<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR45854_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening gemeente Waterland 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Waterland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waterland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronische Gemeenteblad, 31-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening gemeente Waterland 2009.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>337-42</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR351104_1">Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Waterland 2015</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening gemeente Waterland 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Waterland,</al><al/><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al><al/><al>B E S L U I T : </al><al/><al>De Re-integratieverordening gemeente Waterland 2009 vast te stellen. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>arbeidsinschakeling: </vet>het verkrijgen van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van
                                        een voorziening als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder a van
                                        de WWB;</al></li><li nr="b."><al><vet>belanghebbenden:</vet> personen als bedoeld in artikel
                                        7 en 10 van de Wet werk en bijstand (WWB), artikel 2, 5 en
                                        63 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werklozen (IOAW )en artikel 2, 5 en 63
                                        van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ ), voor zover
                                        zij jonger zijn dan 65 jaar;</al></li><li nr="c."><al><vet>het college:</vet> het college van burgemeester en
                                        wethouders;</al></li><li nr="d."><al><vet>sociale activering: </vet>het verrichten van onbeloonde
                                        maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                                        arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet
                                        mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                                        participatie;</al></li><li nr="e."><al><vet>trajectplan: </vet>een ontwikkelgericht plan,
                                        toegesneden op de persoonlijke omstandigheden van de
                                        belanghebbende waarin opgenomen zijn: klantgegevens,
                                        klantprofiel, zoekprofiel, doel van het traject, in te
                                        schakelen organisaties en afspraken over ontwikkeltijd,
                                        begeleidingstijd en voortgangsrapportage;</al></li><li nr="f."><al><vet>werkgever: </vet>de persoon tot wie een werknemer in
                                        dienstbetrekking staat;</al></li><li nr="g."><al><vet>werkleeraanbod:</vet> het aanbieden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid, een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling, waaronder begrepen scholing, opleiding
                                        of sociale activering alsmede ondersteuning bij het
                                        arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="h."><al><vet>werknemer: </vet>de persoon die in een dienstbetrekking
                                        werkzaam is;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en
                                        die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis
                                        als in de Wet werk en bijstand (WWB), Wet
                                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werklozen (IOAW), Wet inkomensvoorziening
                                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                        zelfstandigen (IOAZ), en de Algemene wet bestuursrecht
                                        (Abw).</al></li><li nr="b."><al>Alle voorzieningen die in deze verordening worden genoemd
                                        zijn, tenzij anders aangegeven, van toepassing op
                                        rechthebbenden op de WWB, de IOAW en de IOAZ.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan of ten behoeve van een belanghebbende een
                                subsidie verstrekken dan wel dienstverlening inkopen, waardoor deze
                                persoon in staat wordt gesteld deel te nemen aan activiteiten die
                                bijdragen tot sociale activering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een trajectplan wordt per individu aan de hand van een diagnose
                                van de situatie van de deelnemer de deelname aan activiteiten als
                                bedoeld in het eerste lid vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het trajectplan is een onderdeel van de beschikking die het college
                                kan opleggen aan een belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college laat werkzaamheden in het kader van het trajectplan
                                zoveel mogelijk verrichten door een natuurlijke of rechtspersoon die
                                in het kader van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in
                                het arbeidsproces bevordert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Sociale activering gericht op zelfstandige maatschappelijke
                                participatie</titel></kop><al>Het college kan conform artikel 10a WWB, indien arbeidsinschakeling voor
                            rechthebbenden op de Wet werk en bijstand nog niet mogelijk is,
                            activeringsactiviteiten aanbieden zoals vrijwilligerswerk en andere
                            nuttige maatschappelijke activiteiten om te bevorderen dat de
                            belanghebbende zelfstandig leert deelnemen aan het maatschappelijk
                            leven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Sociale activering gericht op arbeidsinschakeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voorzieningen aanbieden gericht op
                                arbeidsinschakeling indien daardoor de concurrentieverhoudingen niet
                                onverantwoord worden beïnvloed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende niet beschikt over een startkwalificatie
                                dan kan het college een scholingstraject aanbieden dat tot die
                                kwalificatie leidt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Stimulans richting arbeidsmarkt</titel></kop><al>Het college kan de volgende premies en onkostenvergoedingen toekennen om
                            belanghebbenden te stimuleren bij de arbeidsinschakeling:</al><lijst><li nr="a."><al>Uitstroompremie voltijd: het éénmaal per uitkeringsduur
                                    verstrekken van een premie indien duurzame uitstroom naar een
                                    voltijdse reguliere baan is gerealiseerd en de belanghebbende
                                    gedurende tenminste 6 maanden onmiddellijk voorafgaand een
                                    uitkering heeft ontvangen;</al></li><li nr="b."><al>Premie deeltijdwerk aanvaarding: in afwijking van het gestelde
                                    onder a, kan éénmaal per uitkeringsduur een premie worden
                                    verstrekt indien het accepteren van een voltijdse reguliere baan
                                    niet reëel is en gedurende tenminste 6 maanden deeltijdwerk
                                    verricht is; </al></li><li nr="c."><al>Premie of onkostenvergoeding: premie of kostenvergoeding die
                                    gebruikt wordt voor de kosten die niet door de werkgever worden
                                    vergoed en die kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling dan wel
