<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR45853_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Waterland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-11-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waterland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ons Streekblad, 10-06-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren gemeente Waterland 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147 lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 12 lid 1 onderdeel b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 41 lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-05-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-06-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Waterland; </al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al><al/><al> gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, en de artikelen 12, eerste
                        lid, onderdeel b en 41, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren;</al><al/><al> overwegende dat het noodzakelijk is het verlagen van uitkeringen van
                        jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar bij wijze van sanctie
                        bij verordening te regelen; </al><al/><al>BESLUIT : </al><al/><al>De Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren 2009 vast te stellen.
                        ​</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>wet:</vet> de Wet investeren in jongeren (WIJ); </al></li><li nr="b."><al><vet>WIJ-norm:</vet> de op grond van hoofdstuk 4 van de wet
                                        op de jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of
                                        verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door het
                                        college vastgestelde verhoging of verlaging; </al></li><li nr="c."><al><vet>maatregel:</vet> de verlaging van de
                                        inkomensvoorziening op grond van artikel 41, eerste lid WIJ;
                                    </al></li><li nr="d."><al><vet>benadelingsbedrag:</vet> het bruto bedrag dat als
                                        gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een
                                        inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als
                                        inkomensvoorziening of werkleeraanbod op grond van de wet;
                                    </al></li><li nr="e."><al><vet>college: </vet>het college van burgemeester en
                                        wethouders van de gemeente Waterland </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder benadelingsbedrag: de
                                kosten van het werkleeraanbod. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alle begrippen in deze verordening die niet nader worden omschreven
                                hebben dezelfde betekenis als in de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Afstemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college,
                                overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de jongere
                                toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel
                                van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in
                                hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede lid of derde
                                lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
                                voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel
                                zich jegens het college zeer ernstig misdraagt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere en kan
                                daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde maatregelen.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing zijnde
                            WIJ-norm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het bedrag
                            waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd en, indien van toepassing,
                            de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                        zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; </al></li><li nr="c."><al>de jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 11, vierde lid, van de wet, werkzaamheden in het
                                        kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde
                                        termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel
                                        44 van de wet; of</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.Onverminderd artikel 41, tweede lid, van de wet, ziet het college
                                af van het opleggen van een maatregel indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte
                                        inkomensvoorziening is verleend. Een maatregel wegens
                                        schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na
                                        verloop van vijf jaren nadat de betreffende
                                        gedraging heeft plaatsgevonden; </al></li><li nr="b."><al>het college dringende redenen aanwezig acht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk
                                mededeling gedaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan
                                de jongere is bekendgemaakt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de ingangsdatum daardoor niet
                                voor de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop en cumulatie van maatregelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel
                                opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen
                                van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel
                                opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vertoont een belanghebbende meerdere verwijtbare gedragingen die op
                                grond van deze verordening tot een maatregel leiden, dan is
                                cumulatie van de maatregelen mogelijk. Het college dient daarbij te
                                beoordelen of het totale effect van de verschillende maatregelen
                                niet tot onredelijke zware gevolgen leidt. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN BEDOELD IN ARTIKEL 44 EN 45
                            VAN DE WET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de jongere inhoudende het niet of onvoldoende nakomen
                            van de verplichtingen bedoeld in artikel 44 en 45 van de wet, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><al>het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid van de
                                    wet, hetgeen niet geleid heeft tot het ten onrechte toekennen of
                                    uitvoeren van het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot
                                    een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening.</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht,
                                    bedoeld in artikel 44, eerste lid van de wet, hetgeen geleid
                                    heeft tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van het
                                    werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                    verlenen van de inkomensvoorziening. </al></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan
                                            met betrekking tot de arbeidsinschakeling, bedoeld in
                                            artikel 45 van de wet, waaronder begrepen het
                                            onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de
                                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="b."><al>het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke
                                            behandeling van medische aard.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met door de
                                            jongere te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid,
                                            bedoeld in artikel 45 van de wet, die het aanvaarden of
                                            verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;
                                        </al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of
                                            bevorderen van de arbeidsbekwaamheid; </al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of
                                            werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="d."><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten
                                            naar beste vermogen te verrichten. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Vijfde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het door eigen toedoen niet behouden van werkleeraanbod
                                            of arbeid in dienstbetrekking;</al></li><li nr="b."><al>het niet aanvaarden van werkleeraanbod of algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>5 procent van de Wij-norm bij gedragingen van de eerste
                                        categorie.</al></li><li nr="b."><al>bij gedragingen van de tweede categorie wordt de maatregel
                                        afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag en wordt op
                                        de volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="1."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10 procent
                                                van de WIJ-norm;</al></li><li nr="2."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-:
                                                20 procent van de WIJ-norm;</al></li><li nr="3."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-:
                                                40 procent van de WIJ-norm;</al></li><li nr="4."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100
                                                procent van de WIJ-norm. </al></li></lijst></li><li nr="c."><al>10 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de derde
                                        categorie.</al></li><li nr="d."><al>20 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de vierde
                                        categorie.</al></li><li nr="e."><al>100 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de vijfde
                                        categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld
