<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR45763_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Waterland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waterland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch Gemeenteblad, 18-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=8&amp;g=2014-12-12">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004044&amp;artikel=35&amp;g=2014-12-12">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004163&amp;artikel=35&amp;g=2014-12-12">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35, lid 1 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-09-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>337-34</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR346089_1">Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Waterland 2015</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Waterland; </al><al/><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al><al/><al> Gelet op artikel 8 lid 1 sub b van de Wet werk en bijstand (WWB), artikel
                        35 lid 1 sub b Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en artikel 35 lid 1 sub b Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen (IOAZ).</al><al/><al>B E S L U I T : </al><al/><al>De Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2010 vast te stellen.​</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel 1 Definities </label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>WWB: Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers</al></li><li nr="c."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</al></li><li nr="d."><al>Uitkeringsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2
                                en 3, van de WWB en de uitkering zoals beschreven in artikel 9 IOAW
                                en IOAZ</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>Awb: Algemene wet bestuursrecht</al></li><li nr="f."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WWB, de
                                Awb, de IOAW en de IOAZ.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 Gedragingen WWB </label></kop><al>De gedragingen bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 20
                        lid 1 IOAW en IOAZ worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al/><al><cursief>Eerste categorie:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>niet, onvoldoende of niet binnen een door burgemeester en wethouders
                                gestelde termijn nakomen van de wettelijke inlichtingen- en
                                medewerkingsplicht, zonder dat belanghebbende een te hoog bedrag aan
                                bijstand ontvangen heeft;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in
                                hoofdstuk 6, paragraaf 3, van de WWB.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Tweede categorie:</cursief></al><al>niet, onvoldoende of niet binnen een door burgemeester en wethouders
                        gestelde termijn nakomen van de wettelijke inlichtingen- en
                        medewerkingsplicht, terwijl belanghebbende ten onrechte een te hoog bedrag
                        aan bijstand ontvangen heeft.</al><al/><al><cursief>Derde categorie:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>het blijk geven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="b."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid in
                                dienstbetrekking te verkrijgen;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot het gebruik
                                maken van geboden re-integratievoorzieningen, waaronder begrepen het
                                niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de
                                mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of sociale
                                activering.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Vierde categorie:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in
                                dienstbetrekking;</al></li><li nr="b."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Gedragingen IOAW en IOAZ </label></kop><al>De gedragingen bedoeld in artikel 20 lid 2 IOAW en artikel 20 lid 1 IOAZ
                        worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al/><al>Eerste categorie<cursief>:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij de
                                Arbeidsvoorzieningsorganisatie, dan wel de inschrijving niet of niet
                                tijdig doen verlengen;</al></li><li nr="b."><al>het niet ondertekenen of het niet aan burgemeester en wethouders
                                verstrekken van een exemplaar van de bijlage bij het besluit tot
                                toekenning of voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 18,
                                vierde lid, van de Ioaw en de Ioaz;</al></li><li nr="c."><al>het niet binnen de door burgemeester en wethouders daartoe gestelde
                                termijn verstrekken van informatie die van belang is voor de
                                verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan.</al></li></lijst><al/><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te
                                verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband
                                met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd
                                te verschijnen;</al></li><li nr="c."><al>het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een
                                onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding.</al></li></lijst><al/><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een voor de
                                inschakeling in de arbeid noodzakelijk geachte scholing of
                                opleiding, dan wel aan andere aangewezen activiteiten die de
                                zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Vorm van afstemming WWB </label></kop><al>Burgemeester en wethouders stellen de verlaging van de bijstand bedoeld in
                        artikel 18, tweede lid WWB en artikel 20 IOAW en IOAZ vast op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van betreffende uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>tien procent van betreffende uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van betreffende uitkeringsnorm bij gedragingen van
                                de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de uitkering bij gedragingen van de vierde
                                categorie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Vorm van afstemming IOAW en IOAZ </label></kop><al>Burgemeester en wethouder stellen de verlaging van de uitkering bedoeld in
                        artikel 20 lid 2 IOAW en artikel 20 lid 1 IOAZ vast op: </al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de grondslag gedurende een maand bij gedragingen
                                van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>tien procent van de grondslag gedurende een maand bij gedragingen
