<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR45634_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Diemen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemer Courant, 03-03-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Diemen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, de artikelen 8 lid 1 onderdeel c en 30.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-02-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-04-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>04-09</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>wet werk en bijstand (wwb)</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Diemen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Opmerkingen m.b.t. de regeling</vet></al><al/><al>Geen.</al><al/><al/><al><vet>Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is
                            gebaseerd</vet></al><al/><al>1.Wet werk en bijstand, de artikelen 8 lid 1 onderdeel c en 30.</al><al/><al/><al><vet>Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde
                            regelgeving)</vet></al><al/><al>Geen.</al><al/><al/><al><vet>Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</vet></al><al/><al/><al><vet>Datum</vet></al><al><vet>inwerkingtreding</vet></al><al>01-07-2010</al><al/><al>13-04-2004</al><al/><al><vet>Terugwerkende kracht t/m</vet></al><al/><al><vet>Betreft</vet></al><al>wijziging art. 1 t/m 4, 6, 7, 8, toelichting</al><al/><al>nieuwe regeling</al><al/><al><vet>Datum ondertekening</vet></al><al><vet>Bron bekendmaking</vet></al><al>22-04-2010</al><al/><al>26-02-2004</al><al>Diemer Courant</al><al>d.d. 03-03-2004,</al><al>62<sup>e</sup> jaargang, editie 7, nr. 9, pagina 2.</al><al/><al><vet>Kenmerk voorstel</vet></al><al>2010-22</al><al/><al>nr. 04-09</al><al/><al/><al><vet>Verordening afstemming bijstand gemeente Diemen</vet></al><al/><al>Nr.: 04-09</al><lijst><li nr="·"><al>De Raad van de gemeente Diemen</al></li><li nr="·"><al>gezien het advies van de Commissie Sociale Infrastructuur</al></li><li nr="·"><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 januari
                                2004</al></li><li nr="·"><al>gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b en 18 van de Wet
                                werk en bijstand (WWB),</al></li><li nr="·"><al>gelet op de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)</al></li><li nr="·"><al>gelet op de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)</al></li><li nr="·"><al>overwegende dat het noodzakelijk is het afstemmen van de Algemene
                                bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen bij
                                verordening te regelen; </al></li></lijst><al/><al>besluit vast te stellen de volgende afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ
                        gemeente Diemen </al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand (WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen (IOAZ) de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                            Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en
                            bijstand (WWB) alsmede de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen (IOAZ).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>het college: het college van Burgemeester en wethouders van Diemen</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>de raad: de gemeenteraad van Diemen</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>belanghebbende: de persoon die een uitkering WWB of de persoon die een
                            inkomensvoorziening wet IOAW, inkomensvoorziening wet IOAZ heeft
                            aangevraagd dan wel ontvangt of heeft ontvangen; indien dit een gehuwde
                            betreft, wordt onder belanghebbende elk van de echtgenoten
                            verstaan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder norm: De van toepassing zijnde
                            WWB norm. Indien sprake is van een IOAW of IOAZ uitkering dan geldt de
                            WWB norm die van toepassing zou zijn in de situatie van
                            belanghebbende(n)</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder uitkering: Bijstand op grond
                            van de WWB of een inkomensvoorziening op grond van de IOAW of IOAZ.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>eerste categorie: </al><lijst><li nr="1."><al>het niet, onvoldoende of niet binnen een door
                                            burgemeester en wethouders gestelde termijn nakomen van
                                            inlichtingen- en medewerkingplicht als bedoeld in
                                            artikel 17 van de Wet werk en bijstand respectievelijk
                                            artikel 13 van de IOAW of artikel 13 van de IOAZ voor
                                            zover dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot
                                            een te hoog bedrag ontvangen aan uitkering; </al></li><li nr="2."><al>het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als
                                            bedoeld in paragraaf 6.3 van de Wet werk en
                                            bijstand.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet, onvoldoende of niet binnen een door
