<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR45372_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen Wet Werk en Bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemer Courant, 03-03-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, de artikelen 8 lid 1 onderdeel c en 30.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-02-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-04-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>04-09</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>wet werk en bijstand (wwb)</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de “Verordening toeslagen en verlagingen Algemene bijstandswet”.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen Wet Werk en Bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Opmerkingen m.b.t. de regeling</vet></al><al/><al>Deze regeling vervangt de “Verordening toeslagen en verlagingen Algemene
                        bijstandswet”.</al><al/><al/><al><vet>Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is
                            gebaseerd</vet></al><al/><al>1.Wet werk en bijstand, de artikelen 8 lid 1 onderdeel c en 30.</al><al/><al/><al><vet>Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde
                            regelgeving)</vet></al><al/><al>Geen.</al><al/><al/><al><vet>Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</vet></al><al/><al/><al><vet>Datum</vet></al><al><vet>inwerkingtreding</vet></al><al>01-07-2010</al><al>13-04-2004</al><al/><al><vet>Terugwerkende kracht t/m</vet></al><al/><al><vet>Betreft</vet></al><al>Wijziging art. 4</al><al>Toelichting</al><al>nieuwe regeling</al><al/><al><vet>Datum ondertekening</vet></al><al><vet>Bron bekendmaking</vet></al><al>22-04-2010</al><al>Diemer Nieuws, d.d. 20-05-2010</al><al>26-02-2004</al><al>Diemer Courant</al><al>d.d. 03-03-2004,</al><al>62<sup>e</sup> jaargang, editie 7, nr. 9, pagina 2.</al><al/><al><vet>Kenmerk voorstel</vet></al><al>onbekend</al><al>nr. 04-09</al><al/><al/><al><vet>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</vet></al><al/><al>Nr.: 04-09</al><al>De Raad van de gemeente Diemen;</al><al>gezien het advies van de Commissie Sociale Infrastructuur;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 januari
                        2004;</al><al>gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c en 30 van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden van 21 jaar of ouder doch
                        jonger dan 65 jaar bij verordening te regelen;</al><al>besluit vast te stellen de volgende:</al><al>Verordening toeslagen en verlagingen Wet Werk en Bijstand </al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>in deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="1."><al><cursief>de wet:</cursief> de Wet werk en bijstand; </al></li><li nr="2."><al><cursief>gehuwdennorm:</cursief> de norm als bedoeld in
                                        artikel 21, onderdeel c, van de wet;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>de bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In
                                geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen
                                indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                                zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>de bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing artikel 18,
                                eerste lid, van de wet onverlet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>de toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                heeft; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>de toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of
                                alleenstaande ouder die een woning deelt met één of meer anderen;
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft: </al><lijst><li nr="1."><al>kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar met
                                        een inkomen van ten hoogste de norm als bedoeld in artikel
                                        20, onder a, van de wet vermeerderd met 10 procent van de
                                        gehuwdennorm. Een uitkering op grond van de Wet
                                        studiefinanciering 2000 of de Wet tegemoetkoming
                                        onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt hierbij niet als
                                        inkomen aangemerkt. </al></li><li nr="2."><al>meerderjarige kinderen met alleen studiefinanciering op
                                        grond van de Wet studiefinanciering 2000; </al></li><li nr="3."><al>meerderjarige kinderen met alleen een tegemoetkoming op
                                        grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                        schoolkosten.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor gehuwden, in de leeftijd van 21 tot
                                65 jaar, die een woning delen met één of meer anderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar met
                                        een inkomen van ten hoogste de norm als bedoeld in artikel
                                        20, onder a, van de wet vermeerderd met 10 procent van de
                                        gehuwdennorm. Een uitkering op grond van de Wet
                                        studiefinanciering 2000 of de Wet tegemoetkoming
                                        nderwijsbijdrage en schoolkosten wordt hierbij niet als
                                        inkomen aangemerkt.</al></li><li nr="b."><al>meerderjarige kinderen met alleen studiefinanciering op
                                        grond van de Wet studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="c."><al>meerderjarige kinderen met alleen een tegemoetkoming op
                                        grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                        schoolkosten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt 20 procent
                            van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor
                            belanghebbende, in de leeftijd van 21 tot 65 jaar, geen kosten van huur
                            of hypotheeklasten verbonden zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlaging Schoolverlaters</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 28 van de wet bedraagt 15 procent
                            van de gehuwdennorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>de verlaging als bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van 21
                                jaar betreft;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>in afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de hoogte
                                van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien deze
                                toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing van lid
                                1 zou leiden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>de vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een
                                belanghebbende op wie artikel 6 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende ten minste
                            bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>35 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande,</al></li><li nr="b."><al>55 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder,</al></li><li nr="c."><al>65 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Toeslagenverordening Wet