                                van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de grondslag gedurende een maand bij gedragingen
                                van de derde categorie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Periode van de verlaging </label></kop><al>De verlaging van de bijstand bedoeld in artikel 18, tweede lid, WWB en
                        artikel 20 IOAW en IOAZ vindt plaats:</al><lijst><li nr="1."><al>voor de duur van een maand, wanneer sprake is van een eerste
                                verwijtbare gedraging;</al></li><li nr="2."><al>voor de duur van twee maanden, wanneer sprake is van een tweede
                                verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen
                                twaalf maanden na de eerste als verwijtbaar aangemerkte
                                gedraging.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij een derde en volgende
                                verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen
                                twaalf maanden na de eerste verwijtbare gedraging de bijstand
                                verlagen voor maximaal drie maanden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Ingangsdatum verlaging </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> 1De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste kalendermaand na
                            bekendmaking van de maatregel aan de belanghebbende. Daarbij wordt
                            uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>2In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                            kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is
                            uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Weigeren mee te werken </label></kop><al>Rekening houdende met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid
                        en de individuele omstandigheden, kunnen burgemeester en wethouders het
                        percentage van de verlaging maximaal verdubbelen als een belanghebbende na
                        het opleggen van een maatregel volhardt in de weigering mee te werken aan de
                        arbeidsinschakeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Waarschuwing en dringende redenen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een verwijtbare gedraging in de eerste of derde categorie van
                            artikel 2, zonder dat belanghebbende ten onrechte of tot een te hoog
                            bedrag bijstand ontvangen heeft, kunnen burgemeester en wethouders
                            volstaan met een schriftelijke waarschuwing in plaats van een verlaging
                            van bijstand, als er in het jaar voorafgaande aan die gedraging geen
                            schriftelijke waarschuwing of verlaging van bijstand is geweest;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een verlaging van de
                            bijstand niet uit te voeren, als er sprake is van dringende redenen.
                            Omstandigheden die het rechtstreekse gevolg zijn van een als verwijtbaar
                            aan te merken gedraging zijn geen dringende redenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                            burgemeester en wethouders of hun ambtenaren, in omstandigheden die
                            rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet of deze
                            verordening, wordt een verlaging toegepast van 20% van de
                            uitkeringsnorm, gedurende 1 maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in lid 1 genoemde percentage wordt verdubbeld als de belanghebbende
                            zich binnen een jaar na bekendmaking van het besluit tot verlaging
                            opnieuw zeer ernstig misdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Slotbepalingen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Nadere regels </label></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen met betrekking
                        tot de uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Citeertitel </label></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Maatregelenverordening WWB, IOAW
                        en IOAZ 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Inwerkingtreding </label></kop><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht per 1 juli 2010 in werking. </al><al>De Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2006 wordt ingetrokken op het
                        moment dat de Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2010 in werking
                        treedt.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Waterland, gehouden op 9 september 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>(Drs. E.G.H. Dijk) (Mr. E.F. Jongmans)</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene Toelichting Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ
                        2010</titel></kop><al/><al>De eigen verantwoordelijkheid van de burger om in zijn levensonderhoud te
                    voorzien staat centraal. Als dit niet mogelijk is en er geen voorliggende
                    voorzieningen beschikbaar zijn kunnen zij aanspraak maken op ondersteuning van
                    de gemeente. </al><al>Dit brengt met zich mee dat de nadruk komt ligt op de verplichting van de
                    bijstandsgerechtigde om alles in het werk te stellen om zo snel mogelijk weer
                    zelfstandig in zijn levensonderhoud te voorzien. De aan de uitkering verbonden
                    verplichtingen zijn dan ook voornamelijk op dit doel gericht en worden zoveel
                    mogelijk afgestemd op de individuele mogelijkheden en omstandigheden van de
                    belanghebbende. De gemeente moet haar beleid op dit terrein vastleggen in een
                    verordening. </al><al/><al><vet>Relatie met de Wet investeren in jongeren (WIJ)</vet></al><al>Met de inwerkingtreding van de WIJ is de WWB in beginsel afgesloten voor
                    jongeren tot 27 jaar en kunnen deze jongeren in beginsel geen algemene bijstand
                    meer ontvangen. Daartoe is de WWB op een aantal onderdelen aangepast en is de
                    Maatregelenverordening WWB een navenante wijziging ondergaan. Op grond van het
                    overgangsrecht (artikel 86, WIJ) blijft de WWB voor jongeren die op 30 september
                    2009 algemene bijstand ontvingen van toepassing tot 1 juli 2010. Deze
                    verordening wordt daarom per 1 juli 2010 vastgesteld.</al><al/><al>Bij het inrichten van de WIJ is op het punt van de inkomensvoorziening
                    uitdrukkelijk ervoor gekozen zoveel mogelijk aansluiting te zoeken met de WWB,
                    op onderdelen als de normensystematiek, de middelentoets, verlaging van bijstand
                    en terugvordering en verhaal. Hoewel die aansluiting niet in alle opzichten
                    volledig is gerealiseerd, is ten aanzien van het te voeren toeslagen- en
                    verlagingenbeleid sprake van een identiek wettelijk kader als thans in de WWB.