                                            burgemeester en wethouders gestelde termijn nakomen van
                                            inlichtingen- en medewerkingplicht bedoeld in artikel 17
                                            van de wet Werk en bijstand respectievelijk artikel 13
                                            van de IOAW of artikel 13 van de IOAZ als dit heeft
                                            geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                            ontvangen aan uitkering;</al></li><li nr="2."><al>het niet als werkzoekende geregistreerd zijn of blijven
                                            bij het UWV-werkbedrijf, zoals bedoeld in artikel 9 van
                                            de Wet werk en bijstand.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>derde categorie: </al><lijst><li nr="1."><al>het blijk geven van tekortschietend besef van
                                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
                                        </al></li><li nr="2."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;</al></li><li nr="3."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van geboden re-integratievoorzieningen,
                                            waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan
                                            een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling, scholing of sociale
                                            activering.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>vierde categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in
                                            dienstbetrekking;</al></li><li nr="2."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="3."><al>het zich ernstig misdragen tegenover een medewerker
                                            belast met de uitvoering van de wet.</al></li></lijst></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Percentage van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen de verlaging van de uitkering bedoeld
                            in artikel 18, tweede lid, van de WWB respectievelijk artikel 20 van de
                            IOAW en artikel 20 van de IOAZ vast op: </al><lijst><li nr="1."><al>vijf procent van de norm bij gedragingen van de eerste
                                    categorie; </al></li><li nr="2."><al>tien procent van de norm bij gedragingen van de tweede
                                    categorie; </al></li><li nr="3."><al>twintig procent van de norm bij gedragingen van de derde
                                    categorie; </al></li><li nr="4."><al>honderd procent van de norm bij gedragingen van de vierde
                                    categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen, in afwijking van het eerste lid, het
                            percentage van de verlaging hoger of lager vaststellen, tot een minimum
                            van vijf procent en een maximum van honderd procent, rekening houdend
                            met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            individuele omstandigheden van de belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Periode van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging van de uitkering bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de
                            wet of de artikelen 20 IOAW en 20 IOAZ vindt plaats: </al><lijst><li nr="1."><al>voor de duur van een kalendermaand, wanneer sprake is van een
                                    eerste verwijtbare gedraging die niet meer hersteld kan worden;
                                </al></li><li nr="2."><al>voor de duur van drie kalendermaanden voor een gedraging die
                                    door belanghebbende kan worden hersteld; </al></li><li nr="3."><al>voor de duur van drie kalendermaanden, wanneer sprake is van een
                                    tweede verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere
                                    categorie binnen twaalf maanden na de eerste als verwijtbaar
                                    aangemerkte gedraging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij een derde en volgende verwijtbare
                            gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na
                            de eerste als verwijtbaar aangemerkte gedraging de uitkering voor
                            onbepaalde duur verlagen, rekening houdend met de ernst van de
                            gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden
                            van de belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging wordt herbeoordeeld indien belanghebbende gedurende de
                            periode van verlaging aantoont dat het verzuim is hersteld. Indien een
                            gedraging is hersteld kan de verlaging worden gestopt met ingang van de
                            eerste dag nadat belanghebbende heeft aangetoond zijn gedraging te
                            hebben hersteld. De verlaging duurt tenminste een kalendermaand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Heroverweging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders heroverwegen de in artikel 4, tweede lid,