                                op een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid kan de duur van de maatregel worden
                                verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al><lijst><li nr="a."><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld
                                        en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft
                                        genomen; </al></li><li nr="b."><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat
                                        het Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende
                                        heeft getroffen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij een verwijtbare gedraging in de eerste of derde categorie van
                                artikel 9, zonder dat belanghebbende ten onrechte of tot een te hoog
                                bedrag bijstand ontvangen heeft, kunnen burgemeester en wethouders
                                volstaan met een schriftelijke waarschuwing in plaats van een
                                verlaging van bijstand, als er in het jaar voorafgaande aan die
                                gedraging geen schriftelijke waarschuwing of verlaging van bijstand
                                is geweest</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de jongere zich tegenover het college of zijn ambtenaren zeer
                                ernstig misdraagt als bedoeld in artikel 41, eerste lid van de wet,
                                wordt een maatregel opgelegd van 40% van de WIJ-norm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                vastgesteld op een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan,
                                indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij
                                het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te
                                rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere een
                                schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is
                                gegeven. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een maatregel worden opgelegd
                                van 100 procent van de WIJ-norm, indien binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel als bedoeld in
                                het eerste lid, is opgelegd, sprake is van eenzelfde als verwijtbaar
                                aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om af te zien van het
                                opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, als
                                bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang
                            van 1 oktober 2009. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening Wet
                            investeren in jongeren gemeente Waterland 2009. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 mei 2010. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. E.G.H. Dijk mr. E.F. Jongmans</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Maatregelenverordening WIJ 2009</titel></kop><tussenkop>De Wet investeren in jongeren en de inkomensvoorziening </tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op de uitgangspunt
                    dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken
                    gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun
                    levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle
                    jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten
                    gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen
                    of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, als het
                    werkleeraanbod onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan
                    worden gedaan. De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de
                    inkomensvoorziening anderzijds is een bepalend element in de WIJ. </al><al/><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de plicht tot
                    arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het
                    uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en
                    geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’. </al><al/><al>Aanvaardt de jongere het werkleeraanbod en is het inkomen ontoereikend, dan
                    bestaat in beginsel recht op een inkomensvoorziening. Deze inkomensvoorziening
                    volgt in grote lijnen de WWB voor wat betreft de voorwaarden die aan het recht
                    zijn verbonden en de normering die geldt voor de hoogte van deze voorziening. </al><al/><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten. De
                    gemeente is verplicht een werkleeraanbod en eventueel een inkomensvoorziening
                    aan te bieden, de jongere is daartegenover verplicht zich te houden aan diverse
                    verplichtingen. Worden deze verplichtingen geschonden, dan dient de
                    inkomensvoorziening verlaagd te worden (artikel 41, eerste lid, WIJ). Die
                    verlaging geschiedt conform de regels die in een gemeentelijke verordening
                    moeten zijn vastgelegd (artikel 12, eerste lid, onderdeel b, WIJ). Dat is de
                    Maatregelverordening. </al><al/><tussenkop>Reikwijdte Maatregelverordening WIJ </tussenkop><al>In afwijking van het uitgangspunt van de wetgever om de WIJ zoveel mogelijk
                    WWB-conform in te richten, is de in de WIJ vastgelegde reikwijdte van de
                    gemeentelijke Maatregelverordening beperkter van aard dan die in de WWB. Aan het
                    werkleeraanbod en de inkomensvoorziening kunnen minder uiteenlopende
                    verplichtingen verbonden worden dan aan de bijstand. Het scala is beperkter van
                    aard. De verplichtingen die op grond van artikel 41 WIJ kunnen worden
                    gesanctioneerd betreffen de inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht
                    (artikel 44 WIJ), alsmede een aantal concreet benoemde verplichtingen m.b.t. de
                    arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van een
                    werkleeraanbod (artikel 45 WIJ). </al><al>Een ander verschil tussen de WIJ en de WWB is dat de inkomensvoorziening niet
                    verlaagd kan worden als de jongere zich schuldig maakt aan tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid in de voorziening in het bestaan, anders dan in de vorm
                    van schending van één van de in artikel 41 WIJ genoemde verplichtingen. Dat
                    heeft tot gevolg dat de inkomensvoorziening niet verlaagd kan worden in geval
                    van het onverantwoord interen van vermogen en bij verwijtbare werkloosheid, als
                    deze gedragingen leiden tot het indienen van een aanvraag voor een
                    werkleeraanbod. Het belang van duurzame arbeidsparticipatie van de jongere heeft
                    in deze geprevaleerd boven het als maatregelwaardig aanmerken van de
                    bovengenoemde gedragingen. </al><al/><al>De Maatregelverordening WIJ heeft al met al dus een beperkter strekking en
                    reikwijdte dan de Maatregelverordening WWB en wijkt daarom af waar het de
                    omschreven maatregelwaardige gedragingen betreft. </al><al/><tussenkop>Verlagen is maatwerk </tussenkop><al>Hoewel de gemeenteraad de regels stelt over het verlagen van de
                    inkomensvoorziening, is het verlagen van de inkomensvoorziening een vorm van
                    maatwerk, waarmee het college is belast (zie ook Kamerstukken II 2008-2009, 31
                    775, nr. 7, p. 27). Evenals dat binnen de kaders van de WWB het geval is, dient
                    de maatregel afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere. Het uitgangspunt wordt
                    gevormd door de regels die ter zake door de gemeenteraad zijn gesteld. In de
                    Maatregelverordening zijn de gedragingen die een schending van de verplichtingen
                    opleveren genormeerd. Die normering is echter niet absoluut. Zowel in de ernst
                    van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de
                    jongere kan aanleiding worden gevonden om van de standaardmaatregel af te
                    wijken. Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het college echter
                    zonder meer verplicht om van verlaging af te zien (artikel 41, tweede lid, WIJ).
                    Vanwege het karakter van de inkomensvoorziening als minimuminkomen is tevens
                    bepaald dat binnen drie maanden heroverweging van de verlaging plaatsvindt.
                    Daarmee wordt gewaarborgd dat de verlaging ook afgestemd blijft op de
                    omstandigheden van de jongere en deze niet onaanvaardbaar lang over een te laag
                    inkomen blijft beschikken. </al><al/><tussenkop><vet>Berekeningsgrondslag en duur van de maatregel </vet></tussenkop><al>De maatregel wordt in deze verordening toegepast op de toepasselijke WIJ-norm.
                    Ingegeven door overwegingen van uitvoerbaarheid, zou de gedachte kunnen rijzen
                    dat het noemen van vaste bedragen in de verordening wellicht handiger zou zijn.
                    Daar tegenover staat echter dat dit spoedig tot vormen van rechtsongelijkheid en
                    disproportionaliteit kan leiden. Een maatregel van € 250,- betekent voor een
                    20-jarige een verlies van vrijwel de volledige inkomensvoorziening, terwijl dit
                    voor een 21-jarige verhoudingsgewijs een veel minder groot aandeel betreft.
                    Bovendien roept het verlagen van de inkomensvoorziening met een vast bedrag ook
                    het beeld op van een boete. Mede om die redenen is de maatregel in deze
                    verordening gerelateerd aan de toepasselijke WIJ-norm. </al><al>In deze verordening wordt gekozen voor een maand als de reguliere duur van de
                    maatregel. Dit is echter bij de verschillende sanctioneerbare gedragingen in een
                    afzonderlijke bepaling benoemd, zodat ter zake ook andere keuzes gemaakt kunnen
                    worden. Bij recidive geldt als regel dat deze duur verdubbeld wordt. Voor
                    schending van de inlichtingenplicht is dit expliciet opengelaten, zodat ook
                    eenvoudig gekozen kan worden voor verdubbeling van het percentage. </al><al/><tussenkop>De term 'maatregel' </tussenkop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van het feit dat de
                    belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen,
                    wordt in de WIJ aangeduid als het verlagen van de inkomensvoorziening.
