<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR453883_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitvoeringsregeling OP EFRO Human Capital A 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Samenwerkingsverband Noord-Nederland</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-02-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Drenthe</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Fryslân</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Groningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.snn.eu/bekendmakingbesluiten">www.snn.eu/bekendmakingbesluiten </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Uitvoeringsregeling OP EFRO Human Capital A 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0036758">REES</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">dagelijks bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-05-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-06-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2017-05-29</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-02-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Geen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule/><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Uitvoeringsregeling </vet><vet>OP EFRO </vet><vet>Human
                            </vet><vet>C</vet><vet>apital</vet><vet> A 2017</vet></al><al><vet>Het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband
                            Noord-Nederland</vet><vet> zijnde Management Autoriteit
                            Noord-Nederland</vet><vet>;</vet></al><al>gelet op de Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de
                        Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale
                        Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling
                        “investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening
                        (EG) nr. 1080/2006 (PbEU L 347);</al><al>gelet op de Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de
                        Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het
                        Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het
                        Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het
                        Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen
                        inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal
                        Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en
                        visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad
                        (PbEU L 347);</al><al>gelet op de uitvoeringsverordening (EU) nr. 215/2014 van de commissie van 7
                        maart 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU)
                        nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende
                        gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale
                        Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees
                        Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor
                        maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds
                        voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en
                        het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij met betrekking tot
                        methoden voor steun op het gebied van klimaatverandering, het vaststellen
                        van mijlpalen en streefdoelen in het prestatiekader en de nomenclatuur van
                        de categorieën steunverlening voor de Europese structuur- en
                        investeringsfondsen;</al><al>gelet op de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie van
                        3 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het
                        Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake
                        het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds,
                        het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en
                        het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen
                        inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal
                        Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en
                        visserij;</al><al>gelet op de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014
                        waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van
                        het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (de Algemene
                        groepsvrijstellingsverordening);</al><al>gelet op de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 821/2014 van de Commissie van
                        28 juli 2014 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening
                        (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft
                        gedetailleerde regelingen voor de overdracht en het beheer van
                        programmabijdragen, de verslaglegging over financieringsinstrumenten, de
                        technische kenmerken van voorlichtings- en communicatiemaatregelen voor
                        concrete acties, en het systeem voor de vastlegging en opslag van gegevens; </al><al>gelet op het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland;</al><al>gelet op de Uitvoeringswet EFRO;</al><al>gelet op de Regeling Europese EZ-subsidies;</al><al>gelet op de Algemene wet bestuursrecht;</al><al><vet>BESLUIT</vet></al><al>de volgende uitvoeringsregeling vast te stellen ter afbakening van een deel
                        van het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland: OP EFRO Human
                        Capital A 2017.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze uitvoeringsregeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Verordening (EU) nr. 1303/2013: Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van
                                het Europese Parlement en de Raad, van 17 december 2013, houdende
                                gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor
                                regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het
                                Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor
                                plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken
                                en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor
                                regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds
                                en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot
                                intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad;</al></li><li nr="b."><al>REES: Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28
                                juni 2015, nr. WJZ / 15083650, houdende vaststelling van
                                subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en
                                investeringsfondsen op het terrein van Economische Zaken (Regeling
                                Europese EZ-subsidies);</al></li><li nr="c."><al>Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland (OP EFRO): het
                                programma als bedoeld in artikel 2, onderdeel 6, van de Verordening
                                (EU) nr. 1303/2013 dat is goedgekeurd door de Europese Commissie en
                                geldt voor het landsdeel Noord-Nederland (NUTS-regio NL1); </al></li><li nr="d."><al>Specifieke doelstelling A: het bevorderen van meer, betere en
                                structurelere samenwerking tussen het bedrijfsleven en
                                onderwijsinstellingen, teneinde de arbeidsvraag en het hoogopgeleide
                                arbeidsaanbod permanent beter op elkaar af te stemmen;</al></li><li nr="e."><al>SNN: het Samenwerkingsverband Noord-Nederland;</al></li><li nr="f."><al>DB SNN: het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband
                                Noord-Nederland;</al></li><li nr="g."><al>Penvoerder: de subsidieaanvrager die zorgdraagt en verantwoordelijk
                                is voor de projectadministratie, aanvragen, verzoeken en
                                voortgangsrapportages indien er sprake is van twee of meer
                                aanvragers van subsidie die samenwerken; </al></li><li nr="h."><al>Het Verdrag: het Verdrag betreffende de werking van de Europese
                                Unie;</al></li><li nr="i."><al>Noord-Nederland: het grondgebied van de provincies Fryslân,
                                Groningen en Drenthe;</al></li><li nr="j."><al>Onderwijsinstelling: instellingen als bedoeld in artikel 1.2,
                                onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
                                onderzoek;</al></li><li nr="k."><al>Hoogopgeleid: opgeleid op het niveau van hbo of wo;</al></li><li nr="l."><al>Samenwerkingsverband: samenwerkingsverband van ten minste één uit de
                                openbare kas bekostigde onderwijsinstelling en een eenheid die een