                            bedoelde verlaging, of de verlaging die na een eerdere heroverweging
                            voor een periode langer dan drie maanden of voor onbepaalde duur is
                            voortgezet, binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na de datum
                            van het besluit tot verlaging of voortzetting van de verlaging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging beoordelen
                            burgemeester en wethouders of en in hoeverre de omstandigheden en het
                            gedrag van Belanghebbende aanleiding geven te besluiten tot herziening,
                            beëindiging of voortzetting van de verlaging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij een besluit tot voortzetting van
                            de verlaging het percentage van de verlaging verdubbelen, rekening
                            houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            individuele omstandigheden van de belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Waarschuwing en dringende redenen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen afzien van het verlagen van de
                            uitkering en volstaan met een schriftelijke waarschuwing, als de
                            verwijtbare gedraging bedoelt in artikel 2 niet heeft geleid tot het ten
                            onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering en de
                            gedraging niet plaatsvindt binnen een periode van twee jaar na de datum
                            waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
                            gegeven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een verlaging van de
                            uitkering niet uit te voeren, als er sprake is van dringende redenen of
                            zeer bijzondere omstandigheden. Omstandigheden die het rechtstreekse
                            gevolg zijn van een als verwijtbaar aan te merken gedraging zijn geen
                            dringende redenen of bijzondere omstandigheden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Handhaving</titel></kop><al>( vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Uitvoering: De uitvoering van deze verordening berust bij het
                                college van burgemeester en wethouders. </al></li><li nr="2."><al>Citeertitel: Deze verordening kan worden aangehaald als:
                                Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Diemen.</al></li><li nr="3."><al>Inwerkingtreding: Deze verordening treedt in werking op de eerste
                                dag na het verstrijken van een termijn van zes weken na 1 maart
                                2004.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad voornoemd in zijn openbare vergadering van 26
                        februari 2004</ondertekening><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1: Definities</tussenkop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB of Awb niet
                    afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook de Verordening moet
                    worden gewijzigd. </al><al>Onder de norm (lid 6) wordt in deze verordening verstaan de op de situatie van
                    belanghebbende geldende WWB norm plus de toeslag zoals deze geld op basis van de
                    toeslagenverordening gemeente Diemen. Bij een inkomensvoorziening op grond van
                    de IOAZ of de IOAW wordt dus gekeken naar welke WWB norm plus toeslag van
                    toepassing zou zijn als belanghebbende een WWB uitkering zou genieten. Een
                    eventuele verlaging wordt vervolgens daarop gebaseerd. Op deze wijze worden
                    eventuele verlagingen voor de verschillende uitkeringen (WWB, IOAW en IOAZ) op
                    één manier berekend.</al><al>Kortom: de verlaging of afstemming is dus gebaseerd op de Wwb norm en alleen van
                    toepassing op de norm plus toeslag . De wet biedt de keuze om de bijstand cq
                    inkomensvoorziening of de langdurigheidtoeslag te verlagen, echter aan verlaging
                    van de langdurigheidtoeslag zijn een aantal bezwaren verbonden. De
                    Langdurigheidstoeslag wordt uitgekeerd als de belanghebbende hiervoor een
                    aanvraag indient en aan de voorwaarden voldoet; het tijdstip van uitbetaling
                    varieert dus per geval. Als de bijstand wegens verwijtbaar gedrag moet worden
                    verlaagd, zou dat kunnen leiden tot een ongelijke behandeling van gelijke
                    gevallen, omdat in het ene geval de langdurigheidtoeslag reeds is uitbetaald en
                    daarmee aan verlaging ontkomt, terwijl in het andere geval waarin de toeslag nog
                    niet is uitbetaald deze wel aan verlaging kan of moet worden onderworpen. Om dit
                    bezwaar te ondervangen zou men kunnen overwegen om in voorkomende gevallen de
                    verlaging met terugwerkende kracht op te leggen, maar dat is alleen mogelijk als
                    ook de gedraging zich in het verleden heeft voorgedaan (men kan immers niet de
                    bijstand verlagen over een periode waarin aan alle verplichtingen is voldaan).
