<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR45865_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Waterland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-11-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waterland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ons Streekblad, 10-10-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren gemeente Waterland 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147 lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 12 lid 1 onderdeel e</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 35 lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-05-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-06-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Waterland; </al><al/><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al><al/><al> gelet op artikel 147, eerste lid, Gemeentewet, en de artikelen 12, eerste
                        lid, onderdeel e, en 35, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren;</al><al/><al> overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger dan
                        27 jaar bij verordening te regelen;</al><al/><al>BESLUIT: </al><al/><al>De Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren vast te stellen.​</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>de wet:</vet> de Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="b."><al><vet>gehuwdennorm: </vet>de norm bedoeld in artikel 28, eerste
                                    lid onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="c."><al><vet>college: </vet>het college van burgemeester en
                                    wethouders;</al></li><li nr="d."><al><vet>woning:</vet> een woning als bedoeld in artikel 1,
                                    onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, als mede een woonwagen of
                                    woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, Wet werk en
                                    bijstand; </al></li><li nr="e."><al><vet>woonkosten:</vet></al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per
                                                  maand geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1,
                                                  onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag; </al></li><li nr="2."><al>Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot
                                                  een bedrag per maand omgerekende som van de
                                                  verschuldigde hypotheekrente en de in verband met
                                                  het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                                  zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast
                                                  te stellen bedrag voor onderhoud; </al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="f."><al><vet>ouder:</vet> de vader of moeder als bedoeld in
                                    respectievelijk de artikelen 1:197 en 1:198 van het Burgerlijk
                                    Wetboek. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bepalingen verordening</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar
                            of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslagen voor hoofdbewoners</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 20
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen
                                ander zijn hoofdverblijf heeft; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met één ander zijn
                                hoofdverblijf in dezelfde woning heeft; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 0
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met twee of meer
                                anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft; </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 5
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met één of beide
                                ouders in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft; </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Toeslagen voor medebewoners</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder die:</al><lijst><li nr="a."><al>medebewoner is en</al></li><li nr="b."><al>een individuele huur- of kostgangersovereenkomst heeft
                                        gesloten met de hoofdbewoner, niet zijnde een familielid in
                                        de eerste of tweede graad, en</al></li><li nr="c."><al>woonkosten heeft die tenminste de commerciële huurprijs
                                        bedragen </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder die: </al><lijst><li nr="a."><al>medebewoner is en</al></li><li nr="b."><al>die woonkosten heeft die minder bedragen dan de commerciële
                                        huurprijs of,</al></li><li nr="c."><al>geen individuele huur- of kostgangersovereenkomst heeft
                                        gesloten, of</al></li><li nr="d."><al>een individuele huur- of kostgangersovereenkomst heeft
                                        gesloten met de hoofdbewoner, zijnde een familielid in de
                                        eerste of tweede graad </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 5 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder die: </al><lijst><li nr="a."><al>medebewoner is en</al></li><li nr="b."><al>de woning uitsluitend deelt met</al><lijst><li nr="-"><al>zijn kind of kinderen of</al></li><li nr="-"><al>zijn ouder of ouder</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM OF TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging gehuwde hoofdbewoners</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10 procent
                                van de gehuwdennorm voor gehuwden die met één ander hun
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 20 procent
                                van de gehuwdennorm voor gehuwden die met twee of meer anderen hun
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- Verlaging gehuwde medebewoners</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.De verlaging als bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 0
                                procent van de gehuwdennorm voor gehuwde medebewoners die:</al><lijst><li nr="a."><al>een individuele huur- of kostgangersovereenkomst hebben
                                        gesloten met de hoofdbewoner, niet zijnde familielid in de
                                        eerste of tweede graad, en</al></li><li nr="b."><al>woonkosten hebben die tenminste de commerciële huurprijs
                                        bedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10 % van
                                de gehuwdennorm voor gehuwde medebewoners die:</al><lijst><li nr="a."><al>geen hoofdbewoner zijn en;</al></li><li nr="b."><al>woonkosten hebben die minder bedragen dan de commerciële