                            werk en bijstand”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="a."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van op de eerste
                                    dag na het verstrijken van een termijn van zes weken na 1 maart
                                    2004.</al></li><li nr="b."><al>De “Verordening toeslagen en verlagingen Algemene bijstandswet”
                                    wordt ingetrokken per 31 december 2004.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad voornoemd in zijn openbare vergadering van 26
                        februari 2004.</ondertekening><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Algemene toelichting</al><al><vet>1. Norm, toeslag en verlaging</vet></al><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. Dit systeem is
                    grotendeels overgenomen uit de Abw. In de WWB maakt het voor de financiering
                    door het Rijk echter geen verschil of bijstand is toegekend als norm of als
                    toeslag. De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot
                    en met 24 WWB. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen in de
                    artikelen 25 tot en met 29 WWB. Het college is verplicht om in voorkomende
                    gevallen de norm te verhogen met een toeslag. Van de mogelijkheid om een
                    verlaging toe te passen hoeft geen gebruik gemaakt te worden.</al><al>Norm</al><al>Voor personen van 21 jaar tot 65 jaar bestaan er een drietal basisnormen
                    (artikel 21 WWB), te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm) </al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm </al></li><li nr="3."><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al>Toeslagen</al><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld
                    kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht
                    als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf
                    hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar
                    ook krant etc. gedeeld worden.</al><al>De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de uitkering
                    maximaal bedraagt voor:</al><lijst><li nr="·"><al>alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm </al></li><li nr="·"><al>alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van
                    de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van de Toeslagenverordening.
                    Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol
                    spelen. Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een
                    toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten. Het college heeft de
                    mogelijkheid om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader
                    onderscheid, de maximale toeslag te verstrekken. (Zie TK 28870, nr. 3, p. 52 en
                    53.)</al><al>Verlagingen</al><al>De WWB noemt de volgende verlagingen:</al><lijst><li nr="·"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een
                            ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden
                            (artikel 26 WWB); </al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB); </al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie
                            (artikel 28 WWB); </al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij
                            alleenstaanden (artikel 29 WWB).</al></li></lijst><al>De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4 tot en met 7 van de
                    verordening.</al><al><vet>2. De Toeslagenverordening</vet></al><al>In artikel 8 lid 1 onder c jo. artikel 30 WWB is geregeld dat de gemeenteraad
                    bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm
                    verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die
                    verhoging of verlaging wordt bepaald.</al><al>Het door het college voorgestane beleid ten aanzien van de toeslagen moet dus
                    worden vastgelegd in de Toeslagenverordening door de gemeenteraad, opdat het
                    college het beleid kan uitvoeren.</al><al>Categorieën</al><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal karakter moet
                    hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot in de
                    praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor een
                    forfaitaire benadering.</al><al>Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening alle mogelijke situaties
                    uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het
                    college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel
                    18 lid 1 WWB bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen. In dit
                    model Toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven aan alle
                    verlagingen die de WWB mogelijk maakt. In artikel 8 van de Toeslagenverordening
                    wordt daarentegen het effect van samenloop van verschillende verlagingen beperkt
                    door minimum hoogtes voor te schrijven waaraan de bijstand moet voldoen na
                    toepassing van de verlagingen. Eenvoudigheidshalve is ook de werking van de
                    verordening beperkt tot belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65
                    jaar, hoewel de WWB de mogelijkheid biedt om de verlagingen ook toe te passen op
                    belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar. In een uitzonderlijke situatie waarin een
                    belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar slechter af zou zijn
                    dan een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar in overigens vergelijkbare
                    omstandigheden, ligt het voor de hand dat het college eveneens op grond van
                    artikel 18 lid 1 WWB de bijstand aanpast. (Zie ook de toelichting bij artikel 2
                    van de Toeslagenverordening.)</al><al><vet>3. Berekening toepasselijke bijstandsnorm</vet></al><al>In de WWB is -in tegenstelling tot in de Abw- niet voorgeschreven, dat in
                    gevallen waarin zowel de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de
                    verlaging met voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. De reden van het
                    vervallen van het voorschrift is gelegen in de financieringsstructuur van de
                    WWB, waarbij het niet uitmaakt of de norm of de toeslag verlaagd wordt. Voor de
                    toepassing van de leeftijdsverlaging maakt dit echter wel uit. Omdat noch uit de
                    wettekst noch uit de Memorie van toelichting kan worden opgemaakt dat de
                    wetgever heeft beoogd de leeftijdsverlaging een zwaarder gewicht te geven,
                    blijft het bij voorrang toepassen van de verlaging op de toeslag de aangewezen
                    volgorde. In de praktijk leidt dit overigens alleen bij de combinatie verlaging
                    wegens woonsituatie en leeftijdsverlaging (een andere verlaging is niet mogelijk
                    in combinatie met de leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten.