                    Dit brengt het bezwaar met zich mee dat de uitvoering in iedere situatie de
                    keuze zou moeten maken tussen verlaging van de bijstand of de
                    langdurigheidtoeslag, hetgeen vervolgens ook weer kan leiden tot een verschil in
                    behandeling van overigens gelijke gevallen. Door de langdurigheidtoeslag niet
                    onder deze verordening te laten vallen is een gelijke behandeling beter
                    gewaarborgd.</al><tussenkop>Artikel 2: Gedragingen</tussenkop><tussenkop>De artikelen 2 en 3 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. De
                    verwijtbare gedragingen zijn ondergebracht in categorieën, waaraan (in artikel
                    3) een gewicht is toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. Het
                    verlagingspercentage is gebaseerd op de van toepassing zijnde WWB norm inclusief
                    de in de situatie van belanghebbende van toepassing zijnde toeslag. </tussenkop><tussenkop>De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. In de indeling
                    in categorieën is uitdrukking gegeven aan het belang dat in de WWB, de IOAW en
                    de IOAZ wordt gehecht aan de re-integratieverplichting. De gedragingen welke
                    direct betrekking hebben op verplichtingen in het kader van de
                    arbeidsinschakeling, met uitzondering van het niet of niet volledig verstrekken
                    van inlichtingen ten behoeve van de re-integratie en het niet ingeschreven zijn
                    bij het Uwv werkbedrijf, zijn daarom ondergebracht in de twee zwaarste
                    categorieën (categorie 3 en 4).</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 lid 1. eerste categorie</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het gaat hierbij om relatief lichte schendingen van de algemene, uit de
                            wet voortvloeiende inlichtingen- en medewerkingplicht, zoals het niet
                            tijdig inleveren van het rechtmatigheidsonderzoeksformulier (ROF) of het
                            niet naar behoren verstrekken van inlichtingen die van belang kunnen
                            zijn bij de arbeidsinschakeling. Essentieel is dat het moet gaan om
                            inlichtingen die, als ze wel tijdig zouden zijn verstrekt, geen
                            consequenties hebben voor (de hoogte van) het recht op bijstand of
                            inkomensvoorziening IOAW/IOAZ. Overigens kan het niet verstrekken van
                            bepaalde inlichtingen er natuurlijk wel toe leiden dat het recht niet
                            kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld in de situatie waarin de
                            belanghebbende ook na het verstrijken van de hersteltermijn geen
                            inkomstenverklaring inlevert of niet verschijnt op een oproep voor een
                            periodiek heronderzoek.</al></li><li nr="2."><al>De aanvullende extra verplichtingen moeten expliciet bij beschikking
                            worden opgelegd. Dat kan zowel plaatsvinden bij aanvang van de bijstand
                            of toekenning van de inkomensvoorziening als in een later stadium, zodra
                            de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het gaat hier om specifieke
                            verplichtingen, die niet rechtstreeks van invloed zijn op de hoogte van
                            het recht, maar wel de arbeidsinschakeling en uitstroom bevorderen of
                            verband houden met aard en doel van de bijstand of inkomensvoorziening.
                            Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om de verplichting mee te werken aan
                            een schuldhulpverleningstraject of de verplichting een medische
                            behandeling te ondergaan.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2 lid 2. tweede categorie</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het betreft hier vergelijkbare gedragingen als die van de eerste
                            categorie onder a, maar met dit verschil dat het in deze categorie gaat
                            om inlichtingen die direct van invloed zijn op het recht op bijstand of
                            inkomensvoorziening. Men moet hierbij met name denken aan gegevens over
                            de woonsituatie of over de hoogte van genoten inkomsten of middelen die
                            tot het vermogen worden gerekend, waarvan de belanghebbende
                            redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat deze van belang waren voor de
                            vaststelling van het recht op bijstand of de inkomensvoorziening. Er is
                            in deze situaties sprake van fraude wanneer de belanghebbende de
                            bedoelde inlichtingen bewust heeft verzwegen. Waren de inlichtingen wel
                            tijdig verstrekt, dan zou dat hebben geleid tot het lager vaststellen
                            van het recht op bijstand of inkomensvoorziening of tot beëindiging van
                            de bijstand.</al></li><li nr="2."><al>De WWB, IOAW en IOAZ hechten een groot belang aan de plicht tot
                            arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB, artikel 4a IOAW en artikel 4a IOAZ).