                                        huurprijs, of;</al></li><li nr="c."><al>geen individuele huur- of kostgangersovereenkomst hebben
                                        gesloten met de hoofdbewoner, zijnde een familielid in de
                                        eerste of tweede graad;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 15 % van
                                de gehuwdennorm voor gehuwde medebewoners die een woning uitsluitend
                                delen met:</al><lijst><li nr="a."><al>hun kind of kinderen of;</al></li><li nr="b."><al>hun ouder of ouders van één of van beide partners.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt
                                        bewoond waaraan voor belanghebbende(n) geen kosten van huur
                                        verbonden zijn;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien er geen woning wordt
                                        bewoond.</al></li><li nr="c."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien een hypotheekvrije
                                        woning in eigendom wordt bewoond.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in lid 1 van dit artikel geldt niet indien, in het
                                geval van een echtscheidingssituatie, de (overige) woonkosten geheel
                                of gedeeltelijk worden voldaan door de (ex-)partner. De door de
                                (ex-)partner betaalde woonlasten worden in dat geval beschouwd als
                                inkomsten als bedoeld in artikel 7 van de wet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Verlaging Schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 33 van de wet bedraagt 20 procent
                                van de gehuwdennorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college, conform artikel 17 lid 2, van oordeel is dat om
                                reden van lichamelijke, geestelijke of sociale aard van een jongere
                                niet kan worden gevergd dat hij uitvoering geeft aan het
                                werkleeraanbod, zal de verlaging genoemd in lid 1 niet van
                                toepassing zijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 34 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 21
                                        jaar betreft;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 22
                                        jaar betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de hoogte
                                van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien deze
                                toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing van lid
                                1 zou leiden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een jongere
                                op wie artikel 6 van toepassing is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 9 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijke norm voor de jongere tenminste bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>35 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande,</al></li><li nr="b."><al>55 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder,</al></li><li nr="c."><al>65 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt de dag na publicatie in “Ons Streekblad” met
                            terugwerkende kracht per 1 oktober 2009 in werking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            investeren in jongeren gemeente Waterland 2009.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 mei 2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. E.G.H. Dijk mr. E.F. Jongmans</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Modeltoeslagenverantwoording WIJ</titel></kop><al><vet>De Wet investeren in jongeren en de inkomensvoorziening </vet></al><al>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op de uitgangspunt
                    dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken
                    gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun
                    levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al/><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle
                    jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten
                    gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen
                    of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, dit aanbod
                    onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan.
                    De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening
                    anderzijds is een bepalend element in de WIJ. </al><al/><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de plicht tot
                    arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het
                    uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en
                    geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’. Deze uitkering, de zogenaamde
                    inkomensvoorziening, volgt in grote lijnen de WWB voor wat betreft de
                    voorwaarden die aan het recht zijn verbonden en de normering die geldt voor de
                    hoogte van deze voorziening. </al><al>Evenals in de WWB bestaat de inkomensvoorziening uit een rijksgeregeld deel (de
                    norm) die binnen bepaalde grenzen verhoogd of verlaagd kan worden op grond van
                    gemeentelijk beleid (toeslag en verlaging). Dit gemeentelijk beleid is door de
                    gemeenteraad in deze verordening vastgelegd. </al><al/><al><vet>Relatie met de WWB </vet></al><al>Met de inwerkingtreding van de WIJ is de WWB in beginsel afgesloten voor
                    jongeren tot 27 jaar en kunnen deze jongeren in beginsel geen algemene bijstand
                    meer ontvangen. Daartoe is de WWB op een aantal onderdelen aangepast en heeft de
                    Toeslagenverordening WWB een navenante wijziging ondergaan. Op grond van het
                    overgangsrecht (artikel 86, WIJ) blijft de WWB voor jongeren die op 30 september
                    2009 algemene bijstand ontvingen echter van toepassing totdat de algemene
                    bijstand wordt beëindigd. Om die reden is een aanpassing van de
                    Toeslagenverordening WWB nog niet aan de orde. Dit zal eerst met ingang van 1
                    oktober 2010 zijn beslag krijgen. </al><al/><al>Bij het inrichten van de WIJ is op het punt van de inkomensvoorziening
                    uitdrukkelijk ervoor gekozen zoveel mogelijk aansluiting te zoeken met de WWB,
                    op onderdelen als de normensystematiek, de middelentoets, verlaging van bijstand
                    en terugvordering en verhaal. Hoewel die aansluiting niet in alle opzichten
                    volledig is gerealiseerd, is ten aanzien van het te voeren toeslagen- en
                    verlagingenbeleid sprake van een identiek wettelijk kader als thans in de WWB.
