<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR45475_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Amersfoort 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amersfoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amersfoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsberichten</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Amersfoort 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 147 van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8 en 11 van de Woningwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-06-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>3522739</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Bouwverordening Amersfoort 2010 vervangt bij zijn inwerkingtreding de Bouwverordening Amersfoort 2009. Aanvragen om vergunning die voor inwerkingtreding van de Bouwverordening Amersfoort 2010 zijn ingediend, worden overeenkomstig de ingegetrokken verordening afgehandeld.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Amersfoort 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><cursief>Verordening</cursief></al><al>De raad van de gemeente Amersfoort;</al><al>heeft het voorstel van burgemeester en wethouders gelezen van 14 september
                        2010 , sector SOB/VTH (nr. 3527166);</al><al>vindt het nodig dat er regels komen voorhet bouwen en slopen van
                        bouwwerken en het gebruik, de staat en de inrichting van bouwwerken, open
                        erven en terreinen;</al><al>heeft artikel 147 van de Gemeentewet, artikel 8 en 11 van de Woningwet
                        gelezen;</al><al><vet>b e s l u i t:</vet></al><al>vast te stellen:</al><al><cursief>Bouwverordening Amersfoort 2010</cursief></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE BEPALINGEN</al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><lijst><li nr=""><al>1.In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="A."><al><cursief>Asbest:</cursief>hetgeen daaronder wordt
                                        verstaan in artikel 1, letter a, van het
                                        Asbest-verwijderingsbesluit 2005.</al></li><li nr="B."><al><cursief>Bevoegd gezag:</cursief> bestuursorgaan, als
                                        bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e,
                                        dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als
                                        bedoeld in dit artikellid, burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="C."><al><cursief>Bouwbesluit:</cursief>de algemene
                                        maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de
                                        Woningwet.</al></li><li nr="D."><al><cursief>Bouwtoezicht:</cursief>degene die
                                        ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in
                                        samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht belast is met het bouw- en
                                        woningtoezicht.</al></li><li nr="E."><al><cursief>Bouwwerk:</cursief>elke constructie van
                                        enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die
                                        op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect
                                        met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
                                        vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                        functioneren.</al></li><li nr="F."><al><cursief>Deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk
                                            8:</cursief>hetgeen daaronder wordt verstaan
                                        in artikel 6, eerste lid, van het
                                        Asbest-verwijderingsbesluit 2005.</al></li><li nr="G."><al><cursief>Gebruiksoppervlakte:</cursief>de
                                        gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit.</al></li><li nr="H."><al><cursief>Hoogte van de weg:</cursief>de hoogte van
                                        de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders
                                        is vastgesteld.</al></li><li nr="I."><al><cursief>NEN:</cursief>een door de Stichting
                                        Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm.</al></li><li nr="J."><al><cursief>NVN:</cursief>een door de Stichting
                                        Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm.</al></li><li nr="K."><al><cursief>Omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen:</cursief> voor een bouwactiviteit als
                                        bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="L."><al><cursief>Omgevingsvergunning voor het
                                        slopen:</cursief>vergunning voor een
                                        sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
                                        onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="M."><al><cursief>Straatpeil:</cursief>voor een bouwwerk,
                                        waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte
                                        van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang. voor een
                                        bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg
                                        grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.</al></li><li nr="N."><al><cursief>Weg:</cursief>alle voor het openbaar rij-
                                        of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder
                                        begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de
                                        wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan
                                        de wegen liggende en als zodanig aangeduide
                                        parkeerterreinen.</al><al>2.In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al></li><li nr="A."><al><cursief>Bouwwerk:</cursief>een gedeelte van een
                                        bouwwerk.</al></li><li nr="B."><al><cursief>Gebouw:</cursief>een gedeelte van een
                                        gebouw.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 1.2 Termijnen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</al><al>(Vervallen)</al><al>HOOFDSTUK 2 DE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING VOOR HET BOUWEN</al><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</al><al>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.1.1.a Ambtshalve verlenen bouwvergunning</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                        vergunningaanvragen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</al><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel
                                8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                        verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming
                                        met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;</al></li><li nr="b."><al>(Vervallen)</al></li><li nr="c."><al>indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet
                                indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                                omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing
                                geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
                                artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></li><li nr="3."><al>a. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
                                de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in
                                artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien
                                voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds
                                bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. </al><lijst><li nr="b."><al>Voor die gebieden waar op grond van de bodemkwaliteitskaart
                                        (zie bijlage 14) van de Gemeente Amersfoort blijkt dat
                                        redelijkerwijs geen verontreiniging kan worden verwacht,
                                        wordt door het bevoegd gezag algehele vrijstelling voor het
                                        uitvoeren van verkennend bodemonderzoek gegeven (besluit
                                        college van Burgemeester en wethouders 28 januari 2004,
                                        kenmerk 913051). Het college acht voor deze gebieden
                                        voldoende informatie omtrent de bodemkwaliteit beschikbaar,
                                        zoals bedoeld onder 3a. In bovengenoemde gevallen kan worden
                                        volstaan met het uitvoeren van het uitvoeren van historisch
                                        onderzoek conform de NEN-5725. Indien dit historisch
                                        onderzoek hiertoe aanleiding geeft kunnen op grond van
                                        artikel 2.4.2 aanvullende eisen worden gesteld.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot
                                het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5,
                                onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk
                                met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009,
                                bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 2009 niet rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken
                                zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is
                                gesloopt en voordat met de bouw begonnen wordt.</al></li></lijst><al>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                        bouwvergunning</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                        woonwagens en standplaatsen</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</al><al>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</al><al>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                vereist;</al></li><li nr="c."><al>1. dat de grond raakt, of 2. waarvan het bestaande,
                                niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.</al></li></lijst><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen </al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag
                        voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het
                        geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                        onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
                        op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                        bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
                        lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                        beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
                        worden gemaakt.</al><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidsdiensten</al><al>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                        stedenbouwkundige bepalingen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                        aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                        bouwvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al><al>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen</al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen
                                is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg,
                                moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet
                                aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s,
                                ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten
                                verkeer.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van tenminste 4,5 m, over een breedte van
                                        tenminste 3,25m zijn verhard en een vrije hoogte boven de
                                        kruin van de weg hebben van tenminste 4,2m; over een breedte
                                        van ten minste 3,25 m zijn verhard;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                        motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                        zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en </al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd,
                                moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s aanwezig zijn,
                                dat een doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de
                                bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorggedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening overeenkomstig het gestelde in bijlage 3 en 4
                                van de “Handleiding Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid” van de
                                NVBR, uitgave september 2003, 1<sup>e</sup> druk.</al></li><li nr="6."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de
                                ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning en een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                        het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met al dan niet gemeenschappelijke
                                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede
                                        voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig
                                        zijn</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                        en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                        tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                        voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van
                                        het Bouwbesluit.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig
                                aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                                aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande
                                bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van
                                ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel
                                3, onderdeel 7, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, te
                                weten: </al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten; </al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens
                                        van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn </al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                                het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                        gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                        artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op
                                        een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                        zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                        overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                        galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                        overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                        reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                        bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke erfgoedverordening – voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al></li><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook
                                van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;</al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al></li></lijst><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in
                        gevaar komt.</al><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag
                        de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor.</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorzieningen, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18,
                                sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar
                                zijn.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                        voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</al><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                        verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover
                                        het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is
                                        geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken – over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil – worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                        woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</al><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                        vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal
                                        van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                        doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                        meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de
                                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de
                                        grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                        een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van
                                        de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a
                                        bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een
                                        of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich
                                        zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                        nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                        rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                        tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                        elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                        bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                        zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan
                                        1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                                        beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                        bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                        afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                        beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit
                                        lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                                        dan 15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing – in het belang van de toetreding van daglicht –
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
                                en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.
                            </al></li></lijst><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor
                        het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>(Vervallen);</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw voor het bouwen
                                waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is
                                vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al></li><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15 en 17 van
                                bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn </al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>(Vervallen)</al></li><li nr="b."><al>kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder
                                artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II
                                bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda’s, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke erfgoedverordening –
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</al><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                        achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                        begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte
                                        heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda’s buiten beschouwing
                                blijven. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan:</al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan
                                                twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan
                                                wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen,
                                                mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                                afmetingen tot stand wordt gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                                bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen
                                                van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                                                toestand verbeterd.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</al><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                        beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het
                                        verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</al><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                                zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder
                                        dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                                ruimte.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</al><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                niet toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of terrein.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                        hoofdtransportleidingen </al><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, dan die welke
                                deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze
                                afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de
                                draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit
                                artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van
                                1000 volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan
                                een omgevingsvergunning is vereist, worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                        hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                        ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.
                                    </al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de
                                voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de
                                        desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>(Vervallen)</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtstbij gelegen tegenoverliggende rooilijn. Indien
                                de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter
                                plaatse van die onderbreking de verstverwijderde van de beide ter
                                weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de
                                achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>(Vervallen)</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                                elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
                                van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien
                                een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
                                tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al></li></lijst><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                        achtergevelrooilijn </al><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt – onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste
                                bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal
                                de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor
                                de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is
                                dan de voorgevel. </al></li></lijst><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor
                                het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de
                                voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken
                                die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de – krachtens de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21 – maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
                                hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden;</al></li><li nr="b."><al>(Vervallen)</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft
                                die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de – krachtens artikel 2.5.22 – maximale bouwhoogte en dat met het
                                horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden. </al></li></lijst><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15
                                meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagstgelegen weg. </al></li></lijst><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                        terreinen</al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                                artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan
                                een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met
                                dien verstande dat – uitgaande van een goothoogte van genoemde maat
                                – daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van
                                de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil. </al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en
                                artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten – voor zover zij de
                                maximale hoogte overschrijden – buiten beschouwing worden gelaten.
                            </al></li></lijst><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
                        lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken anders dan
                                het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht; </al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of
                                de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het produkt van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                        2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                                gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                                welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels-
                                en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                                anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht en onder sub f , en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogte-afmetingen andere hoogte-afmetingen kleiner worden
                                        dan de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                                meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet
                                minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan
                                1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke erfgoedverordening – voor
                                zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval
                        van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid </al><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan
                        het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
                                en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                bevat.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                        gebouwen</al><lijst><li nr="1."><al>a. Bij een gebouw moet ten behoeve van het parkeren en het stallen
                                van auto’s in de juiste mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder
                                dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat
                                gebouw behoort.</al></li><li nr="b."><al>In afwijking van lid 1a geldt dat voor ontwikkelingen in de
                                binnenstad de parkeereis opgelost wordt in bestaande of nieuw te
                                realiseren parkeervoorzieningen aan de rand van de binnenstad.</al></li><li nr="2."><al>De in lid 1 genoemde juiste mate van ruimte wordt bepaald met behulp
                                van parkeernormen</al><al> waarbij het volgende van toepassing is:</al></li><li nr="a."><al>De parkeernorm is opgenomen in bijlage 15 bij deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>Bij ontwikkelingen met meerdere functies wordt uitgegaan van
                                meervoudig gebruik van parkeerplaatsen, tenzij een zwaarwegend
                                belang dat onmogelijk maakt. Als rekenregel bij meervoudig gebruik
                                van parkeerplaatsen geldt dat de parkeereis gelijk is aan het
                                berekende aantal parkeerplaatsen bij meervoudig gebruik + 25% van
                                het verschil tussen de berekening zonder en met meervoudig gebruik.
                                Voor de berekening wordt uitgegaan van de aanwezigheidspercentages
                                volgens de CROW-publicatie 182;</al></li><li nr="c."><al>Bij de berekening van de parkeereis wordt rekening gehouden met de
                                reductiefactoren zoals die in bijlage 15 zijn vermeld.</al></li><li nr="d."><al>De parkeernorm is flexibel onder in lid 3 genoemde voorwaarden
                                tussen de norm en de hoge norm, voor zover een hoge norm voor de
                                betreffende voorziening in bijlage 15 is opgenomen.</al></li><li nr="e."><al>Er kan onder in lid 4 genoemde voorwaarden een parkeernorm toegepast
                                worden die boven de hoge norm ligt.</al></li><li nr="3."><al>De in lid 2 onder d genoemde voorwaarden zijn in ieder geval:</al></li><li nr="a."><al>voor kantoren op intercity- of knooppuntlocaties en detailhandel op
                                intercity- of knooppuntlocaties:</al></li><li nr="-"><al>een door de initiatiefnemer ingevuld ‘Formulier Mobiliteitsprofiel’
                                (zie bijlage 16) dat vervolgens door de gemeente is getoetst;</al></li><li nr="-"><al>het leveren van een financiële bijdrage aan de gemeente per extra te
                                realiseren parkeerplaats boven de norm ter grootte van € 6.850,-
                                (exclusief BTW, prijspeil 2008) per extra parkeerplaats op
                                intercitylocaties en € 3.350,- (exclusief BTW, prijspeil 2008) per
                                extra parkeerplaats op knooppuntlocaties. De genoemde bedragen
                                worden vanaf 2009 jaarlijks geïndexeerd volgens de CPI van het CBS.