                    Gebruikelijk onder gemeenten is echter de term ‘maatregel’. Daarmee wordt niet
                    alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat ook binnen de bijstandspraktijk
                    gangbaar is, maar wordt ook het corrigerende karakter ervan benadrukt. Om die
                    reden is in de verordening de term ‘maatregel’ gebruikt om een verlaging aan te
                    duiden. </al><al/><tussenkop>Een waarschuwing in plaats van een maatregel?</tussenkop><al>Gemeenten kunnen in hun verordening regelen dat in beginsel eerst altijd een
                    waarschuwing wordt gegeven voordat een maatregel wordt opgelegd. </al><al>In deze voorbeeldverordening is hiervoor niet gekozen. Hiervoor zijn twee
                    redenen. De eerste reden is dat een waarschuwing er van uit gaat dat jongeren
                    (nogmaals) op de hoogte gesteld moeten worden van hun verplichtingen. Gemeenten
                    hebben de opdracht hun klanten zo goed mogelijk te informeren over de
                    verplichtingen die aan de WIJ verbonden zijn. Klanten dienen op maat
                    geïnformeerd te worden en ook de dienstverlening zal op maat verzorgd moeten
                    worden. Deze werkwijze maakt deel uit van hoogwaardig handhaven, waarbij
                    handhaven in de bedrijfsvoering is geïntegreerd. Hierdoor zal waarschijnlijk ook
                    de naleving van de verplichtingen groter worden en maatregelen die worden
                    opgelegd beter worden geaccepteerd. De informatie over de maatregelen moet goed
                    toegankelijk zijn en in begrijpelijke taal geschreven zijn. Een waarschuwing
                    richting klanten kan bij zo'n beleid achterwege blijven. </al><al/><al>De tweede reden om niet te kiezen voor een waarschuwing heeft te maken met het
                    feit dat een waarschuwing er van uit gaat dat herstel van de oude situatie
                    mogelijk is. Dat is echter niet per definitie het geval. Uitgezonderd het niet
                    of niet op tijd voldoen aan bepaalde administratieve verplichtingen, waarbij het
                    verzuim geen gevolgen heeft voor de hoogte van de inkomensvoorziening, hebben
                    alle andere gedragingen in meer of mindere mate gevolgen (gehad) voor het
                    werkleeraanbod of de inkomensvoorziening. </al><al/><al>Gelet hierop is in deze verordening volstaan met het aanbieden van de
                    mogelijkheid om eerst een waarschuwing te geven in geval van schending van de
                    verplichtingen m.b.t. het werkleeraanbod en bij schending van de
                    inlichtingenplicht zonder benadeling voor de gemeente, middels een facultatieve
                    bepaling bij de betreffende artikelen. Het is aan de gemeenten om ter zake
                    keuzes te maken. Aandachtspunt is nog dat als ervoor gekozen wordt de
                    waarschuwing in de verordening ‘in te regelen’ een dergelijke waarschuwing de
                    status van ‘besluit’ krijgt in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb.
                    Daartegen staat bezwaar en beroep open (CRvB 5 januari 2009, LJN: BG9682). </al><al/><tussenkop>Verlaging of intrekking inkomensvoorziening? </tussenkop><al>Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening zijn voor de jongere
                    verplichtingen verbonden. Tegenover het recht op een werkleeraanbod en evt.
                    inkomensvoorziening staat de verplichting van de jongere om mee te werken aan de
                    totstandkoming daarvan, bijv. door mee te werken aan een onderzoek naar de
                    arbeidsmogelijkheden. Ook dient de jongere naar beste vermogen mee te werken aan
                    het werkleeraanbod zodra dat vastgesteld is. Daarnaast geldt een inlichtingen-,
                    medewerkings- en identificatieplicht. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in
                    artikel 44, respectievelijk 45 van de WIJ. </al><al/><al>Komt de jongere een aan het werkleeraanbod verbonden verplichting verwijtbaar
                    niet na, dan staat de gemeente diverse instrumenten ter beschikking. Onderscheid
                    kan worden gemaakt tussen de verschillende fasen waarop de verplichtingen
                    betrekking hebben. </al><al/><tussenkop>Aanvraagfase </tussenkop><al>Betreft het een schending van verplichtingen die betrekking hebben op de
                    aanvraagbehandeling, dan geldt het volgende: als de jongere in het geheel niet
                    meewerkt aan het opstellen van een plan voor zijn arbeidsinschakeling en zo zijn
                    arbeidsinschakeling belemmert, dan doet het college de jongere geen
                    werkleeraanbod (artikel 17, vijfde lid, WIJ). Bijgevolg heeft de jongere, zolang
                    hij niet wenst te voldoen aan die verplichting, geen recht op
                    inkomensvoorziening. Uit artikel 42, eerste lid, onderdeel c, WIJ vloeit immers
                    voort dat voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig
                    blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 niet wil nakomen, geen
                    recht op inkomensvoorziening bestaat (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3,
                    p. 39 en 40). Dit geldt in bredere zin ook voor andere gedragingen van de
                    jongere waaruit kan worden afgeleid dat deze de aan het werkleeraanbod verbonden
                    verplichtingen in het geheel niet wil nakomen. Is sprake van een minder ernstige
                    schending van de verplichtingen m.b.t. de totstandkoming van het werkleeraanbod,
                    dan kan na toekenning van een werkleeraanbod de eventuele inkomensvoorziening
                    verlaagd worden conform de gemeentelijke Maatregelverordening (artikel 41,
                    eerste lid, WIJ). Zo is het denkbaar dat de jongere wel wil meewerken, maar dat
                    de medewerking onvoldoende is. In dat geval zou een maatregel aan de orde kunnen
                    komen. </al><al/><tussenkop>Van toekenning tot tenuitvoerlegging </tussenkop><al>Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een werkleeraanbod maar
                    weigert hij dit aanbod na ontvangst van de toekenningsbeschikking, dan kan het
                    werkleeraanbod worden ingetrokken (art. 21, onderdeel b WIJ). Door de weigering
                    bestaat geen recht op een inkomensvoorziening (art. 42, eerste lid, onderdeel a
                    WIJ). Zoals reeds aangegeven bestaat dat recht evenmin als uit houding en gedrag
                    van de jongere ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat hij de verplichtingen die
                    verbonden zijn aan het werkleeraanbod in het geheel niet wil nakomen (artikel
                    42, eerste lid, onderdeel c ,WIJ). Het werkleeraanbod kan <cursief>daarnaast
                    </cursief>ook worden herzien of ingetrokken als de jongere één of meerdere
                    verplichtingen schendt die specifiek betrekking hebben op de voorbereiding op en
                    uitvoering van het werkleeraanbod (artikel 21, onderdeel b, WIJ). Het kan dan
                    bijvoorbeeld gaan om het nalaten een behandeling van medische aard te ondergaan,
                    of het stellen van onredelijke eisen m.b.t. de te verrichten werkzaamheden. Met
                    de intrekking van het werkleeraanbod vervalt automatisch het recht op
                    inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel f, WIJ). Bij een
                    herziening blijft de inkomensvoorziening in stand. </al><al>Een andere sanctie op dergelijk gedrag is dat het werkleeraanbod wel in stand
                    blijft maar de inkomensvoorziening verlaagd wordt, conform de gemeentelijke
                    Maatregelverordening (artikel 41, eerste lid, WIJ). Het college dient te kiezen
