<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR45321_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening 2010 gemeente Dalfsen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">KernPUNTEN 28-09-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet veiligheidsregio’s, artikel 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-07-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>13 juli 2010, nummer 106</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening 2010 gemeente Dalfsen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Dalfsen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 20
                        juli 2010, nummer 106;</al><al>overwegende dat het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het
                        voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar,
                        het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee
                        verband houdt;</al><al>gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio’s;</al><al/><al>b e s l u i t:</al><al/><al>vast te stellen <vet>“Brandbeveiligingsverordening 2010 gemeente
                            Dalfsen”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label> Brandbeveiligingsverordening 2010 </label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Algemeen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                                            begrensde plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout,
                                            steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                                            bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond
                                            verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                                            of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                            functioneren.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Gebruiksvergunning</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het
                                        college verleende gebruiksvergunning een inrichting in
                                        gebruik te hebben of te houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn;
                                                of, </al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het
                                                kader van verzorging nachtverblijf zal worden
                                                verschaft; of,</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan
                                                meer dan 10 lichamelijk of geestelijk gehandicapte
                                                personen dagverblijf zal worden verschaft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning slechts
                                        voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen van
                                        brand en het beperken van brand en brandgevaar (paragraaf 3)
                                        en het bestrijden van brand en het voorkomen en beperken van
                                        ongevallen bij brand. (paragraaf 4)</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden
                                        verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken,
                                        indien het belang waarvoor de gebruiksvergunning is verleend
                                        dit vereist op grond van een verandering van inzichten of
                                        verandering van de omstandigheden gelegen buiten de
                                        inrichting, opgetreden na het verlenen van de
                                        gebruiksvergunning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                                        (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet
                                        van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de
                                    aanvraag vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet
                                    brandveilig is en door het stellen van voorwaarden ook niet kan
                                    worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in
                                    de paragrafen 2.1, 2.2 en 2.3 van het Besluit brandveilig
                                    gebruik van bouwwerken (Staatsblad 2008, 327) zijn
                                    overeenkomstig van toepassing op vergunningplichtige en niet
                                    vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in
                                    de paragrafen 2.4, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8 en 2.9 van het Besluit
                                    brandveilig gebruik bouwwerken (Staatsblad 2008, 327) zijn
                                    overeenkomstig van toepassing op vergunningplichtige en niet
                                    vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht
                                    dit onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen </titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten
                                    opstand die voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een
                                    heideveld, een veen of een ander erf of terrein, voor zover niet
                                    bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b van de Woningwet, en
                                    dat met brandbare gewassen is begroeid, is verplicht de
                                    voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het
                                    voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van
                                    brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                                        voorgaande Brandbeveiligingsverordeningen en die van kracht
                                        zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening
                                        worden aangemerkt als vergunning krachtens deze
                                        verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                        verordening een aanvraag om vergunning op grond van de
                                        Brandbeveiligingsverordening van 2009 is ingediend waarop
                                        nog niet is beslist, wordt daarop deze verordening
                                        toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een
                                        aanvraag om vergunning krachtens de
                                        Brandbeveiligingsverordening van 2009, wordt beslist met
                                        toepassing van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Citeertitel en
                                        inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als
                                        Brandbeveiligingsverordening 2010.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ‘Brandbeveiligingsverordening 2009’ wordt bij
                                        inwerkingtreding van deze regeling ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze regeling treedt 1 oktober 2010 in werking.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening/><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Dalfsen in zijn
                        (openbare)vergadering van 27 september 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, de griffier, </ondertekening><ondertekening>mr. W.P.M. Urlings H.C. Lankman </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening 2010</label></kop><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop in
                    artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur (AMvB) aan over het
                    brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                    bouwwerken. Deze AMvB neemt de plaats in van de Brandbeveiligingsverordening.