                    Normen die specifiek betrekking hebben op jong-meerderjarigen zijn uit de WWB
                    overgeheveld naar de WIJ. </al><al/><al>Omdat het oogmerk van de WIJ niet is geweest de normen van de
                    inkomensvoorziening voor jongeren te verlagen is, gelet op de gewenste
                    aansluiting met de WWB en uit overwegingen van uitvoerbaarheid, in deze
                    Toeslagenverordening WIJ aansluiting gezocht bij het VNG-model van de
                    Toeslagenverordening WWB. Op verschillende onderdelen zijn alternatieve
                    bepalingen opgenomen om recht te doen aan de lokale verscheidenheid in beleid. </al><al/><al><vet>Een toeslagenverordening Wet investeren in jongeren </vet></al><al>Evenals in de WWB heeft de wetgever in de WIJ het college en de gemeenteraad
                    afzonderlijke taken toebedeeld. Het college is verantwoordelijk voor de
                    uitvoering van de WIJ, terwijl de gemeenteraad de opdracht heeft gekregen in een
                    vijftal verordeningen regels vast te stellen, ondermeer met betrekking tot het
                    verhogen en verlagen van de normen die voor de inkomensvoorziening gelden
                    (artikel 12, eerste lid, sub e, WIJ). Deze regels moeten exclusief in een
                    verordening worden vastgelegd, ter wille van de rechtszekerheid, aldus de
                    Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 37).
                    Aangenomen mag worden dat deze regelgevende bevoegdheid rechtens niet kan worden
                    overgedragen aan het college. </al><al/><al>De toeslagenverordening heeft een categoriaal karakter, dat wil zeggen dat voor
                    een aantal categorieën uitkeringsgerechtigden de hoogte van de toeslag dan wel
                    verlaging van de norm of de toeslag in de verordening is beschreven. Het is
                    daarbij niet nodig c.q. mogelijk om alle mogelijke situaties uitputtend te
                    beschrijven. In niet geregelde gevallen is het college immers bevoegd én
                    verplicht om de inkomensvoorziening bij wijze van individualisering afwijkend
                    vast te stellen (artikel 35, vierde lid, WIJ). </al><al/><al><vet>Normen, toeslagen en verlagingen </vet></al><al>Uit overwegingen van uitvoerbaarheid heeft de wetgever ervoor gekozen om de
                    normensystematiek die thans is vastgelegd in de WWB zoveel mogelijk over te
                    nemen in de WIJ. Dat betekent enerzijds dat onderscheid is gemaakt tussen de
                    normen die gelden voor jongmeerderjarigen (jongeren van 18 tot 21 jaar) en
                    oudere jongeren (21 tot 27 jaar). Anderzijds zijn de normen voor beide
                    leeftijdsgroepen identiek aan de normen die thans in de WWB voor beide groepen
                    gelden. Hetzelfde geldt voor de normen die van toepassing zijn bij het verblijf
                    in een inrichting. De overgang naar de WIJ leidt op dit onderdeel dus niet tot
                    een wijziging van de financiële positie van de jongeren die afhankelijk worden
                    van een inkomensvoorziening. </al><al/><al><onderstreept>Normen </onderstreept></al><al>In Hoofdstuk 4 van de WIJ (‘Recht op inkomensondersteuning’) zijn de normen
                    vastgelegd die gelden voor de verschillende leefsituaties (artikelen 26 t/m 29
                    WIJ). Voor personen van 21 jaar tot en met 27 jaar bestaat een drietal
                    basisnormen (artikelen 26, 27 en 28 WIJ), te weten: </al><al>1. gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm) </al><al>2. alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm </al><al>3. alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm </al><al>Voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 21 jaar geldt de huidige WWB-normering,
                    die is afgestemd op de kinderbijslag (artikelen 26, sub a en 27, sub a, WIJ).