                                economische activiteit uitoefent en dat op grond van een
                                samenwerkingsovereenkomst publiek-private samenwerking vorm
                                geeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doel van deze uitvoeringsregeling</titel></kop><al>Het doel van de uitvoeringsregeling is het stimuleren van samenwerking
                        tussen publieke en private partijen om:</al><lijst><li nr="a."><al>de toekomstige arbeidsmarktvraag beter en structureel boven tafel te
                                krijgen of</al></li><li nr="b."><al>vraag en aanbod van hoogopgeleid personeel beter op elkaar af te
                                stemmen of </al></li><li nr="c."><al>de kwaliteit van het aanbod toekomstbestendig te maken;</al></li></lijst><al>waarbij de behoefte van het mkb in Noord-Nederland leidend is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Deelplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het deelplafond, als bedoeld in artikel 5.2.2. van de REES voor
                            subsidieaanvragen die zijn ontvangen in de periode van woensdag 24 mei
                            2017 tot en met vrijdag 15 september 2017 voor 12.00 uur, bedraagt €
                            2.500.000,-.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het DB SNN verdeelt het in het eerste lid bedoelde bedrag op volgorde
                            van binnenkomst als bedoeld in artikel 5.2.7 van de REES.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit deelplafond staat open voor Specifieke doelstelling A, het
                            bevorderen van meer, betere en structurelere samenwerking tussen het
                            bedrijfsleven en onderwijsinstellingen in het regionale
                            innovatiesysteem, teneinde de arbeidsvraag en het hoogopgeleide
                            arbeidsaanbod (hbo en wo) permanent beter op elkaar af te stemmen binnen
                            de maatschappelijke uitdagingen, zoals beschreven in sectie 1.1 en
                            sectie 2.A.5 onder prioritaire as 1 van het OP EFRO 2014-2020
                            Noord-Nederland. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Subsidiabele activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor subsidie komt in aanmerking het samenwerken tussen ten minste één
                            hoger onderwijsinstelling en ten minste één andere partij dat ten doel
                            heeft de toekomstige arbeidsmarktvraag beter en structureel boven tafel
                            te krijgen, vraag en aanbod van hoogopgeleid personeel beter op elkaar
                            af te stemmen of de kwaliteit van het aanbod toekomstbestendig te maken.
                            De volgende activiteiten zijn subsidiabel: </al><lijst><li nr="i."><al>Het bevorderen van de structurele samenwerking tussen eenheden
                                    die een economische activiteit uitoefenen en het onderwijs; of
                                </al></li><li nr="ii."><al>De ontwikkeling van methodes en instrumenten die tot doel hebben
                                    de aansluiting tussen de arbeidsvraag en het hoogopgeleide
                                    arbeidsaanbod structureel te verbeteren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De effecten van het project komen ten goede aan Noord-Nederland en
                            hebben specifiek betrekking hebben op het mkb in Noord-Nederland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Hoogte en doelgroep van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidie wordt verstrekt ten behoeve van het samenwerkingsverband aan de
                            rechtspersonen in dit verband. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er wordt subsidie verstrekt ter hoogte van 40% van de totale
                            subsidiabele kosten, met uitzondering van projecten waarbij de totale
                            subsidiabele projectkosten hoger zijn dan € 2.500.000,- en
                            dientengevolge de subsidie hoger zou uitvallen dan het in lid 5 vermelde
                            maximale bedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In aanvulling hierop geldt dat de hoogte van de subsidie kan worden
                            beperkt, indien de Europese of nationale regels daartoe nopen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidie bedraagt minimaal € 100.000,- per project.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000,- per project.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indienen van een subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een subsidieaanvraag kan worden ingediend bij het SNN via een daarvoor
                            ontwikkeld webportal dat bereikbaar is via www.snn.eu. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een
                            door SNN opgesteld volledig ingevuld aanvraagformulier, vergezeld van de
                            in het aanvraagformulier genoemde documenten. Hiervoor maakt de indiener
                            gebruik van door het SNN verstrekte vaste formats. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvrager selecteert uit de lijst met outputindicatoren, opgenomen in
                            bijlage II bij deze uitvoeringsregeling, de outputindicatoren die op het
                            project van toepassing zijn. De aanvrager bepaalt voor elke
                            geselecteerde indicator een streefwaarde voor het project. De
                            streefwaarde is de waarde die beoogd wordt te zijn bereikt op het moment
                            dat het project is afgerond of alle concrete acties volledig ten uitvoer
                            zijn gelegd. De keuze voor de outputindicator(en) en de streefwaarde(n)
                            worden in de aanvraag gemotiveerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Afwijzen van een subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub c van de REES wordt een aanvraag
                            afgewezen indien het project niet voldoende bijdraagt aan de
                            verwezenlijking van het gedeelte van het programma waarvoor het
                            deelplafond beschikbaar is gesteld. Indien niet minimaal 70 van de 100
                            punten worden gehaald, waarbij de verdeling van de punten is opgenomen
                            in artikel 10, draagt het project in ieder geval niet voldoende bij aan
                            de specifieke doelstelling binnen het programma zoals opgenomen in deze
                            uitvoeringsregeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub e van de REES wordt een aanvraag
                            afgewezen indien de managementautoriteit door toewijzing niet zou
                            voldoen aan één van de verplichtingen gesteld in artikel 125 van
                            verordening 1303/2013. Dit houdt onder andere in dat een aanvraag in
                            ieder geval wordt afgewezen indien: </al><lijst><li nr="-"><al>onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische of economische
                                    haalbaarheid van het project;</al></li><li nr="-"><al>door een aanvrager niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat het
                                    project financieel, ruimtelijk of anderszins, obstakelvrij is;
                                </al></li><li nr="-"><al>niet aannemelijk is dat alle projectactiviteiten volledig ten
                                    uitvoer kunnen worden gelegd binnen een periode van drie
                                    jaar;</al></li><li nr="-"><al>de aanvraag minder dan 1 punt scoort op het criterium
                                    duurzaamheid, zoals beschreven in artikel 10, lid 1 onder
                                    e;</al></li><li nr="-"><al>tegen een aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als
                                    bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening;</al></li><li nr="-"><al>de aanvrager in financiële moeilijkheden verkeert;</al></li><li nr="-"><al>In aanvulling op lid 2 en artikel 5.2.5 lid sub c van de REES
                                    kan de aanvraag worden afgewezen indien de aanvrager niet de
                                    relevante outputindicatoren, die in bijlage II bij deze
                                    uitvoeringsregeling zijn opgenomen, heeft geselecteerd of de
                                    aanvrager niet een overtuigende onderbouwing voor de keuze van
                                    deze indicatoren en de opgenomen streefwaarden heeft
                                    aangeleverd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvraag zal worden afgewezen in geval één van de partners in het
                            samenwerkingsverband meer dan 90% van de subsidiabele kosten
                            draagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Niet subsidiabele kosten</titel></kop><al>Uit de REES volgt welke kosten subsidiabel en niet subsidiabel zijn.