                    Bovenstaande in acht nemend kan hoogte van de uitkering algemene bijstand voor
                    personen van 21 tot 65 jaar als volgt worden berekend:</al><lijst><li nr="1."><al>Basisnorm;</al></li><li nr="2."><al>...</al><lijst><li nr="1."><al>Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande
                                    ouders) OF</al></li><li nr="2."><al>Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen
                                    (alleen bij gehuwden)</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Korten met verlaging wegens woonsituatie;</al></li><li nr="4."><al>...</al><lijst><li nr="1."><al>Korten met verlaging schoolverlater OF</al></li><li nr="2."><al>Korten met verlaging voor 21 jarige alleenstaanden op (het
                                    restant van) de toeslag.</al></li></lijst></li></lijst><al>De verlagingen onder stap 4a en 4b mogen nooit gelijktijdig worden
                    toegepast.</al><al>De toeslagenverordening geeft aan welke verlaging geldt. Leidt de uitkomst tot
                    een lager bedrag aan bijstand dan de gestelde minima in artikel 8 van de
                    Toeslagenverordening, dan moet het college de bijstand vaststellen op de van
                    toepassing zijnde minimum hoogte volgens dit artikel. De uitkomst van deze
                    berekening laat ook een eventueel aan de orde zijnde afstemming van de bijstand
                    bij wijze van individualisering onverlet.</al><al>Toelichting per artikel</al><al>Artikel 1 - Begripsomschrijving</al><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of Awb niet
                    afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook de Verordening moet
                    worden gewijzigd.</al><al>Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat de hoogte van
                    deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in artikel 21 onder c WWB. Dit bedrag is
                    feitelijk gelijk aan het netto minimumloon.</al><al>Artikel 2 - Bepalingen</al><al>Hoewel de tekst van de artikelen 26, 27 en 28 WWB ook categoriale verlagingen
                    mogelijk maakt voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar, moet dit niet
                    opportuun geacht worden. De normen van artikel 20 WWB zijn laag vastgesteld,
                    vanwege de onderhoudsplicht van de ouders van belanghebbenden. Betreffende
                    ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun onderhoudsplicht door hun kind bij
                    hen in te laten wonen of de huur voor hen te betalen. In dergelijke gevallen zou
                    als het ware 'dubbel gekort' worden als hierdoor ook nog krachtens de
                    Toeslagenverordening de uitkering verlaagd zou worden. Bovendien zou de
                    toepassing van de categoriale verlagingen op belanghebbenden van 18, 19 of 20
                    jaar de uitvoering van de Toeslagenverordening nodeloos ingewikkeld maken.</al><al>Mocht evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van
                    artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om
                    op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager vast te stellen. In de
                    praktijk zal dit zich gezien de geringe hoogte van de jongerennorm niet
                    veelvuldig voordoen, maar te denken valt aan de situatie waarin gehuwden met een
                    kind in een kraakpand wonen. De gehuwdennorm van artikel 21 onder c WWB minus de
                    verlaging van 5 onder a van de Toeslagenverordening leidt tot een lager bedrag
                    aan bijstand dan de norm van artikel 20 lid 2 onder c WWB. In dergelijke
                    uitzonderlijke situaties moet het college gebruik maken van zijn bevoegdheid tot
                    individualiseren. De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college
                    om zonodig in afwijking van de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte
                    van de bijstand- de bijstand anders vast stellen, als dat gelet op de
                    omstandigheden, mogelijk en middelen van belanghebbende in aanmerking nemende,
                    volgt uit artikel 30 lid 4 WWB. De individualiseringsplicht geldt evenzeer in
                    situaties waarin de Toeslagenverordening niet voorziet. Om hierover bij de
                    uitvoering van de Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan is er
                    voor gekozen om deze plicht expliciet in de Toeslagenverordening op te
                    nemen.</al><al>Artikel 3 - Toeslagen</al><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30 lid 2 onder a WWB.</al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                    worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbende
                    zelf.</al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van
                    worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft
                    op zijn plaats. In de toeslagen verordening is daarom gekozen voor een toeslag
                    van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval één ander in dezelfde woning
                    zijn hoofdverblijf heeft. Als nog een ander zijn hoofdverblijf in de woning
                    heeft kunnen de kosten nog meer gedeeld worden. Ingeval dat nog meer anderen in
                    de woning hun hoofdverblijf hebben, kan er echter niet meer van worden uitgegaan
                    dat het delen van kosten tot nog duidelijk lagere algemene bestaanskosten leidt.