                    Normen die specifiek betrekking hebben op jong-meerderjarigen zijn uit de WWB
                    overgeheveld naar de WIJ. </al><al/><al>De Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2010 regelt de verlaging van de
                    uitkering bedoeld in artikel 18, tweede lid en derde lid, WWB en artikel 20 lid
                    2 IOAW en IOAZ. De WWB, IOAW en IOAZ kennen geen mogelijkheid om een boete op te
                    leggen. </al><al/><al><vet>WWB</vet></al><al>Uitgangspunt is het beginsel zoals verwoord in de Memorie van Toelichting bij
                    het wetsvoorstel WWB, dat de uitkering wordt afgestemd op het nakomen van de
                    verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit de wet en de verplichtingen die
                    bij beschikking aan de belanghebbende zijn opgelegd. Het grote belang van de
                    plicht tot arbeidsinschakeling komt in de verordening tot uitdrukking in de
                    onderverdeling in categorieën gedragingen. Aan gedragingen die de
                    arbeidsinschakeling rechtstreeks schaden wordt een relatief zwaarder gewicht
                    toegekend.</al><al/><al><vet>IOAW en IOAZ</vet></al><al>Op 1 januari 2010 is de Wet tot Bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening
                    aan gemeenten in werking getreden. Door de invoering van deze wet worden onder
                    meer de boete en maatregel in de IOAW en IOAZ vervangen door een afstemming op
                    basis van een gemeentelijke afstemmingsverordening. Dat houdt ook in dat de
                    bestaande bevoegdheid tot het opleggen van boeten en maatregelen in de
                    betreffende regelingen wordt vervangen door een bevoegdheid tot afstemmen op
                    basis van een gemeentelijke afstemmingsverordening. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet> Artikel 1 Definities </vet></al><al>Dit artikel bevat enkele begripsomschrijvingen.</al><al/><al>Sub b. Bijstand:</al><al>Onder bijstand wordt in deze verordening uitdrukkelijk alleen verstaan de
                    toepasselijke norm plus de toeslag. De verlaging is dus alleen van toepassing op
                    de norm plus de toeslag. De wet biedt de keuze om of de bijstand of de
                    langdurigheidstoeslag te verlagen, echter aan verlaging van de
                    langdurigheidstoeslag is een aantal bezwaren verbonden. De langdurigheidstoeslag
                    wordt uitgekeerd als de belanghebbende hiervoor een aanvraag indient en aan de
                    voorwaarden voldoet; het tijdstip van uitbetaling varieert dus per geval. Als de
                    bijstand wegens verwijtbaar gedrag moet worden verlaagd, zou dat kunnen leiden
                    tot een ongelijke behandeling, omdat in het ene geval de langdurigheidstoeslag
                    reeds is uitbetaald en daarmee aan verlaging ontkomt, terwijl men in het andere
                    geval dat de toeslag nog ontvangen moet worden men zou kunnen overwegen om in
                    voorkomende gevallen de verlaging met terugwerkende kracht op te leggen. Dit is
                    echter alleen mogelijk als ook de gedraging zich in het verleden heeft
                    voorgedaan (men kan immers niet de bijstand verlagen over een periode waarin aan
                    alle verplichtingen zijn voldaan). Dit brengt het bezwaar met zich mee dat de
                    uitvoering in iedere situatie de keuze zou moeten maken tussen verlaging van de
                    bijstand of de langdurigheidstoeslag, hetgeen vervolgens ook weer kan leiden tot
                    een verschil in behandeling van overigens gelijke gevallen. Door de
                    langdurigheidstoeslag niet onder verordening te laten vallen is een gelijke
                    behandeling beter gewaarborgd. Wel kan het verwijtbaar niet nakomen van de
                    plicht tot arbeidsinschakeling natuurlijk gevolgen hebben voor een toekomstige
                    aanspraak op de langdurigheidstoeslag, omdat de belanghebbende niet langer