                            De inschrijving bij het Uwv werkbedrijf is een eerste, relatief
                            eenvoudige stap op weg naar re-integratie in het arbeidsproces. Het niet
                            ingeschreven staan bij het Uwv werkbedrijf betekent onvermijdelijk een
                            vertraging van de re-integratie, in het bijzonder voor de doelgroep die
                            geacht wordt op eigen kracht naar reguliere arbeid uit te stromen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2 lid 3. derde categorie</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                            direct gevolgen voor de hoogte of de duur van de aanspraak op bijstand
                            of inkomensvoorziening, bijvoorbeeld wanneer iemand door eigen schuld
                            het recht op een voorliggende voorziening verspeelt en daardoor (eerder)
                            in bijstandsbehoeftige omstandigheden komt te verkeren. Van
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is bijvoorbeeld sprake
                            als iemand door eigen toedoen het recht op WW verliest (door niet tijdig
                            na ontslag WW aan te vragen) of naderhand ontvangen middelen op
                            onverantwoorde wijze heeft besteed, door sneller dan anderhalf maal de
                            bijstandsnorm in te teren.</al></li><li nr="2."><al>Deze gedraging heeft betrekking op de actieve sollicitatieplicht. De
                            belanghebbende is verplicht een minimaal aantal sollicitaties te
                            verrichten en hiervan op verzoek de bewijsstukken te tonen. Het exacte
                            aantal verplichte sollicitaties zal afhangen van het aanbod van algemeen
                            geaccepteerde arbeid. Met mededeling van mondelinge sollicitaties wordt
                            in beginsel geen genoegen genomen, tenzij kan worden geverifieerd dat
                            deze ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.</al></li><li nr="3."><al>Bij toekenning van de bijstand of inkomensvoorziening kan aan de
                            belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn
                            levensonderhoud te voorzien, de verplichting worden opgelegd om mee te
                            werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de benodigde
                            re-integratievoorzieningen of om deel te nemen aan een concreet
                            aangeboden traject dat uiteindelijk moet leiden tot uitstroom. De
                            arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende
                            deze verplichting niet of onvoldoende nakomt, hetgeen weer gevolgen
                            heeft voor de duur van de aanspraak op bijstand of de
                            inkomensvoorziening. Het niet of onvoldoende verlenen van medewerking
                            aan een traject (na ondertekening van een trajectplan) kan er immers toe
                            leiden dat een traject ernstig wordt vertraagd of zelfs moet worden
                            afgebroken. Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de
                            belanghebbende niet op afspraken bij de consulent van de gemeente of het
                            re-integratiebedrijf verschijnt, opdrachten in het kader van een
                            scholing niet naar behoren uitvoert of zich niet coöperatief opstelt ten
                            aanzien van een diagnostisch onderzoek.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2 lid 4. vierde categorie</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In deze categorie gedraging gaat het om verwijtbaar ontslag,
                            bijvoorbeeld een ontslag op staande voet wegens diefstal of
                            werkweigering. In deze gevallen wordt een eventuele aanvraag WW vrijwel
                            zonder uitzondering geweigerd. Tenzij achteraf anders blijkt, neemt het
                            college de constatering van de UWV dat er sprake is van verwijtbaarheid
                            over. Mocht in het bezwaar tegen de weigering van de WW-uitkering
                            blijken dat het ontslag niet verwijtbaar is, dan kan er in het kader van
                            de WWB of IOAZ of IOAW ook geen sprake zijn van verwijtbaarheid. Als de
                            belanghebbende afziet van het aanvragen van WW, dan zal het college zelf
                            moeten onderzoeken of het ontslag verwijtbaar is.</al></li><li nr="2."><al>Deze gedraging heeft betrekking op het weigeren van een aangeboden
                            dienstverband. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan,
                            gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of voor
                            onbepaalde duur. Essentieel is dat de belanghebbende door de
                            werkweigering afziet van een concrete kans om geheel of gedeeltelijk uit
                            de bijstand of afhankelijkheid van de toegekende IOAW of IOAZ uitkering
                            te komen.</al></li><li nr="3."><al>Met zich ernstig misdragen wordt met name bedoeld agressief gedrag.