                    Deze normen kunnen eventueel worden aangevuld met bijzondere bijstand, voor
                    zover de middelen van de ouders niet toereikend zijn dan wel de onderhoudsplicht
                    van de ouders niet te gelde gemaakt kan worden. Artikel 12 WWB blijft voor deze
                    groep onverkort van toepassing. </al><al>Voor jongeren waarvan één van de partners zich in de leeftijdsgroep 18 tot 21
                    jaar bevindt en de ander in de groep 21 tot 27 jaar, gelden eveneens identieke
                    normen als thans in de WWB voor partners in de leeftijd van 21 tot 65 jaar. </al><al/><al><onderstreept>Toeslagen en verlagingen </onderstreept></al><al>Voor jongeren in de leeftijd van 21 tot 27 jaar geldt dat de normen verhoogd
                    en/of verlaagd kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als thans in de WWB is
                    vastgelegd. Kort gezegd betreft het de verplichting om de norm voor
                    alleenstaanden en alleenstaande ouders te verhogen met een toeslag als deze een
                    woning bewonen zonder medebewoner. Omdat de kosten van het bestaan dan niet
                    gedeeld kunnen worden met een ander bedraagt de toeslag het maximale bedrag,
                    zijnde 20% van de norm voor gehuwden in die leeftijdscategorie. Kunnen de
                    bestaanskosten wel met een ander gedeeld worden dan kan de toeslag worden
                    verlaagd. Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een
                    toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten maar kan er ook voor kiezen
                    om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader onderscheid, de
                    maximale toeslag te verstrekken (zie voor de WWB Kamerstukken II 2002-2003, 28
                    870, nr. 3, p. 52 en 53). </al><al/><al>De bevoegdheid om de uitkering te verlagen bij medebewoning geldt ook voor de
                    norm voor gehuwden. Voorts kan de norm of toeslag worden verlaagd als de
                    woonsituatie, los van medebewoning, lagere bestaanskosten met zich meebrengt.
                    Daarnaast is verlaging van de norm of toeslag mogelijk als de jongere een
                    schoolverlater is. Ten slotte kan het college bij een 21- of 22-jarige
                    alleenstaande de toeslag verlagen om de uitkering in de pas te laten lopen met
                    het wettelijk minimumjeugdloon. De laatstgenoemde verlagingen kunnen niet in
                    combinatie met elkaar worden toegepast. </al><al/><al>Binnen de gestelde randvoorwaarden staat het de gemeenten in beginsel vrij om
                    eigen beleid te voeren over de hoogte van de toeslagen en verlagingen. Er
                    bestaat geen wettelijke verplichting om de norm en/of toeslag te verlagen. </al><al/><al>Ook voor gehuwde jongeren waarvan één van de partners in de leeftijdsgroep van
                    18 tot 21 jaar en de ander in de leeftijd van 21 tot 27 jaar zit, geldt dat de
                    norm verlaagd kan worden. De WIJ sluit dit, evenmin als de WWB, uit. Dit geldt
                    evenzeer voor het geval beide partners in de leeftijdsgroep 18 tot 21 jaar
                    zitten. Ook de voor hen geldende norm kan verlaagd worden. Niettemin wordt dit
                    niet opportuun geacht. De normen voor deze categorie jongeren zijn immers al
                    lager vastgesteld, vanwege de (vaak theoretische) onderhoudsplicht van ouders.
                    Het verder verlagen van deze normen kan er spoedig toe leiden dat deze jongeren
                    onder het bestaansminimum terechtkomen. Bovendien maakt categoriale verlaging op
                    deze groep jongeren de toch al behoorlijk complexe normensystematiek nog
                    ingewikkelder. </al><al/><al><onderstreept>Gehuwde jongeren van 21 tot 27 jaar met niet-rechthebbende partner
                    </onderstreept></al><al>Voor jongeren van 21 tot 27 jaar met een oudere partner, geldt dat de norm
                    gelijk is aan de norm die voor een alleenstaande of alleenstaande ouder geldt
                    (artikel 28, eerste lid, sub e, resp. 28, tweede lid, sub e, WIJ). Personen van
                    27 jaar of ouder komen immers niet in aanmerking voor een inkomensvoorziening in
                    het kader van de WIJ. De norm alleenstaande of alleenstaande ouder geldt ook als
                    de andere partner om andere redenen (bijv. in geval van detentie) geen recht
                    heeft op een inkomensvoorziening (artikel 28, derde lid, WIJ). De mogelijkheid
                    om de norm voor een alleenstaande (ouder) te verhogen met een toeslag is in de
                    WIJ evenwel beperkt tot de jongere die <cursief>feitelijk
                    </cursief>alleenstaande (ouder) <cursief>is </cursief>(artikel 30, eerste lid,
                    in verbinding met 26, sub b en 27, sub b, WIJ). Naar de letter bestaat dus voor
                    de gehuwde met niet-rechthebbende partner geen recht op toeslag. Niettemin mag,
                    gegeven de wens van de wetgever om e.e.a. zoveel mogelijk conform de WWB te
                    regelen en met een beroep op de jurisprudentie die gevormd is onder de WWB en
                    Abw, worden aangenomen dat ook gehuwde jongeren die voor de normering worden