                                De bijdrage dient binnen drie maanden na de start van de
                                bouwwerkzaamheden te worden betaald;</al></li><li nr="b."><al>voor kantoren op snelweg- of overige locaties op snelweg- of overige
                                locaties:</al></li><li nr="-"><al>een door de initiatiefnemer ingevuld ‘Formulier Mobiliteitsprofiel’
                                (zie bijlage 16) dat vervolgens door de gemeente is getoetst en
                                geaccordeerd.</al></li><li nr="4."><al>De in lid 2 onder e genoemde voorwaarden zijn in ieder geval:</al></li><li nr="a."><al>het in lid 3 vermelde geldt onverkort;</al></li><li nr="b."><al>het te verwachten extra autoverkeer als gevolg van de extra
                                parkeerplaatsen boven de hoge norm leidt niet tot (extra)
                                doorstromingsproblemen op de grote stadswegen.</al></li><li nr="c."><al>de aanleg van parkeerplaatsen boven de hoge norm moet een algemeen
                                belang dienen. Zo zullen de parkeerplaatsen die ongebruikt blijven
                                buiten kantooruren op koopavonden en in weekeinden opengesteld
                                worden voor openbaar gebruik volgens een lokaal vergelijkbaar
                                openbaar parkeerregime.</al></li><li nr="d."><al>een parkeergelegenheid met meer dan 200 parkeerplaatsen wordt
                                opgenomen in het gemeentelijke ParkeerrouteInformatieSysteem. De
                                kosten daarvan zijn voor rekening van de aanvrager.</al></li><li nr="e."><al>Aanleg- en beheerkosten komen voor rekening van de aanvrager, de
                                eventuele opbrengsten uit parkeergelden komen ten gunste van de
                                aanvrager. Kosten die door het openbare gebruik gemaakt moeten
                                worden voor beveiliging van objecten worden in mindering gebracht op
                                de onder lid 3 onder a vermelde financiële bijdrage.</al></li><li nr="5."><al>De in lid 1 bedoelde ruimten voor het parkeren van auto’s moeten
                                afmetingen hebben die zijn</al><al> afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te
                                zijn voldaan:</al></li><li nr="a."><al>als de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2,00 m bij
                                5,50 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen en bij haaks of
                                gestoken parkeren de ruimten ten minste 2,50 m bij 5,00 m
                                bedragen;</al></li><li nr="b."><al>als de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                                gehandicapte – voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan
                                een trottoir grenst – ten minste 3,50 m bij 6,00 m bedragen, en bij
                                haaksparkeren met een uitstapstrook langs het parkeervak ten minste
                                3,00 m breed en zonder uitstapstrook 3,50 m breed en ten minste 5,00
                                m lang bedragen.</al></li><li nr="6."><al>Als de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="7."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van:</al></li><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid onder a en het zesde lid voor zover
                                op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel
                                laad- of losruimte wordt voorzien. </al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het eerste lid onder b als het oplossen van de
                                parkeereis op andere plaatsen dan op eigen terrein leidt tot
                                onaanvaardbare consequenties;</al></li><li nr="c."><al>het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid, als het voldoen aan
                                die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende
                                bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval
                                worden gerekend:</al></li><li nr="-"><al>een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers
                                of bezoekers van het gebouw;</al></li><li nr="-"><al>een bestemming van het gebouw als parkeergarage, dan wel
                                garagebedrijf.</al></li><li nr="d."><al>Het bevoegd gezag kan voor het bepaalde onder a, b en c nadere
                                regels stellen.</al></li></lijst><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al>(Vervallen) </al><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het
                        distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m.</al></li></lijst><al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                        openbare-distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 100 m.</al></li></lijst><al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>1.De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare-distributienet
                        voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 40 m.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen, waarin voor het
                        kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming
                        geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is. </al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op het gemeenschappelijke of
                                publieke voorziening voor verwarming als bedoeld in artikel 2.69 van
                                het Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></li></lijst><al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën,
                                alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van
                                toepassing is het bepaalde in dit lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                        aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats en op welke hoogte en met welke bemiddellijn
                                        de voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding
                                        of leidingen de gevel van het gebouw, dan wel de grens van
                                        het erf of terrein moet kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                        moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                        terugvloeien van afvalwater, faecaliën en hemelwater,
                                        ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke
                                        wijze op het openbaar riool te lozen.’</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer
                                moet worden bepaald of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde
                                aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van
                                de goede werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel
                                ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar
                                riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen
                                daartoe aanleiding geeft.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere
                                wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk
                                is:</al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                        openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><lijst><li nr="1."><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikelen 3.41 van het
                                Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar
                                riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                        overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                        waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een beerput
                                        zonder overstort, een gierput of een rottingput met
                                        overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingput.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op
                                andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht
                                mogelijk is. </al></li></lijst><al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                        terreinen</al><lijst><li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                                plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                aangewerkt.</al></li><li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid
                                van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het
                                bouwwerk of de buitenriolering.</al></li><li nr="3."><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                rottingputten voorkomen.</al></li><li nr="4."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                                vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend
                                beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een
                                voldoende binnenwerkse middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen
                                wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde
                                in NEN 3215, uitgave 2007.</al></li><li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor
                                de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar
                                zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben
                                van ten minste 125 mm.</al></li><li nr="6."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
                                leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten
                                doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen
                                in bijlage 7.</al></li></lijst><al>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                        openbare net van de nutsvoorzieningen</al><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                        beschouwd.</al><al> HOOFDSTUK 3 DE MELDING</al><al>Artikel 3.1 De wijze van melden</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 3.2 Welstandscriteria</al><al>(Vervallen)</al><al> HOOFDSTUK 4 PLICHTEN TIJDENS EN BIJ VOLTOOIING VAN DE BOUW EN BIJ
                        INGEBRUIKNEMING VAN EEN BOUWWERK</al><al>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                        staking van bouwwerkzaamheden</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                        aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                        gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>omgevingsvergunning voor het bouwen;</al></li><li nr="b."><al>andere toestemmingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b van
                                de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                of oplegging van een last onder dwangsom.</al></li></lijst><al>Artikel 4.3 </al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</al><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen is verleend mag – onverminderd het in de voorwaarden van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde – niet worden begonnen alvorens
                        door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                uitgezet.</al></li></lijst><al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                        de bouwwerkzaamheden</al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwtoezicht dient – voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                een omgevingsvergunning voor het bouwen, verleend en onverminderd
                                het bepaalde in de voorwaarden van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen – ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te
                                noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                                gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingswerkzaamheden
                                        daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringswerkzaamheden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></li></lijst><al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</al><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                        ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                        bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                        verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al><al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</al><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                        ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                        wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                        grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                        naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid
                        van die bouwwerken schaadt.</al><al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></li><li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt – rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                        uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op
                                        zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik
                                        stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                        toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder
                                        meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in
                                        werking kunnen worden gesteld;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingspompen, indien de omstandigheden vereisen dat
                                de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></li></lijst><al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</al><lijst><li nr="1."><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is. </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></li><li nr="3."><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></li></lijst><al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</al><lijst><li nr="1."><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of
                                ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                                verbieden.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                gebruiken krachtwerktuig:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                        en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet
                                        mag worden gebruikt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></li></lijst><al>Artikel 4.11 Bouwafval</al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        van de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, bedoeld in voorgaand lid onder d, en de fracties,
                                bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de
                                bouwplaats gescheiden worden gehouden. </al></li><li nr="3."><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></li></lijst><al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</al><al>1.Van het gereedkomen </al><lijst><li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering,
                                alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren
                                beneden straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de
                                thermische isolatie in andere besloten constructies</al></li></lijst><al>moet het bouwtoezicht onmiddellijk na die voltooiing in kennis worden
                        gesteld. </al><lijst><li nr="2."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving. </al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan
                                omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht
                                tot kennisgeving van voltooiing is bepaald. </al></li><li nr="4."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop
                                omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het
                                einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></li><li nr="5."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></li></lijst><al>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</al><lijst><li nr="1."><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></li></lijst><al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</al><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                        nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht.</al><al> HOOFDSTUK 5 Staat van open erven en terreinen,
                        brandveiligheidsinstallaties, aansluitingen op de nutsvoorzieningen en weren
                        van schadelijk en hinderlijk gedierte </al><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</al><al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</al><lijst><li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de
                                veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de
                                gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen</al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 30 meter is verwijderd van
                                een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's,
                                vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te
                                verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van
                                het gebouw zulks niet vereisen. </al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van tenminste 4,5 m en over een breedte
                                        van ten minste 3,25 m zijn verhard;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                        motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                        zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al> Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet
                                vereisen.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorggedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening.</al></li></lijst><al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al></li><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met al dan niet gemeenschappelijke toegangssector, als
                                bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare
                        weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al>2.Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij
                                dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het
                                bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst><al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 5.2.2 </al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 5.2.3 </al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 5.2.4 </al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 5.2.5 </al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten
                        aan het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m. </al></li></lijst><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                        openbare-distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 100 m.</al></li></lijst><al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare-distributienet voor
                        aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 40 m.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><lijst><li nr="a."><al>woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan
                                gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van
                                gastoevoer nodig is;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingsnet.</al></li></lijst><al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën,
                                alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen
                                voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in
                                artikel 5.3.6 op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een
                                openbaar riool. </al></li><li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                        aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                        openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                        bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende
                                        ruime mestkelder, gier- of beerput aanwezig is.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden
                        de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,
                                tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden
                                gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort,
                                een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met
                                overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding
                                tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al></li></lijst><al>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                        terreinen</al><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                        openbare net van de nutsvoorzieningen</al><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                        beschouwd.</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 5.4.1 Preventie</al><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al><al> HOOFDSTUK 6 BRANDVEILIG GEBRUIK</al><al>(Vervallen) </al><al> HOOFDSTUK 7 OVERIGE GEBRUIKSBEPALINGEN</al><al>Paragraaf 1 Overbevolking</al><al>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</al><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning
                        wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte.</al><al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</al><al>Het is verboden een woonwagen, te bewonen met of toe te staan dat een
                        woonwagen, wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                        gebruiksoppervlakte.</al><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</al><al>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</al><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te
                        doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is
                        medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al></li></lijst><al>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                        hygiëne</al><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                        afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige
                        voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken
                        over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen
                        beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of
                        een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het
                        gebruik van het bouwwerk te staken.</al><al>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al>Artikel 7.3.1 </al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7.3.2 Hinder</al><al>Het is verboden in, op, of aan een bouwwerk, of op een open erf of terrein,
                        voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te
                        verrichten of na te laten, of werktuigen te gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet,
                                walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het
                                bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of
                                vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt
                                veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder
                                begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande indien en voor zover het betreft
                        nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in
                        deze wet genoemde milieuwet van toepassing is.</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 7.4.1 Preventie</al><lijst><li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></li><li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt
                                aangetrokken.</al></li></lijst><al>Paragraaf 5 Watergebruik</al><al>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</al><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                        schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                        gebruiken.</al><al>Paragraaf 6 Installaties</al><al>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</al><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het Besluit
                        brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid
                        verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een
                        onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al><al> HOOFDSTUK 8 SLOPEN</al><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken, woonwagens daaronder begrepen, te slopen
                                zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd
                                gezag.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar
                                redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen
                                dan 10 m<sup>3</sup>, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen
                                van asbest. Voorts is geen vergunnuing vereist voor het slopen
                                ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de Woninwet, dan
                                wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van
                                een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan hun besluit
                                voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                                slopen slechts voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en op de sloopplaats gescheiden houden van het
                                        sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in en
                                        fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie
                                        overig afval;</al></li><li nr="d."><al>het gebruik van een mobiele puinbreekinstallatie die is
                                        opgesteld op de sloopplaats, voor zover de toestemming als
                                        bedoeld in het vijfde lid van toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van
                                        de gegevens als bedoeld in artikel 7.2, onder b. van de
                                        Regeling omgevingsrecht. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval als bedoeld in het derde lid,
                                onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen,
                                de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het