                        Daarnaast wordt geen subsidie verleend voor:</al><lijst><li nr="a."><al>kosten voor nieuwbouw, verbouw of leegstand van gebouwen, </al></li><li nr="b."><al>reguliere activiteiten; </al></li><li nr="c."><al>activiteiten die voor het tijdstip van indienen van de aanvraag
                                hebben plaatsgevonden; </al></li><li nr="d."><al>activiteiten waarvoor reeds subsidie is verleend, met uitzondering
                                van co-financiering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Projectperiode en kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uiterlijk drie jaar na de afgifte van de verleningsbeschikking is het
                            project volledig ten uitvoer gelegd. Het project is volledig ten uitvoer
                            gelegd als het project fysiek is voltooid of als alle
                            projectactiviteiten die leiden tot output en resultaten volledig zijn
                            uitgevoerd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Projectkosten zijn subsidiabel voor zover ze zijn verricht na ontvangst
                            van de aanvraag en voor de einddatum van het project. Daarbij zijn de
                            projectkosten betaald binnen de projectperiode of in de daaropvolgende
                            periode, waarin het verzoek tot definitieve vaststelling van de subsidie
                            vervaardigd en ingediend wordt. Dit met uitzondering van de eventuele
                            accountantswerkzaamheden, die verricht worden ten behoeve van het
                            verzoek tot definitieve vaststelling. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alleen projectkosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan en
                            noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project, zijn
                            subsidiabel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Beoordelingscriteria</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, worden
                                beoordeeld op de volgende vijf beoordelingscriteria met de daarbij
                                behorende puntenverdeling:</al><lijst><li nr="a."><al>bijdrage aan de specifieke doelstelling A van het
                                        Operationeel Programma 2014-2020 Noord-Nederland: het
                                        bevorderen van meer, betere en structurelere samenwerking
                                        tussen het bedrijfsleven en onderwijsinstellingen in het
                                        regionale innovatiesysteem, teneinde de arbeidsvraag en het
                                        hoogopgeleide arbeidsaanbod (hbo en wo) permanent beter op
                                        elkaar af te stemmen binnen de maatschappelijke uitdagingen,
                                        zoals beschreven in sectie 1.1 en sectie 2.A.5 onder
                                        prioritaire as 1 van het OP EFRO 2014-2020
                                        Noord-Nederland.</al></li></lijst></li></lijst><al>Hierbij wordt met name gelet op de elementen:</al><lijst><li nr="-"><al>in hoeverre het project bijdraagt aan:</al><lijst><li nr="o"><al>het beter én structureel boven tafel krijgen van de
                                        toekomstige arbeidsmarktvraag; of</al></li><li nr="o"><al>het beter op elkaar afstemmen van de vraag vanuit het (mkb-)
                                        bedrijfsleven en het aanbod van hoogopgeleid personeel;
                                        of</al></li><li nr="o"><al>het toekomstbestendig maken van de kwaliteit van het
                                        arbeidsmarktaanbod.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>in hoeverre er sprake is van structurele samenwerking; </al></li><li nr="-"><al>de mate waarin de projectactiviteiten tot uiting komen in de
                                relevante output-indicatoren zoals opgenomen in bijlage II. </al><lijst><li nr="b."><al>de mate van innovatie </al></li></lijst></li></lijst><al>Hierbij wordt met name gelet op de volgende elementen:</al><lijst><li nr="-"><al>hoe vernieuwend is het project en hoe is dit onderbouwd? </al></li><li nr="-"><al>gaat het om een nieuw samenwerkingsverband? </al></li><li nr="-"><al>hoe vernieuwend is de verbinding die wordt gemaakt tussen vraag en
                                aanbod op de arbeidsmarkt?</al></li><li nr="-"><al>hoe draagt het project bij aan het versterken van het
                                Noord-Nederlandse innovatiesysteem? </al></li><li nr="-"><al>hoe draagt het project bij aan het innovatief vermogen van het
                                Noord-Nederlandse mkb?</al></li><li nr="c."><al>de kwaliteit van de business case</al></li></lijst><al>Hierbij wordt met name gelet op de volgende elementen:</al><lijst><li nr="-"><al>hoe haalbaar is de realisatie van het project? Wat zijn de risico’s?