                    gelijkgesteld met een alleenstaande (ouder), onder omstandigheden recht kunnen
                    hebben op een toeslag, mede gelet op het individualiseringsbeginsel, dat binnen
                    de WIJ klaarblijkelijk ook een rol speelt op het punt van normen, toeslagen en
                    verlagingen (artikel 35, vierde lid, WIJ; zie m.b.t. de bijstand bijvoorbeeld
                    CRvB 12 december 1995, JABW 1996/40). Heeft de niet-rechthebbende partner geen
                    of een zeer laag inkomen en is geen sprake van medebewoning, dan zal de toeslag,
                    naar analogie van de WWB, in beginsel zelfs 20% van de gehuwdennorm moeten
                    bedragen (CRvB 4 maart 2003, LJN: AF6326). </al><al/><al>Als de niet-rechthebbende partner een WWB-uitkering ontvangt, is er geen
                    aanleiding om een toeslag te verstrekken. Dat geldt evenzeer voor de
                    bijstandsgerechtigde partner. Beiden kunnen immers nimmer een uitkering
                    ontvangen die tezamen meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm voor gehuwden.
                    Omdat beide partners dan aanspraak hebben op de norm die voor een alleenstaande
                    geldt, betekent dit tegelijkertijd dat een verlaging in verband met medebewoning
                    formeel gezien niet mogelijk is, omdat deze beperkt is tot de gehuwdennorm (als
                    bedoeld in artikel 28, eerste/tweede lid onderdeel d WIJ). In voorkomende
                    gevallen is het in dat geval mogelijk met toepassing van artikel 18, eerste lid,
                    WWB de bijstandsnorm van de bijstandsgerechtigde partner te verlagen. </al><al>Voor de situatie dat beide partners ten laste komende kinderen hebben, is een
                    specifieke regeling getroffen. Dan geldt voor de jongere partner de
                        <cursief>gehuwdennorm </cursief>die bij zijn leeftijd past (artikel 28,
                    vierde lid, WIJ). Omdat daar expliciet over gehuwdennorm wordt gesproken, is
                    verlaging van die norm wegens medebewoning, wel mogelijk. De algemene bijstand
                    die de bijstandsgerechtigde partner ontvangt, moet vervolgens daarop in
                    mindering worden gebracht. </al><al/><al><vet>Berekening toepasselijke uitkering </vet></al><al>In de WIJ is evenmin als in de WWB voorgeschreven, dat in gevallen waarin zowel
                    de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met voorrang op de
                    toeslag dient plaats te vinden. Het bij voorrang toepassen van de verlaging op
                    de toeslag blijft ook in de WIJ de aangewezen volgorde. In de praktijk leidt dit
                    overigens alleen bij de combinatie verlaging wegens woonsituatie en
                    leeftijdsverlaging (een andere verlaging is niet mogelijk in combinatie met de
                    leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten. Bovenstaande in acht nemend
                    kan de hoogte van de normuitkering voor jongeren als volgt worden berekend: </al><al>1. Norm; </al><al>2a. Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande ouders) </al><al>OF </al><al>2b. Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen (alleen bij
                    gehuwden) </al><al>3. Korten met verlaging wegens woonsituatie; </al><al>4a. Korten met verlaging schoolverlater </al><al>OF </al><al>4b. Korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden op (het restant
                    van) de toeslag. </al><al/><al>De verlagingen onder stap 4a en 4b mogen nooit gelijktijdig worden toegepast. De
                    Toeslagenverordening geeft aan welke verlaging geldt. </al><al/><al>Leidt de uitkomst tot een lager bedrag aan bijstand dan de gestelde minima in
                    artikel 8 van de Toeslagenverordening, dan moet het college de bijstand
                    vaststellen op de van toepassing zijnde minimum hoogte volgens dit artikel. </al><al/><al><vet>Zelfstandigen </vet></al><al>Jongeren met een zelfstandig bedrijf of beroep komen niet in aanmerking voor een
                    werkleeraanbod of inkomensvoorziening (artikel 23, eerste lid, onderdeel e,
                    resp. artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ). Zij kunnen een beroep doen op
                    de WWB. Dat geldt voor de voorbereidingskosten, de periodieke bijstand voor
                    levensonderhoud en voor bedrijfskapitaal. Aandachtspunt bij de algemene bijstand
                    voor levensonderhoud is wel dat voor die jongeren de normensystematiek uit de
                    WIJ van toepassing is (zie artikel 58 WIJ). </al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 </vet></al><al>Evenals in de toeslagenverordening WWB is het begrip ‘gehuwdennorm’ omschreven,
                    omdat het uitkeringsgebouw in de WIJ, inclusief toeslagen en verlagingen, voor
                    21- tot 27-jarigen daaraan is gerelateerd. Volstaan is met een verwijzing naar
                    artikel 28, tweede lid, sub e, WIJ. De daar genoemde gehuwdennorm is gelijk aan
                    de gehuwdennorm genoemd in artikel 21, sub a, WWB. </al><al/><al>Evenmin als in de WWB wordt het begrip ‘woning’ in de WIJ omschreven. Gelet op
                    de analogie met de WWB mag aangenomen worden dat daarmee hetzelfde begrip is