                                sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het
                                sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de
                                omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest
                                voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de
                                afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="5."><al>Het bewerken van het sloopafval ter plaatse waar dit afval vrijkomt
                                is niet toegestaan. Op verzoek van de aanvrager van de
                                sloopvergunning kan, onder in de vergunning te stellen
                                voorschriften, worden toegestaan dat op de sloopplaats het beton- en
                                metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar opgestelde mobiele
                                puinbreekinrichting.</al></li><li nr="6."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien
                                in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een
                                seizoensgebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen
                                van het tijdelijke bouwwerk.</al></li></lijst><al>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook
                                door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen
                                onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften
                                niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten
                                ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een
                                gemeentelijke erfgoedverordening is vereist en deze niet is
                                verleend;</al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de
                                Wet op de stads- en dorpsvernieuwing , die krachtens overgangsrecht
                                van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft
                                behouden, is vereist en deze niet is verleend;</al></li><li nr="e."><al>een vergunning als bedoeld in artikel 30 of 33 van de
                                Huisvestingswet (Stb. 1992, 548) is vereist en deze niet is
                                verleend.</al></li></lijst><al>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen </al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige
                                opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de sloopvergunning
                                geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                stilliggen.</al></li></lijst><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                        het slopen </al><al>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan in
                                de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                        hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of
                                        het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een
                                        beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                                        gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                        asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter
                                        per kadastraal perceel bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet –gelijmd, asbesthoudende
                                        vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die
                                        woning staand bijgebouw, voor zover de woning of het
                                        bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een
                                        beroep of bedrijf worden gebruikt als bedoeld zijn voor
                                        gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                        asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                        vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel
                                        bedraagt; mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij
                                        burgemeester en wethouders en door burgemeester en
                                        wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld
                                        is medegedeeld dat geen omgevingsvergunning voor het slopen
                                        is vereist. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden
                                gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en
                                wethouders vastgesteld formulier.</al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in drievoud
                                worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en
                                het gebruik van het bouwwerk.</al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is
                                de mededeling van rechtswege gedaan.</al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in
                                het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                zevende lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste
                                lid alsmede de voorschriften die bij de of krachtens in de artikelen
                                7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in ach
                                te nemen.</al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop
                                vrijkomt is niet toegestaan.</al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en
                                met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen
                                burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de
                                gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende
                                gegevens over te leggen.</al></li></lijst><al>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                        omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                        omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor zover
                        dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van
                        de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van
                                kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijke
                                verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan
                                2250 kilowatt.</al></li></lijst><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</al><al>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</al><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                        toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al><al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of de
                        besluit tot toepassing bestuursdwang of oplegging van een last onder
                        dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                        inzage worden gegeven.</al><al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                        slopen</al><lijst><li nr="1."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het
                                slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een
                                deskundig bedrijf.</al></li><li nr="2."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een
                                afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig
                                bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal
                                uitvoeren.</al></li><li nr="3."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten
                                minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het
                                bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                waarop het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="4."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen
                                twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag
                                een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></li></lijst><al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</al><lijst><li nr="1."><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het
                                slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen
                                asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan
                                terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht.</al></li><li nr="2."><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op
                                de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van
                                die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten
                                genoemde meldingen schriftelijk geschieden. </al></li></lijst><al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</al><lijst><li nr="1."><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk
                                aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt
                                gesloopt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met
                                asbest te voorkomen.</al></li></lijst><al>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Vrij slopen</al><al>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</al><lijst><li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning
                                krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is
                                vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende
                                fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de afval, als bedoelt in het Besluit aanwijzing gevaarlijke
                                        afvalstoffen van de afvalstoffenlijst behorende bij de
                                        Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; stcr. 17
                                        augustus 2001, nr. 158, blz. 9)</al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten
                                op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></li></lijst><al> HOOFDSTUK 9 WELSTAND</al><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert over:</al><lijst><li nr="a."><al>de welstandsaspecten van aanvragen voor een
                                        omgevingsvergunning voor het bouwen;</al></li><li nr="b."><al>gevallen waarin dat ingevolge deze verordening is
                                        vereist;</al></li><li nr="c."><al>gevallen waarin dit ingevolge de Monumentenwet 1988 / de
                                        Erfgoedverordening is vereist;</al></li><li nr="d."><al>reclame uitingen als bedoeld in artikel 4.4.2 van de
                                        Algemene Plaatselijke Verordening;</al></li><li nr="e."><al>gevallen als bedoeld in artikel 2.1.5.1 van de Algemene
                                        Plaatselijke Verordening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria. </al></li><li nr="3."><al>De commissie kan desgewenst uit eigen beweging aan burgemeester en
                                wethouders adviseren over aangelegenheden die de welstand
                                betreffen.</al></li></lijst><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder
                                een voorzitter, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn op het
                                gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
                                cultuurhistorie.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></li><li nr="3."><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het
                                gemeentebestuur.</al></li></lijst><al>Artikel 9.3 Benoeming en zittingduur</al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter en de overige leden van de welstandscommissie en hun
                                plaatsvervangers worden op voorstel van de burgemeester en
                                wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.</al></li><li nr="2."><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaren worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></li><li nr="3."><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9
                                bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in
                                de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.</al></li></lijst><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
                        voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                                welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien
                        van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de
                        aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</al><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering</al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door
                                of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                                betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde
                                aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens
                                burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                een welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van
                                de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al></li></lijst><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie
                                wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op
                                verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare
                                behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                                redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                                ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft
                                verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat
                                gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het
                                reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij
                                deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet,
                                waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase
                                en de beraadslagingen. </al></li></lijst><al>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De
                                aangewezen leden (voorzitter of secretaris) adviseren over
                                bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de
                                welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog
                                voor aan de welstandscommissie.</al></li><li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                                burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen.</al></li></lijst><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om
                                omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></li></lijst><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</al><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                bouwwerken of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht,
                                neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening.</al></li></lijst><al>Artikel 9.10 Overgangsbepaling</al><al>Na samenvoeging van de welstandscommissie en de monumentencommissie tot één
                        commissie dient bij lezing van deze verordening voor “welstandscommissie”
                        gelezen te worden: de geïntegreerde monumenten- en welstandscommissie.
                        HOOFDSTUK 10 OVERIGE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN</al><al>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                        onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</al><al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de
                        bouwvergunning eerste fase, de woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van
                        de Woningwet, de gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 dan wel de
                        sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 op aanvraag van de
                        rechtsverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens
                        naam de vergunning is gesteld.</al><al>Artikel 10.4 </al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                        woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                        voorschriften</al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                        vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                        voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening
                        behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de
                        betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien
                        of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al><al> HOOFDSTUK 11 HANDHAVING</al><al>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw </al><al>(Vervallen) </al><al>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</al><al>(Vervallen)</al><al> HOOFDSTUK 12 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</al><al>Artikel 12.1 Strafbare feiten</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 12.2 Overgangsbepalingen bodemonderzoek</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 12.3 Overgangsbepalingen met betrekking tot de staat van open erven
                        en terreinen </al><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                        gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op
                        basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de
                        Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van
                        artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn
                        gesteld.</al><al>Artikel 12.4 </al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 12.5 Overgangsbepalingen sloopvergunningen </al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 12.6 Inwerkingtreding </al><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht in werking treedt.</al><al>Artikel 12.7 Intrekking vorige versie</al><al>De Bouwverordening Amersfoort 2009 wordt ingetrokken.</al><al>Artikel 12.8 Citeertitel</al><al>Deze verordening heet Bouwverordening Amersfoort 2010.</al></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 28 september 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>PUBLICATIEDATUM: </ondertekening><ondertekening>13 oktober 2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al> BIJLAGEN 1 T/M 6</al><al>(Vervallen)</al><al> BIJLAGE 7 KWALITEITSEISEN VOOR BUIZEN EN HULPSTUKKEN VAN DE BUITENRIOLERING
                        OP ERVEN EN TERREINEN</al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren
                                afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen'
                                (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen-
                                en buitenrioleringen';</al></li><li nr="d."><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij
                                verval buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel 1. Eisen
                                voor buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig);</al></li><li nr="e."><al> NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken,
                                alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 1.
                                Eisen (Engelstalig)', met inbegrip van de aanvullingsbladen A1,
                                uitgegeven 1996, A2 uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999;</al></li><li nr="f."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken,
                                alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 2.
                                Kwaliteitscontrole en monstername (Engelstalig), met inbegrip van
                                aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999;</al></li><li nr="g."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken,
                                alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3.
                                Beproevingsmethoden (Engelstalig).</al></li></lijst><al> BIJLAGE 8</al><al>(Vervallen)</al><al> BIJLAGE 9 REGLEMENT VAN ORDE VAN DE WELSTANDSCOMMISSIE</al><al>Artikel 1 Aanwijzing welstandscommissie </al><al>Als deskundig college voor het schriftelijk uitbrengen van advies bij de
                        toepassing van de voorschriften omtrent welstand en over vormgevingaspecten
                        van gebouwen en andere elementen van de openbare ruimte wordt aangewezen de
                        Welstandscommissie als bedoeld in de Woningwet, hierna te noemen “de
                        commissie”. </al><al>Artikel 2 Benoeming van de welstandscommissie</al><lijst><li nr="1."><al>Als ambtelijk adviseur wordt aan de commissie toegevoegd de
                                directeur van de sector Stedelijke Ontwikkeling en Beheer. Deze
                                ambtelijke adviseur kan zich door een of meer personen laten
                                vervangen.</al></li><li nr="2."><al>De in lid 1 genoemde adviseur verstrekt aan de commissie alle
                                gegevens, die in verband met de uitoefening van zijn taak nodig
                                zijn.</al></li><li nr="3."><al>Indien zulks voor een juiste taakuitoefening van de commissie
                                gewenst is, kan de commissie uit eigen beweging ook andere
                                deskundigen raadplegen.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders wijzen een ambtenaar van de gemeente als
                                secretaris van de commissie aan.</al></li><li nr="5."><al>Van de leden treedt er elk jaar op 1 september, ten minste één af
                                volgens een, op aanbeveling van de commissie, door burgemeester en
                                wethouders vast te stellen rooster.</al></li></lijst><al>Artikel 3 Beoordeling</al><al>Een lid dat als opdrachtgever of als ontwerper bij een door de commissie te
                        beoordelen ontwerp is betrokken, onthoudt zich van medewerking aan de
                        beoordeling daarvan.</al><al>Artikel 4 Zaken van eenvoudige aard</al><al>Bouwzaken en reclames van eenvoudige aard mogen door één van de leden van de
                        commissie of door een subcommissie worden geadviseerd.</al><al>Artikel 5 Vooroverleg </al><lijst><li nr="1."><al>Het is mogelijk om met een lid, dan wel met meerdere leden van de
                                commissie in vooroverleg te treden.</al></li><li nr="2."><al>Het vooroverleg dient zich bij bouwplannen en bespreekplannen te
                                beperken tot twee en in uitzonderingssituaties drie
                                besprekingen.</al></li><li nr="3."><al>Het resultaat van het vooroverleg wordt schriftelijk
                                vastgelegd.</al></li></lijst><al>Artikel 6 Wijze van vergaderen</al><lijst><li nr="1."><al>De commissie vergadert zo dikwijls als naar het oordeel van de
                                voorzitter in verband met de te behandelen zaken noodzakelijk is, of
                                wanneer zulks door ten minste drie leden onder opgaaf van redenen
                                wordt verzocht.</al></li><li nr="2."><al>De oproeping tot de vergadering van de commissie geschiedt door de
                                voorzitter, met dien verstande dat elk lid, spoedeisende gevallen
                                uitgezonderd, tenminste driemaal 24 uur voor het tijdstip van
                                aanvang van de vergadering daarvan kennis heeft kunnen nemen.</al></li></lijst><al>Artikel 7 Verboden handelingen</al><al>Een lid van de commissie belast zich niet met het maken of wijzigen van een
                        gevelontwerp voor een gebouw als de commissie daarover in eerste instantie
                        een afwijzend advies heeft uitgebracht, tenzij het beoordeelde werk van hem
                        afkomstig is.</al><al> BIJLAGEN 10, 11 en 12</al><al>(Vervallen)</al><al> BIJLAGE 13 IN TE VULLEN GEGEVENS, ALTERNATIEVEN EN AFWIJKINGEN T.O.V. MODEL
                        BOUWVERORDENING</al><al>In deze bijlage worden de in te vullen gegevens, alternatieven en
                        afwijkingen in de Bouwverordening Amersfoort aangegeven ten opzichte van de
                        Model-bouwverordening van de VNG. </al><al><vet>A. in te vullen gegevens en keuze van alternatieven</vet></al><al>in te vullen gegevens:</al><lijst><li nr="1."><al>art. 2.5.3: zie hierna B.3;</al></li><li nr="2."><al>art. 5.1.2, lid 1: 30 meter;</al></li><li nr="3."><al>art. 6.1.2, lid 3: drievoud;</al></li><li nr="4."><al>art. 8.1.2, lid 6: drievoud;</al></li><li nr="5."><al>art. 8.2.1, lid 3: drievoud;</al></li></lijst><al>keuze van alternatieven:</al><lijst><li nr="1."><al>art. 1.3: vervallen;</al></li><li nr="2."><al>art. 2.2.3: vervallen;</al></li><li nr="3."><al>art. 2.5.20: alternatief 1;</al></li><li nr="4."><al>art. 2.5.21: alternatief 1;</al></li><li nr="5."><al>art. 2.5.23: alternatief 1;</al></li><li nr="6."><al>art. 2.5.24: alternatief 1;</al></li><li nr="7."><al>art. 2.7.4: alternatief 1;</al></li><li nr="8."><al>art. 2.7.5: alternatief 1;</al></li><li nr="9."><al>art. 3.1: vervallen;</al></li><li nr="10."><al>art. 3.2: vervallen;</al></li><li nr="11."><al>art. 9.1: alternatief 3 (vernummerd tot alternatief 2);</al></li><li nr="12."><al>art. 9.2: alternatief 3 <onderstreept>(zie hierna B
                                    19)</onderstreept>; </al></li><li nr="13."><al>art. 9.6 lid 4: alternatief 1;</al></li><li nr="14."><al>art. 9.7: alternatief 1;</al></li></lijst><al><vet>B. Afwijkingen van t.o.v. het model van de VNG </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Art. 2.1.5 lid 3 “<vet>Bodemonderzoek”: </vet>aanvullen met een lid
                                b, deze luidt als volgt: Voor die gebieden waar op grond van de
                                bodemkwaliteitskaart (zie bijlage 14) van de Gemeente Amersfoort
                                blijkt dat redelijkerwijs geen verontreiniging kan worden verwacht
                                (besluit college van Burgemeester en wethouders 28 januari 2005,
                                kenmerk 913051) wordt door het college van Burgemeester en
                                Wethouders algehele vrijstelling voor het uitvoeren van verkennend
                                bodemonderzoek gegeven. Het college acht voor deze gebieden
                                voldoende informatie omtrent de bodemkwaliteit beschikbaar, zoals
                                bedoeld onder 3a. In bovengenoemde gevallen kan worden volstaan met
                                het uitvoeren van het uitvoeren van historisch onderzoek conform de
                                NEN-5725. Indien dit historisch onderzoek hiertoe aanleiding geeft
                                kunnen op grond van artikel 2.4.2 aanvullende eisen worden gesteld”.