                                Welke strategie is gekozen om deze risico’s te beperken?</al></li><li nr="-"><al>hoe wordt de continuïteit van het project dan wel de feitelijke
                                toepassing van het project gewaarborgd;</al></li><li nr="-"><al>hoe wordt het mkb, niet zijnde de partners van het project, bewust
                                gemaakt en aangesloten bij vraagstukken en resultaten van het
                                project;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze wordt er voor gezorgd dat de belanghebbenden bij het
                                project betrokken zijn?</al></li><li nr="-"><al>in hoeverre is het mogelijk voor andere partijen om aan te sluiten
                                bij het samenwerkingsverband? </al></li><li nr="-"><al>in hoeverre komen de resultaten ten goede aan het brede (mkb-)
                                bedrijfsleven en overige organisaties in Noord-Nederland?</al></li><li nr="-"><al>hoe financiert iedere deelnemer zijn aandeel in de
                                projectkosten?</al></li><li nr="d."><al>de kwaliteit van de aanvraag</al></li></lijst><al>Hierbij wordt met name gelet op de volgende elementen:</al><lijst><li nr="-"><al>de helderheid en eenduidigheid van de aanvraag;</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop het project organisatorisch en subsidie technisch in
                                elkaar steekt.</al></li><li nr="e."><al>duurzaamheid</al></li></lijst><al>Hierbij wordt getoetst of het project voldoet aan de waarborging van gelijke
                        kansen en voorkoming van discriminatie en of het project geen negatieve
                        effecten op het milieu kent. Verder wordt gelet op de mate waarin het
                        project een onderscheidende bijdrage levert op het gebied van duurzaamheid.
                        Elementen die een project onderscheidend kunnen maken op het gebied van
                        duurzaamheid kunnen zijn:</al><al> Ten aanzien van het aspect ‘people’:</al><lijst><li nr="-"><al>de investering die wordt gedaan en de resultaten die worden beoogd
                                in de opleiding en ontwikkeling van mensen;</al></li><li nr="-"><al>de werkgelegenheid die wordt gegenereerd voor hoger opgeleiden;</al></li><li nr="-"><al>de maatschappelijke impact van het project.</al></li></lijst><al> Ten aanzien van het aspect ‘planet’:</al><lijst><li nr="-"><al>de bijdrage aan CO2-reductie en de reductie van de uitstoot van
                                overige broeikasgassen;</al></li><li nr="-"><al>de bijdrage aan energiebesparing en/of de omschakeling naar schone
                                energie; </al></li><li nr="-"><al>de bijdrage aan het verminderen van grondstofgebruik en
                                watergebruik;</al></li><li nr="-"><al>de omgang met afval en restmaterialen;</al></li><li nr="-"><al>de impact op het omringende ecosysteem en de omringende ruimte en
                                leefomgeving.</al></li></lijst><al> Ten aanzien van het aspect ‘profit’:</al><lijst><li nr="-"><al>de bijdrage aan regionale bewustwording, over de noodzaak van en het
                                streven naar een circulaire en inclusieve economie.</al></li><li nr="2."><al>De criteria zoals genoemd onder lid 1 worden kwalitatief beoordeeld
                                waarbij verschillende gradaties mogelijk zijn: “goed”, “ruim
                                voldoende”, “voldoende”, “matig” of “onvoldoende”. Deze beoordeling
                                wordt omgezet in een puntenbeoordeling zoals genoemd onder lid 3.
                            </al></li><li nr="3."><al>a. Voor criterium a zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen
                                maximaal 35 punten worden</al></li></lijst><al> behaald met de volgende verdeling:</al><lijst><li nr="-"><al>goed = 35 punten</al></li><li nr="-"><al>ruim voldoende = 30 punten </al></li><li nr="-"><al>voldoende = 25 punten</al></li><li nr="-"><al>matig = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al></li><li nr="b."><al>Voor criterium b zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen
                                maximaal 15 punten worden behaald met de volgende verdeling:</al></li><li nr="-"><al>goed = 15 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>matig = 5 punten </al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al></li><li nr="c."><al>Voor criterium c zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen
                                maximaal 25 punten worden behaald met de volgende verdeling:</al></li><li nr="-"><al>goed = 25 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 20punten</al></li><li nr="-"><al>matig = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al></li><li nr="d."><al>Voor criterium d zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen
                                maximaal 10 punten worden behaald met de volgende verdeling:</al></li><li nr="-"><al>goed = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 5 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al></li><li nr="e."><al>Voor criterium e zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen
                                maximaal 5 punten worden behaald met de volgende verdeling:</al></li><li nr="-"><al>goed = 15 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>matig = 5 punten</al></li><li nr="-"><al>neutraal = 1 punt</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Penvoerderschap en administratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het samenwerkingsverband benoemt een penvoerder. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle aanvragen, verzoeken en voortgangsrapportages in een project worden
                            door de penvoerder gedaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het SNN verricht betalingen enkel aan de penvoerder. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien binnen een project andere dan bovengenoemde samenwerkende
                            partijen direct van de subsidie profiteren, dan is het de
                            verantwoordelijkheid van de penvoerder om de namen van de betreffende
                            partijen en de manier waarop deze profiteren vast te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Rapportage en bevoorschotting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De penvoerder dient twee keer per jaar een voortgangsrapportage in, met
                            daarin de financiële en inhoudelijke voortgang in de realisatie van het
                            project, over de voorafgaande periode en de realisatiewaarde van de
                            outputindicatoren. Er wordt gerapporteerd volgens een daarvoor door het