                    voldoet aan de voorwaarden. </al><al/><al><vet>Artikel 2 Gedragingen WWB en artikel 3 Gedragingen IOAW en IOAZ </vet></al><al>De artikelen twee en vier moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. De
                    verwijtbare gedragingen zijn ondergebracht in categorieën waaraan (in artikel
                    drie) een gewicht is toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De
                    categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. In de indeling in
                    categorieën is uitdrukking gegeven aan het belang dat in de Wwb wordt gehecht
                    aan de reïntegratieverplichting. De gedragingen welke direct betrekking hebben
                    op verplichtingen in het kader van de inschakeling in de arbeid, met
                    uitzondering van het niet of niet volledig verstrekken van inlichtingen ten
                    behoeve van de reïntegratie zijn daarom ondergebracht in de twee zwaarste
                    categorieën (categorie drie en vier). Voor elke verlaging geldt dat hiertoe is
                    beslist nadat een zelfstandige beoordeling door de gemeente Waterland is
                    gemaakt. Een maatregel opgelegd door bijvoorbeeld het UWV (bijv. permanente
                    weigering WW) mag niet klakkeloos worden overgenomen. Wel dient met dit feit
                    rekening te worden gehouden bij de individuele gemeentelijke beoordeling.</al><al>De gedraging in de vierde categorie is in artikel 20 lid 1 van de IOAW en
                    artikel 20 lid 2 IOAZ opgenomen. </al><al/><al> Eerste categorie </al><lijst><li nr="a."><al>Het gaat hierbij om relatief lichte schendingen van de algemene, uit de
                            wet voortvloeiende inlichtingen- en medewerkingsplicht, zoals het niet
                            tijdig inleveren van de inkomstenverklaring of het niet naar behoren
                            verstrekken van inlichtingen die van belang kunnen zijn bij de
                            arbeidsinschakeling. Essentieel is dat het moet gaan om inlichtingen
                            die, als ze wel tijdig zouden zijn verstrekt, geen consequenties hebben
                            voor (de hoogte van) het recht op bijstand. Overigens kan het niet
                            verstrekken van bepaalde inlichtingen er natuurlijk wel toe leiden dat
                            het recht niet kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld in de situatie
                            waarin de belanghebbende ook na het verstrijken van de hersteltermijn
                            geen inkomstenverklaring inlevert. </al></li><li nr="b."><al>De aanvullende verplichtingen moeten expliciet bij beschikking worden
                            opgelegd. Dat kan zowel plaatsvinden bij aanvang van de bijstand als in
                            een later stadium, zodra de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het
                            gaat hier om specifieke verplichtingen, die niet rechtstreeks van
                            invloed zijn op de hoogte van het recht, maar wel arbeidsinschakeling en
                            uitstroom bevorderen of verband houden met aard en doel van de bijstand.
                            Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om de verplichting om mee te werken
                            aan een schuldhulpverleningstraject of de verplichting een medische
                            behandeling te ondergaan.</al><al/></li></lijst><al> Tweede categorie </al><lijst><li nr="a."><al>Het betreft hier vergelijkbare gedragingen als die van de eerste
                            categorie onder a, maar met dit onderscheid dat het in deze categorie
                            gaat om inlichtingen die direct van invloed zijn op het recht op
                            bijstand. Men moet hierbij vooral denken aan gegevens over de
                            woonsituatie of over hoogte van genoten inkomsten of middelen die tot
                            het vermogen worden gerekend, waar de belanghebbende redelijkerwijs had
                            kunnen begrijpen dat deze van belang waren voor het recht op bijstand.