                            </al></li><li nr="2."><al>Art. 2.5.3 <vet>"Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen"</vet>, lid 1 wijzigen als volgt: Indien
                                de toegang van een gebouw, dat voor het verblijf van mensen is
                                bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet
                                een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet
                                aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                                ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer.
                                De toelichting behorende bij art. 2.5.3 lid 1 aanvullen als volgt:
                                De normbladen voor de bereikbaarheid en de brandbeveiliging van
                                gebouwen, woonerven en industrieterreinen kennen verschillende
                                afstanden tot de openbare weg voor verschillende soorten bouwwerken.
                                De bepakking van de voertuigen van de Amersfoortse brandweer is
                                hierop afgestemd. In combinatie met de bepalingen van het
                                Postbesluit (zie toelichting VNG) zijn al deze verschillende maten
                                teruggebracht tot de hier voorgestelde afstandsmaten.</al></li><li nr="3."><al>Art. 2.5.13 <vet>"Toegelaten overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn"</vet>, onder b vervalt.</al></li><li nr="4."><al>Art. 2.5.14 <vet>"Vrijstelling voor overschrijdingen van de
                                    achtergevelrooilijn"</vet>, onder a vervalt.</al></li><li nr="5."><al>Art. 2.5.14, onder b: de zinsnede "binnen de bebouwde kom"
                                vervalt.</al></li><li nr="6."><al>Art. 2.5.20 <vet>"Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn"</vet>,
                                lid 1 onder a: de zinsnede "in de bebouwde kom" vervalt.</al></li><li nr="7."><al>Art. 2.5.20, lid 1, onder b vervalt.</al></li><li nr="8."><al>Art. 2.5.21 <vet>"Toegelaten hoogte in de
                                achtergevelrooilijn"</vet>, lid 1, onder a: de zinsnede "in de
                                bebouwde kom" vervalt.</al></li><li nr="9."><al>Art. 2.5.21, lid 1 onder b vervalt.</al></li><li nr="10."><al>Art. 2.5.23 <vet>"Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen"</vet>, lid 1 onder a: de zinsnede "in de
                                bebouwde kom" vervalt.</al></li><li nr="11."><al>Art. 2.5.23, lid 1 onder b vervalt.</al></li><li nr="12."><al>Art. 2.5.30 <vet>"Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden
                                    bij of in gebouwen"</vet>, hiervoor is een eigen artikeltekst
                                opgenomen. De toelichting hierop is als volgt: </al><al> Algemeen</al><al> Op 27 januari 2009 is door de gemeenteraad van Amersfoort de ‘Nota
                                Parkeernormen Amersfoort 2009’ behandeld en zijn de parkeernormen
                                vastgesteld. De parkeernormensystematiek kenmerkt zich onder andere
                                door:</al></li><li nr="a."><al>aansluiting op de parkeerkencijfers van het CROW;</al></li><li nr="b."><al>parkeernormen op maat: parkeernormen afhankelijk van specifieke
                                functie van een gebouw en de bereikbaarheid van de locatie;</al></li><li nr="c."><al>maatwerk in parkeernormen is mogelijk, waarbij het doel is juist
                                voldoende parkeerplaatsen aan te leggen om parkeeroverlast te
                                voorkomen, en te voorkomen dat leegstand op parkeerplaatsen
                                ontstaat. Gestreefd moet worden naar een efficiënte benutting van
                                parkeerplaatsen. Een lagere of hogere parkeernorm hanteren is in
                                sommige gevallen onder bepaalde voorwaarden mogelijk;</al></li><li nr="d."><al>prijsbeleid voor kantoren op intercity- en knooppuntlocaties en
                                detailhandel op intercity- en</al><al> knooppuntlocaties: een financiële bijdrage per extra parkeerplaats
                                bij het hanteren van een hogere</al><al> parkeernorm voor bedrijfsgericht parkeren (werknemersparkeren) om
                                de bereikbaarheid op peil te houden (artikel 2.5.30, lid 3 sub a van
                                deze bouwverordening);</al></li><li nr="e."><al>mogelijkheden voor gebiedsgerichte aanpak (toetsing per gebied in
                                plaats van per gebouw) waarbij ontheffing van Burgemeester en
                                wethouders nodig is (artikel 2.5.30, lid 7 van deze
                                bouwverordening).</al></li></lijst><al>Lid 1 ad a</al><al>Autoparkeergelegenheid dient op eigen terrein te worden gerealiseerd.
                        (Voorschriften over de aanwezigheid en de minimumgrootte van de
                        fietsenstallingen die bij de nieuwbouw of verbou-wing van utilitaire
                        gebouwen moeten worden aangebracht, zijn achterwege gelaten, omdat artikel
                        218 van het Bouwbesluit in één en ander voorziet.)</al><al>Lid 1 ad b</al><al>Voor de binnenstad (gebied binnen de Stadsring + Eempleinlocatie) is bepaald
                        dat er zoveel mogelijk gebruik gemaakt moet worden van al aanwezige
                        parkeergelegenheden rondom de binnenstad (meestal de openbare
                        parkeergarages). Zodoende wordt voorkomen dat er extra parkeerverkeer in de
                        binnenstad een parkeerplek zoekt, terwijl de langs de binnenstad gelegen
                        parkeergarages veelal nog voldoende parkeercapaciteit hebben. </al><al>Lid 2 ad a</al><al>De autoparkeernormen zoals opgenomen in bijlage 15 zijn op maat bepaald voor
                        de gemeente Amersfoort. De specifieke parkeernorm is afhankelijk van de
                        functie van de bebouwing en de vestigingslocatie. Er is een groot aantal
                        functies genoemd in de diverse categorieën, grotendeels analoog aan de
                        CROW-aanbeveling. De ene functie heeft een grotere verkeersaantrekkende
                        werking dan de andere functie: daarom zijn de parkeernormen per functie
                        verschillend. Voor de vestiging van kantoren en detailhandel wordt
                        onderscheid gemaakt in intercitylocaties, knooppuntlocaties, snelweglocaties
                        en overige locaties. Alle overige ontwikkelingen hebben een parkeernorm die
                        afhankelijk is van de locaties ‘binnenstad’, ‘schil’, en ‘rest bebouwde
                        kom’. </al><al>Lid 2 ad b</al><al>Om een efficiënt gebruik van parkeerplaatsen mogelijk te maken, wordt
                        uitgegaan van meervou-dig gebruik van parkeerplaatsen. Deze mogelijkheid
                        doet zich met name voor bij combinaties van verschillende functies die een
                        verschillend aanwezigheidspatroon hebben. Per ontwikkeling wordt met een
                        parkeervraagberekening onderzocht of meervoudig gebruik mogelijk is.
                        Veiligheidshalve wordt er een marge aangehouden in de parkeereis.</al><al>Lid 2 ad c</al><al>Er wordt gerekend met reductiefactoren om rekening te kunnen houden met het
                        in de praktijk gebleken niet- of onvoldoende gebruiken van
                        parkeergelegenheid op eigen terrein. </al><al>Lid 2 ad d</al><al>Er is in veel gevallen sprake van een vaste parkeernorm. Soms is sprake van
                        een norm met een mogelijkheid om - onder voorwaarden - een hoge parkeernorm
                        te hanteren. In sommige gevallen is die hoge norm begrensd. De mogelijkheid
                        om – onder voorwaarden - een hogere parkeernorm te hanteren is opgenomen
                        vanwege de gewenste flexibiliteit om maatwerk te kunnen leveren voor
                        specifieke functies. Uit bijlage 15 blijkt in welke gevallen er sprake is
                        van een vaste parkeernorm en wanneer er sprake is van een norm met een
                        mogelijkheid om - onder voorwaarden - een hoge norm te hanteren.</al><al>Lid 2 ad e</al><al>De mogelijkheid wordt hier geboden om – onder voorwaarden - ook
                        parkeerplaatsen boven de hoge norm aan te leggen. In lid 4 zijn deze
                        voorwaarden genoemd.</al><al>Lid 3</al><al>In dit lid worden de voorwaarden beschreven waaraan moet worden voldaan in
                        die gevallen waarin een parkeernorm wordt gehanteerd tussen de norm en de
                        hoge norm. </al><al>Lid 3 ad a</al><al>Voor de genoemde combinaties van functie en locatie gelden beide voorwaarden
                        (mobiliteits-profiel èn financiële bijdrage). Kantoren en detailhandel zijn
                        beide sterk verkeersaantrekkend. Intercity- en knooppuntlocaties kampen
                        vanwege de hoge bebouwingsdichtheid met een al zwaarbelast wegennet. Bij die
                        combinatie moet dus zorgvuldig en terughoudend worden omgegaan met het
                        realiseren van extra parkeerplaatsen (mobiliteitstoets) en is financiële
                        bijdrage vereist om compenserende maatregelen te kunnen nemen die de
                        bereikbaarheid van de locatie waarborgen.</al><al>Voor de mobiliteitstoets wordt het Formulier Mobiliteitstoets gebruikt uit
                        bijlage 15.</al><al>Lid 3 ad b</al><al>Voor genoemde combinaties van functie en locatie geldt alleen de voorwaarde
                        van de mobili-teitstoets. De bereikbaarheid van betreffende locaties is
                        beter, maar de verkeersaantrekkende werking van de genoemde functies (op
                        deze locaties) is aanzienlijk. Hier volstaat een mobiliteits-toets om te
                        beargumenteren hoeveel extra parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Voor de
                        mobiliteits-toets wordt het Formulier Mobiliteitstoets gebruikt uit bijlage
                        15.</al><al>Lid 4</al><al>Dit lid geeft de voorwaarden weer als er meer parkeerplaatsen gewenst worden
                        dat volgens de hoge norm toegestaan is.</al><al>Lid 4 ad a</al><al>Voor het aantal parkeerplaatsen dat tussen de norm en de hoge norm wordt
                        aangelegd geldt hetgeen in lid 3 is bepaald.</al><al>Lid 4 ad b</al><al>Het aanbieden van parkeergelegenheid leidt per definitie tot autoverkeer.
                        Het aanbieden van parkeergelegenheid boven de hoge norm mag niet leiden tot
                        (meer) doorstromingsproblemen op het Amersfoortse hoofdwegennet. In dat
                        geval zou het openbare belang en de gevolgen voor de gemeenschap niet meer
                        in verhouding staan tot het private belang van parkeergelegenheid boven de
                        hoge norm. De gemeente toetst of er (meer) doorstromingsproblemen ontstaan
                        door de aantrekkende werking op het autoverkeer.</al><al>Lid 4 ad c</al><al>Ten minste voor de parkeerplaatsen boven de hoge norm wordt vereist dat die
                        openbaar worden gesteld buiten kantooruren/winkeltijden (afhankelijk van de
                        functie) op ten minste koopavonden en in weekeinden, voor zover die op die
                        momenten niet voor de functie worden gebruikt. Er wordt daarbij zoveel
                        mogelijk aangesloten bij het geldende parkeerregime dat in het openbare
                        gebied aanwezig is.</al><al>Lid 4 ad d</al><al>Parkeergelegenheden met een omvang van minimaal 200 plaatsen dienen bij de
                        weggebruiker bekend te worden gemaakt om een optimale benutting van
                        parkeergelegenheden te waarborgen. Het gemeentelijke PRIS biedt de
                        weggebruiker die informatie en aansluiting op dat systeem is dan ook
                        verplicht. De kosten betreffen de kosten van aansluiting op het systeem,
                        bebording en jaarlijkse beheerkosten.</al><al>Lid 5</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                        niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van
                        lid 2. De verplichting in dat lid om een bepaald aantal parkeerplaatsen aan
                        te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen
                        parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto, of het
                        grootste type vrachtauto te maken. Een bijkomende reden voor het opnemen van
                        maatvoor-schriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende
                        maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor gehandicapten.</al><al>Lid 6</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                        voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw
                        van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen
                        bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 7 ad a</al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid onder a en het
                        zesde lid om een parkeergelegenheid of laad- en losgelegenheid op eigen
                        terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor het geval
                        dat in de nabijheid een gemeenschappelijke parkeervoorzie-ning, laad- en
                        losvoorziening of openbare parkeergarage aanwezig is. Bij de zogenaamde
                        gebiedsgewijze aanpak waarbij een parkeerbalans wordt gehanteerd kan blijken
                        dat er in de omgeving voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is.</al><al>Lid 7 ad b</al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid onder b kan zich
                        voordoen als op de betreffende locatie waarop de aanvraag betrekking heeft,
                        reeds parkeerplaatsen aanwezig zijn, of als de bepaling kennelijk
                        onredelijke consequenties met zich brengt voor de ontwikkeling als de
                        parkeereis niet op eigen terrein mag worden opgelost.</al><al>Lid 7 ad c</al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het tweede lid om een juiste
                        mate van parkeerruimte conform de parkeernormen te realiseren, is bedoeld
                        voor onder meer uitzonderlijke bouwwerken of specifieke situaties, waarbij
                        duidelijk kan worden aangetoond dat meer of minder parkeer-plaatsen
                        noodzakelijk zijn dan volgens de parkeernormen in de bouwverordening. </al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het derde lid om aan bepaalde
                        voorwaarden te voldoen bij gebruikmaken van de flexibiliteit van de
                        parkeernorm, is onder meer bedoeld voor specifieke situaties waarbij het
                        stellen van voorwaarden leidt tot kennelijk onredelijke conse-quenties voor
                        de initiatiefnemer.</al><lijst><li nr="13."><al>Art. 5.1.2 <vet>"Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen"</vet>, lid 1, invullen als volgt: Indien
                                de toegang van een gebouw meer dan 30 meter is verwijderd van een
                                openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's,
                                vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te
                                verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van
                                het gebouw zulks niet vereisen. De toelichting bij artikel 5.1.2.