                                    aan een terugkeer naar de reguliere arbeidsmarkt;</al></li><li nr="d."><al>Re-integratiepremie: het éénmaal per jaar verstrekken van een
                                    premie als een onderdeel van het trajectplan, genoemd in artikel
                                    2 van deze verordening, met goed gevolg is afgerond;</al></li><li nr="e."><al>Scholingspremie: een eenmalige premie indien een scholingsjaar
                                    of scholing van tenminste 3 maanden met goed gevolg is afgerond
                                    en de scholing noodzakelijk wordt geacht voor terugkeer naar de
                                    reguliere arbeidsmarkt;</al></li><li nr="f."><al>Premie of kostenvergoeding vrijwilligerswerk: het verstrekken
                                    van een vergoeding in verband met het verrichten van
                                    vrijwilligerswerk indien dit onderdeel is van het
                                    re-integratietraject in het kader van de WWB.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Persoonsgebonden re-integratiebudget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een subsidie verstrekken in de vorm van een op de </al><al>arbeidsinschakeling gericht persoonsgebonden
                                re-integratiebudget.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een persoonsgebonden re-integratiebudget wordt verstaan een
                                subsidie ter voldoening van de noodzakelijk te maken kosten van
                                werkzaamheden die zijn gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die,
                                ter bevordering van de arbeidsinschakeling van belanghebbenden, met
                                belanghebbenden een arbeidsovereenkomst sluiten om hen in de
                                gelegenheid te stellen werkervaring op te doen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de loonkostensubsidie niet kan
                                leiden tot concurrentievervalsing door verdringing van de reguliere
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college neemt de beleidsaanbeveling van de staatssecretaris van
                                Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor loonkostensubsidie in acht.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidieverstrekking wordt in ieder geval geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gelden niet of in onvoldoende mate besteedt worden voor
                                        het doel waarvoor de subsidie beschikbaar is gesteld;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de
                                        gemeente;</al></li><li nr="c."><al>de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak
                                        maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de
                                        indiensttreding van de werknemer;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Zorgvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgvoorzieningen aanbieden voor belanghebbenden die
                                belemmerd worden bij de arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bijvoorbeeld de volgende zorgvoorzieningen
                                aanbieden:</al><lijst><li nr="a."><al>kinderopvang om de arbeidsinschakeling te bevorderen;</al></li><li nr="b."><al>schuldhulpverlening.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Aanspraak op een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over het aanbieden van een voorziening,
                                waaronder begrepen sociale activering, gericht op
                                arbeidsinschakeling aan belanghebbenden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de aanspraak op een voorziening als bedoeld in het
                                eerste lid weigeren indien naar het oordeel van het college een
                                dergelijke voorziening voor het individu niet noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Sluitende aanpak</titel></kop><al>De belanghebbende als bedoeld in artikel 10 WWB, artikel 34 IOAW en
                            artikel 34 IOAZ kan een aanvraag indienen voor ondersteuning. Het
                            college beslist of de belanghebbende in aanmerking komt voor
                            ondersteuning bij de arbeidsinschakeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Beleidsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een beleidsplan vast, waarin beleidsprioriteiten
                                worden aangegeven, alsmede de hoogte en wijze van financiering.</al><al> Dit plan omvat in elk geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een omschrijving van het beleid voor de verschillende
                                        doelgroepen en het aangeven van de prioriteit binnen en
                                        tussen die groepen, waarbij een evenwichtige aanpak als
                                        uitgangspunt wordt genomen; </al></li><li nr="b."><al>een verdeling van de beschikbare middelen over de
                                        verschillende voorzieningen; </al></li><li nr="c."><al>het beleid voor zorg en hulpverlening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college geeft in voortgangsrapportage WWB aan de gemeenteraad
                                verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid. De
                                rapportage wordt samen met de vooren najaarsnota geagendeerd voor de
                                raadsvergaderingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot premies,
                                subsidies en kostenvergoedingen. Daarin wordt in ieder geval
                                geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitwerking van de beleidsaanbeveling van de
                                        staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor
                                        loonkostensubsidie, zoals genoemd in artikel 7 van deze
                                        verordening; </al></li><li nr="b."><al>het aantal gesubsidieerde werkervaringsplaatsen en de
                                        maximale duur van een werkervaringplaats;</al></li><li nr="c."><al>de hoogte, de voorwaarden en het tijdstip van de aan de
                                        werkgever te verstrekken loonkostensubsidie;</al></li><li nr="d."><al>de gegevens die een werkgever moet verstrekken om in
                                        aanmerking te komen voor loonkostensubsidie;</al></li><li nr="e."><al>de vergoeding van de kosten van een geïndiceerd traject ten
                                        behoeve van belanghebbenden, niet zijnde
                                        uitkeringsgerechtigden;</al></li><li nr="f."><al>de hoogte en de voorwaarden van de premies in de gevallen
                                        genoemd in artikel 5 van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al>de samenstelling en de voorwaarden van het persoonsgebonden
                                        re-integratiebudget.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot het
                                trajectplan als bedoeld in artikel 2 van deze verordening. Daarin
                                wordt in ieder geval geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de taakstelling, de verdeling van taken en de bevoegdheden
                                        bij de uitvoering van trajecten voor sociale activering en
                                        werkervaringsplaatsen;</al></li><li nr="b."><al>de wijze van totstandkoming en de voorwaarden van de
                                        overeenkomst tussen de belanghebbende en de derde die de
                                        werkzaamheden genoemd in het trajectplan uitvoert;</al></li><li nr="c."><al>de wijze van totstandkoming van het trajectplan en de
                                        maximale duur van de voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot het
                                aanbieden van voorzieningen. Daarin wordt in ieder geval