                    welke weg bewandeld wordt, hetzij de intrekking van werkleeraanbod en
                    inkomensvoorziening, hetzij het handhaven van het werkleeraanbod en verlaging
                    van die voorziening. Het past evenwel in het systeem van de WIJ om bij minder
                    ernstige gedragingen tot verlaging van de inkomensvoorziening te besluiten en
                    bij ernstiger gedrag, bijvoorbeeld waar sprake is van schending van meerdere
                    verplichtingen of van herhaald gedrag, het werkleeraanbod in te trekken. Het is
                    immers in de geest van de regeling om, met het oog op duurzame
                    arbeidsparticipatie, een werkleeraanbod niet te snel in te trekken. Dit is in de
                    wetgeving tot uitdrukking gebracht doordat verlaging van de inkomensvoorziening
                    bij schending van de verplichtingen <cursief>imperatief </cursief>is
                    voorgeschreven, waar intrekking van het werkleeraanbod (artikel 21 WIJ) een
                        <cursief>bevoegdheid </cursief>is, juist vanwege de verstrekkende gevolgen
                    daarvan. Bedacht moet daarbij immers worden dat intrekking van het
                    werkleeraanbod tevens intrekking van de inkomensvoorziening tot gevolg heeft
                    (indien toegekend) en dus het effect van ‘dubbele’ bestraffing kan hebben. Het
                    is daarom raadzaam om niet lichtvaardig tot intrekking van het werkleeraanbod
                    over te gaan. Een beleid waarbij slechts in uitzonderingsgevallen tot intrekking
                    van het werkleeraanbod wordt overgegaan, mag daarom in lijn met de bedoelingen
                    van de wetgever worden geacht. Een dergelijke uitzonderingssituatie zal zich in
                    de aanloop naar de feitelijke tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod niet
                    spoedig voordoen. Daarvan kan sprake zijn als van de gemeente niet meer gevergd
                    kan worden dat uitvoering wordt gegeven aan het werkleeraanbod. In de
                    verordening Werkleeraanbod kan worden vastgelegd wanneer de gedragingen van de
                    jongere ernstig genoeg zijn om een intrekking van het werkleeraanbod te
                    rechtvaardigen. Het is ook denkbaar dat dit in beleidsregels nader wordt
                    uitgewerkt. </al><al/><tussenkop>Vanaf de tenuitvoerlegging </tussenkop><al>Werkt de jongere onvoldoende mee aan de feitelijke uitvoering van het
                    werkleeraanbod, dan kan de evt. inkomensvoorziening worden verlaagd, conform de
                    Maatregelverordening (art. 41, eerste lid WIJ). Daarnaast vervalt het recht op
                    inkomensvoorziening als uit de houding en gedragingen van de jongere
                    ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat deze de verplichtingen die aan het
                    werkleeraanbod zijn verbonden in het geheel niet wil nakomen (artikel 42, eerste
                    lid, onderdeel c, WIJ). Voorts kan het werkleeraanbod worden herzien of
                    ingetrokken als de jongere één van die verplichtingen niet nakomt (artikel 21,
                    onderdeel b, WIJ). Vindt intrekking plaats dan vervalt daarmee, zoals gezegd,
                    tevens het recht op inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel f,
                    WIJ). Hetgeen hierboven over de keuze tussen verlaging van de
                    inkomensvoorziening en intrekking van het werkleeraanbod is gezegd geldt mutatis
                    mutandis ook voor deze fase. </al><al/><al>Factoren die betrokken kunnen worden bij het formuleren van beleid m.b.t. de
                    keus tussen intrekken van het werkleeraanbod of verlagen van de
                    inkomensvoorziening zouden kunnen zijn: </al><al>• is er sprake van herhaald gedrag? </al><al>• wat is de kans op herhaling? </al><al>• wat is het belang voor de jongere bij dit werkleeraanbod? </al><al>• wat zijn de kansen op arbeidsinschakeling bij voortzetting van het
                    werkleeraanbod? </al><al>• heeft het gedrag de belangen van derden geschaad? </al><al>• kan van de instelling/bedrijf waar het werkleeraanbod feitelijk wordt
                    uitgevoerd nog worden gevergd dat de jongere het werkleeraanbod daar voortzet? </al><al>Het valt buiten het bestek van deze verordening om daarover concretere
                    aanbevelingen te doen. </al><al/><tussenkop>Relatie met Verordening Werkleeraanbod </tussenkop><al>De verordening Werkleeraanbod en de Maatregelverordening vormen twee kanten van
                    dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college de plicht op om jongeren een
                    werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt door de verordening
                    Werkleeraanbod gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel tegenover dat de jongere
                    verplicht is het aanbod te aanvaarden en de verplichtingen die aan het
                    werkleeraanbod zijn gekoppeld na te leven. Komt de jongere die verplichtingen
                    niet na, dan vormt de Maatregelenverordening het kader voor verlaging van de
                    inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten dus op elkaar aan. In de
                    verordening Werkleeraanbod is ook vastgelegd onder welke voorwaarden en
                    omstandigheden tot intrekking van het werkleeraanbod (en daarmee de
                    inkomensvoorziening) kan worden overgegaan. Dit is in de verordening
                    Werkleeraanbod 2009 vastgelegd in artikel 7. Hiermee wordt dan tevens de grens
                    afgebakend met het verlagen van de inkomensvoorziening bij wijze van maatregel.
                    Zoals gezegd is het in lijn met de wetgever als slechts in bijzondere
                    omstandigheden tot intrekking van het werkleeraanbod wordt overgegaan. </al><al/><tussenkop>DE VERPLICHTINGEN DIE TOT EEN MAATREGEL KUNNEN LEIDEN</tussenkop><al>De verplichtingen die aan het werkleerrecht en de inkomensvoorziening jegens het
                    college zijn verbonden zijn de volgende: </al><al>• de inlichtingenplicht (artikel 44, eerste lid, WIJ) </al><al>• de medewerkingsplicht (artikel 44, tweede lid, WIJ) </al><al>• de identificatieplicht (artikel 44, derde lid, WIJ) </al><al>• verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod </al><al/><al>Daarnaast heeft de jongere bij zijn aanvraag om een werkleeraanbod ook een
                    inlichtingenplicht jegens UWV Werkbedrijf, die bij schending ook tot het
                    opleggen van een maatregel kan leiden (artikel 41, eerste lid, WIJ). </al><tussenkop>Schending inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht </tussenkop><al>Schending van de verplichtingen genoemd in artikel 44 WIJ verplicht in beginsel
                    tot verlaging van de inkomensvoorziening. De hier genoemde verplichtingen
                    betreffen de inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht. Voor de twee
                    laatstgenoemde verplichtingen geldt dat schending van deze verplichtingen er in
                    beginsel toe leidt dat het recht op werkleeraanbod en op inkomensvoorziening
                    niet kan worden vastgesteld en daarom afgewezen, beëindigd of ingetrokken kan
                    worden, conform de WWB. Om die reden zijn ze in het kader van deze verordening
                    niet als ‘maatregelwaardige’ gedragingen aangemerkt, naar analogie van het
                    VNG-model van de Maatregelenverordening WWB. In de praktijk blijkt dat dit niet
                    als een gemis wordt ervaren. </al><al/><al>Schending van de inlichtingenplicht heeft zowel betrekking op de
                    inkomensvoorziening als het werkleeraanbod en ziet niet alleen op de
                    informatieplicht van de jongere jegens het college maar ook het UWV Werkbedrijf.