                            SNN verstrekt format.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verzoek tot voorschot kan worden ingediend indien gelijktijdig de
                            voortgangsrapportage wordt ingediend en voor zover voldaan is aan de
                            voorwaarden en regelgeving en onder voorbehoud van de beschikbaarheid
                            van financiering door de Europese Commissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het voorschot wordt evenredig bepaald op basis van de subsidiabele
                            gemaakte en betaalde kosten in de periode waarop de voortgangsrapportage
                            betrekking heeft. Om de hoogte van het voorschot te berekenen, wordt dit
                            bedrag vermenigvuldigd met het percentage dat volgt uit het delen van de
                            toegekende subsidie door de totale subsidiabele kosten van het
                            project.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De subsidie kan worden ingetrokken of verlaagd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de subsidieaanvrager in gebreke blijft met het indienen van een
                                    deugdelijke voortgangsrapportage;</al></li><li nr="b."><al>indien geen onderbouwde rapportage heeft plaatsgevonden ten
                                    aanzien van de mate van doelrealisatie en de behaalde
                                    outputindicatoren, zoals opgenomen in bijlage II.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien er sprake is van drie partners of meer binnen het
                            samenwerkingsverband wordt voor de urenregistratie een door SNN
                            voorgeschreven format gebruikt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Realisatie indicatoren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvrager registreert tijdens de uitvoering van het project de
                            realisatie van de outputindicatoren. Aan de realisatiewaarden liggen
                            bewijsstukken ten grondslag, overeenkomstig de voorschriften in bijlage
                            II bij deze uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De realisatiewaarden van de outputindicatoren rapporteert de aanvrager
                            gedurende de uitvoering van het project in voortgangsrapportages en na
                            afloop van het project in het eindverslag. Rapportage vindt plaats in
                            een door het SNN beschikbaar gesteld format. De aanvrager zal op
                            aanvraag bewijsstukken overleggen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Realisatie van het project</titel></kop><al>Na afronding van de projectactiviteiten geeft de subsidieaanvrager een
                        verklaring af dat het project is afgerond en dat alle projectactiviteiten
                        volledig ten uitvoer zijn gelegd. De verklaring wordt afgegeven in een door
                        het SNN verstrekt format. Deze verklaring wordt bij het verzoek tot
                        vaststelling gevoegd of op verzoek van het SNN eerder overgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vaststelling subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieaanvrager dient uiterlijk 13 weken na de einddatum van het
                            project een verzoek om definitieve vaststelling van de subsidie in bij
                            het SNN.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek om definitieve vaststelling wordt ingediend volgens een
                            daarvoor door het SNN ter beschikking gesteld format, vergezeld van de
                            daarin genoemde documenten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het SNN kan de betaling die volgt uit de vaststellingsbeschikking
                            opschorten indien de financiering van de Europese Commissie niet
                            beschikbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al>Deze beleidsregel wordt gepubliceerd en treedt in werking de dag na
                        publicatie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze uitvoeringsregeling wordt aangehaald als OP EFRO Human Capital A
                        2017</al></artikel></regeling-tekst><bijlage><kop><titel>Bijlage I: Toelichting op de uitvoeringsregeling</titel></kop></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II: Outputindicatoren OP EFRO Human Capital A 2017</titel></kop></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage I: Toelichting op de uitvoeringsregeling </titel></kop><tussenkop>Een algemene toelichting op deze uitvoeringsregeling is te vinden in het
                    Spoorboekje Innovatie-instrumentarium Noord-Nederland. Dit document is te vinden
                    op de SNN website.</tussenkop><tussenkop>Inleiding </tussenkop><al>We bespreken eerst de van toepassing zijnde regelgeving op Europees en nationaal
                    niveau en de relatie met de uitvoeringsregeling OP EFRO Human Capital A 2017.
                    Vervolgens wordt de specifieke doelstelling A van het OP EFRO 2014-2020 nader
                    toegelicht en de algemene gang van zaken bij de beoordeling van aanvragen.
                    Daarna volgt nog een toelichting bij de artikelen van de
                    uitvoeringsregeling.</al><tussenkop>Wet en regelgeving op Europees niveau</tussenkop><al>Op grond van de Verordening (EU) 1303/2013 is voor Noord-Nederland een
                    Operationeel Programma opgesteld. Dit OP EFRO geeft het kader weer voor de inzet
                    van middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in
                    Noord-Nederland in de periode 2014-2020. Het OP EFRO voor Noord-Nederland is op
                    15 december 2014 goedgekeurd door de Europese Commissie. De verordening
                    1303/2013 geeft onder andere voorwaarden en bepalingen voor EFRO-subsidies. </al><al>Het OP EFRO richt zich op het stimuleren van innovatie binnen het innovatief
                    midden- en kleinbedrijf in Noord-Nederland. Binnen het OP EFRO zijn vier
                    zogeheten specifieke doelstellingen geformuleerd (A t/m D), waarvan deze
                    uitvoeringsregeling zich richt op specifieke doelstelling A van het OP: het
                    bevorderen van meer, betere en structurelere samenwerking tussen het
                    bedrijfsleven en onderwijsinstellingen, teneinde de arbeidsvraag en het
                    hoogopgeleide arbeidsaanbod (hbo en wo) permanent beter op elkaar af te stemmen.
                    In het OP EFRO is er voor gekozen te werken met openstelling van verschillende
                    subsidie-instrumenten in de vorm van tenders en calls. Projecten die een
                    bepaalde minimumscore halen, krijgen subsidie, zolang er budget beschikbaar is.