                                geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>welke voorzieningen het college kan aanbieden; </al></li><li nr="b."><al>de voorwaarden die worden gesteld bij deelname aan een
                                        voorziening voor zover daarover in de wet of in deze
                                        verordening geen bepalingen zijn opgenomen. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verplichtingen van de belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verbindt, ten aanzien van een belanghebbende voor wie de
                                verplichtingen van artikel 9 WWB, artikel 37 Wet IOAW of artikel 37
                                Wet IOAZ gelden, het gebruikmaken van een aangeboden voorziening als
                                plicht aan het recht op uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het trajectplan ten behoeve van andere dan in het eerste lid
                                bedoelde belanghebbenden wordt vastgelegd dat de belanghebbende de
                                kosten van de re-integratievoorziening geheel of gedeeltelijk zal
                                terugbetalen als de voorziening door een gedraging die aan
                                belanghebbende te wijten is voortijdig wordt afgebroken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de wet en deze verordening, aan een voorziening verplichtingen
                                verbinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Beëindiging van voorzieningen</titel></kop><al>Het college kan een voorziening beëindigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                    verplichtingen als bedoeld in de WWB, de Wet IOAW en de Wet IOAZ
                                    of de verplichtingen die bij of krachtens deze verordening
                                    worden gesteld, niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                    behoort tot de doelgroep van de WWB, de Wet IOAW of de Wet
                                    IOAZ;</al></li><li nr="c."><al>indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt,
                                    waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening; </al></li><li nr="d."><al>indien naar het oordeel van het college de voorziening
                                    onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="e."><al>indien de persoon niet naar behoren gebruik maakt van de
                                    aangeboden voorziening;</al></li><li nr="f."><al>indien de persoon verhuist naar een andere gemeente.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, als strikte toepassing ervan zou leiden tot ernstige
                            onbillijkheid en mits de belanghebbende geen enkel verwijt van
                            nalatigheid in het nakomen van verplichtingen kan worden gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Re-integratieverordening
                            gemeente Waterland 2009.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>1. Deze verordening treedt de dag na publicatie in “Ons Streekblad” met
                            terugwerkend kracht per 1 oktober 2009 in werking. </al><al>2. De Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2008 wordt
                            ingetrokken op het moment dat de Re-integratieverordening gemeente
                            Waterland 2009 in werking treedt.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Waterland, gehouden op 20 mei 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. E.G.H. Dijk mr. E.F. Jongmans</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting Re-integratieverordening 2009 </titel></kop><al/><al>Met de invoering van de Wet investeren in jongeren (WIJ) per 1 oktober 2009
                    geldt dat jongeren in de leeftijdsgroep 16 tot 27 jaar werkleeraanbod kunnen
                    aanvragen bij de gemeente ongeacht hun inkomenspositie. De aanspraak op de Wet
                    werk en bijstand (WWB) - voorheen een vangnetfunctie voor mensen tot 65 jaar die
                    niet, of niet meer, in aanmerking kwamen voor een uitkering op grond van een
                    andere sociale zekerheidsregeling - is als gevolg van de WIJ beperkt tot de
                    leeftijdsgroep 27 tot 65 jaar.</al><al>Van degenen die een beroep doen op één van deze wetten wordt verwacht dat zij
                    alles in het werk stellen om (weer) zelfstandig in het bestaan te kunnen
                    voorzien. </al><al/><al>Re-integratie is het geheel van activiteiten dat leidt tot een duurzame
                    arbeidsinschakeling. Het doel van re-integratie is dat mensen aan het werk gaan
                    of middels scholing of opleiding, sociale activering en ondersteuning hun kansen
                    op de arbeidsmarkt verbeteren. Voor mensen die een bijstandsuitkering ontvangen
                    is werken in beginsel verplicht. Naast uitkeringsgerechtigden is er ook een
                    groep belanghebbenden die wil werken, maar die niet zelfstandig werk kan vinden
                    of behouden. Deze mensen kunnen gebruik maken van gemeentelijke voorzieningen
                    die hen kunnen helpen een plaats op de arbeidsmarkt te verwerven.</al><al/><al>Wanneer het voor een belanghebbende als bedoeld in de WWB (tijdelijk) niet
                    mogelijk is om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden, is
                    deze nog steeds gehouden aan de re-integratieplicht. Voor rechthebbenden op
                    werkleeraanbod volgens de WIJ is er sprake van een re-integratieverzoek
                    aangezien de belanghebbende zelf een verzoek voor werkleeraanbod doet bij de
                    gemeente. Beide re-integratievormen hebben gemeen dat de re-integratie gericht
                    is om gebruik te maken van door de gemeente aangeboden voorzieningen gericht op
                    arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering, en mee te werken aan
                    een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. </al><al/><al>Het is aan de gemeente om te beoordelen, mede met behulp van het advies van het
                    UWV Werkbedrijf in welke mate betrokkene op eigen kracht in staat is algemeen
                    geaccepteerde arbeid te aanvaarden of dat een betrokkene ondersteuning nodig
                    heeft bij arbeidsinschakeling. In dat laatste geval is de gemeente
                    verantwoordelijk voor het leveren van deze ondersteuning in de vorm van
                    voorzieningen. Aan de vormgeving van en de mate waarin deze voorzieningen worden
                    ingezet stelt de wet geen eisen. De wet verplicht echter de gemeente om bij
                    verordening regels op te stellen met betrekking tot het aanbieden van
                    voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. </al><al/><al><vet> Toelichting per artikel </vet></al><al/><al><vet>1. Algemene bepalingen </vet></al><al/><al><cursief>Toelichting bij artikel 1 Begripsbepalingen </cursief></al><al>Dit artikel omschrijft de betekenis van een aantal begrippen die in de
                    verordening voorkomen.</al><al/><al>In het eerste lid worden een aantal specifieke begrippen omschreven: </al><lijst><li nr="a."><al>Het eerste lid onder a legt het begrip ‘arbeidsinschakeling’ uit.</al><al>Onder arbeidsinschakeling wordt verstaan het verrichten van algemeen
                            geaccepteerde arbeid, zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een
                            daarop gerichte voorziening die door de gemeente wordt aangeboden. Met
                            deze beperking wordt aangegeven dat gesubsidieerde arbeid, als
                            voorziening in het kader van de wet, weliswaar algemeen geaccepteerde
                            arbeid is, maar geen einddoel kan zijn.</al></li><li nr="b."><al><cursief>Belanghebbenden op grond van de Wet werk en
                            bijstand:</cursief></al><al>Op grond van de Wet werk en bijstand (art. 7, 9 en 10 WWB) zijn