                    In deze verordening is ervoor gekozen om de hoogte van de maatregel te relateren
                    aan de mate van benadeling van de gemeente. Hoe hoger de benadeling, hoe
                    zwaarder de maatregel. Dit is conform het VNG-model van de Maatregelverordening
                    WWB. </al><al/><tussenkop>Schending van de verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het
                    werkleeraanbod </tussenkop><al>In artikel 45 WIJ zijn tamelijk gedetailleerd de verplichtingen omschreven die
                    betrekking hebben op de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en de
                    tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod. Deze verplichtingen gelden van
                    rechtswege vanaf het moment dat de aanvraag voor een werkleeraanbod wordt
                    ingediend. Schending van één van deze verplichtingen dient in beginsel te leiden
                    tot verlaging van de eventuele inkomensvoorziening. </al><al>Voor het categoriseren van de gedragingen die tot een verlaging van de
                    inkomensvoorziening leiden bij schending van de verplichtingen m.b.t. de
                    arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod als bedoeld in artikel 45 WIJ zijn
                    verschillende mogelijkheden denkbaar. </al><al/><al>In deze verordening is gekozen voor de benadering waarbij zoveel mogelijk
                    aansluiting wordt gezocht met de Maatregelverordening WWB. In de verordening
                    zijn aan schending van die verplichtingen maatregelen van uiteenlopende hoogte
                    verbonden. Gehandeld wordt in overeenstemming met de wens om
                    bijstandsgerechtigden en jongeren zoveel mogelijk gelijk te behandelen, als bij
                    het inrichten van de Maatregelverordening WIJ een categorie-indeling wordt
                    gemaakt van gedragingen die een schending van de verplichtingen opleveren en
                    daarbij een opbouw plaatsvindt in de hoogte van de maatregelen, die zoveel
                    mogelijk in overeenstemming met de Maatregelverordening WWB is. </al><al/><al>Om aansluiting te krijgen tussen de Maatregelverordeningen m.b.t. de WWB en de
                    WIJ is het zaak om de verplichtingen die in de Maatregelverordening WWB zijn
                    benoemd te vergelijken met die in artikel 45 WIJ. </al><al/><al>De verplichtingen, genoemd in de onderdelen a en f van artikel 45 WIJ kunnen ook
                    worden gerangschikt onder de verplichting ‘mee te werken aan een onderzoek naar
                    de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling’. Voor de verplichting om mee te
                    werken aan het opstellen van een plan m.b.t. de arbeidsinschakeling (eerste
                    zinsnede onderdeel a) wordt verwezen naar o.a. CRvB 4 september 2007, LJN:
                    BB3443. Voor onderdeel f zijn daarvoor aanknopingspunten te vinden in CRvB 25
                    maart 2008, LJN: BC7877. Voor schending van deze verplichting geldt, evenals in
                    het VNG-model, een maatregelpercentage van 10%, omdat dit als een wat lichtere
                    gedraging wordt aangemerkt. </al><al/><al>Ten aanzien van de verplichting genoemd in onderdeel b wordt in de memorie van
                    toelichting als voorbeeld van een schending van deze verplichting genoemd: het
                    belemmeren van een bemiddelingspoging door afwijkend gedrag, het stellen van
                    irreële eisen of ongebruikelijke werktijden (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775,
                    nr. 3, p. 48). Dat correspondeert in sterke mate met ‘gedragingen die de
                    arbeidsinschakeling belemmeren’, waarover de CRvB 4 juli 2006, LJN: AY2200 heeft
                    overwogen dat daarvan kan worden gesproken als blijkt dat als gevolg van de
                    gedraging kansen op werk of uitzicht op werk is verspeeld. Schending van deze
                    verplichting levert een maatregelpercentage van 20% op. </al><al/><al>De verplichtingen, genoemd in de onderdelen c, d en e kunnen worden gerangschikt
                    onder de verplichting ‘gebruik te maken van een door het college aangeboden
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling’. Daarvoor geldt evenzeer een
                    maatregelpercentage van 20%. </al><al/><tussenkop>Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>Afzonderlijke aandacht verdient de verplichting om de inkomensvoorziening te
                    verlagen als de jongere zich zeer ernstig misdraagt (artikel 41, eerste lid,
                    WIJ). Het betreft gedragingen die in het maatschappelijk verkeer in alle
                    gevallen als onacceptabel worden beschouwd (conform artikel 18, tweede lid,
                    WWB). De redactie van artikel 41, eerste lid, WIJ wijkt af van die van artikel
                    18, tweede lid, WWB en laat ruimte open voor de gedachte dat een zeer ernstige
                    misdraging niet afhankelijk zou zijn van de context waarin deze zich afspeelt,
                    zolang deze zich maar tot het college of diens ambtenaren richt. Hiermee is
                    echter niet beoogd is afstand te nemen van de jurisprudentie van de Centrale
                    Raad van Beroep inzake zeer ernstige misdragingen in het kader van
                    bijstandverlening (zie ook Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p.
                    46).</al><al/><al>Zoals de CRvB onder meer in zijn uitspraak van 29 juli 2008, LJN BD7970, heeft
                    overwogen, is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 18, tweede lid, WWB
                    voldaan indien sprake is van het niet of onvoldoende nakomen van een of meer van
                    de in dat artikellid bedoelde verplichtingen met als verzwarende omstandigheid
                    dat sprake is van agressief, aan de belanghebbende toe te rekenen gedrag jegens
                    het college en bij de uitvoering van de WWB betrokken personen dat in het
                    normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden
                    beschouwd. Een wegens dergelijk gedrag opgelegde verlaging van de bijstand c.q.
                    inkomensvoorziening dient te worden aangemerkt als punitieve (bestraffende)
                    sanctie en op het college rust de bewijslast om voldoende aannemelijk te maken
                    dat van agressie in de zin van de genoemde bepaling sprake is geweest (zie ook
                    de uitspraak van 31 december 2007, LJN BC1811).</al><al>Bezondigt de jongere zich herhaaldelijk een zeer ernstige misdragingen, dan kan
                    het college de jongere tijdelijk uitsluiten van het recht op een werkleeraanbod
                    (artikel 22, eerste lid, WIJ). Een dergelijk besluit moet uiterlijk binnen een
                    maand heroverwogen worden. Anders dan de memorie van toelichting suggereert,
                    betekent dit niet per definitie uitsluiting van het recht op een
                    inkomensvoorziening (zie Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 46/47 voor
                    het standpunt van de regering ter zake). Artikel 42 WIJ, dat daarvoor de
                    grondslag zou moeten bieden, kent ‘ (tijdelijke) uitsluiting van het recht op
                    een werkleeraanbod bij zeer ernstige misdragingen’ niet als afzonderlijke
                    uitsluitingsgrond voor de inkomensvoorziening. Het is wel denkbaar dat het bij
                    herhaling zeer ernstig misdragen kan worden aangemerkt als houding en
                    gedragingen van de jongere waaruit ondubbelzinnig blijkt dat deze de
                    verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen. Om onzekerheid op dit
                    punt uit te sluiten, wordt in deze verordening gekozen voor het (verder)
                    verlagen van de inkomensvoorziening op grond van artikel 41, eerste lid, WIJ,
                    zodat feitelijk een tijdelijke uitsluiting ontstaat.</al><al/><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><al/><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving</tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als in de WIJ.</al><al>De term ‘WIJ-norm’ wordt in deze verordening gebruikt. Daarmee wordt bedoeld de
                    van toepassing zijnde norm, inclusief toeslag/verlaging. Het equivalent in de
                    WWB, de bijstandsnorm (artikel 5, onderdeel c, WWB) is in de WIJ zelf niet
                    opgenomen en gedefinieerd. Wel wordt in de memorie van toelichting tweemaal
                    gesproken van ‘inkomensvoorzieningsnorm’, waarmee kennelijk hetzelfde begrip
                    wordt bedoeld. In artikel 41 WIJ is opgenomen dat het bedrag van de
                    inkomensvoorziening wordt verlaagd; bedoeld is echter de norm. Omdat hantering
                    van het begrip ‘inkomensvoorzieningsnorm’ of ‘bedrag van de inkomensvoorziening’
                    de leesbaarheid niet ten goede komt, is het begrip ‘WIJ-norm’
                    geïntroduceerd.</al><al/><al>Er is een omschrijving van het begrip ‘benadelingsbedrag’ gegeven, omdat dit
                    begrip uitgangspunt is bij het bepalen van de hoogte van de maatregel die
                    verbonden is aan schending van de inlichtingenplicht (zie artikel 12).