                                aanvullen als volgt: Anders dan in artikel 2.5.3. wordt hier het
                                absolute minimum aangegeven, waarbij voor de bestaande bebouwing nog
                                juist geen bestuursdwang tot verbetering zal worden toegepast. De
                                extra schade voor de omgeving, die kan ontstaan door de verminderde
                                bereikbaarheid bij brand wordt incidenteel nog toelaatbaar geacht.
                                In samenhang met het laatste deel van dit lid en met artikel 2.5.6
                                (vrijstellingsbepaling van de verplichting tot ontsluiting van een
                                nieuw bouwwerk) kan het beleid voor de bereikbaarheid voor
                                hulpverleningsdiensten voldoende vorm worden gegeven.</al></li><li nr="14."><al>Art. 7.3.1 vervalt.</al></li></lijst><al>Toelichting:</al><al>Artikel 2.2 van het Besluit omgevingsrecht bepaalt dat er een
                        omgevingsvergunning nodig is voor het gebruiken van een bouwwerk waarin
                        bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden
                        verschaft aan meer dan 10 personen. Dit artikel biedt echter ook de
                        mogelijkheid om in de bouwverordening van deze norm af te wijken. Op advies
                        van de brandweer wordt hiervan geen gebruik gemaakt.</al><al>15.Art. 8.1.1 <vet>“Omgevingsvergunning voor het slopen”</vet> wijzigen als
                        volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken, woonwagens daaronder begrepen, te slopen
                                zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd
                                gezag.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar
                                redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen
                                dan 10 m<sup>3</sup>, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen
                                van asbest. Voorts is geen vergunnuing vereist voor het slopen
                                ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de Woninwet, dan
                                wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van
                                een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan hun besluit
                                voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                                slopen slechts voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en op de sloopplaats gescheiden houden van het
                                        sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in en
                                        fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie
                                        overig afval;</al></li><li nr="d."><al>het gebruik van een mobiele puinbreekinstallatie die is
                                        opgesteld op de sloopplaats, voor zover de toestemming als
                                        bedoeld in het vijfde lid van toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van
                                        de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter
                                        c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval als bedoeld in het derde lid,
                                onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen,
                                de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het
                                sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het
                                sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de
                                omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest
                                voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de
                                afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="5."><al>Het bewerken van het sloopafval ter plaatse waar dit afval vrijkomt
                                is niet toegestaan. Op verzoek van de aanvrager van de
                                sloopvergunning kan, onder in de vergunning te stellen
                                voorschriften, worden toegestaan dat op de sloopplaats het beton- en
                                metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar opgestelde mobiele
                                puinbreekinrichting.</al></li><li nr="6."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien
                                in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een
                                seizoensgebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen
                                van het tijdelijke bouwwerk.</al></li></lijst><al> Toelichting: In de vierde serie wijzigingen op de MBV van de VNG
                        (circulaire nr. VHB/703867 Lbr. 97/109 d.d. 2 juli 1997), werd voorgesteld
                        om van artikel 8.1.1 de leden 3, sub e, en 5 te laten vervallen indien de
                        Provinciale Milieuverordening een regeling voor de toelaatbaarheid van
                        mobiele puinbrekers op slooplocaties bevat. Bij implementatie van de vierde
                        serie wijzigingen op de Model-bouwverordening in de Amersfoortse
                        bouwverordening (raadsbesluit d.d. 27-10-1998 i.w.tr. 17-11-1998) is deze
                        wijziging niet overgenomen. De Provinciale Milieuverordening Utrecht 1995
                        bevat slechts algemene voorschriften omtrent de inzet van mobiele
                        puinbrekers op slooplocaties (er worden zogenoemde paraplu-vergunningen
                        verleend), zodat het wenselijk blijft om op specifieke locaties binnen de
                        gemeente Amersfoort eisen te kunnen stellen aan de toelaatbaarheid en het
                        gebruik van mobiele puinbrekers. </al><lijst><li nr="16."><al>Art. 8.1.6, lid 1, aanvullen als volgt: een vergunning als bedoeld
                                in artikel 30 of 33 van de Huisvestingswet (Stb. 1992, 548) is
                                vereist en deze niet is verleend. Toelichting: Voor het weigeren van
                                de sloopvergunning is als weigeringsgrond opgenomen het niet
                                aanwezig zijn van een splitsings- of onttrekkingsvergunning als
                                bedoeld in de Huisvestingswet. </al></li><li nr="17."><al>Art. 9.2, lid 2, vervalt</al></li></lijst><al> BIJLAGE 14 BODEMKWALITEITSKAART</al><al>Behorende bij artikel 2.1.5</al><al> BIJLAGE 15 AUTOPARKEERNORMEN</al><al>Behorend bij artikel 2.5.30</al><al>(De waarden tussen haakjes - indien van toepassing - is de hoge norm.) </al><al>Parkeernormen woningen</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="29*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="13*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="13*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="10*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al><vet>norm</vet></al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>functie [eenheid]</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>binnenstad</al></entry><entry colname="col3"><al>schil</al></entry><entry colname="col4"><al>Rest bebouwde kom</al></entry><entry colname="col5"><al>aandeel bezoekers</al></entry><entry colname="col6"><al>opmerkingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>woning duur [per woning]</al></entry><entry colname="col2"><al>1,30 (2,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>1,70 (3,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>2,00 (3,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>0,30 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>woning goedkoop/middelduur en starterswoning [per
                                            woning]</al></entry><entry colname="col2"><al>1,20 (2,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>1,50 (3,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>1,70 (3,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>0,30</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>serviceflat/aanleunwoning [per woning]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,80 (0,80)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,80 (3,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,80 (3,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>0,30</al></entry><entry colname="col6"><al>zelfstandige woonvorm met zorgfaciliteiten, bestemd voor
                                            ouderen met een zorgindicatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>verpleeghuis/verzorgingstehuis </al><al>[per wooneenheid]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,20 (0,50)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,20 (3,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,20 (3,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>0,20 </al></entry><entry colname="col6"><al>groepswoningen voor bewoners met een zorgindicatie
                                            (bijvoorbeeld gehandicapten/demente-renden)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>niet-zelfstandige woningen [per wooneenheid]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,20 (0,50)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,20 (3,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,20 (3,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>0,20 </al></entry><entry colname="col6"><al>bijv. studentenkamer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>zelfstandige 1-kamerwoning </al><al>[per woning] </al></entry><entry colname="col2"><al>0,20 (0,50)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,20 (3,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,20 (3,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>0,20 </al></entry><entry colname="col6"><al>bijv. studentenwoning</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Parkeernormen kantoren en winkels</al><al>(Voor kantoren en winkels op intercity- en knooppuntlocaties is bij het
                        gebruik van een norm tussen de vermelde norm en de hoge norm een financiële
                        vergoeding vereist.)</al><table><tgroup cols="7"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="12*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="12*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="9*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col5" namest="col2"><al><vet>norm</vet></al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>functie [eenheid]</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>intercitylocaties</al></entry><entry colname="col3"><al>knooppuntlocaties</al></entry><entry colname="col4"><al>snelweglocaties</al></entry><entry colname="col5"><al>overige locaties</al></entry><entry colname="col6"><al>aandeel bezoekers</al></entry><entry colname="col7"><al>opmerkingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>kantoorgedeelte [100 m<sup>2</sup> bvo] </al></entry><entry colname="col2"><al>0,40 (0,80)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,80 (1,60)</al></entry><entry colname="col4"><al>2,00 (2,80)</al></entry><entry colname="col5"><al>2,00 (2,40)</al></entry><entry colname="col6"><al>5%</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>baliegedeelte klanten [balie]</al></entry><entry colname="col2"><al>2,00 (4,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>2,00 (4,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>2,00 (4,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>2,00 (4,00)</al></entry><entry colname="col6"><al>100%</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>detailhandel binnenstad [100 m<sup>2</sup> bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>2,80</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>85%</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>detailhandel stadsdeelcentra [100 m<sup>2</sup>
                                            bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>2,80</al></entry><entry colname="col3"><al>3,30</al></entry><entry colname="col4"><al>3,50 (4,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>3,30 (4,00)</al></entry><entry colname="col6"><al>85%</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>wijk-, buurt- en dorpscentra [100 m<sup>2</sup>
                                            bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>3,30</al></entry><entry colname="col3"><al>3,30</al></entry><entry colname="col4"><al>3,30 (4,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>3,30 (4,00)</al></entry><entry colname="col6"><al>85%</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>grootschalige detailhandel [100 m<sup>2</sup> bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>4,50</al></entry><entry colname="col3"><al>4,50</al></entry><entry colname="col4"><al>5,50 (7,50)</al></entry><entry colname="col5"><al>5,50 (7,50)</al></entry><entry colname="col6"><al>85%</al></entry><entry colname="col7"><al>Het betreft hier grote publiekstrekkers (bijv.
                                            Ikea)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>‘Standaard’ bouwmarkten [100 m<sup>2</sup> bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>2,20</al></entry><entry colname="col3"><al>2,20</al></entry><entry colname="col4"><al>2,70</al></entry><entry colname="col5"><al>2,70</al></entry><entry colname="col6"><al>85%</al></entry><entry colname="col7"><al>Bijv. bouwmarkten en tuincentra</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>showroom (auto's, boten etc.) [100 m<sup>2</sup>
                                            bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,70</al></entry><entry colname="col3"><al>0,70</al></entry><entry colname="col4"><al>1,20 (1,40)</al></entry><entry colname="col5"><al>1,20 (1,40)</al></entry><entry colname="col6"><al>35%</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>(week)markt [100 m<sup>2</sup> bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>2,50</al></entry><entry colname="col3"><al>2,50</al></entry><entry colname="col4"><al>2,50</al></entry><entry colname="col5"><al>2,50</al></entry><entry colname="col6"><al>85%</al></entry><entry colname="col7"><al>1 m<sup>1</sup> = 6 m<sup>2</sup> (indien geen parkeren
                                            achter kraam dan + 1,0 pp per standhouder)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indicatie voor de winkeltypen: stadsdeelcentra &gt; 15.000 m<sup>2</sup>
                        vvo, wijk-, buurt- en dorpscentra &lt; 15.000 m<sup>2</sup> vvo</al><al> Parkeernormen overige werkgelegenheid</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="29*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="13*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="13*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="10*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al><vet>norm</vet></al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>functie [eenheid]</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>binnenstad</al></entry><entry colname="col3"><al>schil</al></entry><entry colname="col4"><al>rest bebouwde kom</al></entry><entry colname="col5"><al>aandeel bezoekers</al></entry><entry colname="col6"><al>opmerkingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsextensieve / bezoekersextensieve bedrijven
                                            (loods, opslag, groothandel, transportbedrijf, etc.)