                            belanghebbenden voor de re-integratieverordening personen van 27 jaar en
                            ouder doch jonger dan 65 jaar die een algemene bijstand ontvangen,
                            personen die een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet
                            ontvangen en niet-uitkeringsgerechtigden.</al><al>Niet-uitkeringsgerechtigden zijn personen, jonger dan 65 jaar, die als
                            werkloze werkzoekende staan geregistreerd bij het UWV Werkbedrijf en die
                            geen recht hebben op een uitkering van het Uitvoeringsinstituut
                            Werknemersverzekeringen (arbeidsongeschiktheidsuitkering,
                            werkloosheidsuitkering, uitkering op grond van Toeslagenwet), en waarbij
                            het college het aanbieden van een voorziening noodzakelijk acht.</al><al/><al><cursief> Belanghebbenden op grond van de Wet investeren in
                                jongeren</cursief></al><al>Op grond van de Wet investeren in jongeren ( art. 13, WIJ) zijn
                            belanghebbenden voor de re-integratieverordening:</al><al>a. de jongere die zich in de leeftijdscategorie van 16 tot en met 17
                            jaar bevindt, geen scholing of opleiding volgt, minder dan 16 uur per
                            week arbeid verricht en die heeft voldaan aan de kwalificatieplicht,
                            bedoeld in paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969 dan wel aan wie een
                            vrijstelling van die kwalificatieplicht is verleend.</al><al>b. de jongere die zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 26
                            jaar bevindt en wiens in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de op
                            hem van toepassing zijnde norm, bedoeld in de artikelen 26 tot en met 29
                            van de Wet investeren in jongeren, waarbij voor het in aanmerking te
                            nemen inkomen het inkomen van de echtgenoot buiten beschouwing wordt
                            gelaten.</al><al/><al><cursief>Belanghebbenden op grond van de IOAW:</cursief></al><al>Belanghebbenden volgens art. 2 Wet IOAW zijn werknemers die na het
                            bereiken van de 50- jarige leeftijd werkloos zijn geworden of die geen
                            recht meer hebben op loongerelateerde werkhervattingsuitkering
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikten met een inkomen lager dan het sociaal
                            minimum. De volledige uitkeringsduur van de voorliggende voorziening
                            (WW- uitkering of WGA- uitkering) moet zijn bereikt. Naast de werklozen
                            zelf hebben ook hun echtgenoten recht op een IOAW- uitkering (art. 5 Wet
                            IOAW).</al><al>Belanghebbenden voor de Wet IOAW zijn slechts personen die voldoen aan
                            de voorgenoemde bepaling indien de werkloosheid is aangevangen nadat zij
                            de leeftijd van 50 jaar hebben bereikt, dus niet wanneer het recht op
                            een andere uitkering is beëindigd na het bereiken van de 50- jarige
                            leeftijd. </al><al>Werkloosheid wordt niet gedefinieerd in de Wet IOAW, er wordt in
                            beginsel uitgegaan van het werkloosheidsbegrip als in de
                            Werkloosheidswet. De afwijking van het begrip werkloosheid bij de Wet
                            IOAW is dat niet naar arbeidsuren verlies en loondoorbetaling wordt
                            gekeken, het gaat er om dat de belanghebbende niet ten volle arbeid
                            verricht en inzetbaar is op de arbeidsmarkt.</al><al>Ingevolge de overgangsbepaling van art. 63 Wet IOAW zijn belanghebbenden
                            voor de Wet IOAW ook arbeidsongeschikte werknemers met een gedeeltelijke
                            WAO- uitkering (minder dan 80%) die de loongerelateerde en
                            vervolguitkering van de Werkloosheidswet hebben doorlopen. Ook
                            jonggehandicapten met een gedeeltelijke WAJONG- uitkering (minder dan
                            80%) zijn belanghebbenden tot de leeftijd van 65 jaar. Voor aanspraak
                            ingevolge de overgangsbepaling geldt tevens dat de belanghebbende op 28
                            december 2005 een IOAW- uitkering ontving en geen recht heeft op een
                            toeslag via de Toeslagenwet.</al><al/><al><cursief>Belanghebbenden op grond van de IOAZ:</cursief></al><al>Belanghebbenden voor de Wet IOAZ zijn gewezen zelfstandigen met
                            inkomsten beneden het sociaal minimum. Net als bij de Wet IOAW zijn ook
                            de echtgenoten belanghebbenden voor de Wet IOAZ (art. 3 Wet IOAZ). </al><al>Belanghebbenden voor de Wet IOAZ zijn gewezen zelfstandigen tussen de 55
                            en 65 jaar waarvan de inkomsten beneden het sociaal minimum blijven
                            (art. 2 Wet IOAZ). Zelfstandigen voor deze wet zijn bijvoorbeeld
                            werkzaam in een eenmanszaak, een maatschap of als
                            directeur-grootaandeelhouder van een nv of bv. </al><al>Ook gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen die jonger
                            zijn dan 65 jaar, en hun bedrijf of beroep hebben moeten beëindigen in
                            verband met arbeidsongeschiktheid zijn belanghebbenden (art. 63 Wet
                            IOAZ). Als gevolg daarvan moeten zij een uitkering hebben op grond van
                            de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) naar een
                            percentage van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%.</al></li><li nr="c."><al>Het college van Burgemeester en Wethouders, oftewel het college, voert
                            het dagelijks bestuur van de gemeente. </al></li><li nr="d."><al>Sociale activering kan ingezet worden met als perspectief
                            arbeidsinschakeling, maar ook met sociale redzaamheid als perspectief.
                            Bij de onbeloonde activiteiten in het kader van de WWB kan het gaan om
                            scholing, training, stage, proefplaatsing, begeleiding, advisering,
                            vrijwilligerswerk en dergelijke. De onbeloonde activiteiten staan ten
                            dienste van het perspectief van betrokkene. Zij kunnen dus nooit louter
                            dienen als een budgetvriendelijke oplossing voor het doen verrichten van
                            maatschappelijk nuttige activiteiten waarvoor geen of onvoldoende
                            publieke financiering voorhanden is. </al></li><li nr="e."><al>Het trajectplan omschrijft duidelijk welke afspraken met de
                            belanghebbende gemaakt worden. Uit de begripsomschrijving blijkt dat dit
                            plan zorgvuldig wordt opgesteld aan de hand van de omstandigheden van de
                            belanghebbende.</al></li><li nr="f."><al>De werkgever is de persoon tot wie de werknemer in dienstbetrekking
                            staat; dit is degene onder wie de belanghebbende de afspraken zoals
                            beschreven in het trajectplan uitvoert. </al></li><li nr="g."><al>De werknemer is de persoon die in dienstbetrekking werkzaam is; dit is
                            dus de belanghebbende die voor de werkgever werkzaamheden uitvoert in
                            het kader van het trajectplan.</al></li></lijst><al/><al>Het tweede lid stelt dat alle begrippen die niet nader worden omschreven
                    dezelfde betekenis hebben als in de wet. Uit deze bepaling blijkt dat woorden
                    een andere betekenis kunnen hebben dan een omschrijving die bijvoorbeeld in een
                    woordenboek worden gegeven. </al><al/><al><vet> 2. Voorzieningen</vet></al><al/><al><cursief> Toelichting bij artikel 2 Sociale activering</cursief></al><al>Het doel van sociale activering is het bevorderen van zelfstandige