                    bedoeld als in de WWB, te weten het begrip ‘woning’, bedoeld in de Wet op de
                    huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige
                    woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd,
                    alsmede de onroerende aanhorigheden”. </al><al/><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten is bij de
                    begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de Algemene Bijstandswet in
                    het Besluit landelijke normering (tot 1996) was opgenomen. Deze omschrijving
                    wordt in veel verordeningen nog gebruikt. Het is aan het college overgelaten om
                    de onderhoudskosten vast te stellen. Het is ook denkbaar dat geen gebruik wordt
                    gemaakt van het begrip ‘woonkosten’, maar van de begrippen ‘huur’ en
                    ‘hypotheek’. Het verdient aanbeveling deze dan nader te omschrijven. </al><al/><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens verwezen
                    naar artikel 3, zesde lid WWB, waarin deze woonruimtes met een woning worden
                    gelijkgesteld. </al><al/><al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven
                    hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. Zo wordt in deze verordening meerdere
                    malen het begrip ‘jongere’ gebruikt. Artikel 2, eerste lid, WIJ omschrijft dit
                    begrip. Onder jongere wordt verstaan: een hier te lande woonachtige Nederlander
                    (of daarmee gelijkgestelde vreemdeling) 16 jaar of ouder doch jonger dan 27
                    jaar. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder jongeren echter
                    verstaan de jongeren in de leeftijd van 21 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar
                    (zie ook artikel 2). </al><al/><al><vet>Artikel 3 </vet></al><al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is de gemeenteraad verplicht om
                    te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm of
                    toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in lid 1. </al><al/><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet
                    er echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                    toeslag blijft op zijn plaats. </al><al/><al>Evenals in de Toeslagenverordening WWB is in deze verordening als uitgangspunt
                    gekozen voor de zgn. forfaitaire variant voor het vaststellen van de hoogte van
                    de toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke bestaanskosten en de mate
                    waarin deze in concreto gedeeld worden bepalend zijn voor de hoogte van de
                    toeslag maar de enkele veronderstelling dat het delen van kosten mogelijk is. De
                    meeste gemeenten hebben gekozen voor deze variant, omdat deze de meest
                    efficiënte uitvoering oplevert en bovendien het minst fraudegevoelig is. In de
                    jurisprudentie is de forfaitaire variant algemeen aanvaard (zie bijvoorbeeld
                    CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). In de toeslagenverordening is daarom gekozen
                    voor een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval één ander in
                    dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Als nog een ander zijn hoofdverblijf
                    in de woning heeft kunnen de kosten nog meer gedeeld worden. </al><al/><al>Daarom is in het derde lid bepaald dat de toeslag 5% bedraagt als er twee of
                    meer medebewoners zijn. Als nog meer anderen in de woning hun hoofdverblijf
                    hebben, kan er echter niet zondermeer van worden uitgegaan dat het delen van
                    kosten in nog sterkere mate mogelijk is, zodat bijv. de toeslag op nihil zou
                    kunnen worden gesteld. Dat is voorbehouden aan de situatie dat <cursief>alle
                    </cursief>bestaanskosten gedeeld worden, nl. bij een gezamenlijke huishouding. </al><al/><al>Volledigheidshalve moet hier nog worden opgemerkt dat in de uitzonderlijke
                    situatie dat de medebewoner over geen enkele vorm van inkomen beschikt (denk aan
                    de niet rechthebbende partner of inwonende uitgeprocedeerde) verlaging van de
                    toeslag vanwege medebewoning niet kan worden toegepast. De medebewoner kan dan
                    immers daadwerkelijk geen bijdrage in de kosten leveren, waardoor er dus ook
                    geen voordeel is voor de betrokkene (CRvB 4 maart 2003, 00/3534 NABW en 02/3129
                    NABW). </al><al/><al>Daarnaast is nog als optie de mogelijkheid opgenomen om jongeren die een woning
                    delen met een ouder een lagere toeslag toe te kennen dan jongeren die een woning
                    delen met een ander. Het betreft hier feitelijk jongeren die hun hoofdverblijf
                    hebben bij (één van de) ouders. In dat geval mag aangenomen worden dat de
                    mogelijkheid om bestaanskosten te delen in het algemeen groter zal zijn dan in
                    andere gevallen (zie ook CRvB 2 maart 1999, JABW 1999/61 en 69). </al><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op de toeslagen van de alleenstaande (ouder) die