                                            [100 m<sup>2</sup> bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,40 (0,50)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,50 (0,60)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,70 (0,80)</al></entry><entry colname="col5"><al>5%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsintensieve / bezoekersextensieve bedrijven
                                            (industrie, garagebedrijf, laboratorium, werkplaats,
                                            etc.) [100 m<sup>2</sup> bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>1,00 (1,50)</al></entry><entry colname="col3"><al>1,50 (2,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>2,00 (2,50)</al></entry><entry colname="col5"><al>5%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>bedrijfsverzamelgebouw [100 m<sup>2</sup> bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,80 (1,70)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,80 (1,70)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,80 (1,70)</al></entry><entry colname="col5"><al>10%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Parkeernormen horecagelegenheden</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="29*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="13*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="13*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="10*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al><vet>norm</vet></al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>functie [eenheid]</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>binnenstad</al></entry><entry colname="col3"><al>schil</al></entry><entry colname="col4"><al>rest bebouwde kom</al></entry><entry colname="col5"><al>aandeel bezoekers </al></entry><entry colname="col6"><al>opmerkingen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>café / bar/ discotheek/cafetaria [100 m<sup>2</sup>
                                            bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>4,00 (6,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>4,00 (6,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>5,00 (7,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>90%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>restaurant [100 m<sup>2</sup> bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>8,00 (10,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>8,00 (10,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>12,00 (14,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>80%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>hotel [kamer]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,50 (1,50)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,50 (1,50)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,50 (1,50)</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Parkeernormen sociaal culturele voorzieningen</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="12*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="12*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="12*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="10*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al><vet>norm</vet></al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>functie [eenheid]</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>binnenstad</al></entry><entry colname="col3"><al>schil</al></entry><entry colname="col4"><al>rest bebouwde kom</al></entry><entry colname="col5"><al>aandeel bezoekers </al></entry><entry colname="col6"><al>opmerkingen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>museum/bibliotheek [100 m<sup>2</sup> bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,30 (0,50)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,50 (0,70)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,90 (1,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>95%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>bioscoop / theater / schouwburg [zitplaats]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,10 (0,20)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,10 (0,20)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,20 (0,30)</al></entry><entry colname="col5"><al>95%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>evenementenhal/beursgebouw/congresgebouw [100
                                            m<sup>2</sup> bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>3,00 (4,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>4,00 (6,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>5,00 (7,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>99%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sociaal cultureel centrum / wijkgebouw [100
                                            m<sup>2</sup> bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>1,00 (3,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>1,00 (3,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>1,00 (3,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>90%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Parkeernormen sportvoorzieningen</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="29*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="13*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="13*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="10*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al><vet>norm</vet></al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>functie [eenheid]</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>binnenstad</al></entry><entry colname="col3"><al>schil</al></entry><entry colname="col4"><al>rest bebouwde kom</al></entry><entry colname="col5"><al>aandeel bezoekers </al></entry><entry colname="col6"><al>opmerkingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sporthal (binnen) [100 m<sup>2</sup> bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>1,50 (2,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>1,70 (2,20)</al></entry><entry colname="col4"><al>2,00 (2,50)</al></entry><entry colname="col5"><al>95%</al></entry><entry colname="col6"><al>Gymlocalen met alleen een school-functie hebben geen
                                            parkeervraag; bij sporthal met wedstrijdfunctie: + 0,15
                                            pp per bezoekersplaats</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sportveld (buiten) [ha. netto terrein]</al></entry><entry colname="col2"><al>20,00 (27,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>20,00 (27,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>20,00 (27,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>95%</al></entry><entry colname="col6"><al>Alleen het oppervlak van het sportveld nemen, dus
                                            exclusief kleedruimtes, toilet-ten, etc.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>dansstudio / sportschool [100 m<sup>2</sup> bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>2,00 (3,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>2,00 (3,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>3,00 (4,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>95%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>squashbanen [baan]</al></entry><entry colname="col2"><al>1,00 (1,50)</al></entry><entry colname="col3"><al>1,00 (1,50)</al></entry><entry colname="col4"><al>1,00 (1,50)</al></entry><entry colname="col5"><al>90%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>tennisbanen [baan]</al></entry><entry colname="col2"><al>2,00 (3,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>2,00 (3,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>2,00 (3,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>90%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>golfbaan [hole]</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>6,00 (8,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>95%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>bowlingbaan / biljartzaal [baan/tafel]</al></entry><entry colname="col2"><al>1,50 (2,50)</al></entry><entry colname="col3"><al>1,50 (2,50)</al></entry><entry colname="col4"><al>1,50 (2,50)</al></entry><entry colname="col5"><al>95%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>stadion [zitplaats]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,12 (0,20)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,12 (0,20)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,12 (0,20)</al></entry><entry colname="col5"><al>99%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>zwembad [100 m² opp. bassin]</al></entry><entry colname="col2"><al>7,00 (9,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>8,00 (10,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>9,00 (11,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>90%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>manege [box]</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>0,30 (0,50)</al></entry><entry colname="col5"><al>90%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Parkeernormen zorgvoorzieningen</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="29*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="13*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="13*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="10*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al><vet>norm</vet></al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>functie [eenheid]</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>binnenstad</al></entry><entry colname="col3"><al>schil</al></entry><entry colname="col4"><al>rest bebouwde kom</al></entry><entry colname="col5"><al>aandeel bezoekers </al></entry><entry colname="col6"><al>opmerkingen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>ziekenhuis [bed]</al></entry><entry colname="col2"><al>1,70 (1,90)</al></entry><entry colname="col3"><al>1,70 (1,90)</al></entry><entry colname="col4"><al>1,70 (1,90)</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>Bij gespreide bezoektijden norm 1,50 (1,70)
                                            gebruiken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>verpleeg- verzorgingstehuis [wooneenheid]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,50 (0,70)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,50 (0,70)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,50 (0,70)</al></entry><entry colname="col5"><al>60%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arts / maatschap / therapeut / consultatiebureau
                                            [behandelkamer]</al></entry><entry colname="col2"><al>1,50 (2,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>1,50 (onbegrensd)</al></entry><entry colname="col4"><al>1,50 (onbegrensd) </al></entry><entry colname="col5"><al>65%</al></entry><entry colname="col6"><al>eerste 2 behandelkamers 4 pp/behandelkamer; voor iedere
                                            volgende behandelkamer 1,5 pp/behandelkamer.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Parkeernormen onderwijsvoorzieningen</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="29*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="13*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="13*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="10*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al><vet>norm</vet></al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>functie [eenheid]</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>binnenstad</al></entry><entry colname="col3"><al>schil</al></entry><entry colname="col4"><al>rest bebouwde kom</al></entry><entry colname="col5"><al>aandeel bezoekers </al></entry><entry colname="col6"><al>opmerkingen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>beroepsonderwijs dag (WO, HBO) [collegezaal]</al></entry><entry colname="col2"><al>20,00</al></entry><entry colname="col3"><al>20,00</al></entry><entry colname="col4"><al>20,00</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>totale parkeervraag is collegezalen + leslokalen;
                                            collegezaal is circa 150 zitplaatsen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>beroepsonderwijs dag (MBO, ROC, WO, HBO)
                                            [leslokaal]</al></entry><entry colname="col2"><al>5,00 (7,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>5,00 (7,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>5,00 (7,00)</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>totale parkeervraag is collegezalen + leslokalen;
                                            leslokaal is circa 30 zitplaatsen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voorbereidend beroepsonderwijs (dagonderwijs Vwo, Havo,
                                            Vmbo) [leslokaal]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,50 (1,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,50 (1,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,50 (1,00)</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>leslokaal is circa 30 zitplaatsen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>avondonderwijs [student]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,50 (1,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,50 (1,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,50 (1,00)</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>basisonderwijs [leslokaal]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,50 (1,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,50 (1,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,50 (1,00)</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>exclusief Kiss&amp;Ride;</al><al>leslokaal is circa 30 zitplaatsen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>creche / peuterspeelzaal / kinderdagverblijf
                                            [arbeidsplaats]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,60 (0,80)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,60 (0,80)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,60 (0,80)</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>exclusief Kiss&amp;Ride; arbeidsplaats = het
                                            gelijktijdig aanwezige aantal werknemers</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Parkeernormen overige voorzieningen</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="29*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="13*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="13*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="10*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al><vet>norm</vet></al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>functie [eenheid]</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>binnenstad</al></entry><entry colname="col3"><al>schil</al></entry><entry colname="col4"><al>rest bebouwde kom</al></entry><entry colname="col5"><al>aandeel bezoekers </al></entry><entry colname="col6"><al>opmerkingen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>themapark / pretpark [ha. netto terrein]</al></entry><entry colname="col2"><al>8,00 (12,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>8,00 (12,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>8,00 (12,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>99%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overdekte speeltuin/hal [100 m<sup>2</sup> bvo]</al></entry><entry colname="col2"><al>7,50 (12,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>7,50 (12,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>7,50 (12,00)</al></entry><entry colname="col5"><al>90%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>volkstuin [perceel]</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>0,30 (0,30)</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>religiegebouw (kerk, moskee, etcetera) [per
                                            zitplaats]</al></entry><entry colname="col2"><al>0,10 (0,20)</al></entry><entry colname="col3"><al>0,10 (0,20)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,10 (0,20)</al></entry><entry colname="col5"><al>100%</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>begraafplaats/crematorium [gelijktijdige
                                            begrafenis/crematie]</al></entry><entry colname="col2"><al>22,50 (30,00)</al></entry><entry colname="col3"><al>22,50 (30,00)</al></entry><entry colname="col4"><al>22,50 (30,00)</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>Algemene opmerkingen/definities:</onderstreept></al><al>bvo bruto vloeroppervlak</al><al>vvo verkoop netto vloeroppervlak</al><al>grootschalige detailhandel winkelformules die vanwege de omvang en aard van
                        het assortiment een groot oppervlak nodig hebben en welke bij voorkeur
                        gelegen zijn op perifere locaties (bijvoorbeeld grote publiekstrekkende
                        tuin/meubelcentra met (boven)regionale functie. Het gaat niet om standaard
                        bouwmarkten of tuincentra. </al><al>perifeer alle terreinen of locaties binnen de bebouwde kom die niet binnen
                        of nabij een bestaand of gepland winkelgebied liggen.</al><al>Kiss &amp; Ride</al><al>Het brengen en halen bij basisscholen en kinderdagverblijven is geen
                        onderdeel van de parkeernormensystematiek. Voor het aantal parkeerplaatsen
                        voor brengen en halen met de auto bij kinderdagverblijven en basisscholen
                        geldt een rekenregel (zie CROW-publicatie 182) die uitgaat van het aantal
                        leerlingen vermenigvuldigd met het aandeel brengen/halen vermenigvuldigd met
                        reductiefactoren voor de parkeerduur en het voor het aantal kinderen per
                        auto. </al><al>Samengevat: rekenregel basisscholen en kinderdagverblijven:</al><al>Voor de verschillende groepen kunnen andere factoren gebruikt worden.
                        Hieronder de uitwerking conform CROW publicatie:</al><al><vet><cursief>Basisscholen</cursief></vet></al><al><cursief>groepen 1 t/m 3</cursief></al><al>aantal leerlingen x % leerlingen met auto x 0,5 x 0,75</al><al>Reductiefactor parkeerduur <cursief>* </cursief>0,5, omdat de parkeerduur
                        bij groepen 1 t/m 3 gemiddeld 10 minuten in perioden van 20 minuten
                        bedraagt;</al><al>Reductiefactor aantal kinderen per auto = 0,75 voor groepen 1 t/m 3.</al><al><cursief>groepen 4 t/m 8</cursief></al><al>Aantal leerlingen x % leerlingen met auto x 0,25 x 0,85</al><al>Reductiefactor parkeerduur = 0,25, omdat de parkeerduur bij groepen 4 t/m 8
                        gemiddeld 2,5 minuut in perioden van 10 minuten bedraagt; </al><al>Reductiefactor aantal kinderen per auto = 0,85 voor groepen 4 t/m 8.</al><al><vet><cursief>Kinderdagverblijf</cursief></vet></al><al>Reductiefactor parkeerduur = 0,25, omdat parkeerduur bij kinderdagverblijven
                        gemiddeld 15 minuten in perioden van 60 minuten bedraagt;</al><al>Reductie factor aantal kinderen per auto = 0,75 voor kinderdagverblijf.</al><al>Deze rekenmethode kan ook toegepast worden voor vergelijkbare instellingen,
                        waar breng- en haalvoorzieningen gewenst zijn.</al><al>Voor beide voorzieningen geldt dat het percentage leerlingen dat met de auto
                        gebracht en gehaald wordt tussen de 1% en 60% ligt. Dit is afhankelijk van
                        de stedelijkheidsgraad, de locatie (binnenstad, schil, rest bebouwde kom),