                    maatschappelijke participatie (sociale redzaamheid) al dan niet door
                    arbeidsinschakeling. De wet schrijft niet dwingend voor welke voorzieningen het
                    college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet
                    zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk
                    maken van reguliere arbeid door de belanghebbende. Al naar gelang de afstand van
                    belanghebbende tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op
                    bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het
                    verrichten van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van
                    vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld door middel
                    van gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele
                    gevallen een persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt.</al><al/><al>Het eerste lid geeft aan dat een belanghebbende in staat kan worden gesteld
                    gebruik te maken van een aangeboden voorziening waardoor de belanghebbende deel
                    kan nemen aan activiteiten die bijdragen tot sociale activering. Ook is het
                    mogelijk dat aan de belanghebbende een subsidie wordt verstrekt, zodat de
                    belanghebbende in staat wordt gesteld zijn of haar eigen traject richting de
                    arbeidsmarkt te financieren. Deze subsidie kan ook aan een werkgever worden
                    verstrekt om het voor de werkgever aantrekkelijker te maken een werknemer te
                    helpen bijvoorbeeld werkervaring op te doen.</al><al/><al>Het tweede lid stelt dat de startsituatie van de kandidaat voor sociale
                    activering wordt vertaald in een individueel aanbod, het trajectplan. In dit
                    trajectplan worden de afspraken die met de belanghebbende zijn gemaakt
                    vastgelegd. Deze afspraken hebben onder meer betrekking op de activiteiten
                    waaraan de belanghebbende zal deelnemen. </al><al/><al>Het trajectplan wordt volgens het derde lid vastgelegd in een beschikking. Dit
                    wijst erop dat de belanghebbende gebonden is aan het trajectplan. Een bepaling
                    in deze beschikking is bijvoorbeeld dat het gebruik maken van de aangeboden
                    voorziening een voorwaarde is voor het recht op een uitkering (dit blijkt uit
                    artikel 13 van deze verordening).</al><al/><al>In het vierde lid wordt bepaald dat de gemeente voor het opstellen van het
                    trajectplan en voor de uitvoering van de activiteiten uit het trajectplan
                    gebruik kan maken van één of meer externe opdrachtnemers. De opdrachtnemer is
                    altijd een natuurlijk persoon of rechtspersoon die in het kader van beroep of
                    bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid of de sociale redzaamheid
                    bevordert.</al><al/><al><cursief>Toelichting bij artikel 3 Sociale activering gericht op zelfstandige
                        maatschappelijke participatie </cursief></al><al>Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van maatschappelijk
                    nuttige activiteiten als voorbereiding op een traject gericht op werk of gericht
                    op het voorkomen van sociaal isolement. Het doel van sociale activering is
                    personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de
                    arbeidsmarkt. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te
                    hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar
                    participatie voorop als voorbereiding op arbeidsinschakeling.</al><al>Een doel kan sociale activering gericht op het zelfstandig kunnen deelnemen aan
                    het maatschappelijk verkeer zijn.</al><al>Voorzieningen om sociale activering te bereiken kunnen activiteiten gericht op
                    maatschappelijke participatie of sociale activeringsactiviteiten zoals
                    vrijwilligerswerk zijn.</al><al/><al><cursief>Toelichting bij artikel 4 Sociale activering gericht op
                        arbeidsinschakeling </cursief></al><al>Sociale activering is gericht op het terugleiden van personen met een grote
                    afstand tot de arbeidsmarkt naar de arbeidsmarkt. </al><al/><al>De arbeidsrelevante trajecten mogen volgens het eerste lid niet leiden tot
                    concurrentievervalsing; dit wil zeggen dat door deze arbeidsrelevante trajecten
                    de reguliere arbeidsmarkt niet mag worden verdrongen. Om deze reden voert de
                    gemeente bijvoorbeeld het beleid dat bij sociale activering gericht op
                    arbeidsinschakeling korte trajecten worden gevolgd van maximaal één jaar met als
                    resultaat uitstroom naar betaald werk. Trajecten kunnen bijvoorbeeld
                    arbeidsrelevante trajecten zijn. Vrijwilligerswerk is een middel voor het opdoen
                    of behouden van werkritme. Bij de gemeente Waterland worden de trajecten gericht
                    op arbeidsinschakeling gevolgd bij re-integratiebedrijven. </al><al/><al>Indien de belanghebbende nog geen startkwalificatie heeft, kan het college
                    volgens het tweede lid een scholingstraject aanbieden. De gemeente Waterland
                    bepaald in het beleid dat scholing in beginsel maximaal 1 jaar mag duren en ten
                    hoogste MBO niveau betreft, met als doel uitstroom naar regulier werk.</al><al/><al><cursief> Toelichting bij artikel 5 Stimulans richting arbeidsmarkt
                    </cursief></al><al>De mogelijkheden voor de gemeente om premies of onkostenvergoedingen te
                    verstrekken zijn ruim; er kan gedacht worden aan een premie voor het volgen of
                    afronden van scholing, werkbehoud- of aanvaarding of voor het verrichten van
                    vrijwilligerswerk. De gemeente kan, volgens de Memorie van Toelichting, de
                    premie verstrekken met het oog op het bevorderen van positief gedrag gericht op
                    uitstroom naar betaalde arbeid. Artikel 31 WWB en artikel 7 van de Regeling WWB
                    bepalen dat premies en onkostenvergoedingen aan maximumbedragen gehouden
                    zijn.</al><al>In het beleid van de gemeente (artikel 12 van deze verordening) worden nadere
                    regels gesteld over premies en onkostenvergoedingen, bijvoorbeeld dat de premie
                    slechts eenmaal per kalenderjaar kan worden verstrekt; dat de premie in een
                    bedrag uitgekeerd dient te worden; dat voor elke nieuwe premie aan een
                    belanghebbende een nieuw besluit dient te worden genomen op basis van nieuwe
                    omstandigheden in de voortgang van de re-integratie van de belanghebbende en dat
                    de premie geen structureel karakter mag dragen.</al><al>Door de eenmalige verstrekking is de premie onbelast waardoor de premie geen
                    effect heeft op inkomensafhankelijke regelingen (WWB).</al><al/><al>Volgens dit artikel kunnen de volgende premies en onkostenvergoedingen worden
                    toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>De uitstroompremie kan worden uitgekeerd als de belanghebbende een baan
                            heeft gevonden en geaccepteerd nadat hij of zij ten minste 6 maanden
                            direct daarvoor door middel van een uitkering in het bestaan heeft
                            voorzien. De belanghebbende wordt hiermee beloond omdat hij of zij niet
                            langer is aangewezen op een uitkering doordat hij of zij zelf inkomsten
                            uit arbeid verkrijgt.</al></li><li nr="b."><al>Wanneer de belanghebbende, net als in de vorige omschrijving, tenminste
                            6 maanden een uitkering heeft ontvangen, maar waarbij het de