                            Er is in deze situaties sprake van fraude wanneer de belanghebbende de
                            bedoelde inlichtingen bewust heeft verzwegen. Waren de inlichtingen wel
                            tijdig verstrekt, dan zou dat hebben geleid tot het lager vaststellen
                            van het recht op bijstand of tot beëindiging van de bijstand. </al><al/></li></lijst><al> Derde categorie </al><lijst><li nr="a."><al>Het tonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                            direct gevolgen voor de hoogte of de duur van de aanspraak op bijstand,
                            bijvoorbeeld wanneer iemand door eigen toedoen en daardoor (eerder) in
                            bijstandsbehoeftige omstandigheden komt te verkeren.Is er sprake
                            van te snel interen van vermogen, dan kan dit aanleiding zijn om artikel
                            5 van de verordening toe te passen. </al></li><li nr="b."><al>Deze gedragingen hebben betrekking op de actieve sollicitatieplicht. De
                            belanghebbende is verplicht een minimaal aantal sollicitaties te
                            verrichten en hiervan op verzoek de bewijsstukken te tonen. Het exacte
                            aantal verplichte sollicitaties zal afhangen van het aanbod van algemeen
                            geaccepteerde arbeid. Met mededeling van mondelinge sollicitaties wordt
                            in beginsel geen genoegen genomen, tenzij geverifieerd kan worden dat
                            deze daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.</al></li><li nr="c."><al>Bij toekenning van de bijstand of in een later stadium kan aan de
                            belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht in zijn
                            levensonderhoud te voorzien, de verplichting worden opgelegd om mee te
                            werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de benodigde
                            re-integratievoorziening of om deel te nemen aan een concreet aangeboden
                            traject dat uiteindelijk moet leiden tot uitstroom. De
                            arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende
                            deze verplichting niet of onvoldoende nakomt, hetgeen weer gevolgen
                            heeft voor de duur van de aanspraak op bijstand. Het niet of onvoldoende
                            verlenen van medewerking aan een traject kan er immers toe leiden dat
                            een traject ernstig wordt vertraagd of zelfs moeten worden afgebroken. </al><al>Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de
                            belanghebbende niet op afspraken bij het re-integratiebedrijf verschijnt
                            of opdrachten in het kader van een scholing niet naar behoren uitvoert.
                        </al></li></lijst><al/><al> Vierde categorie </al><lijst><li nr="a."><al>in deze categorie gedragingen gaat het om verwijtbaar ontslag,
                            bijvoorbeeld een ontslag op staande voet wegens diefstal of
                            werkweigering. </al></li><li nr="b."><al>Deze gedragingen hebben betrekking op het weigeren van een aangeboden
                            dienstverband. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan,
                            gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of voor
                            onbepaalde duur. Essentieel is dat de belanghebbende door de
                            werkweigering afziet van een concrete kans om geheel of gedeeltelijk uit
                            de bijstand te komen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4 Vorm van afstemming WWB en artikel 5 Vorm van afstemming IOAW en
                        IOAZ </vet></al><al>Bij de onderscheiden categorieën verlagingen zijn de aard en zwaarte van de
                    gedragingen gekoppeld aan een bepaald verlagingspercentage. Dit percentage is
                    het uitgangspunt bij de uiteindelijke vaststelling van de verlaging, waarbij te
                    allen tijde de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                    individuele omstandigheden moeten worden meegewogen. Dat betekent dat in
                    individuele gevallen, met uitvoerige motivering, afgeweken kan worden van het
                    percentage wat in beginsel van toepassing is. </al><al/><al><vet>Artikel 6 Periode van de verlaging </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het eerst lid regelt de duur van de verlaging bij een eerste gedraging.
                            Een eerste gedraging kan hoogstens leiden tot een verlaging voor de duur
                            van een maand (behoudens afwijking op grond van artikel 5 van de
                            verordening). Uitgangspunt is dat degene die voor het eerst
                            'maatregelwaardig gedrag' vertoont maximaal een maand een verlaging
                            krijgt. Doorgaans geldt dat de verlaging een zeker opvoedkundig element
                            met zich meebrengt en dat de belanghebbende zijn gedrag kan aanpassen.