                    (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nummer 8, pagina 7) Naar
                    verwachting treedt deze AMvB pas medio 2011 in werking. Tot die tijd zal op
                    grond van de Wet veiligheidsregio’s in elke gemeente een
                    Brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn.</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s, het niet
                    beschikbaar zijn van de hiervoor bedoelde AMvB en het ontbreken van relevant
                    overgangsrecht in de Wet veiligheidsregio’s heeft de Raad een nieuwe
                    Brandbeveiligingsverordening vastgesteld. De bestaande
                    Brandbeveiligingsverordening vervalt namelijk van rechtswege bij de
                    inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s.</al><al>De voorliggende regeling is, gezien het tijdelijk karakter (tot de
                    inwerkingtreding van de AMvB) terughoudend van aard. De regeling is aangepast
                    aan de Wet veiligheidsregio’s en de Europese Dienstenrichtlijn. </al><al/><al><cursief>Tijdelijke bouwwerken</cursief></al><al>Vraagt u voor uw tijdelijke situatie (bouwwerk, bijvoorbeeld een tent) een
                    bouwvergunning aan dan is deze verordening niet van toepassing op uw bouwwerk. U
                    moet een bouwvergunning aanvragen als het tijdelijk bouwwerk langer dan 31
                    staat.</al><al>Staat het bouwwerk korter dan 31 dagen dan heeft u geen bouwvergunning nodig en
                    dan is deze verordening wel van toepassing. Uw bouwwerk valt dan onder de noemer
                    'inrichting' waarop deze verordening wel van toepassing is.</al><al/><al><cursief>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</cursief>.</al><al>De Brandbeveiligingsverordening mag niet regelen 'voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien'. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wet al voorziet of mede (indirect)
                    voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio’s als opdacht aan
                    het college is gegeven. In zo’n geval gaat dat wettelijk voorschrift voor op de
                    Brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    Brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat
                    een gemeente op basis van de Brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet
                    er onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van
                    toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de
                    dagelijkse praktijk zijn er natuurlijk een aantal standaard gevallen waarbij van
                    tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al/><al><cursief>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk
                    zijn</cursief></al><al>De Brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt
                    de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar wel van een bepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de Brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn:
                        '<cursief>niet-bouwwerken</cursief>'. Het kan gaan om bijvoorbeeld een los
                    met de wal verbonden drijvend hotel of discotheek, of een tijdelijke tent die
                    korter dan 31 dagen staat. Het onderwerp is vooraf niet uitputtend te
                    bepalen.</al><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio’s zelf kent een beperking van doel,
                    namelijk brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften)
                    geen beperking van object. De omschrijving is van toepassing op de gehele
                    omgeving.</al><al>Voor een dergelijk object is het, vanwege het feit dat niet van tevoren
                    duidelijk is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel objecten
                    lijken echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden
                    gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie.</al><al>Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor is in elk geval
                    het <cursief>Bouwbesluit, het Gebruiksbesluit en de Bouwverordening ex</cursief>
                    de Woningwet van toepassing. Door de definitie van het begrip bouwwerk in de
                    bouwverordening en de toepassing ervan in het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit
                    is een constructie die drijft op het water meestal geen bouwwerk in de zin van
                    de Woningwet en afgeleide regelgeving. Voor een met de grond verbonden object is
                    de Woningwet het juridisch kader. Voor hetzelfde object dat drijft is de
                    Brandbeveiligingsverordening het juiste kader (voor de brandveiligheid). Een
                    ander voorbeeld: een tent die langdurig – meer dan 31 dagen – op dezelfde plaats
                    staat kan een bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde tent
                    tijdens een kortdurende periode – minder dan 31 dagen – een ‘niet bouwwerk’ is,
                    waarvoor op grond van de Brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden
                    gesteld.</al><al>Over de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede
                    aan de hand van staand jurisprudentie, een toelichting:</al><al/><al><cursief>Bouwwerk of geen bouwwerk</cursief></al><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    Brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken en het gebruik van open erven en
                    terreinen en de staat, waarin deze zich moeten bevinden. De beperking die de
                    Woningwet oplegt, als een hogere regeling, zit in de begrippen bouwwerk, open
                    erf en terrein.</al><al><cursief>Bouwwerk</cursief></al><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in
                    de bouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan:</al><al>-b<cursief>ouwwerk: </cursief>elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                    indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of
                    op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk </al><lijst><li nr="1)"><al>constructie, </al></li><li nr="2)"><al>van enige omvang, </al></li><li nr="3)"><al>met de grond verbonden, </al></li><li nr="4)"><al>bedoeld om ter plaatse te functioneren</al></li></lijst><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is. De jurisprudentie is te
                    omvangrijk om hier weer te geven. Een uitgebreide opsomming van jurisprudentie
                    kunt u vinden in de toelichting op de model bouwverordening van de
                    'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv, Den Haag).</al><al/><al><cursief>Open erf en terrein</cursief></al><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de Brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Op grond van artikel 8, tweede lid, onder b, van de Woningwet zijn namelijk in