                    Bovendien zal in de praktijk in voorkomende gevallen de woning ook groter (en
                    dus duurder) dan gebruikelijk zijn of betreft de woonruimte een kamer in een
                    (studenten)flat. Zolang er sprake is van een zelfstandige huishouding, blijft
                    een deel van de daarop betrekking hebbende algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan uitsluitend voor rekening van belanghebbende. In de Toeslagenverordening
                    is daarom gekozen om, ingeval twee of meer anderen in dezelfde woning hun
                    hoofdverblijf hebben, de toeslag vast te stellen op 10 procent van de
                    gehuwdennorm. In het vierde lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in
                    de norm begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het
                    niet aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het huishouden,
                    niet meetellen als personen die in de woning hun hoofdverblijf hebben. Daarbij
                    is nadrukkelijk overwogen dat in de WSF 2000 en Wtos aan thuiswonende studenten
                    reeds een lager bedrag wordt verstrekt. Aangezien betreffende kinderen niet in
                    de bijstand begrepen zijn, is het aan de alleenstaande ouder om zodanige
                    inlichtingen te verstrekken dat kan worden vastgesteld of de onderdelen a, b of
                    c van toepassing zijn.</al><al>Artikel 4 - Verlaging gehuwden</al><al>In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten
                    de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de
                    woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de
                    kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                    verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf. Gekozen is voor een verlaging van
                    10 procent van de gehuwdennorm, ongeacht het aantal anderen dat in de woning
                    zijn hoofdverblijf heeft. Evenals bij alleenstaanden wordt vanaf de vierde
                    persoon die in de woning zijn hoofdverblijf heeft geen noemenswaardige
                    vermindering van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan aanwezig
                    geacht. Daarbij moet ook bedacht worden dat in de praktijk bij meer bewoners van
                    een woning, het ook vaak om een grotere en duurdere woning gaat, zodat de
                    feitelijke kosten van het bestaan doorgaans niet lager uitvallen dan in gevallen
                    waarin maar één ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al><al>In het tweede lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm
                    begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het niet
                    aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het huishouden, niet
                    meetellen als personen die in de woning hun hoofdverblijf hebben. Daarbij is
                    nadrukkelijk overwogen dat in de WSF 2000 en Wtos aan thuiswonende student reeds
                    een lager bedrag wordt verstrekt. Aangezien de in het tweede lid bedoelde
                    kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is het aan de ouders om zodanige
                    inlichtingen te verstrekken, dat kan worden vastgesteld of de onderdelen a, b of
                    c van toepassing zijn.</al><al>Artikel 5 - Verlaging woonsituatie</al><al>Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te
                    verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB is aanvullend
                    bedoeld op de artikelen 25 en 26 WWB. Ten opzichte van artikel 35 lid 1 Abw is
                    artikel 27 WWB ruimer. Artikel 35 lid 1 Abw voorzag enkel in een verlaging in
                    het geval aan de door belanghebbende bewoonde woning geen woonkosten verbonden
                    waren. Blijkens de toelichting op 27 WWB is de verruiming bedoeld om ook ingeval
                    er helemaal geen woning wordt bewoond, een verlaging te kunnen te kunnen
                    toepassen. In dit artikel is onder a een verlaging opgenomen voor de situatie
                    dat aan de woning voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het wordt
                    nodeloos ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar de mate
                    waarin woonkosten ontbreken. Indien een belanghebbende uitzonderlijk lage
                    woonkosten heeft, kan dat uiteraard wel aanleiding zijn om met toepassing van
                    artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager vast te stellen. In de verordening wordt
                    overigens niet het begrip 'woonkosten' gehanteerd, maar 'kosten van huur of
                    hypotheeklasten'. Daarmee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water,
                    gas, licht en dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging
                    van krachtens dit artikel te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling
                    die de Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip
                    woonkosten in de zin van artikel 35 lid 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7
                    en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.)</al><al>In onderdeel b wordt de verlaging ingeval er door belanghebbende in het geheel
                    geen woning bewoond vastgesteld op 10 procent van de gehuwdennorm. Dit is in
                    overeenstemming met de toelichting op artikel 27 WWB. Een belanghebbende die
                    geen woning bewoond wordt geacht lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan te hebben vanwege het ontbreken van woonkosten. Niettemin zijn de kosten