                        en de gemiddelde afstand naar school. Gemiddeld ligt het percentage op:</al><lijst><li nr="-"><al>Groepen 1 t/m 3: 30 – 60 %</al></li><li nr="-"><al>Groepen 4 t/m 8: 5 – 40 %</al></li><li nr="-"><al>Kinderdagverblijf: 50 – 80 %. </al></li></lijst><al>Bij gescheiden aanvangs- en eindtijden van de groepen 1 t/m 3 en 4 t/m 8 mag
                        het aantal parkeerplaatsen met maximaal 40% worden gereduceerd.</al><al>Gehandicaptenparkeren</al><al>Voor het aantal gehandicaptenparkeerplaatsen bij gemengde functies op
                        openbare parkeerterreinen en in openbare parkeergarages wordt een percentage
                        van 2% op het totaal aantal beschikbare plaatsen gehanteerd. Bij openbare
                        voorzieningen is er minimaal 1 gehandicaptenparkeerplaats aanwezig.</al><al> Aanwezigheidspercentages voor berekening meervoudig gebruik</al><al>Let op ‘Gebruik van de tabellen’ onder b.</al><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="10*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="12*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="12*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="14*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="11*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="10*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="12*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al><vet>wer</vet><vet>k</vet><vet>dag</vet></al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al><vet>z</vet><vet>a</vet><vet>terdag</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>zondag</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>oc</vet><vet>h</vet><vet>tend</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>middag</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>avond</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>koopavond</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>middag</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>avond</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>middag</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>woningen</al></entry><entry colname="col2"><al>50</al></entry><entry colname="col3"><al>60</al></entry><entry colname="col4"><al>100</al></entry><entry colname="col5"><al>90</al></entry><entry colname="col6"><al>60</al></entry><entry colname="col7"><al>60</al></entry><entry colname="col8"><al>70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>detailhandel (food)</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry><entry colname="col3"><al>70</al></entry><entry colname="col4"><al>20</al></entry><entry colname="col5"><al>100</al></entry><entry colname="col6"><al>100</al></entry><entry colname="col7"><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>detailhandel </al><al>(non-food)</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry><entry colname="col3"><al>70</al></entry><entry colname="col4"><al>0</al></entry><entry colname="col5"><al>100</al></entry><entry colname="col6"><al>100</al></entry><entry colname="col7"><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>kantoren</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry><entry colname="col3"><al>100</al></entry><entry colname="col4"><al>5</al></entry><entry colname="col5"><al>10</al></entry><entry colname="col6"><al>5</al></entry><entry colname="col7"><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>commerciële ruimte aan huis</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry><entry colname="col3"><al>100</al></entry><entry colname="col4"><al>80</al></entry><entry colname="col5"><al>80</al></entry><entry colname="col6"><al>80</al></entry><entry colname="col7"><al>80</al></entry><entry colname="col8"><al>80</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>bedrijven</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry><entry colname="col3"><al>100</al></entry><entry colname="col4"><al>5</al></entry><entry colname="col5"><al>10</al></entry><entry colname="col6"><al>5</al></entry><entry colname="col7"><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>consumentgerichte bedrijvigheid ¹</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry><entry colname="col3"><al>75</al></entry><entry colname="col4"><al>5</al></entry><entry colname="col5"><al>100</al></entry><entry colname="col6"><al>100</al></entry><entry colname="col7"><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sociaal cultureel</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>40</al></entry><entry colname="col4"><al>100</al></entry><entry colname="col5"><al>100</al></entry><entry colname="col6"><al>60</al></entry><entry colname="col7"><al>90</al></entry><entry colname="col8"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sociaal medisch</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry><entry colname="col3"><al>100</al></entry><entry colname="col4"><al>30</al></entry><entry colname="col5"><al>15</al></entry><entry colname="col6"><al>15</al></entry><entry colname="col7"><al>5</al></entry><entry colname="col8"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>ziekenhuis</al></entry><entry colname="col2"><al>85</al></entry><entry colname="col3"><al>100</al></entry><entry colname="col4"><al>40</al></entry><entry colname="col5"><al>25</al></entry><entry colname="col6"><al>25</al></entry><entry colname="col7"><al>40</al></entry><entry colname="col8"><al>40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>dagonderwijs ²</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry><entry colname="col3"><al>100</al></entry><entry colname="col4"><al>0</al></entry><entry colname="col5"><al>0</al></entry><entry colname="col6"><al>0</al></entry><entry colname="col7"><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>avondonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>100</al></entry><entry colname="col5"><al>0</al></entry><entry colname="col6"><al>0</al></entry><entry colname="col7"><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>bibliotheek</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry><entry colname="col3"><al>70</al></entry><entry colname="col4"><al>100</al></entry><entry colname="col5"><al>75</al></entry><entry colname="col6"><al>75</al></entry><entry colname="col7"><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>museum</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry><entry colname="col3"><al>45</al></entry><entry colname="col4"><al>0</al></entry><entry colname="col5"><al>100</al></entry><entry colname="col6"><al>100</al></entry><entry colname="col7"><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al>90</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>restaurant</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>40</al></entry><entry colname="col4"><al>90</al></entry><entry colname="col5"><al>70</al></entry><entry colname="col6"><al>70</al></entry><entry colname="col7"><al>100</al></entry><entry colname="col8"><al>40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>café</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>40</al></entry><entry colname="col4"><al>90</al></entry><entry colname="col5"><al>75</al></entry><entry colname="col6"><al>75</al></entry><entry colname="col7"><al>100</al></entry><entry colname="col8"><al>45</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>bioscoop, theater</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry><entry colname="col3"><al>30</al></entry><entry colname="col4"><al>90</al></entry><entry colname="col5"><al>60</al></entry><entry colname="col6"><al>60</al></entry><entry colname="col7"><al>100</al></entry><entry colname="col8"><al>60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>zwembad</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry><entry colname="col3"><al>80</al></entry><entry colname="col4"><al>100</al></entry><entry colname="col5"><al>100</al></entry><entry colname="col6"><al>100</al></entry><entry colname="col7"><al>100</al></entry><entry colname="col8"><al>100</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sport ³</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry><entry colname="col3"><al>50</al></entry><entry colname="col4"><al>100</al></entry><entry colname="col5"><al>100</al></entry><entry colname="col6"><al>100</al></entry><entry colname="col7"><al>90</al></entry><entry colname="col8"><al>85</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>1) Tuincentra, Doe-het-zelf- en bouwmarkten, autoshowroom.</al><al>2) Inclusief crèche, kinderdagverblijf, peuterspeelzaal.</al><al>3) Inclusief sporthal, dansschool.</al><al><cursief>Tabel: Aanwezigheidspercentages (bron: CROW)</cursief></al><al>Reductiefactoren</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="13*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="41*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>parkeervoo</vet><vet>r</vet><vet>ziening</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>theoretisch aantal</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>berekenings-aa</vet><vet>n</vet><vet>tal</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>opmerking </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Enkele oprit/carport zonder garage</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>0,8</al></entry><entry colname="col4"><al>oprit min. 6,0 meter diep en 2,5 meter breed </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lange oprit/carport zonder garage</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>1,0</al></entry><entry colname="col4"><al>oprit min. 10,5 meter diep en 2,5 meter breed</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Dubbele oprit/carport zonder garage</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>1,7</al></entry><entry colname="col4"><al>oprit min. 5,5 meter breed</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Garage zonder oprit (bij woning)</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>0,4</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Garagebox (niet bij woning)</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>0,5</al></entry><entry colname="col4"><al>garage min. 5,0 meter diep en 2,80 meter breed</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Garage met enkele oprit</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>1,0</al></entry><entry colname="col4"><al>oprit min. 5,5 meter diep </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Garage met lange oprit</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>1,3</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Garage met dubbele oprit</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>1,8</al></entry><entry colname="col4"><al>oprit min. 5,5 meter breed</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Een garage wordt pas meegerekend als er tevens een schuur/opslagruimte
                        aanwezig is op het betreffende perceel.</al><al><cursief>Tabel: Reductiefactoren parkeervoorzieningen op eigen
                            terrein</cursief></al><al>Acceptabele loopafstanden</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="48*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="52*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoofdfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Acceptabele loopafstanden </vet></al><al><vet>(in meter)</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Wonen</al></entry><entry colname="col2"><al>200 – 400 m (binnenstad eerste auto), 150 m
                                            (overig)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Winkelen </al></entry><entry colname="col2"><al>200-600</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werken</al></entry><entry colname="col2"><al>200-800</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ontspanning</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gezondheidszorg</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Tabel: Acceptabele loopafstanden (bron: CROW en Parkeerbeleidsplan
                            ‘Kiezen of Delen’, 2005)</cursief></al><al> Gebruik van de tabellen</al><lijst><li nr="a."><al>Parkeernormen worden alleen voorschrijvend gehanteerd voor een
                                nieuwbouw- en uitbreidingsontwikkeling en voor een functiewijziging,
                                waar een bouwvergunning voor afgegeven moet worden of waarvoor een
                                vrijstellingsprocedure moet worden gevolgd. Voor alle overige
                                situaties kunnen de normen alleen ter indicatie van de parkeervraag
                                worden gehanteerd.</al></li><li nr="b."><al>De vraag naar parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van de
                                parkeernormen, en aan de hand van rekenwaarden/-methoden voor
                                meervoudig gebruik van parkeerplaatsen, voor Kiss&amp;Rideplaatsen,
                                voor reductiefactoren en voor gehandicaptenplaatsen. Als rekenregel
                                bij meervoudig gebruik van parkeerplaatsen geldt dat de parkeereis
                                gelijk is aan het berekende aantal parkeerplaatsen bij meervoudig
                                gebruik + 25% van het verschil tussen de berekening bij stapeling en
                                bij meervoudig gebruik.</al></li><li nr="c."><al>De parkeernormen maken onderscheid in de locatie voor woningen
                                naar:</al></li><li nr="-"><al>binnenstad (het gebied binnen de Stadsring en het Plantsoen Noord,
                                Oost en West, en het Eempleingebied tussen de Eem, de Eemlaan en de
                                Nieuwe Poort);</al></li><li nr="-"><al>schil (de parkeerreguleringsgebieden direct rondom de binnenstad,
                                zoals vastgelegd in de Verordening Parkeerbelastingen);</al></li><li nr="-"><al>rest bebouwde kom (alle overige locaties).</al><al> Voorts zijn er de volgende locaties:</al></li><li nr="-"><al>intercitylocaties: locaties binnen een maximale loopafstand (vanaf
                                de hoofdentree van het gebouw) van 800 meter tot de noord-, dan wel
                                de zuidingang van Amersfoort CS;</al></li><li nr="-"><al>knooppuntlocaties:</al><lijst><li nr="a."><al>locaties (niet zijnde intercitylocaties) binnen een maximale
                                        loopafstand van 600 meter tot de noord-, dan wel de
                                        zuidingang van een NS-station enerzijds én binnen een
                                        maximale rijafstand van 2.000 meter tot een op- / afrit van
                                        een autosnelweg of 500 meter tot een gebiedsontsluitingsweg
                                        anderzijds;</al></li><li nr="b."><al>locaties (niet zijnde intercitylocaties) voor zover gelegen
                                        binnen het gebied dat overeenkomt met tariefzone A zoals
                                        opgenomen in de Verordening Parkeerbelastingen van de
                                        gemeente Amersfoort;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>snelweglocaties: locaties (niet zijnde intercitylocaties of
                                knooppuntlocaties) binnen een maximale rijafstand van 2.000 meter
                                tot een op- / afrit van een autosnelweg;</al></li><li nr="-"><al>overige locaties: locaties, niet zijnde intercitylocaties,
                                knooppuntlocaties of snelweglocaties.</al><al> Op de bijbehorende Bereikbaarheidskaart (bijlage 3) zijn deze
                                gebieden en locaties nader aangeduid. De grenzen zoals deze op de
                                kaart zijn aangegeven, zijn maatgevend voor het vaststellen van de
                                soort locatie.</al></li><li nr="d."><al>Voor woningen wordt in de parkeernormen een onderscheid gemaakt in
                                goedkope/middeldure (verkoopwaarde v.o.n. t/m € 260.000,- in
                                prijspeiljaar 2008) en dure koopwoningen. Deze waarde wordt voor het
                                eerst in 2009 jaarlijks geïndexeerd en volgt de jaarlijkse
                                indexeringen van het woningbouwprogramma Vathorst (volgens de
                                GREX-Vathorst). Voor huurwoningen wordt uitgegaan van de
                                stichtingskosten van de woningen.</al></li><li nr="e."><al>De tussen haakjes aangegeven waarden betreffen de ‘hoge norm’. Als
                                er geen waarden tussen haakjes zijn vermeld, is er geen hogere norm
                                dan de norm toegestaan. Bij het gebruik van parkeernormen kunnen
                                zich de volgende situaties voordoen:</al></li><li nr="-"><al>Er is sprake van één vaste parkeernorm (er is geen hoge norm).</al></li><li nr="-"><al>Er is sprake van een parkeernorm en een hoge norm die tussen haakjes
                                is vermeld (een parkeernorm of ‘onbegrensd’).</al></li></lijst><al>Een eventueel hogere te hanteren norm dan de parkeernorm is beperkt tot de
                        hoge norm. Om in deze situatie een hogere parkeernorm te gebruiken gelden
                        voor bepaalde functies op een aantal locaties een aantal voorwaarden: er
                        wordt een bijdrage per extra gerealiseerde parkeerplaats tussen de norm en
                        de hoge norm vereist, evenals een mobiliteitsprofiel van de aanvrager. De
                        financiële bijdrage geldt alleen voor kantoren en detailhandel op intercity-
                        en knooppuntlocaties. Het overleggen van een mobiliteitsprofiel is vereist
                        voor kantoren op alle locaties en voor detailhandel op intercity- en
                        knooppuntlocaties. </al><al>De aanleg van minder parkeerplaatsen dan de norm voorschrijft en de aanleg
                        van meer parkeerplaatsen dan de hoge norm voorschrijft wordt behandeld
                        volgens de door het college vastgestelde beleidsregels.</al><lijst><li nr="f."><al>De norm is inclusief het bezoekersparkeren. De parkeerplaatsen voor
                                bezoekers moeten openbaar toegankelijk zijn. Het aantal
                                bezoekersplaatsen kan bepaald worden met de waarden in de kolom
                                ‘aandeel bezoekers’.</al></li><li nr="g."><al>De (som van de) berekende parkeervraag wordt in gehele getallen naar
                                boven afgerond.</al></li><li nr="h."><al>Een parkeergarage die aan de woning is gebouwd, telt in nieuwe
                                situaties alleen mee voor het parkeren op eigen terrein, als de
                                woning is voorzien van een schuur of andere opslagruimte, die in
                                omvang geschikt is voor de opslag van gebruikelijke huishoudelijke
                                goederen (ca. 10% van de vloeroppervlakte van de woning). De ruimte
                                op eigen terrein vóór de garage en de woning wordt alleen dan
                                meegeteld als die voldoende ruimte biedt voor het opstellen van een
                                auto en zolang naast de geparkeerde auto nog voldoende loopruimte
                                aanwezig blijft. </al></li><li nr="i."><al>De totale parkeernorm voor kantoren bestaat uit een bedrijfsgericht
                                deel, waarin een aandeel voor bezoekersparkeren is opgenomen.