                            Onder “medewerker belast met de uitvoering van de wet” wordt niet alleen
                            de bijstandsconsulent verstaan, maar ook de medewerker van de receptie,
                            de telefonist en iedere andere medewerker die namens het college met de
                            belanghebbende in contact treedt. Onder agressief gedrag wordt verstaan:
                            alle vormen van fysiek geweld, van dreiging met geweld, van intimidatie,
                            stalking, discriminatie naar geslacht, geloof of ras, seksuele
                            intimidatie, vernieling en het dragen van wapens of gevaarlijke
                            voorwerpen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3: Percentage van de verlaging</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 lid 1</tussenkop><tussenkop>Aan de categorieën is een bepaald wegingpercentage gekoppeld al naar
                    gelang de zwaarte van de gedraging. Dit percentage dient als uitgangspunt bij de
                    uiteindelijke vaststelling van de verlaging, waarbij te allen tijde de ernst van
                    de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden
                    moeten worden meegewogen. Het laatste wordt nader uitgewerkt in de toelichting
                    bij het tweede lid.</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 lid 2</tussenkop><al>Bij de feitelijke vaststelling van de verlaging moeten burgemeester en
                    wethouders vanzelfsprekend rekening houden met de individuele situatie van de
                    belanghebbende, maar daarnaast ook met de ernst van de gedraging en de mate van
                    verwijtbaarheid. Zo kan een gedraging naar zijn zwaarte aanleiding zijn voor een
                    bepaald verlagingpercentage, maar als de belanghebbende blijk heeft gegeven van
                    verder verwijtbaar gedrag af te zien zou het onevenredig hard kunnen zijn om het
                    volle percentage toe te passen. Ook hebben de categorieën een zekere
                    “bandbreedte”; niet elke gedraging binnen dezelfde categorie is even ernstig of
                    heeft even grote gevolgen. Ook dit aspect zal dus in de belangenafweging moeten
                    worden betrokken. Zo zal er met name bij agressie sprake zijn van een breed
                    scala aan feitelijke gedragingen, van relatief “onschuldig” (schreeuwen of
                    schelden) tot zeer ernstig (fysiek geweld). Ook kan een rol spelen of een
                    dergelijke gedraging zich voor de eerste maal voordoet of dat in het verleden al
                    eerder van verwijtbaar gedrag sprake is geweest. In de praktijk zal een eerste
                    gedraging, afhankelijk van ernst en verwijtbaarheid, veelal kunnen leiden tot de
                    vaststelling van een lager percentage en slechts in uitzonderlijke gevallen tot
                    een hoger percentage.</al><tussenkop>Artikel 4: Periode van de gedraging</tussenkop><tussenkop>Artikel 4 lid 1</tussenkop><al>Het eerste lid regelt de duur van de verlaging bij een eerste gedraging (sub a)
                    en bij recidive binnen twaalf maanden (sub b). Een eerste gedraging kan
                    hoogstens leiden tot een verlaging voor de duur van drie kalendermaanden, een
                    tweede gedraging tot eveneens tot maximaal drie kalendermaanden. Bepalend voor
                    recidive is de datum waarop de eerste gedraging als verwijtbaar is aangemerkt en
                    de belanghebbende hiervan redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn, dus de
                    verzenddatum van de beschikking naar aanleiding van de eerste gedraging. Er
                    wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen gedragingen die door de
                    belanghebbende hersteld kunnen worden (bijvoorbeeld sollicitatie verplichtingen)
                    en gedragingen die niet meer hersteld kunnen worden (bijvoorbeeld onverantwoord
                    vermogen interen)</al><tussenkop>Artikel 4 lid 2</tussenkop><al>Het tweede lid regelt de duur van de verlaging bij volharding. Van volharding is
                    in beginsel sprake bij een derde en volgende gedraging van gelijke of hogere
                    categorie, ook weer binnen twaalf maanden na de eerste gedraging. Omdat een
                    verlaging voor onbepaalde duur relatief grote gevolgen heeft voor de
                    belanghebbende, geldt hier bij uitstek het vereiste van een zorgvuldige
                    belangenafweging. Uitdrukkelijk is daarom de mogelijkheid opengelaten om ook bij
                    volharding een verlaging voor een bepaalde duur, tot maximaal drie maanden, op