                            belanghebbende ondanks voldoende inspanning niet is gelukt een voltijdse
                            baan te vinden, kan ook deze belanghebbende worden beloond voor zijn of
                            haar inzet door middel van een premie deeltijd werk aanvaarding.</al></li><li nr="c."><al>Een premie of onkostenvergoeding kan worden verstrekt voor de kosten die
                            gemaakt moeten worden als bijdrage aan de bevordering van de
                            arbeidsinschakeling dan wel aan een terugkeer naar de reguliere
                            arbeidsmarkt voor zover deze kosten niet door de werkgever worden
                            vergoed.</al></li><li nr="d."><al>Als een belanghebbende een doelstelling van het trajectplan behaalt, kan
                            hij of zij hiervoor worden beloond door middel van een
                            re-integratiepremie.</al></li><li nr="e."><al>Indien de belanghebbende nog geen startkwalificatie heeft en in het
                            kader van een scholingstraject een scholing heeft afgerond kan de
                            belanghebbende hiervoor worden beloond met een scholingspremie.</al></li><li nr="f."><al>Vrijwilligerswerk is een middel voor het opdoen of behouden van
                            werkritme. Kosten die hiervoor gemaakt moeten worden kunnen in
                            aanmerking komen voor een vergoeding. </al></li></lijst><al/><al><cursief> Toelichting bij artikel 6 Persoonsgebonden re-integratiebudget
                    </cursief></al><al>De wet schrijft niet dwingend voor welke voorzieningen het college aan moet
                    bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de
                    arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door belanghebbende. </al><al/><al>In het eerste lid wordt bepaald dat aan een belanghebbende een persoonsgebonden
                    re-integratiebudget kan worden toegekend. Het persoonsgebonden
                    re-integratiebudget wordt gebruikt voor het subsidiëren van arbeidsinschakeling
                    door de belanghebbende zelf, dus niet voor een aangeboden voorziening.</al><al/><al>Het tweede lid legt uit dat met het persoonsgebonden budget mogelijk is om een
                    individueel re-integratiebudget toe te kennen voor noodzakelijk te maken kosten
                    in de arbeidsmarktinschakeling. </al><al/><al><cursief>Toelichting bij artikel 7 Loonkostensubsidie </cursief></al><al>Naast sociale activering is gesubsidieerde arbeid het tweede belangrijke
                    re-integratie-instrument voor het bevorderen van de arbeidsinschakeling. </al><al/><al>Het eerste lid bepaald dat aan een werkgever loonkostensubsidie kan worden
                    toegekend om belanghebbenden in de gelegenheid te stellen werkervaring op te
                    doen. Een tijdelijke loonkostensubsidie maakt het voor werkgevers aantrekkelijk
                    om een werkervaringsplaats te bieden aan personen die wat minder productief
                    zijn, die arbeidsvaardigheden moeten opdoen of die meer dan gemiddeld
                    begeleiding nodig hebben. Bij gesubsidieerde arbeid kan het gaan om een
                    dienstbetrekking met een reguliere werkgever of met een re-integratiebedrijf. De
                    werkgever of het re-integratiebedrijf mag de werknemer detacheren bij derden als
                    de doelstellingen van de gesubsidieerde arbeid maar bewaard blijven. </al><al/><al>Het tweede lid stelt dat de loonkostensubsidie niet mag leiden tot verdringing
                    van de reguliere arbeidsmarkt; er mag geen sprake zijn van
                    concurrentievervalsing doordat een bedrijf ‘onder de prijs’ gaat leveren omdat
                    er met goedkopere arbeidskrachten wordt gewerkt. Doordat alle werkgevers die
                    kunnen bijdragen aan de sociale activering van een belanghebbende aanspraak
                    kunnen maken op loonkostensubsidie, zal dit niet leiden tot
                    concurrentievervalsing.</al><al/><al>In het derde lid wordt vermeld dat de gemeente de beleidsaanbeveling van de
                    minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor loonkostensubsidie in haar
                    beleid opgevolgd. Deze beleidsaanbeveling heeft betrekking op subsidies die
                    mogelijk als staatsteun kunnen worden aangemerkt. De beleidsaanbeveling is
                    opgenomen in de verzamelbrief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en
                    Werkgelegenheid van 7 april 2004, kenmerk Intercom/2004/24233. Staatssteun kan
                    leiden tot concurrentievervalsing, door het volgen van de beleidsaanbeveling
                    geeft de gemeente geen staatsteun.</al><al/><al>In aanvulling op de wettelijke weigeringsgronden, bevat het vierde lid nog drie
                    gronden om de subsidie te weigeren. De eerste twee gronden verwijzen naar het
                    gemeentelijke beleid inzake de bevordering van arbeidsinschakeling. De derde
                    weigeringsgrond is het gevolg van het uitgangspunt dat cumulatie van subsidies
                    moet worden voorkomen.</al><al/><al>Artikel 4:35, lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de
                    subsidieverlening kan worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan
                    te nemen dat:</al><al>a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al><al>b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                    verplichtingen;</al><al>c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal
                    afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en
                    inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang
                    zijn.</al><al/><al>Het tweede lid van artikel 4:35 Awb bepaalt dat de subsidieverlening voorts in
                    ieder</al><al>geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al><al>a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
                    en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag
                    zou hebben geleid;</al><al>b. Failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend, dan wel
                    een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.</al><al/><al><cursief>Toelichting bij artikel 8 Zorgvoorzieningen </cursief></al><al>Het eerste lid bepaald dat eventueel aanwezige belemmeringen om deelname aan
                    arbeid te realiseren, kunnen worden weggenomen door het aanbieden van
                    voorzieningen. </al><al/><al>In het tweede lid wordt bepaald welke voorziening onder meer kunnen worden
                    aangeboden.</al><al>De beschikbaarstelling voor de arbeidsmarkt van alleenstaande ouders in de
                    bijstand dient aan een aantal voorwaarden te voldoen; het gaat hierbij om
                    passende kinderopvang, tussenschoolse opvang en buitenschoolse opvang en de
                    aansluiting op schooltijden.</al><al/><al><cursief><vet>3. Beleid</vet></cursief></al><al><cursief>Toelichting bij artikel 9 Aanspraak op een voorziening </cursief></al><al>Het eerste lid omschrijft dat het college besluit over het aanbieden van een
                    voorziening.</al><al>Belanghebbenden hebben aanspraak op ondersteuning bij het verkrijgen van
                    algemeen geaccepteerde arbeid voor zover zij jonger zijn dan 65 jaar en voor
                    zover zij geen uitkering krijgen van het UWV. </al><al>Indien het college een aanvraag om ondersteuning afwijst zal zij dit met redenen
                    omkleed moeten doen. De gemeente zal altijd een individuele afweging moeten
                    maken of zij een aanspraak wil en kan honoreren. Tegen deze beslissing staat
                    bezwaar en beroep open voor belanghebbende. Aan de andere kant is het
                    uitdrukkelijk aan de gemeente om te beoordelen of er ondersteuning noodzakelijk
                    is en welke vorm deze moet krijgen, gelet op het te bereiken doel.</al><al>De aanspraak op gemeentelijke re-integratie-inspanning geldt ook voor personen