                    De voorliggende uitvoeringsregeling OP EFRO Human Capital A 2017 geeft invulling
                    aan de bovengenoemde manier van uitvoering van het programma. Bij tenders staat
                    het loket voor indienen van aanvragen een specifieke periode open en er is een
                    vast sluitingsmoment. De aanvragen die binnen deze periode worden ingediend,
                    worden beoordeeld én – als ze aan een aantal objectieve criteria voldoen-
                    onderling vergeleken. De hoogst scorende projecten krijgen subsidie.</al><tussenkop>Wet- en regelgeving op nationaal niveau</tussenkop><al>Op nationaal niveau is de Regeling Europese EZ-subsidies (REES) vastgesteld die
                    naast de bepalingen van de Europese verordening ook bepalingen kent die van
                    toepassing zijn op projecten die ondersteuning ontvangen vanuit EFRO. In de REES
                    is de mogelijkheid gecreëerd voor de managementautoriteiten, waaronder het SNN
                    voor het OP EFRO voor Noord-Nederland, om aanvullende deelplafonds en
                    voorwaarden te stellen. Deze uitvoeringsregeling geeft hier invulling aan in de
                    vorm van een call waarvan de aanvragen worden beoordeeld op volgorde van
                    binnenkomst. Om vast te kunnen stellen of een project voor subsidie in
                    aanmerking komt, zijn al deze bepalingen van belang. </al><tussenkop>De gang van zaken met betrekking tot de beoordelingen van een
                    aanvraag</tussenkop><al>In de uitvoeringsregeling OP EFRO Human Capital A 2017 kunnen aanvragen in de
                    openstellingsperiode worden ingediend tot 15 september 2017 12.00 uur. </al><al>Aanvragen worden op volgorde van ontvangst beschikt totdat het plafond van de
                    uitvoeringsregeling is bereikt. </al><al>De behandeling van uw aanvraag bestaat uit drie fasen. </al><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag wordt getoetst op compleetheid. Zijn alle benodigde stukken
                            aanwezig?</al></li><li nr="2."><al>In fase 2 wordt beoordeeld of het project voldoet aan de eisen om voor
                            subsidie in aanmerking te komen. Er wordt gekeken of er sprake is van
                            afwijzingsgronden. Zie ook artikel 7 van deze regeling. Denk verder ook
                            aan staatssteunregelgeving, de maximaal gevraagde subsidie en de
                            uitvoeringsperiode. In deze fase wordt ook getoetst of het project past
                            binnen het opengestelde deel van het programma, dat wil zeggen voldoende
                            bijdraagt aan specifieke doelstelling A van het OP EFRO.</al></li><li nr="3."><al>Als het project aan bovengenoemde criteria voldoet, wordt het in de
                            derde fase voorgelegd aan de deskundigencommissie. De
                            deskundigencommissie beoordeelt het project inhoudelijk op kwaliteit en
                            geeft advies. De deskundigencommissie drukt de beoordeling uit in
                            kwalitatieve scores die verschillende gradaties kennen: zeer goed, goed,
                            voldoende, onvoldoende. Uit toekenning van de kwalitatieve score volgt
                            automatisch een kwantitatieve score, die maximaal 100 punten kan zijn
                            (zie art. 10 lid 3). Op basis van de score van het project wordt een
                            advies voorgelegd aan het Dagelijks Bestuur van het SNN (DB SNN) om te
                            besluiten over subsidietoekenning of -afwijzing. De commissie bestaat
                            uit externe deskundigen met expertise op het gebied van onder meer
                            innovatie, business-cases, duurzaamheid, arbeidsmarkt en koolstofarme
                            economie. De deskundigencommissie adviseert het DB SNN over de
                            subsidietoekenningen, die vervolgens een besluit neemt. Het dagelijks
                            bestuur heeft deze bevoegdheid gemandateerd aan de Bestuurscommissie
                            Economische Zaken van het SNN (BC EZ). </al></li></lijst><tussenkop>artikel 1 algemeen</tussenkop><al>Dit artikel legt de definities vast voor zover daar in deze uitvoeringsregeling
                    aan wordt gerefereerd. De herkomst van de definities is weergegeven waar dat van
                    toepassing is. </al><tussenkop>artikel 1 onder g</tussenkop><al>Alleen samenwerkingsverbanden kunnen een aanvraag indienen. Het
                    samenwerkingsverband benoemt een penvoerder die de contactpersoon is voor SNN.
                    Door het ondertekenen van het aanvraagformulier door de penvoerder en partners
                    van het samenwerkingsverband wordt automatisch een samenwerkingsovereenkomst
                    gesloten ten behoeve van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd.</al><tussenkop>artikel 1 onder k</tussenkop><al>De associate degree, een tweejarig deelprogramma van de hbo bachelor opleiding
                    wordt hier ook in meegenomen.</al><tussenkop>artikel 1 onder l </tussenkop><al>We denken bij eenheden die een economische activiteit uitoefenen primair aan
                    bedrijven. Er kunnen echter ook andersoortige organisaties dan bedrijven zijn
                    die zich bezighouden met innovatie en deel uitmaken van het Noordelijke