                            Hoewel dit laatste bij iedere maatregel geldt wordt aangenomen dat een
                            langere verlaging in dit geval disproportioneel wordt geacht. Overigens
                            dient de beschrijving 'eerste gedraging' ruimer’ te worden uitgelegd dan
                            zij doet vermoeden. Een gedraging wordt als eerste gedraging aangemerkt
                            indien zij echt voor het eerst is vertoond, maar ook indien er al eerder
                            een dergelijke gedraging is vertoond, maar deze langer dan een jaar (12
                            maanden) geleden vertoond is. Is sprake van een volgende verwijtbare
                            gedraging die een verlaging oplevert volgens artikel 2 van de
                            verordening binnen een jaar, dan is sprake van recidive en is lid 2 of
                            lid 3 van artikel 4 van de verordening van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Het tweede lid regelt de duur van de verlaging bij volharding van
                            ongewenst, verwijtbaar gedrag. Van volharding is sprake bij een tweede
                            gedraging van gelijke of hogere categorie, binnen een jaar (12 maanden)
                            na de eerste gedraging. Bepalend voor recidive is de datum waarop de
                            eerste gedraging is vertoond en of de belanghebbende hiervan
                            redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn, dus de verzenddatum van de
                            beschikking naar aanleiding van de eerste gedraging. De belanghebbende
                            kan immers pas zijn/haar gedrag pas aanpassen indien deze redelijkerwijs
                            weet dat dit gedrag ongewenst is en een verlaging oplevert. </al></li><li nr="3."><al>Blijft een belanghebbende voor een derde maal (of nog vaker) volharden
                            in het ongewenste en verwijtbare gedrag, dan kan dit een verdere
                            verlaging tot drie maanden opleveren. Ook hiervoor geldt dat de
                            gedragingen binnen een jaar (12 maanden) moeten zijn opgetreden. Voor
                            het overige wordt aangesloten bij de toelichting in het vorige lid.
                        </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 7 Ingangsdatum verlaging </vet></al><al>Een maatregel wordt pas uitgevoerd nadat betrokkene met een beschikking op de
                    hoogte is gesteld van de hoogte en duur van de opgelegde maatregel. Een
                    uitzondering daarop is als de uitkering nog niet is uitbetaald, dan kan de
                    maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Weigeren mee te werken </vet></al><al>Deze bepaling biedt de mogelijkheid om bij volharding het percentage van de
                    verlaging te verdubbelen. Men moet hierbij bijvoorbeeld denken aan de
                    weigerachtigheid om mee te werken aan een traject. Als hiervoor een verlaging is
                    opgelegd en de belanghebbende blijft medewerking weigeren dan kan bij de
                    voortzetting het percentage worden verdubbeld. </al><al/><al><vet>Artikel 9 Waarschuwing en dringende redenen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze bepaling regelt de schriftelijke waarschuwing en geeft de
                            mogelijkheid om bij een eerste verwijtbare gedraging met een
                            waarschuwing te volstaan. De feitelijke gedragingen worden vastgelegd en
                            omschreven in een waarschuwingsbeschikking en telt ook dus mee bij
                            eventuele recidive. Alleen bij eerste verwijtbare gedraging van
                            categorie 1 of 3 kan met een waarschuwing worden volstaan, mits er in
                            het voorafgaande jaar geen sprake is geweest van enig ander verwijtbaar
                            gedrag en de gedraging niet tot gevolg heeft gehad dat te veel of ten
                            onrechte bijstand is betaald. De reden dat geen waarschuwing bij
                            categorie 2 wordt gegeven is, dat in dat geval te veel bijstand betaald
                            is. </al></li><li nr="2."><al>Deze bepaling voorziet in de situatie dat alles in aanmerking genomen de
                            verwijtbare gedraging zou moeten resulteren in een verlaging van de
                            bijstand, maar dat er sprake is van dringende omstandigheden waarbij
                            tenuitvoerlegging van de verlaging tot onevenredige hardheid zou leiden.