                    aan wie het college tijdelijk een ontheffing heeft verleend. Het kan immers
                    voorkomen dat betrokkene van mening is dat de situatie is veranderd en dat
                    toeleiding naar de arbeidsmarkt weer aan de orde is. De aanspraak geldt ook voor
                    personen die werkzaam zijn in gesubsidieerde arbeid. Een voorziening kan immers
                    nodig zijn om van gesubsidieerd werk naar ongesubsidieerd werk uit te
                    stromen.</al><al>Wanneer de bijstand aan gehuwden wordt verleend geldt de aanspraak op een
                    voorziening voor beide partners afzonderlijk.</al><al/><al>Uit het tweede lid blijkt dat het college kan weigeren een voorziening aan te
                    bieden indien zij van oordeel is dat het deelnemen aan een voorziening niet
                    noodzakelijk is voor de belanghebbende om algemeen geaccepteerde arbeid te
                    kunnen aanvaarden.</al><al/><al><cursief><vet>3. Beleid</vet></cursief></al><al><cursief>Toelichting bij artikel 10 Sluitende aanpak</cursief></al><al>Op grond van artikel 7 lid 2 van de wet en artikel 8 Wet SUWI hebben gemeenten
                    en het UWV Werkbedrijf een samenwerkingsverplichting.</al><al>Een belanghebbende zal, om aanspraak te maken op een uitkering, zich moeten
                    inschrijven bij het UWV Werkbedrijf. </al><al>In tegenstelling tot de WWB waar sprake is van een aanspraak op een voorziening
                    vanuit de gemeentelijke verantwoordelijkheid tot ondersteuning (artikel 7,
                    eerste lid, onder a jo. artikel 10, eerste lid WWB) verleent de WIJ de jongere
                    een recht op een werkleeraanbod. </al><al/><al>Bijzondere bijstand en dus ook de langdurigheidstoeslag blijft zijn regeling
                    vinden in de WWB. Of de jongere in aanmerking komt voor bijzondere bijstand of
                    een langdurigheidstoeslag is afhankelijk van de in de WWB verankerde
                    voorwaarden. </al><al/><al>Verder kan een werkleeraanbod niet bestaan als onbeloonde additionele arbeid als
                    bedoeld in artikel 10a WWB. De verdere opdracht tot regelgeving is daarom niet
                    in de WIJ opgenomen.</al><al>Indien het college een aanvraag om ondersteuning afwijst zal zij dit met redenen
                    omkleed moeten doen. De gemeente zal altijd een individuele afweging moeten
                    maken of zij een aanspraak wil en kan honoreren. Tegen deze beslissing staat
                    bezwaar en beroep open voorbelanghebbende. Aan de andere kant is het
                    uitdrukkelijk aan de gemeente om te beoordelen of er ondersteuning noodzakelijk
                    is en welke vorm deze moet krijgen, gelet op het te bereiken doel.</al><al/><al><cursief>Toelichting bij artikel 11 Beleidsplan </cursief></al><al>De wet verplicht de gemeenteraad om het re-integratiebeleid in een verordening
                    vast te leggen. Hier is gekozen voor de systematiek om niet alles in de
                    verordening te regelen, maar ook gebruik te maken van beleidsplannen.</al><al/><al>Het eerste lid geeft aan dat de gemeenteraad een beleidsplan opstelt en welke
                    specifieke beleidsonderwerpen in het beleidsplan in elk geval aan de orde dienen
                    te komen. </al><lijst><li nr="a."><al>In het beleidsplan wordt beschreven op welke wijze gezorgd wordt dat er
                            evenwichtige aandacht is voor verschillende doelgroepen en
                            subdoelgroepen en de wijze waarop rekening wordt gehouden met
                            zorgtaken.</al></li><li nr="b."><al>In het beleidsplan wordt toegelicht wat de planning is voor de verdeling
                            van de middelen over de verschillende voorzieningen.</al></li><li nr="c."><al>In het beleidsplan wordt beschreven op welke wijze rekening wordt
                            gehouden met zorgtaken zoals medische zorg, kinderopvang en
                            schuldhulpverlening. </al></li></lijst><al/><al>In de wet wordt bepaald dat de gemeente jaarlijks de voortgang rapporteert aan
                    de minister. De gemeente doet dit door middel van voortgangrapportages in de
                    Raadsvergaderingen in het tweede lid.</al><al/><al>Met het derde lid wordt de cliëntenparticipatie bij de gemeenten in lijn
                    gebracht met de Wet SUWI; waarin wordt gesteld dat cliëntenparticipatie
                    onmisbaar is in een uitvoeringsstructuur waarin de cliënt centraal staat.</al><al/><al><cursief><vet>3. Beleid</vet></cursief></al><al><cursief>Toelichting bij artikel 12 Nadere regels </cursief></al><al>Het college kan naar aanleiding van deze verordening nadere regels stellen.
                    Naast beleid over de in de voorgaande bepaling genoemde doelstellingen, wordt in
                    dit artikel bepaald dat ten aanzien van verschillende onderwerpen nadere regels
                    worden vastgesteld.</al><al/><al>Het eerste lid bepaalt dat het college regels vaststelt met betrekking tot
                    premies, subsidies en kostenvergoedingen:</al><lijst><li nr="a."><al>De beleidsaanbeveling van de staatssecretaris van Sociale Zaken en
                            Werkgelegenheid heeft betrekking op subsidies die mogelijk als
                            staatsteun kunnen worden aangemerkt zoals de loonkostensubsidie genoemd
                            in artikel 7 van deze verordening. Staatssteun kan leiden tot
                            concurrentievervalsing, door het volgen van de beleidsaanbeveling geeft
                            de gemeente geen staatsteun.</al></li><li nr="b."><al>Uit het beleid kan de duur van de werkervaringsplaats en het aantal te
                            realiseren werkervaringsplaatsen blijken.</al></li><li nr="c."><al>Een voorwaarde waar de werkgever bijvoorbeeld aan moet voldoen om in
                            aanmerking te komen voor loonkostensubsidie kan zijn het in staat zijn
                            tot het kunnen bieden van een werkervaringsplaats aan personen die wat
                            minder productief zijn, die arbeidsvaardigheden moeten opdoen of die
                            meer dan gemiddeld begeleiding nodig hebben. </al></li><li nr="d."><al>Het college stelt vast welke gegevens de werkgever moet overleggen om in
                            aanmerking te komen voor loonkostensubsidie. Hierbij kan gedacht worden
                            aan: persoonsgegevens, de gegevens over het dienstverband, een afschrift
                            van de arbeidsovereenkomst, afschriften van de maandelijkse
                            loonbetalingen en dergelijke.</al></li><li nr="e."><al>Het college bepaalt welke kosten worden vergoed bij voorzieningen voor
                            niet- uitkeringgerechtigden. De niet- uitkeringsgerechtigden kunnen zelf
                            in het bestaan voorzien en zijn niet afhankelijk van een uitkering, voor
                            deze groep belanghebbenden kan bijvoorbeeld een eigen bijdrage
                            gelden.</al></li><li nr="f."><al>Voorwaarden kunnen bijvoorbeeld zijn dat een premie eenmalig kan worden
                            verstrekt of dat een scholingstraject noodzakelijk moet zijn. </al></li><li nr="g."><al>Om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden re-integratiebudget
                            maakt het college beleid over de samenstelling. Een belanghebbende zal
                            bijvoorbeeld zelf met een plan moeten komen, het college beslist over de
                            toekenning van het budget.</al></li></lijst><al/><al>Het tweede lid stelt nadere regels over het trajectplan:</al><lijst><li nr="a."><al>De takenverdeling en degenen die het trajectplan laten uitvoeren worden
                            in het beleid vastgelegd. De consulent van de gemeente regisseert het
                            trajectplan en houdt toezicht op de voortgang van de belanghebbende.