                    innovatiesysteem en die een bijdrage kunnen leveren aan het oplossen van human
                    capital vraagstukken bij het mkb in Noord-Nederland. We denken daarbij aan
                    maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld ziekenhuizen of zorginstellingen),
                    intermediaire organisaties en overheden. </al><tussenkop>artikel 3 lid 3</tussenkop><al>De beschikbaarheid van voldoende kundig en gespecialiseerd personeel vormt een
                    belangrijke uitdaging voor het Noordelijk innovatiesysteem. Om het
                    innovatiesysteem te versterken is van belang dat ondernemers beter inzicht
                    krijgen in hun (toekomstige) vraag naar personeel met de juiste kwalificaties en
                    vaardigheden. Op dit moment wordt die vraag niet systematisch gearticuleerd
                    waardoor er moeilijk op in te spelen is door onderwijsinstellingen. Daarnaast en
                    in vervolg hierop worden acties ondersteund die bijdragen aan het versterken van
                    het systeem waarbinnen vraag en aanbod op elkaar worden afgestemd. Het OP EFRO
                    voor Noord-Nederland ondersteunt daarmee acties die focussen op de (latente)
                    arbeidsvraag vanuit het bedrijfsleven. Dit realiseert Noord-Nederland door het
                    opzetten en versterken van structuren van permanente afstemming van vraag en
                    aanbod op het gebied van human capital binnen de in de RIS3 geïdentificeerde
                    maatschappelijke uitdaging in Noord-Nederland.</al><tussenkop>artikel 4 algemeen</tussenkop><al>Om het systeem duurzaam te versterken wordt ingezet op praktijkgerichte
                    structuren die vanuit de vraag van het bedrijfsleven opereren. Bij het opzetten
                    van nieuwe praktijkgerichte structuren is de behoefte van het mkb-bedrijfsleven
                    leidend. Echter, een deel van het probleem ligt in het feit dat mkb’ers zich
                    niet dagelijks met deze problematiek kunnen bezighouden. In eerste instantie
                    wordt daarom gewerkt aan bewustwording van het mkb en het expliciteren van de
                    behoeften en wensen voor de toekomst. Het verder concretiseren van de vraag
                    maakt daarmee onderdeel uit van deze uitvoeringsregeling. De uitvoeringsregeling
                    is bewust breed geformuleerd om zoveel mogelijk initiatieven op dit vlak een
                    kans te geven.</al><tussenkop>Wat stel ik me voor bij mogelijke subsidieaanvragen?</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Projecten waarin clusters van bedrijven en onderwijsinstellingen vraag
                            gestuurd samenwerken aan ontwikkeling van curricula ter bevordering van
                            de aansluiting tussen vraag naar en aanbod van hoogopgeleide medewerkers
                            (bijvoorbeeld in de vorm van bedrijfsscholen, werkstages voor docenten,
                            etc.);</al></li><li nr="·"><al>Projecten waarin bedrijven gezamenlijk structuren opzetten om
                            R&amp;D-faciliteiten van bedrijven te ontsluiten voor gebruik door
                            onderwijsinstellingen; </al></li><li nr="·"><al>Het ontwikkelen van gerichte E-portfoliosystemen, die kennis en ervaring
                            inzichtelijk en uitwisselbaar maken binnen en tussen clusters (digitaal
                            curriculum vitae met aanvullende informatie over vaardigheden,
                            referenties, feedback etc.); </al></li><li nr="·"><al>Projecten waarin structuren worden opgezet naar analogie van de Centres
                            of Expertise, dan wel additionele activiteiten van bestaande Centres of
                            Expertise en lectoraten (Centres of Expertise zijn publiek-private
                            samenwerkingsverbanden, waarbinnen ondernemers, wetenschappers, docenten
                            en studenten samen werken aan het bevorderen van de kwaliteit van het
                            technisch hbo-onderwijs);</al></li><li nr="·"><al>Projecten ter bevordering van mobiliteit, zowel inter- als
                            intrasectoraal op hbo/wo-niveau. </al></li><li nr="·"><al>Innovatieve opleidingsfaciliteiten (zoals hbo duaal); </al></li><li nr="·"><al>Structuren om werkzoekende hbo’ers en wo’ers aan het werk te helpen;
                        </al></li><li nr="·"><al>Projecten die inzetten op een methode waarmee de arbeidsvraag
                            structureel c.q. continu kan worden uitgevraagd bij het bedrijfsleven.
                        </al></li></lijst><al>Let op: de hiervoor beschreven voorbeelden geven een denkrichting en zijn niet
                    uitputtend. </al><tussenkop>artikel 4 lid 1 onder ii</tussenkop><al>Het onderdeel ontwikkeling van methodes en instrumenten die tot doel hebben de
                    aansluiting tussen de arbeidsvraag en het hoogopgeleide arbeidsaanbod
                    structureel te verbeteren kan mede betrekking hebben op het opzetten van een
                    pilot waarmee de ontwikkelde methode of het instrument in een testomgeving wordt
                    beproefd. Het daadwerkelijk invoeren van een nieuwe methode of instrument naar
                    een reguliere activiteit is niet subsidiabel.</al><tussenkop>artikel 4 lid 2</tussenkop><al>De resultaten van het project dienen ten goede te komen aan Noord-Nederland.