                            Het gaat hierbij voornamelijk om de situatie dat de belanghebbende als
                            gevolg van de verlaging in ernstige financiële nood komt en niet meer
                            aan betalingsverplichtingen kan voldoen of een schuldsaneringtraject
                            niet kan nakomen. De omstandigheden mogen niet het gevolg zijn van de
                            verwijtbare gedraging. Als iemand door verwijtbaar ontslag in ernstige
                            financiële nood komt te verkeren, kan dat nooit een reden zijn om van de
                            oplegging van de verlaging af te zien. De omstandigheden zijn immers het
                            gevolg van het verwijtbare gedrag. Afzien van de uitvoering van een
                            verlaging kan te allen tijde plaatsvinden, ook als er sprake is van
                            herhaald verwijtbaar gedrag. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 10 Zeer ernstige misdragingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al> Ten aanzien van het onderdeel misdragingen is er geen bestaand kader
                            voorhanden waarbij kan worden aangesloten. In eerste instantie moet de
                            ernst van de misdraging worden beschreven.</al><al>Onontkoombaar hierbij is een zekere subjectieve interpretatie. Toch is
                            er een poging gedaan om tot een beschrijving van de term “misdraging” te
                            komen en hieraan vervolgens een rangorde van zwaarte mee te geven. </al><al>In de eerste plaats hebben we een onderscheid gemaakt tussen verbale en
                            fysieke misdragingen (waaronder ook vernielingen). </al><al>Een verbale misdraging kan in het algemeen minder zwaar worden
                            aangerekend dan fysiek geweld. Ten aanzien van verbale misdragingen kan
                            vervolgens weer een onderscheid worden gemaakt in grof en/of
                            discriminerend taalgebruik (schelden, vloeken, beledigen etc.) en in
                            bedreiging. Bedreiging is hierbij weer zwaarder aan te rekenen dan grof
                            en/of discriminerend taalgebruik. </al><al>Daarnaast is er een nog grijs gebied waarbij moeilijk is vast te stellen
                            waar verbaal en fysiek geweld in elkaar overgaan. Hierbij is sprake van
                            ernstig intimiderend gedrag en/of dreiging met geweld zoals het buiten
                            opwachten, volgen, het dragen van wapens of andere gevaarlijke
                            voorwerpen etc. Dit is te vatten onder de noemer “stalking”. </al><al>In tweede instantie moet worden beoordeeld of er sprake is van een
                            “medewerker belast met de uitvoering van de wet”. Hieronder wordt niet
                            alleen de consulent verstaan, maar ook de medewerker van de centrale
                            balie, de telefonist en iedere andere medewerker die namens de afdeling
                            Sociale Zaken en/of het UWV Werkbedrijf met de belanghebbende in contact
                            treedt. </al><al>Is er sprake is van een ernstige misdraging, dan moet uitvoerig worden
                            gerapporteerd over de exacte aard van het gedrag en de omstandigheden
                            waaronder het zich heeft voorgedaan. </al><al/><al>Er is voor gekozen om geen onderscheid in de hoogte van de op te leggen
                            maatregel omdat uiteindelijk de strafrechter degene is die beoordeeld
                            hoe ernstig een misdraging is. Dit houdt dus in dat er niet gekeken
                            wordt naar de ernst van de misdraging maar dat er geconstateerd moet
                            worden dat er sprake is van een ernstige misdraging, vervolgens wordt er
                            een maatregel opgelegd van 20% gedurende 1 maand. </al><al/><al>Het verlagen van de bijstand wegens wangedrag laat de bevoegdheid van de
                            afdeling Sociale Zaken om de dader gedurende een periode de toegang tot
                            de gebouwen van de afdeling Sociale Zaken en het UWV Werkbedrijf te
                            ontzeggen onverlet. In geval van bedreiging kan de betreffende persoon
                            besluiten hiervan aangifte te doen bij de politie. In geval van fysiek
                            geweld en stalking wordt er, in overleg met de betreffende medewerker,
                            aangifte gedaan.</al><al/></li><li nr="2."><al> Ingeval van een zich zeer ernstig misdragende cliënt die ook na een
                            verlaging daar niet mee ophoudt, is een aparte recidivebepaling op zijn
                            plaats. In tegenstelling tot de algemene recidivebepaling wordt niet de
                            duur van de verlaging verdubbeld maar de hoogte, zodat belanghebbende
                            directer geconfronteerd wordt met de gevolgen van zijn gedrag. </al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>