                    medebewoner zijn.</al><al>1<sup>e</sup> lid:</al><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder die medebewoner is en die de kosten niet
                    kan delen is verplicht op grond van artikel 30 lid 2 onder a van de wet.</al><al>2<sup>e</sup> lid:</al><al>Ingeval de medebewoner kosten van het bestaan kan delen (bijvoorbeeld huur en
                    stookkosten) dan is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden
                    niet van belang.</al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van
                    worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft
                    op zijn plaats. In de toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag
                    van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval één ander in dezelfde woning
                    zijn hoofdverblijf heeft. </al><al>3<sup>e</sup> lid:</al><al>Een medebewoner die met zijn ouders of inwonende kinderen woont krijgt een
                    toeslag van 5% van de gehuwdennorm.</al><al/><al><vet>Artikel 5 </vet></al><al>Artikel 4 vormt het spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor een
                    alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met 10% als een woning gedeeld wordt met
                    een ander, is dit ook gerealiseerd voor gehuwde jongeren in dezelfde situatie.
                    De jongeren kunnen in dat geval namelijk ook kosten delen met een ander en
                    daarom is een verlaging op zijn plaats. Zijn er meerdere personen waarmee de
                    bestaanskosten van de gehuwden kunnen worden gedeeld, dan kan de verlaging
                    worden verhoogd. Hetzelfde geldt voor eerstegraads bloedverwanten, zie de
                    toelichting op</al><al>artikel 3. Mocht worden gekozen voor de ‘werkelijke kostenvariant’ dan biedt het
                    model daarvoor een optie. </al><al/><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op de verlagingen van de normen van de gehuwde
                        <vet>medebewoners.</vet></al><al>Lid 1, sub a en b geeft aan dat de gehuwde medebewoners die de kosten niet
                    kunnen delen hebben recht op de volledige gehuwdennorm.</al><al>Lid 2, onderdelen a,b en c: de gehuwde medebewoners die de kosten kunnen delen
                    krijgen een verlaging van 10% van de gehuwdennorm.</al><al>Lid 3, onderdeel a en b: de gehuwde medebewoners die de woning delen met hun
                    kinderen of hun ouders krijgen een verlaging van 15% van de gehuwdennorm. De
                    ouders en kinderen daarentegen krijgen geen lagere norm of
                    toeslag.</al><al/><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Als aan een woning geen <cursief>woonkosten </cursief>verbonden zijn, is sprake
                    van lagere bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 32 WIJ opent om die
                    reden de mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Dat is in artikel 5
                    gerealiseerd. Het bepaalde onder a leidt ertoe dat de norm of toeslag met 20%
                    wordt verlaagd als de jongere geen woonlasten betaalt. Dat kan zich voordoen bij
                    krakers, of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijv. de ouders of
                    de ex-partner. Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de
                    jongere een eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en de aan het
                    eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar omstandigheden vast te
                    stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW). </al><al/><al>Wordt de norm of toeslag verlaagd omdat de jongere geen woonlasten heeft en is
                    hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die grond verlaagd
                    wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van verlaging van de
                    uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect van de dubbele verlaging
                    (zie CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698). Op grond van het individualiseringsbeginsel
                    zal de verlaging dan beperkt moeten worden. </al><al/><al>Lid 1, onderdeel b, bepaald dat als de jongere geen woning bewoont, de norm of
                    toeslag met 10% wordt verlaagd. Deze bepaling maakt het mogelijk om de uitkering
                    van dak- en thuislozen te verlagen, omdat deze lagere bestaanskosten hebben dan
                    jongeren die een woning bewonen. Mochten dak- en thuislozen regelmatig gebruik
                    maken van een opvangadres, dan kan de uitkering afwijkend worden vastgesteld,
                    met toepassing van artikel 35, vierde lid, WIJ bij wijze van individualisering. </al><al/><al><vet>Artikel 8 </vet></al><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 33 WIJ is blijkens de toelichting op dat
                    artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet in een
                    veel betere financiële positie te brengen als toen hij nog aangewezen was op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens de WTOS. Er wordt daarbij
                    geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit- of thuiswonende student.