                    van het bestaan niet zoveel lager als voor een belanghebbende die kosteloos
                    woont in een woning. Een dakloze wordt immers geconfronteerd met de hogere
                    kosten van het op straat leven, zoals bijvoorbeeld de kosten van nachtopvang. De
                    hoogte van een verlaging krachtens dit artikel heeft geen invloed op de wijze
                    waarop de bijstand verleend moet worden. Indien bijstand verleend wordt aan
                    daklozen, kan het college gebruik maken van zijn bevoegdheid om een
                    budgetteringsplicht op te leggen of de bijstand in natura (in de vorm van
                    opvang) te verlenen. Overigens geschiedt de verlening van bijstand aan
                    belanghebbenden zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke
                    basisadministratie persoonsgegevens op grond van artikel 40 lid 1 en 2 WWB door
                    bij amvb (Bijstandsbesluit adreslozen) aan te wijzen centrumgemeenten. Maar niet
                    elke belanghebbende zonder woning is een adresloze in de zin van aangehaalde
                    wet. Belanghebbende kan immers ook de beschikking hebben over een postadres bij
                    familie of een instantie.</al><al>Artikel 6 - Verlaging schoolverlaters</al><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 28 WWB is blijkens de toelichting op dat
                    artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet in een
                    veel betere financiële positie te brengen als toen hij nog aangewezen was op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens de Wtos. Er wordt daarbij
                    geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit- of thuiswonende student. Met
                    deze omstandigheden wordt immers reeds rekening gehouden in artikel 4 en 5 van
                    de Toeslagenverordening.</al><al>Artikel 7 - Verlaging toeslag alleenstaande van 21 jaar</al><al>Artikel 29 WWB geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te passing
                    indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een
                    drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon
                    voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige ligt het voor de hand om
                    voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige.
                    In het tweede lid wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in artikel 29
                    WWB- de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan plaatsvinden op de
                    toeslag van artikel 25 WWB.</al><al>In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel 30 lid
                    2 onder b WWB om in de verordening vast te stellen dat de
                    schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast met de verlaging
                    voor 21- en 22-jarigen. Voor het met voorrang toepassen van de
                    schoolverlatersverlaging is gekozen, opdat een 21- of 22-jarige schoolverlater
                    niet beter af is op grond van dit artikel dan een 23-jarige schoolverlater op
                    grond van artikel 6 van de Toeslagenverordening.</al><al>Artikel 8 - Anti cumulatie bepaling</al><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening hebben betrekking op de
                    verschillende omstandigheden bij belanghebbende en kunnen elk afzonderlijk als
                    redelijk in betreffende omstandigheden worden beschouwd. Zonder dit artikel zou
                    dat echter kunnen betekenen, dat -met name in situaties waarin de
                    schoolverlatersverlaging in combinatie met een van de andere verlagingsgronden
                    aan de orde is het college de bijstand vanwege deze samenloop dermate laag zou
                    moeten vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van adequate
                    bijstandsverlening. In voorkomende gevallen zou het college op grond van artikel
                    18 lid 1 WWB de bijstand hoger moeten vaststellen. Daarom is er voor gekozen om
                    reeds in de Toeslagenverordening een minimum bedrag vast te leggen, waarop het
                    college de bijstand (inclusief eventuele toeslag en verlagingen) ten minste moet
                    vaststellen. Aan de verplichting van artikel 30 lid 2 onder b WWB, dat in de
                    Toeslagenverordening wordt vastgelegd, dat de schoolverlatersverlaging (artikel
                    28 WWB) en de leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB) niet gelijktijdig mogen worden
                    toegepast, wordt reeds voldaan door de formulering van artikel 7 van de
                    Toeslagenverordening.</al><al>Artikel 9 - Uitvoering</al><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de Toeslagenverordening
                    bij het college van Burgemeester en wethouders.</al><al>Artikel 10 - Citeerartikel</al><al>Voor de te gebruiken citeertitel is aansluiting gezocht bij de terminologie van
                    de wetgever, als gebruikt in de toelichting bij artikel 3 Invoeringswet WWB (zie
                    TK 2002-2003, 28 960, nr. 3, p. 8).</al><al>Artikel 11 - Inwerkingtreding:</al><al>De toeslagenverordening is op grond van artikel 8 Tijdelijke referendumwet
                    referendabel. De datum van de inwerkingtreding van de Toeslagenverordening moet
                    daarom, met in acht name van artikel 22 Tijdelijke referendumwet, op ten minste
                    6 weken na datum publicatie gesteld worden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>