                                Wanneer er balies zijn, komt daar de norm voor het baliegedeelte
                                bovenop; ten minste die plaatsen moeten openbaar toegankelijk
                                zijn.</al></li><li nr="j."><al>Woningen voor ouderen en gehandicaptenhuisvesting zijn altijd
                                zelfstandige woningen. Als de woningen zijn gelegen nabij
                                zorgcomplexen zal een gedeelte van deze woningen bewoond worden door
                                mensen met een zorgindicatie. In complexen met appartementen die
                                bestemd zijn voor senioren zal ook bij de start van de bewoning een
                                gemengde leeftijdsopbouw worden nagestreefd. Als het duidelijk is
                                dat een appartementencomplex bewoond zal worden door een mix van
                                mensen met een zorgindicatie, mensen van 75 + en jongere ouderen zal
                                de parkeernorm hierop aangepast kunnen worden. Hierbij wordt ervan
                                uit gegaan dat de senioren van 75+ en de senioren met een
                                zorgindicatie een lagere parkeernorm hebben (norm van de functie
                                serviceflat/aanleunwoning). Voor een deel van de flat zal de
                                algemene parkeernorm worden aangehouden. Bij clusterwonen en
                                beschermd wonen waarbij geen sprake is van zelfstandig wonen gelden
                                de normen van serviceflat/aanleunwoning. Dit betekent dat er steeds
                                gekeken moet worden voor wie een complex seniorenappartementen is
                                bedoeld. In de startnotitie die wordt opgesteld voordat een project
                                van start gaat moet duidelijk zijn aangegeven voor welke doelgroepen
                                deze appartementen zijn bedoeld. Bij twijfel geldt altijd de normale
                                parkeernorm gebaseerd op de prijs van de woning.</al></li><li nr="k."><al>Bij woningen met een commerciële ruimte aan huis kan het gaan om
                                verschillende doeleinden zoals zakelijke dienstverlening,
                                maatschappelijke dienstverlening en aan huis gebonden beroepen,
                                zoals bijvoorbeeld een kapper, een accountant, een schoonheidssalon
                                of een ambachtelijk bedrijfje. Een belangrijk kenmerk van deze
                                ruimten is dat ze kleinschalig zijn en dat het moet passen binnen
                                het woonmilieu. Afhankelijk van de mogelijkheden die het
                                bestemmingsplan voorschrijft, zal per situatie maatwerk geleverd
                                moeten worden wat de parkeernorm betreft. Dat betekent dat de
                                gemeente de te verwachten parkeervraag moet beoordelen op de
                                beschikbare ruimte in het openbaar gebied, wanneer parkeren op eigen
                                terrein niet mogelijk is. In dat geval is beleidsregel 1 aan de
                                orde. Ter stimulering van de beroepsuitoefening aan huis, is er een
                                beleidsregel voor een ontheffing van de parkeereis, voor een
                                parkeertekort tot maximaal drie plaatsen op de openbare weg.
                                Voorwaarde daarbij is dat die parkeerruimte op de openbare weg
                                aanwezig is, zonder daarbij de grens van 80% bezettingsgraad te
                                overschrijden.</al></li><li nr="l."><al>Nieuw-voor-oud-regel: bij functiewijziging (waarbij het pand blijft
                                staan) kan worden afgeweken van de parkeernorm op eigen terrein, als
                                de parkeervraag die bij de nieuwe functie hoort, lager of gelijk is
                                aan de parkeervraag (op basis van de parkeernorm die gold bij de
                                bouwaanvraag) van de oude functie. In dat geval hoeven er geen extra
                                parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Als de norm voor de nieuwe
                                functie hoger is, moet het verschil aan parkeerplaatsen tussen de
                                nieuwe parkeereis en de bestaande (aan de oude functie toe te wijzen
                                plaatsen) extra worden aangelegd.</al></li><li nr="m."><al>Wanneer niet vooraf bekend is welke functies zich in een gebouw gaan
                                vestigen, wordt per aanvraag bekeken welke parkeereis gesteld moet
                                worden, daarbij rekening houdend met de volgens het bestemmingsplan
                                toegestane functies. </al></li><li nr="n."><al>In bijzondere gevallen en in gevallen waarin de beleidsregels of de
                                parkeernormen niet voorzien, is het college bevoegd bij gemotiveerd
                                besluit van de beleidsregels en/of de normen af te wijken. Bij
                                voorkeur wordt daarbij in een nieuwe of een gewijzigde beleidsregel,
                                of een parkeernorm voorzien.</al></li></lijst><al>Definities gebruikte termen in Bijlage 15</al><al><cursief>Autosnelweg</cursief></al><al>Een openbare weg voorzien van een autosnelwegbebording.</al><al><cursief>Bestemmingsplan</cursief></al><al>Een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel
                        een stadsvernieuwingsplan als bedoeld in de Wet op de stads- en
                        dorpsvernieuwing.</al><al><cursief>Bouwverordening</cursief></al><al>Een verordening als bedoeld in artikel 8 van de Woningwet.</al><al><cursief>Klantparkeren</cursief></al><al>Alle parkeren bij een voorziening, anders dan door bewoners/bezoek en
                        werknemers.</al><al><cursief>Gebiedsontsluitingsweg</cursief></al><al>Een openbare weg die als gebiedsontsluitingsweg is aangewezen in een
                        verkeer- en vervoerplan, wegcategoriseringsplan of een ander door de
                        gemeenteraad vastgesteld beleidsplan.</al><al><cursief>Locaties</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>intercitylocaties: locaties binnen een maximale loopafstand (vanaf
                                de hoofdentree van</al><al> het gebouw) van 800 meter tot de noord-, dan wel de zuidingang van
                                Amersfoort CS;</al></li><li nr="-"><al>knooppuntlocaties: </al><lijst><li nr="o"><al>locaties (niet zijnde intercitylocaties) binnen een maximale
                                        loopafstand van 600 meter tot de noord-, dan wel de
                                        zuidingang van een NS-station enerzijds én binnen een
                                        maximale rijafstand van 2.000 meter tot een op- / afrit van
                                        een autosnelweg of 500 meter tot een gebiedsontsluitingsweg
                                        anderzijds;</al></li><li nr="o"><al>locaties (niet zijnde intercitylocaties) voor zover gelegen
                                        binnen het gebied dat overeenkomt met tariefzone A zoals
                                        opgenomen in de Verordening Parkeerbelastingen van de
                                        gemeente Amersfoort;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>snelweglocaties: locaties (niet zijnde intercitylocaties of
                                knooppuntlocaties) binnen een </al><al> maximale rijafstand van 2.000 meter tot een op- / afrit van een
                                autosnelweg;</al></li><li nr="-"><al>overige locaties: locaties, niet zijnde intercitylocaties,
                                knooppuntlocaties of snelweg-</al><al> locaties.</al></li></lijst><al><cursief>Loopafstand</cursief></al><al>De afstand zoals door een voetganger af te leggen via een voor voetgangers
                        toegankelijke, gebruikelijke en logische route.</al><al><cursief>Maximumparkeernorm</cursief></al><al>Maximaal toegestane parkeernorm vanuit parkeer- en mobiliteitsoogpunt voor
                        een nieuw ruimtelijk project/plan op een bepaalde locatie.</al><al><cursief>Mobiliteitsprofiel</cursief></al><al>Een mobiliteitsprofiel biedt inzicht in de te verwachten mobiliteit naar
                        modaliteit, de wijze van beïnvloeding van deze modaliteit (bijvoorbeeld door
                        vervoersmanagement) en het aantal benodigde parkeerplaatsen.</al><al><cursief>Mobiliteitstoets</cursief></al><al>Een gemeentelijke toets van het door een initiatiefnemer ingediende
                        mobiliteitsprofiel.</al><al><cursief>Norm</cursief></al><al>Vereiste parkeernorm vanuit parkeer- en mobiliteitsoogpunt voor een nieuw
                        ruimtelijk project/plan op een bepaalde locatie.</al><al><cursief>Parkeerbalans</cursief></al><al>Een parkeerbalans geeft op diverse momenten de balans in beeld van de vraag
                        naar parkeerplaatsen en het aanbod aan parkeerplaatsen.</al><al><cursief>Parkeerbeleid</cursief></al><al>Parkeerbeleid is een bewuste inzet van parkeerinstrumenten, gericht op
                        vooraf gestelde doelen.</al><al><cursief>Parkeereis/Parkeerplaatsverplichting</cursief></al><al>Het aantal parkeerplaatsen dat een initiatiefnemer moet realiseren op grond
                        van de te gebruiken parkeernorm. Deze parkeerplaatsverplichting wordt
                        opgenomen in de bouwvergunning.</al><al><cursief>Parkeerkencijfers</cursief></al><al>Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers die kunnen worden
                        gebruikt als hulpmiddel bij het bepalen van het aantal parkeerplaatsen voor
                        een (aantal) functie(s).</al><al><cursief>Parkeernormen</cursief></al><al>Parkeernormen geven het aantal parkeerplaatsen voor een bepaalde functie of
                        groep functies aan dat niet mag worden over- of onderschreden. Gemeenten
                        stellen hun eigen parkeernormen vast, normaliter op basis van
                        parkeerkencijfers en eigen parkeer- en locatiebeleid.</al><al><cursief>Rijafstand</cursief></al><al>De afstand zoals door een automobilist af te leggen via een voor auto’s
                        toegankelijke, gebruikelijke en logische route. </al><al><cursief>Vervoermanagement</cursief></al><al>Vervoermanagement is de zorg van het management van bedrijven en
                        instellingen voor personenvervoer gericht op een selectief autogebruik.</al><al> BIJLAGE 16 FORMULIER MOBILITEITSPROFIEL</al><al><vet>Formulier Mobiliteitsprofiel </vet></al><al>Bedrijf/Instelling:</al><al>Invuller: Dhr./Mw.</al><al>Telefoon:</al><al>E-mail:</al><al>Datum:</al><al><vet>Vraag 1</vet></al><al>Hoeveel werknemers gaan gelijktijdig op de betreffende locatie werken?</al><al><vet>Vraag 2</vet> (voor bestaande bedrijven/instellingen)</al><al>Hoe komen uw werknemers nu naar het werk? (% lopend/fiets/openbaar
                        vervoer/auto)</al><al><vet>Vraag 3</vet></al><al>Op welke wijze worden werknemers gestimuleerd in het woon-werkverkeer en het
                        zakelijk verkeer gebruik te maken van de fiets? </al><al><cursief>(meerdere antwoorden mogelijk)</cursief></al><al>O met een reiskostenvergoeding voor de fiets</al><al>O met een aanschafregeling voor een fiets</al><al>O met een gratis abonnement voor een fietsenstalling</al><al>O met een goede afgesloten fietsenstalling</al><al>O door geen autoparkeerplaats aan te bieden</al><al>O door geen vergoeding te geven voor gereden autokilometers in het
                        woon-werkverkeer</al><al>O anders, namelijk ……</al><al><vet>Vraag 4</vet></al><al>Op welke wijze worden werknemers gestimuleerd in het woon-werkverkeer en het
                        zakelijk verkeer gebruik te maken van het openbaar vervoer (bus, trein)? </al><al><cursief>(meerdere antwoorden mogelijk)</cursief></al><al>O met een reiskostenvergoeding voor de het openbaar vervoer</al><al>O met de inzet van personeelsvervoer</al><al>O door geen autoparkeerplaats aan te bieden</al><al>O door geen vergoeding te geven voor gereden autokilometers in het
                        woon-werkverkeer</al><al>O anders, namelijk ……</al><al><vet>Vraag 5</vet></al><al>Op welke wijze worden bezoekers gestimuleerd gebruik te maken van de fiets? </al><al><cursief>(meerdere antwoorden mogelijk)</cursief></al><al>O met een routebeschrijving per fiets</al><al>O met een reiskostenvergoeding voor de fiets</al><al>O door geen autoparkeerplaats aan te bieden</al><al>O met goede fietsparkeervoorzieningen</al><al>O met een gratis fietsenstalling</al><al>O anders, namelijk ……</al><al><vet>Vraag 6</vet></al><al>Op welke wijze worden bezoekers gestimuleerd gebruik te maken van het
                        openbaar vervoer (bus, trein)? </al><al><cursief>(meerdere antwoorden mogelijk)</cursief></al><al>O met een routebeschrijving per openbaar vervoer</al><al>O met een reiskostenvergoeding voor het openbaar vervoer</al><al>O door geen autoparkeerplaats aan te bieden</al><al>O met de inzet van consumentenvervoer </al><al>O anders, namelijk ……</al><al><vet>Vraag 7</vet></al><al>Heeft u een carpoolregeling? Zo ja, wat houdt die in?</al><al><vet>Vraag 8</vet></al><al>Is er meervoudig gebruik (verschillende groepen parkeerders maken op
                        verschillende tijden gebruik van de parkeerplaatsen, waardoor minder
                        parkeerplaatsen nodig zijn) van parkeerplaatsen mogelijk?</al><al>O ja, want …… </al><al>O nee, want ……</al><al><vet>Vraag 9</vet></al><al>Hoeveel parkeerplaatsen wilt u realiseren? </al><al><cursief>(Geeft u a.u.b. apart uw berekening aan.)</cursief></al><al>Uw eventuele verdere toelichting:</al><al>______________________________________________________________________________</al><al>in te vullen door de gemeente:</al><al>Huidige bereikbaarheidslocatie: intercity/knooppunt/snelweg/overig</al><al>Toekomstige bereikbaarheidslocatie: intercity/knooppunt/snelweg/overig</al><al>Aantal parkeerplaatsen volgens norm: …….. parkeerplaatsen</al><al>Maximum aantal parkeerplaatsen volgens de hoge norm (indien van toepassing):
                        …….. parkeerplaatsen</al><al>Door bedrijf/instelling gewenste aantal parkeerplaatsen: ……..
                        parkeerplaatsen</al><al>Toe te staan aantal te realiseren parkeerplaatsen: …….. parkeerplaatsen</al></bijlage></regeling></body></cvdr>