                    Aangesloten is bij de omschrijving van dit begrip in het Boetebesluit
                    socialezekerheidswetten. In artikel 1, onderdeel s van dit Besluit is het begrip
                    ‘benadelingsbedrag’ gedefinieerd voor het opleggen van boetes op grond van een
                    vijftiental socialezekerheidswetten, waaronder de IOAW en IOAZ, in verband met
                    schending van de inlichtingenplicht. Gegeven de toelichting op dit artikel wordt
                    onder bruto benadelingsbedrag tevens verstaan de (inmiddels) afgedragen
                    loonbelasting, premies volksverzekeringen en de vergoeding bedoeld in de
                    Zorgverzekeringswet, als bedoeld in artikel 54, vierde lid WIJ. Voor zover er
                    ten tijde van het maatregelbesluit nog geen sprake is geweest van afdracht aan
                    belastingen etc. , bijvoorbeeld omdat de teveel verstrekte inkomensvoorziening
                    reeds is terugbetaald in hetzelfde kalenderjaar als waarin de
                    inkomensvoorziening ten onrechte is verstrekt, blijft het benadelingsbedrag
                    uiteraard beperkt tot een netto bedrag.</al><al/><al>Onder benadelingsbedrag wordt niet slechts verstaan de ten onrechte verstrekte
                    uitkering (inkomensvoorziening) maar ook het werkleeraanbod, eveneens conform
                    artikel 1, onderdeel s van het Boetebesluit. Analoog aan het Boetebesluit is
                    daarnaast in het tweede lid nog expliciet bepaald dat onder benadelingsbedrag in
                    deze verordening mede wordt verstaan de kosten die de gemeente maakt voor het
                    ten onrechte toegekende en/of uitgevoerde werkleeraanbod. Die kosten zullen niet
                    altijd eenvoudig zijn vast te stellen, maar als het een voorziening betreft die
                    de jongere ten onrechte heeft benut, is het meestal wel mogelijk om een raming
                    te maken van de daaraan verbonden kosten. Deze kosten tellen mee voor het
                    bepalen van de hoogte van de maatregel bij schending inlichtingenplicht. Dit kan
                    verder worden uitgewerkt in een beleidsregel. </al><al/><tussenkop>Artikel 2. Afstemming</tussenkop><al/><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een maatregel (artikel
                    41, eerste lid, WIJ). In de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving wordt
                    dit afgeraden, niettemin is deze grondslag omwille van de leesbaarheid,
                    duidelijkheid en consistentie, evenals in de het VNG-model van de
                    Maatregelverordening WWB, hier herhaald. Verwezen wordt naar artikel 42 WIJ om
                    aan te geven dat de imperatief voorgeschreven verlaging middels een maatregel
                    niets afdoet aan intrekking van de inkomensvoorziening vanwege intrekking van
                    het werkleeraanbod. Als daartoe wordt besloten, dan komt verlaging veelal niet
                    meer aan de orde.</al><al/><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                    leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de jongere
                    en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het
                    college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken jongere afwijking van de hoogte en
                    de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                    standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen en kan
                    zowel zijn gebaseerd op de ernst van de gedraging als de mate van
                    verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere afzonderlijk. Waar verderop
                    in de verordening gedragingen worden genormeerd, kan daarvan dus worden
                    afgeweken op de genoemde gronden. Dat is om redactionele redenen expliciet
                    verwoord, zodat bij de normering van de maatregelen in het vervolg van de
                    verordening niet steeds hoeft te worden gesteld dat de maatregel een
                    x-percentage bedraagt ‘onverminderd artikel 2, tweede lid’, m.a.w. met de
                    mogelijkheid af te wijken.</al><al/><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de jongere.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de
                    mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.
                    Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><al>• bijzondere financiële omstandigheden van de jongere, zoals bijvoorbeeld hoge
                    woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen
                    financiële tegemoetkoming mogelijk is;</al><al>• sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al><al>• bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                    maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van
                    verwijtbaarheid.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</tussenkop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 voor een begripsomschrijving.</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel</tussenkop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt opgelegd,
                    vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in
                    het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks
                    voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het
                    motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een
                    besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd (afdeling
                    3.7 Awb ).</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Horen van belanghebbende</tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12), behalve bij
                    subsidies.</al><al/><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt
                    opgelegd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid bevat een aantal
                    uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a en b. staan ook genoemd in
                    artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al>Voor de goede orde: het opnemen van een regeling voor het horen van
                    belanghebbenden in deze verordening is facultatief. Gemeenten kunnen zo'n
                    regeling ook achterwege laten.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel</tussenkop><al>Naast de redenen genoemd in dit artikel waarin afgezien kan worden van het
                    opleggen van een maatregel wordt verwezen naar artikel 41, tweede lid, WIJ
                    waarin is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt. Daarnaast is het denkbaar dat in plaats van het
                    opleggen van een maatregel eerst een waarschuwing wordt gegeven. Dit kan bij
                    diverse bepalingen in deze verordening worden ingeregeld.</al><al/><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging
                    te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit
                    is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad,
                    wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen
                    maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                    plaatsgevonden. Gemeenten kunnen uiteraard voor een kortere of langere periode
                    kiezen.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte inkomensvoorziening is verleend of een te hoog
                    bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt in de verordening een
                    verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de
                    termijn die gelet op artikel 14e van de Algemene bijstandswet gold in verband
                    met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een
                    termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging
                    (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de
                    omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen.</al><al>Ten slotte kan in individuele omstandigheden wegens dringende redenen worden
                    afgezien van het opleggen van een maatregel. Van dringende redenen is sprake als
                    de gevolgen van het opleggen van een maatregel onaanvaardbaar zijn. Dat vergt
                    een beoordeling van de situatie van de jongere maar daarvan zal niet spoedig
                    sprake zijn.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Ingangsdatum</tussenkop><al/><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de WIJ-norm.