                    de Bouwverordening voorschriften opgenomen over de staat en het in gebruik nemen
                    en gebruiken van open erven en terreinen. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden
                    gesteld op grond van de Brandbeveiligingsverordening.</al><al>De begripsomschrijving is overgenomen uit het besluit omgevingsrecht (Bor) dat
                    op 1 juli 2010 in werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid uit de
                    jurisprudentie (zie ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB 1998, 5).</al><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf
                    kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of
                    beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde, verder van het hoofdgebouw af
                    gelegen, delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal in
                    beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke
                    omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke
                    percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels, die het
                    perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw
                    met bijbehorende aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en
                    waar een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                    hoofdgebouw.</al><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                    perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin van
                    de Bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier voorwaarden
                    zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3) dat bij een
                    bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is.</al><al/><al><cursief>Gebruiksvergunning voor een inrichting</cursief></al><al>De Brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen
                    voor een meldingplicht in plaats van een vergunningplicht, omdat tussen de
                    situaties dan bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in
                    de Brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan
                        <onderstreept>altijd</onderstreept> moet worden voldaan.</al><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via een directe werking van de
                    verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen van
                    toepassing is, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover die
                    geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor één begrip: inrichting.</al><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet
                    goed mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen
                    van een vergunning vormvrij. Het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken geeft
                    richtlijnen voor de te stellen voorwaarden.</al><al>Aan een los aangemeerde hotelboot bijvoorbeeld kunt u dezelfde
                    brandveiligheidseisen stellen als aan een vast met de wal verbonden drijvende
                    hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en de Woningwet).</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat
                    er voor gekozen is de model Brandbeveiligingsverordening niet aan te maken aan
                    de hand van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al><cursief>Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>De model Brandbeveiligingsverordening 2010 is aangepast aan de Europese
                    Dienstenrichtlijn. Het gebruiksvergunningstelsel voor inrichtingen als bedoeld
                    in deze verordening is ingegeven uit het oogpunt van brandveiligheid. Vanuit het
                    oogpunt van openbare veiligheid is het onwenselijk dat een dergelijke
                    gebruiksvergunning van rechtswege wordt verleend, voordat een inhoudelijke toets
                    van de aanvraag heeft plaatsgevonden. Toepassing van de lex silencio positivo is
                    hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang. Paragraaf
                    4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van toepassing
                    verklaard.</al><al/><al><cursief>Toezicht op de naleving</cursief></al><al>Het toezicht op de naleving van de Brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio’s bij door burgemeester en wethouders
                    opgedragen ambtenaren. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                    wijst op grond van artikel 65 van de Wet veiligheidsregio’s de ambtenaren aan
                    belast met opsporing van strafbare feiten.</al><al/><al><cursief>Strafbepaling</cursief></al><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lis van de Wet veiligheidsregio’s gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied in de verordening zelf.</al><al/><al><cursief>Overgangsrecht</cursief></al><al>In het artikel is twee keer de Brandbeveiligingsverordening genoemd, omdat het
                    nodig kan zijn dat vergunningen op grond van de Brandbeveiligingsverordening van
                    vóór 2009 nog van kracht moeten zijn.</al><al/><al><cursief>Intrekken regeling</cursief></al><al>De Brandbeveiligingsverordening 2009 vervalt op het moment van inwerkingtreding
                    van de Wet veiligheidsregio’s van rechtswege door ontbreken van de rechtsgrond:
                    de Brandweerwet 1985. De intrekking moet worden bekendgemaakt volgens de in
                    artikel 144 Gemeentewet genoemde wijze.</al><al/><al><cursief>Bekendmaking</cursief></al><al>De bekendmaking dient op een zodanig tijdstip plaats te vinden dat de
                    verordening op het moment van inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s in
                    werking kan treden. De verordening zal worden opgenomen in het gemeenteblad en
                    in de regelingenbank, onder mededeling hiervan in de KernPUNTEN.</al><al/><al><cursief>Intrekken vergunning</cursief></al><al>De Brandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in te
                    trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingbepaling de gemeente onnodig
                    beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De aard van de
                    verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke gronden
                    voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen intrekkinggrond kent is er
                    sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te
                    geven brengt ook met zich mee om deze weer in te trekken of te wijzigen mits
                    daarvoor valide redenen bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden. Denk
                    bijvoorbeeld aan onjuistheid van de beschikking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>