                    Opmerking verdient nog dat bij gehuwden die beiden schoolverlater zijn, de
                    verlaging niet verdubbeld wordt. Deze blijft dan 20%. Wel is denkbaar, dat de
                    periode waarover de verlaging wordt toegepast, verlengd wordt, als beide
                    partners na elkaar schoolverlater worden. </al><al/><al>Wordt naast de schoolverlatersverlaging ook een verlaging toegepast i.v.m.
                    medebewoning dan kan dit spoedig tot gevolg kan hebben dat de totale verlaging
                    te groot is en aanpassing behoeft, gelet op het individualiseringsbeginsel. Dat
                    kan afgeleid worden uit CRvB 12 mei 2009, LJN: BI5349. Als de schoolverlater
                    voor beëindiging van de studie studiefinanciering WSF2000 ontving naar de norm
                    van uitwonende student, dan moet de inkomensvoorziening minimaal op die norm
                    worden vastgesteld. </al><al/><al><vet>Artikel 9 </vet></al><al>Artikel 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te passing
                    indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een
                    drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon
                    voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige ligt het voor de hand om
                    voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige. </al><al/><al>In het tweede lid wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in artikel 34
                    WIJ- de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan plaatsvinden op de
                    toeslag van artikel 33 WIJ. </al><al/><al>In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel 35,
                    tweede lid, sub b, WIJ om in de verordening vast te stellen dat de
                    schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast met de verlaging
                    voor 21- en 22-jarigen. Voor het met voorrang toepassen van de
                    schoolverlatersverlaging is gekozen, omdat een 21- of 22-jarige schoolverlater
                    niet beter af is op grond van dit artikel dan een 23-jarige schoolverlater op
                    grond van artikel 6 van de Toeslagenverordening. </al><al/><al><vet>Artikel 10 </vet></al><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                    omstandigheden bij de jongere en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden
                    aangemerkt. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen betekenen, dat het college
                    de inkomensvoorziening vanwege deze samenloop dermate laag zou moeten
                    vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van een toereikende
                    uitkering. In voorkomende gevallen zou het college op grond van artikel 35,
                    vierde lid, WIJ de inkomensvoorziening hoger moeten vaststellen. Daarom is er
                    voor gekozen om reeds in de Toeslagenverordening een <cursief>absoluut
                    </cursief>minimumbedrag vast te leggen, waarop het college de norm (inclusief
                    eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet vaststellen. Dat laat onverlet
                    dat in concrete omstandigheden het bij samenloop ook denkbaar is dat de norm
                    hoger moet worden vastgesteld. Zie bijv. de hierboven beschreven jurisprudentie
                    t.a.v. de samenloop van een verlaging i.v.m. medebewoning en het ontbreken van
                    woonkosten (CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698) en de samenloop van een
                    schoolverlatersverlaging en een verlaging i.v.m. medebewoning (CRvB 12 mei 2009,
                    LJN: BI5349). Het individualiseringsbeginsel kan dus met zich meebrengen dat bij
                    samenloop ook bij een resterende norm die boven de in dit artikel genoemde
                    percentages ligt, al aanleiding is om tot verhoging daarvan over te gaan, gelet
                    op alle omstandigheden van de jongere. </al><al/><al>Aan de verplichting van artikel 35, tweede lid, sub b, WIJ, t.w. dat in de
                    Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlatersverlaging (artikel
                    33 WIJ) en de leeftijdsverlaging (artikel 34 WIJ) niet gelijktijdig mogen worden
                    toegepast, wordt reeds voldaan door de formulering van artikel 7 van de
                    Toeslagenverordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>