                    te leggen.</al><tussenkop>Artikel 4 lid 3</tussenkop><al>Het derde lid regelt de mogelijkheid om de verlaging te herzien of ongedaan te
                    maken indienbelanghebbende zelf aantoont binnen de periode van de maatregel zijn
                    gedraging te hebben hersteld. Het zal hier veelal gaan om arbeidsverplichtingen
                    of verplichtingen waar belanghebbende zelf zorg kan dragen voor herstel. Deze
                    verantwoordelijkheid wordt uitdrukkelijk bij de klant gelegd. </al><tussenkop>Artikel 5: Heroverweging</tussenkop><tussenkop>Artikel 5 lid 1</tussenkop><al>Artikel 18, derde lid, WWB schrijft voor dat burgemeester en wethouders een
                    verlaging moeten heroverwegen binnen uiterlijk drie maanden. Deze heroverweging
                    kan achterwege blijven als de verlaging voor een periode van ten hoogste drie
                    maanden is opgelegd. Binnen drie maanden na de beschikking tot verlaging voor
                    onbepaalde duur moeten burgemeester en wethouders beginnen met het onderzoek in
                    het kader van de heroverweging. Dit onderzoek kan, afhankelijk van de aard van
                    de verplichting of gedraging, in veel gevallen schriftelijk plaatsvinden. Zo
                    kan, bijvoorbeeld wanneer het gaat om het al dan niet nakomen van de
                    sollicitatieplicht, worden volstaan met het opvragen van schriftelijke bewijzen
                    waaruit blijkt dat de belanghebbende inmiddels aan de sollicitatieplicht is gaan
                    voldoen. In andere gevallen zal het noodzakelijk zijn om de belanghebbende op te
                    roepen. Als de belanghebbende de gevraagde gegevens niet overlegt of geen gehoor
                    geeft aan oproepen, dan vindt heroverweging plaats op basis van de dan bekende
                    gegevens, hetgeen veelal tot voortzetting van de verlaging zal leiden.</al><tussenkop>Artikel 5 lid 2</tussenkop><al>Het resultaat van de heroverweging kan drieledig zijn. De belanghebbende laat
                    blijken zich inmiddels niet langer schuldig te maken aan de verwijtbare
                    gedraging waarvoor de verlaging was opgelegd. In dat geval zal de verlaging
                    worden herzien met ingang van het moment waarop van verder verwijtbaar gedrag
                    geen sprake meer is, dus met terugwerkende kracht. Beëindiging van de verlaging
                    na drie maanden vindt plaats als de belanghebbende aannemelijk maakt dat hij
                    zich voortaan aan de opgelegde verplichtingen zal houden. Van voortzetting zal
                    sprake zijn als de belanghebbende zich ook ten tijde van de heroverweging nog
                    steeds aan de verwijtbare gedraging schuldig maakt. De voortzetting kan,
                    afhankelijk van de omstandigheden, mate van verwijtbaarheid en ernst van de
                    gedraging, plaatsvinden voor bepaalde of onbepaalde duur. Bij voortzetting voor
                    onbepaalde duur moet binnen uiterlijk drie maanden opnieuw heroverweging
                    plaatsvinden.</al><tussenkop>Artikel 5 lid 3</tussenkop><al>Deze bepaling biedt de mogelijkheid om bij volharding het percentage van de
                    verlaging te verdubbelen. Men moet hierbij bijvoorbeeld denken aan de
                    weigerachtigheid om mee te werken aan een traject. Als hiervoor een verlaging is
                    opgelegd en de belanghebbende blijft medewerking weigeren, ook na een tweede
                    verlaging voor drie maanden en na een derde voor onbepaalde duur, dan kan bij de
                    voortzetting het percentage worden verdubbeld. Ook hierbij staat een zorgvuldige
                    belangenafweging voorop.</al><tussenkop>Artikel 6: Waarschuwing en dringende redenen</tussenkop><tussenkop>Artikel 6 lid 1</tussenkop><tussenkop>Deze bepaling doelt op de situatie dat alles in aanmerking genomen de
                    verwijtbare gedraging zou moeten resulteren in een verlaging van de bijstand of
                    inkomensvoorziening IOAW/IOAZ, maar dat er sprake is van dringende redenen of
                    bijzondere omstandigheden waarbij tenuitvoerlegging van de verlaging tot
                    onevenredige hardheid zou leiden. Het gaat hierbij met name om de situatie dat
                    de belanghebbende als gevolg van de verlaging in ernstige financiële nood komt
                    en niet meer aan betalingsverplichtingen kan voldoen of een
                    schuldsaneringtraject niet kan nakomen. De omstandigheden mogen niet het gevolg
                    zijn van de verwijtbare gedraging. Als iemand door verwijtbaar ontslag in
                    ernstige financiële nood komt te verkeren, kan dat nooit een reden zijn om van
