg te gooien op zodanige wijze dat daardoor brand
                                    ontstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.6. Melden van brand en broei</label></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                                onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.7. Bossen, heidevelden, venen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar van een naaldhoutbos, een heideveld, een veen of een
                                    ander terrein, dat met brandbare gewassen is begroeid, is
                                    verplicht na een van burgemeester en wethouders ontvangen
                                    aangetekende brief de voorschriften op te volgen, die
                                    burgemeester en wethouders in die brief geven tot het voorkomen
                                    van brand en het beperken van de gevolgen van brand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een in het eerste lid genoemd naaldhoutbos wordt verstaan
                                    elke aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand, die voor
                                    meer dan de helft bestaat uit naaldhout.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3 Straf, overgangs en slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.1. Toezicht op de naleving</label></kop><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt
                            opgedragen aan ambtenaren van de brandweer en daartoe door burgemeester
                            en wethouders aangewezen ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2. Strafbepaling</label></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de
                            derde categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.3. Overgangsbepaling (aanvragen om)
                                gebruiksvergunning:</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.2 van
                                de bouwverordening gemeente Dongen vastgesteld bij raadsbesluit d.d.
                                18 februari 1993 alsmede enig beroep, ingesteld tegen een beslissing
                                omtrent een dergelijke aanvraag, wordt afgedaan op grond van
                                genoemde bouwverordening en alle daarin aangebrachte
                                wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.2 van de
                                bouwverordening van de gemeente Dongen vastgesteld bij raadsbesluit
                                d.d 18 februari 1993 als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel
                                2.1.1., voor zover deze niet krachtens overgangsrecht van de
                                bouwverordening geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel
                                6.1.1. van de bouwverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.4. Slotbepaling</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij is
                            afgekondigd.</al><al/><al>Deze verordening kan worden aangehaald als:
                            Brandbeveiligingsverordening.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>