                        </al></li><li nr="b."><al>De gemeente maakt gebruik van re-integratiebedrijven via de gemeente
                            Purmerend, zij kunnen mensen begeleiden naar regulier werk.</al></li><li nr="c."><al>In het beleid worden de mogelijke diagnose instrumenten van de gemeente
                            Waterland vermeld waarmee kan worden bepaald of een belanghebbende recht
                            heeft op re-integratievoorzieningen. Dit zijn bijvoorbeeld medische
                            keuringen, psychologische keuringen, kwalitatieve intake van het UWV
                            Werkbedrijf en belastbaarheidsonderzoeken bij gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikten.</al></li></lijst><al/><al>Het derde lid regelt het beleid voor voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>Voorzieningen kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op sociale activering
                            gericht op maatschappelijke participatie of arbeidsinschakeling. In het
                            beleid wordt opgesomd welke voorzieningen werkelijk kunnen worden
                            aangeboden. Te denken valt aan vrijwilligerswerk, welzijnswerk of het
                            deelnemen aan een vereniging.</al></li><li nr="b."><al>Behalve voorwaarden zoals het naar vermogen deelnemen aan de
                            voorziening, kan het college in haar beleid andere voorwaarden en
                            verplichtingen opleggen voor de deelname aan een voorziening.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Toelichting bij artikel 13 Verplichtingen van de belanghebbende
                    </cursief></al><al>In het eerste lid wordt aangegeven dat voor belanghebbenden met een uitkering
                    deelname aan de aangeboden voorziening als plicht aan hun recht op uitkering
                    wordt verbonden. Een belanghebbende met een ontheffing van de arbeidsplicht is
                    wel verplicht gebruik te maken van een aangeboden voorziening, dit blijkt uit de
                    wet. </al><al/><al>Niet of niet behoorlijk gebruik maken van de aangeboden voorziening kan leiden
                    tot een verlaging van de bijstand krachtens de maatregelenverordening.</al><al>Bij belanghebbenden zonder arbeidsplicht kan het niet naar behoren gebruik maken
                    van de aangeboden voorziening geen gevolgen hebben voor hun recht op uitkering.
                    Daarom wordt in het tweede lid bepaald dat het college met deze belanghebbenden
                    ten aanzien van de aangeboden voorziening een overeenkomst sluit waarin is
                    opgenomen dat belanghebbende de kosten van de voorziening geheel of gedeeltelijk
                    terugbetaalt indien hij of zij er niet naar behoren gebruik van maakt. Bij een
                    gang naar de rechter kan dan eenvoudig nakoming van de overeenkomst worden
                    gevorderd.</al><al/><al>In het derde lid wordt bepaald dat voor een individuele belanghebbende
                    bijzondere verplichtingen kunnen worden opgenomen in het trajectplan. Zo kan
                    bepaald worden dat een belanghebbende gedurende het traject op gezette tijden
                    met de consulent de voortgang bespreekt.</al><al/><al><cursief>Toelichting bij artikel 14 Beëindiging van voorzieningen
                    </cursief></al><al>Re-integratievoorzieningen zijn erop gericht belanghebbenden terug te leiden
                    naar de arbeidsmarkt zodat zij zelfstandig reguliere arbeid kunnen verrichten. </al><lijst><li nr="a."><al>Het niet voldoen aan de gestelde verplichtingen kan bijvoorbeeld een
                            reden zijn om de voorziening te beëindigen. Verplichtingen houden
                            bijvoorbeeld in het accepteren van algemeen geaccepteerde arbeid of
                            voldoen aan de inlichtingenplicht. Bij voortijdige beëindiging van de
                            voorziening door toedoen van de belanghebbende bepaald de gemeente
                            Waterland dat kan worden overgegaan op (gedeeltelijke) terugvordering
                            van de gemaakte kosten, waarna hij niet opnieuw aanspraak maakt op een
                            voorziening.</al></li><li nr="b."><al>Als een belanghebbende het doel heeft bereikt, en dus zelfstandig in het
                            bestaan kan voorzien, of wanneer de belanghebbende niet meer tot de
                            doelgroep behoort, kan het college oordelen dat de aangeboden
                            voorziening niet langer noodzakelijk is.</al></li><li nr="c."><al>Zie bij onderdeel b.</al></li><li nr="d."><al>Re-integratievoorzieningen zijn erop gericht belanghebbenden terug te
                            leiden naar de arbeidsmarkt zodat zij zelfstandig reguliere arbeid
                            kunnen verrichten. Als dit doel niet kan worden bereikt met een
                            aangeboden voorziening kan het college beslissen de voorziening te
                            beëindigen.</al></li><li nr="e."><al>Indien de belanghebbende wel gebruik maakt van de voorziening, maar zich
                            onvoldoende inzet, kan het college beslissen de voorziening te
                            beëindigen.</al></li><li nr="f."><al>Indien de persoon verhuist naar een andere gemeente kan het college de
                            voorziening beëindigen.</al></li></lijst><al/><al>Om de voorziening te beëindigen vóór de termijn waarvoor die is aangegaan is
                    afgelopen, moeten de gronden om de voorziening te beëindigen in de verordening
                    worden opgenomen. </al><al>Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan
                    een werkgever. De in de bepaling genoemde verplichtingen houden in het niet
                    accepteren van algemeen geaccepteerde arbeid of niet voldoen aan de
                    inlichtingenplicht.</al><al/><al><vet><cursief>4. Slotbepalingen </cursief></vet></al><al/><al><cursief>Toelichting bij artikel 15 Hardheidsclausule </cursief></al><al>In bijzondere gevallen kan er afgeweken worden van deze verordening. Afwijken
                    kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen waarbij de belanghebbende
                    onevenredig wordt getroffen en waarbij de belanghebbende geen enkel verwijt is
                    te maken.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>