                    de oplegging van de verlaging af te zien. De omstandigheden zijn immers het
                    gevolg van het verwijtbare gedrag. Afzien van de uitvoering van een verlaging
                    kan te allen tijde plaatsvinden, ook als er sprake is van herhaald verwijtbaar
                    gedrag.</tussenkop><tussenkop>Artikel 6 lid 2</tussenkop><al>Deze bepaling doelt op de situatie dat alles in aanmerking genomen de
                    verwijtbare gedraging zou moeten resulteren in een verlaging van de bijstand,
                    maar dat er sprake is van dringende omstandigheden waarbij tenuitvoerlegging van
                    de verlaging tot onevenredige hardheid zou leiden. Het gaat hierbij met name om
                    de situatie dat de belanghebbende als gevolg van de verlaging in ernstige
                    financiële nood komt en niet meer aan betalingsverplichtingen kan voldoen of een
                    schuldsaneringtraject niet kan nakomen. De omstandigheden mogen niet het gevolg
                    zijn van de verwijtbare gedraging. Als iemand door verwijtbaar ontslag in
                    ernstige financiële nood komt te verkeren, kan dat nooit een reden zijn om van
                    de oplegging van de verlaging af te zien. De omstandigheden zijn immers het
                    gevolg van het verwijtbare gedrag. Afzien van de uitvoering van een verlaging
                    kan te allen tijde plaatsvinden, ook als er sprake is van herhaald verwijtbaar
                    gedrag.</al><tussenkop>Artikel 7: Handhaving</tussenkop><al>Er is in artikel 8a van de WWB aangegeven dat de gemeenteraad bij verordening
                    regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand
                    alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Deze regels mogen in de
                    afstemmingsverordening worden opgenomen zodat er geen aparte fraude verordening
                    noodzakelijk is. </al><tussenkop>Definitie handhaving:</tussenkop><al>Handhaving is het doen naleven van wet- en regelgeving ter bevordering van het
                    juist benutten en toepassen van wetten en regelingen overeenkomstig hun doel en
                    strekking. Handhaving staat derhalve voor alle bewust ondernomen activiteiten,
                    die erop gericht zijn de spontane naleving van wet- en regelgeving te
                    bevorderen. Het gaat daarbij om zowel repressieve als preventieve activiteiten.
                    De afdeling Werk, Inkomen en Zorg rekent het tot haar taak
                    uitkeringsgerechtigden duidelijk te maken welke rechten en verplichtingen zij
                    hebben en zo de verantwoordelijkheid van deze doelgroepen transparant te maken.
                    De afdeling Werk, Inkomen en Zorg benoemt vier groepen activiteiten die er
                    gezamenlijk zorg voor dragen dat mensen zich spontaan aan de wet- en regelgeving
                    houden en dat juiste uitkeringen worden verstrekt. </al><al>Elementen gericht op voorkoming van fraude (preventie):</al><lijst><li nr="o"><al>Vroegtijdige voorlichting aan uitkeringsgerechtigden en andere
                            belanghebbenden</al></li><li nr="o"><al>Optimaliseren dienstverlening </al></li></lijst><al>Elementen gericht op aanpak van fraude (repressie):</al><lijst><li nr="o"><al>Vroegtijdig constateren en afhandelen van
                            overtredingen/fraudesituaties</al></li><li nr="o"><al>Daadwerkelijke sanctionering in geval van geconstateerde fraude.</al></li></lijst><al>De in artikel 7 genoemde onderdelen en de visie elementen zijn uitgewerkt in het
                    handhavingsbeleidsplan, dat door het college van Burgemeester en wethouders
                    wordt vastgesteld, en onderdeel is van de afstemmingsverordening. Het
                    handhavingsbeleidsplan maakt integraal onderdeel uit van de
                    afstemmingsverordening. Een aparte fraudeverordening is daarom niet
                    noodzakelijk.</al><tussenkop>Artikel 8: Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 8 lid 1</tussenkop><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de
                    afstemmingsverordening bij het college van Burgemeester en wethouders.</al><tussenkop>Artikel 8 lid 2</tussenkop><al>Voor de te gebruiken citeertitel is aansluiting gezocht bij de terminologie van
                    de wetgever</al><tussenkop>Artikel 8 lid 3</tussenkop><al>De afstemmingsverordening is op grond van artikel 8 Tijdelijke referendumwet
                    referendabel. De datum van de inwerkingtreding van de afstemmingsverordening
                    moet daarom, met in acht name van artikel 22 Tijdelijke referendumwet, op ten
                    minste 6 weken na datum publicatie gesteld worden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>