                    Verlaging van de WIJ-norm kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            inkomensvoorziening; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van de WIJ-norm in de eerstvolgende
                            maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de WIJ-norm die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot
                    herziening van de inkomensvoorziening en het te veel betaalde bedrag aan
                    inkomensvoorziening terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat
                    een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand,
                    waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende WIJ-norm.</al><al/><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Is toepassing van lid 1 niet aan de orde, omdat de inkomensvoorziening reeds
                    beëindigd is, dan biedt het tweede lid de mogelijkheid dat met terugwerkende
                    kracht een maatregel worden opgelegd. Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet
                    (volledig) aan de jongere is uitbetaald, is het praktisch om de verlaging van de
                    uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat
                    geval moet de inkomensvoorziening wel worden herzien en teruggevorderd. Dat is
                    ook nog mogelijk indien de inkomensvoorziening reeds is uitbetaald. Uit de
                    jurisprudentie van de Raad blijkt dat de uiterste begrenzing ligt op het moment
                    waarop de gedraging plaatsgevonden heeft. Wordt een dergelijke maatregel
                    opgelegd, dan moet een tevens besluit tot herziening van de inkomensvoorziening
                    op grond van artikel 40, derde lid, WIJ worden genomen.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Samenloop</tussenkop><al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de
                    verplichtingen genoemd in de wet (artikelen 44 en 45 WIJ). Indien sprake is van
                    één gedraging die als een schending van meerdere verplichtingen kan worden
                    aangemerkt, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan
                    van de verplichting waarop de zwaarste maatregel van toepassing is. Bij de
                    enkelvoudige variant is deze vorm van samenloop uiteraard ook denkbaar maar is
                    deze optie niet van belang, omdat voor schending van alle verplichtingen m.b.t.
                    het werkleeraanbod één uniform maatregelpercentage geldt</al><al/><al>Is sprake van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop) dan dient voor
                    iedere gedraging afzonderlijk het maatregelpercentage te worden berekend en
                    gelijktijdig te worden opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is. Zo kan
                    bijvoorbeeld als beleid gehanteerd worden dat een jongere altijd moet kunnen
                    blijven beschikken over 50% van de WIJ-norm. In dat geval kan de maatregel over
                    meerdere maanden worden uitgesmeerd. Daarnaast dient altijd de individuele toets
                    aan artikel 2, tweede lid te worden toegepast.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 2. Het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in </tussenkop><tussenkop> artikel 44 en 45 van de wet</tussenkop><al/><al>De gedragingen die een schending van artikel 45 WIJ inhouden betreffen de
                    arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van het
                    werkleeraanbod. In de verordening is een meervoudige variant gepresenteerd
                    conform de WWB: verschillende maatregelpercentages bij schending van
                    verschillende verplichtingen.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. De hoogte van de maatregel</tussenkop><al>Zoals reeds in de algemene toelichting gesteld, wordt in deze variant
                    gedifferentieerd in categorieën. Gekozen is voor een aansluiting bij de
                    Maatregelverordening WWB. De categorie-indeling is in vergelijking met de WWB
                    uitgebreid met een vijfde categorie. De gedragingen uit deze laatste categorie
                    was tot nog toe niet voorzien in de eerder genoemde categorieën van gedragingen.
                    De afzonderlijke maatregelpercentages worden vastgesteld in artikel 10.</al><al/><al>In dit artikel worden vervolgens twee vormen van het niet nakomen van de
                    informatieplicht onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. In deze
                            situatie is artikel 40, eerste lid WIJ van toepassing. Het college kan
                            in dat geval het recht op inkomensvoorziening opschorten en de jongere
                            in de gelegenheid stellen binnen een door hem te stellen termijn het
                            verzuim te herstellen. In dat geval kan ook een maatregel aan de orde
                            zijn.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 44 WIJ: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
                            aan de gemeente. Daardoor is het mogelijk dat er ten onrechte of een te
                            hoog bedrag aan inkomensvoorziening is verstrekt of ten onrechte een
                            werkleeraanbod is toegekend. Het is ook denkbaar dat het
                            inlichtingenverzuim niet tot benadeling heeft geleid. In beide gevallen
                            kan een maatregel aan de orde zijn.</al></li></lijst><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens bij een aanvraag niet aan
                    de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het college de rechtmatigheid van
                    het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening niet vaststellen. De aanvraag moet
                    dan worden afgewezen. Het opleggen van een maatregel is in dergelijke gevallen
                    niet aan de orde.</al><al/><tussenkop>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</tussenkop><al>Indien een jongere de voor het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening van
                    belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan
                    het college het recht op inkomensvoorziening opschorten (artikel 40, eerste lid,
                    WIJ). Het college geeft de jongere vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn
                    verzuim kan herstellen (de hersteltermijn). Wordt de gevraagde informatie niet
                    binnen de gestelde termijn aan de gemeente verstrekt, dan kan het college de het
                    besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening intrekken (artikel 40,
                    vierde lid, tweede volzin, WIJ). Worden de gevraagde gegevens wél binnen de
                    hersteltermijn verstrekt, wordt de inkomensvoorziening voortgezet, maar wordt
                    tevens een maatregel opgelegd.</al><al>Dit lid regelt de hoogte van de maatregel. Tevens wordt daarin de zogeheten
                    'nulfraude' geregeld: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen,
                    zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor het werkleeraanbod of de
                    inkomensvoorziening. Een voorbeeld van nulfraude kan zijn het niet melden van
                    een niet-rechthebbende partner.</al><tussenkop>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente</tussenkop><al>In artikel 44, eerste lid, WIJ is bepaald dat de jongere op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op zijn werkleeraanbod of het recht op inkomensvoorziening. Het college zal
                    moeten vaststellen wat het onder 'onverwijld' verstaat. </al><al/><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                    benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan
                    inkomensvoorziening alsmede de kosten van het werkleeraanbod. Hoewel dit niet
                    met zoveel woorden in de tekst van de verordening tot uitdrukking is gebracht,
                    kan uiteraard ook de keus gemaakt worden om het werkleeraanbod niet te betrekken
                    bij de vaststelling van het benadelingsbedrag. Uit een oogpunt van
                    uitvoerbaarheid is daar wel iets voor te zeggen. Daar staat tegenover dat het
                    ook denkbaar is dat een jongere wel gebruik heeft gemaakt van een
                    werkleeraanbod, maar geen inkomensvoorziening heeft ontvangen, omdat het aanbod
                    voldoende inkomsten genereert. In dat geval kan het gewenst zijn om bij
                    schending van de inlichtingenplicht toch een maatregel te kunnen opleggen, die
                    wordt afgestemd op de kosten van het werkleeraanbod.</al><al/><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag aan
                    inkomensvoorziening dat als gevolg van de schending van die verplichting ten
                    onrechte of te veel aan de jongere is betaald.</al><al>De maatregel wordt in de regel toegepast op de toekomstige inkomensvoorziening