                    Wanneer de activiteiten in Noord-Nederland worden uitgevoerd, en het project
                    daar plaatsvindt, dan wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan. Bij
                    projecten waar niet alle, of geen activiteiten in Noord-Nederland worden
                    uitgevoerd is van belang waar de resultaten van het project terecht komen: dit
                    dient aantoonbaar in Noord-Nederland te zijn. De aanvrager legt dit uit in de
                    aanvraag en geeft een onderbouwing. </al><tussenkop>Artikel 5 lid 1 </tussenkop><al>Uit de definitie van een samenwerkingsverband volgt dat dit in ieder geval
                    bestaat uit een onderwijsinstelling en een eenheid die een economische
                    activiteit uitoefent. Het samenwerkingsverband kan daarnaast bestaan uit: </al><lijst><li nr="a."><al>meerdere hogere onderwijsinstellingen;</al></li><li nr="b."><al>meerdere organisaties;</al></li><li nr="d."><al>één of meer O&amp;O-fondsen, opgericht bij een bij de minister
                            aangemelde collectieve overeenkomst;</al></li><li nr="e."><al>één of meer regionale overheden;</al></li><li nr="f."><al>overige partijen die bijdragen aan de verbetering van de afstemming
                            tussen het hoger onderwijs en arbeidsmarkt.</al></li></lijst><al>Subsidie kan alleen aan rechtspersonen worden verstrekt. Daarmee zijn
                    eenmanszaken, een vof en een maatschap uitgesloten, omdat ze niet als
                    rechtspersoon worden aangemerkt. Natuurlijke personen kunnen geen aanvraag
                    indienen.</al><tussenkop>artikel 5 lid 2</tussenkop><al>Lid 2 stelt dat er een vast subsidiepercentage geldt van 40%. </al><tussenkop>artikel 6</tussenkop><al>Outputindicatoren geven weer wat er (fysiek) binnen een project tot stand wordt
                    gebracht. Outputindicatoren vormen feitelijk een weerspiegeling van de
                    projectactiviteiten. Bij de aanvraag wordt de keuze van outputindicatoren
                    gemotiveerd. Streefwaarden moeten aannemelijk worden gemaakt. Gedurende de
                    uitvoering van het project worden realisatiewaarden van indicatoren met
                    bewijsstukken gestaafd. </al><tussenkop>artikel 7</tussenkop><al>Samenloop van subsidie op grond van deze uitvoeringsregeling met ESF-subsidie is
                    uitgesloten. </al><tussenkop>artikel 10 lid 1 onder a</tussenkop><tussenkop>RIS3 en NIA</tussenkop><al>De RIS3 is de ‘Research &amp; Innovation Strategy for Smart Specialization’, een
                    overkoepelende innovatiestrategie, die Noord-Nederland voor de periode 2014-2020
                    heeft opgesteld. De RIS3 is nader uitgewerkt in een Noordelijke Innovatieagenda
                    (NIA). Kenmerkend voor de RIS3 en de NIA is het uitgangspunt te werken aan grote
                    maatschappelijke uitdagingen. De vier maatschappelijke uitdagingen uit de RIS3
                    waaraan het Noorden een bijdrage wil leveren zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>gezondheid, demografie en welzijn; </al></li><li nr="·"><al>voedselzekerheid, duurzame landbouw en bio-economie; </al></li><li nr="·"><al>zekere, schone en efficiënte energie; en </al></li><li nr="·"><al>schone, veilige watervoorziening. </al></li></lijst><al>Deze domeinen moeten niet opgevat worden als een sectorale afbakening, ze zijn
                    juist sectordoorsnijdend of cross sectoraal. Deze vier maatschappelijke
                    uitdagingen vormen het kader waarbinnen het OP EFRO Noord-Nederland en daarmee
                    deze uitvoeringsregeling worden uitgevoerd. Alle projecten dienen een bijdrage
                    te leveren aan het komen tot (innovatieve) oplossingen voor één van de vier
                    maatschappelijke uitdagingen die in de RIS3 zijn beschreven. </al><al>Bedrijven uit alle sectoren worden uitgenodigd te innoveren binnen deze vier
                    domeinen. Gezocht wordt naar innovaties die (inter-)nationaal onderscheidend en
                    vernieuwend zijn. Voor het betrokken bedrijf (of bedrijven) is de innovatie van
                    strategisch belang en zorgt het project ervoor dat innovatie een structureler
                    onderdeel wordt van de organisatie, wat tot uiting komt in de business case. </al><tussenkop>artikel 13</tussenkop><al>Zie toelichting artikel 6. </al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II Outputindicatoren OP EFRO Human Capital A 2017</titel></kop><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="10*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="37*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="36*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Code</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Naam</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Definitie &amp; toelichting</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>Bijzonderheden</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO01</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat steun ontvangt. Het aantal
                                        ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het Operationeel
                                        Programma, in welke vorm dan</al><al>ook en ongeacht of de steun staatssteun is of niet</al></entry><entry colname="col3"><al>Een onderneming telt als “ondersteund” als deze actief en
                                        gericht iets uit het project ontvangt dat een substantiële
                                        waarde vertegenwoordigt (Euro’s, advies, begeleiding,
                                        matching etc.).</al><al>Ondersteunde ondernemingen mogen maar één keer in de score
                                        van de indicator worden meegenomen.</al><al>Indien een onderneming meerdere keren steun ontvangt, dan
                                        blijft de score voor de indicator "1". (Dit geldt ook voor
                                        de indicatoren CO02 en CO04.)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO02</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt vanuit het
                                        Operationeel Programma </al><al>Er is sprake van een subsidie als een onderneming directe
                                        financiële steun ontvangt die niet hoeft te worden
                                        terugbetaald.</al></entry><entry colname="col4"><al>CO02 is een 'subset' van CO01.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO04</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat niet-financiële steun ontvangt</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het
                                        Operationeel Programma, waarbij de steun een andere vorm
                                        heeft dan een directe financiële overdracht. </al><al>Voor het scoren op deze indicator, "het wel of niet
                                        ontvangen van steun", gelden dezelfde criteria als bij
                                        indicator CO01.</al></entry><entry colname="col4"><al>CO04 is een 'subset' van CO01.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO06</al></entry><entry colname="col2"><al>De private bijdrage in de totale kosten van
                                        subsidieprojecten</al></entry><entry colname="col3"><al>De omvang van de private bijdrage (cofinanciering) in de
                                        totale subsidiabele projectkosten van subsidieprojecten
                                        waarbij steun wordt verleend aan ondernemingen.</al></entry><entry colname="col4"><al>CO06 is gekoppeld aan</al><al>CO02.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>PS05</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal voor gebruik door onderwijsinstellingen ontsloten
                                        O&amp;O-faciliteiten van bedrijven</al></entry><entry colname="col3"><al>Aantal faciliteiten voor onderzoek en ontwikkeling bij
                                        bedrijven dat dankzij EFRO-projecten is ontsloten voor
                                        onderwijsinstellingen. Voor deze indicator mag per
                                        onderneming maximaal één O&amp;O-faciliteit worden
                                        geteld.</al><al>Er dient een duidelijk verband te zijn tussen het
                                        uitgevoerde EFRO-project en de toegang die</al><al>onderwijsinstellingen krijgen tot de faciliteiten.</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>