                    van de jongere maar kan ook met terugwerkende kracht worden opgelegd, zie
                    artikel 7, tweede lid.</al><al/><al>Het opleggen van een sanctie in reactie op schending van de inlichtingenplicht
                    is in beginsel een verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. In de Aanwijzing
                    sociale zekerheidsfraude hebben de Procureurs-generaal echter richtlijnen
                    gegeven onder welke omstandigheden ter zake van de aan de schending klevende
                    strafrechtelijke delicten (veelal oplichting en valsheid in geschrifte)
                    vervolging door het OM moet plaatsvinden.</al><al>Per 1 januari 2009 is de bestaande Aanwijzing sociale zekerheidsfraude gewijzigd
                    (zie Stcrt. 2008/187). Uitgangspunt is het zogenaamde ‘una via’-beginsel. De
                    jongere wordt hetzij door de gemeente, hetzij door de strafrechter
                    gesanctioneerd. Niet door beide.</al><al/><al>In grote lijnen komt het erop neer dat als er een redelijk vermoeden bestaat dat
                    het benadelingsbedrag (bruto) € 10.000 of hoger is, er aangifte en vervolging
                    door het OM dient plaats te vinden. Is er echter sprake van ‘witte’ fraude (door
                    koppeling van bestanden etc. aan het licht gebracht), dan is de gemeente primair
                    verantwoordelijk tot een benadelingsbedrag van € 35.000. Is de benadeling groter
                    dan is altijd het OM aan zet. Dat geldt ook voor gevallen waarin er met de
                    jongere geen uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen maatregel meer kan
                    worden toegepast.</al><al/><tussenkop> Artikel 10. De hoogte en de duur van de maatregel</tussenkop><al>In aansluiting op het vorige artikel en de daarin gepresenteerde categorieën
                    worden verschillende percentages genoemd gedifferentieerd op basis van
                    verschillende gedragingen. Conform de aanbevelingen van het genootschap ‘onze
                    taal’ worden de percentages in cijfers aangeduid. </al><al/><al>Indien binnen één jaar na bekendmaking van het besluit waarmee een eerdere
                    maatregel is opgelegd sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging
                    (lid 3), wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in
                    een verdubbeling van de duur van de maatregel. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                    toegepast. Indien de jongere na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                    hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel
                    individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de jongere. Een zwaardere maatregel dan in geval van recidive
                    is dan doorgaans verdedigbaar. </al><tussenkop>Vijfde categorie gedragingen met 100% verlaging (lid 1, onderdeel
                    e):</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>in deze categorie gedragingen gaat het om verwijtbaar ontslag,
                            bijvoorbeeld een ontslag op staande voet wegens diefstal of
                            werkweigering. </al></li><li nr="b."><al>Deze gedragingen hebben betrekking op het weigeren van een aangeboden
                            werkleeraanbod of dienstverband. Het kan hierbij om allerlei soorten
                            arbeid gaan, gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk
                            of voor onbepaalde duur. Essentieel is dat de belanghebbende door de
                            werkweigering afziet van een concrete kans om geheel of gedeeltelijk uit
                            de bijstand te komen.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Schriftelijke waarschuwing</tussenkop><al>Deze bepaling is overgenomen uit de maatregelenverordening WWB. Deze bepaling
                    regelt de schriftelijke waarschuwing en geeft de mogelijkheid om bij een eerste
                    verwijtbare gedraging met een waarschuwing te volstaan. De feitelijke
                    gedragingen worden vastgelegd en omschreven in een waarschuwingsbeschikking en
                    telt ook dus mee bij eventuele recidive. Alleen bij eerste verwijtbare gedraging
                    van categorie 1 of 3 kan met een waarschuwing worden volstaan, mits er in het
                    voorafgaande jaar geen sprake is geweest van enig ander verwijtbaar gedrag en de
                    gedraging niet tot gevolg heeft gehad dat te veel of ten onrechte bijstand is
                    betaald. De reden dat geen waarschuwing bij categorie 2 wordt gegeven is, dat in
                    dat geval te veel bijstand betaald is. </al><al/><tussenkop> Hoofdstuk 3. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 11. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>Zie ook de Algemene Toelichting op dit onderdeel.</al><al/><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd.</al><al/><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                    tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij
                    het vaststellen van het recht op een werkleeraanbod en/of inkomensvoorziening.
                    Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                    moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                    houden met de uitvoering van de WIJ (zie ook de Algemene toelichting op dit
                    onderdeel). In artikel 41, eerste lid, WIJ wordt gesproken over 'het zich jegens
                    het college zeer ernstig misdragen'. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief
                    gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor
                    het opleggen van een maatregel. Of dit ook ‘a contrario’ betekent dat geen
                    maatregel kan worden opgelegd als er sprake is van zeer ernstige misdragingen
                    jegens externe uitvoerders van de WIJ, zoals het UWV-WERKbedrijf,
                    re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is niet duidelijk. De Centrale
                    Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver niet over uitgelaten.</al><al/><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een jongere zich ernstig
                    heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden naar de ernst van de
                    gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de
                    jongere. Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                    volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger)
                    worden onderscheiden: a. verbaal geweld (schelden); b. discriminatie; c.
                    intimidatie (uitoefenen van psychische druk); d. zaakgericht fysiek geweld
                    (vernielingen); e. mensgericht fysiek geweld; f. combinatie van
                    agressievormen.</al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                    geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het
                    toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al/><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. Het is aan te bevelen
                    dat een gemeente over een agressieprotocol beschikt waarin is aangegeven hoe
                    wordt omgegaan met lastige en agressieve klanten. In zo'n agressieprotocol kan
                    een relatie worden gelegd met het maatregelenbeleid ten aanzien van agressieve
                    klanten, in de vorm van beleidsregels.</al><al/><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In lid 3 is vastgelegd dat evenals bij andere vormen van verwijtbaar gedrag soms
                    een waarschuwing op zijn plaats kan zijn en gegeven kan worden.</al><al/><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>In het vierde lid komt evenals bij andere gedragingen tot uitdrukking dat
                    recidive een reden kan zijn de maatregelduur te verlengen. Vergelijk ook hetgeen
                    in de Algemene toelichting is gesteld over de mogelijkheid om bij herhaald
                    wangedrag de jongere wel tijdelijk uit te sluiten van het recht op
                    werkleeraanbod maar niet van de inkomensvoorziening. Gelet op de wens van de
                    wetgever om bij herhaald zeer ernstige misdragingen de jongere (tijdelijk) uit
                    te sluiten van een inkomensvoorziening, is bij recidive in beginsel een
                    percentage van 100% van toepassing, gedurende de periode van uitsluiting van het
                    werkleeraanbod. Er kan uiteraard ook gekozen worden voor een periode van een
                    maand of enkele maanden. Wel geldt daarbij dat binnen een maand de uitsluiting
                    van het werkleeraanbod heroverwogen moet worden, vanwege de grote consequenties
                    en gelet op het belang van duurzame arbeidsparticipatie.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>